Het geloof van de koninklijke hoveling

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 11 oktober 1885 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaüm. Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven. De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen. En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis. Johannes 4:46-53

Dit verhaal laat zien hoe het geloof in de ziel ontstaat en groeit. Terwijl ik erover probeer te spreken, bid ik dat wij dat spoor uit eigen ervaring mogen volgen. Ik verlang dat zo’n geloof in ons hart mag opkomen, in onze geest mag groeien en in ons zelfs sterker mag worden dan het in deze koninklijke hoveling was. Waar het om gaat, broeders en zusters, is niet alleen dat wij hierover horen, maar dat het zich in onze eigen ziel herhaalt. Het moet voor ons werkelijkheid worden; de zaken van God moeten voor ons harde feiten worden. Wij moeten niet alleen horen over deze koninklijke hoveling van Kapernaüm of over wie dan ook, maar in onze eigen ziel hetzelfde werk van de genade gewerkt zien als in hem. Dezelfde levende Christus is hier, en wij hebben Zijn hulp even hard nodig als deze koninklijke hoveling. Mogen wij die zoeken zoals hij haar zocht, en vinden zoals hij haar vond! Dan zal blijken dat de Heilige Geest, Die het verhaal dat voor ons ligt heeft ingegeven, het opnieuw schrijft, niet op de bladzijden van een boek, maar in vlezen tafelen des harten. Let dan bij het begin erop dat in de allereerste plaats nood deze hoveling tot Jezus leidde. Als hij geen beproeving had gekend, had hij misschien voortgeleefd zonder aan zijn God en Zaligmaker te denken. Maar er kwam ellende over zijn huis, en dat was de engel van God in vermomming.

Misschien, beste vriend, verkeert u vanmorgen in nood. Als dat zo is, bid ik dat de droefheid het zwarte paard mag zijn waarop de genade naar uw deur rijdt. Het is treurig, diep treurig, dat sommige mensen God des te slechter belonen naarmate Hij hen in Zijn voorzienigheid beter behandelt. Aan de andere kant zijn er harten die zich tot de Heere wenden wanneer Hij hen slaat. Wanneer zij door diepe wateren gaan, wanneer zij nauwelijks brood hebben om te eten, wanneer ziekte hun lichaam aantast en vooral wanneer hun kinderen getroffen worden, dan gaan zij aan God en aan hogere zaken denken. Gezegend is in zo’n geval de tucht van de grote Vader! Het is goed voor wie in nood is, als de verdrukking zijn hart tot berouw verbrijzelt en het berouw hem ertoe brengt vergeving te zoeken en te vinden. De bijzondere beproeving die deze koninklijke hoveling trof, was de ziekte van zijn kind. Hij had een zoontje dat hij innig liefhad en dat aan een dodelijke koorts lag. Het schijnt dat de vader van nature een vriendelijk en hartelijk man was. Zijn dienaren leefden kennelijk sterk met hem mee in de beproeving die zijn gezin zo zwaar trof, want u merkt hoe gretig zij hem tegemoet gingen om hem het herstel van zijn kind te melden.

Het hart van de vader was diep gewond, omdat zijn lieve jongen de dood nabij was. Ongetwijfeld had hij alle geneesmiddelen van die tijd geprobeerd en iedere geneesheer laten halen die in de wijde omtrek van Kapernaüm te vinden was. Nu hij gehoord heeft van een zekere Jezus van Nazareth, Die te Kana water in wijn had veranderd en in Jeruzalem veel machtige werken had gedaan, neemt hij met een vurige smeking en een wanhopige hoop zijn toevlucht tot Hem. Misschien had hij er nooit aan gedacht Jezus te zoeken als die lieve stervende jongen er niet was geweest. Hoe vaak gebeurt het niet dat kinderen, hoewel het geen engelen zijn, toch gebruikt worden voor beter werk dan engelen zouden kunnen doen: zij leiden hun ouders op een lieflijke manier tot God en de hemel.

Zij hechten zich aan ons hart, en als wij zien dat zij ziek worden en merken dat zij pijn hebben, wordt ons meelevende hart door angst en benauwdheid aangegrepen. Dan roepen wij uit: “O God, spaar mijn kind! Heere, ontferm U over mijn kleine lieveling!” De eerste gebeden die uit menig hart opkomen, worden onder Gods leiding ontlokt door het verdriet om teerbeminde kleine kinderen. Staat er niet geschreven: “En een klein jongske zal ze drijven”? Zo was het bij deze man: hij werd door de nood, door de angst om een kind, tot Jezus gebracht. Op dit ogenblik heb ik sterk het gevoel dat ik spreek tot sommigen die niet bekeerd zijn, maar hier gekomen zijn omdat zij in grote benauwdheid verkeren. Misschien kwijnt een van hun geliefde kleinen weg en roept hun hart tot God dat dat dierbare leven, als het mogelijk is, gespaard mag blijven. In het huis van het gebed voelen zij enige verlichting, terwijl hun hart anders zou breken om het verlies waarvoor zij zo bang zijn. Hoe vurig bid ik onze Heere dat Hij deze nood als een middel van genade wil gebruiken!

De beproeving was de aanleiding, de inleiding tot het werk van de goddelijke genade. Wij gaan nu verder en richten onze blik op het zaligmakende deel daarvan, namelijk het geloof dat in het hart van deze koninklijke hoveling ontstond. Eerst letten wij op de sprank des geloofs; dan op het smeulende vuur des geloofs, dat grotendeels nog bedekt is en onder de as ligt, zodat het meer op rook lijkt dan op vuur. Daarna richten wij in de derde plaats onze blik op de vlam des geloofs, het geloof dat zich ten slotte duidelijk openbaart; en in de vierde plaats op de vuurgloed des geloofs, toen het geloof ten slotte in de man oplaaide, heel zijn wezen in lichterlaaie zette en zich over zijn hele huis verspreidde. Nogmaals zeg ik: laten wij proberen dit te volgen, niet alleen in gedachten, maar ook in werkelijkheid.

I. Ik wil dat u zorgvuldig let op DE SPRANK DES GELOOFS en ondertussen steeds bij uzelf zegt: Ik ga kijken of ik bij mijzelf zo’n sprank van geloof kan ontdekken. Als ik die vind, zal ik haar hoog waarderen en de Heilige Geest bidden er zachtjes op te blazen, zodat zij uitgroeit tot iets blijvenders en krachtigers. Het geloof van deze koninklijke hoveling rustte in het begin helemaal op wat anderen vertelden. Hij woonde in Kapernaüm, daar beneden aan de zee, en onder de nieuwsbrengers was het het gesprek van de dag dat er een groot Profeet was opgestaan, Die grote wonderen deed. Zelf had hij Jezus nooit gezien of horen spreken, maar hij geloofde wat anderen vertelden, en daar deed hij goed aan, want het waren betrouwbare mensen. Ongetwijfeld verkeren velen in de eerste fase van het geloof. Zij hebben vrienden horen zeggen dat de Heere Jezus zondaars aanneemt, dat Hij de zonde wegdoet, dat Hij het geweten tot rust brengt, dat Hij de natuur verandert, dat Hij het gebed hoort en dat Hij Zijn volk in moeiten ondersteunt. Dat alles hebben zij gehoord van mensen met een goede naam, die zij hoogachten, en daarom geloven zij hen.

Vriend, zegt u bij uzelf: “Ik twijfel er niet aan dat het allemaal waar is, maar ik vraag mij af of het ooit voor mij waar zal zijn. Ik zit vanmorgen in nood; zal de Heere Jezus mij helpen? Ik ben op dit moment erg bezwaard; zal het gebed tot Hem mij verlichting geven?” U kunt niet zeggen dat u uit iets wat u zelf van Hem gezien hebt, weet dat Jezus u zo zou willen zegenen, maar uit wat vrienden u vertellen leidt u af dat Hij het zal doen. Welnu, zo begint het geloof vaak. Mensen geloven het getuigenis dat hen bereikt via bekende personen die de kracht van de goddelijke liefde hebben ervaren. Het gaat hun dus eerst zoals het de Samaritanen ging, die geloofden om het woord van de vrouw. Later zullen zij voor zichzelf gaan geloven, omdat zij zelf gehoord, gezien, gesmaakt en met hun handen getast hebben; maar het begin is goed. Dit geloof, dat voortkomt uit wat anderen vertellen, is een sprank van het echte vuur. Wees er zuinig op. Moge God u de genade geven om zo te bidden dat die sprank uitgroeit tot een vlam! Let erop dat dit geloof zo klein was dat het alleen het genezen van het zieke kind betrof. De koninklijke hoveling wist niet dat zijn eigen hart genezing nodig had; hij zag zijn eigen onwetendheid over Jezus en zijn blindheid voor de Messias niet. Misschien wist hij niet dat hij opnieuw geboren moest worden, en evenmin begreep hij dat de Zaligmaker hem geestelijk leven en licht kon geven.

Hij wist weinig van de geestelijke macht van de Zaligmaker, en daardoor reikte zijn geloof niet ver. Wat hij wel geloofde, was dat de Heere Jezus, als Hij naar zijn huis wilde komen, kon voorkomen dat zijn kind aan de koorts stierf. Zover was hij gekomen, en het geloof dat hij had, bracht hij meteen in praktijk. Vriend, u weet nu nog niet hoe groot mijn Heere is en welke wonderen Hij doet voor wie op Hem vertrouwen, maar u zegt in uw hart: “Hij zou mij vanmorgen zeker kunnen helpen in mijn huidige beproeving en mij uit mijn huidige moeilijkheden kunnen redden.” Tot zover is alles goed. Gebruik het geloof dat u hebt. Breng de beproeving van dit uur voor de Heere. Laat mij u aanmoedigen dat te doen. Als u niet voor hemelse zegeningen tot Hem kunt komen, mag u voorlopig beginnen met de smarten en beproevingen van de aarde; als u niet voor een eeuwige zegen tot Hem kunt komen, mag u voor een voorbijgaande gunst tot Hem gaan, en Hij is bereid u te horen. Ook al gaat uw gebed alleen over aardse zaken en is het niet meer dan een gewoon menselijk gebed, zend het toch op, want Hij hoort de jonge raven als zij roepen, en ik weet zeker dat die geen geestelijke gebeden opzenden. Het enige waar raven om kunnen vragen, zijn wormen en muggen, en toch hoort Hij hen en voedt Hij hen. En u, die een mens bent, mag met vertrouwen naderen als u enig geloof hebt in de genadige Heere, ook al bidt u op dit moment alleen om een heel alledaagse gunst, een van de geringere zegeningen.

Ook al is dat geloof niet meer dan een sprank, ik zou het niet willen uitblazen. De Heere Jezus doet dat evenmin, want er staat dat Hij de rokende vlaswiek niet zal uitblussen. Als u enig verlangen naar Hem hebt en enig geloof in Hem, hoe gering ook, laat het dan leven en laat het u aan de voeten van de dierbare Meester brengen. Het geloof van de koninklijke hoveling was zo zwak dat hij de macht van Jezus beperkte tot de plaats waar Hij persoonlijk aanwezig was. Daarom luidde zijn gebed: “Heere, kom af, eer mijn kind sterft.” Als hij de Heere Jezus er maar toe kon brengen de kamer binnen te gaan waar het zieke kind lag, dan geloofde hij dat Hij tot de koorts zou spreken en dat de koorts zou wijken. Maar hij had er geen idee van dat de Heere Jezus Christus op een afstand van vijfentwintig mijl kon werken; hij kon zich niet voorstellen dat het woord van de Heere ook buiten Zijn aanwezigheid zijn werk kon doen. Toch was dat beperkte geloof beter dan helemaal geen geloof. U, kinderen van God, maakt u schuldig aan een grove zonde wanneer u de Heilige Israëls gaat beperken. Maar wanneer zij die de Heere zoeken, Hem uit onwetendheid en zwakheid van geloof blijken te beperken, is dat bij hen veel meer te verontschuldigen. De Heere Jezus gaat daar genadig mee om en neemt het weg met een milde berisping. Het is niet hetzelfde of een beginner zwak in het geloof is, of dat u, die lange tijd Gods goedheid hebt ervaren, zover afdwaalt dat u Hem wantrouwt.

Daarom zeg ik tegen u in wie de Heere begonnen is te werken: ook als uw geloof niet verder reikt dan te zeggen: “De Heere Jezus zou mij kunnen genezen als Hij hier was,” is het toch beter zo’n geloof te hebben dan ongelovig te zijn. Uw benepen geloof beperkt Hem ontzettend en sluit Hem op in een heel nauwe ruimte. Daarom kunt u niet verwachten dat Hij veel machtige werken voor u zal doen, maar toch zal Hij naar de mate van uw geloof met u meegaan en u zegenen. Uit onbeloofde, soevereine genade kan het zelfs gebeuren dat Hij meer dan overvloedig doet boven wat u bidt of denkt. Daarom zou ik met uw geloof willen omgaan als met een klein kind: ik zou het verzorgen tot het alleen kan staan, en mijn vinger uitsteken om het te helpen tot zijn wankele stapjes vast worden. Wij verwijten een klein kind niet dat het nog niet kan lopen of springen, maar wij koesteren het en moedigen het aan tot grotere inspanning, en na verloop van tijd zal het ook sterker worden. Onze Heere Jezus Christus verdient het grootste geloof van ieder van ons. Bedroef Hem niet door te twijfelen aan wat Hij vermag. Geef Hem het geloof dat u hebt, en vraag om meer. Zijn geloof in de Heere Jezus Christus, hoewel het maar een sprank was, had toch invloed op deze koninklijke hoveling. Het bracht hem ertoe een flinke reis te maken om onze Heere te vinden. Vanuit Kapernaüm ging hij de heuvels op naar Kana om bij Jezus te pleiten. En hij ging zelf.

Dat is des te opmerkelijker, omdat hij een man van aanzien en hoge positie was. Ik weet niet of het Chusas was, de rentmeester van Herodes. Het zou mij niet verbazen als hij het was, want wij horen niet van een ander voornaam gezin dat aan de kant van Christus stond. Wel horen wij dat de vrouw van Chusas, de rentmeester van Herodes, behoorde tot hen die de Heere dienden van hun goederen. Wij horen ook van Manahen, die met Herodes opgevoed was. Het kan heel goed een van beiden geweest zijn; wij weten het niet. Koninklijke hovelingen waren in die dagen witte raven in de kerk, en dat zijn ze nog steeds. Het ligt dus voor de hand dat wij verwachten nog eens van zo iemand te horen. Omdat wij van deze twee een eervolle vermelding hebben, is het niet al te lichtvaardig te vermoeden dat deze koninklijke hoveling een van hen geweest is.

Nu komen hovelingen er doorgaans niet op zelf op reis te gaan, terwijl zij zoveel bedienden tot hun beschikking hebben. Maar deze koninklijke hoveling kwam zelf naar Christus en smeekte Hem persoonlijk af te komen en zijn zoon te genezen. Als uw geloof in sommige opzichten zwak is, maar in andere toch sterk genoeg om u persoonlijk naar Christus te drijven en zelf tot Hem te bidden, dan is het geloof van de goede soort. Als het u ertoe brengt met heel uw hart tot de Heere te bidden en Hem te smeken, dan is uw geloof echt. Als het u ertoe brengt Christus te smeken u genadig te zijn, dan is het het geloof dat de ziel zalig maakt. Het mag klein zijn als een mosterdzaadje, maar zijn aandringen laat zien dat er scherpte in zit: het is echte mosterd. Beste vriend, begint u nu te bidden vanwege verdriet en droefheid? Roept u in de stilte van uw ziel: “O God, red mij vandaag! Ik ben naar Londen gekomen om andere dingen te zien en ben hier vanmorgen binnengelopen. O, laat dit de dag zijn waarop ik uit mijn nood geholpen en zelf gered word!” Als uw geloof u tot gebed brengt, is het een erkend kind van de genade, want het echte geloof roept altijd. Als uw geloof u helpt Jezus vastberaden vast te grijpen en te zeggen: “Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent,” dan mag het een klein geloof zijn, maar het is het ware geloof. Het is door de Geest van God in uw ziel gewerkt en het zal een zegen brengen.

U zult door dit geloof behouden worden, tot eer van de Heere en tot uw eigen troost. Ik merk op dat het geloof van deze man hem leerde op de juiste manier te bidden. Let op het argument dat hij aanvoerde. Hij smeekte Jezus af te komen en zijn zoon te genezen, want die lag op sterven. Hij voerde geen verdiensten aan, maar pleitte op de ernst van de toestand. Hij wees er niet op dat de jongen van aanzienlijke afkomst was; dat zou bij Jezus een heel zwak pleidooi zijn geweest. Ook voerde hij niet aan dat het een lief kind was; dat zou een armzalig argument zijn geweest. Nee, hij pleitte dat hij op sterven lag. Dat hij op het uiterste lag, dat was de reden voor zijn aandringen. Het kind stond aan de poort van de dood; daarom smeekt de vader dat de deur van de genade geopend mag worden. Wanneer u, mijn vriend, door genade geleerd hebt op de juiste manier te bidden, zult u de feiten naar voren brengen die uw eigen nood en gevaar laten zien, en niet de feiten die u rijk en rechtvaardig zouden doen lijken. Denk eraan hoe David bad: “Zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.” Dat is evangelisch pleiten.

De meeste mensen zouden gezegd hebben: “Heere, vergeef mijn ongerechtigheid, want zij was te verontschuldigen en haalde het bij lange na niet bij de gruwelen van mijn medemensen.” David wist beter. Zijn roepen luidt: “Zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.” Arme zondaar, pleit bij God op de grootte van uw nood en de ellende van uw toestand. Zeg dat u op sterven ligt; zeg dat de zaak waarvoor u pleit, een zaak van leven of dood is. Dat is een argument dat het hart vol oneindig medelijden zeker zal bewegen. Elke tint van goedheid die uw trots u zou verleiden op het schilderij aan te brengen, zou het bederven. Breng de zwarte kleuren maar dik en driedubbel aan. Pleit bij God door u op Zijn genade te beroepen, want genade is het enige waarop u met hoop kunt steunen wanneer u tot Hem nadert, u die een zondaar bent en nog geen vergeving ontvangen hebt. U kunt de Heere niet vragen u te zegenen vanwege enige verdienste of waardigheid die u bezit, want daarvan is bij u geen spoor te vinden. Maar u doet wijs als u uw noden voor Hem neerlegt. Roep: “O God, wees mij genadig, want ik heb Uw genade nodig!” Leg het geval van uw kind open en zeg: “Want hij ligt op sterven.”

Dat is de sleutel die de deur van de genade opent. Volgt u mij, beste hoorders, u die nog niet bekeerd bent? Is er in elk geval bij u enig verlangen om tot de Heere Jezus Christus te komen, al is het alleen omdat een tijdelijk verdriet zwaar op u drukt? Een paard heeft geen dozijn sporen nodig om in beweging te komen. De sporen die nu in uw zijde steken, zijn scherp genoeg en dringen zo diep in dat u ze wel moet voelen. Luister ernaar, opdat er niet ook nog een zweep nodig is om u in beweging te krijgen. Als u tot het uitverkoren volk van de Heere behoort, zult u moeten komen, en hoe bereidwilliger u dat doet, hoe beter het voor u is. Kom meteen. “Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft,” maar kom tot Jezus nu Hij u zachtjes trekt. Ook al is uw geloof zo zwak dat u vreest dat het eerder ongeloof dan geloof is, nader toch tot Hem. Kom zoals u bent en zie biddend naar Jezus op, want in dat gebed ligt de hoop, ja, de zekerheid van verlossing. Het grote hart van Jezus zal uw gebed voelen en zeggen: “Ga heen in vrede.”

II. Zo hebben wij het geloof als sprank bekeken; nu willen wij kijken naar HET

VUUR DES GELOOFS, dat worstelt om zich staande te houden en geleidelijk toeneemt. Laten wij zien hoe het vuur smeult, hoe de stapel begint te roken en zo het vuur binnenin verraadt. Het geloof van deze man was echt, voor zover het reikte. Dat is veel om te kunnen zeggen. Hij stond voor de Zaligmaker, vastbesloten niet bij Hem weg te gaan. Zijn enige hoop voor het leven van zijn kind lag bij deze grote Profeet van Nazareth, en daarom was hij niet van plan Hem te verlaten voordat zijn verzoek was ingewilligd. Hij krijgt eerst niet het antwoord dat hij wil, maar hij houdt vol en blijft pleiten. Dat toonde dat er hart en levenskracht in zijn geloof zat. Het was geen gril of plotselinge opwelling, maar een werkelijke overtuiging dat Jezus de macht had om te genezen. Wat een genade is het van alle schijngeloof verlost te zijn! Beter weinig geloof dat echt is, dan een grote belijdenis zonder de Heere Jezus van harte te vertrouwen. Zeg mij, mijn hoorder, hebt u enig echt, praktisch geloof in de Heere Jezus?

Zijn geloof was echt, voor zover het reikte, maar het werd gehinderd door een verlangen naar tekenen en wonderen. Daarom gaf onze Heere hem een zachte berisping en zei: “Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.” Nu weet ik dat velen van u geloven dat de Heere Jezus kan zaligmaken, maar u hebt in uw gedachten vastgelegd langs welke weg Hij dat moet doen. U hebt enkele christelijke levensbeschrijvingen gelezen en daarin gezien dat iemand tot wanhoop werd gedreven, afschuwelijke gedachten had, enzovoort. Nu hebt u het idee opgevat dat u ook zulke verschrikkingen moet doormaken, of anders verloren gaat. U maakt er een draaiboek van: op die manier moet u behouden worden, of helemaal niet. Is dat verstandig? Denkt u dan dat u de Heere voorschriften kunt geven? Misschien hebt u gelezen of gehoord dat sommige mensen bekeerd werden door wonderlijke dromen of door opmerkelijke beschikkingen van de voorzienigheid, en zegt u bij uzelf: “Zoiets bijzonders moet mij ook overkomen, anders wil ik niet in de Heere Jezus geloven.”

Hierin vergist u zich, net als de koninklijke hoveling. Hij verwachtte dat de Zaligmaker naar zijn huis zou komen en daar een of andere handeling zou verrichten die bij Zijn profetische ambt hoorde. Eigenlijk is deze koninklijke hoveling een nieuwtestamentische herhaling van Naäman uit het Oude Testament. U herinnert zich hoe Naäman zei: “Zie, ik zeide bij mijzelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en den melaatse ontledigen.” Naäman had het allemaal in zijn hoofd uitgedacht en had ongetwijfeld een heel gepaste en kunstige plechtigheid bedacht. Toen de profeet eenvoudig tegen hem zei: “Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan,” kon hij zo’n eenvoudig en kaal evangelie niet aanvaarden; het was te gewoon en te zonder plichtplegingen. Veel mensen zouden door hun verstandelijke vooroordelen de Heere van de genade graag binden aan een bepaalde manier om hen te behouden. Maar onze Heere laat Zich niet zo aan banden leggen. Waarom zou Hij ook?

Hij behoudt wie Hij wil, en Hij redt zoals Hij wil. Zijn evangelie luidt niet: “U moet zoveel verschrikkingen en zoveel wanhoop doormaken, en u zult leven,” maar: “Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.” Hij komt tot velen en roept hen krachtig door het zachte gefluister van Zijn liefde. Zij stellen eenvoudig hun vertrouwen op Hem en vinden meteen rust. Zonder veel opvallende gevoelens, schrikwekkend of opwindend, stellen zij rustig een kinderlijk vertrouwen op hun gekruisigde Heere, en zij vinden het eeuwige leven. Waarom zou het bij u niet zo gaan? Waarom zou u uzelf alle troost ontzeggen door een draaiboek op te stellen en te eisen dat de vrije Geest Zich daaraan houdt? Laat Hem u behouden zoals Hij wil. Weg met dwaze vooroordelen!

Toch moet van het geloof van de koninklijke hoveling dit gezegd worden: het kon een afwijzing verdragen. Bedenk eens hoe de Meester tegen deze arme, angstige vader zei: “Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.” Dat was een maar al te treurige waarheid, en het klonk eerlijk en scherp. O, die dierbare lippen van Jezus! Zij zijn altijd als leliën, druppende van welriekende mirre. Mirre is, zoals u weet, bitter van smaak, en ogenschijnlijk lag er iets bitters in deze woorden tot de koninklijke hoveling. Maar de vader gaf zijn verzoek niet op. Hij draaide zich niet om met de woorden: “Hij behandelt mij hard.” Hij zei bij zichzelf: “Tot wie zou ik anders gaan?” en daarom ging hij niet weg. Hij leek op die vrouw voor wie veel scherpere mirre van de lippen van de Heere druppelde, toen Hij zei: “Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.” Toch vond zij een zoete geur in die mirre en liet die haar gebed doortrekken, toen zij zei: “Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel hunner heren.”

Deze man antwoordde onze Heere door nog sterker bij Hem aan te dringen. Weggaan wilde hij niet. O mijn vriend, mocht u zo’n geloof in Christus hebben dat u Hem niet wilt verlaten, ook al geeft Hij u een berisping! Jezus is uw enige hoop; keer u daarom niet van Hem af. Volg Bunyan na, die woorden als deze sprak: “Ik werd zo in het nauw gedreven dat ik uit nood tot Jezus moest gaan. Al was Hij mij tegemoetgekomen met een getrokken zwaard in de hand, dan zou ik mij liever op de scherpe kant van Zijn zwaard geworpen hebben dan bij Hem weg te gaan, want ik wist dat Hij mijn laatste hoop was.” O ziel, klem u aan de Heere vast, wat er ook gebeurt!

Zie vervolgens hoe hartstochtelijk deze man pleitte. Hij riep: “Heere, kom af, eer mijn kind sterft.” Het was alsof hij zei: “Heere, ondervraag mij nu toch niet over mijn geloof. O mijn Heere, ik bid U, denk helemaal niet aan mij, maar genees mijn lieve kind, anders sterft het. Het lag al op sterven toen ik van huis ging. Ach, haast U toch om af te komen en het te redden!” Hij schijnt het nodig te vinden dat onze Heere de reis naar Kapernaüm maakte om de genezing te bewerken, maar let op hoe dringend, hoe vurig en hoe aanhoudend zijn pleiten was. Al schoot zijn geloof in reikwijdte tekort, in kracht blonk het uit. Beste, angstige vriend, volg het voorbeeld dat ons hier gegeven wordt nauwkeurig na. Bid, bid steeds weer, houd aan en houd vol. Roep voortdurend, roep aanhoudend. Houd niet op tot de Heere van de liefde u een antwoord geeft dat van vrede spreekt.

III. Wij komen tot een hogere trap en bezien DE VLAM DES GELOOFS. De sprank groeide uit tot een smeulend vuur, en nu slaat het vuur uit in een vlam. Let erop dat Jezus tegen de smekeling zei: “Ga heen, uw zoon leeft.” En de man geloofde werkelijk en ging heen. Let er hier op dat hij het woord van Jezus geloofde, dwars tegen al zijn vroegere vooroordelen in. Hij had gedacht dat Christus alleen kon genezen als Hij naar Kapernaüm afkwam, maar nu gelooft hij, hoewel Jezus blijft waar Hij is en alleen een woord spreekt. Vriend, wilt u op dit moment de Heere Jezus Christus eenvoudig op Zijn woord geloven? Wilt u Hem vertrouwen zonder Hem ook maar één regel voor te schrijven over de manier waarop Hij u moet behouden? U hebt zware overtuigingen, levendige dromen of vreemde gewaarwordingen voorgeschreven; wilt u met zo’n dwaasheid breken?

Wilt u in Jezus Christus geloven zoals Hij in de Schriften geopenbaard is? Wilt u geloven dat Hij u nu kan en wil zaligmaken, eenvoudig doordat u Hem vertrouwt? Hebt u niet gehoord van Zijn lijden en sterven aan het kruis voor schuldigen? Hebt u niet horen zeggen dat alle zonde en ongerechtigheid de mensen vergeven zal worden als zij in Hem geloven? Weet u niet dat wie in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft? Wilt u een eind maken aan uw onzin van “Kom af en red mij” of “Laat mij dit of dat voelen, dan wil ik U geloven”? Wilt u nu in Hem geloven, ondanks al uw vroegere gedachten, eisen en verlangens, en eenvoudig zeggen: “Ik wil mijn ziel aan Christus toevertrouwen, in het geloof dat Hij mij kan zaligmaken”? U zult behouden worden, zo zeker als u op die manier op Hem vertrouwt. Wat deze man vervolgens deed om de oprechtheid van zijn geloof te bewijzen, was dat hij Christus meteen gehoorzaamde. Jezus zei tegen hem: “Ga heen” (dat wil zeggen: ga naar huis), “uw zoon leeft.” Als de man het woord niet geloofd had, zou hij daar zijn blijven talmen, was hij doorgegaan met pleiten en had hij naar gunstige tekenen uitgezien. Maar omdat hij gelooft, is hij tevreden met het woord van de Heere en gaat hij heen zonder nog iets te zeggen.

“Uw zoon leeft”: dat is genoeg voor hem. Velen van u hebben, toen zij het evangelie hoorden prediken, gezegd: “U zegt ons dat wij in Christus moeten geloven, maar wij willen doorgaan met bidden.” Dat is niet wat het evangelie u voorschrijft. Hoor ik u zeggen: “Ik zal doorgaan met mijn Bijbel lezen en de middelen van de genade gebruiken”? Dat is niet het voorschrift van de Zaligmaker. Bent u niet tevreden met Zijn woord? Wilt u dat woord niet aannemen en heengaan? Als u in Hem gelooft, zult u in vrede uw weg gaan. U zult geloven dat Hij u behouden heeft en handelen alsof u wist dat het waar is. U zult blij zijn en u verheugen in het feit dat u gered bent. U zult niet blijven hangen in haarkloverij en twijfelvragen, of achter allerlei godsdienstige ervaringen en gevoelens aan lopen, maar u zult uitroepen: “Hij zegt mij dat ik Hem moet geloven, en ik geloof Hem. Hij zegt: ‘Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven,’ en ik geloof in Hem; daarom heb ik het eeuwige leven. Het kan zijn dat ik geen bijzondere ontroering voel, maar ik heb het eeuwige leven.

Of ik mijn zaligheid nu zie of niet, ik ben gered. Er staat geschreven: ‘Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!’ Heere, ik heb mij tot U gewend en ik ben behouden. De reden waarom ik dat geloof, is dat U het gezegd hebt. Ik heb gedaan wat U mij bevolen hebt, en U zult Uw belofte houden.” Zo te redeneren zijn wij de Heere Jezus verschuldigd. Hij verdient het dat men Hem op Zijn woord neemt en in alle ernst vertrouwt. Nu is het geloof van de koninklijke hoveling werkelijk tot een vlam opgelaaid. Hij gelooft niet meer alleen op wat anderen zeggen, maar op het woord van Jezus. Hij wacht niet op een teken, maar hoort het woord en vestigt daarop zijn vertrouwen. Jezus zei: “Ga heen, uw zoon leeft,” en hij gaat heen om zijn zoon levend terug te vinden. O zoekende ziel, moge God de Heilige Geest u meteen zover brengen dat u zegt: “O Heere, ik wil niet langer wachten op een of ander gevoel, op een bewijs van genade of op een teken, maar op het woord dat met Uw bloed bezegeld is, wil ik mijn volle vertrouwen stellen. Ik neem nu Uw belofte aan, en omdat ik die geloof, wil ik in vrede mijn weg gaan.” Toch moet ik over het geloof van deze man in dit stadium zeggen dat het nog wat tekortschoot bij wat het had kunnen zijn. Het was voor hem een grote zaak zover gekomen te zijn, maar hij moest nog verder. Hij verwachtte minder dan hij had kunnen verwachten. Daarom vroeg hij zijn bedienden, zodra hij hen zag, wanneer het geliefde kind begonnen was te beteren. Hij was meer dan blij toen zij in feite zeiden: “Hij is helemaal niet geleidelijk beter geworden; de koorts verliet hem in één keer; op het zevende uur was hij hersteld.”

U ziet: hij verwachtte een geleidelijk herstel. Hij rekende op de gewone loop van de natuur, maar hier vond een wonder plaats! Hij ontving veel meer dan waarop hij gerekend had. Hoe weinig kennen wij Christus, en hoe weinig geloven wij in Hem, zelfs wanneer wij Hem vertrouwen! Wij meten Zijn grenzeloze schat af naar onze schrale beurs. Toch is het geloof dat zalig maakt niet altijd volgroeid; er is ruimte voor ons om meer van onze gezegende Heere te geloven en meer van Hem te verwachten. O, deden wij dat maar! Maar op één punt wil ik hier wijzen, al begrijp ik het niet helemaal; misschien kunt u het verklaren. De vader reisde op zijn gemak, met de rust die het vertrouwen geeft. Het was ongeveer vijfentwintig of dertig mijl naar Kapernaüm, en ik twijfel er niet aan dat de goede man vertrok zodra de Meester tegen hem zei: “Ga heen.” Ongetwijfeld ging hij op zo’n bevel meteen gehoorzaam op weg naar huis. Maar wij lezen dat zijn dienstknechten hem tegemoetkwamen. Vertrokken zij zodra het kind genezen was?

Als dat zo was, konden zij hem ongeveer halverwege ontmoeten. Het ging bergop; laten wij dus aannemen dat zij tien mijl aflegden en dat er voor de koninklijke hoveling nog vijftien of zelfs twintig mijl overbleef. De dienstknechten zeiden: “Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.” Het zevende uur was omstreeks één uur ‘s middags, en die dag was “gisteren”. Ik weet dat de dag eindigde bij zonsondergang, maar toch spreekt men moeilijk van “gisteren” als er geen nacht tussen ligt. Had de hoveling vijftien of zestien uur nodig voor dat deel van de reis? Zo ja, dan reisde hij niet met overdreven haast. Het is waar dat vijfentwintig mijl een flinke dagreis was voor een kameel, want in het Oosten zijn de wegen erg slecht. Toch komt het mij voor dat de gelukkige vader zich voortbewoog met de rust van een gelovige, eerder dan met de haast van een angstige ouder.

Een koninklijke hoveling trok gewoonlijk langzaam door de dorpen, en hij versnelde zijn gewone pas niet, omdat hij zelfs niet de indruk wilde wekken dat hij haast had, nu zijn hart in het geloof tot rust was gekomen. Hij was er volkomen zeker van dat het goed was met zijn zoon, en daarom verliet de koorts van de angst de vader, zoals de koorts het kind had verlaten. Angstige harten hebben, zelfs als zij geloven, haast om te zien; maar deze man was zo zeker van zijn zaak dat hij zijn vaderliefde niet liet handelen alsof er nog een schaduw van twijfel overbleef. Er staat geschreven: “Wie gelooft, die zal niet haasten,” en bij hem werd dat letterlijk vervuld. Hij reisde zoals men van iemand van het koninklijk hof met een passend gevolg mocht verwachten, en zo kon iedereen zien dat zijn hart over zijn zoon gerust was. Ik houd wel van zo’n voorname kalmte; zij past bij een vast geloof.

Ik zou willen dat u allen, wanneer u in Jezus Christus gelooft, Hem helemaal en volkomen gelooft. Geef Hem geen half geloof, maar een volledig geloof; of het nu om een kind gaat of om uzelf, geloof in alle ernst. Zeg: “God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig. Op Zijn woord alleen verlaat mijn ziel zich. Ik wil in de Heere rusten en geduldig op Hem wachten. Wat maakt het uit dat ik niet door een vervoering van blijdschap word overweldigd? God heeft gezegd: ‘Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven,’ en daarom heb ik het eeuwige leven. Wat maakt het uit dat ik niet opspring van vreugde? Ik zal toch stil zijn en in mijzelf zingen, omdat de Heere Zijn gelovige dienstknecht heeft bezocht. Ik zal wachten tot een uitbundige blijdschap mijn ziel vervult, maar intussen blijf ik vertrouwen en zal ik niet vrezen.” Beste hoorder, gaat u in dit alles met mij mee? Bent u bereid zo een stevig en rustig vertrouwen op Jezus te stellen?

IV. Tot zover is het geloof van de koninklijke hoveling gegroeid, maar nu zullen wij zien dat het DE VUURGLOED DES GELOOFS wordt. Toen hij naar huis ging, kwamen zijn dienstknechten hem met goed nieuws tegemoet. In de stille rust van zijn geloof was hij buitengewoon verblijd toen zij zeiden: “Uw zoon leeft.” De boodschap klonk hem in de oren als een echo van het woord van Jezus. “Dat heb ik gisteren op het zevende uur gehoord,” zei hij, “want toen zei Jezus: ‘Uw zoon leeft.’ Nu is er een nieuwe dag aangebroken, en zie, mijn dienstknechten begroeten mij met dezelfde woorden: ‘Uw zoon leeft.'” Die herhaling moet hem verbaasd hebben. Bij de prediking van het Woord van God merk ik vaak hoe de zinnen mensen tot in de woorden toe treffen wanneer God ze zegent. Mensen zeggen tegen mij: “Meneer, u zei precies waarover wij onderweg spraken. U beschreef onze situatie tot in onze gedachten toe, en u gebruikte bepaalde uitdrukkingen die in ons gesprek gevallen waren. God sprak zeker door u.”

Ja, zo gaat het vaak. Christus’ eigen woorden vinden menigmaal een echo in de mond van Zijn dienaren, die van Hem een opdracht hebben ontvangen. De voorzienigheid van de Heere regeert woorden net zo goed als daden en laat mensen de juiste woorden zeggen zonder dat zij weten waarom zij ze zeggen. God is zo genadig overal tegenwoordig dat alles Hem openbaart wanneer het daartoe de opdracht krijgt. Nu wordt het geloof van de koninklijke hoveling bevestigd door de verhoring van zijn gebed. De ervaring is zijn geloof te hulp gekomen. Hij gelooft nu met meer zekerheid dan tevoren. Hij heeft ondervonden dat het woord van de Heere waar is, en daarom weet hij en is hij ervan overtuigd dat Hij Heere en God is. Het geloof van een zondaar die tot Christus komt, is iets anders dan het geloof van iemand die tot Christus gekomen is en de zegen ontvangen heeft; dat laatste is sterker. Het eerste, eenvoudiger geloof is het geloof dat zalig maakt; maar het verdere geloof brengt troost, blijdschap en kracht in de geest.

“Mijn gebed is verhoord,” zei hij. Daarna sprak hij met zijn dienstknechten, en bij navraag werd zijn geloof door elke bijzonderheid versterkt. Hij riep: “Vertel mij alles: wanneer gebeurde het?” Toen zij antwoordden: “Op het zevende uur verliet hem de koorts,” herinnerde hij zich dat op datzelfde ogenblik, daarboven in de heuvels bij Kana, de Heere Jezus gezegd had: “Ga heen, uw zoon leeft.” Hoe meer hij erover nadacht, hoe wonderlijker het voor hem werd. De bijzonderheden bevestigden zijn vertrouwen op opvallende wijze, en daardoor kwam hij tot een helderder en vaster geloof. Broeders en zusters, hoeveel van zulke bevestigingen hebben sommigen van ons gehad! Twijfelaars proberen met ons te redetwisten over de eenvoud van het evangelie, en zij willen de strijd met ons aangaan op hun eigen terrein van louter bespiegelend redeneren. Beste meneer, dat is nauwelijks eerlijk tegenover ons. Wij staan op heel andere grond. Wij zijn geen vreemden in de beoefening van het geloof, maar ervaren mensen, en u moet rekening houden met onze persoonlijke ervaringen van de trouw van de Heere onze God. Wij hebben duizenden dierbare herinneringen aan gelukkige bijzonderheden die wij u niet kunnen vertellen. Wij noemen u geen zwijnen, maar toch durven wij onze parels niet voor u te werpen.

Wij hebben een hele schat aan ervaringen bewaard, maar wij kunnen die niet navertellen, want ze zijn ons te heilig. Zo kunnen wij juist de redenen die voor ons eigen hart het meest overtuigend zijn, niet gebruiken. Wij hebben andere bewijzen dan wij in een openbare rechtszaal voor de dag willen brengen. Wees niet verbaasd als wij koppig lijken; u weet niet hoe volkomen zeker wij zijn. U kunt ons met al uw redeneringen ons innerlijk bewustzijn niet afnemen; u kunt evengoed proberen onze ogen uit hun kassen te redeneren. Wij weten het en zijn er zeker van, want wij hebben het goede woord van de Heere gezien, gehoord, gesmaakt en met onze handen getast. Sommige gebeurtenissen zijn zo met ons leven verweven dat wij erdoor verankerd liggen. “Toeval,” zegt u. Goed, zeg wat u wilt; voor ons zijn ze iets anders dan voor u. Onze ziel is keer op keer tot de uitroep gebracht: “Dit is Gods vinger!” Een mens die uit zeer grote benauwdheid gered is, KAN zijn bevrijder niet vergeten. Antwoordt u dat het geluk ons eruit heeft geholpen? Zo’n koelbloedige opmerking heeft op ons geen vat. Als u geweest was waar ik geweest ben, en ondervonden had wat ik ondervonden heb, zou u erkennen dat de Heere Zijn hand uitstrekte en Zijn dienstknecht redde. U zou dezelfde plechtige overtuiging hebben als ik, dat God daar was en het heil bewerkte. Ik weet dat ik die overtuiging niet in u kan wekken door u mijn geschiedenis te vertellen.

Als u vastbesloten bent niet te geloven, zult u mijn getuigenis niet aannemen, maar mij voor een misleid mens houden, hoewel ik niet meer kans heb misleid te worden dan u. Maar of u nu geneigd bent te geloven of niet, ik aarzel helemaal niet. Ik ben gedwongen te geloven, want hoe nauwkeuriger ik mijn leven naga, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat God met mij en voor mij aan het werk moet zijn geweest. Op hetzelfde ogenblik dat Christus zei: “Uw zoon leeft,” leefde de zoon van de koninklijke hoveling ook werkelijk. Hetzelfde woord dat Jezus tegen de vader gebruikte, werd ook gebruikt door de dienstknechten, die dertig mijl ver weg waren geweest; daarom voelde de vader dat er iets meer dan menselijks zijn pad had gekruist. Verbaast u zich daarover?

Bovendien was die geliefde zoon, die hij gezond en wel terugvond, een krachtig bewijs. U had de gelukkige vader met geen redenering een geloof kunnen afnemen dat hem zo’n vreugde had gebracht. Het kind lag op sterven, totdat het geloof het woord van de Heere Jezus aannam, en toen week de koorts. De vader móest wel geloven; zou u willen dat hij twijfelde? Door zijn ervaring in zijn geloof versterkt, ziet de goede man, nadat hij het enkele woord van Jezus had geloofd, dat woord nu vervuld, en hij gelooft in Jezus in de ruimste zin. Hij gelooft Hem in alles: voor zijn lichaam, voor zijn ziel, voor alles wat hij is en alles wat hij heeft. Vanaf die dag werd hij een discipel van de Heere Jezus. Hij volgt Hem niet alleen als Geneesheer, ook niet alleen als Profeet, zelfs niet alleen als Zaligmaker, maar als zijn Heere en zijn God. Zijn hoop, zijn verwachting en zijn vertrouwen zijn gevestigd op Jezus als de ware Messias.

Wat volgt is zo natuurlijk en toch zo verblijdend, dat ik bid dat het voor u allen waar mag worden: zijn huisgenoten geloven ook. Als hij thuiskomt, komt zijn vrouw hem tegemoet. O, wat een verrukking straalt uit haar ogen! “Onze lieve jongen is weer beter,” zegt zij, “hij is weer net zo gezond als hij altijd geweest is. Hij hoefde ook niet wekenlang in bed te blijven om weer op krachten te komen na de verzwakking door de koorts. Nee, de koorts is zomaar verdwenen en de jongen is weer beter. O, mijn lieve man, wat moet Hij een wonderbaar Persoon zijn, Die uw gebed verhoord heeft en op zo’n grote afstand ons kind gezond gesproken heeft! Ik geloof in Hem, man; ik geloof in Hem.” Ik ben ervan overtuigd dat zij zo gesproken heeft. Hetzelfde werk dat bij haar man had plaatsgevonden, had door Gods genade ook bij haar plaatsgevonden. Denk nu eens aan de kleine jongen. Daar komt hij aan, zo gelukkig en zo vrolijk. Zijn vader vertelt hem alles over zijn koorts en over zijn tocht naar die wonderbare Profeet in Kana, en hoe Die zei: “Uw zoon leeft.” De kleine jongen roept: “Vader, ik geloof in Jezus! Hij is de Zoon van God.” Niemand twijfelt aan het geloof van het lieve kind; hij was niet te jong om genezen te worden, en hij is niet te jong om te geloven.

Hij had iets bijzonders ervaren, persoonlijker zelfs dan zijn vader en moeder. Hij had de kracht van Jezus gevoeld, en het is niet te verwonderen dat hij geloofde. Intussen verheugt de vader zich als hij merkt dat hij niet alleen staat in zijn geloof, want ook zijn vrouw en zijn zoon belijden hun geloof. Maar wij zijn nog niet aan het einde, want de dienstknechten die eromheen staan, roepen uit: “Meester, wij kunnen niet anders dan ook in Jezus geloven, want wij hebben het kind verzorgd en gezien dat het herstelde. De kracht die hem genezen heeft, moet wel goddelijk zijn geweest.” Allen samen volgen zij door Zijn genade het geloof van hun meester in Jezus na. “Ik heb bij de lieve jongen gewaakt,” zegt de oude kindermeid. “Ik wilde niet gaan slapen, want ik was bang dat ik hem dood zou vinden als ik wakker werd. Ik heb hem goed in de gaten gehouden, en precies op het zevende uur zag ik een heerlijke verandering over hem komen, en de koorts verliet hem.” “Lof en eer zij Jezus!” riep de oude vrouw. “Zoiets heb ik nog nooit gezien of gehoord. Het is de vinger van God!”

Alle andere bedienden dachten er net zo over. Gelukkig huisgezin! Kort daarna vond er een grote doopplechtigheid plaats, waarbij zij allen hun geloof in Jezus beleden. Niet alleen het kind was genezen, maar het hele huisgezin! Toen de vader voor zijn jongen ging pleiten, wist hij niet dat hijzelf gered moest worden. Ook de moeder dacht waarschijnlijk alleen aan haar zoon. Maar nu is de zaligheid tot het hele gezin gekomen, en de koorts van zonde en ongeloof is samen met de andere koorts verdwenen! Moge de Heere zo’n wonder werken in al onze gezinnen! Als iemand van u zucht onder een last van verdriet, vertrouw ik dat u zo verlicht zult worden dat ook uw vrouw in Jezus zal geloven wanneer u het haar vertelt. Moge het lieve kind dat u verzorgt, in Jezus geloven terwijl het nog een kind is, en mogen allen die tot uw gezin behoren, ook toebehoren aan de goddelijke Heere! Verhoor nu, o Heere Jezus, de begeerte van Uw dienaar, omwille van Uw heerlijkheid!

AMEN.

Preek nr. 1865 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 11 oktober 1885, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 31. Oorspronkelijke titel: “The Nobleman’s Faith”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content