Gemeenschap met God
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 15 september 1861 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus. 1 Johannes 1:3
Gemeenschap met God was een van de rijkste voorrechten van de mens vóór de val. De Heere God wandelde in de hof en sprak met Adam zoals een man spreekt met zijn vriend. Zolang Adam gewillig en gehoorzaam was, at hij het vette van het land. Onder de rijke lekkernijen en de ‘reine wijnen, die gezuiverd zijn’, waaraan zijn ziel deel had, moeten we in de eerste plaats de ononderbroken gemeenschap rekenen met God, zijn Vader en zijn Vriend. Zoals de zonde de mens uit Eden verbande, zo verbande zij hem ook van God. Sinds die tijd is ons aangezicht afgekeerd van de Allerhoogste en is Zijn aangezicht afgekeerd van ons; wij hebben God gehaat en God is elke dag toornig op ons geweest.
Christus kwam in de wereld om ons ons verloren erfdeel terug te geven. Het grote doel van Zijn wonderbare offer was ons te brengen in een staat die gelijk was aan, ja, zelfs hoger was dan die welke wij in Adam vóór de val bezaten. Zoals Hij ons al veel teruggegeven heeft van wat wij verloren hadden, zo ook onder meer de gemeenschap met God. Zij die door Zijn genade geloofd hebben en door het kostbare bloed gewassen zijn, hebben vrede met God door Jezus Christus, onze Heere. Zij zijn ‘niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods’, en zij hebben met vrijmoedigheid toegang tot deze genade, waarin wij staan.
Zo krijgen zij die in het Koninkrijk zijn en onder de bedeling van de tweede Adam leven, in al haar volheid de gemeenschap terug die zij verloren hadden door de zonde en ongehoorzaamheid van hun eerste verbondshoofd. Johannes behoorde tot hen die dit voorrecht met Christus in het vlees genoten hadden. Hij was de uitverkoren metgezel van Christus geweest, uitverkoren uit de uitverkorenen tot een uitgelezen en bijzonder voorrecht. Toen Christus als Mens op aarde was, was hij een van de bevoorrechte drie die de innigste omgang met de Verlosser genoten. Hij had Christus gezien in Zijn verheerlijking op de berg, was getuige geweest van de opwekking van het gestorven meisje, was met de Heere in de hof geweest en was zelfs bij Hem gebleven toen na Zijn dood de speer werd gestoken en er bloed en water uit Zijn doorstoken hart vloeiden.
Johannes had de nauwste, de dierbaarste, de meest innige gemeenschap met Christus in het vlees. Zoals hij zijn hoofd aan Christus’ borst had gelegd, zo had hij al zijn gedachten en alle bewegingen van zijn gemoed gelegd op de hartelijke liefde en goddelijke genegenheid van zijn Heere en Meester. Maar Christus was heengegaan. Zijn stem was niet meer te horen, Hij was niet meer met de ogen te zien en niet meer met de handen aan te raken. Toch was Johannes zijn gemeenschap niet kwijtgeraakt. Al kende hij Hem niet meer naar het vlees, hij kende Hem nu op een edeler wijze. Zijn gemeenschap was ook niet minder werkelijk, minder innig, minder liefelijk of minder goddelijk dan toen hij met Hem wandelde en sprak en het voorrecht had met Hem te eten en te drinken bij die laatste heilige maaltijd. Johannes zegt: ‘Waarlijk, onze gemeenschap is – niet was, maar is – met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
En nu, mijn broeders en zusters in het gemeenschappelijke geloof in onze Heere Jezus, ik vertrouw dat velen van ons deze morgen kunnen zeggen: ‘Onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
Moest de apostel Johannes ‘waarlijk’ zeggen, alsof sommigen het betwijfelden of ontkenden? Ook wij hebben soms reden om iets even plechtig te verklaren als hij. Er zijn bepaalde sekten die de vorm van hun kerkregering verheffen tot een onmisbare voorwaarde voor ware godsvrucht. Zij zeggen van ons dat wij onmogelijk gemeenschap met Christus kunnen hebben, omdat wij hen niet volgen. Omdat wij de bediening die God heeft ingesteld niet verwerpen om ons aan te sluiten bij een of ander nieuw bedacht stelsel waarin ieder zijn broeder moet onderwijzen, zouden wij dus de gemeenschap missen die voor hun sekte en partij is weggelegd!
Wanneer zij heel bittere woorden spraken, zijn we ertoe gebracht onszelf te onderzoeken. Maar na diep onderzoek van ons hart kunnen we hun antwoorden: ‘Broeders, of u nu gelijk hebt of wij in de zaak van kerkelijke tucht of inrichting, wij kunnen u verzekeren: waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
En dikwijls zegt de leerstellige mens – dat is iemand die meer denkt aan de leer van Christus dan aan de Persoon van Christus, en die daar de waan aan verbindt dat hijzelf gelijk moet hebben en alle anderen ongelijk – omdat wij misschien niet alle hoogten van zijn leer kunnen onderschrijven of ons anderzijds niet kunnen aansluiten bij zijn wettische uitspraken: ‘O, die mensen! Het zijn er velen, maar zij kunnen geen gemeenschap met God hebben, want zij spreken ons sjibbolet niet uit en stemmen niet met ons in in elke afzonderlijke leerstelling die wij leren. Daarom is de Heere niet met hen.’ Maar wij kunnen hun antwoorden: ‘Broeders, wij laten deze leergeschillen graag over aan de grote Rechter over goed en kwaad. Wij hebben ons oordeel over de Schrift gevormd, en wij hopen als voor het aangezicht van God, de Allerhoogste, te kunnen zeggen dat wij niet hebben nagelaten de gehele raad van God te verkondigen.’ Maar of dat nu zo is of niet, wij verzekeren u plechtig: ‘Waarlijk, ja, waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
En misschien roept iemand die overdreven veel belang hecht aan zijn eigen bijzondere vorm van bevinding, dat de predikant niet dezelfde ervaring van de menselijke verdorvenheid heeft als hijzelf. Hij veroordeelt ons misschien volkomen, omdat wij een bepaalde geliefde, maar ongezonde maatstaf van geestelijke overtuiging niet op de voorgrond stellen. Welnu, wij kunnen tegen hem zeggen: ‘Wij hebben gepredikt wat wij weten en getuigd van wat wij gezien hebben. Als wij nog niet alle hoogten en diepten, lengten en breedten kunnen bereiken, dan hopen wij te groeien. Maar ook al betwijfelt u onze verklaring, wij kunnen zeggen: waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
Dit brengt mij rechtstreeks bij de tekst. U zult zien dat de tekst wijst op een rustig onderzoek, dat uitloopt op een zeer plechtige verklaring. ‘Waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’ En dan is er ten tweede, in het eerste deel van de tekst, een zeer hartelijke wens, die leidt tot een passende inspanning. Onze wens is dat u gemeenschap met ons mag hebben, en daarom verkondigen wij u wat wij gezien en gehoord hebben.
I. Laten wij dan ten eerste in alle rust en met een stil hart deze zaak met elkaar bespreken en nagaan of het niet zo is dat wij werkelijke gemeenschap met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus gehad hebben en nog hebben. Welnu, broeders, wij hebben gemeenschap gehad met de Vader. Om met iemand gemeenschap te hebben, moet er eensgezindheid van hart zijn. ‘Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?’ Ten diepste vraagt gemeenschap om gelijkheid: wij moeten dezelfde wensen en verlangens hebben, wij moeten dezelfde doelen omhelsd hebben, en onze geesten moeten samengesmeed zijn in het voornemen om dezelfde plannen te verwezenlijken.
Welnu, ik denk dat wij deze morgen in de eerste plaats kunnen belijden dat wij een zoete eensgezindheid met God voelen in Zijn eeuwige voornemens. Ik lees het Boek van God, en ik vind dat Hij Christus heeft verordineerd om het Hoofd van Zijn Kerk te zijn, en dat Hij Zich ‘een grote schare, die niemand tellen kon’ verkoren heeft. Ik vind in het Woord van God geopenbaard dat Hij een God is van onderscheidende en uitverkiezende genade. Hij zegt: ‘Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.’ Hij leidt vele kinderen tot heerlijkheid, ‘tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde’.
Broeders, kunnen u en ik niet, als voor het aangezicht van God, Die de harten doorzoekt, zeggen dat wij het volkomen eens zijn met Zijn voornemens? Ja, wij hebben ze lief, wij verlustigen ons erin, Gods besluiten stellen ons volkomen tevreden. Als wij de rol waarin Zijn goddelijke voornemens geschreven staan, zouden kunnen veranderen, dan zouden wij het niet doen. Wij voelen dat alles wat Hij verordineerd heeft, goed moet zijn. En dat Hij Zijn volk tot het eeuwige leven heeft verordineerd en het liefheeft boven alle volken die op de aardbodem zijn, dat is een van de rijkste vreugden die wij kennen.
De leer van de verkiezing is een zoete hartversterking voor het kind van God. Ik kan uitroepen: ‘Mijn Vader, U bent Koning! U hebt het onedele der wereld en hetgeen niets is uitverkoren, om te niet te maken hetgeen iets is. Hierin heb ik gemeenschap met U, want ik kan uitroepen: “Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.”’
Verder hebben wij gemeenschap met God in het doel waarvoor het voornemen eerst werd opgevat, namelijk Zijn eigen eer.
Ach, de daden van de Allerhoogste dienen ertoe Zijn majesteit te openbaren en Zijn Godheid te verheerlijken. O broeders, leven wij niet met God mee in dit doel? Geef Hem eer, geef Hem eer, o alle schepselen die Zijn hand gemaakt heeft! Het hoogste verlangen van onze geest, wanneer die het meest verruimd en het meest ontvlamd is, is dat Hij in alles verheerlijkt wordt.
Hij weet, want Hij kan het hart lezen, dat wij dikwijls, wanneer wij zelf neergebogen waren en als het stof der aarde gemaakt werden, toch gezegd hebben: ‘Dit blijft mijn troost: dat Hij verhoogd is, dat Hij nog regeert en doet naar Zijn wil onder het heir des hemels en onder de bewoners van deze benedenwereld.’ Begeert u niet Zijn eer, zoals Hij die begeert? Hij heeft Zich voorgenomen de hovaardij van alle menselijke roem te ontheiligen en de wereld te doen weten dat Jehova God is en dat er buiten Hem geen ander is.
Verlangt u niet hetzelfde, en bidt u niet dagelijks: ‘Laat Hij grootgemaakt worden van de opgang der zon tot haar ondergang; laten alle schepselen Hem zalig prijzen, laat al wat adem heeft Zijn Naam loven, prijzen en grootmaken’? Hierin dan, in Zijn voornemen en in het doel van Zijn voornemen, hebben wij ‘gemeenschap met de Vader’.
En hebben wij dan geen gemeenschap met Hem in het plan waardoor Hij dat voornemen uitvoert? Het behaagde Hem om, ‘wanneer de volheid des tijds gekomen is’, ‘Zijn Zoon uit te zenden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet; opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden’. Hij legde één fundament, en slechts één, en Hij zei daarvan: ‘Niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is.’ God heeft ‘de steen, dien de bouwlieden verworpen hadden’ uitverkoren, opdat hij ‘tot een hoofd des hoeks’ zou worden. ‘Dit is van den Heere geschied’, en kunnen wij niet zeggen: ‘het is wonderlijk in onze ogen’? Zoals Hij voor God ‘een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is’ is, zo geldt ook: ‘U dan, die gelooft, is Hij dierbaar.’ Als u het hele plan van begin tot eind overziet, stemt u er dan niet mee in? Treft het u niet als het wijste, het genadigste en het heerlijkste plan dat ooit bedacht had kunnen worden? En als u de altijd voortvloeiende stroom volgt, van zijn eerste bron in de voorbeschikking tot aan de oceaan van heerlijkheid, zegt u dan niet over zijn weergaloze loop: ‘Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons naar Zijn overvloedige barmhartigheid in Hem heeft uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, en Die ons, nu Hij ons heeft uitverkoren, zal verheerlijken en ons ten slotte tot Zich zal brengen’?
Ja, er is geen enkel woord dat wij zouden willen veranderen, er is geen regel in dit goddelijke plan die wij anders zouden wensen. Als het Hem welbehaagt, dan behaagt het zeker ook ons. Als Hij het verkoos als het plan van Zijn goddelijk werk, dan aanbidden wij Zijn keuze en eerbiedigen wij zowel de wijsheid als de liefde die het plan ontwierpen en uitvoerden.
En meer nog, ik denk dat wij eraan mogen toevoegen dat wij gemeenschap met God hebben in de meest opvallende kenmerken van dat plan. In de hele weg van de zaligheid hebt u de rechtvaardigheid en de barmhartigheid van God gezien, elk in onverminderde glans. U hebt Zijn genade gezien in het vergeven van de zondaar, maar u hebt ook Zijn heiligheid gezien in het wreken van de zonde aan de Plaatsvervanger. U hebt Zijn waarheid op twee manieren zien werken: Zijn waarheid in de bedreiging, want Hij houdt ‘den schuldige geenszins onschuldig’, en Zijn waarheid in de belofte, want Hij is het ‘Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft’. In het hele goddelijke plan van de zaligheid kleeft er geen enkele smet aan een van de eigenschappen van de Allerhoogste. ‘Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen!’ is nog steeds het lied van de engelen, ook wanneer zij zien hoe zondaars, die eens de snoodsten van allen waren, worden gebracht om in hun vreugde te delen en hun liederen mee te zingen.
En, broeders, voelen u en ik niet dat wij hierin gemeenschap met God hebben? Zou u willen dat Hij onrechtvaardig was, opdat u gered zou worden? Ik denk dat u zou zeggen: ‘Nooit! Nooit! Laat Hem zelfs niet om mijnentwil onrechtvaardig zijn.’ Zou u willen dat Hij anderen geen liefde toedroeg, opdat Hij u tot Zijn gunsteling kon maken? Nee! En van zoiets is ook geen spoor te vinden. U zou niet willen dat Hij Zijn bedreiging introk, want dan zou u kunnen vrezen dat Hij ook Zijn belofte zou vergeten. Ik weet zeker dat, wanneer u Gods karakter beschouwt zoals Hij het openbaart in het aangezicht van Jezus Christus, uw ziel vervuld wordt met een onuitsprekelijke en verrukkelijke aanbidding. U kunt Hem toezingen: ‘Groot bent U, o God, Uw goedertierenheid is tot in eeuwigheid’, en met de woorden van David kunt u zeggen: ‘Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o Heere!’ In het voornemen dan, in het doel van dat voornemen, in het plan waardoor het voornemen bereikt wordt en in de kenmerken van dat plan, heeft de gelovige in Christus gemeenschap of zoete eensgezindheid met de Vader.
Maar om nog een stap verder te gaan: wij hebben een zeer goddelijke en dierbare gemeenschap met de Vader in de voorwerpen van Zijn liefde. Wanneer twee mensen hetzelfde liefhebben, wordt hun genegenheid een band tussen hen. Twee mensen kunnen elkaar liefhebben, maar wanneer er in Gods voorzienigheid kinderen in huis komen, worden die kinderen een nieuwe band tussen de ouders. Doordat ieder van hen zijn hart aan de kleintjes geeft, voelen zij dat hun harten nog vollediger aan elkaar gegeven zijn.
Welnu, er is een band tussen God de Vader en onze ziel, want heeft Hij niet gezegd: ‘Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!’? En kunnen u en ik er niet aan toevoegen: ‘Ja, Hij is onze geliefde Zaligmaker, in Wie wij een welbehagen hebben’? Staat er niet geschreven: ‘Het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen’? En voelen wij niet dat wij een goddelijk genoegen en voldoening gevonden hebben in het beschouwen van Zijn wonden, Zijn lijden en Zijn dood? En heeft de Vader niet besloten Zijn Zoon Jezus te verheerlijken? En is het niet de liefste gedachte van ons hart dat wij mogen helpen Hem hier op aarde te verheerlijken, en Zijn heerlijkheid zelfs in de hemel mogen verbreiden door aan de engelen, de overheden en de machten de hoogte en diepte van Zijn goedertierenheid te vertellen? Heeft de Vader de Zoon lief? Zo hebben ook wij Hem lief. Niet in dezelfde oneindige mate, want wij zijn eindige wezens, maar wel oprecht: zoals de Vader Jezus liefheeft, zo oprecht hebben wij Hem lief.
‘Een ellendeling, Heere, zou ik zijn,
als ik U niet liefhad;
liever dan mijn Zaligmaker niet lief te hebben,
wil ik ophouden te bestaan.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Hierin hebben wij dan gemeenschap met de Vader: wij zijn het eens in de liefde tot de Zoon. Heeft de Vader de heiligen lief? Wij ook. Verklaart Hij dat hun bloed dierbaar zal zijn in Zijn ogen? Draagt Hij hen, neemt Hij hen op en toont Hij dat Hij om hen geeft? Zegt Hij dat Hij een welgevallen heeft aan Zijn volk, dat zij Zijn deel en Zijn uitverkoren erfdeel zijn? Mijn ziel, kunt u niet midden in al uw twijfels en vrezen zeggen: ‘Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben’? Kunt u niet plechtig verklaren: ‘O mijn hart, de heerlijken op de aarde zijn al uw lust. Waar zij wonen, wil ik wonen; waar zij sterven, wil ik sterven; hun deel zal mijn deel zijn, en hun God zal mijn God zijn tot in alle eeuwigheid’? Ook hierin hebben wij gemeenschap met de Vader.
Maar u weet, broeders, dat het woord ‘gemeenschap’ niet alleen eensgezindheid van hart betekent, maar ook inhoudt dat die eensgezindheid verder wordt uitgewerkt in omgang of wederzijdse mededeling.
Geve de Heilige Geest dat wij geen woord zeggen dat niet ten volle door onze ervaring wordt bevestigd! Maar ik hoop dat wij kunnen zeggen dat wij omgang gehad hebben met God de Vader. Wij hebben Hem nooit gezien en ook Zijn gedaante niet aanschouwd. Het is ons niet gegeven om, zoals Mozes, in de kloof van de rots gezet te worden en de achterste delen of de sleep van de onzichtbare Jehova te zien. Toch hebben wij tot Hem gesproken; wij hebben tot Hem gezegd: ‘Abba, Vader!’ Wij hebben Hem gegroet met de naam die uit het diepst van ons hart kwam: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ Wij hebben op zo’n manier toegang tot Hem gehad dat wij ons daarin niet kunnen vergissen. Wij hebben Hem gevonden, en door het kostbare bloed van Christus zijn wij tot aan Zijn voeten gekomen. Wij hebben onze zaak voor Hem uiteengezet en onze mond met pleitgronden gevuld.
En het spreken kwam niet alleen van onze kant, want het heeft Hem behaagd Zijn liefde door Zijn Geest in ons hart uit te storten.
Terwijl wij de Geest der aanneming tot kinderen gevoeld hebben, heeft Hij ons van Zijn kant de goedertierenheid van een tedere Vader getoond. Wij hebben het gevoeld, al was er geen geluid te horen; wij hebben het geweten, al gaf geen engel als boodschapper ons getuigenis, dat Zijn Geest getuigde met onze geest dat wij uit God geboren waren. Wij werden door Hem omhelsd en stonden niet langer op een afstand; wij zijn ‘nabij geworden door het bloed van Christus’. Ik vertrouw, mijn broeders en zusters, dat ieder van u kan zeggen – al zou u wensen dat het veel inniger was dan het is: ‘Ik heb in al deze zaken gemeenschap gehad met de Vader, want ik heb met Hem gesproken en Hij heeft tot mij gesproken.’ U kunt instemmen met de woorden van dat lied:
‘Als ik in de liefde van mijn Vader
een deel heb als Zijn kind,
zend dan Uw Geest als een duif
om op mijn hart te rusten.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Verder, en om dit punt van de gemeenschap met de Vader af te sluiten, kunnen wij ons, denk ik, beroepen op de Alwijze en zeggen dat wij in dit opzicht gemeenschap met God gehad hebben, dat juist datgene wat Zijn geluk is, ook ons geluk geweest is. Wat de vreugde van Zijn heilig Wezen is, is ook voor ons een vreugde geweest. ‘En wat is dat?’ vraagt u. Wel, broeders, verlustigt God Zich niet in heiligheid, in goedheid, in barmhartigheid en in goedertierenheid, en is dat ook niet onze vreugde geweest?
Ik weet zeker dat onze grootste ellende hier onze zonden zijn geweest. Wij zouden niet morren over onze verdrukkingen, als wij maar verlost konden worden van die zonden die ons neerdrukken en belemmeren wanneer wij hemelwaarts willen opstijgen. Heiligheid is ons genoegen, reinheid is onze vreugde. Als wij maar volmaakt konden zijn zoals Hij volmaakt is, en vrij van zonde, zoals God onze Vader vrij is van alles wat ongerechtigheid is, dan zouden wij in de hemel zijn, want dat is ons geluk. Hetzelfde geluk dat God vindt in reinheid en gerechtigheid, vinden ook wij daarin.
En als het het geluk van de Vader is gemeenschap te hebben met de Personen van de Drie-eenheid – als de Vader Zich verlustigt in Zijn Zoon – dan verlustigen ook wij ons in Hem, en wel met zo’n vreugde dat een vreemde ons niet zou geloven als wij het hem vertelden. En als wij het een wereldling in het oor fluisterden, zou hij ons voor gek houden.
Jezus, U bent de zon van onze ziel. U bent voor ons de rivier waaruit wij drinken, het brood dat wij eten, de lucht die wij inademen. U bent de grondslag van ons leven en ook het hoogtepunt ervan. U bent de steun, de schraag, de pilaar, de schoonheid en de vreugde van ons bestaan! Als wij U maar hebben, vragen wij niets anders meer, want U bent alles en in allen; en als wij U niet hebben, zijn wij ellendig en verloren. Zo hebben wij dan gemeenschap met de Vader, omdat wat Zijn geluk is, zeer zeker ook ons geluk is.
En zo is ook het werk van de Vader ons werk. Ik spreek niet over u allen; Hij weet wie Hij verkoren heeft. Wij kunnen niet samen met de Vader alle werelden in stand houden, wij kunnen geen stromen van licht uitzenden bij het opgaan van de zon, wij kunnen het vee op duizend bergen niet voeden, en wij kunnen ook niet alle schepselen die adem hebben, voedsel en leven geven.
Maar er is iets wat Hij doet en wat wij ook kunnen doen. Hij doet goed aan al Zijn schepselen, en wij kunnen ook goeddoen. Hij getuigt van Zijn Zoon Jezus, en wij kunnen ook getuigen. ‘Mijn Vader werkt tot nu toe’, opdat Zijn Zoon verheerlijkt wordt, en wij werken ook. O eeuwige Werker! Het is Uw werk om zielen te redden, en wij zijn Uw medearbeiders. Wij zijn Zijn akkerwerk, wij zijn Zijn gebouw. Hij strooit het zaad van de waarheid, en wij strooien het ook; Zijn woorden geven troost, en ook onze woorden troosten de vermoeiden, wanneer God de Geest met ons is. Wij hopen te kunnen zeggen: ‘Het leven is mij Christus’, en is dat niet ook waarvoor God leeft? Wij begeren niets zozeer als Hem te verheerlijken, en dat is de wil van de Vader en ook het gebed van Jezus Christus: ‘Verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.’
Ziet u niet, broeders, dat wij op dezelfde steiger staan als de eeuwige God? Wanneer wij onze hand opheffen, heft Hij Zijn eeuwige arm op; wanneer wij spreken, spreekt Hij ook, en Hij spreekt hetzelfde. Wanneer wij de eer van Christus bedoelen, bedoelt Hij die eer ook; wanneer wij ernaar verlangen de verdwaalde schapen thuis te brengen en de verloren zonen terug te roepen, verlangt Hij hetzelfde. Daarom kunnen wij in dat opzicht zeggen: ‘Waarlijk, wij hebben gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
En nu moet ik in het kort ook verkondigen en bevestigen dat wij gemeenschap hebben met de Zoon, net zo goed als met de Vader. In beide zaken zijn wij als kleine kinderen die net beginnen te praten of hun letters te leren. Wij hebben het nog niet verkregen, o broeders. Al zeg ik dat wij gemeenschap hebben met de Vader, hoe weinig hebben wij daar nog van, vergeleken met wat wij hopen te ontvangen!
Deze gemeenschap is als de rivier in Ezechiël. Eerst reikt het water tot aan de enkels, daarna tot aan de knieën, dan tot aan de lenden, en dan wordt het een rivier waarin men moet zwemmen. Ik vrees dat er maar weinigen onder ons zijn die al zo ver gewaad hebben dat het een rivier werd om in te zwemmen. Maar God zij geprezen: al reikt het water maar tot de enkels, wij hebben toch gemeenschap. En als wij er maar weinig van hebben, dan is dat weinige het zaad van meer en het zekere onderpand van grotere vreugden die nog komen.
Welnu, wij hebben gemeenschap met de Heere Jezus Christus, denk ik te mogen zeggen, want ons hart is met Hem verenigd. Daarover kunnen wij niet spreken, maar ik denk dat wij erover kunnen wenen:
‘Jezus, wij hebben Uw lieflijke Naam lief,
hij is als muziek in onze oren.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Misschien moeten wij soms zingen:
‘Dit is iets wat ik zo graag wil weten,
het geeft mij vaak bezorgde gedachten:
heb ik de Heere lief of niet?
Ben ik de Zijne, of ben ik het niet?’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Maar ik denk dat wij ten slotte toch kunnen terugkomen en antwoorden: ‘Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb.’ In elk geval is het vreemd dat ik nooit gelukkig kan zijn zonder U; het is opmerkelijk dat ik nergens vrede kan vinden dan in U alleen. Als ik U niet liefhad, zou ik dan zo naar U verlangen? Zou ik dan zo rouwen en treuren wanneer U weg bent? Zou het zo donker zijn zonder U, als ik nog blind was? En zou het zo licht zijn met U, als ik niet een glimp van Uw licht en enkele stralen van Uw schoonheid zag?
Mannen broeders, de satan mag zeggen wat hij wil, en ons gevoel mag deze uitspraken schijnbaar tegenspreken, toch kleeft onze ziel Hem achteraan. Hij is al ons heil en al onze lust. Wij hebben dus gemeenschap met Christus, omdat Zijn hart op ons gericht is en ons hart aan Hem verbonden is.
Verder hebben wij in enige geringe mate gemeenschap met Hem gehad in Zijn lijden. Wij hebben nog ‘tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde’, maar wij hebben Zijn kruis gedragen en Zijn smaad geleden. Sommigen hebben kunnen zeggen:
‘Jezus, ik heb mijn kruis opgenomen
om alles te verlaten en U te volgen.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
En anderen onder ons, wier pad wat effener geweest is, hebben toch het kruis vanbinnen gevoeld. Want de nieuwe geest in ons heeft moeten strijden tegen alles wat wij eens liefhadden. Er zijn oorlogen en gevechten geweest en een voortdurende strijd, niet alleen van buiten, maar, wat veel zwaarder is, ook van binnen. Toch zouden wij Hem blijven volgen, al zou het nog meer verdriet geven, want wij achten het onze rijkdom dat wij de smaadheid van Christus mogen dragen, zoals Hij smaad voor ons gedragen heeft.
Ik vertrouw, mijn broeders en zusters, dat u die belijdt Zijn volgelingen te zijn, zich er niet voor schaamt Zijn Naam te belijden. Ik hoop dat u op de dag van de strijd de rug niet toekeert. Als u dat wel doet, mag u zich afvragen of uw gemeenschap wel met de Zoon Jezus Christus is. Maar als u schande kunt verwelkomen en smaad kunt begroeten omdat Hij aan u denkt, dan bent u hierin Zijn dood gelijkvormig gemaakt en deelgenoot geworden van Zijn lijden.
Ik heb weleens gedacht dat het alle bitterheid waard zou zijn, als wij uit Zijn beker mochten drinken en met Zijn doop gedoopt mochten worden. Wij kunnen geen Gethsémané kennen met al het bloedige zweet daarvan, en toch hebben ook wij onze Gethsémanés gehad. Wij kunnen niet sterven op Golgotha, maar ik hoop dat wij met Hem gekruisigd zijn en dat de wereld ons gekruisigd is en wij der wereld. Wij kunnen niet in het graf van Jozef van Arimathea gaan, en toch zijn wij met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, zoals Jezus Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders, zo ook wij zouden opstaan tot een nieuw leven.
En ik hoop dat, nu Hij is opgestaan en opgevaren naar de hoogte, wij – al zijn onze lichamen nog hier – toch onze genegenheid gezet hebben op de dingen die boven zijn, niet op die op de aarde zijn. En zoals Hij is opgewekt en gezet is bij Zijn Vader, hoop ik dat wij de betekenis kennen van dit woord: ‘En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.’
En zoals Hij zal komen en regeren, hoop ik dat wij daar ook iets van kennen, want Hij heeft ons gemaakt tot koningen en priesters voor onze God, en wij zullen met Hem regeren tot in alle eeuwigheid. Van de kribbe tot het kruis, en van het kruis tot het duizendjarig rijk, behoort er in de ervaring van de christen een gezegende gemeenschap te zijn. Wij moeten Christus kennen in Zijn verborgenheid en geringheid, doordat het Kind Christus in ons hart is. Wij moeten Hem kennen in Zijn verzoekingen in de woestijn, doordat wijzelf in alle dingen verzocht worden. Wij moeten Hem kennen in de lastering en smaad die Hij onderging, doordat wijzelf door de mensen voor Beëlzebub gehouden worden en als ‘aller afschrapsel’. Wij moeten Hem kennen in Zijn lijden, in Zijn zielsangst en in Zijn dood. En dan zeggen wij: ‘Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.’
Dan mogen wij Hem kennen in Zijn overwinningen, in Zijn hemelvaart, in Zijn zitten aan de rechterhand van God en in Zijn komst om te oordelen de levenden en de doden, want ook wij zullen de engelen oordelen door Jezus Christus, onze Heere. In deze opzichten hebben wij, hoop ik, in enige nederige mate gemeenschap met de Zoon Jezus Christus.
Maar onze gemeenschap heeft ook een praktische vorm aangenomen, doordat dezelfde wensen en verlangens die in Christus waren toen Hij op aarde was, nu in ons zijn. O, wij hebben met diep gevoel juist de woorden van Christus uitgesproken: ‘Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?’ En wanneer wij niet alles konden doen wat wij wilden, wanneer er een onoverkomelijk obstakel op het pad van onze dienst leek te liggen, hebben wij toch gezegd: ‘Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.’
En wanneer wij ooit moe geworden zijn in de dienst van de Meester, hebben wij daarin toch zoveel bemoediging gevonden dat wij met Hem konden zeggen: ‘Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.’ ‘De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.’ En soms, bij de gedachte aan het dienen van God en zelfs aan het lijden voor Hem, hebben wij gezegd: ‘Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!’ Want wij hebben grotelijks begeerd dat pascha te eten, opdat ook wij van ons nederige werk zouden mogen zeggen: ‘Het is volbracht!’ en onze geest in de eeuwige hand zouden mogen bevelen.
O, hebt u nooit met Christus geweend, zoals Hij weende over het arme Jeruzalem? Hebben de zonden van Londen u nooit de tranen in de ogen gebracht? Hebt u nooit geweend over hardvochtige zielen, misschien in uw eigen gezin? Hebt u nooit uitgeroepen zoals Hij: ‘Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild’?
O, ik hoop, zonder eigenwaan en zonder meer te zeggen dan wij werkelijk gevoeld hebben, dat wij gedorst en gehijgd hebben om anderen op te heffen uit hun vernedering en hun val. Zozeer zelfs, dat wij voelden dat wij bereid zouden zijn ons te laten offeren als door ons offer zielen gered konden worden, en dat wij het dan wel wilden laten zeggen: ‘Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen.’ Hierin hebben wij dan gemeenschap gehad met Christus.
En verder vraagt gemeenschap, zoals ik al zei, om omgang. O dochters van Jeruzalem, hebben wij geen omgang met Hem gehad? Vertel van die gelukkige dag toen wij uitgingen om koning Salomo te ontmoeten en Hem kroonden ‘met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten’. Toen nam Hij ons op in Zijn koets, waarvan de vloer van zilver was en waarvan het binnenste bespreid was met de liefde van de dochters van Jeruzalem, en wij reden met Hem in de veiligheid van het verbond en in koninklijke luister. Toen de Koning in Zijn paleis kwam en zei: ‘Laat het gemeste vee geslacht worden! Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!’, toen dronken wij van al Zijn zoete wijnen en aten wij van al Zijn heerlijke vruchten, die Hij voor Zijn geliefde had weggelegd, totdat wij zeiden: ‘Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.’
Broeders, ons hart is als het ware uit ons lichaam gesprongen om Hem te omhelzen – zo dachten wij tenminste – van overmaat van vreugde. En dat terwijl er niets in de wereld was wat ons tevredenheid kon geven: toen onze vooruitzichten verwoest waren, toen onze gezondheid ons in de steek liet, toen de zon van deze wereld was uitgedoofd. Juist toen kwam Hij tevoorschijn, Hij Die alles in allen is, en Hij verhief over ons het licht van Zijn aanschijn.
U hebt, hoop ik, enkele van deze instromingen van liefde gekend, toen u engelenspijs at, toen u het droge brood en de beschimmelde korsten in de tas van uw ervaring vergat en at van het nieuwe koren van het Koninkrijk en de nieuwe wijn dronk met uw gezegende en goddelijke Meester. U reisde niet meer in rammelende wagens, maar uw ziel was als de snel voortjagende wagens van Ammi-nadib. U vloog uw Geliefde achterna in een zo goddelijke vervoering dat geen tong het kan vertellen en geen lippen die heilige verrukking kunnen beschrijven. Ja, ‘waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
Wij hebben nog maar een paar minuten over voor het tweede punt, dat wel een hele preek zou verdienen.
II. Er was ten tweede een zeer hartelijke wens, die leidt tot een passende inspanning. Deze hartelijke wens was dat anderen gemeenschap met ons zouden hebben. Wie de honing gevonden heeft, kan die niet alleen opeten. Wanneer wij gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is, is het een van de eerste neigingen van de nieuwgeboren natuur om ons uit te zenden met de roep: ‘O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!’
Wij zouden willen dat anderen in alle opzichten gemeenschap met ons hadden, behalve in onze zonden. Want wij kunnen met de apostel zeggen: ‘Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.’ Maar deze banden van de zonde zouden wij niemand toewensen.
Broeders, wij zouden willen dat u gemeenschap met ons had in de vrede die wij met God onze Vader ervaren, in de toegang die wij tot Zijn troon hebben, in het vertrouwen dat wij hebben in de waarheid van Zijn belofte, in de overvloeiende vreugde die wij smaken wanneer Hij Zich aan ons openbaart! Wij zouden willen dat u onze hoop had, dat u met dezelfde blijdschap als wij kon uitzien naar de dood en het graf, in de verwachting naar Zijn beeld veranderd te worden en Hem te zien, gelijk Hij is! Wij zouden willen dat u ons geloof had, en dan nog meer – dat u een vaste grond had van de dingen die men hoopt, en een bewijs van de zaken die men niet ziet!
Wij zouden willen dat u gemeenschap met ons had in het gebed dat overwint, dat u wist hoe u uw lasten op de Heere kunt werpen, dat u verstond hoe u elke zegen van boven kunt verkrijgen door te pleiten op de verdiensten van de Zaligmaker! Om alles samen te vatten: wij zouden willen dat u in alles wat liefelijk is en wel luidt, in alles wat gelukkig, verheffend, goddelijk en eeuwig is, deelgenoot werd en gemeenschap met ons had!
En deze wens brengt het kind van God ertoe een passende inspanning te doen. En wat is dat? Anderen vertellen wat hij gezien en gehoord heeft. Welnu, ik wil dat middel vanmorgen gebruiken, want ik denk dat een voorbeeld uit de werkelijkheid misschien beter is dan welke uitleg in woorden ook.
Spreek ik hier niet velen toe die nooit enige gemeenschap gehad hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus? Misschien weet u nauwelijks wat dat betekent, en als u hoort wat het betekent, hecht u er geen waarde aan. Met God spreken zegt u niets; u denkt er niet eens aan dat u tot Christus zou kunnen spreken en dat Christus tot u zou spreken. Ach, als u de zoetheid ervan kende, zou u nooit, nooit tevreden zijn voordat u het had. U zou dorsten met een dorst die nooit ophoudt, totdat u drinkt van het water uit Bethlehems bornput, die in de poort is.
Welnu, ziel, opdat u in deze zaken gemeenschap met ons mag hebben, laat mij u vertellen wat ik gehoord, gekend en gezien heb, want daarover moet ik volgens de tekst spreken. Ik heb gekend en gezien dat Christus bereid is u te vergeven en ook machtig is u te vergeven. O, ik zal nooit vergeten hoe ik voor het eerst tot Hem ging, beladen met ongerechtigheid en zwart van zonde, neergebogen onder vijf jaren van overtuiging van zonde, die mijn vrees tot wanhoop hadden gemaakt. Mijn twijfels hadden zich zo opgestapeld dat geen licht er meer doorheen scheen te kunnen dringen! Ik ging tot Hem en ik dacht dat Hij mij zou verwerpen; ik dacht dat Hij hard was en niet bereid om te vergeven. Maar ik keek alleen maar op Hem, keek alleen maar naar Hem – één blik van een betraand oog op een gekruisigde Zaligmaker – en op datzelfde ogenblik rolde de last weg. De schuld was verdwenen, vrede van het hart nam de plaats in van wanhoop, en ik kon zingen: ‘Mij is vergeven, mij is vergeven!’ Ik had veel zonden, maar Hij nam ze allemaal weg. Sommige van die zonden waren bijzonder zwaar; ik zou ze geen mens willen vertellen. Maar ze zijn weg, en dat in één ogenblik, niet door enige verdienste, maar vrij en genadig weggenomen uit Zijn overvloedige barmhartigheid, naar de rijkdom van Zijn goedertierenheid in Christus Jezus, de Heere.
Welnu, wat wij gezien en gehoord hebben, dat getuigen wij u, opdat ook u gemeenschap met ons mag hebben, want ‘waarlijk, onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’ Hij is nog steeds bereid u aan te nemen, Hij is machtig u te vergeven. Beladen met schuld en vol ellende, haast u naar die volkomen verlossing! Treuzel niet! ‘Sta niet op deze ganse vlakte!’
Laat uw bezwaarde hart u er niet toe verleiden bij Hem weg te blijven! Hij staat met open armen klaar om te vergeven, met een open hart, bereid u te ontvangen.
Ja, Hij snelt toe, het is alsof ik Hem zie! Terwijl u nog ver weg bent, loopt Hij u tegemoet, Hij valt u om de hals, Hij kust u en zegt: ‘Doe hem zijn vodden uit, trek hem het beste kleed aan, doe schoenen aan zijn voeten en een ring aan zijn hand, en laten wij eten en vrolijk zijn, want de dode is levend geworden en de verlorene is gevonden.’
Maar ik getuig u nog verder, ziel, dat u, als u eenmaal in Christus gelooft en vergeving hebt ontvangen, zult merken dat Hij bereid is uw ziel voor zonde te bewaren. Ik dacht dat het, zelfs als Christus mij vergaf, voor mij onmogelijk zou zijn om met slechte gewoonten en de begeerten van het vlees te breken. En ik heb vele tientallen mensen gekend die vloekers waren en die zeiden dat zij hun mond nooit van hun vloeken zouden kunnen reinigen. Zij waren ook dronkaards, en zij zeiden dat de drank toch weer de overhand op hen zou krijgen. Maar wij hebben gezien en getuigd dat Christus, wanneer wij in Hem geloven, het hart verandert en de natuur vernieuwt. Hij doet ons haten wat wij vroeger liefhadden en liefhebben wat wij eens verachtten. Wij hebben het gezien en wij getuigen ervan.
Dronkaard, Hij kan u matig maken! Onkuise, Hij kan u rein maken! Er is geen begeerte die Zijn arm niet kan bedwingen en geen machtige zonde die Hij niet kan uitdrijven. Hij zal u met vreugde de weg van Zijn geboden doen lopen, en u zult daarvan niet afwijken ter rechter hand noch ter linkerhand.
‘Maar’, zegt een ander, ‘al zou Hij mij een tijdlang staande houden, ik zou het nooit kunnen volhouden.’ Wat ik gezien en gehoord heb, dat verkondig ik u. Gezegend zij Zijn Naam: ik ben nog jong in de genade, maar Hij is mij trouw geweest. Als kind geloofde ik, en dat kind getuigt nu dat God getrouw is en hem niet één keer heeft verlaten of begeven, maar hem heeft bewaard. Ik zou deze morgen bijna wensen dat ik grijze haren had, om kracht te geven aan dit getuigenis van ‘wat ik gezien en gehoord heb’.
Ik herinner mij goed dat, toen ik eens verkondigde dat God een getrouw God is, mijn goede oude grootvader, die achter mij op de preekstoel zat, naar voren kwam en zei: ‘Mijn kleinzoon kan u dat vertellen, maar ik kan het getuigen. Ik ben de zeventig jaren gepasseerd, maar Hij is altijd getrouw en waarachtig geweest.’
‘Tot in de ouderdom zal al Zijn volk ervaren
Zijn soevereine, eeuwige, onveranderlijke liefde;
en als grijze haren hun slapen sieren,
worden zij nog als lammeren in Zijn schoot gedragen.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Dit getuigen wij u, opdat u gemeenschap met ons mag hebben, want ‘onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.’
Zoveel heb ik te zeggen, en als ik nooit meer zou preken en dit de laatste toespraak zou zijn die ik ooit in deze wereld hield, dan zou ik dit tot mijn laatste getuigenis willen maken: er is in de godsdienst een vreugde waarvan ik nooit gedroomd had. Hij is een goede Meester, Die ik gediend heb; het is een gezegend geloof dat Hij mij geschonken heeft, en het geeft zo’n heerlijke hoop, dat ik mijn zalige staat niet zou willen ruilen voor alles wat de wereld goed of groot noemt.
En al moest ik sterven als een hond en al was er geen hiernamaals, dan zou ik nog liever een christen zijn, en liever de nederigste christelijke predikant dan een koning of keizer. Want ik ben ervan overtuigd dat er meer vreugde is in Christus, ja, meer vreugde in één blik op Zijn aangezicht dan te vinden is in alle lof van deze overspelige wereld en in alle genoegens die zij ons op haar zonnigste en stralendste dagen kan geven. En ik ben ervan overtuigd dat wat Hij tot nu toe geweest is, Hij tot het einde zal zijn, en dat Hij het goede werk dat Hij begonnen is, zal voleindigen.
Ja, zondaars, het kruis van Christus is een hoop waarmee wij kunnen sterven, een hoop die ons zonder vrees naar het graf kan brengen, die ons kan doen juichen midden in de zwellende wateren van de Jordaan en die ons met verrukking kan vervullen, zelfs wanneer wij neergebogen zijn door lichamelijke pijn of zenuwnood. Ik zeg u: er is in Christus iets wat ons kan doen zegevieren over de somberste verschrikkingen van de grimmige dood en wat ons blij kan maken in de donkerste storm die het graf maar kan verduisteren.
Vertrouw, vertrouw op de Heere, want ons getuigenis en dat van al Zijn volk is dat Hij het waard is vertrouwd te worden. ‘Wacht op den Heere, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den Heere.’
Preek nr. 409 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 15 september 1861, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 7. Oorspronkelijke titel: “Fellowship With God”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
