De werken van de liefde
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 4 september 1881 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen. 1 Korinthe 13:7
De genade van de liefde, waarover in dit hoofdstuk zo veel en zo voortreffelijk wordt gezegd, is volstrekt onmisbaar voor ware godsvrucht. Ze is zo onmisbaar dat het ons niets zou baten als we al het andere hadden, maar de liefde misten. Het ontbreken van liefde betekent de dood voor de levende godsvrucht; dat zegt de Heilige Geest in dit hoofdstuk. Als u dus de hoge lofprijzing van de liefde door de apostel leest, zeg dan niet: ‘Dat is een bijzondere deugd die alleen bepaalde uitzonderlijke heiligen bereikt hebben. We moeten hen erom bewonderen, maar we hoeven hen niet na te volgen.’ Verre van dat. Deze liefde is het gewone, dagelijkse kleed van het volk van God. Ze is niet het voorrecht van enkelen; ze moet het bezit van allen zijn. Hoe verheven het voorbeeld ook is, kijk er dus niet tegen op alsof u er niet bij zou kunnen. U moet erbij komen. Het wordt u niet alleen voorgehouden als iets wat zeer begeerlijk is, maar als iets wat u volstrekt nodig hebt. Want als u in elke geestelijke gave uitblonk, maar dit niet had, dan zou al het andere u niets baten.
Men zou denken dat zulke voortreffelijke gaven ons toch wel iets zouden opleveren, maar nee: de apostel somt ze allemaal op en zegt van dit alles: ‘zo zou het mij geen nuttigheid geven.’ Ik bid dat we dit vanaf het begin goed begrijpen. Anders glippen we weg van de waarheid die de Heilige Geest ons hier leert en verontschuldigen we ons voor ons gebrek aan liefde met de gedachte dat we te onbeduidend zijn om zo’n hoge deugd van ons te vragen, of te zwak om haar te kunnen bereiken. U moet haar bereiken, anders kunt u het eeuwige leven niet ingaan. Want ‘zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe’ (Romeinen 8:9). En de Geest van Christus wekt zeker in u de liefde van onze tekst op: de liefde die alle dingen verdraagt, alle dingen gelooft, alle dingen hoopt en in alle dingen volhardt.
Wat leert dit ons al direct aan het begin? Dat een verlossing die hiertoe leidt uit God moet zijn en door Zijn kracht in ons moet worden gewerkt. Zo’n lieflijke genade groeit nooit op de bodem van onze gevallen natuur. Zou zoiets reins als dit uit iets onreins kunnen voortkomen? Deze heerlijke verlossing tot zuivere liefde moet door het geloof worden aangegrepen en wordt in ons gewerkt door de werking van de Geest van God. Als we de verlossing als iets kleins beschouwen, brengen we haar als het ware binnen het bereik van menselijke mogelijkheden. Maar als we haar in haar ware omvang laten zien, inclusief het bezit van een zuivere, liefdevolle en verheven gesteldheid van het hart, dan zien we dat zij een goddelijk wonder is.
Als we de vernieuwde natuur op haar ware waarde schatten, roepen we uit: ‘Dit is Gods vinger!’ (Exodus 8:19), en van harte onderschrijven we dan Jona’s belijdenis: ‘Het heil is des HEEREN’ (Jona 2:9). Als de liefde in iemand is en overvloedig is, moet God daar de eer van hebben. Ze is immers nooit door louter menselijke inspanning verkregen, maar moet geschonken zijn door dezelfde hand die de hemelen gemaakt heeft. Zo hoop ik, broeders, dat ik u aan het slot de indruk zal hebben meegegeven hoezeer u de genade van God nodig hebt om de liefde te verkrijgen. Ik wil u niet ontmoedigen, maar u moet voelen hoe groot het werk is dat voor u ligt en hoe onmogelijk het zal zijn als u niet wordt omgord met een kracht die de uwe te boven gaat. Dit zal uw troost zijn: al kan de liefde niet de vrucht van uw eigen inspanning zijn, toch is ‘de vrucht des Geestes … liefde’ (Galaten 5:22), en de Geest is gereed en gewillig om ook in ons vrucht te dragen.
Let in de eerste plaats op de vele moeilijkheden die de liefde tegenkomt: zij moet alle dingen verdragen, alle dingen geloven, alle dingen hopen en in alle dingen volharden.
Kijk in de tweede plaats naar de overwinning van het werk van de liefde: zij volbrengt alle vier deze werken, ‘zij verdraagt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij volhardt in alle dingen.’
Ten derde zal dit ons terugbrengen bij het punt waar we begonnen: de bronnen van de kracht van de liefde, en hoe het komt dat zij deze viervoudige overwinning op talloze moeilijkheden kan behalen.
I. Let goed op de vele moeilijkheden die de liefde tegenkomt. Als de genade van God in iemand komt, wordt hij meteen geboren om lief te hebben. Een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren (1 Johannes 4:7), en wie uit God geboren is, heeft lief. Hij heeft Dengene lief, Die geboren heeft, namelijk God, en hij heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is (1 Johannes 5:1), namelijk alle verlosten. Hij begint het grote gebod te gehoorzamen om zijn naaste lief te hebben als zichzelf. Zijn motto is niet langer dat van een aards koninkrijk: ‘Dieu et mon droit’, God en mijn recht. Hij draagt een ander devies op zijn schild: ‘Dieu et mon frère’, God en mijn broeder.
Nauwelijks is de liefde geboren of zij bevindt zich in oorlog. Alles is tegen haar, want de wereld is vol afgunst, haat en kwaadwilligheid. Ik wil de liefdevolste mensen hier waarschuwen dat zij een oorlog voor de vrede zijn begonnen, een strijd om de liefde: ze zijn geboren om de haat te haten en tegen de twist te strijden. Gelijk een lelie onder de doornen (Hooglied 2:2), zo is de liefde onder de mensenkinderen. Als een hinde onder de honden, zo is de liefde onder de zelfzuchtige menigte.
Het is duidelijk dat de liefde veel moeilijkheden kent, want de apostel spreekt erover als ‘alle dingen’. En alsof dat niet genoeg is, herhaalt hij die woorden en stelt hij de vijandige legers voor als viermaal ‘alle dingen’. Ik weet niet of u deze geweldige legermacht kunt tellen. ‘Alle dingen’ lijkt al zo veel mogelijk te omvatten, maar in deze tekst wordt dat nog eens met vier vermenigvuldigd. Want, mijn broeder, u zult in de eerste plaats moeten strijden tegen alles wat in uzelf is. Niets in uw oorspronkelijke natuur zal u helpen. God heeft een nieuw leven in u gelegd, maar het oude leven probeert dat te verstikken. U zult merken dat het een zware strijd is om uzelf te overwinnen, en als dat u lukt, bent u werkelijk een overwinnaar.
Daarnaast zult u de strijd moeten aanbinden met ‘alle dingen’ in de mensen die u geroepen bent lief te hebben. U moet een vurige liefde voor de heiligen hebben, maar zelfs bij de besten van hen zult u veel vinden wat uw geduld op de proef stelt. Want net als u zijn zij onvolmaakt, en ze zullen u niet altijd hun beste kant laten zien, maar soms helaas hun zwakheden tonen. Wees er dus op voorbereid om tegen ‘alle dingen’ in hen te strijden. En wat de goddelozen betreft die u in liefde tot Christus moet trekken: u zult in hen alles tegenkomen wat zich verzet tegen de trekkracht van uw liefde. Want zij zijn net als u van nature in zonde geboren en ze zijn geworteld in hun ongerechtigheden.
Als u dat soort ‘alle dingen’ hebt overwonnen, zult u ook nog moeten strijden tegen ‘alle dingen’ in de wereld. Want de wereld ligt in het boze, en al haar krachten zijn gericht op eigenbelang, twist en haat. De hand van ieder is tegen zijn naaste, en er zijn er maar weinig die de zachte wetten van de liefde eerbiedigen. Ze kennen die goddelijke liefde niet, die ‘zichzelve niet zoekt’. Het zaad van de slang is in vijandschap met alles wat vriendelijk, teder en zelfopofferend is, want dat zijn de kenmerken van het zaad van de vrouw. Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat (1 Johannes 3:13).
Bedenk ten slotte dat ‘alle dingen’ in de hel tegen u zijn. Wat een ziedende massa van opstandig leven, vol venijn en haat, is er in de gewesten van de duisternis! De overste van de macht van de lucht gaat voorop, en het leger van gevallen geesten volgt hem gretig, als bloedhonden achter hun leider. Al deze boze geesten zullen proberen onder de mensen tweedracht, vijandschap, kwaadwilligheid en onderdrukking te verwekken, en de soldaat van de liefde moet tegen dit alles worstelen. Zie toch, mijn broeder, welke strijd u te voeren hebt! Men spreekt over kruistochten tegen de heidenen, maar wat is dit een kruistocht tegen haat en kwaad! Toch deinzen we niet terug voor de strijd.
Gelukkig overwint de liefde, hoeveel moeilijkheden ze ook tegenkomt, ze allemaal, en ze overwint ze wel vier keer. Het kwaad heeft zo’n taai leven dat het opspringt van het slagveld waar het verslagen leek, en weer met al zijn vroegere woede tekeergaat. In de eerste plaats overwinnen we het kwaad door geduld, dat ‘alle dingen verdraagt’. Laat het onrecht ons maar worden aangedaan: we zullen het vergeven en ons niet laten verbitteren; zelfs zeventigmaal zevenmaal zullen we het in stilte verdragen. Is dat niet genoeg, dan zullen we door Gods genade overwinnen door het geloof: we vertrouwen op Jezus Christus, we steunen op onze beginselen, we verwachten goddelijke bijstand, en zo ‘geloven we alle dingen’.
Een derde keer overwinnen we door de hoop: we rusten in de verwachting dat zachtmoedigheid zal winnen en dat lankmoedigheid de kwaadwilligheid zal uitputten, want we zien uit naar de uiteindelijke overwinning van alles wat waar en genadig is, en zo ‘hopen we alle dingen’. We beëindigen de strijd door volharding: we blijven trouw aan ons besluit om lief te hebben, we laten ons niet tot onvriendelijkheid prikkelen en we laten ons niet afbrengen van een edelmoedige, alles vergevende genegenheid; zo winnen we de slag juist door standvastig geen weerstand te bieden. We hebben het roer gericht op de haven van de liefde, en daar koersen we op af, wat er ook gebeurt. Al worden we vaak gedwarsboomd, ‘de liefde volhardt in alle dingen’. Ja, broeders, en de liefde overwint aan alle vier zijden. Ze vormt als het ware een carré en richt het gezicht van haar strijders naar alle windstreken.
Lijkt het of God Zelf de liefde met beproevingen slaat? ‘Zij verdraagt alle dingen.’ Stellen haar medechristenen haar verkeerd voor en behandelen zij haar slecht? Dan gelooft zij al het goede over hen en niets wat hun schaadt. Staan de goddelozen tegen haar op? Vergelden zij kwaad voor goed als zij hen probeert te bekeren? Dan richt zij haar hoop naar die kant en hoopt zij dat de Geest van God hen nog tot betere gedachten zal brengen. En gebeurt het dat al haar geestelijke vijanden haar met verleidingen en wanhopige insinuaties aanvallen? Dan heft zij tegen hen de banier van het geduld op, en door de kracht van Gods genade slaat zij de helse vijand op de vlucht, want ‘zij volhardt in alle dingen’. Wat een moedige manier van strijden is dit! Is de liefde geen krijgsheld? Is zij niet onoverwinnelijk? Hoor de heldhaftige strijdkreet van de liefde als zij haar uitdaging uitroept: ‘Kom één, kom allen! Eerder wijkt deze rots van zijn vaste grond dan ik.’
Als we eenmaal in de school van Christus geleerd hebben de liefde naar elke windstreek te keren en zo elke aanval op ons hart te weerstaan, kennen we het geheim van de overwinning. Het lijkt mij dat ik mijn tekst ook zo mag lezen dat de liefde in alle stadia van haar leven overwint. Ze begint bij de bekering, en meteen worden zij die haar geboorte opmerken boos, en de machten van het kwaad komen direct in beweging om haar te vernietigen. Dan ‘verdraagt zij alle dingen’. Laat hen maar spotten: de liefde vergeldt nooit schelden met schelden; Izak laat zich niet uitdagen door Ismaëls spot.
De liefde wordt sterker en begint anderen te vertellen wat zij weet van haar Heere en Zijn verlossing. ‘Zij gelooft alle dingen’, en zo belijdt zij haar geloof, en haar medechristenen worden door haar getuigenis versterkt. Het is de tijd van haar kracht, en zo probeert zij anderen te winnen door hun te leren wat zij gelooft. Ze gaat nog wat verder, en hoewel ze vaak wordt teleurgesteld door het ongeloof van de mensen en de koelheid van haar medechristenen, ‘hoopt zij toch alle dingen’ en gaat zij voort in de verwachting dat ze er meer zal winnen. Haar duivenogen zien in het donker, en ze trekt op naar de overwinning door een steeds hevigere strijd heen. Ja, en als de gebreken zich opstapelen en de ouderdom komt, en ze weinig meer kan dan stilzitten, verdragen, geloven en hopen, dan volhardt ze nog steeds. Ze aanvaardt zelfs de slag van de dood zonder klagen, want ‘de liefde volhardt in alle dingen’.
Ik denk niet dat ik nog meer hoef te zeggen over de moeilijkheden van de liefde. Ik weet zeker dat iedereen met ervaring weet dat deze moeilijkheden enorm zijn en dat we buitengewone genade nodig hebben om ze te overwinnen. De liefde vraagt niet om een gemakkelijk leven; dat is het doel van de eigenliefde. De liefde verloochent zichzelf en offert zichzelf op om overwinningen voor God te behalen en haar medemensen zegen te brengen. Haar weg is geen gemakkelijk pad, en haar kroon zal geen klatergoud zijn.
II. Laten we ten tweede de overwinning van het werk van de liefde bekijken. Haar werk is viervoudig.
In de eerste plaats verdraagt zij alle dingen. Het woord dat hier met ‘verdragen’ is vertaald, had even juist met ‘bedekken’ kunnen worden weergegeven. Wie de Revised Version gebruikt, vindt in de kantlijn: ‘De liefde bedekt alle dingen.’ ‘Bedekken’ is de betekenis van het woord in het gewone Grieks, maar Paulus gebruikt het meestal in de zin van ‘verdragen’.
Onze vertalers moesten daarom kiezen tussen de gewone betekenis en het gebruik van Paulus. Ze kozen de betekenis van Paulus en zetten op de eerste plaats ‘verdraagt’, terwijl ze ons in de kantlijn de andere betekenis ‘bedekt’ gaven. De twee gedachten kunnen samengaan als we het zo begrijpen dat de liefde alle dingen in stilte verdraagt en het onrecht dat haar wordt aangedaan zo veel mogelijk verbergt, zelfs voor zichzelf.
Laten we even nadenken over dit woord ‘bedekken’ met het oog op de broeders. Ware liefde weigert hun fouten te zien, tenzij om vriendelijk te helpen ze weg te nemen. De liefde wil de fouten niet zien. Noachs jongste zoon ontdekte de schaamte van zijn vader en sprak erover, maar zijn andere zonen namen een kleed, gingen achterwaarts en bedekten de naaktheid van hun vader. Zo gaat de liefde om met de zonden van haar broeders. Ze vreest met pijn in het hart dat er iets mis is, maar ze laat zich er niet graag van overtuigen. Ze negeert het zolang ze kan en wenst dat ze het helemaal zou kunnen ontkennen. De liefde bedekt; dat wil zeggen dat zij de dwalingen van goede mensen nooit rondbazuint.
Er lopen bemoeials rond die geen fout bij een broeder kunnen ontdekken zonder meteen met het smakelijke nieuws naar hun buren te rennen. Daarna lopen ze de straat op en neer alsof ze tot stadsomroeper zijn benoemd. Het strekt een man of vrouw allerminst tot eer om voor verklikker te spelen. Toch ken ik mensen die lang niet zo ijverig zijn om het Evangelie te verkondigen als om laster te verspreiden. De liefde staat bij een fout met een vinger op de lippen. Als iemand een kind van God moet slaan, laat het dan in elk geval geen broeder zijn. Zelfs als iemand die het geloof belijdt een huichelaar is, heeft de liefde liever dat hij door elke andere hand valt dan door de hare. De liefde bedekt alle onrecht door erover te zwijgen en te doen alsof het nooit gebeurd is. Zij zit eenzaam en zwijgt stil. Het doet haar te veel pijn om over het onrecht te spreken en het rond te vertellen, want ze is bang zich te bezondigen tegen het volk van de Heere. Ze lijdt liever dan dat ze moppert, en zo zwijgt zij onder het onrecht, als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders.
Broeders en zusters, ik zou willen dat we allemaal de pareloester konden navolgen. Een schadelijk deeltje dringt haar schelp binnen, en dat kwelt en hindert haar. De oester kan het kwaad niet verwijderen, maar wat doet zij? Ze bedekt het met een kostbare stof die zij uit haar eigen leven haalt, en zo verandert zij de indringer in een parel. Och, konden wij zo omgaan met het onrecht dat onze medechristenen ons aandoen, zodat juist datgene wat ons anders schade zou hebben gedaan, in ons parels van geduld, zachtmoedigheid, lankmoedigheid en vergeving zou laten groeien! Ik zou voor mijn medechristenen wel een zilverbad gereed willen houden, waarin ik al hun vergissingen kon verzilveren tot gelegenheden om lief te hebben. Zoals een druipsteenbron alles wat onder haar druppels wordt gelegd met haar eigen afzetting bedekt, zo zou de liefde alles binnen haar bereik met liefde bedekken. Zo verandert zij zelfs vloek in zegen.
Och, hadden we maar zo’n liefde, die alles bedekt en alles verzwijgt, voor zover het goed en recht is dat het bedekt en verzwegen wordt. Wat het verdragen van alle dingen betreft, als we de woorden nemen zoals ze in onze vertaling staan, wil ik de tekst vooral toepassen op onze beproevingen wanneer we de bekering van onbekeerden zoeken. Wie de zielen van de mensen liefheeft, moet erop voorbereid zijn veel te bedekken in de omgang met hen en veel van hen in stilte te verdragen. Als ik de bekering van iemand begin te zoeken, moet ik zo veel als ik kan alles negeren wat er afstotend in zijn karakter kan zijn. Ik weet dat hij een zondaar is, anders zou ik zijn behoud niet zoeken. Maar als hij toevallig iemand is die in de achting van anderen heel diep gezonken is, moet ik hem niet zo behandelen, maar zijn slechtste kanten bedekken. U kunt de Samaritaanse vrouw die vijf mannen had gehad onmogelijk tot een goede gezindheid brengen door u erover te verwonderen ‘dat Hij met een vrouw sprak’ (Johannes 4:27). Zo gedroegen de discipelen zich, maar niet hun Meester. Hij zat bij de bron en sprak met haar. Hij maakte Zich haar bereidwillige gesprekspartner om haar genadige Zaligmaker te kunnen worden. Hij zag haar zonde zo ver over het hoofd dat Hij met haar kon spreken tot haar heil.
Als u dit heilige werk begonnen bent, zal het niet lang duren voordat u in het hart dat u wilt winnen veel onwetendheid over het Evangelie ontdekt. Verdraag die, haal de tekst aan die licht in die duisternis werpt en leer de waarheid die de dwaling zal wegnemen. Het duurt niet lang of u krijgt te maken met hardheid van het hart, want als iemand de waarheid kent, is hij nog niet altijd bereid haar aan te nemen. Verdraag het en erger u niet. Had u niet verwacht dat het hart hard zou zijn? Weet u niet waarmee u bezig bent? U bent gezonden om mensen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God. Verbaas u niet als dat geen kinderspel blijkt te zijn.
Daarbij zult u misschien uitgelachen worden; uw pogingen om iemand te bekeren, worden in een grap omgezet. Verdraag het, verdraag alle dingen! Denk eraan hoe de menigte de tong uitstak tegen uw Heere en Meester toen Hij stierf, en wees niet zo trots dat u denkt dat u te goed bent om uitgelachen te worden. Blijf over Christus spreken en verdraag alle dingen, wat er ook gebeurt. Ik zal niet proberen een lijst te maken van de ergernissen die u zult tegenkomen. Die kunt u zelf maken als u eenmaal geprobeerd hebt mensen tot Christus te bekeren. Maar alles wat u maar kunt tegenkomen, valt onder mijn tekst, want daar staat: ‘verdraagt alle dingen’.
Als u een buitengewone zondaar ontmoet die wrede taal uitslaat zoals u nog nooit gehoord hebt, en als uw pogingen om hem goed te doen hem alleen tot grove spot en godslastering prikkelen, wees dan niet verbaasd. Ga opnieuw op hem af, want de liefde ‘verdraagt alle dingen’, wat het ook is. Zet door en zeg: ‘Ja, dit alles bewijst mij alleen maar hoe hard je gered moet worden. Jou moet ik hebben. Als ik jou tot Christus breng, zal God des te meer geëerd worden.’ O gezegende liefde, die zo alle dingen kan bedekken en alle dingen kan verdragen omwille van Christus!
Wilt u hiervan een voorbeeld? Wilt u het ware spiegelbeeld en de volmaaktheid zien van de liefde die alle dingen verdraagt? Zie uw goddelijke Heere. O, wat heeft Hij bedekt! Het is een verleidelijk onderwerp, maar ik zal er niet lang bij stilstaan. Hoe heeft Zijn heerlijke gerechtigheid, de wonderlijke pracht van Zijn liefde, al onze fouten en al hun gevolgen bedekt! Hij behandelt ons alsof Hij geen ongerechtigheid in Jakob zag en geen boosheid in Israël. Bedenk wat Hij verdroeg toen Hij tot het Zijne kwam en de Zijnen Hem niet aannamen! Wat bedekte Hij toen Hij zei: ‘Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen’ (Lukas 23:34). Met hoeveel medelijden zag onze Heere Jezus de vreselijke ellende van de mensen, toen heilige tranen Zijn heilige ogen bevochtigden! Wat een edelmoedige blindheid voor hun schandelijke wreedheid toonde Hij toen Hij voor Zijn bloeddorstige vijanden bad! O geliefden, u zult nooit zo verzocht, gehoond en beproefd worden als Hij.
Toch mag u in uw eigen, kleinere mate de liefde bezitten die alle dingen in stilte kan verdragen omwille van de uitverkorenen en omwille van Christus, opdat het grote getal van de verlosten vol wordt en Christus door u de vrucht van de arbeid van Zijn ziel mag zien. Laten we nu kijken naar het tweede grote werk van de liefde. U hebt gehoord van de werken van Hercules, maar deze held uit de fabels wordt ver overtroffen door de werkelijke daden van de liefde.
De liefde doet wonderen waartoe alleen de genade haar in staat stelt. Hier is het tweede: ‘de liefde gelooft alle dingen’. In de eerste plaats gelooft de liefde altijd het beste van onze medechristenen. Ik zou willen dat er in alle kerken meer van dit geloof was, want in sommige gemeenten richten achterdocht en wantrouwen een afschuwelijke verwoesting aan. Ook al is alles zuiver en in orde, toch raken bepaalde zwakke geesten plotseling koortsachtig ongerust bij de gedachte dat alles verkeerd en verrot is. Dit onheilige wantrouwen hangt in de lucht en is een vloek voor alle vrede: het is een soort muffe meeldauw op de ziel, waardoor alle zoete geur van vertrouwen wordt gedood. De beste man wordt ervan verdacht een sluwe schurk te zijn, terwijl hij zo eerlijk is als goud, en de kleinste fout of vergissing wordt vreselijk opgeblazen, totdat het lijkt alsof we tussen misdadigers wonen en met elkaar een stelletje schurken zijn.
Als ik niet in mijn broeders zou geloven, zou ik niet belijden een van hen te zijn. Ik geloof dat zij, met al hun fouten, de beste mensen van de wereld zijn, en dat de kerk van God, hoewel zij niet volmaakt is, toch de bruid is van Iemand Die dat wel is. Ik heb de grootste eerbied voor haar, omwille van haar Heere. Een Romeinse vrouw zei: ‘Waar mijn man Caius is, ben ik Caia.’ Waar Christus Koning is, is zij die aan Zijn rechterhand staat ‘de Koningin … in het fijnste goud van Ofir’ (Psalm 45:10). God verhoede dat ik smalend zou spreken over haar van wie haar Heere zegt: ‘Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad’ (Jesaja 43:4).
Ware liefde gelooft het goede van anderen zolang het maar enigszins kan. En als zij gedwongen wordt te vrezen dat er iets misdaan is, zal de liefde niet snel voor het bewijs wijken, maar geeft zij de beschuldigde broeder keer op keer het voordeel van de twijfel. Als de zaak te duidelijk is, zegt de liefde: ‘Ja, maar deze vriend moet wel onder een heel sterke verleiding hebben gestaan, en als ik daar geweest was, had ik het waarschijnlijk nog slechter gedaan.’ Of anders hoopt de liefde dat degene die de fout beging, gezondigd heeft uit een goed, al was het verkeerd, motief. Ze gelooft dat de goede man zich vergist moet hebben, anders zou hij zo niet gehandeld hebben. De liefde gelooft in haar broeders zolang zij kan.
Ik ken mensen die gewoonlijk alles geloven wat slecht is, maar dat zijn geen kinderen van de liefde. Vertel hun maar dat hun predikant of hun broeder zijn vrouw vermoord heeft, en ze geloven het onmiddellijk en laten meteen een agent halen. Maar als u hun iets goeds over hun naaste vertelt, hebben ze geen haast om u te geloven. Hebt u ooit gehoord dat roddelaars elkaar iets goeds over hun buren toefluisterden? Ik zou willen dat de kletskousen het eens over een andere boeg gooiden en de deugden van anderen gingen overdrijven, en van huis tot huis gingen om mooie verhalen over hun kennissen op te dissen. Ik raad niet aan te liegen, zelfs niet uit vriendelijkheid, maar die kant ervan zou zo’n nieuwigheid zijn dat ik de kwade kanten ervan voor de afwisseling bijna zou kunnen verdragen. Hoewel de liefde geen onwaarheid zal spreken om een ander te prijzen, heeft zij wel een scherp oog voor de beste eigenschappen van anderen, en is ze gewoonlijk een beetje blind voor hun zwakheden. Haar blinde oog is voor de fout, haar heldere oog voor wat uitnemend is.
Ergens hoorde ik eens een oude legende. Ik neem niet aan dat ze letterlijk waar is, maar de strekking klopt. Er wordt verteld dat er ooit in de straten van Jeruzalem een dode hond lag. Iedereen schopte ertegen en schold erop. De een had het over zijn armzalige ras, een ander over zijn magere en lelijke gestalte, enzovoort. Maar er kwam iemand langs die even bij de dode hond stilstond en zei: ‘Wat heeft hij witte tanden!’ Toen hij verder ging, zeiden de mensen: ‘Dat is Jezus van Nazareth.’ Inderdaad, het is altijd de wijze van onze Heere om het goede te zien waar Hij maar kan. Broeders, denk zo goed als u kunt, zelfs over een dode hond.
Als u ooit teleurstelling en verdriet ondervindt doordat u te goed over uw medemensen hebt gedacht, hoeft u uzelf dat niet zwaar te verwijten. In de preken van Anthony Farrindon las ik een zin die mij trof. Hij zegt dat het oude spreekwoord luidt: ‘Humanum est errare’, vergissen is menselijk. ‘Maar’, zegt hij, ‘als wij ons vergissen doordat we te vriendelijk over anderen denken, mogen we zeggen: Christianum est errare, het is christelijk om je zo te vergissen.’ Ik wil niet dat u lichtgelovig bent, maar ik wil wel dat u vol vertrouwen bent, want achterdocht is een wreed kwaad. Weinigen vervallen tot de gezegende vergissing dat zij hun medechristenen te hoog aanslaan.
Met het oog op de onbekeerden is dit heel belangrijk. Ook wat hen betreft gelooft de liefde alle dingen. Ze gelooft niet dat de onbekeerden bekeerd zijn, want dan zou ze hun bekering niet zoeken. Ze gelooft dat zij verloren zijn en door de zondeval te gronde gericht, maar ze gelooft ook dat God hen kan redden. De liefde gelooft dat het kostbare bloed van Christus de slaven van de zonde en de satan kan vrijkopen en hun ijzeren ketenen kan verbreken. Ze gelooft dat de kracht van de Heilige Geest een hart van graniet kan veranderen in een hart van vlees. Omdat de liefde dit gelooft, gelooft zij ook dat God deze zondaar door haar kan redden, en daarom begint zij tot hem te spreken. Ze verwacht dat het woord dat zij spreekt het middel tot behoud zal zijn dat God gebruikt.
Als zij naast een zondaar zit, gelooft zij dat het nodig was dat zij daar was, zoals Christus door Samaria moest gaan. Ze zegt tegen zichzelf: ‘Nu zal ik deze arme ziel vertellen wat Christus gedaan heeft, want ik geloof dat zelfs uit mijn armzalige lippen eeuwig leven kan vloeien, en dat God Zich door zo’n klein kind als ik lof kan toebereiden tot Zijn eigen heerlijkheid.’ Ze laat het niet na Christus te verkondigen uit angst te falen, maar ze gelooft in de grote mogelijkheden die er liggen in het Evangelie en in de Geest van God, en daarom spreekt zij de mens naast haar ernstig aan. Ze gelooft in haar eigen beginselen, ze gelooft in de genade van God, ze gelooft in de kracht van de Geest van God, ze gelooft in de kracht van de waarheid, ze gelooft in het bestaan van het geweten, en daarom komt zij in beweging om haar reddend werk te beginnen. Zij gelooft alle dingen.
Broeders, wilt u hiervan een voorbeeld? Dan smeek ik u: kijk nog eens naar uw goddelijke Meester. Zie Hem ‘s morgens als de schapen worden geteld. Hij mist er één, en Hij is zo vol geloof dat Hij het verlorene zal vinden, dat Hij de negenennegentig achterlaat en blijmoedig de ongebaande wildernis ingaat. Zie hoe Hij over de bergen springt! Zie hoe Hij afdaalt in de kloven! Hij zoekt Zijn schaap totdat Hij het vindt, want Hij is er volkomen zeker van dat Hij het vinden zal. Hij zal niet falen of ontmoedigd raken, want Zijn geloof in de redding van mensen is groot, en Hij trekt eropuit in het geloof dat zondaars behouden zullen worden.
Ik verheug me in het diepe, kalme geloof van onze Heere Jezus Christus. Hij geloofde niet in de goedheid van de mens, want Hij wist ‘wat in den mens was’ (Johannes 2:25). Maar Hij had een groot geloof in wat er in mensen gedaan en voor hen gewerkt kon worden, en om de vreugde die Hem voorgesteld was, heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht. Hij geloofde dat er grootse gevolgen uit Zijn verlossing zouden voortkomen: mensen zouden worden gereinigd, de dwaling zou worden verdreven, de leugen zou worden gedood en de liefde zou oppermachtig regeren.
Dit is de tweede grote overwinning van de liefde: ‘zij gelooft alle dingen’. Laten we ons hierin oefenen tot we erin bedreven zijn.
Het derde grote werk van de liefde is dat zij ‘alle dingen hoopt’. De liefde wanhoopt nooit. Zij gelooft dat er in haar medemensen nog iets goeds zal komen, ook al kan zij op dit moment niet geloven dat er iets goeds in hen is. Hoop alle dingen wat uw broeders betreft. Stel dat een vriend van u lid is van de kerk en u ziet bij hem geen duidelijke tekenen van genade: hoop dan alle dingen voor hem. Veel ware gelovigen zijn zwak in het geloof, en de werkingen van de genade zijn in hen nog vaag. Sommigen zijn in omstandigheden geplaatst waarin de genade die zij hebben sterk wordt gehinderd en belemmerd. Laten we dat in overweging nemen. Het is moeilijk te zeggen hoe weinig genade toch voldoende kan zijn tot zaligheid; het is niet aan ons om te oordelen. Hoop alle dingen. En als u gedwongen wordt droevige tekenen bij hen te zien, die u doen vrezen dat zij geen genade hebben, bedenk dan dat sommige van de meest stralende gelovigen ook hun fouten hadden, en nog ernstige ook. Let op uzelf, opdat ook u niet verzocht wordt (Galaten 6:1). Als u helemaal niet kunt hopen dat deze mensen behouden zijn, hoop dan dat zij het zullen worden, en doe alles wat u kunt om die gezegende uitkomst te bevorderen.
Hoop alle dingen. Als uw broeder zonder reden erg boos op u is geweest, hoop dan dat u hem zult winnen, en begin daaraan te werken. Als u het geprobeerd hebt en het is niet gelukt, hoop dan dat het de volgende keer lukt, en probeer het opnieuw. Al is het u zeven keer mislukt en spreekt hij nog steeds bitter, hoop dan dat hij zich in zijn hart eigenlijk schaamt, of dat hij dat in elk geval heel binnenkort zal doen. Wanhoop nooit aan uw medechristenen.
Wat de onbekeerden betreft: u zult nooit iets voor hen bereiken als u niet veel voor hen hoopt. Als de barmhartige Samaritaan, toen hij de arme man halfdood vond, niets voor hem had gehoopt, zou hij nooit olie en wijn in zijn wonden hebben gegoten, maar hem daar hebben laten sterven. Kweek een grote hoopvolheid aan met het oog op zondaars. Hoop altijd dat zij toch nog behouden worden, ook al zijn er geen goede tekenen in hen te zien. Als u uw best voor hen gedaan hebt en teleurgesteld en verslagen bent, blijf dan toch voor hen hopen. Soms zult u reden tot hoop vinden in het feit dat zij een kerkdienst beginnen te bezoeken. Grijp dat aan en zeg: ‘Wie weet? God kan hen zegenen.’
Of als zij al lang naar de kerk gaan en daar niets goeds uit is voortgekomen, blijf dan hopen dat de predikant hen op een dag zal raken en dat de pijl tussen de voegen van het harnas door zal dringen. Toen u de laatste keer met hen sprak, leken zij een beetje geraakt; wees daar dankbaar voor en houd hoop. Als er een kleine verbetering in hun leven is gekomen, wees dan hoopvol over hen. Zelfs als u helemaal niets hoopvols in hen kunt zien, hoop dan dat er iets is wat u niet kunt zien; misschien is er al iets in hen gewerkt wat zij proberen te verbergen. Hoop, omdat u gedrongen wordt voor hen te bidden. Vraag andere mensen voor hen te bidden, want zolang er iemand voor hen bidt, is hun zaak niet opgegeven. Als u anderen ertoe brengt te bidden, hebt u nog een pijl op uw boog. Als zij ernstig ziek zijn en u kunt niet bij hen komen, of als ze op hun sterfbed liggen, blijf dan hopen en probeer hun op de een of andere manier een boodschap te sturen. Bid de Heere hen te bezoeken en te behouden, en houd uw hoop over hen altijd levend. Laat uw hoop niet sterven voordat zij gestorven zijn.
Wilt u hiervan een voorbeeld zien? Ach, kijk naar onze gezegende Heere en al Zijn hoopvolheid voor ons. Hij wanhoopte aan niemand en ging achter hen aan die anderen al hadden opgegeven. Als u daar een bewijs van wilt, bedenk dan hoe Hij u is nagegaan. Wilt u nog aan iemand wanhopen, nu Christus niet aan u gewanhoopt heeft? Wonderen van genade behoren God toe, en al die wonderen zijn in velen van ons tentoongesteld. Ik vrees dat als u en ik erbij waren geweest toen zij de overspelige vrouw brachten die op heterdaad betrapt was, we gezegd zouden hebben: ‘Dit is te erg. Doe haar weg, dit kan niet worden verdragen.’ Maar o, hoe hoopvol was de gezegende Meester, toen Hij zelfs tot haar zei: ‘Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers?’ en: ‘Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer’ (Johannes 8:10-11).
Wat een wonderlijk geduld, wat een zachtmoedigheid en wat een hoop liet onze Heere ook zien in heel Zijn omgang met de twaalf! Het was een edelmoedige hoop die Christus ertoe bracht Petrus te vertrouwen zoals Hij deed. Nadat Petrus zijn Meester met eden had verloochend, vertrouwde onze Heere hem toe Zijn schapen en lammeren te weiden, en stelde Hij hem in de voorste rij van de apostolische dienst. Hij heeft Zich ook over sommigen van ons ontfermd door ons in de bediening te stellen en ons het Evangelie toe te vertrouwen. Hij wist immers wat de liefde voor ons zou doen, en Hij was er zeker van dat Hij nog iets van ons kon maken tot Zijn eigen heerlijkheid.
De laatste overwinning van de liefde is dat zij in alle dingen volhardt. Daaronder versta ik een geduldig volhouden in het liefhebben. Dit is misschien wel het moeilijkste werk van allemaal. Want veel mensen kunnen een tijdlang liefdevol en geduldig zijn, maar de opgave is om het jaar na jaar vol te houden. Ik heb mannen gekend die onder uitdaging hun drift ernstig in toom hielden en heel wat kleineringen verdroegen, maar ten slotte zeiden: ‘Aan alles komt een eind. Ik ben niet van plan het nog langer te pikken. Ik kan het niet meer verdragen.’ God zij geloofd, de liefde die Christus ons geeft, volhardt in alle dingen. Zoals Zijn liefde tot het einde volhardde, zo volhardt ook de liefde die de Geest in ons werkt tot het einde.
In de eerste plaats houdt de liefde ten opzichte van onze medechristenen stand onder elke afwijzing. Mijn beste man, je wilt bereiken dat ik je niet liefheb, maar ik zal je liefhebben. Je snauwt me af en laat me merken dat je niet zo’n beminnelijk mens bent, maar ik kan je ondanks alles liefhebben. Wat? Wil je me nog meer onvriendelijkheid aandoen? Dan zal ik je weerstaan door je een nog grotere vriendelijkheid te bewijzen dan eerst. Je zei iets gemeens over mij. Ik wil het niet horen, maar als het mogelijk is, zal ik iets vriendelijks over jou zeggen. Ik zal vurige kolen op je hoofd hopen totdat je smelt. Ik zal tegen je strijden met vlammen van liefde totdat je boosheid verteerd is. Ik zal je overwinnen door vriendelijker voor je te zijn dan jij onvriendelijk voor mij bent geweest.
Wat een massa verdraaiingen en onvriendelijkheden zijn er! Maar als u een waar christen blijft, moet u ze allemaal verdragen. Als u te maken hebt met mensen die niets van u willen verdragen, let er dan op dat u dubbel geduldig met hen bent. Wat voor eer is het als u verdraagt wie u verdragen? Als uw broeders zonder reden boos zijn, heb dan medelijden met hen, maar laat hen u niet overwinnen door u boos te maken. Sta vast in de liefde. Verdraag niet sommige, maar alle dingen, omwille van Christus. Zo zult u bewijzen dat u werkelijk een christen bent.
Wat uw omgang met de onbekeerden betreft: als u ooit het veld in trekt achter zielen aan, neem dan zeker uw geweer mee, en dat geweer is de liefde. Heren die in deze tijd van het jaar op patrijzen en ander gevogelte gaan jagen, u vindt dat ongetwijfeld een prettig tijdverdrijf. Maar voor echte spanning, vreugde en genoegen beveel ik u het winnen van zielen aan. Wat zei onze Heere? ‘Ik zal u vissers der mensen maken’ (Mattheüs 4:19). Als u erop uitgaat om zielen te vissen, zult u in alle dingen moeten volharden. Want het zal gebeuren dat sommigen die u al lange tijd zoekt, slechter worden in plaats van beter. Verdraag ook dit; het hoort bij ‘alle dingen’. Wie u tot zegen wilt zijn, kan volkomen onleerbaar lijken; zij kunnen hun oren dichtstoppen en weigeren naar u te luisteren. Trek het u niet aan en volhard in alle dingen. Ze kunnen nors en verbitterd worden en u in hun woede uitschelden, maar laat u door hen niet van de wijs brengen. Laat hen worstelen totdat ze uitgeput zijn, en wacht intussen rustig af. Zeg tegen uzelf: ‘Ik moet hen redden.’
Een oppasser die voor krankzinnigen moet zorgen, wordt regelmatig door hen aangevallen en moet harde klappen incasseren. Maar wat doet hij? Slaat hij de patiënt terug en gaat hij met hem vechten? Nee, hij drukt hem neer en houdt hem stevig vast, maar niet uit woede, want hij heeft te veel medelijden met hem om boos op hem te worden. Let een verpleegster op de nijdige woorden, het gemopper en het geschreeuw van een ijlende patiënt? Natuurlijk niet. Ze zegt: ‘Ik moet proberen het leven van deze man te redden’, en zo volhardt zij met grote vriendelijkheid in alle dingen. Als u een brandweerman was en iemand aantrof in een bovenkamer van een brandend huis, zou u dan niet liever met hem worstelen dan hem in die kamer te laten verbranden? U zou zeggen: ‘Ik zal u redden, ondanks uzelf.’ Misschien zou de dwaas u uitschelden en zeggen: ‘Laat me met rust, waarom dringt u mijn kamer binnen?’ Maar u zou antwoorden: ‘Let niet op mijn binnendringen, ik bied later wel mijn verontschuldigingen aan voor mijn ruwheid, maar eerst moet u uit het vuur.’ Ik bid dat God u deze gezegende onbeleefdheid geeft, dit heerlijke in de wind slaan van alle dingen, opdat u immers enigen mag behouden.
Wilt u het ware spiegelbeeld en toonbeeld zien van volhardende lijdzaamheid? Kijk daar! Ik zou willen dat u het kon zien. Ik zou willen dat deze ogen het zagen zoals ik het soms gezien heb. Aanschouw het kruis! Zie de geduldige Lijder en die schaamteloze menigte: ze steken de tong uit, ze grijnzen, ze spotten, ze lasteren. En daar hangt Hij, overwinnend in Zijn geduld, overwinnaar over de wereld, de dood en de hel, doordat Hij ‘in alle dingen volhardt’. O liefde, nooit zat u op een zo koninklijke troon als aan het kruis, toen u daar, in de Persoon van de Zoon van God, in alle dingen volhardde.
Och, mochten we in geringe mate het volmaakte voorbeeld navolgen dat ons hier wordt voorgesteld! Als u een redder wilt zijn, als u een zegen wilt zijn voor uw geslacht, laat dan geen onvriendelijkheid u afschrikken. Laat geen gedachte aan uw eigen naam, uw eer of uw gemoedsrust u tegenhouden, maar laat van u gezegd worden, zoals van uw Heere: ‘Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen.’ Heb ik u niet vier grote veldslagen laten zien, die alle Waterloo’s, Trafalgars, Alma’s en Inkermans uit de geschiedenis ver overtreffen? Helden zijn zij die ze strijden en winnen, en de Heere God van de liefde zal hen kronen.
III. Ik besluit met het aanwijzen van de bronnen van de kracht van de liefde. De tijd is om, zoals ik al verwachtte, maar zij heeft ons in een kring teruggebracht naar het punt waar we begonnen. Alleen de Heilige Geest kan mensen leren liefhebben en hun daartoe de kracht geven. De kunst van de liefde wordt op geen andere school geleerd dan aan de voeten van Jezus, waar de Geest van de liefde rust op wie van Hem leren. Geliefden, de Geest van God legt de liefde in ons en helpt ons haar te bewaren, en wel zo.
In de eerste plaats behaalt de liefde deze overwinningen omdat dat haar aard is. De aard van de liefde is zelfopoffering. De liefde is het tegenovergestelde van het zoeken van zichzelf. De liefde is intens, de liefde brandt; daarom brandt zij zich een weg naar de overwinning. De liefde! Kijk naar de liefde van een moeder. Is het voor haar een opoffering om rust, vrede en gemak op te geven voor haar kind? Als het haar pijn kost, maakt zij er een vreugde van door de gloed van haar genegenheid. Het is de aard van de liefde dat zij moeilijkheden opzoekt en zich verblijdt als zij lijdt voor wie zij liefheeft. Als u een vurige liefde hebt voor de zielen van mensen, zult u weten hoe waar dit is.
Daarnaast heeft de liefde vier lieflijke metgezellen. Bij haar zijn tederheid, die alle dingen verdraagt, geloof, dat alle dingen gelooft, hoop, die alle dingen hoopt, en geduld, dat in alle dingen volhardt. Wie tederheid, geloof, hoop en geduld heeft, heeft een dapper viertal genadegaven om hem te beschermen, en hij hoeft niet bang te zijn.
Maar het beste van alles is dat de liefde haar leven zuigt uit de wonden van Christus. De liefde kan verdragen, geloven, hopen en volharden, omdat Christus voor haar heeft verdragen, geloofd, gehoopt en volhard. Ik heb gehoord van iemand met een kronkel in zijn hoofd. Men zei dat hij iets zag wat anderen nooit zagen, en een stem hoorde die anderen nooit hoorden, en hij werd zo’n vreemde man dat anderen zich over hem verwonderden. Och, had ik maar steeds meer van die zeer ernstige kronkel, die komt als ik een doorboorde hand op mijn schouder voel en in mijn oor een droevige stem hoor, dezelfde stem die riep: ‘Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!’
Ik zou dat gezicht willen zien en die stem willen horen, en dan… ja, wat dan? Wel, dan moet ik liefhebben. Ik moet liefhebben. Ik móét liefhebben. Dat zou de vreemde neiging en de heerlijke kronkel van mijn ziel zijn. De liefde doet ons liefhebben. De liefde kocht ons, de liefde zocht ons, de liefde bracht ons aan de voeten van de Zaligmaker, en de liefde zal ons voortaan dringen tot daden die anders onmogelijk zouden zijn. U hebt wel gehoord van mensen die in een vlaag van waanzin dingen deden die gewone mensen van vlees en bloed nooit hadden kunnen doen. Och, door de liefde van Christus losgerukt te worden van de zelfzucht en tot zelfvergetelheid gedreven te worden door een allesoverheersende hartstocht voor de Gekruisigde! Ik weet niet hoe ik mijn gedachten anders onder woorden moet brengen, zodat ze iets laten doorschemeren van wat er in mij brandt.
Moge de Heere van de liefde u recht in de ogen kijken met de ogen die eens rood waren van het wenen over de zonde van de mensen. Moge Hij uw handen aanraken met de handen die eens aan het kruis werden genageld, en de gezegende tekenen van de nagels op uw voeten drukken. En moge Hij dan uw hart doorboren, totdat er een leven van liefde uit voortstroomt en het overloopt in stromen van vriendelijke verlangens, edelmoedige daden en heilige offers voor God en voor Zijn volk. God geve het, om Jezus’ wil.
Amen.
Preek nr. 1617 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 4 september 1881, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 27. Oorspronkelijke titel: “Love’s Labours”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
