Brief aan Newman Hall — Mentone, 20 januari

BRIEF 196
Mentone, 20 januari.
Geliefde broeder,
Uw liefde staat mij toe kort te zijn. Dank u. Ik werk mij omhoog uit de verdoving naar de pijn, van de pijn naar tussenpozen van verlichting, van hard hoesten naar een zwakke stem, van mij kronkelen naar wat rondscharrelen op de manier van iemand die pas leert lopen, met een stoel als loopwagentje. Ik ben aan iets ontkomen dat mij doet huiveren van dankbaarheid. Hier is nu een man die zijn tanden uit zijn mond sloeg en toch zijn vlees niet openhaalde, en die tweemaal zo volledig over de kop sloeg dat zijn geld in zijn laarzen belandde. Er hangt iets komisch om het plechtige wanneer ik er middenin zit. Ik heb geen greintje vrede verloren, zelfs geen greintje vreugde; toch heb ik medelijden met een hond die in al zijn vier poten zoveel heeft gevoeld als ik in één. Alles is goed. Ik ben spoedig thuis. Zeer liefdevol de uwe,
C. H. Spurgeon.
© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas