24 February Nieuws, preken, bijbelse dagboeken en videos

Het gehoorzamen van Christus bevelen

Het gehoorzamen van Christus bevele

“Zijne moeder zei tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Johannes 2:5

 Er is geen sterke verbeelding voor nodig om zich Maria, de moeder des Heeren, voor te stellen, die waarschijnlijk omstreeks die tijd reeds weduwe was. Zij is vol liefde, en van nature van een vriendelijke, zachte geaardheid. Zij bevindt zich op een bruiloft, en schept er groot behagen in dat haar Zoon met het eerste groepje van Zijn discipelen daar ook is. De aanwezigheid van velen is oorzaak, dat er meer van het een en ander nodig is dan verwacht werd; de voorraad loopt ten einde. En daarom vat zij, met een bezorgdheid, die in zulk een moeder, van haar jaren en van haar zachte geest natuurlijk was, het voornemen op met haar Zoon te spreken en Hem te zeggen, dat er gebrek is; Alzo zegt zij dan tot Hem: “Zij hebben geen wijn.”

Daar stak voorzeker weinig verkeerds in; maar onze Heere, Die niet ziet gelijk de mens ziet, bemerkte, dat zij haar moederlijke betrekking op de voorgrond plaatste op een tijd, toen het nodig was, dat ze op de achtergrond moest blijven. Hoe nodig dit was, heeft de geschiedenis bewezen; want de afvallige kerk van Rome heeft in werkelijkheid van Maria een middelares gemaakt. En er zijn gebeden tot haar opgezonden. Men heeft haar zelfs gevraagd haar moederlijk gezag bij haar Zoon te doen gelden. Het was goed, dat onze Zaligmaker alles wat er maar enigszins toe leiden kon om aanleiding te geven tot Maria-aanbidding, welke zoveel kwaads berokkend heeft, de kop indrukte. En het was nodig voor Hem tot Zijn moeder te spreken met enige meerdere scherpheid dan haar gedrag, op zich zelf alleen, misschien wel vereist had. Zo gevoelde haar verheven Zoon zich genoodzaakt tot haar te zeggen: “Vrouw, wat heb Ik in een zaak als deze met u te doen? Ik ben niet uw zoon als wonderwerker; Ik kan niet werken om u te behagen. Neen; als Ik een wonder verricht als de Zoon van God, kan het niet zijn als uw zoon; het moet van een ander karakter zijn. Wat heb Ik in deze zaak met u te doen?” En Hij geeft deze reden: “Mijn ure is nog niet gekomen.”

Het was een zachte bestraffing, volstrekt nodig door de voorwetenschap van alles wat volgen zou. Gij kunt u gemakkelijk voorstellen, hoe Maria ze opnam. Zij kende Christus’ zachtmoedigheid, Zijn oneindige liefde, hoe er dertig jaar lang niets van Hem was uitgegaan, dat haar geest bedroefd had. Zo dronk zij de berisping in en schrok zachtjes terug, veel meer denkende dan zij zei, want zij was een vrouw die deze dingen steeds bewaarde, overleggende die in haar hart. Zij zegt heel weinig, maar zij denkt zeer veel. En wij zien in haar verdere gedrag, in betrekking tot dit wonder, dat zij zeer veel nadacht over hetgeen Jezus tot haar gezegd had. Broeders, gij en ik kunnen soms met de allerbeste bedoelingen ten aanzien van onze Heere dwalen. En als Hij dan op enigerlei wijze ons bestraft en achteruitzet, als Hij onze hoop terugstelt, als Hij onze eerzuchtige voornemens niet laat gedijen, laat ons het dan van Hem aannemen gelijk Maria het van Jezus aannam. Laat ons gevoelen, dat het zo goed moet zijn. En laat ons in stilheid ons zelf beheersen voor Zijn aangezicht.

Merkt dan op de stilheid van deze heilige vrouw, hoe zij geen woord meer zei en het alles in dronk. En let vervolgens op haar wijze raadgevingen aan de dienaars, die daar waren om op het feest te bedienen. Na dat zij voor Hem uitgelopen was, wilde zij, dat zij achter Hem zouden volgen. En zeer wijs en vriendelijk zegt zij tot hen: “Wat Hij tot ulieden zegt, doet dat. Gaat niet naar Hem toe om aanmerkingen te maken. Tracht niet Hem voort te doen gaan. Spoort Hem niet aan. Hij weet het beter dan wij. Gaat achteraan staan en wacht tot Hij spreekt. En wees er dan haastig bij om ieder woord dat Hij uit, te gehoorzamen.” Geliefden, ik wens dat wanneer wij een les geleerd hebben, wij ook zullen trachten die aan anderen te leren. Somtijds geeft onze Meester ons een scherp woord geheel voor ons zelf. En wij zouden aan niemand anders willen openbaren wat Hij gezegd heeft. In onze persoonlijke omgang met Hem spreekt Hij tot onze consciëntie en tot ons hart. En wij behoeven niet heengaan en dat te herhalen. Dat deed Maria ook niet. Maar wanneer wij een goede les gehad hebben, laat ons dan tot onze naaste vriend zeggen: “Dwaal niet zoals ik gedaan heb. Vermijd de rots, waarop ik kort geleden schipbreuk geleden heb. Ik vrees, dat ik mijn Heere bedroefd heb. Mijn zuster, ik zou niet willen, dat Gij Hem bedroeft; mijn broeder, ik zou wel eens willen trachten u te zeggen wat gij doen moet, opdat gij Hem in alle dingen welhehaaglijk mocht zijn.” Denkt gij niet dat wij aan de wederzijdse opbouw werkzaam zijn als wij zo handelen? Laat ons, in plaats van de fouten van anderen te vertellen, het wezen zoeken van de ontdekkingen, welke wij doen in betrekking tot onze eigen dwalingen. En dit dan als een weldadig medicijn toedienen aan degenen, die rondom ons zijn.

Deze heilige vrouw moet met heel wat macht gesproken hebben. Haar toon van spreken moet in bijzondere mate krachtig geweest zijn, en haar wijze van doen moet een grote indruk op de dienaars gemaakt hebben, want gij merkt op, dat zij nauwkeurig deden wat zij tot hen zei. Ieder dienaar neemt daar geen genoegen mee, dat er een gast in huis komt, die bevelen uitdeelt; maar hier was het dan toch wel zo, toen zij op een diepe, ernstige toon tot de dienaars sprak, als een vrouw, die iets geleerd had dat zij niet kon zeggen, maar die toch uit die ervaring een les getrokken had voor anderen. Zij moet met een wonderlijke, vertederende kracht gesproken hebben toen zij tot hen zei: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” En nadat zij gesproken had, zagen zij allen met ontzag toe, haar boodschap aan hen indrinkende, gelijk zij de boodschap van de Heere ingedronken had.

Nu wens ik hedenavond te trachten, die les aan mij zelf en aan u te leren. Ik denk, dat onze ondervinding ons wel heeft doen zien, dat onze hoogste wijsheid, onze grootste voorspoed daarin gelegen is, dat wij behoedzaam achter Christus aankomen. En nooit voor Hem uitlopen, nooit om Zijn hand dwingen, Hem nooit verzoeken, gelijk zij deden, die God in de woestijn verzochten, Hem voorschrijvende om dit of dat te doen: maar in heilige, nederige gehoorzaamheid van nu aan deze woorden tot ons levensmotto te nemen: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Ik zal mijn tekst op de volgende wijze behandelen: Ten eerste, wat? ten tweede, waarom? ten derde, wat dan?

I.

WAT WORDT ONS HIER GEZEGD DAT WIJ MOETEN DOEN? In één woord, het is te gehoorzamen. Gij, die Christus toebehoort en Zijn discipelen zijt, let op dit woord der vermaning: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.”

Ik wens u in de allereerste plaats op te merken, dat deze woorden gesproken werden, niet tot de discipelen van Christus, maar tot de dienaars, die in het Grieks hier diakonois genoemd worden, personen, wier werk het was aan tafel behulpzaam te zijn en de gasten te bedienen. Ik weet niet of het betaalde dienaars waren, dan wel of het vrienden waren, die vriendschappelijk hun diensten vrijwillig hadden aangeboden; maar het waren in ieder geval mensen, die bij het feest bedienden. Er werd niet tot hen gezegd, dat zij hun meester moesten verlaten; er werd hun niet bevolen, dat zij hun betrekking als bedienden moesten prijsgeven. Het waren dienaars en het moesten dienaars blijven; maar toch moesten zij met dat al Christus als hun Meester erkennen, zonder de gehoorzaamheid aan de huismeester op te zeggen. Maria zegt niet tot deze lieden: “Zet die kruiken neer, houdt op met het dragen van die schotels;” maar terwijl zij voortgaan datgene te doen, waaraan zij bezig waren, zegt zij tot hen: “,Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Mij dunkt, dat punt is onze aandacht wel waard, dit namelijk, dat deze dienaars, ofschoon blijvende wat zij waren, nochtans gehoorzaamheid aan Christus moesten betonen.

Die gehoorzaamheid moet, in de eerste plaats, toebereide gehoorzaamheid zijn. Maria ging hun hart bereid maken om te doen wat Christus hun zeggen zou. Niemand gehoorzaamt Christus zo ineens of houdt vol met dit te doen. Er moet een overwegen, een overdenken zijn. Er moet een bedachtzame, nauwkeurige kennis zijn van wat Zijn wil is. En een bereidheid van het hart om, welke ook die wil mocht zijn, deze te volbrengen gelijk hij gekend wordt. In het eerst deden deze dienaars niets. De gasten hadden wijn nodig, maar de dienaars gingen niet naar Jezus om te zeggen: “Meester, er moet wijn wezen.” Neen, maar zij wachtten, totdat Hij hun beval de watervaten met water te vullen. Toen vulden zij die tot de rand. Maar zij deden niets voor Hij hun iets gebood. Een groot deel van de gehoorzaamheid ligt in het niet doen. Ik geloof, dat in de angst van menig bevend hart het allerbeste geloof gezien zal worden in het niet doen van enig ding. Wanneer gij niet weet, wat gij doen zult, doe dan niets. En niets te doen, mijn broeders, zal soms het allerzwaarste werk blijken te zijn. Gij weet, dat de aandrang bestaat bij een man van zaken, die in moeilijkheden geraakt is, of bij een zuster, die een ziek kind of een zieke man heeft, om het een of ander te doen. Al is het dan niet het eerste wat maar voor de hand komt, toch gevoelen wij, dat er iets moet gedaan worden. En menigeen heeft zijn leed verzwaard door iets te doen, waar het oneindig beter voor hem zou geweest zijn, als hij de zaak maar gerust had laten begaan en ze gelovig in Gods hand gesteld had. “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Maar doet niet wat de eerste de beste gril of nuk van uw arm brein u voorschrijft. Loopt niet voor gij uitgezonden wordt. Zij, die voor de wolk van God aanlopen, zullen weer moeten terugkomen. En zeer gelukkig zullen zij zijn, indien zij de terugweg weer kunnen vinden. Waar de Schrift zwijgt, wees gij daar stil. Indien er een gebod bestaat, is het beter, dat gij wacht tot gij iets vindt, dat u tot leiding kan zijn. Spoedt u niet voort met een onverstandige en dwaze angst, opdat gij niet in de sloot terechtkomt. Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat; maar zit stil tot zolang dat Hij spreekt. Mijn ziel, wees geduldig voor het aangezicht van God. En wacht totdat gij weet wat Zijn wil is.

Deze toebereide gehoorzaamheid moest de gehoorzaamheid van de geest zijn, want de gehoorzaamheid ligt hoofdzakelijk daar. De ware gehoorzaamheid wordt niet altijd gezien in hetgeen wij doen of niet doen; maar zij wordt openbaar in de volmaakte onderwerping aan de wil van God. En het krachtige besluit, hetwelk zich geheel en al van de geest meester maakt, dat wat Hij ons gebiedt, wij dat zullen doen.

Laat uw gehoorzaamheid in de volgende plaats volmaakte gehoorzaamheid zijn. “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Het is ongehoorzaamheid en geen gehoorzaamheid, die ons aanzet om uit de geboden van Christus de zodanige te kiezen, in welke wij wel lust hebben om ze te gehoorzamen. Indien gij zegt: “Ik wil doen wat Christus mij gebiedt, voor zover ik dat verkies,” hebt gij in werkelijkheid gezegd: “Ik wil niet doen wat Christus mij gebiedt, maar ik wil doen wat mij behaagt.” Die gehoorzaamheid is niet de ware, welke zich niet over alles uitstrekt. Stelt u een soldaat in het leger voor, die in plaats van ieder bevel van zijn kapitein te gehoorzamen, het een en ander nalaat en zegt, dat hij het niet helpen kan, of dat hij zelfs met opzet sommige dingen achterwege laat. Geliefden, waakt er voor, dat gij geen voorschrift van uw Heere op de mesthoop werpt. Ieder woord, dat Hij tot u heeft gesproken, is kostelijker dan een diamant. Stelt het op prijs, bewaart het, draagt het, laat het uw sieraad en schoonheid zijn. “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat,” hetzij het betrekking heeft op de kerk van God en haar ordinantiën, of op uw wandel onder uw medemensen, of op familiebetrekking, of op uw eigen persoonlijk dienen van de Heere. “Zo wat Hij ulieden zal zeggen.” Ziet, er worden hier geen uitzonderingen gemaakt. Er wordt niet het een en ander afgesneden dat er niet bij behoort: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Slaakt deze bede op het tegenwoordige ogenblik en zegt: “Heere, help mij om te doen al wat Gij gezegd hebt. Dat ik geen keuze mocht hebben, dat mijn eigen wil nooit tussenbeide mocht treden om mijn invloed te doen gelden; maar als gij mij iets geboden hebt te doen, stel mij dan ook in staat het te doen, wat het ook mocht zijn.”

Deze gehoorzaamheid, welke alzo toebereid en volmaakt is, moet ook praktische gehoorzaamheid zijn: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Denkt er niet over, vooral niet een zeer lange tijd, om te wachten tot gij meer onder de indruk verkeert of tot er gelegener tijd is: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat” Een van de grote euvelen van de tegenwoordige tijd is dat van het beraadslagen over een duidelijk bevel van Christus en het vragen: “Wat zal de uitkomst daarvan zijn?” Wat hebt gij met de uitkomsten van node?” “Maar als ik Christus in alle dingen volg, dan kan het wel gebeuren, dat ik mijn positie verlies.” Wat hebt gij daarmee te maken? Wanneer een soldaat gelast wordt, op te trekken tegen de mond van het kanon, is het zeer waarschijnlijk, dat hij zijn “positie” en nog wel wat meer verliest; maar hij is verplicht het te doen. Maar ik zou de gelegenheden kunnen verliezen om nuttig te zijn.” Wat bedoelt gij nu? Dat gij het kwade zult gaan doen, opdat het goede daaruit voortkomt? Want daar komt het toch op neer. Wilt gij werkelijk, voor het aanschijn van God, die zaak onder de ogen zien? “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Doet dat, wat er ook van komt, welk gevaar gij daarbij ook loopt. Ik heb sommigen wel eens horen zeggen: “Ik houd er niet van om de dingen zo overhaast te doen.” Alles goed en wel, maar wat zegt David? “Ik heb gehaast en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.” Bedenkt wel, dat wij zondigen ieder ogenblik dat wij uitstellen om iets te doen, hetwelk door Christus geboden is. Of ieder ogenblik van uitstel een nieuwe zonde is, dat kan ik niet zeggen. Maar als wij enig gebod van hem veronachtzamen, leven wij in een toestand van voortdurend tegen Hem te zondigen. En dat is geen begeerlijke staat voor een van Christus’ discipelen om daarin te verkeren. Geliefden, “zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat”. Redeneert er niet tegen en tracht niet, redenen te vinden om er van af te komen. Ik heb gelovigen gekend, die er niet van hielden, dat sommige gedeelten van de Schrift bij de huiselijke godsdienstoefening gelezen werden, omdat hun consciëntie dan meer of min verontrust werd. Indien er iets in de Bijbel staat, waar gij mee overhoop ligt, is het ongelijk bij u, niet bij de Bijbel. Zorgt, dat gij daarmee dadelijk op voet van vrede komt. En de enige voorwaarde zal zijn gehoorzaamheid, het gehoorzamen van ‘s Heeren wil. Ik houd u dit niet voor als een weg ter zaligheid: gij weet, dat ik aan zo iets nooit zou denken. Ik ben thans bezig mij te richten tot degenen onder u, die gered zijn. Gij zijt Christus’ dienaars, die door Hem behouden zijt. En nu zijt gij gekomen tot de heilige tuchtregel van Zijn huis, welke aldus luidt: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat” Doet dat praktisch. Hebben wij te veel gesproken over hetgeen door onze vrienden gedaan moet worden, of opgemerkt, wat anderen niet doen? O dat de geest des Heeren op ons mocht komen, opdat onze eigen wandel nabij God mocht zijn, onze eigen gehoorzaamheid stipt en nauwgezet zij, onze eigen liefde tot Christus blijkt door ons voortdurend volgen in Zijn voetstappen. Dat een praktische gehoorzaamheid ons deel zij.

Het moet ook persoonlijke gehoorzaamheid zijn: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Gij weet hoeveel er tegenwoordig per procuratie, bij volmacht, gedaan wordt. De weldadigheid wordt op de volgende wijze beoefend. A is in grote nood, B hoort er van en trekt zich dat zeer aan en daarom gaat hij naar C toe of die hem helpen wil. En dan gaat hij naar bed met het gevoel, dat hij een goede daad verricht heeft. Of anders, wanneer A zijn geschiedenis aan B medegedeeld heeft, ziet B er naar om of er geen vereniging is, die hem hulp kan bieden, ofschoon hij in het geheel niet voor die vereniging bijdraagt, omdat hij daar nog nooit aan gedacht heeft. Zijn werk is alleen om A aan C of aan de vereniging over te doen. En wanneer hij dat maar gedaan heeft, gevoelt hij zich voldaan. Wenst gij dan, dat de Zaligmaker in de laatste grote dag zeggen zal: “Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij naar de stadspomp verwezen om te drinken?” Niets van die aard. Wij moeten persoonlijk iets voor Christus doen. Zo is het ook in de zaak van de pogingen om zielen voor Christus te winnen. Er gaat niets boven het persoonlijk spreken tot de mensen, ze als het ware bij het knoopsgat vast te grijpen, ze goed in het gezicht te zien, uw eigen persoonlijke ervaring met hen te bespreken, en bij hen aan te dringen om tot Christus de toevlucht te nemen. Persoonlijke gehoorzaamheid, dat is het wat er nodig is. Indien een van de personen, die bedienen moesten, gezegd had, toen het bevel van Christus kwam om de watervaten te vullen: “Jan, ga gij heen en doe dit, en Willem ga gij heen en doe dat,” zou hij Maria’s bevel niet hebben opgevolgd: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Raak ik de consciëntie van iemand, die hier tegenwoordig is? Indien dit het geval mocht zijn, houdt dan van dit ogenblik af op een dienaar van God te zijn bij volmacht, opdat gij niet behouden wordt bij volmacht, want behouden te worden bij volmacht zal zijn verloren te gaan. Maar vertrouw gij Christus voor u zelf, en dien Hem dan voor u zelf, door Zijn eigen machtige genade: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen: doet dat.”

Het moet ook haastige gehoorzaamheid zijn. Doet het dadelijk; uitstel ontneemt het liefelijke aan de gehoorzaamheid. “Zo wat Hij ulieden zal zeggen,” wees gereed om het te gehoorzamen. Op het ogenblik dat het commando “mars” door de soldaat gehoord wordt, marcheert hij voorwaarts. Op het ogenblik dat er een bevel tot uw hart komt en gij ziet dat het werkelijk in het Woord van God staat, doet het. O die op zij gezette besluiten die bij menigten in het leven van de meeste mensen te vinden zijn! Wat zouden zij wat gedaan hebben, wat konden zij wat gedaan hebben, als zij het maar gedaan hadden; maar zij hebben zich luchtkastelen gebouwd en zich een leven voorgesteld zoals zij het gaarne zouden leiden, in plaats van in werkelijkheid de geboden van Christus te volbrengen. O welk een kostelijke zaak, zulk een haastig, persoonlijk, praktisch dienen van de Heere Jezus Christus!

En in ons geval moet het zijn een voortdurende gehoorzaamheid. Maria zei tot deze bedienden: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen: doet dat.” “Houdt vol met dat te doen; niet slechts het eerste wat Hij zegt, maar alles wat Hij zegt. Zolang dit feest duurt en Hij hier is, doet wat mijn Zoon gebiedt.” Moge alzo, geliefden, zolang wij in deze wereld zijn, tot onze jongste snik, de Heilige Geest ons in staat stellen om juist te doen, wat Jezus ons zegt dat wij moeten doen. Kunt gij zeggen, broeders en zusters:

Jezus, Ik heb mijn kruis genomen,

opdat ik U volgen zou?

Is het uw wens, dat gij, totdat gij in Zijn rust ingaat, altijd Zijn juk draagt en Zijn voetstappen volgt? Tijdelijke Christenen zijn geen Christenen. Zij, die om verlof vragen uit deze goddelijke dienst, zijn nog nooit in dienst getreden. Wij hebben ons uniform aangetrokken om het nimmer weer af te leggen. Gelijk oudtijds sommige ridders in die tijd van oorlog in hun wapenrusting sliepen en de lans en het schild altijd onmiddellijk bij de hand hadden, zo moet het ook bij de Christen zijn, nu en steeds. Aan ons de taak om niet te redeneren waarom, niet uit te stellen, wanneer het bevel komt; maar zolang er adem in ons lichaam en leven in onze geest is, Hem dienen, Die ons gekocht heeft met zijn dierbaar bloed.

Aldus heb ik in zwakheid u voorgehouden, wat het is waartoe wij geroepen worden, namelijk tot het gehoorzamen van Christus’ bevelen.

II.

Laten wij ons nu enige minuten bezighouden met de vraag: WAAROM MOET DIT GESCHIEDEN? Geliefden, waarom moesten die mensen doen wat Jezus hun gebood? Laat ons dat omzetten in de vraag: Waarom moeten gij en ik doen wat Jezus ons gebiedt?

In de eerste plaats: Christus is van nature onze gehoorzaamheid waardig. Ik reken het een eer Christus te dienen. O wat is Hij niet? Volmaakt Mens, Zich statig boven ons allen verheffende; Volmaakt God, oneindig majestueus in Zijn twee naturen. Het schijnt mij zelfs toe, alsof het ons een liefdewerk behoort te zijn Zijn geboden te volbrengen. En wij er naar moeten verlangen om naar Zijn evenbeeld vernieuwd te worden. Hier is de rust voor onze gejaagde geest. Hier zijn de heerlijkheid en de eer en de onsterfelijkheid, waarnaar wij hijgend uitzien. Bij de heerlijkheid van Christus, Die gij ongezien aanbidt: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.”

Daarenboven, Christus is onze enige hoop. Al onze uitzichten voor de toekomst hangen van Hem af. Verheerlijkt zij Zijn gezegende naam! Er is niemand aan Hem gelijk. Indien Hij van ons gegaan was en wij op Hem niet konden vertrouwen, zo zou het leven een eindeloze duisternis, een afgrond van ellende zijn. Bij al de glorie van Zijn natuur, bij alles wat wij aan Hem verschuldigd zijn, bij alles wat wij van Hem verwachten, wek ik u op, geliefde vrienden: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.”

Meer dan dat, Hij is al wijs en alzo geschikt om te leiden. Wie anders dan Hij kon deze mensen op het feest uit hun moeilijkheden redden, toen het hun aan wijn ontbrak? Hij wist volkomen de weg om daaruit te geraken, een weg, die Zijn eigen heerlijkheid zou openbaren, Zijn discipelen in Hem zou doen geloven en ieder in de omgeving gelukkig zou maken. Maar als Hij die weg niet aanwees, kon niemand zulks doen. Laat ons Hem dan gehoorzamen, want Zijn bevelen zijn zo wijs. Hij heeft nog nooit een vergissing begaan, en dat zal dan ook nooit gebeuren. Laat ons onze weg in Zijn hand stellen en zo wat Hij ons zal zeggen, laat ons dat doen.

Bovendien geliefden, Christus heeft tot nu toe onze gehoorzaamheid beloond. Hebt gij ooit op de rechte wijze gehandeld, en tenslotte bemerkt, dat gij u vergist had? Sommigen van ons hebben in ons leven al zeer smartelijke dingen moeten doen, die geheel en al tegen het vlees waren. Zouden wij ze zeer willen doen? Zeker en gewis, al kostten ze ook nog tienmaal zooveel! Niemand zal het ooit, wanneer hij terugziet, betreuren, dat hij de stem der consciëntie en de uitspraken van Gods Woord volgde; hij zal dit zelfs niet doen, al moest hij ook om Christus’ wil gevangenisstraf en de dood ondergaan. Het is mogelijk, dat gij om Christus verliezen lijdt, maar gij zult nooit verliezen lijden door Christus. Wanneer alles opgeteld wordt, zult gij bij het ogenschijnlijk verlies des te groter winst verkregen hebben. Hij heeft u nooit bedrogen, en nooit misleid. Gehoorzaamheid aan Hem heeft u altijd een wezenlijke, ware vrede bezorgd. Daarom, “zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.”

En tenslotte, Christus is onze Meester en wij moeten Hem gehoorzamen. Ik hoop, geliefden, dat er hier niemand onder ons is, die Hem wel Meester wil noemen, maar niet doen de dingen, die Hij zegt. Wij spreken niet over Hem als over iemand, die eens groot was, maar die heengegaan is, en wiens invloed nu aan het tanen is, omdat hij niet op de hoogte is van “den geest der eeuw.” Neen, maar Hij leeft nog, en wij houden nog gemeenschap met Hem. Hij is onze Heere en Meester. Toen wij in Zijn dood gedoopt werden, was dat geen zaak bloot voor de vorm; maar wij waren dood voor de wereld, en wij leefden voor Hem. Toen wij naar Zijn heiligen naam ons noemden en Christenen genaamd werden, was dat geen ijdele vertoning; het was onze mening, dat Hij Veldheer, Koning en Meester over onze geest zou zijn. Hij is geen Baäli, dat is, heerschappij voerende; maar Hij is Ishi, onze Man, onze Echtvriend; en in Zijn betrekking als Echtvriend is Hij Heere en Gebieder over iedere gedachte en iedere beweging van onze natuur. Jezus, Jezus, Uw juk is zacht en Uw last is licht! Het is een lichte en een aangename zaak ze te dragen. U daarvan te onthouden, zou niets dan ellende teweeg brengen; en dat is een van de redenen waarom ik hedenavond tot u zeg: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat,” omdat, zo gij het niet doet, gij uw verbondenheid aan Hem van u werpt. En wat zult gij dan uitvoeren? Tot wie zult gij gaan, indien gij u van Hem afwendt? Ieder mens moet een meester hebben. Wilt gij uw eigen meester zijn? Gij kunt geen groter tiran hebben. Wilt gij, dat de wereld uw meester zij? Is het er u om te doen om een dienaar te zijn van “de gemeenschap?” Er zijn geen erger slaven dan deze. Wilt gij leven voor aardse schatten, voor eer, voor “uw plezier” zoals men dat noemt? Ach, dan zou gij even goed terstond kunnen afgaan naar Egypte, naar de ijzeren oven. Tot wie kunnen wij gaan? Jezus, tot wie kunnen wij gaan, als wij weggaan van U? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. “Bindt het offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.” Werp een nieuwe band der liefde om mij heen, een nieuw koord van zoete dwang. En laat mij er zelfs nooit aan denken om van U te scheiden. Laat de wereld mij gekruisigd zijn, en ik der wereld. Stijgt er uit uw hart niet een dusdanig gebed op? O, welk een zaligheid, geheel en al, volkomen en voor eeuwig, het eigendom van Christus te zijn! Ja, o ja, wij willen luisteren naar het gebod: “Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.” Ik heb u nu de reden opgegeven, waarom wij de geboden van Christus moeten gehoorzamen.

III.

En laat mij nu, geliefden, tenslotte nog een zeer korte tijd besteden aan het beantwoorden van de vraag: WAT ZAL UIT DEZE GEHOORZAAMHEID VOORTVLOEIEN? Verondersteld, dat wij doen wat Christus ons gebiedt, wat dan? Ik zal u zeggen, wat er dan geschiedt.

Het eerste is, dat gij u van de verantwoordelijkheid ontslagen zult gevoelen. De dienaar, die gedaan heeft wat zijn meester hem heeft geboden, mocht in zijn eigen gemoed vrezen, dat er op de een of andere wijze vreselijke gevolgen uit voortvloeien, maar hij zegt tot zich zelf: “Het is mijn schuld niet. Ik deed hetgeen mij bevolen was.” Nu geliefden, indien gij van de ganse last des levens wenst bevrijd te worden, doet dan door het geloof al wat Christus u gebiedt. Al zou het dan ook schijnen, dat de hemel zo zou instorten, gij zou er niet mee nodig hebben om hem te onderschragen. Gij behoeft Gods werk niet te verbeteren en in het rechte spoor te houden. Ik herinner mij wat John Wesley tot zijn predikers zeide: “Nu broeders, ik verlang niet van u, dat gij mijn regels verbetert. Ik verlang, dat gij ze gehoorzaamt.” Dat is nog al sterk van John Wesley. Maar van onze Heere Jezus Christus past het zo volkomen mogelijk. Hij verlangt niet van ons, dat wij aan het veranderen en verbeteren en bijwerken gaan, ook niet, dat wij op de gevolgen zien. Neen; doet nauwkeurig wat Hij u zegt en gij hebt niets met de gevolgen te maken. Het is mogelijk, dat gij ze zult hebben te dragen, maar daarvoor zal Hij u genade schenken. En het zal u een vreugde zijn alle kwade gevolgen te dragen, die uit een standvastige gehoorzaamheid aan Christus voortvloeien. Deze soort van leer past niet voor het jaar 1889. Als gij noordwaarts gaat naar Schotland, en ziet waar de graven der Covenanters zijn, zal ieder, die in overeenstemming met de geest van deze eeuw denkt, zeggen, dat zij een echt stel dwazen waren om zo onbuigzaam en zo nauwgezet te zijn omtrent de leer, dat zij daarvoor in de dood wilden gaan. Maar zie, in de nieuwe wijsbegeerte is in waarheid niet het minste of geringste, dat waard is om er voor te sterven! Het zou mij verwonderen of er enig leerstuk is, met de moderne geest doortrokken, dat het leven van een kat waard is. Naar hetgeen door de hogere wetenschap geleerd wordt, kan het gebeuren, dat wat vandaag voor waar moet worden gehouden, morgen weer niet waar is. En dat is toch niet waard om daarvoor te sterven. Wij kunnen even goed het sterven uitstellen, totdat de zaak weer anders voorgesteld wordt. En als wij dan een maand wachten, zal het wel al zo ver zijn. En zo kunt gij dan ten laatste uw oude geloof nog wel weerkrijgen. De Heere zendt het, Hij zendt ons ook nog een geslacht van mensen, die gehoorzamen wat Hij hun gebiedt, doen wat Hij hun zegt, en geloven wat Hij hun leert; mensen, die hun eigen wil verzaken in volkomen gehoorzaamheid aan hun Heere en meester! Zulk een volk zal zich vrij gevoelen van de verantwoordelijkheid.

Vervolgens zult gij een zoete stroom van liefde tot Christus gevoelen. Het ongehoorzame kind, nu ja, dat wordt niet uit het huis verdreven omdat het niet wil wat vader en moeder zeggen; maar toch heeft het, indien het zich niet wil onderwerpen aan de regels van het huis, een zeer moeilijk leven. En dat behoort ook zo. Die kus in de avond, ze is niet zo warm als ze anders zou geweest zijn; die begroeting van de morgen, na langdurige ongehoorzaamheid, ze brengt geen gevoel van geluk. En inderdaad, hoe vriendelijker vader en moeder zijn, hoe ongelukkiger het kind is. En de zoete liefde van Christus is zodanig, dat ze ons in tijden van ongehoorzaamheid ongelukkig maakt. Gij kunt niet wandelen tegengesteld aan de geboden van Christus, en u toch in de gemeenschap met Hem verblijden. En hoe dierbaarder en hoe meer nabij Hij Zich jegens u betoont, des te wijder schijnt de kloof te gapen, wanneer gij niet doet wat Hij u gebiedt.

Daarenboven kan het geloof niet uitblinken, wanneer gij niet doet gelijk Hij u beveelt. Dat geloof, hetwelk slechts in een geschreven belijdenis of in een vroom boekje ligt, heeft niet veel waarde. Het geloof doet wat Christus het beveelt te doen. En het schept daarin zijn behagen. Het verheugt er zich in zich aan gevaren bloot te stellen, het schept er vermaak in van wal te steken en het ruime sop te kiezen. Het offert zich met blijdschap op, wanneer Jezus dit eist, omdat het geloof niet voldaan kan zijn zonder vruchten te dragen. En de vrucht van het geloof is gehoorzaamheid aan Hem, in Wie wij geloven.

Geliefden, ik ben bovendien van gevoelen, dat, zo wij Christus gehoorzamen in hetgeen Hij zegt, wij zullen leren anderen te leiden. Wellington placht te zeggen, dat niemand geschikt is om te bevelen, die niet geleerd heeft te gehoorzamen. En ik ben er zeker van dat dit waar is. Wij zullen nooit een geslacht zien van mensen van de eerste rang, wanneer onze jongens en meisjes er in hun jeugd niet toe gebracht worden om hun ouders te gehoorzamen. De wezenlijke glorie van de mannelijkheid gaat verloren, wanneer de ongehoorzaamheid geduld wordt; en voorwaar, in de kerk van God laat de Heere Zijn dienaren, die met de leiding belast zijn, zeer gestrenge proeven doormaken. De beste plaats voor de boeken van een evangeliedienaar is niet zijn boekenkast, maar zeer dikwijls een ziekbed. De beproeving is onze leerschool. En voor wij ons met anderen kunnen bemoeien, moet God zich bemoeien met ons. Indien gij niet wilt gehoorzamen, zult gij geen plaats ontvangen om te bevelen.

En tenslotte: ik geloof, dat het leren gehoorzamen een van de voorbereidingsmiddelen is voor de genietingen van de hemel. In de hemel heeft men geen andere wil dan Gods wil. De wil van de gezaligden is Hem te dienen en zich in Hem te verblijden. En indien gij en ik hier beneden niet leren wat gehoorzaamheid aan God is en ze niet beoefenen en ten uitvoer brengen, hoe zouden wij dan kunnen hopen gelukkig te zijn te midden van gehoorzame geesten? Waarde toehoorders, indien gij nimmer geleerd had Christus te vertrouwen en Hem te gehoorzamen, hoe zou gij dan naar de hemel kunnen gaan? Gij zou daar zo ongelukkig zijn, dat gij God zou vragen u naar de hel te laten lopen om daar uw toevlucht te zoeken. Want niets zou u meer tot een afschuw wezen dan te midden van volmaakt heilig volk te verkeren, dat zijn vermaak vindt in de dienst van God. Moge de Heere ons brengen tot deze volmaakte gehoorzaamheid aan Christus Dan zal deze aarde een hellend vlak zijn, of een ladder gelijk Jacob zag, waarlangs wij met heilige blijdschap omhoog zullen trippelen tot wij boven komen en onze hemel vinden in volmaakte gehoorzaamheid aan God.

Het is Maria niet, die hedenavond tot u spreekt, maar het is de kerk van God, de moeder van allen, die Christus waarlijk lief hebben. En zij zegt tot u: “Zo wat Hij tot lieden zal zeggen, doet dat.” En als gij het doet, zal Hij het water voor u in wijn veranderen. Hij zal uw liefde met meer blijdschap en geluk gepaard doen gaan dan ooit het geval zou geweest zijn zonder de gehoorzaamheid aan Hem. En Hij zal voor u zorgen. Gehoorzaamt Hem en Hij zal u troosten. Gehoorzaamt Hem en Hij zal u volmaken. Wees bij Hem in de wegen van uw plicht en gij zult bij Hem zijn in het huis der heerlijkheid.

De Heere schenkt dit door Zijn oneindige genade. Hij doe ons de wil van Christus verstaan en werkt daarna in ons het willen en het werken naar Zijn welbehagen. AMEN.

 

Comments
Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Send this to a friend