Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Een triomfantelijke intocht

33 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op donderdagavond 13 december 1866 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga! Psalm 24:9

Maandagavond hebben we deze psalm verklaard. Toen hebben we uitgebreid gesproken over de heerlijke hemelvaart van onze Heere Jezus Christus en over Zijn triomfantelijke intocht door de paarlen poorten van het nieuwe Jeruzalem. Wij geloven dat dit vers daarnaar verwijst. Bij die gelegenheid hebben wij geprobeerd u de letterlijke en eigenlijke betekenis van de woorden voor te houden, en daar hebben we uitgebreid bij stilgestaan. Daarom vertrouwen we erop dat we deze woorden vanavond wel als aanknopingspunt mogen gebruiken, nu we over een heel ander onderwerp spreken en onze gedachten een andere wending geven. Niet dat we de natuurlijke betekenis van het profetische lied opzij willen zetten. We denken echter dat we zonder deze psalm geweld aan te doen, en zelfs tot ons voordeel, er een zin uit mogen lenen om een les in praktische godzaligheid te leren.

Het is het opmerken waard dat de Schotse commentator Dixon de betekenis die ik u wil voorhouden, als de werkelijke betekenis van de tekst geeft. Dat doen ook nog een of twee andere schrijvers, om maar te zwijgen van onze liederendichters, die zich voor hun vrijmoedige omschrijvingen op de dichterlijke vrijheid beroepen. Zelf zou ik er sterk bezwaar tegen hebben om aan de letterlijke betekenis te tornen. Zonder twijfel verwijst de psalmist in de eerste plaats naar het opgaan van de ark van het verbond naar de berg Sion, waar zij een vaste plaats zou krijgen. Dat historische feit was een voorafschaduwing van de hemelvaart van Christus naar het Jeruzalem dat boven is, waar Hij zit als de Vertegenwoordiger van Zijn volk. Laat deze betekenis volledig begrepen en erkend worden. Dan zullen we ons vrij voelen om de woorden die we hier vinden voor bepaalde praktische doeleinden te gebruiken.

Luister dan, lieve vrienden, naar het leerstuk dat ik u graag wil voorhouden. Voor onze zaligheid moet de Heere Jezus Christus niet alleen de hemel binnengaan, maar ook ons hart. Hij moet het bloed niet alleen binnen het voorhangsel sprenkelen, maar ook in ons geweten. Alles wat Christus voor ons gedaan heeft, zal ons niet baten als er niet ook in ons een groot werk gedaan wordt. Niet alleen Christus aan het kruis is onze hoop, maar ook ‘Christus onder u’, zegt de apostel, ‘de Hoop der heerlijkheid’ (Kolossenzen 1:27). Bij de bekering gaat Jezus Christus de ziel binnen. Door zo’n triomfantelijke intocht, wanneer Zijn Woord ons hart binnenkomt, krijgen wij persoonlijke kennis van de zaligheid.

1. Allereerst is de intocht van de Koning der ere in onze ziel de gebeurtenis waar wij het meest naar moeten verlangen.

Broeders, en als ik nu eens zou zeggen dat de hemel zonder dit geen hemel zou zijn? Zeker is er voor niemand van ons hier op aarde geluk, geen hemel hier beneden, tenzij wij Christus in ons hart hebben! Als Christus er niet is en een andere heer de heerschappij over de mens heeft overweldigd, is er in het mensenhart niets dan kwaad. Het is tevergeefs om het Evangelie aan een mens te preken zolang hij als een sterke gewapende de poorten van het kasteel van zijn hart bewaakt. De ogen van zijn verstand zijn blind voor de weg van de vrede. Totdat Christus komt en dat kasteel stormenderhand inneemt, valt er voor die mens niets te doen. De geest die in hem werkt, is ‘de geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid’ (Efeze 2:2). Hij wordt door de satan misleid en is een gewillige slaaf van die tiran van het kwaad geworden.

Wat u voor uw zaligheid nodig hebt, zondaar, is dat Christus tot u komt. Want als Hij tot u komt, zal die dode ziel van u leven. Zijn tegenwoordigheid is leven. Hij maakt levend wie Hij wil. ‘In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen’ (Johannes 1:4). Als Hij een ziel binnenkomt, is daar geestelijk leven. De zondaar ontwaakt en komt tot bewustzijn. Hij staat op uit het graf, waarvoor zijn roekeloze onverschilligheid als een grote steen was gerold, en hij roept: ‘Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?’ Als Christus in het hart komt, wordt gezien hoe zondig de zonde is. In het licht van het kruis begint een mens zich te bekeren. Hij ziet dat zijn zonde de Zaligmaker heeft gedood.

Daarom verafschuwt hij haar. Nu zoekt hij zowel van de schuld als van de macht van de zonde verlost te worden. Dat doet de komst van Christus. Die neemt de schuld van de mens weg. Als Christus in het hart is en aan de ziel geopenbaard wordt, spreekt Hij vrede tot het onrustige geweten. Wij zien op Hem en worden verlicht, en onze aangezichten worden niet schaamrood. Wij zien dat er in Christus een Fontein geopend is tegen de zonde en tegen de onreinigheid. Daarin wassen wij ons en worden we rein.

De heersende macht van de zonde kan door niets anders overwonnen worden dan door de komst van Christus. Als een mens een slechte meester dient, is de enige manier om van die gehate despoot af te komen, de rivaliserende Koning binnen te halen. ‘Niemand kan twee heren dienen’ (Mattheüs 6:24). De komst van de Koning der ere, Christus Jezus, is de zekere manier om die oude meester uit te werpen: de satan, de overste van de macht der lucht. Als de Heere Jezus komt en leven, licht en vergeving brengt, maakt Hij een einde aan de macht van de zonde, en in Zijn gevolg komt elke zegen mee. O, als Christus door de straten van onze ziel rijdt, worden ze met bloemen van hoop en vreugde bestrooid! Dan hangen we de wimpels van onze heilige gelukzaligheid uit. Wij zingen Zijn lof en willen van heilige vreugde voor Hem dansen! Dan hebben we terstond de reinheid lief en streven we naar volmaaktheid. Dan aanbidden we de levende God, Die wij tevoren vergeten waren, maar tot Wie we nu kunnen zeggen: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt.’ Wij ontvangen de Geest der aanneming, Die ons eerst vreemd was. Zodra Christus ons hart is binnengegaan, gaat onze koers hemelwaarts. Onze weg voert nu naar het aangezicht van onze Vader, terwijl wij eerst, met onze rug naar de Zon der gerechtigheid, in steeds dieper duister ronddwaalden. En we zouden onze weg hebben gevonden naar de buitenste duisternis, waar geween, gejammer en tandengeknars is.

O zondaar, als u Christus maar in uw hart kon krijgen, zou u zeggen: Ik heb alles; ‘ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden.’ Maar tot dan zult u naakt, arm en ellendig zijn. Of, als u werkelijk een levende ziel bent, zult u onrustig en ontevreden zijn totdat Christus met heel Zijn heerlijke gevolg, Zijn Geest en Zijn Woord, bij u is binnengegaan. U zult zijn als een huis zonder bewoner: koud, vreugdeloos, bouwvallig en verlaten. Uw hart zal zijn als een nest zonder vogel, een armzalig, droevig iets! U zult zijn als een lichaam zonder de ziel die het leven geeft. Maar als Jezus komt, zal Hij een ander mens van u maken dan dat zwakke beeld dat uw vader Adam u heeft nagelaten. Hij zal u nieuw maken naar het beeld van Hem Die u geschapen heeft. ‘Ziet, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij (Openbaring 21:5). O, u kunt niet zeggen welke invloed er van Zijn scepter uitgaat wanneer Hij op de troon van het hart zit! U kunt niet zeggen welke regens van genade, welke stromen van zegen, welke bergen van vreugde en heuvels van geluk de uwe zullen zijn wanneer Jezus komt en in uw ziel regeert!

Dit is dus de grote zaak waar wij voor moeten zorgen: dat Jezus Christus tot ons komt. Niet alleen dat wij met het oor over Hem horen of met de tong over Hem spreken, maar dat wij Hem hebben als Priester voor het altaar, als Koning op de troon van ons hart, als de Eerste en Hoogste in de eerbied en de liefde van ons diepste innerlijk.

2. Ten tweede, er zijn belemmeringen die verhinderen dat Christus op die manier ons hart binnenkomt.

U ziet dat de tekst spreekt over ‘deuren’ en ‘poorten’. Als er al deuren en poorten opgeheven moesten worden voordat Christus de hemel kon binnengaan, dan zijn er zeker nog veel meer deuren en poorten die geopend moeten worden om Hem in ons hart te ontvangen! Bedenk dat de deuren werden opgeheven en de poorten geopend toen Jezus Christus naar de hemel opvoer, en ze zijn sindsdien nooit meer gesloten. Er is geen enkele schriftplaats die zegt: ‘Naar beneden met uw hoofden, poorten, en blijf stevig gesloten, eeuwige deuren!’

Geen woord van dien aard; de poorten van de hemel staan wijd open. Wat is er dan gesloten? Wel, de poort van de menselijke ziel, de deur van het menselijk hart. Er zijn vele poorten en deuren, ijzeren balken en grendels van driedubbel staal die Christus de weg versperren. Soms is het ons slechte vooroordeel. Wij willen het Evangelie niet kennen. Wij zijn vastgeroest in onze eigengerechtigheid, of wij houden vast aan de overleveringen van onze vaderen, die op uiterlijke vormen en ceremoniën vertrouwden. Wij willen Christus niet kennen. Misschien is alleen al de naam van de prediker van het Evangelie ons hatelijk en de naam van de plaats waar Christus verhoogd wordt ons een gruwel. Wat een zegen is het voor ons als deze poorten van vooroordeel weggenomen worden, als ons een horend oor gegeven wordt en de ziel ernaar hijgt te weten wat dit Evangelie is!

Helaas gebeurt het maar al te vaak dat, als het vooroordeel is weggenomen, de poort van de verdorvenheid nog blijft staan. Onze liefde tot de zonde is een sterke hindernis. Wij zouden Christus spoedig hebben verwelkomd als wij niet een oude vijand van Hem hadden gekoesterd. Wij hebben er geen zin in onze vroegere liefde op te geven om de ware Bruidegom van de mensenziel aan te grijpen. De grote moeilijkheid die zondaars op de weg naar de hemel staat, is dat zij meer van de zonde houden dan van hun eigen ziel. Een beetje drank, een beetje vertier, een geliefde begeerte, een vrije zondag: elk van deze nietige pleziertjes, deze laag-bij-de-grondse schillen die slechts goed zijn voor de zwijnen, kan zielen van Christus weghouden en verhinderen dat zij het eeuwige leven grijpen. De mens heeft zijn eigen verderf lief! De beker is zo zoet dat hij eruit moet drinken, hoewel hij weet dat die hem zal vergiftigen. En de hoer is zo schoon dat hij haar als een os ter slachting achternaloopt, totdat de pijl zijn lever doorsnijdt, hoewel hij begrijpt dat haar wegen naar de hel voeren! De mens is door de zonde gefascineerd en betoverd. Hij wil de verraderlijke genoegens, die maar een tijd duren, niet opgeven, en om ze te verkrijgen, waagt hij liever het eeuwige verderf van zijn onsterfelijke ziel. O, als God de liefde tot de zonde wegneemt, worden de poorten opgeheven en de deuren geopend. Wat zou ons nog kunnen verhinderen Christus te verwelkomen, als wij onze zonden maar haatten?

Een andere grote deur is onze liefde tot de eigengerechtigheid. Ik heb de liefde tot de zonde de sterkste deur genoemd, maar moet ik mijzelf niet verbeteren en zeggen dat de liefde tot onze eigen gerechtigheid misschien een nog sterkere deur is? Mensen kunnen hun grovere zonden opgeven en toch vasthouden aan hun mooi ogende, maar vleselijke gerechtigheden. Toch zal uw eigen gerechtigheid u net zo zeker te gronde richten als uw ongerechtigheden. Als u rust op wat u gedaan hebt, hoe goed dat in uw eigen ogen ook is en hoe prijzenswaardig uw medemensen het ook vinden, dan rust u op een fundament dat u zeker zal begeven. Uw verdiensten zijn voor de zaligheid even nutteloos als uw tekortkomingen. God geve dat wij niet langer op onszelf roemen, maar de hoogmoed van de Farizeeër wegdoen en nooit het gebed van de Farizeeër uitspreken. De deuren moeten opgeheven worden.

Dan is er nog die deur die ik de ijzeren poort mag noemen waardoor men de stad binnengaat, de binnenste deur van allemaal, waarvan de sleutel inderdaad moeilijk om te draaien is: de deur van het ongeloof. O, dat ongeloof! Het is het verderf van de zielen. En wat een moeite, wat een arbeid en wat een zorg geeft het ons, dienaren van het Evangelie! In gesprekken met bekommerde zoekers verbaast ons dikwijls de vindingrijkheid waarmee zij zich verzetten tegen het binnenkomen van licht en waarheid in hun hart. Ik geloof niet dat ik ooit zo verbaasd ben geweest over de uitvinding van locomotieven, de elektrische telegraaf of welk ander staaltje van menselijke techniek ook, als over de wonderlijke vindingrijkheid van eenvoudige mensen in het bedenken van redenen waarom zij niet in de Heere Jezus Christus zouden moeten geloven! Als wij hun overtuigend hebben aangetoond dat het zowel het redelijkste als het passendste van de wereld is om zich aan Christus toe te vertrouwen, vragen zij: ‘Waarom dit?’ of: ‘Waarom dat?’ Of zij redeneren: ‘Maar dit nog, en maar dat nog.’ Wij kunnen dan geduldig het hele betoog opnieuw doorlopen, maar zelfs als dat gedaan is, komt er weer een ander ‘maar’. Ik heb deze mensen achternagejaagd tot zij in hun hol zaten. Ik heb geprobeerd hen uit te graven en boven de grond te halen, maar ik merk dat zij zich altijd sneller kunnen ingraven dan ik hen kan volgen. Alleen de genade van God kan ons verlossen van dat verderfelijke ongeloof!

U zou het toch vreemd vinden als een man die ter dood veroordeeld was en gratie kreeg aangeboden, zo vindingrijk zou zijn dat hij redenen bedacht waarom hij niet aan de galg zou mogen ontkomen! En als al die redenen weerlegd waren, hun onjuistheid aangetoond en het goede bericht bevestigd, en hij dan nog steeds redenen bleef bedenken waarom het vonnis toch voltrokken moest worden! U zou zeggen: ‘Kom, dwaze man, laat die haarkloverij toch rusten. Gebruik uw verstand beter. Zorg eerst dat u vrij bent en onderzoek daarna maar hoe die vrijheid verkregen is.’ Mensen willen God niet op Zijn woord geloven en Christus niet vertrouwen als Hij hen roept. De grote leer ‘Geloof en leef’ verwerpen zij. Steeds weer maken zij bezwaar. Waren deze poorten en deuren maar allemaal weggenomen!

Ik smeek u, geliefde hoorders, laat mij niet over deze zaak spreken alsof ik tot mensen op de maan spreek. Het is uw eigen hart waar om toegang gevraagd wordt, en bedenk dat er deuren zijn die Christus buitensluiten. Er zijn poorten en deuren die sommigen van u moedwillig voor Hem sluiten. Hoewel ik in Zijn plaats al deze vele zondagen zo goed als ik kon aan de deur heb geklopt, nee, niet ik, maar Christus Die daar door mij klopte, hebt u toch elke oproep weerstaan. U weet dat Zijn hoofd vervuld is met dauw en Zijn haarlokken met nachtdruppen, en toch hebt u deze deuren nog steeds gesloten gehouden. Soms hebben ze flink gerammeld. Het leek mij soms alsof ze op een kier stonden. Haastig keek ik of ik mijn vinger niet door de opening van de deur kon steken, maar het lukte niet. Deed mijn Meester het maar! Hoe kan het dat u, terwijl zo’n Vriend buiten staat, zo liefelijk, beladen met zegeningen en klaar om binnen te komen om u te zegenen, nog steeds nieuwe grendels bedenkt en nieuwe sloten maakt om Hem buiten te houden?

3. Ons derde punt is: om Christus binnen te laten, moeten wij deze grendels willen verwijderen.

U ziet dat de tekst zegt: ‘Heft uw hoofden op, gij poorten’, alsof de poorten zelf hun hoofden moesten opheffen. Het wordt tot hen gezegd alsof zij zelf uit de weg moesten gaan. Steeds weer moet ik u zeggen, lieve vrienden, dat de zaligheid uit genade is. Straks zal ik u dat nog met nadruk inprenten. Toch hebben wij tegelijkertijd nooit gezegd, en we hopen het ook nooit te zeggen, dat wij het niet nodig vinden een beroep op uw wil te doen. We hebben nooit gezegd dat God u tegen uw wil zou redden. Zo hebben we nooit gedacht. We hebben nooit geloofd dat een mens in het bloed van Jezus Christus werd ondergedompeld terwijl hij er niet in gewassen wilde worden. We hebben nooit geloofd dat iemand met geweld het kleed van de gerechtigheid werd aangetrokken terwijl hij zich ondertussen met al zijn kracht verzette. We hebben nooit geloofd dat er op de weg naar de hemel pelgrims gaan die voortgedreven worden als veroordeelden aan een ketting, in plaats van gewillig en blijmoedig voort te trekken naar de rust waarnaar zij verlangen. We hebben nooit willen zeggen dat u louter machines bent die God van hun vrije wil beroofd heeft, of dat Hij u tot blokken hout of stukken marmer heeft gemaakt om u tot heiligen te maken. Nee, wij zijn gewoon u als redelijke wezens aan te spreken en met u te praten als mensen die een wil hebben om te kiezen of te weigeren. Wij hebben geprobeerd die wil met de beweegredenen van het Evangelie te beïnvloeden. Laat ons u eraan herinneren dat de poorten wordt geboden hun hoofden op te heffen.

Daarom zeg ik u in Gods Naam, zondaar: wees gewillig! Wees gewillig dat Christus uw hart binnengaat, want bedenk dat Hij nooit tegen onze wil binnenkomt. Hij maakt ons gewillig op de dag van Zijn heirkracht, maar gewillig moeten wij zijn. Het is waar, de gewilligheid is Zijn gave, maar wij worden gewillig gemaakt. Aan elke ziel die tot Christus komt, wordt eerst een gewillig hart gegeven.

‘O,’ zegt iemand, ‘ik ben gewillig genoeg!’ Dank God daarvoor, geliefde hoorder, want de meeste mensen willen niet tot Hem komen om het leven te hebben. ‘O,’ zegt een ander, ‘ik weet zeker dat ik graag tot Christus wil komen!’ Ik ben blij dat te horen, want er is een vraag die we vaak moeten stellen: ‘Wilt gij gezond worden?’ Er zijn immers mensen die niet gezond willen worden en liever op hun krukken voorthobbelen, kreupel als ze zijn! Zij geven als zondaars liever toe aan hun neigingen dan dat zij gereinigd en tot de gehoorzaamheid van het geloof gebracht worden.

Onder hen die ik vanavond aanspreek, zijn misschien mensen die niet graag in hun geweten geraakt worden. Hier is iemand die geld verdient met een slecht bedrijf. ‘O,’ zegt hij, ‘ik wil niet dat die prediker mij onrustig maakt!’ Hier is een ander die zo aan zijn zondige genoegens gewend is geraakt dat het nu lastig voor hem zou zijn om ze op te geven. Hij heeft zelfs een afspraak gemaakt die hij meent te moeten nakomen. Als hij vreesde dat de genade van God vanavond tot hem zou komen en hem zou overvallen, zou hij dat liever niet hebben. Wees niet bang! Het zal u niet overkomen, want de Heere zal u eerst dit voorteken geven dat Hij u wil zegenen: Hij zal u doen verlangen om gezegend te worden. Voordat Hij die beker met verkoelend water aan uw mond zet, zal Hij u dorstig maken. Voordat Hij u met Zijn schatten verrijkt, zal Hij u doen voelen dat u naakt, arm en ellendig bent. Voordat Christus door de poort gaat, zullen de bewoners van de stad

Hem gewillig ontvangen. Ja, met uitgestrekte handen zullen zij over de kantelen kijken en zeggen: ‘Kom binnen, Koning der ere! Ik verlang ernaar U te zien! Kom, en wees welkom! Ik zal de poorten van mijn ziel wijd openzetten om U te ontvangen, kom toch maar! Ik verlang naar U! Ik zie uit naar Uw komst zoals zij die Uw verschijning verwachten, ja, meer dan de wachters op het morgenlicht.’

4. Ten vierde, terwijl u zo gewillig gemaakt moet worden, is het de genade die u in staat moet stellen om gewillig te zijn.

Merk op dat de eeuwige deuren niet alleen hun hoofden moeten opheffen, maar ook zelf opgeheven moeten wórden. ‘Heft uw hoofden op’, en: opgeheven worden. We spreken tot een mens als tot een mens, en zo moeten we ook tot hem spreken. Maar daarnaast spreken we over wat God als God kan doen, geprezen zij Zijn Naam, wanneer Hij komt om met ons te handelen. Hij maakt ons gewillig en komt dan binnen met Zijn grote, machtige arm, om de poorten volledig weg te nemen die door de kracht van een schepsel nog geen duimbreed verschoven konden worden. Het is alsof ik de bewoners van die stad zie, wanneer de roep ‘Heft uw hoofden op, gij poorten!’ klinkt, terwijl ze proberen de poorten op te heffen. Ze proberen het uit alle macht, maar ze kunnen het niet. De poorten zijn te zwaar, de balken lijken wel verroest en de grendels zitten vast op hun plaats. Het volk roept: ‘Hoe krijgen we ooit de poorten van deze stad open en hoe kunnen we de Koning binnenlaten?’ Dan staat er midden in al dat geworstel een onzichtbare Geest naast de muur, en als Hij Zijn kracht laat gelden, gaan de poorten omhoog en vliegen de deuren wijd open!

Zo gaat het met de zondaar. God de Heilige Geest komt in ons en komt onze zwakheden te hulp. Wat wij niet konden omdat wij door het vlees zwak zijn, helpt Hij ons te doen. Eerst wordt de liefde tot de zonde opgegeven, en dan stelt de Heilige Geest ons in staat de zonde op te geven die wij niet langer liefhebben. Het ongeloof wordt ons tot een last en we roepen: ‘Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp’ (Markus 9:24). En Hij komt die ongelovigheid werkelijk te hulp, en wij geloven! Wat wij niet konden doen, doen wij nu wel! Hij Die ons gewillig gemaakt heeft, maakt ons ook bekwaam. Waar de wil aanwezig is, wordt de kracht niet onthouden. Als God de koppigheid van uw hart heeft overwonnen, zal Hij spoedig ook de zwakheid van uw handen overwinnen. Als u dorst hebt, zult u drinken. Als u honger hebt, zult u eten. Als u Christus wilt hebben, zult u Christus krijgen, want ook al kunt u de poorten niet openen, Hij kan het wel.

Het probleem met deze poorten is dat zij eeuwig zijn! Hoewel ik niet kan zeggen dat de poorten die Christus uit ons hart buitensluiten in een bepaalde zin eeuwig zijn, zijn ze in elk geval zo oud als onze eigen natuur, want die oude, ingeboren verdorvenheid stond altijd al tegen Christus op. Het zijn zulke blijvende poorten dat ze nooit weggenomen zouden zijn als de genade niet was gekomen om ze weg te nemen. En ze zijn eeuwig in die zin dat ze er in de tijd zijn en ook in de eeuwigheid. De mens die Christus nu niet wil hebben, zal Hem ook niet willen hebben als hij gaat sterven, en zal Hem in de eeuwigheid niet hebben. Zelfs dan zullen de poorten de Zaligmaker nog steeds buitensluiten. De Zaligmaker zal voor altijd een vreemdeling en buitenstaander blijven voor het hart van die mens! Moge God u die Hem hebt buitengesloten, de wil geven om de deur te openen. Moge Hij dan komen en de eeuwige deuren gebieden zich op te heffen, en moge Jezus Christus binnenkomen!

5. Laten we echter niet te lang bij één punt stilstaan, maar verdergaan en letten op de gewilligheid van Christus om binnen te gaan. Wij hebben u getoond dat het ons grote verlangen moet zijn dat Christus binnenkomt, maar dat er hindernissen zijn. We weten dat wij gewillig moeten zijn om ze weg te nemen en dat de genade ons te hulp zal komen. Wat volgt er dan? Jezus zal binnengaan.

Als de poorten eenmaal opgeheven zijn, wordt er geen moeilijkheid meer genoemd. Er is geen vermoeden of verdenking dat Hij niet zal binnengaan. Het volgt als vanzelf: ‘opdat de Koning der ere inga!’ O ja, als de poorten geopend zijn, zal Hij binnengaan! Hij was al eerder gewillig om binnen te komen. Hij had Zijn dienstknechten uitgezonden en tegen hen gezegd: ‘Open de poorten.’ Hij had het werk volbracht waarvoor Hij gekomen was. Hij wachtte om genadig te zijn. Er was bij Hem nooit enige onwil! De onwil lag geheel aan onze kant! En zodra die onwil is weggenomen en de poorten geopend zijn, zal de Koning der ere binnengaan.

Moge de Heere mij zegenen als ik een ogenblik spreek tot sommigen hier die de Zaligmaker wel willen hebben, maar denken dat Hij nooit hun hart zal binnengaan. O geliefden, laat deze helse influistering uw geest niet neerdrukken! Bent u arm? Geloof mij, het doet er niet toe welke kleren u draagt, in wat voor nederige hut u woont of hoe uw gezicht door uw zware arbeid besmeurd is: als u gewillig bent, zal de Koning der ere binnenkomen! Hij woont graag in het hart van mensen wier lichaam, net als het Zijne, vermoeidheid lijdt en die de kleren van een arbeider dragen. Misschien zegt u: ‘Maar mijn lichaam is door de zonde verontreinigd.’ Maar waar Hij komt, reinigt Hij het huis door Zijn tegenwoordigheid!

U hoort nooit zeggen: ‘De wereld is niet geschikt voor de zon, want zij is zo donker; waar de zon komt, maakt zij immers licht.’ En als de wereld na een lange winter koud en bevroren is, wordt er niet tegen de lente gezegd: ‘U moet niet komen, want de wereld is niet geschikt voor u!’ Nee, de koesterende invloed van de lente ontdooit de rivieren, bekleedt de aarde met groen en verbreekt de boeien van de vorst! Zo maakt de lente zelf een paleis dat bij haar past en bestrooit het met bloemen uit haar eigen handen. Mijn Meester zal uw huis binnenkomen en daar wonen, hoewel u niet waardig bent dat Hij onder uw dak zou inkomen. Hij werd geboren in een kribbe waaruit de gehoornde ossen aten. Hij zal geboren worden in uw hart, waar eens duivels woonden. Als mijn Heere Zich dan toch neerbuigt, mag Hij Zich wel zo diep neerbuigen als Hij kan.

Het grootste wonder is dat Hij Zich überhaupt neerbuigt, niet dat Hij dat in een bepaalde richting doet. Want hoewel sommigen van u grove overtreders zijn geweest, terwijl anderen onder ons van jongs af aan nooit gevloekt en nooit een wellustige daad begaan hebben, is er toch niet zo’n groot verschil tussen u en ons dat het vreemd zou zijn als Hij tot u kwam. Als u in het ene opzicht zwart bent, zijn wij het in een ander. Bent u een dronkaard geweest, wel, ik ben een ongelovige geweest. Bent u een dief geweest, wel, ik ben God ontrouw geweest. En als er één zonde is waarin ik mij niet gestort heb, dan heb ik mij in een andere gestort. Uiteindelijk lijken wij sterk op elkaar. Als ons hart eenmaal vervuld is van het ware wonder dat Christus überhaupt zondaars heeft willen redden, is het niet zo vreemd meer dat Hij Zich verwaardigt die wonderlijke genade te tonen door hen te redden die door de roekeloosheid en vermetelheid van hun misdaden zichtbaar zulke grote zondaars zijn! Jezus Christus zal binnenkomen.

‘Maar stel dat Hij dat niet doet?’ vraagt iemand. Ach, veronderstel nooit wat niet kan! ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen’ (Johannes 6:37). Ja, zelfs de engelen moeten soms verbaasd zijn als ze zeggen: ‘Heere, daar komt zo iemand aan; zullen we de poort sluiten?’ ‘Nee,’ zegt Hij, ‘want Ik heb gezegd dat Ik wie komt geenszins zal uitwerpen.’ Toen de engel van de barmhartigheid Saulus van Tarsen zag aankomen, zal hij zeker gezegd hebben: ‘Heere, hier is een man wiens kleren met het bloed van Stefanus bespat zijn! Hier is die wrede wolf die zijn tanden heeft gescherpt in het bloed van vele heiligen! Hier komt die lasteraar, die vervolger; moet hij niet worden buitengesloten?’ Nee, de poort stond open en hij kreeg toegang.

Toen hij binnenging, draaide hij zich om en zei tegen de anderen die schuchter buiten stonden: ‘Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven’ (1 Timotheüs 1:16). O ziel, als u naar Christus verlangt, is er geen reden waarom u Hem niet zou hebben! Ja, u zult Hem hebben! Als u door Zijn genade zover gekomen bent dat u gezegd hebt: ‘Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren!’, dan zal de Koning der ere ingaan en zult u de Zaligmaker in uw hart vinden, als u Hem daar maar wilt ontvangen.

6. Tot slot merken wij op dat onze tekst zegt: ‘opdat de Koning der ere inga!’

Deze titel behoort de Zaligmaker toe. Hij roept Hem uit in Zijn hoogste gezag. Hoe zal ik u dit uitleggen? Het gewicht, het zeer uitnemend eeuwig gewicht van heerlijkheid dat de Koning der ere toebehoort, kan ik niet uitleggen. Och, mochten uw gedachten mijn woorden overtreffen! Het is mij alsof ik een roep hoor: ‘Zie, uw Koning komt! De Koning! De Koning! Opzij, maak plaats! De Koning komt!’ Een ogenblik is er opschudding, gevolgd door een ademloze stilte. Iedereen vergeet de bezigheid waarmee hij bezig was en verliest de draad van de gedachten waarin hij verdiept was. Als vanzelf kijken alle ogen naar de richting van waaruit die roep hun oren bereikt: ‘De Koning der ere!’ Er gaat een huivering door u heen, een schok door uw hart, als u luistert naar de klank die van Zijn hoge voorrecht spreekt. ‘Wie is Hij, deze Koning der ere?’ Wat is dit voor een Vorst Die Zijns gelijke niet heeft, met een Naam, welke boven allen naam is, en een koninklijke waardigheid hoger dan die van de koningen der aarde? ‘De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere.’ En terwijl u kijkt, is Hij nabij. U kijkt, u staart, u aanschouwt de pracht van Zijn hoge staat, en ontzag beneemt u de adem en bewondering houdt uw zinnen gevangen.

‘Als ik één wens mocht doen’, zei die welsprekende prediker in Den Haag, James Saurin, ‘als ik één wens mocht doen om het doel dat ik mij vandaag met de prediking voorstel krachtig te bereiken, dan zou het zijn dat ik u in deze samenkomst God kon tonen.’ En ik zeg u, broeders en zusters: als ik de Koning der ere aan de deur van uw hart kon voorstellen en u kon dwingen Hem te zien, dan zou u niet aarzelen, maar de poorten wijd openzetten om Hem binnen te laten! Zie de Koning! Hij schittert van al de heerlijkheid die Hij bij de Vader had vóór de grondlegging van de wereld! Hij is bekleed met al de eervolle ambten die Jehova op Hem gelegd heeft! Hij draagt al de schitterende zegetekenen van Zijn overwinningen. Hoor, hoor, de trompetters kondigen Hem aan! Aartsvaders, profeten en apostelen maken met luide en aanzwellende tonen Zijn komst bekend! De juichkreten van de verlosten, een onafzienbare menigte, begroeten Hem! En Hij rijdt in triomf recht op uw hart af! Eén blik op Hem, zondaar, maakt u duidelijk dat Hij uw onderwerping opeist door al de grootsheid van Zijn titel, door al de luisterrijke tekenen van Zijn plechtige ambten, door al de roem van Zijn machtige daden. Als de Koning der ere moet Hij binnenkomen.

Maar weet dit, en klaag niet over de voorwaarden:
waar Jezus komt, komt Hij om te heersen;
te heersen, en niet maar ten dele;

gedachten die niet gehoorzamen, moeten worden gedood.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Als trouwe onderdanen moet u Hem dus al uw eer bewijzen. O, wilt u graag dat de Priester binnenkomt? ‘Ja,’ zegt u, ‘dat wil ik. Ik wil dat Christus als een Priester met Zijn kostbaar bloed binnenkomt, mij met hysop besprengt en mijn zonden wegneemt.’ Hij zal als Priester komen, maar niet als u Hem als uw Koning weigert. ‘Ja,’ zegt een ander, ‘ik wil Christus best als Profeet ontvangen. Ik wil de leerstukken begrijpen. Ze hebben mij veel hoofdbrekens gekost en ik wil ze doorgronden.’ Wel, Christus zal als Profeet komen, maar Hij zal niet als Profeet komen als u Hem niet ook als uw Koning wilt ontvangen. O zondaar, Jezus Christus moet in uw hart de heerschappij hebben, anders zult u Hem helemaal niet hebben! Kom nu, u hebt uw eigen wil gevolgd; die moet opgegeven worden.

Houdt u niet van dat juk? Zegt u: ‘Nee, ik heb nooit een juk gedragen’? U moet het dragen, of u gaat verloren. Kijk er nu eens naar en zie hoe zacht het ligt! Het zal uw schouders nooit schaven. ‘Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht’ (Mattheüs 11:30). U weet toch dat u uw eigen meester bent geweest, en wat een voortdurende opstand er in uw leden is geweest. Uw eigen wil was een te machteloze heerser om de teugels van de regering in handen te houden of de vrede te bewaren. U weet heel goed dat uw eigen hartstochten een grote slaaf van u gemaakt hebben. Wel, waar is er in de wereld een grotere slaaf dan de man die aan de drank toegeeft? Of neem de man met een driftig karakter: hij doet en zegt duizend dingen waar hij later van walgt, maar hij lijkt zonder de minste zelfbeheersing door zijn dwaasheid gedreven te worden. De slavernij van een slecht humeur is erger dan die van welke galeislaaf ook die ooit aan de riem werd geketend. Zou het nu niet beter zijn een dienstknecht van Christus te zijn dan de slaaf van uw eigen verfoeilijke begeerten of van uw grillige luimen?

Ik weet al wat u zult zeggen: u kunt Koning Jezus niet dienen, want uw kameraden zouden u uitlachen en u belachelijk maken. O, wat moet u dan een kleingeestig schepsel zijn! Wilt u dan elke dwaas van uw stand tot uw opperhoofd laten zijn en de vazal worden van iedereen die stoutmoediger is in het kwaad dan u? Wel, meneer, noemt u zich een Engelsman? Bent u eigenlijk wel een man, dat u zich zo laat bespotten? Wat? Zou u zich door de schimpscheuten en de hoon van een werkmakker laten weerhouden om te volgen wat u gelooft dat goed is?

Wel, ik schaam mij voor u! Nog geheel afgezien van het christendom bloos ik om u als een lafaard. U kunt toch zeker tegen hen zeggen: ‘Wat kan mij uw gelach schelen? Ik kan het u altijd met gelijke munt terugbetalen, alleen zorg ik ervoor dat het niet in uw geest gebeurt. Ik kan voor mijzelf opkomen, en als u ervoor kiest de duivel te dienen, wel, dit is toch een vrij land. Ik heb evenveel recht om de Koning der ere te dienen als u om de vorst der duisternis te dienen. Als u ervoor kiest naar de hel te gaan, laat mij dan naar de hemel gaan; daar zult u toch zeker geen wet tegen aannemen!’

Er zijn, geloof ik, arbeiders, zakenlieden en zogenaamde heren uit de hogere kringen die in hun omgang met elkaar de verschrikkelijkste tirannen zijn. Als u ervoor kiest een christen te zijn, wordt u in de hogere standen zeker met de nek aangekeken. Ja, maar zelfs de arbeiders, die zo hoog opgeven van hun democratie, laten u niet rustig christen zijn zonder u bij de deur van de werkplaats te begroeten met: ‘Ha, daar hebben we een presbyteriaan!’ of ‘een methodist!’ of iets dergelijks. Wat is dit anders dan de gewetensvrijheid met arrogante tirannie vertrappen? Hoe kunnen wij roemen op onze liefde tot de vrijheid zolang zo’n toestand heerst? Ieder mens heeft toch zeker recht op zijn godsdienst, en u hebt niet het recht zich daarmee te bemoeien.

Maar nu, lieve vriend, bent u bang om uitgelachen te worden. Laat mij u dan vragen wat beter is: een dienaar van mensen of een dienaar van Christus te zijn? Hoe u ook oordeelt, u kunt nooit door de hemelpoort gaan om de kroon van Christus te dragen, als u hier niet gewillig bent om Christus’ dienaar te zijn en Christus’ kruis te dragen. ‘Ja, maar dit bevalt mij niet en dat bevalt mij niet.’ Ga naar de Bijbel; dat is het Boek van de Meester. Laat uw leven en uw daden geregeld worden naar wat daar geschreven staat. U weet toch nog wat de moeder van Jezus tegen de dienaars op de bruiloft te Kana in Galilea zei: ‘Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat’ (Johannes 2:5). Ik zie niet hoe u Christus kunt dienen als er iets in dat Boek staat waarvan u ziet dat het er staat, en u het toch moedwillig nalaat.

Misschien komt die zin bij sommigen van u erg hard aan. Ik ken mensen die zeggen dat zij in principe baptist zijn, maar zij zijn nooit gedoopt! Baptisten zonder enig principe noem ik hen: mensen die de wil van hun Meester kennen, maar die niet willen gehoorzamen. Voor broeders die het niet inzien, kan ik veel begrip opbrengen. Ik denk wel dat zij het zouden kunnen inzien als zij dat wilden, maar als zij het gebod niet onderscheiden, kan ik begrijpen dat zij het niet gehoorzamen. Maar als mensen de wil van hun Heere kennen en die niet doen, dan weet ik niet zeker, hoewel ik over zoiets niet overhaast wil spreken, of moedwillige ongehoorzaamheid aan een bekend gebod van Christus geen teken is dat zij Christus helemaal verwerpen. Ik zou dat risico in elk geval zelf niet willen lopen. Ik zou het onveilig vinden om te zeggen dat ik geloofde gered te zijn, terwijl er een gebod van mijn Heere was dat ik kon gehoorzamen en waarvan ik duidelijk zag dat het mijn plicht was, maar waarvan ik plechtig verklaarde dat ik het mijn gehoorzaamheid zou onthouden. In zo’n geval heb ik Christus zeker niet in mijn hart laten binnenkomen!

Als u Christus wilt hebben, zal Hij volstrekt Heere en Meester zijn. Elke gril en koppigheid van u moet opzij gezet worden, want waar Hij komt, komt Hij om te heersen. Als Hij Zijn intocht houdt, komt Hij als de Koning der ere. Dat wil zeggen dat Hij een heerlijke Koning moet zijn, heerlijk in uw ogen, Iemand Die u wilt verheerlijken. U moet Hem niet ontvangen alsof Hij de een of andere nietige vorst is om wie u niets geeft. Hij moet voor u vol heerlijkheid zijn: ‘Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst’ (Jesaja 9:5). Zo moet u Hem in uw hart ontvangen! Niet zoals mensen een gewone gast ontvangen, maar zoals zij hun liefste en meest geëerde vriend ontvangen, iemand die zij met alle krachten van hun wezen liefhebben en eren. Hij moet voor u de Koning der ere zijn, en voortaan moet het uw verlangen zijn Hem te verheerlijken. Dat is niet te veel gevraagd, want o, het is een vreugde, het is een voorsmaak van de hemel! Het is een onuitsprekelijke zaligheid om tot eer van Christus te leven! Zelfs als iemand lijdt, is het lijden zoet als het Hem eer brengt! Als iemand om Christus’ wil veracht wordt, is het heerlijk om gesmaad te worden, als Hij daardoor maar heerlijker wordt.

Als om Uw dierbare Naam
schande en smaad mijn deel zijn,
dan begroet ik de smaad en verwelkom ik de schande,
als U maar aan mij denkt.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

O, Christus te verheerlijken! Het is mij alsof de hemel voor mij de helft van zijn aantrekkingskracht zou verliezen als ik Christus daar niet kon verheerlijken. En de woeste, huilende wildernis zou voor mij een hemel op aarde zijn, als ik Zijn Naam hier beneden maar mocht verheerlijken! Christus te verheerlijken is voor een christen veel meer waard dan gouden harpen, kristallen straten of paarlen poorten. Dit is de ware muziek van de ziel! De ware vervoering van de overwinning! Het ware koorgezang van de eeuwigheid: dat Hij altijd leeft, dat de kroon op Zijn hoofd staat, dat God Hem ook uitermate verhoogd heeft. O, dit is onze jubel, dit is onze vreugde, onze triomf, onze zaligheid! Als wij Zijn eer maar kunnen bevorderen, zal de plaats waar wij dat het best kunnen doen, onze hemel zijn. Het ziekbed, het ziekenhuis of het armenhuis zal onze hemel zijn als wij daar de Heere Jezus Christus, Die de Koning der ere is, het best kunnen dienen.

Het jaar loopt snel ten einde. Wij noemen het ‘het jaar der genade 1866’. Och, mocht het voor enkele onbekeerde mensen hier inderdaad ‘het jaar der genade’ zijn! Misschien werp ik mijn net vanavond niet uit op een plaats waar er veel van zulke mensen te vinden zijn. De meesten van u, mijn hoorders, zijn leden van de gemeente van Christus. U bent gered, vertrouw ik. Toch zijn er hier en daar ongetwijfeld nog enkelen, als onkruid in een bloementuin, die vreemdelingen zijn van de Heere Jezus Christus. Och, dat God de Heilige Geest hen bewoog om te zeggen: ‘Kom binnen, Zaligmaker! Laat de Koning der ere binnenkomen!’ O, laat dit ware woord van de getrouwe en waarachtige Getuige u bemoedigen: ‘indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij’ (Openbaring 3:20). Wat een zegen!

U hebt met de duivel ontbeten en met de wereld het middagmaal gehouden. Wat een genade zou het zijn als u het avondmaal met Christus hield! En wat een gezegend avondmaal zou dat zijn! Wel, als u dan morgenochtend wakker werd, zou het zijn om met Christus te ontbijten! Het zou zijn om Hem te horen zeggen: ‘Komt herwaarts, houdt het middagmaal’, en dan weer het avondmaal met Hem te houden, en zo voort, totdat u komt om brood te eten op het avondmaal van de bruiloft van het Lam! Moge de Heere u zegenen. En als Hij mij de wens van mijn hart geeft, zal elk van u tegen zijn ziel zeggen: ‘Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!’

Preek nr. 750 · Gehouden te Newington, Londen, donderdagavond 13 december 1866, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 13. Oorspronkelijke titel: “A Triumphal Entrance”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.