Uitnodiging tot een gesprek met God

Een preek bestemd om te worden voorgelezen op zondag 1 februari 1903, oorspronkelijk uitgesproken op zondagmorgen 17 juni 1877 door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. Jesaja 1:18

De mensen tot wie deze genadige uitnodiging was gericht, verkeerden in een buitengewoon ernstige toestand; hun situatie kon nauwelijks somberder zijn. Zij hadden God diep gegriefd door hun vele en zware zonden. Ondanks dat Hij hen streng had gestraft, hadden zij geen berouw getoond over hun ongerechtigheden — zij wilden zich niet laten afhouden van hun boze wegen, noch zich laten bewegen tot bekering. Nu lijkt de Heere te zeggen dat er iets anders moet gebeuren, dat deze toestand niet langer kan voortduren.

Ik richt mij tot allen in deze gemeente die nog onbekeerd zijn, tot wie nog niet geloven in de Heere Jezus Christus. Uw toestand, vrienden, is droevig en zondig: u verzet zich tegen de God van liefde en weigert u te onderwerpen aan Hem, wiens dienst ware vrijheid en vreugde is. Uw verhouding tot God is geheel verkeerd. U leeft óf in zorgeloze vergetelheid van Hem, óf in openlijke vijandschap, in onbekeerde en daarom onverzoenlijke zonde. En dat mag niet zo blijven — dat weet u zelf ook.

Er zijn vele ogenblikken geweest waarop u, wanneer u alleen was, krachtig hebt gevoeld dat u niet in deze zondige toestand kon blijven. U hebt God zelfs gebeden dat het niet zo verder zou gaan. Maar telkens ontbrak het u aan de vastberadenheid om u werkelijk van uw verkeerde wegen af te keren. De eerste verleiding die zich voordeed, trok u weer terug in het oude patroon. En zo bent u vandaag nog even ver van God als vroeger.

Sommigen onder u worden inmiddels oud. Het is lang geleden dat u uw eerste godsdienstige indrukken had, en hoewel die gevoelens zich sindsdien meermalen hebben herhaald, hebben ze nooit blijvende vrucht gedragen. Nu staat u op de drempel van de eeuwigheid — misschien slechts een stap verwijderd van de dood. Als u in uw huidige toestand zou sterven, zou uw eeuwig lot bezegeld zijn — en u weet dat die toestand een van onbeschrijfelijke ellende zou zijn. U huivert bij dat vooruitzicht, en toch, het zou kunnen gebeuren nog vóór ik dit laatste woord uitspreek. Misschien bereiken mijn woorden uw oren niet meer, omdat de stilte van de dood ze voorgoed heeft gesloten.

U weet dit alles, maar wilt u werkelijk zo verder leven tot aan uw dood? Dat is niet uw bedoeling; diep vanbinnen koestert u een stille hoop dat er ooit een verandering zal komen. Maar waarom niet nú? Wie zou willen hangen aan een dun touw boven een afgrond, vijf minuten vertoeven in de bovenverdieping van een brandend huis, of zelfs enkele seconden vergif in het lichaam dulden in de verwachting dat er misschien tijd zal zijn voor een tegengif? Toch is uw geestelijke toestand nog veel gevaarlijker dan dat alles. U hebt lang genoeg geaarzeld, uitgesteld, gewikt en beloofd — zonder gevolg.

Het is alsof de Heere Zelf tot u zegt: “Kom nu, laten wij de zaak bespreken; laten wij redeneren en tot een beslissing komen. Als uw huidige weg werkelijk goed en recht is, laat dat dan blijken. Maar als er iets beters voor u is, iets dat eeuwige waarde heeft, laat Mij u dan nu en voor altijd leiden op die betere weg.” Moge God de Heilige Geest mij helpen over dit heilige onderwerp te spreken, zodat uw hart wordt geraakt. En als dat gebeurt, dan zij alle eer aan Hem alleen.

Sommige Bijbelgedeelten moeten telkens opnieuw worden gepredikt, omdat ze zulke wezenlijke waarheden bevatten — waarheden van het hoogste belang, die niet gemakkelijk tot het verstand én het hart van onze hoorders doordringen. Men verwijt een timmerman niet dat hij herhaaldelijk met zijn hamer op hetzelfde punt slaat; hij moet de spijker immers in het hout drijven en stevig vastzetten. Als één slag niet genoeg is, mag hij zijn werk niet onaf laten, maar moet hij opnieuw toeslaan totdat de spijker volledig vastzit.

Zo moeten ook wij handelen. Wanneer wij al vaker over deze woorden hebben gepreekt — en ik twijfel er niet aan dat sommigen van ons dat vele malen hebben gedaan — voelen wij ons toch volkomen gerechtvaardigd om dat opnieuw te doen.

Ons eerste deel is een uitnodiging voor een gesprek met God: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.”
Ten tweede vinden wij een voorbeeld van dat gesprek van Gods kant: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.”
En ten derde wil ik u laten zien dat dit voorbeeld van Gods spreken een samenvatting vormt van het gehele betoog — een samenvatting van alle wezenlijke overwegingen die ooit kunnen bestaan tussen de heilige God en schuldige zondaars.

I. Allereerst volgt hier een UITNODIGING VOOR EEN GESPREK MET GOD: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.”

De eerste opmerking die ik hier wil maken, is dat zondige mensen — de grote meerderheid van de mensheid — er eenvoudigweg geen belang in stellen om met God te redeneren. Over het algemeen ben ik al blij wanneer ik zie dat mensen überhaupt nadenken over geestelijke zaken, zelfs als zij dat op een verkeerde of dwaze manier doen, bijvoorbeeld wanneer zij de bekende bezwaren en argumenten van sceptici en ongelovigen herhalen. Voor zulke mensen is er nog altijd meer hoop dan voor wie nooit één gedachte aan godsdienstige zaken wijdt. Denk aan een echtpaar dat uit elkaar is gegaan en jarenlang gescheiden leeft. De man heeft herhaaldelijk verzocht om een gesprek over hun meningsverschillen om tot verzoening te komen, maar de vrouw weigert stelselmatig te praten of de oorzaak van hun verwijdering onder ogen te zien. Verwondert het u, als ik zeg dat de schuld in dit geval duidelijk bij haar ligt? De voortdurende breuk is immers enkel aan haar koppigheid te wijten.

De vergelijking laat zich gemakkelijk toepassen. De meeste mensen verlangen naar een vorm van godsdienst die hen niet verplicht na te denken. De Israëlieten die in dit hoofdstuk worden beschreven, offerden graag hun rammen en stieren, brandden hun wierook en voerden hun rituelen uit – zolang het hun hart en leven maar ongemoeid liet. En vandaag is dat niet anders. Velen betalen voor missen, bezoeken indrukwekkende ceremonies, of houden van kerkdiensten die meer weg hebben van een voorstelling – in een theater, een concertzaal of in feestelijk gewaad. Zulke uiterlijke vormen hinderen hen niet; ze vragen geen inspanning en doen geen pijn. Men opent de mond, sluit de ogen en laat zich gewillig alles toedienen wat de priester voorschotelt.

Maar, mijn vrienden, dat is niet genoeg. Ware godsdienst vraagt het diepste en ernstigste nadenken. Zij eist het gebruik van ons verstand, ons hart en onze ziel. Zelfs onder de oude wet stond geschreven: “U zult de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand.” Toen al ging het om de innerlijke mens – hoeveel te meer nu, onder het evangelie, waarvan het eerste gebod luidt: Geloof! En dat geloof is niet blind, maar wekt in de mens juist het zuiverste en hoogste denken waartoe de geest in staat is. “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren,” zegt de HEERE. Deze uitnodiging tot gesprek met God is allesbehalve onredelijk. Sommigen menen dat geloof niets anders is dan fanatisme – dat men eenvoudigweg moet geloven, of iets waar is of niet. Maar dat is niet zo, geliefden. De godsdienst van Jezus Christus is evenzeer een zaak van gezond verstand als van geloof.

Ik ken vele christenen met een helder oordeel, een kalme geest en een scherp verstand. Uit mijn gesprekken met hen weet ik dat zij de waarheid van hun overtuiging weloverwogen hebben onderzocht. Zij hebben tot hun eigen tevredenheid vastgesteld dat het Woord van God werkelijk een goddelijke openbaring is. Zij hebben die zaak niet vluchtig, maar ernstig en eerlijk besproken – met zichzelf én met God – en zijn tot de overtuiging gekomen dat het enkel wijs en redelijk is om Zijn weg van verlossing te aanvaarden. Zij beweren niet dat zij alles volledig doorgronden, maar wat zij hebben verstaan biedt hun een vaste grond om op te staan. Toen zij de zaak met hart en verstand overwogen, werden zij overtuigd dat zij in Jezus Christus moesten geloven als hun Heere en Verlosser.

Geliefde vrienden, wij schromen niet om het evangelie dat wij verkondigen open en vrij aan u voor te leggen. De rooms‑katholieke kerk heeft het Woord van God eeuwenlang voor het volk verborgen; haar priesters wilden geen denkend volk dat zelf de Schrift onderzocht. Maar wij moedigen u juist aan: lees de Bijbel zelf! Leer de woorden kennen en bid om de leiding van de Heilige Geest om hun betekenis te verstaan. Beproef onze prediking aan de hand van dit Boek. Geloof nooit iets enkel omdat wij het zeggen, maar toets alles aan de wet en het getuigenis. Want als wij niet spreken in overeenstemming met dit Woord, dan is dat omdat er geen licht in ons is.

Het is een teken van grote genade dat de Heere u uitnodigt om met Hem in gesprek te gaan. Hoe onuitsprekelijk nederig is het van de Allerhoogste dat Hij bereid is met u te overleggen! Het is alsof Hij tot u zegt: “Kom, Mijn vriend, er is iets tussen u en Mij. Iets in uw hart weerhoudt u ervan u over te geven aan Mijn liefde. Ik wil u geen kwaad doen — kom nu, verberg niets voor Mij. Vertel Mij openlijk wat u tegenstaat.” Wat een wonder van neerbuigende genade ligt er in deze woorden: “Kom nu, en laten wij samen een rechtszaak voeren.” Het is de stem van Hem die met één woord de stormen wekt — de machtige God, Schepper en Rechter van alles — die tot ons, stof en as, volkomen onbeduidend tegenover Hem, spreekt en zegt: “Kom nu, en laat ons de zaak rechtzetten. Vertel Mij wat uw bezwaren zijn. Ik leg Mijn heerlijkheid even terzijde en daal tot u neer om vertrouwelijk met u te spreken, opdat wij dit geschil kunnen bijleggen.”

Ziet u, mijn vrienden, wat een duidelijk bewijs dit is van Gods liefdevolle goedheid en genade: dat Hij ons uitnodigt om met Hem te redeneren. Als Hij niet het goede met ons voorhad, zou Hij immers niet met ons willen spreken. Hij had kunnen zeggen: “Deze mensen hebben tegen Mij gezondigd; laat hen sterven. Ik heb Mijn Zoon gezonden, en zij hebben Hem verworpen. Zij hebben Mijn sabbatten ontheiligd en Mijn Woord veracht — waarom zou Ik nog met hen redeneren? Zij hebben Mozes en de profeten; laat hen dáárnaar luisteren. Hun vaders, moeders en predikanten hebben al tot hen gesproken — nu zal Ik hen straffen, zoals zij verdienen.” Maar nee, de Heere blijft nog steeds spreken: “Kom nu, kom, alle andere pogingen hebben gefaald; misschien hebt u Mij nog niet eerlijk gehoord. Kom, laten wij samen redeneren. Vertel Mij de bitterste gedachten die in uw hart leven; laat alles naar buiten komen — zelfs de gal van uw vijandschap tegen Mij — maar laten wij samen redeneren, zegt de HEERE.”

Zeker, geliefde vrienden, Hij moet het goed met u voorhebben, anders zou Hij zulke woorden nooit hebben gesproken. Zulke woorden komen niet voort uit toorn, maar uit liefde. Er moet een plan van barmhartigheid in Zijn hart liggen, wanneer Hij zegt: “Kom nu, en laten wij samen een rechtszaak voeren.” Er ligt ook grote tederheid in dat ene woord: nu. “Kom nu, en laten wij samen een rechtszaak voeren,” zegt de HEERE. God wil niet dat u nog één moment langer leeft zoals u nu bent. “Zo waar Ik leef,” zegt de Heere God — en Hij heft Zijn hand op naar de hemel, zwerend bij Zichzelf, omdat er niemand groters is bij wie Hij zweren kan — “Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar daarin dat hij zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeer u, bekeer u van uw boze wegen! Waarom zou u sterven?” De Heere vindt er geen vreugde in dat u Zijn vijand blijft. Het doet Hem geen genoegen uw verharding te zien, noch de rampzalige gevolgen ervan — het gevaar waarin uw ziel elk ogenblik verkeert zolang u in zonde leeft. Daarom zegt Hij:

“Ik heb het hele universum te besturen, maar toch wil Ik met u overleggen. Kom nu — juist nu. Wacht niet tot morgen. Ik heb altijd tijd voor een zondaar die met Mij wil spreken. Wanneer een ziel Mij zoekt, zoek Ik haar ook en ontvang haar in Mijn hart.” “Kom nu,” zegt de HEERE; laat het dan nu zijn — ook voor u. God stelt dit ogenblik vast als het uur van Zijn gesprek met de mens; laat het ook het uwe zijn. “Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet, zoals in de verbittering.” “Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil!”

II. Laten we ons nu, in de tweede plaats, richten op EEN VOORBEELD VAN DAT GESPREK VAN GODS KANT.

Laten we aannemen dat de zondaar bereid is om met God in gesprek te gaan over deze allerbelangrijkste zaak: zijn verhouding tot de Heilige. Hij opent dit ernstige overleg en zegt: “Mijn Heere, ik zou mij met U willen verzoenen als ik dat kon, maar helaas, de zonde ligt als een hinderlaag op mijn pad. Ik ben geen gewone zondaar. Uw geboden heb ik talloze keren overtreden. Ik heb gedaan wat ik niet had mogen doen en nagelaten wat ik had moeten doen. In mij is geen deugd of gezondheid meer.” Let nu op hoe de Heere redeneert. Allereerst erkent Hij volkomen de ernst van het geschil. De Heere bestrijdt de schuldbelijdenis van de zondaar niet. Hij zegt niet: “Het valt wel mee.” Nee, Hij antwoordt: “Al zijn uw zonden als scharlaken — Ik ontmoet u op dat punt.” U hoeft dus niet te proberen uw schuld te verdoezelen of te doen alsof die kleiner is dan zij werkelijk is. Wat u van uzelf zegt, is waar — en waarschijnlijk nog minder dan de werkelijkheid. Uw diepste besef van schuld reikt nog niet tot de volle waarheid. Uw zonden zijn scharlakenrood en karmozijnrood; u lijkt wel bekleed met het koninklijk purper van de zonde, alsof u zichzelf tot heerser hebt gemaakt over het rijk van het kwaad. Zo ziet uw schuld eruit voor het alwetende oog van God.

En kijk dan hoe de Heere in deze hopeloze toestand handelt: Hij neemt Zelf de oorzaak van de verwijdering weg. Hij zegt: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” Hij verklaart hier niet hoe deze ommekeer tot stand komt, maar verzekert ons eenvoudig dát zij tot stand zal komen. En wat volgt daaruit? Dat er nu niets meer is dat u van God hoeft te scheiden. De muur van uw schuld, die als een zware steen tussen u en Hem lag, heeft Hij Zelf weggerold. Elke vlek, elke smet, elk spoor van zonde is uitgewist door het kostbare bloed van Jezus, dat reinigt van alle zonde. Waarom zou u dan nog terugdeinzen? Wanneer uw schuld vergeven is, zult u zich vanzelf in de armen van uw Verlosser werpen. Het redeneren zal ophouden, uw hart zal smelten in berouw, en Gods genade zal als een stroom van heilige vreugde over u komen. De scheiding is verdwenen; u en uw God zijn werkelijk één geworden.

Laten we nu eens kijken hoe God zelf redeneert. Want in deze woorden ligt alles samengevat: “het scharlaken en het karmozijn worden wit als sneeuw en als wol.” De zondaar zou kunnen zeggen: “Heere, hoe kan ik ooit bevrijd worden van de schuld van mijn zonden? Mijn leven is vol overtredingen. Hoe zou ik die schuld ooit kunnen afleggen? Zelfs als ik het bloed van stieren en rammen in een rivier kon uitgieten, zou het mijn zonden niet kunnen wegwassen.” Zo dacht ook ik, toen ik vele malen tot God riep maar geen hoop durfde koesteren, want mijn schuld stond als een berg tussen mij en de driemaal heilige God. Maar zie: de Heere ontkent die schuld niet — Hij neemt haar weg. “U bent inderdaad zo slecht als u zegt,” zegt Hij, “maar Ik zal uw schuld wissen; Ik werp haar achter Mijn rug, in de diepten van de zee, voorgoed onvindbaar. Het scharlaken zal worden als sneeuw, het karmozijn als wol.”

Dan werpt het ontwaakte geweten een nieuw bezwaar op: “Maar Heere, mijn zonde moet toch gestraft worden.” Ik begrijp werkelijk niet hoe sommigen kunnen denken dat de straf op de zonde een willekeurige gril van God is! Ik herinner mij nog levendig hoe God deze waarheid als met een gloeiend ijzer in mijn ziel brandde: dat zonde onherroepelijk om vergelding vraagt. Wanneer ik in onmin met God leefde en niet langer in harmonie met Hem was, moest ik daaronder lijden — even onvermijdelijk als wanneer ik mijn arm tussen de razendsnel draaiende raderen van een machtige machine zou steken. Zoals die raderen mij zouden verbrijzelen, zo moest de morele wet van God mij wel verpletteren wanneer ik mij door de zonde tegen Hem verzette.

Reeds als jongen zei ik al tot mijzelf: “Indien God mij nu geen straf toedeelt om mijn zonden, dan moet Hij dat, naar de rechtvaardigheid, toch eens doen.” Die gedachte liet mij niet los. Ik besefte dat God rechtvaardig was, en diep vanbinnen wilde ik ook niet dat Hij anders dan rechtvaardig zou zijn. Zelfs mijn gebrekkige kennis van Hem dwong mij te erkennen dat Hij een heilig God is. Al had ik de zekerheid van verlossing kunnen verkrijgen op een manier waarop God niet langer rechtvaardig hoefde te zijn, dan nog had ik die verlossing niet kunnen aannemen; het zou in mijn ogen afbreuk doen aan de waardigheid van de Allerhoogste en indruisen tegen de universele wetten van het recht. De vraag die mij echter dag en nacht bezighield, was deze: hoe kan ik ooit gered worden, wetende dat ik gezondigd heb en dat de zonde gestraft moet worden?

Het antwoord ligt in onze tekst: “Al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.” God bedoelt daarmee: “U zult geen zonde meer overhouden die straf verdient, want Ik zal ze zó volledig uitwissen dat er niets van resteert. Ik zal even rechtvaardig blijven als altijd, maar u zal Ik niet slaan, want er is niets in u dat nog geslagen moet worden.” O wonder van genade! Dan zucht de zondaar nogmaals: “Maar Heere, zelfs als U mij nu vergeeft, blijven de zondige gewoonten bestaan die ik in mij heb — ik kan ze niet overwinnen. Ik zou zo graag volkomen vrij van zonde zijn, maar het lijkt alsof de wet van de zonde in mij strijdt tegen de wet van Uw Geest.” De Heere antwoordt met tederheid:
“Ja, arme ziel, uw natuur is inderdaad diep aangetast. De kleurstof van de zonde is als karmozijn — doorgedrongen in het weefsel van uw hart. Geen mens kan die eruit wassen, maar Ik kan het, en Ik zal het doen. Ik zal niet alleen vergeven, maar ook reinigen. Ik zal elke neiging tot zonde overwinnen, tot de dag komt dat er in u niets onreins meer overblijft, dan zult u voor eeuwig en in volmaakte heiligheid bij Mij wonen.”

Zo neemt de Heere één voor één alle barrières weg: de schuld, de straf en de macht der zonde. Laat mij u nu kort herinneren — al zegt onze tekst het niet met zoveel woorden — aan de wijze waarop God dit grote werk volbrengt. Misschien begrijpt u het niet ten volle, maar vele zielen zijn behouden zonder alles te kunnen bevatten. Zij geloofden eenvoudig in Jezus, vertrouwden op Zijn belofte, en ontdekten dat zij behouden waren. Maar luister: God heeft ons wel degelijk geopenbaard hoe Hij dit doet. Velen van u kennen “het oude verhaal”, maar misschien zal het, bij het opnieuw horen, vandaag voor het eerst werkelijk tot uw hart doordringen. De eniggeboren Zoon van God kwam uit de hemel, nam onze menselijke natuur aan en werd Mens. Hij trad op als plaatsvervanger voor allen die ooit in Hem geloven zouden. God beschouwde Hem als hun vertegenwoordiger en legde al hun ongerechtigheden op Hem.

Wat eenmaal op Hem gelegd is, kan niet tegelijk nog op hen rusten. De schuld van Gods volk werd van hen weggenomen en op Hem overgedragen, zoals het Oude Testament zegt:
“De HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen.” Het Nieuwe Testament verwoordt het zo: “Want Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.” En toen die schuld op Christus was gelegd, rekende de Vader met Hem af alsof Hijzelf de zondaar was. Hij werd beschuldigd, veroordeeld en aan het kruis ter dood gebracht. Daar stierf Hij — verlaten door Zijn Vader — roepend: “Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Die dood, zo spreekt God Zelf, heeft aan Zijn gerechtigheid voldaan en Zijn wet verheerlijkt. Daarom kan Hij nu, om Christus’ wil, de zonden van Zijn volk uitwissen en doen ophouden te bestaan. Want het is Zijn onveranderlijke wet, dat één en dezelfde overtreding nooit tweemaal wordt gestraft. Heeft Christus de straf gedragen, dan kan geen mens die nog eens dragen. Zoals Toplady zo treffend dichtte:

“Payment God cannot twice demand,
First at my bleeding Surety’s hand,
And then again at mine.”

“God kan niet tweemaal betaling eisen,
Eerst van mijn bloedende Borg,
En dan nogmaals van mij.”

Vriend, wie u ook bent — als u gelooft in de Heere Jezus Christus, dan mag ik u zonder aarzelen verzekeren dat Hij uw zonden heeft gedragen, uw smarten heeft geleden en uw schuld volkomen heeft betaald. Daarom bent u werkelijk vrij, voor eeuwig vrij. Ziet u niet hoe volkomen redelijk dit alles is? Misschien stelt u een vraag: “Maar waarom zou Christus in mijn plaats moeten lijden? Hoe kan het rechtvaardig zijn dat de Onschuldige gestraft wordt en de schuldige vrijuit gaat?” Ach, dat is het wonder van Gods onderscheiden genade, die wij met ons beperkte verstand niet kunnen doorgronden. Toen de engelen vielen, deden zij dat ieder afzonderlijk — iedere engel zondigde als individu. Maar toen wij mensen vielen, deden wij dat in ons hoofd en vertegenwoordiger, de eerste Adam. Daarom, omdat wij in één mens vielen, kon het ook zo zijn dat wij in één mens zouden worden hersteld. Zo kwam Jezus Christus, de tweede Adam — in wiens geestelijke lendenen al de Zijnen begrepen waren, zoals het hele menselijke geslacht in Adam lag — en Hij droeg in hun plaats de straf volgens het heiligste recht.

U hoeft niet te twijfelen aan de rechtvaardigheid van dat principe: als God het goedkeurt, moet het ook voor ons genoeg zijn. Als dit goddelijk systeem van plaatsvervanging voldoet aan de eisen van eeuwige gerechtigheid, zou het zeker ook uw hart tot rust moeten brengen. O, arme ziel, vertrouw op het bloed van Jezus — en uw zonden zullen verdwijnen, weggewist door Zijn plaatsvervangend offer!  Luister nog even verder. Er werd zojuist gesproken over die slechte gewoonten die doorbroken moeten worden — hoe gebeurt dat dan? Op het moment dat u in Jezus Christus gelooft, werkt de Heilige Geest een ingrijpende verandering in u. Op datzelfde ogenblik wordt er een nieuw beginsel geboren in uw ziel — een geestelijk leven dat ver uitstijgt boven de oude natuur, een geest die God kent en zoekt.

Daarom zei onze Heere tot Nicodemus: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.” Die nieuwe geest in u is de Geest van Christus Zelf — levend, eeuwig, onuitblusbaar, vervuld van verlangen naar heiligheid, en hij kan niet meer zondigen, omdat hij uit God geboren is. Ziet u dan niet hoe uw oude gewoonten hun macht verliezen? U bent een nieuw mens geworden; u kunt met de apostel zeggen: “Want ik ben gestorven en mijn leven is met Christus verborgen in God.” Dit is wat God met u doet: uw scharlakenrode en karmozijnrode zonden verdwijnen, omdat u opnieuw geboren bent — “een nieuw schepsel in Christus Jezus.” Ik weet niet of ik dit alles duidelijk genoeg uitleg, maar ik weet dat er een tijd was in mijn leven waarin ik zó verlangde om zulke woorden te horen. Mooie toespraken konden mij toen niet helpen; ik had behoefte aan eenvoudige, duidelijke waarheid. Daarom zeg ik tegen u, jonge man — of wie u ook bent die worstelt met uw zonde —: als u in Christus Jezus gelooft, zal Zijn verzoenend offer uw schuld volledig wegnemen. De Heilige Geest zal in u wonen en u kracht geven om elke zondige neiging te overwinnen, zodat uw leven voortaan “heiligheid voor de HEERE” zal zijn. “Kom nu, en laten wij samen rechtszaak voeren, zegt de HEERE.” En is dit niet inderdaad een grootse pleitrede, dat al uw bezwaren en moeilijkheden zo volkomen worden weggenomen door de almachtige genade van God?

III. Tot slot wil ik u nog kort laten zien dat dit voorbeeld van redeneren EEN SAMENVATTING VORMT VAN HET HELE BETOOG.

Ik ken niet de persoonlijke omstandigheden van ieder die hier aanwezig is, maar ik ben er diep van overtuigd dat alle mogelijke gevallen worden omvat door de goddelijke uitnodiging die in dit ene vers van de Schrift klinkt. Misschien zegt iemand: “Ik wíl niet gered worden.” Mijn vriend, dan heb ik op dit moment niets voor u, want u weigert te redeneren; er is geen ernst van verstand of hart in u. “Maar,” zegt een ander, “ik ben niet van plan mij aan het evangelie over te geven.” Dan geldt hetzelfde: er is geen overleg, geen bereidheid tot luisteren. U zegt eenvoudig: “Ik wil niets met Christus te maken hebben.” Welnu, als dat uw besluit is, dan rust de verantwoordelijkheid geheel op uzelf. Wanneer uw ondergang komt — en komen zal zij — dan zult u, te midden van de vlammen van de hel, niet God kunnen verwijten, noch de prediker die u nu aanspreekt. U hebt het evangelie van Jezus Christus afgewezen, hetzij omdat u het veracht, hetzij omdat u uzelf onwaardig acht. Als u daarin volhardt, blijft er niets anders over dan voor eeuwig om te komen.

Maar er zijn ook anderen met een ander soort nood — zielen die wél verlangen, maar worstelen met moeilijkheden om tot Christus te komen.

De één zegt: “Ik ben een te groot zondaar geweest.” Dat bezwaar wordt onmiddellijk weerlegd door Gods eigen Woord: “Al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.” Ja, ze zijn scharlaken, zegt de Heere, maar ze zullen wit worden.

Een ander zegt: “Ik heb zó lang gezondigd.” Ook dat wordt aangesproken: “Al zijn zij rood als karmozijn.” Die twee woorden — scharlaken en karmozijn — verwijzen naar kleuren die diep doordringen, tot in de vezels van de stof. Zoals een weefsel volledig doortrokken wordt van de kleurstof, zo is uw leven doordrongen van zonde. En toch zegt God:
“Zij zullen wit worden als sneeuw, zij zullen worden als witte wol.” Weer een ander zegt: “Maar ik heb tegen meer licht gezondigd dan vele anderen — mijn schuld is daardoor des te groter.” Dat mag waar zijn, en dat erkent God ook, maar de tekst blijft staan: “Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw.” Of iemand zegt: “Ik heb mij verzet tegen de Heilige Geest.” Toch luidt het: “Al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.”

Misschien fluistert u angstig: “Ik vrees dat de Heilige Geest mij heeft verlaten, want ik heb Hem zo bedroefd.” Luister dan naar het vers dat direct op deze tekst volgt: “Als u gewillig bent en luistert, zult u het goede van het land eten.” Als u bereid bent om gered te worden — als u wilt geloven en gehoorzaam zijn aan het gebod van God: ‘Geloof en leef’ — dan heeft de Heilige Geest u niet verlaten. Zolang u nog bewogen bent, zolang er nog gevoel leeft in uw hart, hebt u de zonde niet begaan die tot de dood leidt. Had u dat wel gedaan, dan zou u niets meer voelen: u zou koud, onverschillig en dood zijn voor alle gedachten aan God.

O, vertel mij gerust wat u maar wilt over uzelf — hoe zwart uw verleden ook is — deze tekst dekt uw situatie volledig. U kunt een vrouw zijn die diep gevallen is; geef mij uw hand, precies zoals u bent, en hoor het Woord van God: “Al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” En stel dat hier een moordenaar stond, op heterdaad betrapt — zijn zonde scharlakenrood, karmozijnrood — toch, mijn broeder, ik zou ook uw hand nemen en tot u zeggen:
Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw.” Want als u gelooft in Jezus Christus — dat wil zeggen: als u Hem uw ziel toevertrouwt, Gods weg van verlossing aanvaardt, uw eigen pogingen opgeeft en u geheel overgeeft aan Zijn genade — dan zult u, hier en nu, gered zijn.

Ik kan nauwelijks onder woorden brengen wat deze tekst met mij doet. Hij blijft in mijn hart zingen; ik hoor de melodie ervan, ook al hoort u die niet. Ach, hoe graag zou ik willen dat u die ook hoorde! Soms, als ik preek, voel ik mij als een slager bij het hakblok: ik snijd grote stukken af voor anderen, maar proef er zelf niets van. Maar nu is het anders — deze tekst voedt mijn eigen ziel. Ik zou willen dat ieder van u ernaar verlangde, want deze belofte geldt evenzeer voor u als voor mij — juist omdat u, net als ik, een zondaar bent tegenover God.

Misschien spreek ik iemand aan die zegt: “Ik zie geen enkele reden om met God te redeneren.” Vriend, die houding zou u diep moeten verontrusten. Wie niet met God in het reine wil komen, is ziek in zijn ziel. En als het hoogste goed dat een mens ooit kan bezitten — het kennen van God Zelf — u niet dierbaar lijkt, dan is dat omdat uw ogen verblind zijn en uw hart dood is voor de dingen van God. U leeft, zoals de Schrift zegt, “in de gal van bitterheid en in de banden van ongerechtigheid.” Omdat u aardsgezind bent, zoekt u uw genoegen in wat u kunt zien, aanraken, proeven of voelen. Omdat u vlees bent en niet vernieuwd door de Geest, bent u tevreden met wat u nooit zult behouden.
Weet u wat het einde daarvan is? U bent uit het vlees geboren, en “wat uit het vlees geboren is, is vlees” — en vlees vergaat. Zo zult ook u vergaan, afdalen tot het rijk van het verderf, waar de worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.

Er is maar één uitweg uit dat gruwelijke lot: “U moet opnieuw geboren worden.” Niet: u kunt, niet: het zou goed zijn als u het werd, maar: u moet. Want tenzij u wedergeboren wordt, zou zelfs de hemel voor u geen hemel zijn; en al gaf God Zichzelf aan u, u zou geen vreugde in Hem kunnen vinden. Laat dat ene woord — moet — diep in uw hart zinken. Rust niet, o toehoorder, voordat u opnieuw geboren bent! Dit is het werk van de Geest van God in u, en daarom hoort daarbij dat andere machtige woord: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.”

Moge de Heilige Geest u in staat stellen te geloven in de Heere Jezus Christus, zodat u nieuw wordt, vrij van veroordeling, en met een vernieuwd hart vreugde vindt in geestelijke dingen. Bovenal zult u dan uw vreugde vinden in God Zelf, en Hij zal deze belofte in u vervullen: “Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.” Bid met David: “Ontzondig mij met hysop, dan zal ik rein zijn, was mij, dan zal ik witter zijn dan sneeuw.” En u zult, net als hij, een genadig antwoord ontvangen.

Ik ben klaar met mijn tekst, maar ik zou willen blijven staan en zeggen: “Kom nu — als u nog niet met God gesproken hebt, laat mij dan nog één woord tot u spreken. Kan er iets goeds voortkomen uit blijven zoals u bent — onbekeerd, ver van Christus? Vooral u, ouderen onder ons — kunt u werkelijk menen dat het beter is zó te blijven?” Laat mij u dit vragen: Kan het kwaad zijn om een vriend van Christus te worden? Kunt u enig werkelijk verlies bedenken dat voortkomt uit behouden worden? Ik zou niet durven liegen, zelfs niet voor God, en Hij zou dat nooit van mij verlangen. Maar deze waarheid verkondig ik u: sinds ik in Jezus heb geloofd, heb ik zulk een vrede, zulk een rust, zulk een diep geluk ervaren, dat woorden tekortschieten.

En bedenk dit: u hebt nog nooit een stervende christen ontmoet die zijn kinderen heeft toegesproken met de waarschuwing: “Mijn lieve kinderen, pas op voor het christelijk geloof — vertrouw niet op Christus; het is allemaal een illusie.” Nee, nooit! Sinds het begin van ons gezegende geloof is er geen enkel kind van God geweest dat in het dal van de schaduw des doods ontdekte dat zijn geloof bedrog was. Integendeel — met triomf of met stille zekerheid hebben zij gezegd: “Gezegend zij de Naam van de Heere — in Hem is ware vreugde, zelfs nu ik heenga om bij Hem te zijn.”

Laat u dan overtuigen door dit levende bewijs, mijn vrienden. Als wat ik u heb verkondigd werkelijk is — en dat is het — als het iets waardevols is, dan is het ook nú waard om te ontvangen. Als het ooit goed is om gered te worden, dan is het goed om het nú te worden. Als het ooit goed is om van zonde verlost te worden, dan is het goed om verlost te worden vóórdat de klok weer slaat. Als het ooit goed is om vreugde in God te hebben, dan is het goed om die te ervaren vóórdat uw ogen vannacht weer dichtvallen. Moge de Heere u die vreugde spoedig schenken, omwille van Zijn heilige Naam.
Amen.

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content