Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

De onmacht van de mens

33 min. lezen

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 7 maart 1858 door C. H. Spurgeon in de Music Hall, Royal Surrey Gardens te Londen.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke Johannes 6:44

Het ‘tot Christus komen’ is een heel bekende uitdrukking in de Heilige Schrift. Ze wordt gebruikt voor wat de ziel doet wanneer zij in één beweging haar eigengerechtigheid en haar zonden achterlaat, tot de Heere Jezus Christus vlucht en Zijn gerechtigheid ontvangt als haar bedekking en Zijn bloed als haar verzoening. Het ‘tot Christus komen’ omvat dus berouw, zelfverloochening en geloof in de Heere Jezus Christus. Het sluit ook alles in wat noodzakelijk met deze grote gesteldheden van het hart gepaard gaat, zoals het geloof in de waarheid, ernstig gebed tot God en de onderwerping van de ziel aan de voorschriften van Gods evangelie.

Al deze zaken vergezellen het aanbreken van de zaligheid in de ziel. Het ‘tot Christus komen’ is het ene wat voor de zaligheid van een zondaar onmisbaar is. Wie niet tot Christus komt, mag doen of denken wat hij wil, maar hij is nog altijd “in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid” (Handelingen 8:23). Het ‘tot Christus komen’ is het allereerste gevolg van de wedergeboorte. Zodra de ziel levend gemaakt is, ontdekt zij haar verloren staat en schrikt daarvan. Ze ziet uit naar een toevlucht, gelooft dat Christus de toevlucht is die zij nodig heeft, vlucht tot Hem en rust in Hem.

Waar dit ‘tot Christus komen’ niet gevonden wordt, is het zeker dat er nog geen levendmaking is. En waar geen levendmaking is, is de ziel “dood door de misdaden en de zonden” (Efeze 2:1). Een dode ziel kan het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan.

Wij hebben nu een zeer verrassende uitspraak voor ons; sommigen noemen haar zelfs zeer aanstootgevend. Sommige mensen beschrijven het ‘tot Christus komen’ als het gemakkelijkste wat er in de wereld bestaat, maar onze tekst verklaart dat het voor ieder mens volstrekt en volkomen onmogelijk is, tenzij de Vader hem tot Christus trekt. Het is nu onze taak deze uitspraak uitvoerig te behandelen. Wij twijfelen er niet aan dat zij voor de vleselijke natuur altijd aanstootgevend zal blijven. Toch is het ergeren van de menselijke natuur soms de eerste stap om haar voor God te doen buigen. En als dat de vrucht is van een pijnlijk proces, kunnen wij de pijn vergeten en ons verblijden over de heerlijke gevolgen.

Ik wil vanmorgen in de eerste plaats spreken over de onmacht van de mens en waarin die bestaat. Daarna over het trekken van de Vader: wat dat is en hoe het in de ziel werkt. En ik wil eindigen met een zoete vertroosting die uit deze schijnbaar dorre en schrikwekkende tekst voortkomt.

1. De onmacht van de mens.

Onze tekst zegt: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.” Waarin ligt die onmacht dan? Allereerst ligt zij niet in een lichamelijk gebrek. Als het bewegen van het lichaam of het lopen met de voeten iets zou bijdragen aan het komen tot Christus, dan heeft de mens in dat opzicht zeker alle lichamelijke kracht om tot Christus te komen. Ik herinner me dat ik eens een zeer dwaze antinomiaan hoorde verklaren dat hij niet geloofde dat iemand de kracht had om naar het huis van God te lopen, tenzij de Vader hem trok. Die man was duidelijk dwaas. Hij moet toch gezien hebben dat iemand die leeft en benen heeft, net zo gemakkelijk naar het huis van God loopt als naar het huis van de satan.

Als het ‘tot Christus komen’ inhoudt dat iemand een gebed uitspreekt, heeft de mens in dat opzicht geen lichamelijk gebrek. Als hij niet stom is, kan hij net zo gemakkelijk een gebed uitspreken als een godslastering. Het is voor een mens net zo gemakkelijk om een van de liederen van Sion te zingen als een goddeloos en wellustig lied. Aan lichamelijke kracht ontbreekt het bij het komen tot Christus niet. Wat er aan lichaamskracht nodig zou kunnen zijn, bezit de mens zeer zeker. Elk deel van de zaligheid dat daarin bestaat, ligt volkomen en geheel in de macht van de mens, zonder enige hulp van de Geest van God.
Deze onmacht ligt ook niet in een tekort van het verstand. Ik kan net zo gemakkelijk geloven dat deze Bijbel waar is als dat een ander boek waar is. Voor zover geloven in Christus een daad van het verstand is, kan ik net zo goed in Christus geloven als in wie dan ook. Als zijn uitspraak maar waar is, heeft het geen zin mij te zeggen dat ik haar niet kan geloven.

Ik kan wat Christus zegt net zo goed geloven als wat ieder ander zegt. Het verstand mist geen enkel vermogen. Als zuiver verstandelijke daad kan het de schuld van de zonde even goed beseffen als de schuld van een sluipmoord. Het is voor mij net zo goed mogelijk om in gedachten God te zoeken als om aan eerzucht te denken. Ik heb alle verstandelijke kracht en vermogens die maar nodig kunnen zijn, voor zover verstandelijke kracht bij de zaligheid al nodig is. Ja, geen mens is zo onwetend dat hij een gebrek aan verstand kan aanvoeren als excuus om het evangelie te verwerpen. Het gebrek ligt dus niet in het lichaam, en ook niet in wat wij, theologisch gesproken, het verstand moeten noemen. Daar ontbreekt of schort niets, al is het juist het bederf, de verdorvenheid of de ondergang van het verstand dat ten slotte het eigenlijke wezen van de onmacht van de mens vormt.

Sta mij toe u te laten zien waarin deze onmacht van de mens werkelijk ligt. Zij ligt diep in zijn natuur. Door de val en door onze eigen zonde is de natuur van de mens zo verlaagd, verdorven en bedorven geraakt, dat het voor hem onmogelijk is tot Christus te komen zonder de hulp van God de Heilige Geest. Om te laten zien hoe de natuur van de mens hem zo onbekwaam maakt om tot Christus te komen, moet u mij toestaan het volgende beeld te gebruiken.

Kijk eens naar een schaap: hoe graag graast het in het gras! U hebt nog nooit een schaap gezien dat hunkert naar aas; het zou niet kunnen leven van het voedsel van een leeuw. Breng mij nu een wolf. U vraagt mij of een wolf geen gras kan eten en of hij niet net zo volgzaam en tam kan zijn als het schaap. Ik antwoord: nee, want zijn natuur is daartegen. U zegt: ‘Maar hij heeft toch oren en poten? Kan hij dan de stem van de herder niet horen en hem volgen waar hij hem ook heen leidt?’ Ik antwoord: zeker, er is geen lichamelijke oorzaak waarom hij dat niet zou kunnen, maar zijn natuur verbiedt het, en daarom zeg ik dat hij het niet kan. Kan hij dan niet getemd worden? Kan zijn woestheid niet worden weggenomen? Misschien kan hij zo ver bedwongen worden dat hij uiterlijk tam lijkt. Maar er zal altijd een duidelijk verschil blijven tussen hem en het schaap, omdat er een verschil in natuur is.

De reden waarom de mens niet tot Christus kan komen, is dus niet dat hij niet kan komen wat zijn lichaam of zijn verstandelijk vermogen betreft. De reden is dat zijn natuur zo verdorven is dat hij noch de wil noch de kracht heeft om tot Christus te komen, tenzij hij door de Geest getrokken wordt.

Maar laat mij u een beter beeld geven. U ziet een moeder met haar kindje in haar armen. U geeft haar een mes in de hand en zegt haar dat kindje in het hart te steken. Zij antwoordt, en dat naar waarheid: ‘Dat kan ik niet.’ Wat haar lichaamskracht betreft, kan zij het wel als zij wil: daar is het mes en daar is het kind. Het kind kan zich niet verzetten en zij heeft kracht genoeg in haar hand om het onmiddellijk in het hart te steken. Toch heeft zij volkomen gelijk als zij zegt dat zij het niet kan. Als zuivere daad van het verstand zou zij heel goed aan zoiets als het doden van haar kind kunnen denken, en toch zegt zij dat zij zoiets niet eens kan bedenken. Dat is geen leugen, want haar natuur als moeder verbiedt haar iets te doen waarvan haar ziel walgt. Alleen al omdat zij de moeder van dat kind is, voelt zij dat zij het niet kan doden. Zo is het ook met een zondaar. Het ‘tot Christus komen’ is zo tegen de menselijke natuur in, dat men strikt genomen terecht zegt dat mensen niet kunnen en niet willen komen, tenzij de Vader, Die Christus gezonden heeft, hen trekt. Dat blijft waar, al zouden mensen kunnen komen als zij wilden, wanneer men alleen let op hun lichamelijke en verstandelijke krachten (en die spelen bij de zaligheid maar een zeer bescheiden rol).

Laten wij wat dieper op het onderwerp ingaan. Ik zal proberen u in kleinere bijzonderheden te laten zien waarin deze onmacht van de mens bestaat. Zij ligt in de eerste plaats in de koppigheid van de menselijke wil.

‘O,’ zegt de remonstrant, ‘mensen kunnen zalig worden als zij maar willen.’ Wij antwoorden: ‘Beste vriend, dat geloven wij allemaal; maar juist in dat “als zij maar willen” zit de moeilijkheid. Wij beweren dat niemand tot Christus wil komen, tenzij hij getrokken wordt. Ja, wij beweren het niet eens zelf, Christus Zelf verklaart het: “En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben” (Johannes 5:40). Zolang dat “gij wilt tot Mij niet komen” in de Heilige Schrift geschreven staat, zullen wij niet tot het geloof in een leer van de vrije wil van de mens gebracht worden.’
Het is vreemd hoe mensen, als zij over de vrije wil spreken, praten over zaken die zij helemaal niet begrijpen. ‘Nu,’ zegt iemand, ‘ik geloof dat mensen zalig kunnen worden als zij maar willen.’ Beste vriend, dat is de vraag helemaal niet! De vraag is: worden er ooit mensen gevonden die van nature bereid zijn zich te onderwerpen aan de vernederende voorwaarden van het evangelie van Christus? Op gezag van de Schrift verklaren wij dat de menselijke wil zo vreselijk op het kwaad gericht is, zo verdorven, zo geneigd tot al wat slecht is en zo afkerig van al wat goed is, dat zonder de krachtige, bovennatuurlijke en onweerstaanbare invloed van de Heilige Geest geen menselijke wil ooit tot Christus bewogen wordt.

U antwoordt dat mensen soms wel gewillig zijn zonder de hulp van de Heilige Geest. Dan vraag ik: hebt u ooit zo iemand ontmoet? Ik heb met tientallen, met honderden, ja, met duizenden christenen gesproken, van verschillende opvattingen, jong en oud. Maar het is mij nooit overkomen dat ik iemand ontmoette die kon verklaren dat hij uit zichzelf tot Christus gekomen was, zonder getrokken te zijn. De belijdenis van alle ware gelovigen is deze: ‘Ik weet dat ik, als Jezus Christus mij niet had gezocht toen ik als een vreemdeling buiten de kudde van God dwaalde, tot op dit uur nog ver van Hem zou ronddwalen, op afstand van Hem, en die afstand zou liefhebben.’ Eenstemmig bevestigen alle gelovigen de waarheid dat mensen niet tot Christus willen komen, totdat de Vader, Die Christus gezonden heeft, hen trekt.

Niet alleen is de wil koppig, ook het verstand is verduisterd.

Daarvan hebben wij in de Schrift overvloedig bewijs. Ik doe nu niet zomaar beweringen, maar ik spreek leerstukken uit die de Heilige Schrift met gezag leert en die ieder christen in zijn geweten kent: het verstand van de mens is zo duister dat hij de zaken van God op geen enkele wijze kan begrijpen, totdat zijn verstand geopend is. De mens is van nature innerlijk blind. Het kruis van Christus, zo vol heerlijkheid en zo stralend van aantrekkingskracht, trekt hem nooit aan, omdat hij blind is en de schoonheid ervan niet kan zien. Spreek met hem over de wonderen van de schepping, wijs hem op de veelkleurige boog die zich over de hemel spant, laat hem de pracht van een landschap zien: dat alles kan hij heel goed zien. Maar spreek met hem over de wonderen van het verbond der genade, vertel hem van de veiligheid van de gelovige in Christus, wijs hem op de schoonheid van de Persoon van de Verlosser, en hij is volkomen doof voor al uw beschrijvingen. U bent wel als iemand die een liefelijk lied speelt, maar hij slaat er geen acht op; hij is doof, hij heeft er geen begrip van.

Of, om terug te keren naar het vers waarop wij bij de schriftlezing zo bijzonder gelet hebben: “Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden” (1 Korinthe 2:14). En omdat hij een natuurlijk mens is, ligt het niet in zijn macht de zaken van God te onderscheiden. ‘Goed,’ zegt iemand, ‘ik denk dat ik in theologische kwesties tot een heel redelijk oordeel gekomen ben; ik geloof dat ik bijna elk punt begrijp.’ Dat is waar, wat de letter betreft kan dat zo zijn. Maar wat de geest ervan betreft, het werkelijk ontvangen in de ziel en het daadwerkelijk verstaan, dat kunt u onmogelijk bereikt hebben, tenzij u door de Geest getrokken bent. Want zolang het Schriftwoord waar blijft dat vleselijke mensen geestelijke zaken niet kunnen ontvangen, moet het ook waar zijn dat u ze niet ontvangen hebt, tenzij u vernieuwd bent en een geestelijk mens in Christus Jezus geworden bent.

De wil en het verstand zijn dus twee grote deuren, die beide gebarricadeerd zijn, zodat wij niet tot Christus kunnen komen. Totdat zij door de zoete invloed van de Goddelijke Geest geopend worden, moeten zij voor altijd gesloten blijven voor alles wat op het komen tot Christus lijkt. Ook de genegenheden, die een zeer groot deel van de mens uitmaken, zijn verdorven.

De mens zoals hij is voordat hij de genade van God ontvangt, heeft alles en nog wat liever dan geestelijke zaken. Als u daar bewijs van wilt, kijk dan om u heen. De verdorvenheid van de menselijke genegenheden heeft geen gedenkteken nodig. Waar u uw ogen ook heen wendt, er is geen straat, geen huis, ja, geen hart dat niet het droevige bewijs van deze verschrikkelijke waarheid draagt. Hoe komt het dat de mensen op de sabbat niet allemaal naar het huis van God stromen? Waarom worden wij niet vaker met de Bijbel in de hand aangetroffen? Hoe komt het dat het gebed een plicht is die bijna overal verwaarloosd wordt? Waarom wordt Christus Jezus zo weinig liefgehad? Waarom zijn zelfs Zijn belijdende volgelingen zo koel in hun liefde tot Hem? Waar komt dit alles vandaan? Zeker, geliefde broeders, wij kunnen het tot geen andere bron herleiden dan tot het bederf en de verdorvenheid van de genegenheden. Wij hebben lief wat wij behoren te haten, en wij haten wat wij behoren lief te hebben. Het is niets anders dan de menselijke natuur, de gevallen menselijke natuur, dat de mens dit tegenwoordige leven meer liefheeft dan het toekomende leven. Het is niets anders dan het gevolg van de val dat de mens de zonde meer liefheeft dan de gerechtigheid, en de wegen van deze wereld meer dan de wegen van God. Wij herhalen het nog eens: totdat deze genegenheden vernieuwd zijn en door het genadige trekken van de Vader in een nieuwe bedding geleid worden, kan geen mens de Heere Jezus Christus liefhebben.

Nog één keer: ook het geweten is door de val overweldigd. Ik geloof dat theologen geen grotere vergissing begaan dan wanneer zij de mensen voorhouden dat het geweten de stadhouder van God in de ziel is, en dat het een van die krachten is die hun oude waardigheid behouden hebben en rechtop zijn blijven staan toen hun gezellen vielen. Mijn broeders, toen de mens in de hof viel, viel de mensheid volledig; in de tempel van de mensheid bleef geen enkele pilaar overeind staan. Het is waar dat het geweten niet vernietigd werd. Die pilaar werd niet verbrijzeld; hij viel, en hij viel in één stuk, en daar ligt hij uitgestrekt, het machtigste overblijfsel van Gods eens volmaakte werk in de mens. Maar dat het geweten gevallen is, daarvan ben ik zeker.

Kijk maar naar de mensen. Wie van hen bezit een “goed geweten voor God”, behalve de wedergeboren mens? Denkt u dat mensen dagelijks daden zouden doen die even ver van het goede afstaan als de duisternis van het licht, als hun geweten altijd luid en duidelijk tot hen sprak? Nee, geliefden, het geweten kan mij zeggen dat ik een zondaar ben, maar het kan mij niet laten vóélen dat ik er een ben. Het geweten kan mij zeggen dat dit of dat verkeerd is, maar hoe verkeerd het is, weet het geweten zelf niet. Heeft het geweten van iemand, zolang het niet door de Geest verlicht was, hem ooit gezegd dat zijn zonden de verdoemenis verdienden? Of als het geweten dat wel deed, heeft het ooit iemand ertoe gebracht een afschuw te krijgen van de zonde als zonde?

Ja, heeft het geweten ooit iemand zo ver gebracht dat hij zichzelf verloochende, zichzelf en al zijn werken volkomen verfoeide en tot Christus kwam? Nee, al is het geweten niet dood, het is een ruïne. Zijn kracht is aangetast. Het heeft niet meer die heldere blik, die sterke hand en die donderende stem die het vóór de val had, en het heeft grotendeels opgehouden zijn gezag uit te oefenen in de stad Mensziel. Daarom, geliefden, juist omdat het geweten verdorven is, is het nodig dat de Heilige Geest ingrijpt om ons te tonen dat wij een Zaligmaker nodig hebben, en om ons tot de Heere Jezus Christus te trekken.

‘Toch,’ zegt iemand, ‘voor zover u tot nu toe gekomen bent, lijkt het mij dat u de reden waarom mensen niet tot Christus komen, eerder zoekt in het feit dat zij niet willen dan dat zij niet kunnen.’ Dat is waar, volkomen waar. Ik geloof dat de grootste oorzaak van de onmacht van de mens de koppigheid van zijn wil is. Is die eenmaal overwonnen, dan is naar mijn mening de grote steen van het graf weggerold en het zwaarste deel van de strijd al gewonnen. Maar sta mij toe iets verder te gaan. Mijn tekst zegt niet: ‘Niemand wil komen’, maar: “Niemand kan komen.” Veel uitleggers menen dat het woord ‘kan’ hier slechts een krachtige uitdrukking is die niets meer betekent dan het woord ‘wil’. Ik ben ervan overtuigd dat dit niet juist is. In de mens is niet alleen onwil om zalig te worden, maar ook een geestelijke krachteloosheid om tot Christus te komen. Dat zal ik in ieder geval aan iedere christen bewijzen.

Geliefden, ik spreek tot u die al door de Goddelijke genade levend gemaakt bent: leert uw ervaring u niet dat er tijden zijn waarin u de wil hebt om God te dienen, maar toch de kracht niet hebt? Hebt u niet soms moeten zeggen dat u graag wilde geloven, maar dat u moest bidden: “Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp” (Markus 9:24)? Want hoewel u gewillig genoeg was om Gods getuigenis aan te nemen, was uw eigen vleselijke natuur u te sterk en voelde u dat u bovennatuurlijke hulp nodig had. Kunt u op elk uur dat u maar kiest uw binnenkamer ingaan, op uw knieën vallen en zeggen: ‘Nu wil ik heel ernstig bidden en nu wil ik dicht tot God naderen’? Ik vraag u: merkt u dat uw kracht even groot is als uw wil? U zou zelfs voor de rechterstoel van God Zelf kunnen zeggen dat u zeker weet dat u zich in uw gewilligheid niet vergist. U wilt helemaal in de aanbidding opgaan; het is uw wil dat uw ziel niet afdwaalt van een zuivere beschouwing van de Heere Jezus Christus. Maar u merkt dat u dat niet kunt, zelfs niet als u het wilt, zonder de hulp van de Geest.

Als nu het levend gemaakte kind van God al een geestelijke onmacht ervaart, hoeveel te meer dan de zondaar die dood is door de misdaden en de zonden? Als zelfs de gevorderde christen na dertig of veertig jaar merkt dat hij soms wel wil en toch machteloos is – als dat zijn ervaring is – lijkt het dan niet meer dan waarschijnlijk dat de arme zondaar die nog niet gelooft, behalve een gebrek aan wil ook een gebrek aan kracht zal ondervinden? Maar er is nog een ander argument. Als de zondaar de kracht heeft om tot Christus te komen, zou ik wel eens willen weten hoe wij dan de voortdurende beschrijvingen van de staat van de zondaar moeten verstaan die wij in Gods heilig Woord tegenkomen. Daar wordt van de zondaar gezegd dat hij “dood door de misdaden en de zonden” is. Wilt u beweren dat de dood niets anders inhoudt dan het ontbreken van een wil? Een lijk is toch zeker even onmachtig als onwillig?

Of ziet niet ieder mens dat er een onderscheid is tussen wil en kracht? Zou dat lijk niet net genoeg levend gemaakt kunnen worden om een wil te krijgen, en toch zo krachteloos blijven dat het zelfs geen hand of voet kan opheffen? Hebben wij nooit gevallen gezien waarin mensen net genoeg bijgebracht waren om teken van leven te geven, en toch zo dicht bij de dood waren dat zij niet de geringste handeling hadden kunnen verrichten? Is er niet een duidelijk verschil tussen het geven van de wil en het geven van de kracht? Het is wel zeker dat waar de wil gegeven wordt, de kracht zal volgen. Maak een mens gewillig, en hij zal krachtig gemaakt worden. Want als God de wil geeft, kwelt Hij de mens niet door hem te laten verlangen naar iets wat hij niet kan doen. Toch maakt Hij zo’n onderscheid tussen de wil en de kracht, dat duidelijk wordt dat het twee geheel verschillende gaven van de Heere God zijn.

Dan moet ik nog één vraag stellen. Als dat alles was wat nodig was, de mens gewillig maken, doet u dan niet onmiddellijk de Heilige Geest tekort? Zijn wij niet gewoon alle eer van de zaligheid die in ons gewerkt wordt, aan God de Heilige Geest te geven? Maar als alles wat God de Geest voor mij doet, is dat Hij mij gewillig maakt om deze dingen zelf te doen, deel ik dan niet voor een groot deel met de Heilige Geest in de eer? Kan ik dan niet vrijmoedig opstaan en zeggen: ‘Het is waar dat de Geest mij de wil gaf om het te doen, maar ik heb het toch zelf gedaan, en daarin zal ik roemen. Want als ik dit zelf gedaan heb zonder hulp van omhoog, zal ik mijn kroon niet aan Zijn voeten neerwerpen; het is mijn eigen kroon, ik heb hem verdiend en ik houd hem.’

De Heilige Geest wordt in de Schrift echter steeds voorgesteld als de Persoon Die in ons “werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen” (Filippenzen 2:13). Daarom houden wij het voor een wettige gevolgtrekking dat Hij meer voor ons moet doen dan ons alleen gewillig maken. Dan moet er in de zondaar dus nog iets anders zijn dan gebrek aan wil: er moet een volstrekt en werkelijk gebrek aan kracht zijn.

Voordat ik dit punt verlaat, wil ik mij nog even tot u richten. Mij wordt vaak verweten dat ik leerstukken preek die veel schade kunnen aanrichten. Goed, ik zal die beschuldiging niet ontkennen, want ik ben niet bezorgd om mij in deze zaak te verantwoorden. Ik heb hier mijn getuigen aanwezig om te bewijzen dat wat ik gepreekt heb, veel schade heeft aangericht. Maar het heeft geen schade gedaan aan de zedelijkheid of aan Gods kerk; de schade lag aan de kant van de satan. Er zijn hier vanmorgen niet één of twee, maar vele honderden die zich verblijden dat zij dicht bij God gebracht zijn. Eens waren zij goddeloze sabbatschenders, dronkaards of wereldse mensen, maar nu zijn zij ertoe gebracht de Heere Jezus Christus te kennen en lief te hebben. Als dat schade is, moge God ons in Zijn oneindige barmhartigheid dan duizendmaal zoveel zenden. Maar bovendien: welke waarheid is er in de wereld die een mens geen schade doet als hij er schade uit wil halen?

U die een algemene verzoening predikt, verkondigt graag de grote waarheid dat Gods barmhartigheid er is tot het laatste ogenblik. Maar hoe durft u dat te prediken? Veel mensen halen er schade uit door de dag van de genade uit te stellen, omdat zij denken dat het laatste uur net zo goed is als het eerste. Ja, als wij nooit iets mochten prediken wat mensen verkeerd zouden kunnen gebruiken en misbruiken, dan zouden wij voor altijd moeten zwijgen.

Toch zegt iemand: ‘Nu goed, als ik mijzelf niet kan zaligmaken en niet tot Christus kan komen, dan moet ik maar stil blijven zitten en niets doen.’ Als mensen zo spreken, komt hun oordeel op hun eigen hoofd. Wij hebben u heel duidelijk gezegd dat er veel is wat u wél kunt doen. Het ligt in uw macht om voortdurend in het huis van God te zijn. Het ligt in uw macht om het Woord van God ijverig te onderzoeken. Het ligt in uw macht om uw uiterlijke zonden op te geven, de ondeugden waaraan u zich overgeeft te laten varen en een eerlijk, matig en rechtvaardig leven te leiden. Daarvoor hebt u geen hulp van de Heilige Geest nodig; dat alles kunt u zelf. Maar werkelijk tot Christus komen ligt niet in uw macht, totdat u door de Heilige Geest vernieuwd wordt. Let er echter op dat uw gebrek aan kracht geen excuus is, omdat u geen verlangen hebt om te komen en in moedwillige opstand tegen God leeft.

Uw gebrek aan kracht ligt vooral in de koppigheid van uw natuur. Stel dat een leugenaar zegt dat het niet in zijn macht ligt de waarheid te spreken, omdat hij al zo lang liegt dat hij er niet meer mee kan ophouden. Is dat een excuus voor hem? Stel dat iemand die lang aan zijn lusten heeft toegegeven, u zegt dat zijn lusten hem als een groot ijzeren net omsloten houden, zodat hij er niet van af kan komen. Zou u dat als excuus aanvaarden? Werkelijk, het is helemaal geen excuus. Als een dronkaard zo diep gezonken is dat hij onmogelijk een kroeg voorbij kan lopen zonder naar binnen te gaan, verontschuldigt u hem dan daarom?

Nee, want zijn onmacht om zich te beteren ligt in zijn natuur, die hij niet wil beteugelen of overwinnen. Wat er gedaan wordt en wat de oorzaak is van wat er gedaan wordt, komen beide voort uit de wortel van de zonde; het zijn twee kwaden die elkaar niet kunnen verontschuldigen. Wat zou het, dat de Moorman zijn huid niet kan veranderen, noch de luipaard zijn vlekken? Juist omdat u geleerd hebt kwaad te doen, kunt u nu niet leren goed te doen. In plaats van u daarom te laten zitten om uzelf te verontschuldigen, wil ik een donderslag onder de zetel van uw traagheid laten losbarsten, zodat u ervan schrikt en wakker wordt. Bedenk dat stilzitten betekent: voor alle eeuwigheid verdoemd worden. O, mocht God de Heilige Geest deze waarheid op een heel andere wijze gebruiken!

Voordat ik eindig, hoop ik u te kunnen laten zien hoe deze waarheid, die de mensen schijnbaar veroordeelt en buitensluit, ten slotte de grote waarheid is die tot bekering van mensen gezegend is.

2. Ons tweede punt is het trekken van de Vader.

“Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.” Hoe trekt de Vader dan mensen? Remonstrantse godgeleerden zeggen doorgaans dat God mensen trekt door de prediking van het evangelie. Dat is heel waar: de prediking van het evangelie is het middel waardoor mensen getrokken worden, maar er moet nog iets meer zijn. Laat mij vragen tot wie Christus deze woorden sprak. Wel, tot de mensen van Kapernaüm, waar Hij vaak gepreekt had en waar Hij treurig en klagend de weeën van de wet en de nodigingen van het evangelie had laten horen. In die stad had Hij veel krachtige werken gedaan en veel wonderen verricht. Ja, Hij had hun zoveel onderwijs en zoveel bevestiging door wonderen gegeven, dat Hij verklaarde dat Tyrus en Sidon zich allang in zak en as bekeerd zouden hebben, als zij met zulke voorrechten gezegend waren geweest. Als nu zelfs de prediking van Christus Zelf niet toereikend was om deze mensen in staat te stellen tot Christus te komen, kan het onmogelijk zo zijn dat met het trekken van de Vader niets anders bedoeld werd dan de prediking.

Nee, broeders, let er ook op dat Hij niet zegt: ‘Niemand kan komen, tenzij de prediker hem trekt’, maar: “tenzij dat de Vader hem trekke.” Het is heel goed mogelijk door het evangelie en door de prediker getrokken te worden, zonder door God getrokken te worden. Hier wordt duidelijk een Goddelijk trekken bedoeld, een trekken door de allerhoogste God: de eerste Persoon van de heerlijke Drie-eenheid, Die de derde Persoon, de Heilige Geest, uitzendt om mensen te bewegen tot Christus te komen. Een ander keert zich om en zegt spottend: ‘Denkt u dan dat Christus mensen naar Zich toe sleept, omdat zij onwillig zijn?’ Ik herinner mij dat ik eens iemand ontmoette die tegen mij zei: ‘Meneer, u preekt dat Christus mensen bij de haren grijpt en ze zo naar Zich toe sleept.’

Ik vroeg hem of hij de datum kon noemen van de preek waarin ik die buitengewone leer gepreekt had, want als hij dat kon, zou ik hem zeer dankbaar zijn. Dat kon hij echter niet. Maar, zei ik, al sleept Christus mensen niet bij de haren naar Zich toe, ik geloof wel dat Hij hen bij het hart trekt, en dat net zo krachtig als uw karikatuur zou doen vermoeden. Let erop dat er in het trekken van de Vader geen enkele dwang is. Christus heeft nooit iemand gedwongen tegen zijn wil tot Hem te komen. Als iemand niet zalig wil worden, maakt Christus hem niet tegen zijn wil zalig. Hoe trekt de Heilige Geest hem dan? Wel, door hem gewillig te maken. Het is waar dat Hij geen ‘zedelijke overreding’ gebruikt; Hij kent een kortere weg om het hart te bereiken. Hij gaat naar de verborgen bron van het hart en weet door een geheimzinnige werking de wil de tegenovergestelde kant op te keren.

Zo wordt de mens, zoals Ralph Erskine het paradoxaal uitdrukt, zalig ‘met volle instemming tegen zijn wil’; dat wil zeggen: tegen zijn oude wil in wordt hij zalig. Maar hij wordt zalig met volle instemming, want hij wordt gewillig gemaakt “op den dag Uwer heirkracht” (Psalm 110:3). Denk niet dat iemand naar de hemel gaat terwijl hij de hele weg schopt en worstelt tegen de hand die hem trekt. Denk ook niet dat iemand in het bad van het bloed van de Zaligmaker wordt ondergedompeld terwijl hij probeert van die Zaligmaker weg te lopen. O nee!

Het is volkomen waar dat de mens eerst onwillig is om zalig te worden. Maar wanneer de Heilige Geest Zijn invloed in het hart gelegd heeft, wordt het woord vervuld: “Trek mij, wij zullen U nalopen!” (Hooglied 1:4). Wij volgen terwijl Hij ons trekt, blij om de stem te gehoorzamen die wij eens veracht hebben. Maar de kern van de zaak ligt in het omkeren van de wil. Hoe dat gebeurt, weet geen vlees. Het is een van die verborgenheden die men duidelijk als feit waarneemt, maar waarvan geen tong de oorzaak kan zeggen en geen hart die kan raden. Wel kunnen wij u zeggen op welke zichtbare wijze de Heilige Geest werkt. Het eerste wat de Heilige Geest doet als Hij in het hart van een mens komt, is dit: Hij vindt hem met een zeer hoge dunk van zichzelf, en niets verhindert een mens zo om tot Christus te komen als een hoge dunk van zichzelf. ‘Wel,’ zegt de mens, ‘ik heb Christus niet nodig. Ik heb een gerechtigheid die zo goed is als iemand maar kan wensen. Ik voel dat ik op grond van mijn eigen rechten de hemel kan binnenwandelen.’ De Heilige Geest legt zijn hart bloot en laat hem de walgelijke kanker zien die daar aan zijn leven vreet. Hij ontdekt hem al de zwartheid en onreinheid van die poel van de hel, het menselijk hart, en dan staat de mens ontzet. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zo was. O, die zonden die ik klein vond, zijn tot enorme omvang opgezwollen. Wat ik voor een molshoop hield, is een berg geworden; eerst was het maar de hysop aan de wand, maar nu is het een ceder van de Libanon geworden.’ ‘O,’ zegt de mens bij zichzelf, ‘ik zal proberen mij te beteren; ik zal genoeg goede daden doen om deze zwarte daden uit te wissen.’

Dan komt de Heilige Geest en laat hem zien dat hij dat niet kan. Hij neemt al zijn ingebeelde macht en kracht weg, zodat de mens in doodsangst op zijn knieën valt en uitroept: ‘O, eens dacht ik dat ik mijzelf door mijn goede werken kon redden, maar nu merk ik:

Als mijn tranen eeuwig vloeiden,
als mijn ijver nooit rust kende,
dan kon dat alles de zonde niet verzoenen;
U moet redden, en U alleen.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Dan zinkt het hart hem in de schoenen en is de mens bijna wanhopig. Hij zegt: ‘Ik kan nooit zalig worden. Niets kan mij redden.’ Dan komt de Heilige Geest en toont de zondaar het kruis van Christus. Hij geeft hem ogen die gezalfd zijn met hemelse ogenzalf en zegt: ‘Zie naar dat kruis daarginds. Die Man is gestorven om zondaren zalig te maken; u voelt dat u een zondaar bent; Hij is gestorven om u zalig te maken.’ En Hij maakt het hart in staat te geloven en tot Christus te komen. Wanneer het hart door dit zoete trekken van de Geest tot Christus komt, vindt het “de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat” (Filippenzen 4:7), die zijn hart en zinnen bewaart in Christus Jezus. U zult nu duidelijk zien dat dit alles kan gebeuren zonder enige dwang. De mens wordt even gewillig getrokken alsof hij helemaal niet getrokken werd. Hij komt met volle instemming tot Christus, met even volle instemming alsof er nooit een verborgen invloed op zijn hart was uitgeoefend. Maar die invloed moet wel uitgeoefend worden, anders is er nooit iemand geweest en zal er nooit iemand zijn die tot de Heere Jezus Christus kan of wil komen.

3. En nu brengen wij de draden samen en besluiten met een poging om een praktische toepassing van deze leer te maken.

Wij vertrouwen dat het een vertroostende toepassing zal zijn. ‘Wel,’ zegt iemand, ‘als wat deze man preekt waar is, wat moet er dan van mijn godsdienst worden? Ik heb namelijk al heel lang mijn best gedaan, en ik hoor u niet graag zeggen dat een mens zichzelf niet kan zaligmaken. Ik geloof dat hij dat wel kan, en ik ben van plan vol te houden. Maar als ik moet geloven wat u zegt, moet ik alles opgeven en opnieuw beginnen.’

Mijn beste vrienden, het zal heel goed zijn als u dat doet! Denk niet dat ik er ook maar enigszins van zal schrikken als u dat doet. Bedenk dat u uw huis op het zand bouwt met wat u nu doet, en dat het niet meer dan een daad van liefde is als ik het een beetje voor u kan laten schudden. Laat mij u in Gods Naam verzekeren: als uw godsdienst geen beter fundament heeft dan uw eigen kracht, zal hij voor de rechterstoel van God geen stand houden. Niets zal tot in de eeuwigheid blijven dan wat uit de eeuwigheid voortkwam. Tenzij de eeuwige God een goed werk in uw hart gedaan heeft, moet alles wat u gedaan hebt op de laatste dag van de afrekening worden losgetornd. Het is allemaal tevergeefs dat u trouw naar de kerk of de kapel gaat, de sabbat goed houdt en uw gebeden in acht neemt. Het is allemaal tevergeefs dat u eerlijk bent tegenover uw naasten en een goede naam hebt in uw wandel. Als u hoopt door deze dingen zalig te worden, is het allemaal tevergeefs dat u erop vertrouwt.

Ga gerust door; wees zo eerlijk als u wilt, houd voortdurend de sabbat, wees zo heilig als u kunt. Ik zou u daar niet van willen afbrengen. Dat zij verre; groei erin, maar o, vertrouw er niet op! Want als u op deze dingen steunt, zult u merken dat zij u in de steek laten wanneer u ze het meest nodig hebt. En als er nog iets anders is waarvan u gemerkt hebt dat u het zonder de hulp van de Goddelijke genade kunt doen, dan is het beter voor u hoe eerder u de hoop kwijtraakt die daardoor gewekt is. Want het is een schandelijk zelfbedrog te steunen op iets wat het vlees kan doen.

Een geestelijke hemel moet door geestelijke mensen bewoond worden, en de voorbereiding daarop moet door de Geest van God gewerkt worden. ‘Wel,’ roept een ander, ‘ik heb onder een prediking gezeten waarin mij gezegd werd dat ik naar eigen keus mij kon bekeren en geloven. Het gevolg is dat ik het van dag tot dag uitgesteld heb. Ik dacht dat ik de ene dag net zo goed kon komen als de andere, en dat ik alleen maar hoefde te zeggen: “Heere, ontferm U over mij,” en te geloven, en dan zou ik zalig worden. Nu hebt u mij al deze hoop ontnomen, meneer; ik voel ontzetting en afschuw mij aangrijpen.’

Opnieuw zeg ik: ‘Mijn beste vriend, daar ben ik heel blij om. Dit is precies de uitwerking die ik hoopte te bereiken. Ik bid dat u dit nog veel sterker mag voelen. Wanneer u geen hoop meer hebt om uzelf te redden, zal ik hoop hebben dat God begonnen is u te redden. Zodra u zegt: “O, ik kan niet tot Christus komen. Heere, trek mij, help mij,” zal ik mij over u verblijden. Wie een wil ontvangen heeft, al heeft hij nog geen kracht, in zijn hart is de genade begonnen, en God zal hem niet loslaten voordat het werk voltooid is.’

Maar zorgeloze zondaar, leer dat uw zaligheid nu in Gods hand ligt. O, bedenk dat u helemaal in de hand van God bent. U hebt tegen Hem gezondigd, en als Hij wil dat u verdoemd wordt, dan bent u verdoemd. U kunt Zijn wil niet weerstaan en Zijn voornemen niet dwarsbomen. U hebt Zijn toorn verdiend, en als Hij besluit de volle stortbui van die toorn op uw hoofd te laten neerkomen, kunt u niets doen om die af te wenden. Als Hij daarentegen besluit u zalig te maken, dan kan Hij u volkomen zaligmaken. Maar u ligt evenzeer in Zijn hand als een zomermot onder uw eigen vinger. Hij is de God Die u elke dag bedroeft. Doet het u niet beven te bedenken dat uw eeuwige bestemming nu afhangt van de wil van Hem Die u vertoornd en getergd hebt? Doen uw knieën niet knikken en stolt uw bloed niet bij deze gedachte? Als dat zo is, verblijd ik mij, want dit kan het eerste gevolg zijn van het trekken van de Geest in uw ziel. O, beef bij de gedachte dat de God Die u vertoornd hebt, de God is van Wie uw zaligheid of uw veroordeling geheel afhangt. Beef, en “kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden” (Psalm 2:12).

De vertroostende gedachte is nu deze: sommigen van u zijn zich vanmorgen bewust dat u tot Christus komt. Bent u niet begonnen tranen van berouw te schreien? Is uw binnenkamer geen getuige geweest van uw biddende voorbereiding op het horen van het Woord van God? En heeft uw hart tijdens de dienst van vanmorgen niet in u gezegd: ‘Heere, behoud mij, want ik verga; mijzelf behouden kan ik niet’? En zou u nu niet in uw bank kunnen opstaan en zingen:

O soevereine genade, onderwerp mijn hart;
ook ik wil in triomf worden meegevoerd,
een gewillige gevangene van mijn Heere,
om de triomf van Zijn Woord te bezingen.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

En heb ik u niet zelf in uw hart horen zeggen: ‘Jezus, Jezus, al mijn vertrouwen is op U; ik weet dat geen eigen gerechtigheid mij kan redden, maar alleen U, o Christus. Of ik nu zink of zwem, ik werp mij op U’? O, mijn broeder, u bent getrokken door de Vader, want u had niet kunnen komen als Hij u niet getrokken had. Wat een zoete gedachte! En als Hij u getrokken heeft, weet u dan wat de heerlijke gevolgtrekking is? Laat mij één tekst herhalen, en moge die u troosten: “De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid” (Jeremia 31:3).

Ja, mijn arme wenende broeder, omdat u nu tot Christus komt, heeft God u getrokken. En omdat Hij u getrokken heeft, is dat een bewijs dat Hij u liefgehad heeft van vóór de grondlegging van de wereld. Laat uw hart in u opspringen: u bent een van de Zijnen. Uw naam was geschreven op de handen van de Zaligmaker toen die aan het vervloekte hout genageld werden. Uw naam schittert vandaag op de borstlap van de grote Hogepriester; ja, hij stond er al voordat de morgenster haar plaats kende en voordat de planeten hun loop begonnen. Verblijd u in de Heere, u die tot Christus gekomen bent, en juich, allen die door de Vader getrokken zijn. Want dit is uw bewijs, uw plechtig getuigenis, dat u uit de mensen verkozen bent in de eeuwige verkiezing, en dat u “in de kracht Gods bewaard” wordt “door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden” (1 Petrus 1:5).

Preek nr. 182 · Gehouden in de Music Hall, Royal Surrey Gardens, Londen, zondagmorgen 7 maart 1858, New Park Street Pulpit deel 4. Oorspronkelijke titel: “Human Inability”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.