Een preek uitgesproken op zondagavond 6 juni 1875, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen. Joh. 6:37
Een landheer verwacht gasten voor het diner. Gewoonlijk komen bezoekers binnen via een kleine zijpoort bij de ingang van het park, maar op de dag dat hij gezelschap verwacht, zegt hij tegen een van zijn knechten: “John, zorg dat de grote poort wijd openstaat, want er komen vandaag meer mensen.” Zo’n opdracht heeft ook mijn Meester mij gegeven: Hij verwacht gasten. Ik vertrouw erop dat de evangelisatiebijeenkomsten in Zuid-Londen velen zullen brengen om met mijn Heere aan Zijn feesttafel te zitten. Daarom geloof ik dat het Zijn wil is dat ik de grote poorten wijd openzet, opdat sommige zondaars die wellicht toevallig langskomen, dit zullen zien als een uitnodiging om binnen te treden. En zij zúllen binnenkomen — daarvan ben ik overtuigd — want God Zelf zal hen binnenbrengen. Hij zal Zijn almachtige arm uitstrekken en hen noodzaken binnen te gaan, opdat Zijn huis vol wordt.Mijn doel in deze preek is daarom de rijkdom en de vrijuit aangeboden genade van God te verkondigen, in de hoop dat sommigen daardoor bewogen worden om tot Christus te komen en zo het eeuwige leven te ontvangen.
Onze tekst stelt ons allereerst voor een lastig punt — maar tegelijk wijst hij ons de weg om dat probleem te ontwarren. Dit is de kwestie: de tekst laat zien dat de Vader bepaalde zielen aan Christus heeft gegeven. En niet alleen deze tekst, maar ook vele andere Schriftgedeelten maken duidelijk dat God een volk heeft uitgekozen voor het eeuwige leven, en dat Christus onder de mensen een volk heeft verlost. Het heeft geen zin om, zoals sommigen doen, deze waarheid te negeren, want zij staat vast. Wie de duidelijke betekenis van de Schrift terzijde schuift of de woorden verdraait om er iets anders in te lezen dan zij werkelijk zeggen, zal nooit ontkomen aan de leer van de goddelijke voorbeschikking — de leer dat God sommigen heeft bestemd tot het eeuwige leven.
Nu kunt u, als u wilt, van die waarheid een hele reeks moeilijkheden maken. Als u dat van plan bent, ligt er voor u een heel bos klaar: u zult er hout genoeg vinden om er uw eigen galg van te timmeren. Want ja, als iemand de Schrift wil verdraaien tot zijn eigen ondergang, zal hij daar zwakke redeneringen voor moeten gebruiken — maar niet zwakker dan die welke velen vóór hem al hebben gehanteerd. Het is waar: alles is voorbeschikt, en alles wat gebeurt, voltrekt zich volgens het onfeilbare plan en de wil van God. Toch gaat u vanavond gewoon naar bed, staat u morgenochtend op en doet wat u te doen hebt, zonder ook maar één moment aan die voorbeschikking te denken — u handelt eenvoudigweg als een redelijk mens. Maar helaas, wat u in alledaagse zaken wél doet, doet u in geestelijke zaken níet. Daar gaat u de leer verdraaien, er op vreemde wijzen over nadenken, tot u er duizelig van wordt — en dat alles alleen om er een excuus uit te halen om niet tot Jezus Christus te hoeven komen.
Toch neemt mijn tekst u de grond onder de voeten weg als u op die manier wilt redeneren. Hij maakt namelijk één ding volkomen duidelijk: allen die door God zijn uitverkoren, zijn te herkennen aan dit ene kenmerk — zij komen tot Christus. Zoals Hij zelf zei: “Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Daarom geldt: wie tot Christus komt, behoort tot Gods uitverkorenen; maar wie leeft en sterft zonder tot Christus te komen, behoort niet tot Gods volk. Als u tot Christus gaat en op Hem vertrouwt, dan bent u een van hen die de Vader aan de Zoon heeft gegeven. Maar weigert u tot Christus te komen — wat uw reden ook is — dan zult u uw verlorenheid zelf moeten dragen. Uw bloed zal op uw eigen hoofd zijn.
U zult verloren gaan als u niet tot Christus komt; en het feit dat u niet tot Hem komt, zal het bewijs zijn dat u niet tot Zijn kudde behoorde, dat de Vader u niet aan Christus had gegeven. Toen men eens aan Rowland Hill vroeg om alleen tot de uitverkorenen te preken, antwoordde hij: “Dat zal ik doen, zodra iemand hen voor mij gemerkt heeft.” Dat is natuurlijk onmogelijk — maar God Zelf merkte hen, en dat doet Hij niet uiterlijk op de rug, maar innerlijk, op het hart. Wie in de Zoon gelooft, hééft eeuwig leven; dat geloof is het bewijs dat hij door God tot dat leven is uitverkoren. Maar wie niet in de Zoon gelooft, en in dat ongeloof volhardt, zal onherroepelijk verloren gaan. Want Gods uitspraak blijft staan: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.” Dat is de zaak waar het om gaat. Moge God ons verstand en ernst geven om daar wijs en nederig mee om te gaan.
I. Als we dat ingewikkelde punt even terzijde laten, zie ik in onze heerlijke glorieuze, vrije en open tekst — “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen” — dat er één ONMISBARE HANDELING wordt genoemd: wij moeten tot Christus komen.
Voordat we verdergaan, wil ik u één ernstige vraag stellen: hoeveel van ons zijn werkelijk tot Christus gekomen? Ik vertrouw erop dat verreweg het grootste deel van u dat heeft gedaan — en ik dank God voor die overtuiging.
Maar als er iemand onder u is die overweegt om aan de tafel van de Heere plaats te nemen zonder ooit tot Christus te zijn gekomen, dan smeek ik u om daar nog niet aan deel te nemen voordat u zich oprecht hebt bekeerd. Niemand heeft recht op deze heilige tekens dan zij die al ware gemeenschap met Christus hebben ervaren door geloof in Hem.
Als u nog niet tot Christus bent gekomen, doe dan niet alsof u dat wel hebt gedaan; dat zou u geen zegen brengen, maar een belediging voor de Heere zijn en een zware schuld op uw geweten leggen.
Nee, broeders en zusters — wij móeten tot Jezus Christus komen. Dat is onze enige taak als wij gered willen worden. Tot Christus komen is niet slechts het belangrijkste punt, maar het begin, het midden, het einde, het alles van het heil.
“Wat betekent het dan om tot Christus te komen?”, vraagt iemand misschien. Bij die vraag voel ik een zekere huiver, want zo vaak hebben mensen – zelfs predikers – geprobeerd uit te leggen wat geloof is, en wat het betekent om tot Christus te komen, en juist daarbij hebben ze de waarheid verduisterd “met woorden zonder kennis”. Moge God mij daarvoor bewaren! Let daarom eenvoudig op de woorden van Christus: “Wie tot Mij komt.” Hij spreekt hier over een handeling — een beweging. Maar niet een lichamelijke beweging, want velen zijn in letterlijke zin tot Jezus gekomen zonder ooit gered te zijn. Het gaan om een binnentreden van de geest, een wending van het hart. U weet heel goed wat het betekent wanneer uw geest tot een bepaald punt komt — wanneer u innerlijk een keuze maakt, een richting neemt.
En hier ligt de kern: “Wie tot Míj komt.” Reddend geloof is niet iets abstracts, het is komen tot de Persoon van Christus. Het is niet slechts geloven dat Christus God is — al behoort u dat wel te geloven. Het is niet alleen geloven dat Hij voor de zonde gestorven is — al is dat waarheid. Het is niet enkel aannemen dat Hij leefde, stierf en opstond tot verlossing — al rust uw geloof op die heilige feiten. Nee, het is tot Hém komen. Had u Hem toen kunnen zien, zoals Hij daar stond — de Man van smarten, vertrouwd met verdriet — u zou Zijn woorden beter begrijpen: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Johannes de Doper had Hem eerder aangewezen: “Zie, het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegneemt.” Iedereen weet wat het is om met zijn verstand in een leer te geloven; maar als uw geloof niet verder reikt dan leerstellingen, zult u verloren gaan. De ware weg tot verlossing is vertrouwen op de levende Persoon van Jezus Christus, de door God aangestelde Verlosser.
Misschien vertrouwt u op uw doop, uw confirmatie, of het gebruik van de sacramenten — maar als u op die dingen steunt, zult u verloren gaan. U moet niet tot hen komen — niet tot de besprenkeling of onderdompeling, niet tot de mis of de communie — maar tot Hém: tot de Christus die aan het vervloekte kruis verzoening heeft gebracht voor allen die op Hem vertrouwen. U moet in geloof tot dat kruis naderen en Hem aannemen als uw Plaatsvervanger.
Hij is nu opgevaren in de hemel, waar Hij pleit voor zondaars; en u moet uw geestesoog tot Hem opheffen en uw vertrouwen stellen op Hem die stierf, opstond en verheerlijkt werd. Dát is tot Christus komen: dat de geest rust vindt in Zijn Persoon en in Zijn verzoenend offer.
Het is duidelijk dat wie tot iets komt, ergens anders vandaan komt; tot Christus komen betekent dus dat men iets achter zich laat. Wie gered wil worden, moet breken met de zonden die hij vroeger liefhad. Hij moet komen tot de heilige Verlosser om zelf heilig gemaakt te worden; hij moet aan Jezus’ voeten gaan zitten om Zijn geboden te leren en bereid te zijn ze te gehoorzamen. Jezus Christus redt niemand die in zijn zonden wil blijven, want Hij kwam om Zijn volk te redden van hún zonden. De redding die Hij brengt, bevrijdt niet alleen van schuld en straf, maar ook van de zonde zelf — van haar vuilheid en haar vernedering.
Wie tot Christus wil komen, moet zich van de zonde afkeren. Berouw keert ons van de zonde af, geloof brengt ons tot Christus. En behalve de zonde moet men ook afstand doen van zijn eigen gerechtigheid. Dat laatste is voor velen het moeilijkst, want zij hebben zichzelf zo lang bewonderd dat zij verliefd zijn geworden op hun eigen beeld.
Zij denken: “Ik ben toch zo netjes, zo correct, zo respectabel, zo voorbeeldig, zo vriendelijk, zo innemend.” Zij zouden hun zelfbeeld het liefst vasthouden en nooit meer loslaten. Maar, vrienden, u móét ervan afstappen. Leer uzelf zien zoals God u ziet — dan zult u merken hoe afschuwelijk die eigen gerechtigheid werkelijk is. Geef elk ander vertrouwen op en stel uw hoop uitsluitend op de Heere Jezus Christus.
Dat is tot Hem komen: afstand doen van zowel uw zondige als uw zogenaamd rechtvaardige zelf, en uw vertrouwen alleen stellen op de enige grote Borg en Plaatsvervanger van zondaars. Wanneer wij tot iemand komen in de volle betekenis van het woord, blijven wij ook bij die persoon. Als ik een man op straat passeer, ben ik hem in zekere zin genaderd, maar ik ben ook weer van hem weggegaan. Zo ook: wie werkelijk tot Christus komt, blijft bij Hem en rust in Hem. Wil zo’n ziel nog iets anders? Nee. Heeft zij behoefte aan méér heiligheid, méér vergeving, méér steun? Nee, want zij is volmaakt in Hem. Heeft zij nog iets toe te voegen aan het kleed van Zijn gerechtigheid? Nee. Heeft zij nog een nieuwe wassing nodig? Nee, want, zoals de apostel zegt: “Gij zijt volmaakt in Hem.” Als u werkelijk tot Hem bent gekomen, dan blijft u bij Hem en vindt u uw rust in Hem. Een geredde ziel neemt geen tijdelijk toevluchtsoord bij Christus, maar woont in Hem.
Beste vrienden, ik kan deze vraag niet persoonlijk aan ieder van u stellen, maar u kunt haar wél aan uzelf voorleggen: “Ben ik tot Jezus Christus gekomen?” Is Hij werkelijk uw enige hoop en vertrouwen? Vertrouwt u alleen op Hem? Zo ja, dan bent u tot Hem gekomen, en geldt voor u de heerlijke belofte uit de tekst: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”
II. Dit brengt ons bij het volgende punt, namelijk: EEN ONNODIGE VREES WEGGENOMEN.
Er zijn mensen die zeggen dat ze graag tot Christus zouden willen komen, maar ze vrezen dat Hij hen zal afwijzen als ze dat proberen. Als je hen vraagt waarom, zegt de een: “Ik ben te oud om nog tot Christus te komen.” Maar, mijn waarde vriend, leest u alstublieft de tekst: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Als Christus iemand zou weigeren omdat hij te oud is, zou die tekst niet waar zijn! Er staat nergens tussen de regels: “Wie tot Mij komt en jonger is dan vijfenzeventig jaar, zal Ik niet afwijzen.” Nee — al was u honderd of tweehonderd jaar oud, het maakt geen enkel verschil; Zijn belofte blijft staan: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”
Een ander zegt misschien: “Ik ben te jong om tot Christus te komen.” Misschien zijn er hier enkele kinderen die denken: “Wij zijn nog te jong om naar Hem te gaan.” Maar Christus zelf zei: “Zij die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden,” en ook: “Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze niet.” Dus nee, je bent nooit te jong om tot Jezus te komen. Zijn woorden omvatten juist ook de jongeren: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”
Anderen zien hun leeftijd niet als probleem, maar wel hun maatschappelijke positie. “Ik ben zo arm,” zegt iemand.
Wel, hoe armer u bent, hoe welkomer u bent! In de tekst wordt niet één woord over bezit gezegd — alleen: “Wie tot Mij komt.” Kom dus, al draagt u lompen of werkkleding; het uiterlijk maakt voor onze gezegende Heere niets uit. En als Hij al een voorkeur heeft, dan is het juist voor de arme, want van oudsher wordt gezegd dat het evangelie aan de armen wordt verkondigd. God heeft immers vaak de armen van deze wereld uitgekozen en hen door Zijn genade rijk gemaakt in het geloof. Dus kom, mijn arme broeder, mijn arme zuster — u bent van harte welkom.
“O,” zegt weer iemand, “maar het is niet mijn armoede, het is mijn gebrek aan opleiding.” Beste vriend, dat spijt me voor u, want lees- en schrijfvaardigheid zijn nuttig — maar ze hebben niets te maken met uw redding. De meeste vroege christenen konden waarschijnlijk nauwelijks lezen. De inscripties in de catacomben zitten vol spelfouten — en toch waren het ware gelovigen! Wat heeft het evangelie van Christus te maken met geleerdheid? U hebt geen diploma nodig om Christus te vinden. Soms leidt kennis zelfs tot dwaling in geestelijke zaken. Onwetendheid is geen deugd, maar het blijft waar wat Augustinus zei: “Terwijl de wijzen zoeken naar de sleutel van Gods deur, zijn de eenvoudigen en ongeletterden het koninkrijk binnengegaan.” Al kon u nauwelijks denken of spreken — als er maar één vonk geloof in uw ziel brandt, is dat genoeg. Christus zou zelfs u niet uitwerpen. Is er maar een zwak besef in uw geest, een kleine vlam van vertrouwen op Hem, dan bent u door Hem welkom — en dat zal tot uw redding zijn.
“Maar,” zegt een ander, “het is mijn verleden dat mij tegenhoudt.” Goed dan, vriend — ik zal niet vragen wat dat verleden inhoudt. Stel dat het het slechtste is wat een mens kan doen. Wat zegt Christus in onze tekst? Zegt Hij iets over iemands karakter? Nee — alleen: “Wie tot Mij komt.” Al had u elke zonde van de mensheid begaan, de belofte blijft staan: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Ik dank mijn Heere dat Hij geen uitzonderingen maakt. Er is geen uitsluiting voor de dief, de dronkaard, de hoer, de overspelige, zelfs niet voor de moordenaar. De tekst luidt nog altijd: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Als zo iemand tot Christus komt, wordt hij niet buitengesloten vanwege zijn zonden; zijn vele overtredingen zullen allemaal worden vergeven. Hij wordt ontvangen in de armen van eeuwige liefde, en de kus van vergeving zal op zijn wang rusten.
Ik stel me iemand voor die zegt: “Ik heb me niet schuldig gemaakt aan die grote, zware zonden. Soms heb ik zelfs — al weet ik dat het verkeerd is — gewenst dat ik dat wél had gedaan, want dan zou ik misschien dieper kunnen voelen wat berouw is. Door Gods genadige voorzienigheid ben ik bewaard gebleven voor ernstige uiterlijke zonden, en nu kan ik niet voelen wat ik zó graag zou willen voelen.” Nee, beste vriend, maar de Heere vraagt u niet om berouw te tonen over zonden die u niet hebt begaan. Kijk eerlijk naar wat u wél hebt gedaan, maar wens niet dat uw zonde groter was dan ze is — dat zou echt een verkeerde wens zijn.
“Ik zoek er wel naar,” zegt iemand, “maar ik kán geen berouw voelen.” Verwacht u dat u eerst berouw moet hebben vóór u tot Christus mag komen? Is dat, naar uw inzicht, het plan van het evangelie? Zoals ik het begrijp, is het evangelie dit — om de woorden van Joseph Hart aan te halen:
“True belief and true repentance,
Every grace that brings us nigh,
Without money,
Come to Jesus Christ and buy.”
Met andere woorden: berouw en geloof worden niet van u geëist als een voorwaarde om te komen, maar worden u geschonken wanneer u komt. Ik herinner me wat Petrus tegen de hogepriester zei over Christus: “Deze Jezus heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël bekering te geven en vergeving van zonden.” Let op die woorden: om bekering te geven. Het is niet aan u om bekering naar Hem te brengen, maar om tot Hem te gaan om die uit Zijn hand te ontvangen. Sommigen van u hebben naar de wet gekeken in de hoop daardoor uw zonde te leren kennen. Maar weet u dan niet dat wet en vrees op zichzelf slechts verharden, zolang zij alleen werken? Pas wanneer u tot Jezus komt en op Hem vertrouwt, zult u ervaren dat het besef van bloedgekochte vergeving het stenen hart doet smelten.
U moet leren op Jezus te vertrouwen voor alles wat u ontbreekt: voor een nieuw hart, voor bekering, voor een gevoelig geweten. Als u niet met deze dingen tot Hem kunt komen, kom dan juist tot Hem om ze te ontvangen. O, u met een gebroken hart — kom tot Christus, maar pleit niet op uw tranen. En u, die verlangt dat uw hart gebroken wordt — kom tot Christus om het te láten breken! Hij alleen kan met de krachtige hamer van Zijn genade het hart van steen verbrijzelen.
“Maar,” zegt iemand, “ik denk dat ik wel tot Christus ben gekomen; ik wil Hem graag als mijn enige Toevlucht, maar ik heb niet die diepe ervaring waarover ik gelezen heb bij anderen. Zij waren hevig ontroerd, verschrikt, door hun zonde getroffen — en dat heb ik nooit zo gevoeld.” Wie heeft ooit gezegd dat u dat móést voelen? Luister nog eens naar de tekst: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.” Zegt Christus daar iets over ervaring, over angst, over een bepaald gevoel? Nee! Geloofd zij God — mensen leggen soms muren rond het kruis van Christus, maar de Heere Zelf heeft dat nooit gedaan. Kom tot Hem, vertrouw op Hem — hoe uw ervaring ook is, veel of weinig — Hij zal u niet, Hij kán u niet, uitwerpen.
Er zijn predikers die zich druk lijken te maken over het buitenhouden van zondaars, alsof de hemel een besloten wijk is, waar slechts een beperkt aantal bewoners wordt toegelaten. Maar dat is niet de geest van Christus. Ik dank God dat mijn verlangen het tegenovergestelde is: dat velen tot Jezus mogen komen! Dat moet de geest van elke ware christen zijn, want de Heiland zegt niet: “Die éne soort van mens die tot Mij komt,” maar eenvoudigweg: “Wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.”
“Maar,” zegt iemand anders, “mijn geloof is zo klein.” Prijs God dat u ten minste iets hebt! Heb ik niet vaak gezegd: als u slechts sterrenlicht hebt, prijs God dan — en Hij zal u maanlicht geven; en als u maanlicht hebt en Hem daarvoor dankt, dan zal Hij u daglicht schenken. Wees dankbaar voor elk oprecht geloof dat u bezit. Zegt Christus: “Wie met groot geloof tot Mij komt”? Nee, broeders en zusters — als u met slechts een korreltje geloof komt, dan klopt u op de juiste deur, en de tekst opent voor u. Kom tot Christus, vertrouw op Hem, hoe zwak uw geloof ook is — als het waar geloof in Jezus is, dan bent u gered, want Hij is al uw redding en al uw verlangen. Het is niet de kracht van uw geloof die redt, maar de kracht van Hém op wie u vertrouwt. Christus kan u redden, of uw geloof nu sterk of zwak is.
“Ik ben bang,” zegt iemand, “dat ik niet tot de uitverkorenen behoor.” Maar dat hebt u al gehoord: als u in Jezus Christus gelooft, bent u één van hen. U kunt niet worden afgewezen om een verborgen reden, want Hij heeft duidelijk gezegd: “Ik zal hem beslist niet uitwerpen” — dat wil zeggen: om geen enkele reden, op geen enkele manier, nooit! Er kan dus in geen enkel verborgen boek een reden staan waarom u niet ontvangen zou worden. Als u maar tot Christus komt, móét Hij u aannemen, anders zou Hij Zijn woord breken, en dat kan Hij niet doen.
“Maar,” zegt een ander, “als ik tot Christus kom, vrees ik dat ik Hem niet vast kan houden.” Dat is heel goed mogelijk — maar ik zeg u dat Híj ú zal vasthouden! “Ach,” zegt u, “ik heb gewoon niet de kracht om volharden.” En als ik u nu zeg dat niemand — niet op aarde en niet in de hel — u van Hem kan scheiden? Want “Hij bewaart de voeten van Zijn heiligen.” Stel dat Hij, zodra u tot Hem komt, Zelf tegen u zegt: “Ik geef u eeuwig leven; u zult nooit verloren gaan, en niemand zal u uit Mijn hand rukken”? Luister, ziel — omdat alles van ná het begin van uw redding tot aan het einde van de weg in Zijn handen ligt, hoeft u niet zelf de tweede of derde stap te zetten.
U hoeft alleen Hem te vertrouwen voor de hele weg — van hier tot in de hemel. Ik geloof dat als u en ik tot aan de drempel van de hemel zouden komen en onze vingers al aan de klink van de poort zouden leggen, we nog niet binnen konden gaan als Gods genade ons niet de laatste stap naar binnen droeg. Maar Zijn genade “zal” dat doen.
Vertrouw op Jezus, want:
“Zijn eer is ermee gemoeid
het minste van Zijn schapen te redden;
Alles wat de Vader Hem gegeven heeft
houdt Hij veilig in Zijn hand.
Noch dood, noch hel kan ooit
Zijn geliefden van Hem scheiden;
in de liefdevolle omarming van Zijn liefde
zullen zij voor eeuwig rusten.”
Dus ieder mens — man of vrouw, jongen of meisje, wie dan ook — die tot Christus komt, zal niet worden afgewezen.
III. We hebben in de tekst gezien: ten eerste, een noodzakelijke daad; ten tweede, een onnodige vrees weggenomen; en nu zien we EEN HOOGST REDELIJK VERTROUWEN VOORGESTELD.
Ik hoop dat er hier velen zijn die werkelijk verlangen gered te worden. Als dat zo is, onthoud dan wat de apostel Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “Zie, nú is het de tijd van het welbehagen; zie, nú is het de dag van het heil.” Ik vertrouw erop dat ieder van u begrijpt wat dat betekent: dat het hele proces van redding, voor zover het u betreft, hierin bestaat dat u elk ander vertrouwen opgeeft — behalve het vertrouwen op de Heere Jezus Christus en Zijn volbrachte werk. Er is weleens gezegd dat er maar twee stappen naar de hemel zijn, en dat die twee in wezen één zijn: uit uzelf en in Christus.
Als u zich vandaag nog vastklampt aan een ander vertrouwen, laat dat dan los, en werp u in de armen van Jezus. En weet dit — want God heeft het zelf gezegd — op het moment dat u in Jezus gelooft, bent u gered. U ontvangt deel aan het goddelijke leven, dat nooit kan vergaan. Uw zonden worden op datzelfde moment van u weggenomen — zij kunnen u niet meer veroordelen en zullen nooit meer tegen u opkomen. U wordt bekleed met een volmaakte gerechtigheid die u nooit wordt ontnomen. En in dat vlekkeloze gewaad zult u zelfs op de laatste grote oordeelsdag vrijmoedig kunnen staan.
Waarom zouden we dan niet allemaal, nu meteen, tot Jezus komen en op Hem vertrouwen? Ik bedoel niet alleen degenen die nog nooit op Christus hebben vertrouwd, maar ook ons allen die Hem al kennen — laten we opnieuw leren ons volledig op Hem te verlaten. Ik weet uit eigen ervaring hoe vaak ik mijn geestelijk leven opnieuw heb moeten beginnen aan de voet van het kruis. Ik doe dat voortdurend, en ik ben nooit zo gelukkig, zo veilig, of zo heilig als op dat moment — wanneer ik weer eenvoudig kom, als in het begin, en zeg:
“Ik breng niets in mijn handen,
ik houd mij slechts vast aan Uw kruis.”
Wie meent dat hij volmaakt is geworden, mag dat gerust denken, maar ik niet. Op het moment dat ik begin te spreken over mijn zogenoemde “hogere leven”, ontdek ik dat het verdwijnt zodra ik het kruis uit het oog verlies. In werkelijkheid heb ik geen “hoog” of “gevorderd” leven — ik heb alleen Christus. Ik ben, en blijf, een arm, behoeftig bedelaar, totaal afhankelijk van Hem; en ik ben nooit meer rechtvaardig in Zijn ogen dan wanneer ik dat besef en omhoogkijk zoals ik deed toen ik voor het eerst tot Hem kwam.
Sommige broeders maken een zware val, juist omdat ze hun mooie, geestelijke ervaringen zijn gaan koesteren als een bouwwerk dat ze bovenop een berg hebben gezet. Ze wilden iets verder kijken dan anderen, dus bouwden ze een houten platform om wat hoger te staan. Maar na verloop van tijd begint dat platform te rotten, en plotseling breekt het — en dan storten ze mee naar beneden. Ze denken dat de berg zelf instort, maar dat is niet waar. De rots is stevig; zij waren alleen te ver omhoog geklommen. Als ze waren gebleven waar ze hoorden te staan — op de granieten Rots, Christus zelf — dan waren ze niet gevallen. Daarom zeg ik tot ieder kind van God: streef met heel uw hart naar heiligheid, ja, naar volmaaktheid — maar denk nooit dat u verder gekomen bent dan dit eenvoudige belijden: “Jezus Christus is alles voor mij, en zonder Hem ben ik niets. Aan Hem houd ik mij vast, en alleen op Hem stel ik mijn vertrouwen.”
De troostvolle boodschap van deze tekst is dit: “Als Jezus Christus mij niet zal verstoten, dan zal Hij mij aannemen.” Hij moet het één of het ander doen — er is geen tussenweg. In de Bijbel lees ik slechts van twee groepen mensen: zij die Hij zegent en zij die Hij oordeelt; zij voor wie Hij een reuk ten leven is, en zij voor wie Hij een reuk ten dode is. Dus, zoals ik zojuist zei: als Hij mij niet zal uitwerpen, dan weet ik wat Hij wél zal doen. Hij zal mij ontvangen, Hij zal mij wassen, reinigen, kleden en voeden. Hij zal Zichzelf aan mij openbaren, mij tot Zijn broeder en vriend maken. Hij zal mij in het leven bewaren en in de dood vasthouden. Hij zal mij tot Zich nemen, waar Hij is, zodat ik Zijn heerlijkheid mag aanschouwen. Wie wil er vandaag opnieuw met Jezus beginnen — of juist nu, voor het eerst? Door Zijn genade wil ik dat zelf ook doen. Verlosser, ik heb geen ander vertrouwen dan in Uw kostbaar bloed. Ik heb jarenlang Uw evangelie verkondigd en gezien dat vele zondaars tot U kwamen — maar dat alles weegt voor mij minder dan niets als grond voor mijn hoop op eeuwig leven. Daarom rust ik op U, en op U alleen.
Kom nu, zondaars, en moge de Heilige Geest u genadig leiden om te doen wat wij doen. En wanneer u straks weer uw weg gaat, kan ieder van u zeggen: “Híj zal mij nooit verstoten, want ik ben tot Hem gekomen.” Vertrouw op Jezus, ik smeek het u. Hij is volkomen betrouwbaar, want Hij is de Zoon van God. Hij stierf om de schuld weg te nemen van allen die op Hem vertrouwen. O, dat iemand nu zou zeggen: “Ik heb geprobeerd mijzelf te redden, maar ik kan het niet; ik zal op Hem vertrouwen om het te doen. Ik geloof dat Hij het kan — en dat Hij het zal doen.”
Mijn vriend, u zult nooit teleurgesteld worden als u zo’n gezegende keuze maakt. Moge God u door Zijn genade de kracht schenken om dat te doen — en Hem zij de lof, nu en tot in eeuwigheid.
Amen.


