Een preek uitgesproken op zondagavond 2 januari 1876, door C.H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington
Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker. 1 Kor. 11:28
In de christelijke kerk zijn er slechts twee symbolische instellingen: de doop van gelovigen en het avondmaal. Toch zijn juist deze twee zo vaak verkeerd begrepen, verdraaid en misbruikt, dat oprechte gelovigen soms hebben gewenst dat ze nooit waren ingesteld. Het verbaast ons daarom niet dat er een christelijke groepering bestaat die deze sacramenten volledig heeft afgeschaft, al zijn wij van mening dat zij daarmee niet in overeenstemming met het Woord van God hebben gehandeld. Wijzelf houden eraan vast, en wel om de eenvoudige reden dat onze Heere Jezus Christus ze Zelf heeft ingesteld. Bovendien willen wij ze onderhouden precies zoals Hij dat bevolen heeft; alleen dan zullen zij voor ons werkelijk leerzaam en zegenrijk zijn, tot nut van onze ziel.
De doop — het onderdompelen van de gelovige in water — is het teken van zijn dood, begrafenis en opstanding met Christus. Zij drukt de gemeenschap uit die hij met zijn Heere heeft, zoals de apostel zegt: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat evenals Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in een nieuw leven zouden wandelen.” Niet dat het onderdompelen in water op zichzelf enige genade verleent aan de dopeling; het is slechts een type, een beeld, een leerzaam symbool van de wedergeboorte. Die wedergeboorte bestaat immers uit het overgaan — door dood en opstanding — in een nieuw leven. We weten allemaal dat iemand slechts één keer geboren wordt; een zaak kan nu eenmaal maar één werkelijk begin hebben. Daarom mag de doop nooit worden herhaald. Wie eenmaal is gedoopt, is voor altijd gedoopt.
De andere verordening is het avondmaal. En zoals de doop de nieuwe geboorte afbeeldt — symboliseert en niets meer dan dat — zo beeldt het avondmaal de geestelijke voeding van dat nieuwe leven af. Want hoewel een mens maar één keer wordt geboren, moet hij vele malen eten en drinken om in leven te blijven. Zou hij dat nalaten, dan zou zijn lichaam spoedig verzwakken. Daarom moet het avondmaal, dat de geestelijke voeding van het nieuwgeboren leven met het lichaam en bloed van Christus symboliseert (en, let wel, slechts symboliseert, niet in een lichamelijke zin), regelmatig worden gevierd.
We lezen dat de eerste christenen vaak samenkwamen om het brood te breken; vermoedelijk deden ze dat bijna dagelijks. Sommige vroege kerkvaders hebben zelfs geschreven dat de eerste gelovigen zelden een dag voorbij lieten gaan zonder de dood van Christus te herdenken. Augustinus vermeldt dit eveneens, en hij lijkt ervan overtuigd te zijn geweest dat christenen minstens één keer per week — op de gezegende dag van de opstanding van onze Heere — samen zouden moeten komen om het brood te breken. Ik geloof dat hoe vaker wij om die reden samenkomen, des te beter het voor ons is. De Heilige Geest heeft geen specifieke tijd voorgeschreven; wij zijn niet gebonden aan een wet die ons aan een vast ritme verplicht. De Heere laat dat grotendeels over aan de vrijheid van ons liefdevolle hart. Toch klinken in de woorden die Paulus aanhaalt — “Doet dat, zo dikwijls als gij dit drinkt, tot Mijn gedachtenis” — duidelijk de aansporing en de uitnodiging mee om dit vaak te doen, tot herinnering aan onze geliefde Heiland en Verlosser.
Een eenvoudig feestmaal — zelfs één dat niet meer omvat dan brood en wijn en dat vaak wordt gevierd — kan gemakkelijk worden geringschat of verkeerd toegepast. Daarom wordt dit eenvoudige avondmaal van de Heere, net als het oude paradijs dat door cherubs met een vlammend zwaard werd bewaakt om de weg naar de boom des levens te beschermen, eveneens bewaakt door een vlammend zwaard. Dat zwaard vinden wij terug in de tekst: “Maar laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker.”
Met die gedachte in ons hart willen we de tekst zelf onderzoeken en nadenken over de plicht die ons hierin wordt opgedragen: om onszelf te beproeven voordat we aan de tafel van de Heere komen. We zullen eerst stilstaan bij de noodzaak van dit onderzoek, vervolgens bij wie wij het onderzoek moet uitvoeren, daarna bij de wezenlijke punten van het onderzoek, en ten slotte bij de gezindheid waarin wij aan de tafel moeten naderen nadat wij onszelf hebben beproefd.
I. Ten eerste: DE NOODZAAK VAN DIT ONDERZOEK.
Het besef van deze noodzaak zal des te dieper tot ons doordringen wanneer wij bedenken dat velen in het verleden de tafel van de Heere hebben ontheiligd. Daarom rust op ons de plicht onszelf te onderzoeken, opdat wij niet hetzelfde doen. Jaren geleden – onze grootvaders herinneren zich dat nog – moesten mannen het sacrament nemen, zoals men het noemde, voordat zij burgemeester van een stad konden worden of bepaalde burgerlijke ambten mochten bekleden. Zo werd de tafel van de Heere verlaagd tot een toegangsbewijs tot wereldlijk aanzien. Ik huiver bij de gedachte dat de wetten van dit land mensen daartoe dwongen – hoewel zij nooit gehoor hadden mogen geven aan zulke wetten – en hen ertoe brachten te eten en te drinken tot hun eigen oordeel, doordat zij deze heilige instelling ontheiligden.
Anderen hebben het avondmaal – zoals, vrees ik, sommigen nog steeds doen – misbruikt als middel om materiële hulp te verkrijgen. Zij komen naar de tafel enkel omdat de kerk in tijden van armoede haar leden ondersteunt, of omdat er aalmoezen worden uitgedeeld onder de behoeftige deelnemers. Beste vrienden, hoe arm u ook bent, het zou beter voor u zijn te verhongeren dan op deze manier hulp te ontvangen, als u niet werkelijk behoort tot het volk van de Heere. Mocht iemand van u zich hieraan hebben bezondigd, dan smeek ik u bij de almachtige God: doe het niet meer. En laten wij, als wij ook maar vermoeden dat wij ons ooit daaraan schuldig hebben gemaakt, onszelf eerlijk beproeven en ons oprecht bekeren van deze zonde tegen de Heere.
Weer anderen naderen de communie uit bijgeloof, in de oprechte maar misleide overtuiging dat zij, wanneer zij het gewijde brood ontvangen, daadwerkelijk het lichamelijke vlees van Christus eten. Zo’n monsterlijke leer past alleen bij kannibalisme en is allesbehalve christelijk. Wat een schending van het sacrament is het om met zulke gedachten eraan deel te nemen! En als iemand van ons ook maar enigszins denkt dat het deelnemen aan wat men “het sacrament” noemt — hoewel die term nergens in de Schrift voorkomt — op zichzelf genade verleent, laat hij dat idee dan onmiddellijk varen.
Het avondmaal is geen verlossende of reddende verordening. Het is een bevestigende en vertroostende verordening voor hen die reeds verlost zijn. Het is nooit ingesteld om zielen te redden; verkeerd opgevat kan het zelfs tot veroordeling worden, want wie op zo’n manier eet en drinkt, eet en drinkt zijn eigen oordeel.
Ik vrees bovendien dat er mensen zijn die enkel uit gewoonte naar de communie komen. Sommigen doen dat steevast op Kerstmis en Goede Vrijdag, hoewel ik niet zie wat die dagen uit zichzelf zo bijzonder heilig maakt. Ik zie er weinig heiligheid in, maar wel veel bijgeloof. Laten wij er daarom allen op toezien dat wij nooit slechts uit gewoonte aan het avondmaal deelnemen — niet alleen omdat het de eerste zondag van de maand is, of omdat het de dag van de opstanding van onze Heere is, en wij als kerkleden menen dat wij erbij horen.
Ik noem deze zaken — al hoop ik dat ze voor de meesten van u overbodig zijn — omdat ze toch van belang zijn voor hen die misschien op een van deze manieren ondoordacht de tafel van de Heere ontheiligen.
Broeders en zusters in Christus, wij moeten onszelf beproeven. Want ook al zijn wij vrij van de misstanden die ik noemde, het kan toch zijn dat wij tot dit heilige feest zijn gekomen zonder de nodige eerbied, zonder serieuze overdenking, zonder de juiste voorbereiding van het hart of met een onzorgvuldige naleving van de verordening. Wij hebben vaak aan de tafel van de Heere gezeten, maar er is dikwijls weinig ware gemeenschap met Jezus geweest. Er lag brood op de tafel en in onze mond, maar wij hebben het lichaam van de Heere niet onderscheiden. Er was wijn, maar wij hebben niet door het teken heen gekeken naar het bloed waarvan het slechts het symbool is.
Als dat bij iemand van ons het geval is geweest, dan heeft hij of zij in zoverre onwaardig gegeten en gedronken. Ik weet niet welke tuchtiging God ons daardoor misschien heeft opgelegd, maar de woorden van de apostel zijn tot op heden waar gebleven: “Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen.”
Zo’n zelfonderzoek is bovendien noodzakelijk, omdat het doel van deze verordening vereist dat men zich in een geestelijk geschikte toestand bevindt om er werkelijk aan deel te nemen. Wat is immers het doel van deze instelling? “Doe dit tot Mijn gedachtenis,” zegt de Heere Jezus. Maar niemand kan zich herinneren wat hij niet kent. Hoe zou u dus een Christus kunnen gedenken die u onbekend is? Door tot de tafel van de Heere te komen, belijdt u voor anderen dat u gelooft dat Christus heeft geleefd en gestorven om zondaars te redden. Maar als u dat niet gelooft – althans niet met uw hart – dan bent u niet geschikt om die waarheid aan anderen te verkondigen door middel van deze heilige handeling. De Heere Jezus Christus vraagt niet van Zijn vijanden dat zij Hem gedenken; Hij wil dat Zijn vrienden Zijn nagedachtenis bewaren en dat zij het feit van Zijn dood zichtbaar houden voor de wereld. Het zijn dus Zijn vrienden die dit behoren te doen.
Daarnaast is deze heilige handeling een middel van gemeenschap tussen Christus en Zijn volk. Maar wat voor gemeenschap kan er bestaan tussen u en Christus als u leeft als een kind van Belial? Als u de zonde liefhebt en haar blijft koesteren, welke omgang kunt u dan hebben met de heilige Christus? Zal Hij gemeenschap hebben met iemand die dronken aan Zijn tafel komt, of die de afgelopen week oneerlijk heeft gehandeld, of onreine liederen heeft gezongen, en nu doet alsof hij één is met hen die God loven en verheerlijken? Denk niet dat Jezus Christus iemand in zo’n toestand aan Zijn tafel verwelkomt. Als u toch komt, doet u dat op eigen risico. Het zal u geen zegen brengen, maar eerder een vloek. Laat daarom ieder van ons zichzelf onderzoeken, want wie aan de tafel van de Heere komt, moet zó zijn dat de doeleinden waarvoor deze verordening is ingesteld, in hem of haar verwezenlijkt kunnen worden.
Laten wij ons vooral onderzoeken, omdat het een uiterst ernstige zaak is om onwaardig tot dit sacrament te naderen. De straf voor wie dat doet is zwaar – dat hebt u gehoord in de woorden van de apostel: “Daarom, wie op onwaardige wijze dit brood eet of de drinkbeker van de Heere drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed van de Heere.” En verder: “Wie op onwaardige wijze eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, omdat hij het lichaam van de Heere niet onderscheidt. Daarom zijn er onder u veel zwakken en zieken, en velen zijn ontslapen.”
Doe dus uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat is heilige grond. Nader niet haastig tot deze heilige plaats, maar kom met eerbied – of liever, met heilige vrijmoedigheid – die past bij een zondaar die gewassen is in het bloed van Jezus Christus en bekleed is met Zijn volmaakte gerechtigheid.
En, geliefde vrienden, laten wij onszelf opnieuw onderzoeken, want wij weten dat er ongetwijfeld ook onder ons zijn die onwaardig deelnemen aan het avondmaal. Tot ons grote verdriet hebben wij gehoord dat sommigen een onverzoenlijke geest koesteren, en toch de moed hebben gehad om aan de tafel van de Heere plaats te nemen. Wanneer ik zeker wist dat dit het geval was, heb ik zo iemand de toegang tot de tafel geweigerd; maar zonder dat ik of andere predikanten het wisten, is het ongetwijfeld vaker voorgekomen dat mensen deelnamen terwijl zij zich niet gedroegen naar de geest van Christus tegenover een broeder of zuster die hen had beledigd. Herinnert u zich niet hoe zelfs de liefdevolle apostel Johannes schrijft: “Als iemand zegt: ‘Ik heb God lief,’ en hij haat zijn broeder, hij is een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, die hij niet ziet?”
Er zijn helaas ook mensen die, hoewel zij door hun deelname aan het avondmaal beweren christen te zijn, toch blijven leven in openlijke of verborgen zonde. Dit is een van de zwaarste pijnen voor ware dienaren van Christus. Velen van ons hebben met verdriet de handen opgeheven en bittere tranen gehuild toen wij zagen hoe bomen die uiterlijk fris en groen leken, van binnen zo verrot waren dat ze, zoals Bunyan zegt, “alleen nog geschikt waren als tondel voor de tondeldoos van de duivel.” Hun belijdenis was vals, want hun morele leven was verontreinigd. Hun verdorvenheid bleef verborgen tot de dag kwam – rampzalig voor hun reputatie, maar heilzaam voor de zuivering van de Gemeente – dat zij werden ontmaskerd en met schande verwijderd. Judas werd ontmaskerd; Ananias en Saffira werden ontmaskerd; en ook de onreinen en onheiligen onder de eerste christenen werden uit de gemeente van de heiligen gesloten.
Nu, broeders en zusters, als u weet dat dit bij anderen is gebeurd, vergeef mij dan dat ik u de vraag stel: is het niet mogelijk dat het ook bij u zo zou kunnen zijn? Hoe dan ook, u doet er goed aan uzelf te beproeven. En als u na eerlijk onderzoek kunt zeggen: “Nee, dat is bij mij niet zo,” prijs dan God dat u dat oprecht kunt zeggen. Eer uzelf niet, maar geef alle lof aan Gods genade. Toch, onderzoek uzelf grondig: “Beproef uzelf of u in het geloof bent.”
Als predikant ben ik daartoe eveneens verplicht, want ook vooraanstaande verkondigers van het evangelie hebben soms een onheilig leven geleid. Geen enkele predikant mag zich veilig wanen. Ook diakenen en oudsten moeten zichzelf onderzoeken, want er zijn kerkelijke ambtsdragers geweest die schande hebben gebracht over het ambt dat zij bekleedden. En u – zondagsschoolleraren, openluchtpredikers, traktatenverspreiders en u, kerkleden in het algemeen – hoe nuttig of gerespecteerd u ook bent, ik roep u dringend op deze heilige plicht niet te verzuimen. Laat ieder zichzelf onderzoeken voordat hij of zij aan de tafel van de Heere plaatsneemt.
II. Ten tweede wil ik het hebben over DE PERSOON DIE DIT ONDERZOEK MOET UITVOEREN: “Laat ieder mens zichzelf onderzoeken.”
Laat niemand zeggen: “Ik ben door de bevoegde ambtsdragers van de kerk onderzocht toen ik als lid werd toegelaten, dus verder onderzoek is niet nodig.” Het is weliswaar de plicht van elke kerk om bij de toelating van nieuwe leden hun leven en geloofsbelijdenis te toetsen. Onze Heere Zelf heeft immers gezegd: “Aan hun vruchten zult gij hen kennen.” Wij moeten dus letten op een geloofwaardige belijdenis, bevestigd door een leven dat daarmee overeenstemt. Maar dat is ook het enige waarop wij kunnen oordelen. Wij kunnen het hart niet doorzien, en zelfs het zichtbare leven kunnen wij niet onfeilbaar beoordelen. Hoe vaak zijn we daarin niet misleid!
Wie dus denkt dat een lidmaatschapsbewijs hem ontslaat van de plicht tot persoonlijk zelfonderzoek, vergist zich diep. Nee, mijn vriend, u kent uw eigen gedachten, uw daden en uw verborgen motieven. Daarom is deze plicht uitsluitend aan u toevertrouwd: “Laat ieder mens zichzelf onderzoeken.”
Misschien zegt iemand: “Maar mijn vrienden – mijn dierbare vrienden – zijn gerust over mijn geestelijke toestand. Ik heb met mijn godvrezende moeder gesproken, met mijn biddende vader, en onlangs ook met een trouwe oude broeder of zuster in Christus; en allen lijken volkomen tevreden over mij.” Dat is goed, en ik ben blij dat zij zulke gedachten over u hebben; maar toch zegt Paulus, onder inspiratie van de Heilige Geest: “Laat ieder mens zichzelf onderzoeken.”
Er bestaat geen grotere dwaasheid dan de verantwoordelijkheid voor onze eigen ziel proberen over te dragen aan anderen – of het nu vrienden, geestelijken of zogenaamde “predikanten” zijn. Er is geen grotere misleiding dan het verzonnen peterschap voor zuigelingen, waarbij iemand namens een kind belooft afstand te doen van “de pracht en praal van de wereld”, zoals het in sommige catechismi heet. Maar even misleidend zou het zijn om een soort “peterschap voor volwassenen” in te voeren. Niemand kan immers instaan voor het geestelijke karakter van een ander. De apostolische regel blijft onveranderd: “Laat ieder mens zichzelf onderzoeken.”
Let daarom zorgvuldig op de toestand van uw eigen ziel, en bid zoals David bad: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten, en zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg.”
III. DE BELANGRIJKSTE PUNTEN VAN DIT ONDEZOEK
Er zijn vele aspecten van dit zelfonderzoek, maar om het overzichtelijk te houden heb ik ze samengevat onder vijf hoofdpunten.
Ten eerste: onderzoek uzelf met betrekking tot uw kennis. Er zijn mensen die te onwetend zijn om aan de tafel van de Heere te komen. Zij hebben misschien gestudeerd aan Oxford of Cambridge, misschien dragen zij zelfs de titel van doctor in de godgeleerdheid — en toch zijn ze geestelijk onkundig. Welke kennis is dan nodig om op waardige wijze aan het avondmaal deel te nemen? Mijn antwoord is: de kennis van verlossing — een levende, persoonlijke kennis van de Heere Jezus Christus, die zei: “Doe dit tot Mijn gedachtenis.” U kunt zich immers niemand herinneren die u nooit hebt gekend. Daarom moet u de Heere Jezus kennen als u deze instelling wilt onderhouden zoals Hij ze heeft ingesteld.
Daar ligt het brood op de tafel. Weet u uit ervaring wat geestelijke honger is? Weet u dat alleen Jezus Christus die honger van het hart kan stillen? Hebt u geleerd Hem te kennen door in geloof van Hem te eten en te drinken? Dan bent u geschikt om van het brood te nemen, want dan begrijpt u zijn betekenis: u bent verzadigd door gemeenschap met Christus. En daar is ook de beker met wijn. Hebt u ooit geestelijke dorst gekend? Hebt u gezien hoe de Heere Jezus, door Zijn verzoenend offer, volledig in de behoeften van uw ziel heeft voorzien? Heeft Zijn bloed u vernieuwd, verfrist en met blijdschap vervuld? Dan begrijpt u het teken en bent u waardig om uit de beker te drinken.
Maar als u deze honger en dorst nooit hebt gekend, als u geen besef hebt van uw geestelijke nood en evenmin de verlossende kracht van Christus’ werk hebt ervaren, dan verzoek ik u dringend: blijf weg van deze tafel totdat u Hem kent. Anders zult u slechts eten en drinken in geestelijke onwetendheid, en de uiterlijke handeling zal u geen zegen brengen. Moge de Heere u leren Hem te kennen, want Hem kennen is eeuwig leven; en wanneer u Hem kent, kom dan aan Zijn tafel, want dan zult u niet onwaardig eten of drinken.
Ten tweede: onderzoek uzelf met betrekking tot uw geloof. Kennis zonder geloof is leeg; en de kennis waarvan ik sprak, moet samenvallen met een levend vertrouwen. Vertrouwt u werkelijk alleen op de verdiensten van de Heere Jezus Christus? Ik heb mezelf die vraag vaak gesteld en nooit aan het antwoord getwijfeld. Ik weet dat ik op Jezus vertrouw. Als er waarheid is in mijn bewustzijn, dan heb ik mijn ziel toevertrouwd aan die Zaligmaker die leefde, stierf en opstond voor zondaars. Wie zo vertrouwt, mag vrijmoedig tot de tafel komen. Christus nodigt gelovigen — Zijn kinderen — uit tot Zijn maaltijd. Gelooft u in Hem, dan bent u welkom. U zult niet onwaardig eten of drinken als u door geloof erkent dat het vlees van Christus waarlijk voedsel is en Zijn bloed waarlijk drank. Dan zult u op waardige wijze deelnemen.
Ten derde: onderzoek uzelf met betrekking tot uw bekering. In de tekenen op de avondmaalstafel zien we wat het de Heere heeft gekost om ons te verlossen van zonde, dood en hel. Het brood, dat Zijn lichaam afbeeldt, is gescheiden van de wijn, die Zijn bloed uitbeeldt; en die scheiding wijst op Zijn dood, het wegvloeien van het leven onder de zwaarste smart. Als het de Heere zoveel heeft gekost om u van de afgrond te redden, hoe zou iemand dan zonder berouw aan deze tekenen kunnen deelnemen? Hoe kan een hart dat nooit door zonde is verbroken, deelnemen aan de gedachtenis van een gebroken lichaam en een gebroken hart? Zou een stenen hart dat nooit is gesmolten, zich kunnen herinneren hoe het vlees van Jezus smolt in de pijn van Golgotha?
Als uw ogen nooit tranen van berouw hebben gehuild, hoe kunt u dan op rechte wijze Hem gedenken die bloed zweette om Zijn volk van hun zonden te verlossen? Een verbroken hart en een verslagen geest — dát is wat Christus aan Zijn tafel zoekt. Alleen met zulke mensen wil God wonen, en alleen met zulke harten heeft Christus gemeenschap, hier en in de eeuwigheid. Zorg er daarom voor dat uw berouw oprecht is.
Ten vierde: onderzoek uzelf met betrekking tot uw liefde. Broeders en zusters, ik ben ervan overtuigd dat niemand van ons dit brood waardig kan eten of uit deze beker kan drinken, tenzij hij de Heere Jezus werkelijk liefheeft. Daarom durf ik u persoonlijk deze vraag te stellen. Ik ken uw naam misschien niet, maar de naam die onze Heere gebruikt, is genoeg: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?” U zou antwoorden: “Ja, Heere,” nietwaar? Toch stel ik de vraag opnieuw, namens Hem die u door en door kent: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?” En voor de derde keer klinkt ze, dringend en teer: “Simon, zoon van Jona, hebt u Mij lief?”
Het is Jezus Zelf die spreekt — met de doorboorde handen en voeten — en Hij vraagt: “Hebt u Mij lief?” Dat is de toets of u met recht aan Zijn tafel kunt plaatsnemen. Kunt u antwoorden: “Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb”? Misschien weten anderen dat nauwelijks, omdat u niet altijd zo consequent bent als u zou moeten zijn. Misschien twijfelt u er zelfs soms zelf aan. Maar kunt u desondanks zeggen: “Heere, U weet dat ik, diep in mijn hart — ondanks mijn koelheid, mijn vergeetachtigheid, mijn omzwervingen en tekortkomingen — U werkelijk liefheb”? Als dat zo is, broeder, zuster, dan bent u welkom. Kom — u zult niet onwaardig eten en drinken zolang deze liefde, hoe zwak ook, toch oprecht is.
Ten vijfde: onderzoek uzelf met betrekking tot uw gehoorzaamheid. Wie de geboden van Christus niet onderhoudt, bewijst niet dat hij Hem werkelijk liefheeft. De Heere zegt: “Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft.”
Als Paulus had geschreven dat alleen volmaakte mensen tot de tafel mochten komen, dan zou ikzelf niet durven naderen — en ik ben er zeker van dat ook anderen niet zouden durven komen. Volmaakt? Hooguit volmaakt zwak! En als iemand beweert volmaakt te zijn in een andere zin, dan is dat volmaakte dwaasheid. Maar de gehoorzaamheid die God van ons vraagt, is deze: een oprecht verlangen om Hem te volgen.
Verlangt u in uw hart om geheel en al te leven naar de wil van de Heere? Verlangt u ernaar om van elke zonde bevrijd te worden, om elke verkeerde weg te verlaten? Of is er een zonde die u nog liever wilt behouden? Dan bent u niet werkelijk gehoorzaam. Maar kunt u daarentegen zeggen: “Heere, ik wil gereinigd worden van alle kwaad, en ik verlang ernaar U in alles te gehoorzamen. Hoezeer het mij ook tegenvalt of ingaat tegen mijn verlangens — waar U mij ook zendt, wat U mij ook opdraagt — ik zal gaan en doen wat U wilt, met de hulp van Uw genade”? Dan bent u welkom aan Zijn tafel, want Jezus Zelf heet u welkom.
Maar als u weigert uw zonde op te geven, als u nog een geliefde zonde koestert die u niet wilt loslaten, dan bent u een verrader van Christus. U hebt geen meer recht om aan Zijn tafel te zitten dan Judas Iskariot.
IV. Tot slot wil ik nog enkele woorden zeggen over DE INSTELLING WAARMEE WIJ, NA DIT ZELFONDERSZOEK, AAN HET HEILIG AVONDMAAL MOETEN DEELNEMEN.
Moeten wij niet komen, geliefde vrienden, met een geest van heilige verwondering? Dit is immers de tafel van de Heere! En ik kom, samen met het verloste volk van God, om daar te eten en te drinken. Wat een wonder dat ik hier mag zijn! Elke keer dat ik tot het avondmaal nader, word ik opnieuw getroffen door de overweldigende genade van God voor mij – en ook door de goedheid die Hij aan Zijn gemeente heeft betoond, door ons hier samen te brengen. Hoeveel ben ik Hem verschuldigd! Hoe diep ontroert telkens weer de gedachte aan Zijn barmhartigheid mij. En ieder van u, mijn medegelovigen in Jezus Christus, heeft ook zijn eigen reden om deze verwondering te delen.
Wanneer wij tot de tafel komen, laten wij dat dan doen in een geest van diepe zelfvernedering. Broeders en zusters, wij behoren altijd nederig te zijn, maar wanneer wij aan de tafel van onze Heere verschijnen, moeten wij onszelf verlagen tot niets – ja, tot minder dan niets. In de woestijn at de mens engelenbrood, maar engelen hebben nooit zulk brood gegeten. En toch – wij, zwakke en zondige mensen – mogen komen en van dit hemelse voedsel eten.
Laten wij daarom dalen, en nog verder dalen, totdat wij onszelf verliezen in verwondering, liefde en lofprijzing, verbaasd dat wij ooit genodigd zijn om aan dit heilige feest deel te nemen. Laat ons tegelijk komen met een geest van oprecht verlangen. Ik geloof dat niemand ooit tevergeefs luistert naar het Woord als hij komt met een verlangen om gezegend te worden. Een hongerige gemeente zal altijd gevoed worden; en zo zal ook de ziel die verlangt naar Christus, verzadigd worden. Kom dus tot de tafel met dit hart: “Mijn Heere en Meester, ik verlang U te ontmoeten. Het brood op deze tafel zal mij niet verzadigen, tenzij ik mij geestelijk voed met Uw vlees; de wijn zal mijn dorst niet lessen, tenzij ik Uw bloed geestelijk ontvang in mijn ziel. Ik verlang, met vurige hartstocht en heilig verlangen, U Zelf te ontmoeten – mijn vinger te leggen op de spijkerwonden en mijn hand in Uw zijde.”
Als u met zo’n gezindheid komt – dorstend naar Christus Zelf – dan zult u Hem ook ontmoeten. Open uw hart en dorst naar Hem, en de levende wateren zullen de dorst van uw ziel lessen. Kom ook met hoopvol geloof. Misschien hebt u het aangezicht van uw Meester al een tijd niet gezien en hebt u in droefheid en duisternis gewandeld. Kom dan met de hoop dat Hij opnieuw “door het traliewerk” zal kijken en Zich aan u zal openbaren. Zijn sacramenten zijn als vensters van agaat en karbonkel, waardoor het licht van Zijn genade valt op Zijn volk. Misschien zal Hij, terwijl u aan Zijn tafel zit, door één van die vensters weer naar u omzien.
Kom dus in verwachting; kom met een geopend hart, bereid om uw Heere en Meester te ontvangen, en hef uw ogen van liefde naar Hem op. Want als uw ogen in liefde naar Hem opzien, zal Hij met ogen van liefde op u neerkijken. Wanneer u aan Zijn tafel komt, zing dan met vertrouwen: “Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem, Die de kudde weidt tussen de lelies.” Kom met een vurig verlangen naar Zijn nabijheid, en u mag zeker zijn dat Hij Zich aan u zal openbaren.
Kom tenslotte aan de tafel met het vaste voornemen om te blijven vertrouwen, ook als u niets voelt. Wanneer u in het breken van het brood geen openbaring van Zijn aanwezigheid ervaart, en in de beker geen tastbare smaak van Zijn liefde, vertrouw dan toch op Hem. Steun niet op uiterlijke tekenen of zichtbare bewijzen, maar zeg met Job: “Al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?” Zelfs wanneer Zijn tafel u geen merkbaar geestelijk voedsel lijkt te geven, houd dan vast aan uw Meester. En al laat Hij u slechts als een hond onder Zijn tafel, wees tevreden met de kruimels die daar vallen, want in elk kruimeltje van Zijn genade ligt eeuwig leven verborgen.
En nu, wat u betreft, die misschien nog nooit diep over deze dingen hebt nagedacht – laat mij u één laatste woord zeggen, en dan ben ik klaar. Onthoud dit: geloof begint niet met sacramenten. Hoewel ik tot belijdende christenen heb gesproken over het avondmaal, hoop ik dat niemand van u dit ziet als een verlossend sacrament. U, die nog vreemdelingen van de genade bent, moet eerst tot geloof in Christus komen voordat u iets te maken hebt met de doop van gelovigen; u moet eerst tot Christus Zelf komen, voordat u aan de tafel van de Heere mag naderen.
Zodra u door geloof Jezus Christus als uw Verlosser hebt aangenomen, zullen de tekenen en symbolen van Zijn dood kostbaar en leerzaam voor u worden. Maar zolang Hij niet de uwe is, raak deze heilige dingen dan niet aan. Want zoals de onbesneden Filistijnen geen recht hadden om het Paasmaal te vieren, zo hebben ook zij die niet in hun hart zijn vernieuwd door de geestelijke besnijdenis – de besnijdenis zonder handen – geen recht om deel te nemen aan dit feest van christelijke liefde, dat bestemd is voor de volgelingen van de Gekruisigde.
Kom tot Jezus – alleen tot Jezus – en stel uw vertrouwen volledig op Hem. Moge God u genadig dat geloof schenken, omwille van Christus. Amen.

