Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

De huwelijksrelatie

31 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).

Een preek uitgesproken op een zondagavond in 1867 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd. Jeremia 3:14

Dit zijn kostelijke woorden: een weldadig kalmerend middel voor een onrustig geweten. Zo’n bijzondere troost is geschikt om de ziel op te beuren en al haar vooruitzichten in het helderste licht te zetten. Wie hier wordt aangesproken, verkeert in een bij uitstek gelukkige positie. Gelovige in Christus, de satan zal vanavond druk met u bezig zijn! Hij zal zeggen: ‘Welk recht hebt u om te geloven dat God met u getrouwd is?’

Hij zal u herinneren aan uw onvolkomenheden, aan de kilheid van uw liefde en misschien aan de afkerige toestand van uw hart. Hij zal zeggen: ‘Wat? Durft u, met alles wat er aan u mankeert, zo aanmatigend te zijn dat u aanspraak maakt op vereniging met de Zoon van God? Durft u te hopen dat er ooit een huwelijk zal zijn tussen u en de Heilige?’ Hij zal u voorhouden, alsof hij een pleitbezorger van de heiligheid is, dat het onmogelijk is dat iemand zoals u zichzelf kent werkelijk deel kan hebben aan zo’n uitgelezen en bijzonder voorrecht als getrouwd te zijn met de Heere! Laat dit volstaan als antwoord op al zulke influisteringen: de tekst is niet gericht aan christenen bij wie het hart bloeit. Hij wordt niet gezegd tot gelovigen die op de berg Tabor met Christus verheerlijkt zijn. Hij is niet gericht aan een bruid die geheel kuis en schoon onder de banier van de liefde zit en feestviert met haar Heere!

Hij is gericht tot hen die ‘afkerige kinderen’ worden genoemd. God spreekt tot Zijn gemeente in haar laagste en meest vernederde staat. Hoewel Hij niet nalaat haar zonde te bestraffen, erover te klagen en haar er ook over te laten klagen, zegt Hij toch, juist in zo’n staat, tegen haar: ‘Ik heb u getrouwd.’ O, het is goddelijke genade dat Hij met iemand van ons getrouwd wil zijn! Maar het is genade op haar hoogste toppunt, het is de oceaan van genade bij springvloed, dat Hij zo spreekt over ‘afkerige kinderen’! Dat Hij in tonen van liefde spreekt tot iemand van het gevallen geslacht van Adam, is ‘buitengewoon vreemd, ja, wonderbaar’. Maar dat Hij juist hen uitkiest die trouweloos tegen Hem gehandeld hebben, die Hem de nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht, die Hem ontrouw zijn geweest, hoewel ze toch van Hem zijn, en tegen hen zegt: ‘Ik heb u getrouwd’, dat is een goedertierenheid die alles te boven gaat wat wij kunnen wensen of bedenken!

Hoor, o hemel, en verwonder u, o aarde! Laat ieder verstandig hart uitbreken in gezang, ja, laat ieder nederig gemoed de neerbuigende goedheid van de Allerhoogste loven en prijzen! Schep moed, arme, terneergeslagen harten! Hier is een zoete bemoediging voor sommigen van u die neerslachtig en troosteloos zijn en eenzaam zitten, om levend water uit deze bron te putten. Laat het geluid van de schutters u niet weghouden van de plaats waar water geput wordt. Wees niet bang dat u vervloekt zult worden terwijl u op de zegen wacht! Als u maar op Jezus vertrouwt, als u maar een levend deel hebt aan de eens vernederde, nu verhoogde Heere, kom dan met heilige vrijmoedigheid tot de tekst, en welke troost er ook in ligt, ontvang die en verheug u erin! Laten we daartoe de relatie waarover hier gesproken wordt aandachtig beschouwen en ijverig nagaan in hoeverre we er uit ervaring mee bekend zijn.

I. BIJ HET OVERDENKEN VAN DE RELATIE WAAROVER HIER GESPROKEN WORDT, zult u opmerken dat de verwantschap van het huwelijk, hoe nauw ook, geen verwantschap van geboorte is.

1. Het huwelijk is geen oorspronkelijke bloedverwantschap. Het wordt gesloten tussen twee personen die in het eerste deel van hun leven volslagen vreemden voor elkaar kunnen zijn geweest. Misschien hebben ze elkaar nauwelijks in de ogen gekeken, behalve in de paar maanden die aan hun huwelijk voorafgingen. De families kenden elkaar misschien helemaal niet; ze woonden misschien zo ver van elkaar als de tegenvoeters. De een kan rijk zijn geweest en uitgestrekte landgoederen hebben bezeten, de ander kan arm zijn geweest en in benarde omstandigheden hebben geleefd. Stambomen regelen het niet; ongelijkheid verhindert het niet. De verbintenis komt niet voort uit natuurlijke geboorte, maar uit een vrijwillig contract of verbond. Zo is ook de relatie tussen de gelovige en zijn God.

Welke relatie er oorspronkelijk ook bestond tussen God en de mens, die werd door de zondeval uitgewist en teniet gedaan. Wij waren vervreemden, vreemdelingen en bijwoners, ver van God door boze werken. Wij hadden voortaan geen enkele band meer met de Allerhoogste. Wij werden uit Zijn tegenwoordigheid verbannen als verraders van Zijn troon, als veroordeelde misdadigers die tegen Zijn macht in opstand waren gekomen. Tussen onze zielen en God kon geen gemeenschap bestaan. Hij is licht en wij zijn duisternis. Hij is heiligheid en wij zijn zonde. Hij is de hemel, en wij zijn veel nauwer verwant aan de hel. In Hem is volmaakte grootheid, en wij zijn nietige onbeduidendheid. Hij vult alle werelden met Zijn kracht, en wat ons betreft: wij zijn schepselen van een dag, die niets weten en verpletterd worden als een mot.

De kloof tussen God en een zondaar is verschrikkelijk om te overdenken. Er is een enorm verschil tussen God en het schepsel, zelfs als het schepsel rein is. Maar tussen God en het gevallen schepsel, o, waar is hij die die oneindige afstand kan meten? Waar was er ooit een middel om zo’n verschrikkelijke kloof te overbruggen, als de Heere Jezus het niet had gevonden in Zijn eigen Persoon en in Zijn eigen lijden? Hoe hadden wij ooit dat oneindige plan kunnen bevatten, als het ons niet was geopenbaard als een volbracht feit, waardoor Hij ons met Zich verzoend heeft en ons in gemeenschap met Zichzelf gebracht heeft, opdat wij met Hem getrouwd zouden zijn?

Welnu, christen, denk eens na over wat u was en over de vernederde familie waartoe u behoorde, opdat u de rijkdom verheerlijkt van Zijn genade, Die u in uw lage staat tot Zijn bruid heeft genomen en Zich met alle beloften van een echtgenoot zo aan u heeft verbonden dat Hij zegt: ‘Ik heb u getrouwd.’ Wat was u? Het is een zwarte lijst van vuile overtreders die de apostel geeft in de eerste brief aan de Korinthiërs (1 Korinthe 6:9, 11). Ik zie af van een opsomming van die smerige ondeugden, aan het einde waarvan hij zegt: ‘Maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd.’ Aan de misdaden die hij noemt, hadden velen van ons deel, nee, wij allemaal!

Wat was onze vader, en wat was het huis van onze vader? Wat was ons doel? Wat was onze levenswandel? Wat waren onze verlangens? Wat waren onze neigingen? Ze waren aards, neerwaarts, helwaarts! Wij waren ver van God en wij hielden van die afstand. Maar de Heere Jezus nam onze natuur aan; op Hem heeft de HEERE de ongerechtigheid van heel Zijn volk doen aanlopen. En waarom? Niet alleen om ons te redden van de toekomende toorn, maar opdat er, nu wij krachtens Zijn verzoening uit onze vernedering zijn opgeheven en door de kracht van de Geest geheiligd en bekwaam gemaakt, een relatie tussen ons en God zou ontstaan die niet door de natuur is gevormd, maar door verbazingwekkende genade tot stand gebracht en voltooid. Laten we de Heere vanavond danken, nu we terugdenken aan de holligheid van de put waaruit wij gegraven zijn. Laten we bedenken dat we nu met Hem verenigd zijn door banden van bloed en banden van liefde!

2. De huwelijksverbintenis is het gevolg van een keuze! Uitzonderingen op deze regel die men zou kunnen aanvoeren, hebben geen redelijke grond, omdat ze voortkomen uit dwaasheid en overtreding: er zou geen uitzondering moeten zijn. Er is nauwelijks sprake van een echt huwelijk als er niet aan beide kanten een keuze is gemaakt. Maar als de Heere onze God met ons getrouwd is en wij met God, dan is de keuze zeker wederzijds. De eerste keuze ligt bij God. Die keuze is, zo geloven wij, gemaakt vóór de grondlegging van de wereld:

‘Lang voordat de schitterende stralen van de zon
de oerschaduwen van de duisternis verdreven,
lagen zij al aan Zijn heilige borst,
bemind met een eeuwige liefde.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

God is nooit begonnen Zijn volk lief te hebben. Het zou voor een geestelijk verstand onmogelijk zijn zo’n onwaardige gedachte te koesteren. Hij zag hen in de spiegel van Zijn besluiten. Hij zag hen met het oog van Zijn voorkennis van tevoren in de massa van schepselen, allen gevallen en verloren. Maar toch zag Hij hen aan, had medelijden met hen en had hen lief, verkoos hen en zonderde hen af. ‘Zij zullen de Mijne zijn,’ zegt de HEERE.

Hierover zijn we het allemaal eens. En over het tweede punt zouden we het ook allemaal eens moeten zijn, namelijk dat ook wij onze God hebben gekozen. Broeders, niemand wordt tegen zijn wil gered! Als iemand zou zeggen dat hij tegen zijn wil gered is, zou dat bewijzen dat hij helemaal niet gered is! Tegenzin of onverschilligheid verraadt een volledige vervreemding van alle genegenheden van het hart. Als de wil nog altijd tegen God gekeerd is, dan blijkt de hele mens in vijandschap met Hem te leven.

Van nature hebben wij God niet gekozen; van nature sloegen wij achteruit tegen Zijn wet en keerden we ons af van Zijn heerschappij. Maar staat er niet geschreven: ‘Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht’ (Psalm 110:3)? Begrijpt u hoe God, zonder uw vrije wil in enig opzicht geweld aan te doen, de juiste argumenten en beweegredenen heeft gebruikt om uw verstand te beïnvloeden? Via ons verstand wordt onze wil overtuigd en wordt onze ziel als vanzelf aangetrokken. Dan werpen we de wapens van onze opstand neer en vernederen we ons aan de voetbank van de Allerhoogste. En dan kiezen we in vrijheid voor wat we eens in onze goddeloosheid verafschuwden! Christen, kiest u op dit moment niet met heel uw hart voor Christus als uw Heere en Zaligmaker?

Als u opnieuw voor de keuze werd gesteld of u de wereld zou liefhebben of Christus, zou u dan niet zeggen: ‘O, mijn Geliefde is mij meer waard dan tienduizend werelden! Hij bindt al mijn liefde aan Zich en neemt al mijn hartstocht in beslag. Ik geef mij heel vrijwillig aan Hem over. Hij heeft mij gekocht voor een grote prijs. Hij heeft mij gewonnen met Zijn grote liefde. Hij heeft mij in vervoering gebracht met Zijn onuitsprekelijke beminnelijkheid, en daarom geef ik mij aan Hem over’? Hier is sprake van een wederzijdse keuze!

Ik zou willen dat sommige van onze vrienden ophielden zich zo te verzetten tegen de leer dat God ons heeft verkozen. Als ze de Schrift maar met een onbevooroordeelde geest lezen, ben ik er vrij zeker van dat ze die leer daar zullen vinden. Het blijft voor mij altijd onverklaarbaar dat zij die zo stoutmoedig de vrije wil voor de mens opeisen, niet ook God enige vrije wil gunnen!

Ik neem aan dat mijn broeders niet graag zouden trouwen met iemand die ze niet zelf hadden gekozen. Waarom zou Jezus Christus dan niet het recht hebben om Zijn eigen bruid te kiezen? Waarom zou Hij Zijn liefde niet mogen schenken aan wie Hij wil, en niet het recht hebben om naar Zijn eigen soevereine wil Zijn hart en hand te geven, wat niemand op welke manier dan ook zou kunnen verdienen? Weet dit: Hij zal Zijn eigen keuze maken, of wij de leer nu bestrijden of niet! Hij zal Zich ontfermen over wie Hij Zich ontfermen wil, en barmhartig zijn over wie Hij barmhartig wil zijn (Romeinen 9:15). Tegelijk zou ik willen dat de vrienden die deze waarheid van God geloven, ook de andere zouden aannemen, die even waar is.

Wij kiezen op onze beurt ook voor Christus, en dat zonder dat onze vrije wil geweld wordt aangedaan. Sommige mensen kunnen geen twee waarheden tegelijk zien. Zij begrijpen niet dat God alle waarheden tweezijdig heeft gemaakt. De waarheid heeft vele kanten. Hoewel de goddelijke voorbeschikking waar is, is de menselijke verantwoordelijkheid ook waar! Het is waar dat Christus ons kiest, maar het is ook waar dat het onvernieuwde hart Hem niet zal kiezen: ‘En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben‘ (Johannes 5:40).

Dit is de zonde en het oordeel van de mens, ‘dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos’ (Johannes 3:19). Houd echter vast dat wanneer God zegt: ‘Ik heb u getrouwd’, daarin ligt dat er aan beide kanten een gezegende keuze is, en dat het dus een echt huwelijk is.

3. Onze derde overweging is dat het huwelijk wordt samengebonden door wederzijdse liefde. Waar die wederzijdse genegenheid ontbreekt, verdient het de naam huwelijk niet. De donkere schaduw van een zegen die men niet kan beleven, moet voor beide harten een zware last zijn. Maar waar ware en oprechte liefde is, is het de zoetste en gelukkigste manier van leven. Het is een van de zegeningen van het paradijs die ons na de zondeval bewaard zijn gebleven. Zonder liefde moet het huwelijksleven een waar ‘vagevuur’ op aarde zijn. In het plechtige verbond dat onze zielen vanavond tot God heeft gebracht, wordt het huwelijk gedragen, samengebonden, versterkt en liefelijk gemaakt door wederzijdse liefde.

Moet ik u nog vertellen over de liefde van God? Het is een onderwerp waarover we nauwelijks kunnen spreken. U moet ervoor gaan zitten en erover wenen van louter vreugde, een vreugde die het hart vult en de ogen doet overlopen, maar de tong bijna aan banden legt, want deze liefde is diep, peilloos en onuitsprekelijk. ‘Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft’ (Galaten 2:20). ‘Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft’ (1 Johannes 3:1). ‘Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad’ (Johannes 15:9).

O, de liefde van God! Het zou de macht van een engel te boven gaan om haar te beschrijven. Voorzeker, voorzeker, het zal in de lange eeuwen van de eeuwigheid onze gezegende bezigheid zijn om haar te begrijpen. En misschien zullen we, als er ontelbare eeuwen over onze gelukkige zielen zijn heengegaan, er nog even verwonderd over zijn als in het begin! Het wonder wordt bij nadere beschouwing niet kleiner; vertrouwdheid kan het niet gewoon maken. Hoe dichter we naderen, hoe dieper ons ontzag. Het zal aan het einde van tienduizend jaar een even grote verrassing zijn als in het begin dat God zulke koude, ongelovige en onwaardige wezens als wij liefheeft, en misschien nog wel meer! Hoe grondiger we onszelf leren kennen, des te voller zullen we de goedheid van de Heere begrijpen, en zo zal onze verwondering groeien en aanzwellen. Zelfs in de hemel zullen we opgaan in verwondering en bewondering over Gods liefde voor ons! De vervoering zal de eerbied die we voelen nog vergroten.

Welnu, geliefde broeders en zusters, ik vertrouw erop dat ook wij op onze beurt Hem liefhebben! Voelt u niet de ene tedere genegenheid na de andere opkomen als u nadenkt over de Christus van God? Als u soms luistert naar een preek waarin de dierbare liefde van de Heiland voor u wordt uitgestald, voelt u dan niet dat de tranen over uw wangen lopen? Zwelt uw hart soms niet op, alsof het uw gevoelens niet kan bevatten? Komt er niet een ‘onuitsprekelijke en heerlijke vreugde’ over u?

Kunt u niet zeggen: ‘Jezus, ik heb Uw heerlijke Naam lief, hij klinkt als muziek in mijn oren;
graag zou ik hem zo luid laten klinken dat aarde en hemel hem zouden horen’? Ik hoop dat u vanavond niet hoeft te zingen: ‘Dit is wat ik zo graag zou weten.’ Ik vertrouw erop dat u in de plechtige stilte van uw ziel kunt zeggen: ‘Gij weet, dat ik U liefheb’, bedroefd dat de vraag gesteld wordt, maar toch bereid om met Petrus te antwoorden: ‘Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb.’

Het is voor u onmogelijk God lief te hebben zonder dat u daarin het sterke, overtuigende bewijs hebt dat God u liefheeft. Ik kende eens een goede vrouw die door veel twijfels werd geplaagd. Toen ik tot de bodem van haar twijfel doordrong, kwam het hierop neer: ze wist dat ze Christus liefhad, maar ze was bang dat Hij haar niet liefhad! ‘O,’ zei ik, ‘dat is een twijfel waar ik nooit last van zal hebben! Nooit, onder geen enkele omstandigheid, want hiervan ben ik zeker: het hart is van nature zo verdorven dat er nooit liefde tot God in is gekomen zonder dat God die erin heeft gelegd.’

U kunt er volkomen zeker van zijn dat uw liefde tot God een vrucht is en geen wortel. Ze is de vrucht van Gods liefde voor u en is er niet gekomen door de kracht van enige goedheid in u. U mag met absolute zekerheid besluiten dat God u liefheeft als u God liefhebt. Er was nooit enige moeilijkheid aan Zijn kant. Die lag altijd aan uw kant, en nu de moeilijkheid bij u is weggenomen, blijft er helemaal niets meer over. O, laat ons hart zich verblijden en vervuld zijn met grote vreugde, omdat de Heiland ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft overgegeven. Laten we zo de waarheid van de tekst beseffen: ‘Ik heb u getrouwd.’

4. Mijn vierde opmerking is dat dit huwelijk bepaalde wederzijdse betrekkingen met zich meebrengt. Ik kan niet zeggen ‘plichten’, want dat woord lijkt aan beide kanten misplaatst. Hoe kan ik spreken over de grote God Die beloften van trouw aflegt? En toch wil ik het met eerbied zo verwoorden, want in welke woordenschat ook heb ik nauwelijks woorden om het uit te drukken. Wanneer God een Echtgenoot wordt, neemt Hij het op Zich de rol van een echtgenoot te vervullen. Als Hij zegt: ‘Uw Maker is uw Man’, dan kunt u er zeker van zijn dat Hij die relatie niet aangaat zonder (ja, ik moet het zeggen) alle verantwoordelijkheden op Zich te nemen die bij die staat horen!

Het is Gods deel om hen met wie Hij Zich, in oneindige barmhartigheid, verwaardigt een verbintenis aan te gaan, te voeden, te koesteren, te beschutten, te beschermen en te zegenen. Toen de Heere Jezus Christus de Echtgenoot van Zijn gemeente werd, wist Hij Zich aan ons verbonden, en omdat er schulden waren gemaakt, betaalde Hij die.

‘Ja, zei de Zoon, met haar ga Ik
door alle diepten van zonde en ellende;
en aan het kruis zal Ik zelfs
de bittere pijnen van de dood voor haar dragen.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Hij deinsde er nooit voor terug om ook maar één van de liefdevolle werken te doen die horen bij de echtgenoot van zijn uitverkoren bruid. Hij verhief het woord ‘echtgenoot’ en gaf het een rijkere betekenis dan het ooit had gehad, zodat de apostel het in een nieuw licht zag schitteren en kon zeggen: ‘Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven’ (Efeze 5:25).

O ja, beste vrienden, uit deze relatie komt een verantwoordelijkheid voort, en Hij over Wie wij spreken, heeft Zich daar niet aan onttrokken! U weet dat Hij dat niet gedaan heeft. En nu: wat wordt er van onze kant verwacht? De vrouw moet haar man eerbiedigen en in alles aan hem onderdanig zijn. Dat is precies onze positie tegenover Hem Die met ons getrouwd is. Laat Zijn wil onze wil zijn. Laat Zijn wens onze wet zijn. Laten we niet tot dienen gegeseld hoeven te worden, maar laten we zeggen: ‘Het is de liefde die onze gewillige voeten in snelle gehoorzaamheid doet gaan.’

O christen, als de Meester Zich verwaardigt te zeggen: ‘Ik heb u getrouwd’, dan zult u niet langer vragen: ‘Wat is mijn plicht?’, maar zult u zeggen: ‘Wat kan ik voor U doen?’ De liefhebbende vrouw zegt niet: ‘Wat is mijn plicht?’, en staat niet koeltjes te overwegen hoe ver ze moet gaan en hoe weinig ze kan doen. Nee, alles wat ze kan doen voor hem die haar man is, zal ze doen; alles wat ze kan bedenken, alles waaraan ze zich kan wijden in haar streven om hem in alles te behagen, zal ze zeker doen en volbrengen.

U en ik zullen hetzelfde doen als wij onze vereniging met Christus werkelijk beseffen! O geliefden, word niet sentimenteel en verspil uw krachten niet aan zwijmelende fantasieën, zoals sommigen gedaan hebben. Spreekt u van een vrouw? Waar het gezin groot is, is het werk zwaar en de verantwoordelijkheid groot. Graag zou ik u hier, als de tijd het toeliet, herinneren aan de woorden van koning Lemuël en de profetie die zijn moeder hem leerde. Verdraag mij in elk geval terwijl ik u vermaan om zo’n vrouw te zijn, opdat het hart van uw man veilig op u kan vertrouwen.

Laat het uw zorg zijn uw huis spijs te geven. Steek uw handen uit naar de spil; laat uw ijver niet verslappen; eet het brood der luiheid niet. Breid uw handpalm uit tot de ellendige en steek uw handen uit tot de nooddruftige. Doe uw mond open met wijsheid, en laat op uw tong de leer der goeddadigheid zijn. Ja, en bedenk dit voor uzelf: door acht te geven op alle plichten van uw staat, komt u uw verschuldigde verplichtingen aan uw Heere na. Korte woorden, maar machtige, weergaloze daden hebben verteld hoe Jezus ons liefhad! Laat het onze taak zijn ons lied van liefde voor Hem te griffen in de harten van enkele tere kinderen die op onze weg zijn gekomen en aan onze zorg zijn toevertrouwd.

O, dat het leven dat ik nu in het vlees leef door het geloof in de Zoon van God, een gedicht mocht worden en een dankbaar antwoord aan Hem Die mij liefgehad en Zichzelf voor mij overgegeven heeft. Ik hoop dat we dan ook weten dat wanneer God zegt: ‘Ik heb u getrouwd’, dit wederzijdse betrekkingen met zich meebrengt.

5. In de vijfde plaats houdt het ook wederzijds vertrouwen in. Hoe kunnen we iets een huwelijk noemen als man en vrouw nog steeds twee afzonderlijke personen blijven en hun eigen individualiteit vasthouden alsof dat een strikte voorwaarde van het contract was? Dat is volstrekt vreemd aan wat God ermee bedoeld heeft!

In een echt huwelijk worden man en vrouw één. Daarom stijgen hun vreugden en zorgen, hun hoop en hun inspanningen, hun verdriet en hun genoegens op en vloeien ze samen in één stroom. Broeders en zusters, de Heere onze God heeft het gezegd: ‘De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken’ (Psalm 25:14).

‘Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?’ (Johannes 14:22). Daar lag het geheim: er is een eenheid tussen Christus en Zijn volk die er niet is tussen Christus en de wereld! Hoe vreugdevol klinken de woorden, ze hebben een zilveren klank: ‘Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt’ (Johannes 15:15). Christus houdt niets voor u achter! Denk aan een ander woord van Hem: ‘Anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben.’ O, wat heerlijk! Hij zegt: ‘Ik ga heen om u plaats te bereiden.’ Hij vertelt hun dat Hij heengaat om een plaats voor hen te bereiden, en dan zegt Hij als het ware: ‘Anders zou Ik het u gezegd hebben. Ik houd geen geheimen voor u achter; u bent Mij nabij, Mijn vlees en Mijn beenderen. Ik heb het huis van Mijn Vader in de heerlijkheid verlaten om één met u te worden en Mij aan u te openbaren. Ik houd niets voor u achter, maar openbaar u Mijn eigen hart en Mijn eigen ziel.’ Welnu, christen, kijk eens: u staat in de verhouding van een bruid, en u moet Christus uw hele hart openleggen.

Nee, ga het niet aan uw buren vertellen, en ook niet aan uw vrienden, want op de een of andere manier kan zelfs het meest meelevende hart niet in al ons verdriet indringen. Er is een verdriet waarin een vreemde zich niet kan mengen, maar er was nooit een smart waarin Christus niet kon indringen. Maak de Heere Jezus tot uw vertrouweling: vertel Hem alles! U bent met Hem getrouwd! Wees als een vrouw die geen geheimen achterhoudt, geen zorgen achterhoudt, geen vreugden achterhoudt: vertel ze Hem allemaal!

Ik was gisteren in een huis waar een klein kind was, en men zei tegen mij: ‘Hij is zo’n grappig kind.’ Ik vroeg in welk opzicht, en de moeder zei: ‘Nou, als hij in de keuken valt en zich pijn doet, gaat hij altijd huilend naar boven om het iemand te vertellen, en dan komt hij naar beneden en zegt: “Ik heb het iemand verteld.” En als hij boven is, gaat hij naar beneden om het iemand te vertellen, en als hij terugkomt, is het altijd: “Ik heb het iemand verteld”, en dan huilt hij niet meer.’ Ja, dacht ik, wij moeten het iemand vertellen! Het zit in de menselijke natuur om medeleven te zoeken. Maar als we altijd naar Jezus zouden gaan, Hem alles zouden vertellen en het daar zouden laten, dan zouden we dikwijls de last kwijt zijn en verkwikt worden met een lied van dankbaarheid. Laten we dat doen, en met al onze vreugden en al onze zorgen gaan naar Hem Die zegt: ‘Ik heb u getrouwd.’

Ik weet dat de duivel zal zeggen: ‘Kom nou, u moet de Heere uw huidige zorg niet vertellen, die is veel te gering. En bovendien weet u dat u verkeerd gehandeld hebt en het aan uzelf te wijten hebt.’ Maar u zou het toch aan uw man vertellen, nietwaar? En wilt u het dan uw Heere niet vertellen? Aan een heer en meester zou u het niet kunnen vertellen, maar aan een echtgenoot wel. O, val niet terug in de oude wettische staat waarin we Christus Baäli noemen, maar noem Hem Ishi, ‘Mijn Man, mijn Echtgenoot’, en stel in Hem het vertrouwen dat een vrouw hoort te stellen in een echtgenoot die haar innig liefheeft.

6. We moeten verder naar een zesde punt. Dit huwelijk houdt gemeenschap in op alle terreinen van het leven. Wat een man bezit, wordt ook van zijn vrouw. Zij kan niet arm zijn als hij rijk is, en het weinige dat zij heeft, wat het ook is, komt hem toe. Als zij schulden heeft, worden haar schulden de zijne. Toen Jezus Christus Zijn volk tot Zich nam, gaf Hij hun alles wat Hij had. Er is niets wat Christus heeft dat Hij ons niet heeft gegeven. Het is opmerkelijk dat Hij Zijn gemeente Zijn eigen Naam heeft gegeven! ‘Waar dan?’ vraagt u. Welnu, er zijn twee plaatsen in Jeremia die dit op de meest opmerkelijke wijze laten zien (Jeremia 23:6 en Jeremia 33:16). In de ene staat: ‘Dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen’, en in de andere wordt met precies die naam de stad genoemd. In beide is de naam gelijk: Jehova Tsidkenu, ‘De HEERE, onze GERECHTIGHEID.’ Wat? Wordt zij zo genoemd? Ja, alsof Hij zei: ‘Zij zal Mijn Naam dragen’, en met die Naam natuurlijk de volledige, openlijke erkenning dat Hij in haar belang stelt en zij in Hem.

Als zodanig heeft zij deel aan al Zijn heerlijkheid. Is Hij een Koning, dan is zij een koningin. Is Hij in de hemel, dan heeft Hij ‘ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.’ Is Hij hemels, dan zal ook zij het beeld des hemelsen dragen. Is Hij onsterfelijk, dan zal zij het ook zijn. En is Hij aan de rechterhand van de Vader, dan zal ook zij met Hem hoog verheven zijn.

Het zegt maar heel weinig als ik eraan toevoeg dat daarom alles wat wij hebben, aan Hem toebehoort. O, het is zo weinig, zo heel weinig; je zou wensen dat het meer was. ‘Was Christus maar niet zo heerlijk als Hij is,’ heb ik weleens gedacht! Het was een half goddeloze wens, maar ik bedoelde het goed: dan zou ik kunnen helpen Hem te verheerlijken. O, was Hij nog maar arm, zodat men Hem voor een maaltijd kon uitnodigen! O, was Hij nog maar in deze wereld, zodat men de albasten fles met zalf kon breken en op Zijn hoofd uitgieten! Maar U bent zo groot, gezegende Meester, dat wij niets kunnen doen om U groter te maken! U bent zo hoog, wij kunnen U niet verhogen! U bent zo gelukzalig, wij kunnen U niet zegenen! Maar wat zeg ik? Het is allemaal een vergissing! Hij is hier nog! Hij noemt ieder van Zijn volk ‘leden van Zijn lichaam’. Wilt u Hem verrijken, help dan de armen! Wilt u Hem voeden, geef dan de hongerigen te eten. Wie de naakten met kleren omhangt, bekleedt de Heere Zelf. ‘Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan’ (Mattheüs 25:40). Ik hoop dat wij zonder onwaarheid dit couplet van dr. Watts kunnen meezingen:

‘En mocht ik iets voor mij behouden
en riep de plicht mij niet,
toch heb ik mijn God met zo’n ijver lief
dat ik Hem alles zou kunnen geven.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

7. Nog een zevende opmerking, en dan zal ik niet langer bij dit punt stilstaan. De kroon op het huwelijk is wederzijdse vreugde en welbehagen. De vrouw van een Perzische edelman was naar een feestmaal geweest dat de grote Darius had gegeven. Haar man vroeg haar of ze niet vond dat Darius de knapste man ter wereld was. Nee, zei ze, dat vond ze niet. Ze had nog nooit iemand ter wereld gezien die met haar man te vergelijken was. En ongetwijfeld is dat precies het oordeel van een man over zijn vrouw en van een vrouw over haar man, als het huwelijk is zoals het hoort te zijn. Welnu, Christus hecht zeker veel waarde aan ons. Ik herinner mij dat ik die plaats in het Hooglied van Salomo eens overdacht; ik keek ernaar en vroeg mij af hoe het waar kon zijn. Ik geloofde het, maar ik kon het niet bevatten. Daar zegt Christus: ‘Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u’ (Hooglied 4:7). O, wat voor ogen moet Hij hebben! Wij zeggen dat liefde blind is, maar dat kan bij Christus niet waar zijn, want Hij ziet alles! Wel, zo zit het: Hij ziet Zichzelf in ons! Hij ziet ons niet zoals we zijn, maar in Zijn oneindige genade ziet Hij ons zoals we zullen zijn, zoals Kent zingt:

‘Niet zoals zij stond bij Adams val,
toen zonde en verderf alles bedekten,
maar zoals zij eens zal staan op een andere dag,
helderder dan de middagstralen van de zon.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

De beeldhouwer zegt dat hij in een blok marmer een borstbeeld kan zien, en dat hij alleen maar het overtollige marmer hoeft weg te hakken om het borstbeeld tevoorschijn te laten komen. Zo kan Christus in ieder van ons een volmaakt wezen zien, als wij Zijn volk zijn! En wat Hij dag na dag met ons doet, is de wratten wegnemen, zodat we aan Hem gelijk worden. Hij kan ons zien zoals we eens voor de troon van God in de hemel zullen staan, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks.

O geliefden, Hij hecht veel waarde aan ons! Zijn vermakingen zijn met de mensenkinderen! Hij hoort graag onze lof en luistert graag naar ons gebed. De liederen van Zijn volk zijn Hem een liefelijke geur, en de gemeenschap met Zijn volk is als de bedden van specerijen, de bedden van lelies waar Hij weidt.

En wat ons betreft, wij die Zijn volk zijn: ik weet zeker dat we kunnen zeggen dat er geen vreugde is die opweegt tegen de gemeenschap met Christus! We hebben andere genoegens geprobeerd, tot onze schande! We hebben er enkele geprobeerd, maar daarna ontdekken we dat er niets is als onze Heere. ‘Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.’ Maar wanneer we tot Christus komen, vinden we daar geen ijdelheid, en kunnen we werkelijk zeggen:

‘Waar is er zulk een zoetheid
als ik in Uw liefde heb gesmaakt,
als ik in U heb gevonden?’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Het hart van een christen is als de duif van Noach: het vliegt over de wijde, woeste vlakte en vindt geen rust voor het hol van zijn voet, totdat het terugkeert tot Christus. Hij is de ware Noach, Die Zijn hand uitsteekt, de vermoeide duif tot Zich neemt en haar rust geeft. Er is geen vrede in de hele wereld dan bij Christus:

‘Hier beneden is geen ware vreugde,
mijn Jezus is mijn al;
zoals U schijnt of Zich verbergt,
zo rijst of daalt mijn vreugde.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Tot zover, als het ware aan de oppervlakte, de overdenking van dit heerlijke woord: ‘Ik heb u getrouwd.’

II. Over het tweede punt nog maar twee of drie zinnen. IN HOEVERRE KENNEN U EN IK DIT UIT ERVARING? Ik ben bang dat sommigen van u mij vanavond half gek vinden. U zegt: ‘Nou, dit begrijp ik niet. Waar heeft die man het over? God met ons getrouwd! Christus met ons getrouwd! Ik begrijp het niet!’

Moge God Zich over u ontfermen, mijn arme hoorder, en u het leren kennen! Maar ik zeg u: als u het maar wist, hier ligt een geheim dat u duizend keer gelukkiger zou maken dan alle vreugden van de wereld u ooit kunnen maken. U doet mij denken aan de haan uit de fabel, die een diamant op de mesthoop vond, hem omdraaide en zei: ‘Ik had liever een gerstekorrel gevonden.’ Dat paste bij zijn aard. En zo is het ook met u. Deze kostbare parel van de vereniging met God zal u niets lijken; een beetje wereldse vreugde valt meer in uw smaak. Men zou kunnen wenen bij de gedachte dat er zo’n onwetendheid bestaat over ware vreugde en ware verrukking! O blinde ogen, die geen schoonheid in de Heiland kunnen zien! O steenkoude harten, die niets beminnelijks in Hem kunnen zien! Jezus, zij zijn dronken, zij zijn dwaas, die U niet kunnen liefhebben! Het is een vreemde verblinding van de mensenkinderen dat zij denken zonder U te kunnen, dat zij enig licht kunnen zien buiten U, U Zon der gerechtigheid, of iets wat op schoonheid lijkt in alle tuinen van de wereld buiten U, U Roos van Saron, U Lelie der dalen! O, kenden zij U maar!

‘Duizend smarten doorboren mijn ziel
bij de gedachte dat niet allen de Uwen zijn.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Spreek ik vanavond tot iemand die, terwijl hij zich voordoet als godsdienstig mens, het met zijn trouw aan de Heere niet zo nauw neemt? Er zijn er veel van, en we komen ze hier van tijd tot tijd tegen. Ze kunnen hun geweten niet sussen zonder enige schijn van belijdenis, dus voegen ze zich bij ons als hoorders en toeschouwers in de plechtige samenkomst. Maar ze sluiten zich nooit bij de gemeente aan, omdat ze hun hart niet in toewijding aan Christus hebben overgegeven. Vraag hun naar de reden, en hun antwoord klinkt bescheiden, maar de terughoudendheid die erin ligt, is allesbehalve kuis. Zegt u ons dat u bang bent dat u niet consequent zou wandelen? Zou het niet eerlijker zijn toe te geven dat uw omgang met de wereld, uw dienst aan de mammon, uw gewone tijdverdrijf en uw af en toe uitbundige feesten, hoe onschuldig u uzelf ook probeert wijs te maken dat ze zijn, in het licht van een huwelijk met Christus als een grote schande zouden gelden?

Wat de beginselen van het christendom betreft: u onderschrijft ze in uw persoonlijke geloofsovertuiging, en u bent ‘protestant’ genoeg om de meest evangelische leerstellingen te verkiezen. Maar de terughoudendheid in uw gedrag wijst duidelijk op een uiterst noodlottige terughoudendheid in uw karakter. U zou wel willen erkennen dat God de hoogste, maar niet dat Hij de enige Heere van uw hart is. U zou het altaar van de Heere meer eer geven dan enig ander altaar, maar toch zou u de hoogten die het land ontheiligen niet wegnemen. U bent van mening dat er op de hele aarde geen god is dan de God van Israël, maar in de praktijk buigt u zich neer in het huis van Rimmon. U wilt alle beloften van God graag voor uzelf ontvangen, maar u hebt er beslist bezwaar tegen om in Zijn heiligdom geloften af te leggen. Voor mensen zoals u is deze tere oproep uiterst onwelkom: ‘Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd.’ Niets in uw ervaring beantwoordt hieraan. U houdt zich afzijdig, alsof u gekrenkt bent. Daarom moet ik u waarschuwen dat God alleen uw God kan zijn in deze banden van de verbondsvereniging.

Maar, christen, nu spreek ik tot u. U weet hier toch zeker iets van, dat God met u getrouwd is? Als dat zo is, kunt u dan niet met mij zeggen: ‘Ja, en Hij is voor mij een zeer trouwe Echtgenoot geweest’? Er is niemand van u die daar iets tegenin kan brengen! Tot nu toe is Hij u zeer trouw geweest, en wat bent u voor Hem geweest? Hoe vriendelijk en teder is Hij geweest! Hoe trouw, hoe edelmoedig, hoe meelevend! In al uw benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft u behouden. Juist in uw uiterste nood is Hij u te hulp gekomen. Hij heeft u door elke moeilijkheid heen gedragen, tot op deze dag. O, u kunt goed over Hem spreken, nietwaar?

En wat Zijn liefde betreft, christen, wat Zijn liefde betreft, wat vindt u daarvan? Is die voor u niet de hemel op aarde? Rekent u het niet tot…

‘de hemel hierboven:
Zijn aangezicht te zien, Zijn liefde te smaken’?

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Welnu, spreek dan goed over Hem, spreek goed over Hem! Laat deze wereld Zijn lof horen! Laat die zilveren klok luiden in de dove oren van dit geslacht! Laat hen weten dat uw Geliefde de schoonste van allen is, en dwing hen te vragen: ‘Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen!’

En u die Hem niet kent, ik wil u een vraag stellen; beantwoord die voor uzelf. Wilt u met Christus getrouwd zijn? Wilt u Hem hebben? O, dan staat er niets in de weg om deze verbintenis te sluiten! Als uw hart naar Christus uitgaat, wil Hij u hebben. Als u thuis bij uw bed tegen Hem zegt: ‘Lieve Heiland, hier is mijn hart. Neem het, was het, red mij’, dan zal Hij u horen! Wie u ook bent, Hij zal u niet afwijzen. O, Hij zoekt u, Hij zoekt u! En wanneer u Hem zoekt, is dat een zeker teken dat Hij u gevonden heeft! Ook al hebt u Hem nog niet gevonden, Hij heeft u al gevonden. De trouwring ligt klaar. Het geloof is de gouden ring, het teken van de huwelijksband. Vertrouw op de Heiland! Vertrouw op Hem! Houd op met vertrouwen op uw goede werken. Houd op met steunen op uw verdiensten. Neem Zijn werken, Zijn verdiensten, en rust alleen op Hem, want nu zegt Hij tot u: ‘Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden. En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen‘ (Hosea 2:18-19). Moge Hij zo doen met ieder van u, en moge de Naam van Christus voor eeuwig verheerlijkt worden.

Amen.

Preek nr. 762 · Gehouden te Newington, Londen, op een zondagavond in 1867; exacte datum onbekend, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 13. Oorspronkelijke titel: “The Relationship of Marriage”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.