De Kerk van Christus
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 3 juni 1855 door C. H. Spurgeon in de New Park Street Chapel te Southwark.
Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn. Ezechiël 34:26
Het hoofdstuk dat ik aan het begin van de dienst las (Ezechiël 34), is een profetisch hoofdstuk. Ik neem aan dat het geen betrekking heeft op de toestand van de Joden tijdens de ballingschap en op hun latere geluk toen zij naar hun land terugkeerden. Het slaat op de toestand waarin zij zouden vervallen nadat zij onder Nehemia en Ezra in hun land waren teruggebracht, en waarin zij tot op de dag van vandaag nog verkeren.
De profeet vertelt ons dat de herders toen, in plaats van de kudde te weiden, zichzelf weidden. Zij vertrapten het gras in plaats van het de schapen te laten eten, en zij vermodderden de wateren met hun voeten. Dat is een nauwkeurige beschrijving van de toestand van Judea na de ballingschap. Toen stonden immers de schriftgeleerden en de farizeeën op, die de sleutel der kennis wegnamen. Zij gingen zelf niet in en lieten ook anderen niet ingaan. Zij legden de mensen zware lasten op de schouders, maar wilden die zelf met geen vinger aanraken. Zij lieten de godsdienst helemaal opgaan in offers en ceremoniën en legden het volk zo’n last op, dat het uitriep: ‘Ziet, wat een vermoeidheid!’
Datzelfde kwaad is tot op heden bij de arme Joden gebleven. Als u de onzin van de Talmoed en de Gemara leest en ziet welke lasten hun zijn opgelegd, zult u zeggen: ‘Waarlijk, zij hebben nutteloze herders.’ Zij geven de schapen geen voedsel. Zij kwellen hen met verzonnen bijgeloof en dwaze opvattingen. In plaats van hun te vertellen dat de Messias al gekomen is, misleiden zij hen met het idee dat er nog een Messias moet komen, Die Judea zal herstellen en tot heerlijkheid zal verheffen. De Heere spreekt een vloek uit over deze farizeeën en rabbijnen, die ‘met de zijde en met den schouder verdringen’, die kwade herders, die de schapen niet laten nederliggen en hen niet in een goede weide weiden.
Maar nadat de profeet deze toestand beschreven heeft, voorzegt hij betere tijden voor de arme Jood. De dag komt dat deze zorgeloze herders niets meer zullen betekenen, dat de macht van de rabbijnen zal ophouden en dat de overleveringen van de Misjna en de Talmoed terzijde worden geschoven. Het uur nadert dat de stammen naar hun eigen land zullen optrekken, dat Judea, zo lang een huilende wildernis, weer zal bloeien als een roos. Als de tempel zelf al niet wordt hersteld, dan zal er toch op Sions heuvel een christelijk gebouw verrijzen. Daar zullen plechtige lofgezangen klinken, zoals eertijds de psalmen van David in de tabernakel gezongen werden.
Het zal niet lang meer duren of zij komen, uit verre landen, waar zij ook wonen of rondzwerven. En zij die het uitvaagsel van allen is geweest, wier naam een spreekwoord en een spotnaam was, zal de heerlijkheid van alle landen worden. Het neergeslagen Sion zal het hoofd opheffen en zich losschudden uit het stof, de duisternis en de dood. Dan zal de Heere Zijn volk weiden, en hen en de plaatsen rondom Zijn heuvel tot een zegen stellen. Ik denk dat wij te weinig belang hechten aan het herstel van de Joden. We denken er te weinig aan. Maar als er iets in de Bijbel beloofd is, dan is het zeker dit. Ik kan me niet voorstellen dat u de Bijbel kunt lezen zonder duidelijk te zien dat er een werkelijk herstel van de kinderen Israëls zal komen.
‘Daarheen zullen zij optrekken; zij zullen met geween naar Sion komen en met smekingen naar Jeruzalem.’ Moge die gelukkige dag spoedig aanbreken! Want wanneer de Joden hersteld zijn, zal de volheid der heidenen worden ingebracht. En zodra zij terugkeren, zal Jezus op de berg Sion komen om heerlijk te regeren voor Zijn oudsten, en dan zullen de vredige dagen van het duizendjarig rijk aanbreken. Dan zullen we ieder mens kennen als een broeder en een vriend, en Christus zal heersen over de hele wereld. Dit is dus de betekenis van de tekst: God zou Jeruzalem en de plaatsen rondom Zijn heuvel tot een zegen stellen.
Toch zal ik de tekst vanmorgen niet zo gebruiken. Ik zal hem in een beperktere zin gebruiken, of misschien in een ruimere zin, namelijk zoals hij van toepassing is op de kerk van Jezus Christus en op deze bijzondere gemeente waaraan u en ik verbonden zijn. ‘Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.’ Er wordt hier over twee zaken gesproken. Ten eerste: de kerk van Christus zal tot een zegen zijn. Ten tweede: de kerk van Christus zal gezegend worden.
Deze twee zaken vindt u in de verschillende zinsdelen van de tekst.
I. De kerk van Christus zal tot een zegen zijn. ‘Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen.’ Toen God vóór de grondlegging van de wereld een volk verkoos, was Zijn doel niet alleen dat volk te redden, maar om door hen wezenlijke weldaden te schenken aan het hele menselijke geslacht.
Toen Hij Abraham uitkoos, verkoos Hij hem niet alleen om Gods vriend te zijn en bijzondere voorrechten te ontvangen. Hij koos hem om hem als het ware tot bewaarder van de waarheid te maken. Hij moest de ark zijn waarin de waarheid verborgen zou worden. Hij moest de bewaarder van het verbond zijn ten behoeve van de hele wereld.
En wanneer God door Zijn soevereine, verkiezende genade mensen kiest en hen van Christus maakt, doet Hij dat niet alleen om hunnentwil, opdat zij behouden worden, maar ook ter wille van de wereld. Want weet u niet: ‘Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.’ ‘Gij zijt het zout der aarde.’ Als God u tot zout maakt, is dat niet alleen opdat u zout in uzelf hebt, maar opdat u net als zout de hele massa zou bewaren. Als Hij u tot zuurdesem maakt, is dat opdat u, net als een weinig zuurdesem, het gehele deeg zou doorzuren.
De zaligheid is geen zelfzuchtige zaak. God geeft haar ons niet om voor onszelf te houden, maar opdat we daardoor tot een middel van zegen voor anderen worden. En de grote dag zal bekendmaken dat er geen mens op de hele aardbodem leeft die niet op de een of andere manier een zegen heeft ontvangen doordat God het evangelie gegeven heeft. Zelfs dat de goddelozen in leven worden gehouden en uitstel ontvangen, is gekocht met de dood van Jezus. Door Zijn lijden en sterven worden ons de tijdelijke zegeningen geschonken die zowel wij als zij genieten. Het evangelie werd gezonden om eerst hen te zegenen die het aannemen, en zich daarna uit te breiden, zodat zij tot een zegen worden voor het hele menselijke geslacht.
Nu we zo spreken over de kerk als een zegen, letten we op drie zaken. Ten eerste is hier iets goddelijks: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Ten tweede is hier het persoonlijke karakter van de godsdienst: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ En ten derde is hier de uitbreiding van de godsdienst: ‘en de plaatsen rondom Mijn heuvel.’
Allereerst is er bij deze zegen die God Zijn kerk wil laten zijn, iets goddelijks. Het is God, de eeuwige Jehova, Die spreekt: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Niemand van ons kan anderen zegenen, tenzij God ons eerst gezegend heeft. We hebben goddelijk maakwerk nodig. Ik zal hen tot een zegen stellen door hen te helpen en door hen te dringen.
God stelt Zijn volk tot een zegen door hen te helpen. Wat kunnen wij doen zonder Gods hulp? Ik sta hier en preek voor duizenden, of misschien voor honderden; wat heb ik bereikt, als er niet Iemand Die groter is dan een mens, met mij op de kansel heeft gestaan? Ik werk op de zondagsschool; wat kan ik doen als de Meester er niet is en de kinderen niet samen met mij onderwijst? Wij hebben Gods hulp nodig op elke plaats. Als die hulp ons maar gegeven wordt, dan is niet te zeggen met hoe weinig inspanning we tot een zegen kunnen worden. Ach, een paar woorden zijn soms meer tot zegen dan een hele preek. U neemt een kleine babbelaar op uw knie, en een paar woorden die u tegen hem zegt, onthoudt hij en gebruikt hij nog in latere jaren.
Ik heb een oude, grijze man gekend die de gewoonte had dit te doen. Op een keer nam hij een jongen mee naar een bepaalde boom en zei: ‘Jan, kniel nu bij die boom neer, dan kniel ik met je mee.’ Hij knielde neer en bad, en vroeg God of Hij de jongen wilde bekeren en zijn ziel wilde behouden. ‘Misschien kom je nog eens bij deze boom,’ zei hij toen, ‘en als je dan niet bekeerd bent, zul je je herinneren dat ik onder deze boom God gevraagd heb je ziel te behouden.’ De jongeman ging weg en vergat het gebed van de oude man.
Maar zoals God het wilde, liep hij op een dag weer door dat weiland en zag hij de boom. Het was alsof de naam van de oude man in de bast gekerfd stond. Hij herinnerde zich waarvoor de man gebeden had en dat dat gebed nog niet verhoord was. Hij durfde de boom niet voorbij te gaan zonder zelf neer te knielen en te bidden, en daar lag zijn geestelijke geboorteplaats. De eenvoudigste opmerking van een christen zal tot een zegen worden, als God hem helpt. ‘Welks blad niet afvalt’: het eenvoudigste woord dat hij spreekt, zal bewaard worden; ‘en al wat hij doet, zal wel gelukken.’
Maar er is hier ook sprake van drang. ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Ik zal hun geven een zegen te zijn; Ik zal hen dringen een zegen te zijn. Van mezelf kan ik zeggen dat ik nooit iets heb gedaan wat mijn medemensen tot zegen was, zonder dat ik me ertoe gedrongen voelde. Ik dacht erover om op een zondagsschool les te gaan geven. Op een dag kwam er iemand langs die me vroeg, ja, me smeekte en bad om zijn klas over te nemen. Ik kon niet weigeren, en daar werd ik door het hoofd van de school met handen en voeten vastgehouden en moest ik wel doorgaan.
Er werd me gevraagd de kinderen toe te spreken. Ik dacht dat ik dat niet kon, maar er was niemand anders om het te doen, dus stond ik op en stamelde een paar woorden. En ik herinner me de eerste keer dat ik probeerde voor de mensen te preken. Ik weet zeker dat ik er geen enkel verlangen naar had, maar er was verder niemand, en anders had de gemeente moeten weggaan zonder één woord van waarschuwing of toespraak. Hoe kon ik dat laten gebeuren? Ik voelde me gedwongen hen toe te spreken.
En zo is het gegaan met alles wat ik ter hand heb genomen. Ik heb altijd een soort drang gevoeld die ik niet kon weerstaan. Bovendien voelde ik me door de Voorzienigheid in zo’n positie geplaatst, dat ik de plicht niet wilde ontlopen. En als ik dat al gewild had, dan had ik er niet onderuit gekund. Zo is het ook met Gods volk. Als zij hun leven nagaan, overal waar zij tot een zegen zijn gesteld, zullen zij ontdekken dat God hen als het ware de wijngaard in heeft gestuwd.
Die en die man was eens rijk. Wat voor nut had hij in de wereld? Hij hing maar lui in zijn rijtuig, deed weinig goeds en was van weinig nut voor zijn medemensen. Dan zegt God: ‘Ik zal hem tot een zegen stellen.’ Hij neemt hem zijn rijkdom af en brengt hem in eenvoudige omstandigheden. Zo komt hij in aanraking met de armen, en zijn betere opleiding en verstand maken hem tot een zegen voor hen. God stelt hem tot een zegen.
Een andere man was van nature erg verlegen. Hij wilde niet bidden in de bidstond en werd liever ook geen lid van de gemeente. Al snel komt hij in een positie waarin hij niet anders kan. ‘Ik zal hem tot een zegen stellen.’ En zo zeker als u een dienstknecht van God bent, zal Hij u tot een zegen stellen. Hij wil niets van Zijn goud in klompen hebben; Hij zal het uithameren en tot een zegen maken.
Ik geloof werkelijk dat er in mijn gemeente mensen zijn aan wie God de gave heeft gegeven om Zijn Naam te verkondigen. Misschien weten zij het niet, maar God zal het te zijner tijd bekendmaken. Ik zou willen dat ieder goed naging of God hem tot iets bepaalds brengt. En als hij eenmaal die aandrang voelt, laat hij die dan in geen geval onderdrukken. Ik geloof in zekere mate in de leer van de quakers over de aandrang van de Geest, en ik ben bang dat ik er een zou onderdrukken. Als de gedachte bij me opkomt: ‘Ga naar het huis van die en die’, dan doe ik dat altijd graag, omdat ik niet weet of het niet van de Geest komt. Zo ongeveer versta ik dit vers.
‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Ik zal hen dwingen goed te doen. Als Ik er niet op een andere manier voor kan zorgen dat er een liefelijke geur van hen uitgaat, dan zal Ik hen fijnstampen in de vijzel van de verdrukking. Als zij zaad hebben en dat zaad op geen andere manier kan worden verspreid, dan zal Ik een ruwe wind zenden die het donzige zaad overal heen blaast. ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Als u nog nooit voor iemand tot een zegen bent geweest, wees er dan van verzekerd dat u geen kind van God bent. Want Jehova zegt: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’
Let in de tweede plaats op het persoonlijke van de zegen. ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Ik zal ieder lid van de gemeente tot een zegen stellen. Veel mensen gaan naar het bedehuis waar de gemeente samenkomt, en u vraagt: ‘Wel, wat doen jullie daar, op die plaats waar u kerkt?’ ‘Wel, wij doen dit en dat.’ ‘Hoe spelt u “wij”?’ ‘Dat is een eenvoudig woordje,’ zegt u. ‘Ja, maar zit er ook een “ik” in uw “wij”?’ ‘Nee.’ Heel veel mensen kunnen gemakkelijk “wij” spellen zonder dat er een “ik” in zit. Want al zeggen ze: ‘Wij hebben dit en dat gedaan’, ze zeggen niet: ‘Hoeveel heb ík gedaan? Heb ik er iets aan bijgedragen? Ja, deze kapel is vergroot; wat heb ik ingeschreven? Twee penny!’ Natuurlijk is het gebeurd, maar degenen die het geld betaalden, hebben het gedaan. ‘Wij prediken het evangelie.’ O ja, werkelijk? ‘Ja, wij zitten in onze bank, luisteren een beetje en bidden niet om een zegen. Wij hebben zo’n grote zondagsschool.’ Hebt u er ooit lesgegeven? ‘Wij hebben een heel goede werkvereniging.’ Hebt u er ooit voor gewerkt? Zo spel je “wij” niet.
Er staat: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’ Toen Jeruzalem werd gebouwd, begon ieder vlak bij zijn eigen huis. Daar moet u ook beginnen met bouwen of met iets te doen. Laten we er niet over liegen. Als we geen deel hebben aan de bouw, als we noch de troffel noch de speer hanteren, laten we dan niet over ‘onze kerk’ spreken. Want de tekst zegt: ‘Ik zal hen tot een zegen stellen’, ieder van hen.
‘Maar meneer, wat kan ik doen? Ik ben thuis maar een huisvader. Ik heb het zo druk met mijn zaak dat ik mijn kinderen maar weinig zie.’ Maar hebt u in uw zaak ook personeel? ‘Nee, ik ben zelf in dienst.’ Hebt u collega’s? ‘Nee, ik werk alleen.’ Werkt en woont u dan alleen, als een monnik in een cel? Dat geloof ik niet. U hebt toch collega’s op het werk; kunt u niet een woord tot hun geweten spreken? ‘Ik houd er niet van om godsdienst in het werk te mengen.’ Heel juist, dat zeg ik ook: als ik aan het werk ben, laat het dan werk zijn; als u met godsdienst bezig bent, laat het dan godsdienst zijn. Maar hebt u nooit een gelegenheid? U kunt toch niet in een omnibus of een treinwagon stappen zonder dat u iets kunt zeggen voor Jezus Christus? Zo heb ik het ondervonden, en ik geloof niet dat ik anders ben dan andere mensen. U kunt niets doen? Kunt u geen traktaatje in uw hoed steken en het ergens achterlaten waar u komt? Kunt u geen woord tegen een kind zeggen? Waar komt die man vandaan die niets kan doen?
Daar zit een spin op de muur; maar zij ‘is in de paleizen der koningen’ en spint haar web om de wereld van schadelijke vliegen te verlossen. Daar staat een brandnetel in de hoek van het kerkhof; maar de dokter vertelt me dat hij geneeskrachtige eigenschappen heeft. Daar staat een klein sterretje aan de hemel; maar het staat op de kaart aangegeven, en de zeeman kijkt ernaar. Daar leeft een diertje onder water; maar het bouwt een rots. God heeft al deze dingen met een doel gemaakt. En hier zou een mens zijn die God gemaakt heeft en aan wie Hij helemaal niets te doen heeft gegeven! Dat geloof ik niet. God maakt nooit nutteloze dingen; Hij maakt niets overbodigs. Het maakt mij niet uit wat u bent: u hebt iets te doen. En o, moge God u laten zien wat dat is, en u het dan ook laten doen, door de wonderlijke drang van Zijn voorzienigheid en Zijn genade.
In de derde plaats moeten we letten op de uitbreiding van de zegen van het evangelie. ‘Ik zal hen tot een zegen stellen’, maar daar houdt het niet op: ‘en de plaatsen rondom Mijn heuvel.’ De godsdienst breidt zich uit. Wanneer hij in het hart begint, is hij eerst als een klein mosterdzaadje, maar geleidelijk groeit het en wordt het een grote boom, ‘alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken’. Een mens kan niet voor zichzelf alleen godsdienstig zijn. ‘Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.’ U hebt al wel twintig keer gehoord dat als u een kiezelsteentje in een beek laat vallen, er eerst een kleine kring ontstaat, dan nog een daarbuiten, en dan nog een, en nog een,
totdat de invloed van het steentje over het hele wateroppervlak te zien is. Zo gaat het ook wanneer God Zijn volk tot een zegen stelt. ‘Ik zal een dienaar van het Woord tot een zegen stellen voor een of twee mensen. Dan zal Ik hem tot een zegen stellen voor honderd mensen. Dan zal Ik hem tot een zegen stellen voor duizenden, en daarna zal Ik die duizenden tot een zegen stellen. Ik zal ieder persoonlijk tot een zegen stellen, en als Ik dat gedaan heb, zal Ik alle plaatsen rondom tot een zegen stellen.’ ‘Ik zal hen tot een zegen stellen.’
Ik hoop dat wij als leden van de gemeente van Park Street nooit tevreden zullen zijn totdat we een zegen zijn, niet alleen voor onszelf, maar voor alle plaatsen rondom onze heuvel. Wat zijn de plaatsen rondom onze heuvel? Ik denk dat het ten eerste onze verenigingen zijn, ten tweede onze buurt en ten derde de kerken om ons heen.
Ten eerste zijn er onze verenigingen. Daar is onze zondagsschool; hoe dicht ligt die bij onze heuvel! Ik spreek daar veel over, omdat ik wil dat er aandacht voor komt. Ik wil vanmorgen een praktische preek houden om sommigen van u ertoe te bewegen op de zondagsschool les te komen geven. Daar hebben we geschikte mannen nodig, die komen ‘tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden’. Daarom noem ik de zondagsschool een plaats die heel dicht bij de heuvel ligt. Zij hoort eigenlijk vlak aan de voet ervan te liggen, ja, zo dicht bij de heuvel dat heel velen vanuit de zondagsschool naar de gemeente overgaan.
Dan is er onze Vereniging voor Huisbezoek en Christelijk Onderwijs, die we hebben om deze buurt te bezoeken. Ik vertrouw erop dat die tot een zegen is gesteld. God heeft een man onder ons gezonden die ijverig en ernstig de zieken bezoekt. Als toezichthouder van mijn geliefde broeder, de evangelist, krijg ik geregeld verslag van zijn arbeid. Zijn verslag heeft mij zeer verblijd, en ik kan ervan getuigen dat hij hier in de omgeving uitstekend werk doet. Ik wil dat die vereniging al uw medeleven en kracht krijgt. Ik zie hem als een Jozua, met wie u bij honderden moet uittrekken naar hen die in de buurt wonen.
Weet u wat voor duistere plaatsen er zijn? Loop eens een straat in, hier een eindje naar rechts. Kijk eens naar de winkels die op zondag open zijn. Sommigen die hun winkel vroeger op zondag openden, komen nu, God zij dank, met ons God aanbidden. Er zullen er nog meer komen, want ‘de aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid’, en waarom zouden wij die dan niet hebben?
Broeders, als u de zieken bezoekt of van deur tot deur traktaten verspreidt, laat dit dan uw gebed zijn: dat deze vereniging, die een van de plaatsen rondom onze heuvel is, tot een zegen wordt gesteld! Laat ik geen enkele vereniging vergeten die met deze gemeente verbonden is. Er zijn er nog meer die plaatsen rondom onze heuvel zijn. En de Heere heeft het mij juist in het hart gegeven om nog andere verenigingen op te richten, die tot een zegen voor deze heuvel zullen worden gesteld. Over een poosje zult u daarvan horen. We hebben in deze gemeente verschillende broeders aan wie God de gave van het woord heeft gegeven. Zij staan op het punt samen een vereniging te vormen om het Woord van God te verkondigen.
Nu God Zijn kerk zo gezegend heeft en ons onder de mensen zo bekend en genoemd heeft gemaakt, waarom zouden we dan niet doorgaan? We zijn gebracht tot een grote hoogte van vurigheid en liefde; nu is het tijd om iets te doen. Waarom zouden we het ijzer niet smeden en vormen terwijl het heet is? Ik geloof dat we het materiaal hebben, niet alleen om hier een gemeente te bouwen die de roem van de baptistengemeenten in Londen zal zijn, maar ook om overal in deze wereldstad gemeenten te stichten. En we hebben nog meer plannen, die, gerijpt door een nuchter oordeel en gesteund door voorzichtigheid, deze wereldstad nog meer eer zullen geven dan zij al heeft door de klank van het zuivere evangelie en de verkondiging van het zuivere Woord van God. Moge God al onze verenigingen, de plaatsen rondom onze heuvel, tot een zegen stellen.
Vervolgens is er de buurt. Soms ben ik als verlamd wanneer ik bedenk dat we zo weinig betekenen voor de buurt, hoewel deze plaats een groene oase is midden in een grote geestelijke woestijn. Vlak achter ons zouden we u honderden rooms-katholieken kunnen aanwijzen en mensen van het allerslechtste karakter, en het is treurig te bedenken dat we deze plaats niet tot een zegen voor hen kunnen stellen. Voor u, mijn hoorders, is zij tot een grote zegen gesteld, maar u komt niet uit dit stadsdeel. Sommigen van u komen, denk ik, van overal en nergens vandaan.
De mensen zeggen: ‘In die kapel gebeurt iets; kijk eens wat een menigte! Maar we kunnen er niet in!’ Eén ding vraag ik u: kom hier nooit om uw nieuwsgierigheid te bevredigen. U die lid bent van een andere gemeente, beschouw het dan maar als uw plicht om thuis te blijven. Er lopen veel afgedwaalde schapen rond; die heb ik liever dan u. Blijf op uw eigen plaats. Ik wil andere predikanten niet beroven. Kom hier ook niet uit liefdadigheid. We zijn u zeer erkentelijk voor uw vriendelijke bedoelingen, maar als u lid bent van een andere gemeente, hebben we liever uw plaats dan uw gezelschap. Wij willen dat zondaars komen, zondaars van allerlei soort.
Maar laat ons niet die soort mensen krijgen wier oren altijd jeuken naar een nieuwe prediker en die zeggen: ‘Ik wil iets anders, ik wil iets anders.’ O, ik smeek u, wees om Gods wil van enig nut! Als u van de ene plaats naar de andere loopt, kunt u dat nooit verwachten. Weet u wat er van rollende stenen gezegd wordt? Ach, dat hebt u wel gehoord: zij ‘vergaren geen mos’. Wees dus geen rollende stenen, maar blijf thuis. Moge God ons echter helpen om tot een zegen te zijn voor de buurt! Ik verlang ernaar dat er iets gedaan wordt voor de mensen om ons heen. We moeten onze armen voor hen openen; we moeten in de open lucht naar hen toe gaan; we moeten en we zullen hun Gods evangelie verkondigen. Laten dan de mensen uit de omgeving naar het woord van het evangelie luisteren, en moge er gezegd worden: ‘Die plaats is de kathedraal van Southwark!’ Zo is het nu al. Er gaat een zegen van uit; God stort er een zegen over uit.
Wat bedoelen we verder met de plaatsen rondom onze heuvel? We bedoelen de kerken om ons heen. Ik kan me alleen maar verheugen over de bloei van veel gemeenten om ons heen. Maar zoals onze geliefde broeder, de heer Sherman, afgelopen donderdagmorgen zei: ‘Het is niet hatelijk om te zeggen dat er maar heel weinig gemeenten in een bloeiende toestand verkeren, en dat de kerken in het algemeen in een erbarmelijke staat zijn. Slechts hier en daar,’ zei hij, ‘stort God Zijn Geest uit. De meeste kerken liggen als vrachtschuiten bij de Blackfriars-brug bij eb: midden in de modder.
En al de paarden en al de mannen van de koning kunnen ze niet lostrekken, totdat de vloed komt en ze weer laat drijven.’ Wie weet dan hoeveel goeds er door deze gemeente gedaan kan worden? Als er licht is in deze kandelaar, laten anderen dan komen en hun kaars eraan aansteken. Als er hier een vlam is, laat die vlam zich dan verspreiden, totdat alle omliggende kerken van heerlijkheid oplichten. Dan zullen we waarlijk een vreugde der ganse aarde worden, want er is nooit een opwekking op één plaats of zij raakt ook andere plaatsen. Wie zal dan zeggen waar het zal eindigen?
Vlieg wijd en zijd, machtig evangelie;
win en overwin, en houd nooit op.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
En het zal nooit ophouden, wanneer God eenmaal de plaatsen rondom Zijn heuvel tot een zegen stelt.
II. Het tweede punt is dat Gods volk niet alleen tot een zegen zal zijn, maar ook gezegend zal worden. Lees maar het tweede deel van het vers: ‘En Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.’ Het is enigszins opmerkelijk, als een voorteken van de plasregens van zegen die we hier hopen te ontvangen, dat God ons op de eerste dag van de opening plasregens zond. Als ik in voortekenen geloofde, zou ik bidden dat het, zoals het de eerste dag regende, voortaan elke dag zou regenen. Als het ophoudt, laat de kapel dan maar gesloten worden, want we willen haar alleen openhouden zolang de plasregens van genade blijven neerdalen.
Ten eerste is hier soevereine barmhartigheid. Luister naar deze woorden: ‘Ik zal hun de plasregen geven op zijn tijd.’ Is dat geen soevereine, goddelijke barmhartigheid? Want wie kan zeggen: ‘Ik zal hun plasregens geven’, behalve God? Kan de valse profeet die rondgaat onder de Hottentotten in hun duisternis dat zeggen? Hij beweert dat hij een regenmaker is en hun plasregens kan geven, maar kan hij het ook? Is er een keizerlijk vorst of de geleerdste man op aarde die kan zeggen: ‘Ik zal hun de plasregens geven op hun tijd’? Nee, er is maar één vuist waarin alle wolken worden vastgehouden. Er is maar één hand waarin alle stromen van de machtige oceaan boven het uitspansel zijn besloten. Er is maar één stem die tot de wolken kan spreken en hun kan gebieden de regen voort te brengen. ‘Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?’ ‘Wie zendt de regen op de aarde? Wie strooit de plasregens uit over het groene gras? Doe Ik het niet, de HEERE?’ Wie anders zou het kunnen? Is de regen niet in Gods macht? En wie zou hem kunnen zenden behalve Hij?
We weten dat de rooms-katholieken voorgeven dat zij genade kunnen krijgen zonder die rechtstreeks van God te ontvangen. Zij geloven namelijk dat God al Zijn genade in de paus legt, en dat die vervolgens wegloopt in kleinere buizen, kardinalen en bisschoppen genaamd, waardoor ze doorstroomt naar de priesters. En door de kraan met een shilling open te draaien, kunt u zoveel genade krijgen als u wilt. Maar zo is het niet met Gods genade. Hij zegt: ‘Ik zal hun plasregens geven.’ Genade is de gave van God en kan niet door de mens worden gemaakt.
Merk vervolgens op dat het noodzakelijke genade is. ‘Ik zal hun plasregens geven.’ Wat zou de grond doen zonder regen? U kunt de kluiten breken en uw zaad zaaien, maar wat kunt u doen zonder regen? Ach, u kunt uw schuur in gereedheid brengen en uw sikkels slijpen, maar uw sikkels zullen verroest zijn voordat u tarwe hebt, als er geen plasregens komen. Ze zijn nodig. Zo is ook de goddelijke zegen nodig.
Tevergeefs zaait Apollos het zaad,
en plant Paulus misschien tevergeefs;
(tevergeefs komt u hier, tevergeefs werkt u, tevergeefs geeft u uw geld)
totdat God de overvloedige regen schenkt
en de zaligheid doet nederdalen.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Verder is het overvloedige genade. ‘Ik zal hun plasregens zenden.’ Er staat niet: ‘Ik zal hun druppels zenden’, maar: ‘Ik zal hun plasregens zenden.’ Het regent zelden of het giet. Zo is het ook met genade. Als God een zegen geeft, geeft Hij die meestal in zo’n mate dat er niet genoeg ruimte is om hem te ontvangen. Waar moeten we de zegen van God laten die we al ontvangen hebben? Ik heb de mensen donderdag verteld dat God ons beloofd had dat Hij, als wij de tienden in het schathuis zouden brengen, ons zo’n zegen zou zenden dat we geen ruimte genoeg zouden hebben om hem te bergen. We hebben het beproefd, en de belofte is vervuld, zoals altijd zal gebeuren zolang we erop vertrouwen. Overvloedige genade!
Ach, we zullen overvloedige genade nodig hebben, vrienden: overvloedige genade om ons nederig te houden, overvloedige genade om ons biddend te maken, overvloedige genade om ons heilig te maken, overvloedige genade om ons ijverig te maken, overvloedige genade om ons waarachtig te maken, overvloedige genade om ons door dit leven heen te bewaren en ons ten slotte in de hemel te doen aankomen. We kunnen niet zonder de plasregens van genade. Hoeveel mensen zijn hier droog gebleven in een plasregen van genade? Er is hier toch een plasregen van genade; hoe komt het dan dat die op sommigen niet valt? Dat komt doordat zij de paraplu van hun vooroordeel opsteken. Al zitten zij hier, zoals Gods volk hier zit, zelfs als het regent, ze zijn zo bevooroordeeld tegen Gods Woord dat ze het niet willen horen en er niet van willen houden, en het loopt weer van hen af. Toch zijn de plasregens er, en waar zij vallen, zullen we God ervoor danken.
Verder is het genade op de juiste tijd. ‘Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd.’ Er gaat niets boven genade op de juiste tijd. Er zijn vruchten, weet u, die in hun seizoen het best zijn en op geen enkel ander moment goed zijn. Zo zijn er ook genadegaven die goed zijn op hun tijd, maar die we niet altijd nodig hebben. Iemand ergert en prikkelt mij; juist op dat moment heb ik genade nodig om geduldig te zijn. Ik heb die niet en ik word boos. Tien minuten later ben ik zo geduldig als maar kan, maar ik heb de genade niet op haar tijd gehad. De belofte is: ‘Ik zal hun de plasregen geven op zijn tijd.’ Ach, arme wachtende ziel, welke tijd is het vanmorgen voor u? Is het een tijd van droogte?
Dan is dat de tijd voor plasregens. Is het een tijd van grote zwaarmoedigheid en donkere wolken? Dan is dat de tijd voor plasregens. Wat voor tijd is het vanmorgen voor u, zakenman? Hebt u de hele week geld verloren? Dan is het nu de tijd om plasregens af te smeken. Het is nacht; nu valt de dauw. De dauw valt niet overdag, hij valt ’s nachts: in de nacht van verdrukking, beproeving en moeite. Daar staat de belofte; ga er maar mee naar God en pleit erop. ‘Ik zal hun de plasregen geven op zijn tijd.’
Nog één gedachte, en dan zijn we klaar. Het is een veelvormige zegen. ‘Ik zal u plasregens van zegen geven.’ Het woord staat in het meervoud. God zal allerlei zegeningen zenden. De regen is altijd van één soort als hij valt, maar genade is niet van één soort, of zij heeft niet altijd hetzelfde gevolg. Wanneer God regen op de kerk zendt, zendt Hij ‘plasregens van zegen’. Er zijn predikanten die denken dat God, als Hij een plasregen op hun gemeente zendt, een plasregen van werk zal zenden. Ja, maar als Hij dat doet, zal Hij ook een plasregen van vertroosting zenden.
Anderen denken dat God een plasregen van evangeliewaarheid zal zenden. Ja, maar als Hij die zendt, zal Hij ook een plasregen van evangelische heiligheid zenden. Want al Gods zegeningen gaan samen. Ze zijn als de lieflijke zusters, de gratiën, die hand in hand dansten. God zendt plasregens van zegeningen. Als Hij troostende genade geeft, zal Hij ook bekerende genade geven. Als Hij de bazuin laat blazen voor de bankroete zondaar, zal Hij haar ook een vreugdekreet laten klinken voor de zondaar die genade en vergeving heeft ontvangen. Hij zal ‘plasregens van zegen’ zenden.
Welnu, er staat een belofte in de Bijbel. We hebben geprobeerd haar uit te leggen en erover uit te weiden. Wat zullen we ermee doen?
In dat boek ligt verborgen
een parel van onschatbare waarde.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Welnu, we hebben deze rijke belofte onderzocht. Wij als gemeente kijken ernaar en vragen: ‘Is die van ons?’ Ik denk dat de meeste leden zullen zeggen: ‘Ja, want God heeft op Zijn tijd plasregens van zegen over ons uitgestort.’ Welnu, als de belofte van ons is, dan is het gebod evengoed van ons als de belofte. Behoren we God dan niet te vragen of Hij ons tot een zegen wil blijven stellen? Sommigen zeggen: ‘Ik heb dit en dat gedaan toen ik jong was.’ Maar stel dat u vijftig bent, dan bent u nog geen oude man. Is er niet iets wat u kunt doen? Het is allemaal goed en wel om te praten over wat u gedaan hebt, maar wat doet u nu? Ik weet hoe het met sommigen van u staat. U hebt eens helder geschenen, maar uw kaars is de laatste tijd niet gesnoten, en daarom schijnt zij niet zo goed. Moge God een deel van de wereldse zorgen wegnemen en de kaarsen een beetje snuiten!
U weet dat er in de tempel voor alle lampen snuiters en snuitervaten waren, maar geen dompers. En als er hier vanmorgen een arme kaars is, met een vreselijk lange pit, die al lange tijd geen licht meer geeft, dan krijgt u van mij geen domper, maar ik hoop dat u altijd gesnoten zult worden. Toen ik vanmorgen bij de lampen kwam, dacht ik dat het eerste wat ik zou doen, snuiten zou zijn. Dat was de bedoeling van mijn preek: u een beetje te snuiten, om u aan het werk te zetten voor Jezus Christus. O Sion, schud u uit het stof! O christen, sta op uit uw sluimering! Strijder, trek uw wapenrusting aan! Soldaat, grijp uw zwaard! De aanvoerder laat het alarm van de oorlog klinken. O luiaard, waarom slaapt u? O erfgenaam van de hemel, heeft Jezus niet zoveel voor u gedaan, dat u voor Hem zou leven? O geliefde broeders, gekocht met verlossende barmhartigheden, omgord met goedertierenheid en tederheid:
Nu een heilige vreugdekreet!
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
En daarna ten strijde! Het kleine zaad is tot dit uitgegroeid; wie weet wat het nog worden zal? Laten we alleen eendrachtig samen strijden, zonder onenigheid. Laten we voor Jezus werken. Nooit in de laatste honderd jaar hebben mensen zo’n gunstige gelegenheid gehad. ‘Er is een getij dat, bij vloed benut, naar voorspoed voert.’ Zult u het bij vloed benutten? Over de zandbank, de havenmond uit! O schip van de hemel, laat uw zeilen bijgezet zijn; laat uw zeildoek niet opgerold blijven, en de wind zal ons voortblazen over de zeeën van moeiten die voor ons liggen.
O, mocht het laatste der dagen zelfs in deze verachte woonplaats beginnen te dagen! O mijn God, laat van deze plaats de eerste golf opkomen, die weer een andere in beweging zet, en dan nog een, totdat de laatste grote golf over het zand van de tijd spoelt en tegen de rotsen van de eeuwigheid slaat, en bij het breken weerklinkt:
‘Halleluja!
Halleluja!
Halleluja!
De Heere, de almachtige God, regeert!’
Preek nr. 28 · Gehouden te Southwark, Londen, zondagmorgen 3 juni 1855, New Park Street Pulpit deel 1. Oorspronkelijke titel: “The Church of Christ”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
