Brief aan Fullerton

BRIEF 156
Beste meneer Fullerton,
Ik verkeer in zo’n positie dat ik zelfs een gewillig paard tot boven alle redelijkheid moet voortdrijven. Ik heb van jou een voordracht nodig voor de conferentie.
Ik ben heel ziek geweest, ik ben het nog en kan nauwelijks rechtop zitten. Toch moet deze conferentie geregeld worden, en daarom schrijf ik je zo aandringend. Weiger het mij niet. Ik geef toe dat het al te bar is, enzovoort. Ik geef nog veel meer toe: ik ben onnadenkend, wreed, tiranniek, alles wat slecht is.
Toch smeek ik je “Ja” te zeggen. Een heilig, geestelijk onderwerp, gewoon op je eigen manier behandeld. Ik zucht ernaar een godvruchtige, smekende, geestelijke samenkomst te zien.
Daaraan kun je bijdragen zoals weinigen het kunnen. Ik moet vreselijk despotisch zijn en zeggen dat het moet. God zegene je in Leicester. Mijn hartelijke groeten aan Smith en aan jou. Och, mocht die plaats behouden worden! Als er daar mensen zijn die de oude waarheid liefhebben, moge God, onze Heere, hen dan dwingen om als mannen naar buiten te komen. Hartelijk de jouwe,
C. H. Spurgeon.
© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas