Brief aan zijn vriend William — Cambridge, 1851

BRIEF 175
Cambridge,——, 1851.
Mijn beste William,
Aan dit adres zie je dat ik niet meer bij de heer Swindell ben, maar dat ik het hier heel goed heb, op een kleinere school met ongeveer vijftien jongens. Ik neem aan dat je thuis bent, maar merkt dat het boerenwerk niet alleen maar spel is, en misschien ook niet in alles zo nuttig of aangenaam als studeren. Terecht wordt gezegd: “Wij kennen de waarde van onze zegeningen pas als wij ze verliezen.”
Omdat ik de waarde van de godsdienst ken, in elk geval in enige nederige mate, wil ik ook die onder je aandacht brengen. Als je jezelf de tijd gunt om na te denken, zul je al gauw beseffen dat je moet sterven. En als je nog een ogenblik langer stilstaat, zul je bedenken dat je een ziel hebt, en dat die ziel nooit zal sterven, maar eeuwig zal leven; en als je sterft in de staat waarin je nu bent, moet zij leven in eindeloze pijniging. Je bent een wezen dat verantwoording schuldig is; God, Die je gemaakt heeft, eist volmaakte gehoorzaamheid.
Maar je moet erkennen dat je gezondigd hebt. Zeg niet: “Ik ben geen grote zondaar,” want één enkele zonde zou al genoeg zijn om je ziel voor eeuwig in de put van het verderf te doen zinken. Het doodvonnis staat tegen je uit, en alleen de barmhartigheid houdt de voltrekking ervan nog tegen. Nu je in zo’n groot gevaar verkeert, hoe denk je dan te ontkomen? Je zult toch zeker niet tevreden zijn om te sterven zoals je nu bent, want eens zul je ondervinden dat het geen kleinigheid is het brandende ongenoegen van een vertoornde God te moeten dragen.
Meen je dat God je vroegere overtredingen zal vergeven als je voortaan beter leeft? Dat is een vergissing; kijk maar of je dat in de Bijbel kunt vinden.
Misschien ben je van plan over de godsdienst na te denken als je nog wat langer van de zonde hebt genoten; of misschien (maar zo dwaas ben je toch zeker niet) denk je dat je te jong bent om te sterven. Maar wie weet of die latere tijd je gegeven zal worden, en wie heeft gezegd dat je je tot Christus kunt keren wanneer het jou belieft? Je hart is arglistig, meer dan enig ding, en je natuurlijke verdorvenheid is zo groot dat je je niet tot God zult keren.
Vertrouw dan niet op voornemens die je in eigen kracht maakt, want die zijn niet meer dan wind; ook niet op jezelf, want je bent maar een gebroken riet; en ook niet op je eigen hart, anders ben je een dwaas. Er is geen weg van zaligheid dan Christus. Je kunt jezelf niet redden, want je hebt zelfs de kracht niet om één goede gedachte te denken; ook de liefde en de gebeden van je ouders kunnen je niet redden. Niemand dan Jezus kan het. Hij is de Zaligmaker van de hulpelozen, en ik zeg je dat Hij gestorven is voor allen die voelen hoe snood zij zijn en tot Hem komen om gereinigd te worden.
Je verdient de zaligheid niet. Welnu, in het verbond wordt van de kant van de zondaar geen jota verdienste genoemd. Je hebt niets, je bent niets, maar Christus is alles, en Hij moet alles voor je zijn, anders word je nooit behouden. Niemand komt in de hemel dan door vrije genade, en door vrije genade alleen. Zelfs een zwak verlangen naar iets goeds is van God gekomen, en van Hem moet je meer ontvangen, want Hij geeft mildelijk, en nog nooit is een arme zondaar die aan Zijn deur bedelde, met lege handen weggezonden. Let toch op de zaligheid van de ware godsdienst: niemand is werkelijk gelukkig dan een kind van God.
De gelovige is veilig, want God heeft beloofd hem te bewaren; en als je eenmaal de parel van grote waarde bezit, kan die je niet meer ontnomen worden. De weg naar de hemel is het geloof, opzien naar Jezus; dit geloof is de gave van God, en alleen wie het bezit, kent de waarde ervan. O, mocht jij het bezitten! — dat is het ernstige gebed van —
Getrouw de jouwe,
Charles H. Spurgeon.
© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas