Ongeveer op het negende uur riep Jezus met een luide stem: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Mattheüs 27:46
Onze Heere, ook al was Hij verlaten, ging door met het werk van Zijn Vader – waarvoor Hij gekomen was. ‘Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ Nee, Hij heeft het kruis niet verlaten; Hij maakte de nagels niet los, zoals Hij had kunnen doen, en daalde niet af naar de spotters om hen te verachten en te verjagen. Hij bleef bloeden en lijden totdat Hij kon zeggen: ‘Het is volbracht,’ en gaf pas de geest toen het volbracht was. Ik vind het, en ik denk jij ook, gemakkelijk en prettig om God te blijven dienen als ik Zijn liefde ten volle ervaar en Christus voor mijn ogen schittert, als elke tekst uit de Bijbel mijn hart verblijdt en als ik zielen tot bekering zie komen zodat ik weet dat God Zijn Woord blijft zegenen. Ja, dan is het gemakkelijk. Maar God blijven dienen als je er alleen maar tegenslagen voor terugkrijgt – als er geen succes is, en als je eigen hart in een staat van diepe duisternis is – dat is een verzoeking die ik ken, en misschien ervaar jij die op dit moment ook wel. Omdat je niet de vreugde geniet die je ooit genoot, zeg je: ‘Ik moet de prediking opgeven; ik moet de zondagsschool opgeven. Hoe kan ik dat werk doen als ik niet geniet van het licht van Gods aangezicht? Ik moet ermee ophouden.’ Geliefden, doe dat toch niet!
Stel dat er in een land een trouwe onderdaan was en hij had iets gedaan wat de koning verdriet deed en de koning wendde op een bepaalde dag zijn gezicht van hem af, denk je dat die trouwe onderdaan dan weg zou gaan en zijn plicht zou verzaken omdat zijn koning afkerig was? Nee, hij zou tegen zichzelf zeggen: ‘Ik weet niet waarom de koning zo moeilijk tegen mij doet. Hij is een goede koning, ik weet dat hij goed is, en als hij geen goed in mij ziet, dan zal ik nog harder voor hem werken dan voorheen. Ik zal hem bewijzen dat mijn loyaliteit niet afhangt van zijn glimlach. Ik ben zijn trouwe onderdaan, en zal hem trouw blijven.’ Wat zou jij tegen jouw kind zeggen als je hem moest tuchtigen omdat hij iets verkeerds deed, en wegging en zei: ‘Ik zal de boodschap die mijn vader mij heeft opgedragen niet doen, en ik zal in huis niet meer doen wat vader mij bevolen heeft te doen, omdat mijn vader mij vanmorgen heeft berispt?’ Ach, wat een ongehoorzaam kind. Als de tucht zijn uitwerking op hem had, zou hij zeggen: ‘Ik zal u geen onrecht meer doen, vader.’ Zo moet het ook met ons zijn. Trouwens, zou onze dankbaarheid ons niet dwingen om voor God te blijven werken? Heeft Hij ons niet gered van de hel?
Dan kunnen we zeggen, zoals de oude heidenen deden: ‘Straf mij, maar als U mij maar vergeeft.’ Ja, als God vergeeft, mag Hij slaan als Hij dat wil. Stel dat een rechter een ter dood veroordeelde misdadiger gratie zou verlenen, maar tegen hem zou zeggen: ‘Hoewel u niet geëxecuteerd zult worden zoals u verdient, moet u toch een aantal jaren in de gevangenis blijven’, dan zou hij zeggen: ‘O, meneer, ik zal deze mindere straf accepteren, zolang mijn leven maar gespaard blijft’. Als onze God ons van de ondergang heeft gered door Zijn eigen Zoon voor ons te laten sterven, dan zullen we Hem daarvoor liefhebben, zelfs als we nooit iets anders ontvangen. Als we tussen hier en de hemel moeten zeggen, zoals de oudere broer: ‘Gij hebt mij nog nooit een geitenbokje gegeven, opdat ik vrolijk zou zijn met mijn vrienden,’ dan zullen we Hem nog steeds liefhebben; en als Hij nooit iets voor ons doet tussen hier en de heerlijkheid, maar ons naar ons sterfbed brengt, dan zullen we Hem nog steeds prijzen omdat Hij ons gered heeft van de ondergang. Daarom zullen we van Hem houden zolang we leven. O, als je over God denkt zoals het hoort, zul je geen wispelturige relatie met Hem hebben, maar zul je Hem dienen met heel je hart, ziel en kracht, of je nu geniet van het licht van Zijn aangezicht of niet.