Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Soevereine genade en de verantwoordelijkheid van de mens

34 min. lezen

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 1 augustus 1858 door C. H. Spurgeon in de Music Hall in de Royal Surrey Gardens te Londen.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk. Romeinen 10:20-21

[mks_dropcap style=”letter” size=”52″ bg_color=”#ffffff” txt_color=”#000000″]O[/mks_dropcap]nze tekstwoorden zien zonder twijfel in de eerste plaats op het verwerpen van de Joden en het verkiezen van de heidenen. De heidenen waren een volk dat God niet zocht, maar in afgoderij leefde. Toch behaagde het Jehova in deze laatste tijden het evangelie van Zijn genade tot hen te zenden, terwijl de Joden, die lang de voorrechten van Gods Woord genoten hadden, vanwege hun ongehoorzaamheid en opstandigheid verworpen werden. Dit is de eerste bedoeling van onze tekst. Toch geloof ik met Calvijn dat de waarheid die de tekst leert, een afbeelding is van een algemene werkelijkheid. Zoals God een volk verkoren heeft dat Hem niet kende, zo heeft Hij ook in de overvloed van Zijn genade verkozen Zijn zaligheid te openbaren aan mensen die van de weg zijn afgedwaald.

Daarentegen gaan de mensen die verloren gaan nadat zij het Woord gehoord hebben, verloren door hun moedwillige zonde. Want God strekt “den gehelen dag” Zijn handen uit “tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk”. Het stelsel van de waarheid bestaat niet uit één rechte lijn, maar uit twee. Niemand zal ooit een juist inzicht in het evangelie krijgen, voordat hij weet hoe hij die twee lijnen tegelijk moet bezien. In het ene Bijbelboek wordt mij geleerd dat ik zal maaien wat ik gezaaid heb, en op een andere plaats wordt mij voorgehouden: “Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods” (Romeinen 9:16). Op de ene plaats zie ik dat God in Zijn voorzienigheid over alles regeert. Toch zie ik ook, en ik kan niet anders dan het zien, dat de mens handelt zoals hij zelf wil, en dat God zijn daden voor een groot deel aan zijn eigen wil heeft overgelaten.

Welnu, als ik zou verklaren dat de mens zo vrij is in zijn handelen dat God helemaal niet over zijn daden regeert, dan zou ik heel dicht bij het atheïsme komen. Zou ik daarentegen verklaren dat God alles zo bestuurt dat de mens niet vrij genoeg is om verantwoordelijk te zijn, dan verval ik meteen in het antinomianisme of het fatalisme.

Dat God voorbeschikt en dat de mens tegelijk verantwoordelijk is, zijn twee zaken die maar weinigen zien. Men meent dat die twee niet samen kunnen bestaan en elkaar tegenspreken. Maar dat is niet zo! Het ligt eenvoudig aan ons zwakke oordeel. Twee waarheden kunnen niet met elkaar in strijd zijn. Als ik op de ene plaats lees dat alles van tevoren is vastgesteld, dan is dat waar. En als ik ergens anders lees dat een mens verantwoordelijk is voor al zijn daden, dan is dat óók waar. Het is mijn dwaasheid die mij doet denken dat twee waarheden ooit met elkaar in strijd kunnen zijn. Ik geloof niet dat deze twee waarheden ooit op enig menselijk aambeeld tot één kunnen worden gesmeed, maar in de eeuwigheid zullen ze één zijn. Het zijn twee lijnen die zo dicht naast elkaar lopen, dat het verstand dat ze het verst volgt, nooit zal ontdekken dat ze naar elkaar toe lopen. Toch doen ze dat wel, en ergens in de eeuwigheid, dicht bij de troon van God, vanwaar alle waarheid ontspringt, zullen ze samenkomen.

Wij zullen deze twee leerstukken vanmorgen nader beschouwen. In het twintigste vers wordt ons de leer van de soevereine genade voorgehouden: “En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.” Het volgende vers leert ons de schuld van de mens die God afwijst: “Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.”

In de eerste plaats dan de goddelijke soevereiniteit, zoals die zichtbaar wordt in de zaligheid. Als een mens zalig wordt, dan wordt hij dat door goddelijke genade, en door goddelijke genade alleen. De reden van zijn zaligheid ligt niet in hemzelf, maar in God. Wij worden niet zalig als gevolg van iets wat wij doen of willen, maar wij willen en doen als gevolg van Gods welbehagen en van het werk van Zijn genade in ons hart. Geen enkele zondaar kan God voorkomen; dat wil zeggen: hij kan niet vóór Hem uit gaan en Hem niet vóór zijn. God is altijd de Eerste in de zaak van de zaligheid. Hij gaat vooraf aan onze overtuiging van zonde, aan ons verlangen, aan onze vrees en aan onze hoop. Alles wat goed is in ons of ooit goed zal zijn, wordt voorafgegaan door Gods genade en is de vrucht van een goddelijke oorzaak in ons. Als ik vanmorgen spreek over Gods genadige daden in de zaligheid, merk ik in de eerste plaats op dat die volkomen onverdiend zijn.

U ziet in de tekst dat het volk dat hier genoemd wordt, Gods genade zeker niet verdiend heeft. Zij hebben Hem gevonden, maar nooit naar Hem gezocht. Hij is aan hen openbaar geworden, maar zij hebben nooit naar Hem gevraagd. Er is nog nooit een mens zalig geworden die dat verdiend had. Vraag het aan al Gods heiligen; zij zullen u zeggen dat zij hun vroegere leven in de begeerlijkheden van het vlees hebben doorgebracht.

Zij zullen u zeggen dat zij in de dagen van hun onwetendheid tegen God in opstand kwamen en zich van Zijn wegen afkeerden. Toen de nodiging kwam om tot Hem te komen, hebben zij die nodiging veracht, en toen zij gewaarschuwd werden, hebben zij de waarschuwing achter hun rug geworpen. Zij zullen u vertellen dat het feit dat God hen trok, niet het gevolg was van enige verdienste vóór hun bekering. Want in plaats van enige verdienste te bezitten, waren sommigen van hen de allerergsten. Zij hadden zich in de diepste goot van de zonde gestort. Zij schaamden zich niet voor al die zaken waarover het voor ons een schande zou zijn zelfs maar te spreken. Zij waren aanvoerders in de misdaad, ware vorsten in de gelederen van de vijand.

En toch kwam de soevereine genade tot hen, en zij werden tot de kennis van de Heere gebracht. Zij zullen u zeggen dat dit niet het gevolg was van iets goeds in hun aard. Want al vertrouwen zij dat er nu iets uitnemends in hen geplant is, in de dagen van hun vlees konden zij geen enkele eigenschap ontdekken die niet verdorven was tot de dienst van de satan. Vraag hun of zij menen dat God hen verkoren heeft op grond van hun moed. Zij zullen u zeggen: ‘Nee!’ Als zij al moed hadden, dan was die ontsierd, want zij waren moedig in het doen van kwaad.

Vraag hun of God hen verkoren heeft op grond van hun talent. Zij zullen antwoorden: ‘Nee!’ Zij hadden dat talent wel, maar zij misbruikten het in de dienst van de satan. Vraag hun of zij verkoren werden om hun openhartige en gulle aard. Zij zullen u zeggen dat juist die openhartigheid en die gulheid hen dieper in de zonde hebben doen wegzinken dan anders het geval zou zijn geweest. Want zij waren dikke vrienden met ieder slecht mens, altijd bereid om het glas te heffen en mee te doen met ieder vrolijk gezelschap dat zij op hun weg tegenkwamen. Er was in hen geen enkele reden waarom God Zich over hen zou ontfermen. Het is voor hen juist een wonder dat Hij hen niet midden in hun zonden heeft weggemaaid, dat Hij hun namen niet uit het boek des levens heeft uitgedelgd en hen niet heeft weggevaagd in de afgrond waar het vuur brandt dat de goddelozen zal verteren.

Sommigen hebben echter beweerd dat God Zijn volk verkiest omdat Hij vooruitziet dat zij, nadat Hij hen verkozen heeft, van alles zullen doen wat verdienstelijk en uitnemend is. Vraag het opnieuw aan Gods volk; zij zullen u zeggen dat zij sinds hun bekering veel te bewenen hebben gehad. Al mogen zij zich erover verblijden dat God het goede werk in hen begonnen is, toch beven zij vaak uit vrees dat het helemaal niet Gods werk is.

Zij zullen u vertellen dat zij soms overvloedig zijn in geloof, maar dat er ook tijden zijn dat zij nog overvloediger zijn in ongeloof. Soms zijn zij vol werken van heiligheid, maar er zijn ook tijden dat zij bittere tranen storten bij de gedachte dat juist die heilige daden met zonde bevlekt waren. Een christen zal u zeggen dat hij zelfs over zijn tranen weent. Hij voelt dat er zelfs in zijn beste verlangens nog vuil zit. Hij moet God bidden om hem zijn gebeden te vergeven, want er is zonde midden in zijn smekingen. Zelfs zijn beste offers moet hij nog met het verzoenend bloed besprengen, want anders kan hij nooit een offer brengen zonder smet of gebrek.

U kunt een beroep doen op de stralendste heilige, op de man wiens aanwezigheid in de samenleving is als die van een engel, en hij zal u zeggen dat hij zich nog steeds voor zichzelf schaamt. Hij zegt: ‘Ach, u mag mij prijzen, maar ik kan mezelf niet prijzen. U spreekt goed van mij en u juicht mij toe, maar als u mijn hart kende, zou u reden te over hebben om mij te zien als een arme zondaar die uit genade zalig wordt, die niets heeft om zich op te beroemen en die het hoofd moet buigen en zijn ongerechtigheden voor Gods aangezicht moet belijden.’ De genade is dus volkomen onverdiend!

Verder is Gods genade soeverein. Met dat woord bedoelen we dat God een volstrekt recht heeft om die genade te geven waar Hij wil, en haar te onthouden wanneer het Hem behaagt. Hij is niet verplicht haar aan enig mens te geven, en nog veel minder aan alle mensen. Als Hij verkiest haar aan de één te geven en niet aan de ander, dan luidt Zijn antwoord: “Of is uw oog boos, omdat ik goed ben? Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil?” (Mattheüs 20:15) en: “Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm” (Romeinen 9:15).

Ik wil nu dat u let op de soevereiniteit van de goddelijke genade, zoals de tekst die laat zien: “Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.” U zou denken dat God, als Hij al aan iemand genade wilde bewijzen, zou wachten tot die mens Hem in alle ernst zocht. U zou denken dat God in de hoogste hemel zou zeggen: ‘Ik heb barmhartigheden, maar Ik zal de mensen aan zichzelf overlaten. Als zij voelen dat zij die barmhartigheden nodig hebben en Mij met hun hele hart dag en nacht ijverig zoeken, met tranen, geloften en smekingen, dan zal Ik hen zegenen, maar niet eerder.’

Maar geliefden, zoiets zegt God niet! Het is waar dat Hij degenen zegent die tot Hem roepen. Maar Hij zegent hen al voordat zij roepen, want hun geroep komt niet van henzelf: Hij heeft het hun Zelf in de mond gelegd. Hun verlangens zijn niet uit henzelf opgekomen; het zijn verlangens die God als goed zaad in de akker van hun hart geworpen heeft. God maakt mensen zalig die Hem niet zoeken. O wonder der wonderen! Het is inderdaad genade als God een zoeker zalig maakt, maar hoeveel groter is de genade als Hij Zelf het verlorene zoekt!

Denk aan de gelijkenis van het verloren schaap die de Heere Jezus verteld heeft. Die luidt niet zo: ‘Een zeker mens had honderd schapen, en één daarvan was afgedwaald. Hij bleef thuis wachten, en zie, het schaap kwam terug, en hij ontving het met blijdschap. Daarna zei hij tegen zijn vrienden: Wees blij met mij, want het schaap dat ik kwijt was, is teruggekomen.’ Nee! Hij ging het schaap zoeken! Uit zichzelf zou het nooit naar hem toe gekomen zijn; het zou steeds verder zijn afgedwaald. Hij ging het achterna; over heuvels van moeite en door dalen van moedeloosheid volgde hij zijn dwalende voeten, totdat hij het eindelijk te pakken kreeg. Hij dreef het niet voor zich uit en hij leidde het ook niet, maar hij droeg het zelf de hele weg. En toen hij ermee thuiskwam, zei hij niet: ‘Het schaap is teruggekomen’, maar: ‘Ik heb het schaap gevonden dat verloren was.’ De mens zoekt God niet eerst; God zoekt hem eerst. Als iemand van u Hem vandaag zoekt, dan is dat omdat Hij u eerst gezocht heeft. Als u naar Hem verlangt, dan heeft Hij eerst naar u verlangd. Uw goede verlangens en uw ernstig zoeken zijn niet de oorzaak van uw zaligheid, maar de vrucht van de genade die u al eerder geschonken is.

‘Goed’, zegt iemand anders, ‘ik had gedacht dat de Zaligmaker, ook al eist Hij misschien geen ernstig zoeken, zuchten en kermen en geen voortdurend speuren naar Hem, toch zeker zou willen en eisen dat ieder mens om genade vraagt voordat hij die ontvangt.’ Ja geliefden, dat lijkt inderdaad voor de hand te liggen, en God geeft ook genade aan wie erom vraagt. Maar let op, de tekst zegt: “Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.” Dat wil zeggen: God schenkt ons genade voordat wij erom vragen. De enige reden waarom een mens ooit begint te bidden, is dat God eerst genade in zijn hart heeft gelegd die hem tot bidden brengt. Ik weet nog dat ik, toen ik tot God bekeerd werd, door en door arminiaans was. Ik dacht dat ik zelf het goede werk begonnen was. Soms zat ik te denken: ‘Nou, ik heb de Heere vier jaar gezocht voordat ik Hem vond.’ En ik geloof dat ik mezelf begon te complimenteren met het feit dat ik Hem onder veel ontmoediging volhardend had gesmeekt.

Maar op een dag schoot de gedachte door mij heen: ‘Hoe kwam het dat je God ging zoeken?’ En in een ogenblik kwam het antwoord uit mijn ziel: ‘Wel, omdat Hij mij ertoe bracht! Hij moet mij eerst hebben laten zien dat ik Hem nodig had, anders zou ik Hem nooit gezocht hebben. Hij moet mij eerst Zijn dierbaarheid hebben laten zien, anders zou ik nooit gedacht hebben dat Hij het zoeken waard was.’ Op slag zag ik de leer van de genade zo helder als maar mogelijk is. God moet beginnen; de natuur kan nooit boven zichzelf uitstijgen.

Giet u water in een reservoir, dan stijgt het tot die hoogte, maar niet hoger als u het met rust laat. Zo ligt het ook niet in de menselijke natuur om de Heere te zoeken. De menselijke natuur is verdorven. Daarom moet de Heilige Geest eerst een buitengewone druk op het hart uitoefenen om ons ertoe te brengen om genade te vragen. Maar let wel: zolang de Geest werkt, weten wij daar niets van; dat ontdekken wij pas achteraf. Wij vragen alsof wij het helemaal uit onszelf vragen. Het is onze taak de Heere te zoeken alsof er helemaal geen Heilige Geest was. Maar al weten wij het niet, er moet altijd eerst een beweging van de Geest in ons hart zijn, voordat er een beweging van ons hart naar Hem toe kan zijn.

Geen zondaar kan U ooit voor zijn;
Uw genade is volkomen soeverein, overvloedig rijk en geheel vrij.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Laat ik u een voorbeeld geven. Ziet u die man op zijn paard, omringd door een troep ruiters? Wat is hij trots, en met wat een besef van eigen waardigheid houdt hij zijn paard in! ‘Mijnheer, wat hebt u daar? Wat zijn dat voor brieven die u zo zorgvuldig bewaart?’ ‘O mijnheer, ik heb hier iets in mijn hand waarmee ik de gemeente van God in Damaskus het leven zuur zal maken. Ik heb die lieden, zowel mannen als vrouwen, de synagoge in gesleurd. Ik heb hen gegeseld en gedwongen te lasteren. En nu heb ik deze volmacht van de hogepriester om hen naar Jeruzalem te slepen, zodat ik hen daar ter dood kan brengen.’ ‘Saul! Saul! hebt u dan geen liefde voor Christus?’ ‘Liefde voor Hem? Nee! Toen zij Stefanus stenigden, heb ik op de kleren van de getuigen gepast, en ik was blij dat ik dat mocht doen. Ik wou dat ik hun Meester zelf had mogen kruisigen, want ik haat hen met een volkomen haat, en ik blaas dreiging en moord tegen hen.’ Wat zegt u van die man? Als hij zalig wordt, geeft u dan niet toe dat het een goddelijke soevereiniteit moet zijn die hem bekeert?

Let nu eens op de arme Pilatus. Wat was er veel in hem dat hoop gaf! Hij wilde de Meester graag redden, maar hij was bang en beefde. Als wij hadden mogen kiezen, zouden wij gezegd hebben: ‘Heere, red Pilatus, want hij wil Christus niet doden; hij doet al het mogelijke om Hem te laten gaan. Maar sla die bloeddorstige Saul neer, want hij is de allergrootste van de zondaren.’ ‘Nee’, zegt God, ‘Ik zal doen met het Mijne wat Ik wil.’

De hemel gaat open en de glans van de heerlijkheid daalt neer, helderder dan de middagzon. Verblind door het licht valt hij ter aarde, en een stem richt zich tot hem: “Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij? … Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan” (Handelingen 9:4-5). Hij staat op en God verschijnt aan hem: “Deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen” (Handelingen 9:15). Is dat niet soeverein? Soevereine genade, zonder enig voorafgaand zoeken? God werd gevonden van hem die Hem niet zocht; Hij openbaarde Zich aan iemand die niet naar Hem vroeg.

Sommigen zullen zeggen: ‘Dat was een wonder.’ Maar het is een wonder dat zich iedere dag van de week herhaalt. Ik heb eens een man gekend die al heel lang niet meer in het huis van God geweest was. Op een zondagmorgen was hij naar de markt geweest om een paar eenden voor het zondagsmaal te kopen. Toen hij langs een kerk kwam, zag hij dat de deuren openstonden. ‘Kom’, dacht hij, ‘ik zal eens horen waar die lui mee bezig zijn.’ Hij ging naar binnen, en het lied dat gezongen werd, trok zijn aandacht. Hij luisterde naar de preek, vergat zijn eenden en ontdekte hoe hij er zelf voor stond. Hij ging naar huis en wierp zich voor God op zijn knieën, en na korte tijd behaagde het God hem blijdschap en vrede in het geloven te geven. Die man had in het begin niets in zich, niets waaruit u zou kunnen afleiden dat hij ooit zalig zou worden. Maar eenvoudig omdat God het zo wilde, gaf Hij de krachtdadige slag van de genade, en de man kwam tot zichzelf. Maar wij, ieder van ons die zalig geworden is, zijn zelf het beste voorbeeld hiervan. Tot op vandaag is het voor mij het grootste wonder dat de Heere mij ooit heeft willen verkiezen. Ik kan het niet begrijpen, en mijn enige antwoord op die vraag is: “Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U” (Mattheüs 11:26).

Ik denk dat ik u deze leer nu vrij duidelijk heb uiteengezet. Laat ik er nog een paar woorden over zeggen. Sommige mensen zijn heel bang voor deze waarheid. Zij zeggen: ‘Het zal wel waar zijn, maar u moet het toch niet voor een gemengd gehoor preken. Het is heel goed tot troost van Gods volk, maar men moet er heel voorzichtig mee omgaan en er niet openlijk over preken.’ Goed, mijnheer, dan laat ik het aan u over om dat met mijn Meester uit te maken. Hij heeft mij dit grote Boek gegeven om eruit te preken, en ik kan uit niets anders preken. Als Hij er iets in heeft laten optekenen wat naar uw mening niet gepast is, ga dan bij Hem klagen, en niet bij mij!

Ik ben slechts Zijn dienstknecht. Als de boodschap die ik moet overbrengen u niet bevalt, kan ik daar niets aan doen! Als ik mijn knecht met een boodschap naar de deur stuur en hij brengt die getrouw over, dan verdient hij geen berisping. Geef mij dan de schuld, en niet de knecht. Zo zeg ik ook: neem het mijn Meester kwalijk en niet mij, want ik verkondig slechts Zijn boodschap. ‘Nee’, zegt iemand, ‘dit moet niet gepreekt worden.’ Maar het moet wél gepreekt worden! Ieder woord van God is door inspiratie gegeven en is nuttig voor een goed doel. Zegt de Bijbel dat niet? Laat ik u zeggen dat veel van onze kerken juist achteruitgaan omdat deze leer niet gepreekt is. Overal waar deze leer hooggehouden werd, heette het altijd: ‘Weg met het pausdom!’

De eerste hervormers hielden aan deze leer vast en preekten haar. Een theoloog van de Kerk van Engeland zei terecht tegen sommigen die op hem schimpten: ‘Kijk naar uw eigen Luther. Beschouwt u hem niet als de leraar van de Kerk van Engeland? Wat Calvijn en de andere hervormers leerden, vindt u in zijn boek over de vrijheid van de wil.’ Bovendien kunnen wij u wijzen op een hele reeks predikanten, van het begin af tot nu toe. U spreekt over de apostolische opvolging? De man die de leer van de genade preekt, staat pas echt in de apostolische opvolging.

Kunnen wij onze stamboom niet nagaan langs een hele rij mannen als Newton, Whitefield, Owen en Bunyan, en die lijn rechtstreeks doortrekken tot we bij Calvijn, Luther en Zwingli uitkomen? En kunnen wij van hen niet nog verder teruggaan naar Savonarola, naar Hiëronymus van Praag, naar Hus, en dan naar Augustinus, de machtige prediker van het christendom? En van Augustinus naar Paulus is maar één stap. Wij hoeven ons voor onze stamboom niet te schamen. Al worden calvinisten nu als onrechtzinnig beschouwd, wij zijn en blijven altijd rechtzinnig. Dit is de oude leer. Koop maar eens een willekeurig puriteins boek en kijk of u er iets van arminianisme in vindt. Zoek alle boekenstalletjes maar af en kijk of u één dikke foliant uit oude tijden kunt vinden waarin iets anders staat dan de leer van de vrije genade van God.

Laat deze leer eens werkelijk tot het verstand van de mensen doordringen, en de leer van boetedoening en biecht verdwijnt, en het is gedaan met het betalen voor de vergeving van uw zonden. Als de genade vrij en soeverein is in Gods hand, dan valt de leer van het priesterbedrog en verdwijnt het kopen en verkopen van aflaten en dergelijke praktijken. Die worden naar de vier winden van de hemel weggevaagd, en de kracht van de goede werken wordt verbrijzeld zoals Dagon voor de ark des Heeren. ‘Goed’, zegt iemand, ‘ik houd van deze leer. Toch zijn er maar weinigen die haar preken, en wie het doen, zijn erg zwaar.’ Heel goed mogelijk, maar het kan me weinig schelen hoe iemand mij noemt. Het betekent maar weinig hoe de mensen u noemen. Stel dat zij u een hypercalvinist noemen, dan maakt dat u toch nog niet slecht? Stel dat men u een antinomiaan noemt, daarmee bent u er nog niet een.

Ik moet echter bekennen dat er mannen zijn die deze leer wel preken, maar daarmee tienduizend keer meer kwaad dan goed doen. Want zij preken niet de volgende leer die ik u ga verkondigen, terwijl die even waar is! Zij hebben de ene leer als zeil, maar de andere niet als ballast. Zij kunnen wel over de ene kant preken, maar niet over de andere. Zij kunnen meegaan met de hoge leer, maar zij willen niet het hele Woord preken. Zulke mannen maken een karikatuur van Gods Woord. En sta mij toe hier te zeggen dat een bepaalde groep ultracalvinisten de gewoonte heeft om ons, die leren dat het de plicht van de mens is zich te bekeren en te geloven, ‘halfbloedcalvinisten’ te noemen.

Wanneer u een van hen dat hoort zeggen, wilt u dan mijn zeer beleefde groeten overbrengen en hun vragen of zij in hun leven ooit de werken van Calvijn gelezen hebben? Niet dat ik me druk maak om wat Calvijn wel of niet gezegd heeft; vraag hun slechts of zij ooit zijn werken gelezen hebben. Als zij antwoorden: ‘Nee!’ (en dat moeten ze wel, want het zijn achtenveertig dikke delen), vertel hun dan dat de man die zij een ‘halfbloedcalvinist’ noemen, ze weliswaar niet allemaal gelezen heeft, maar wel een flink deel ervan. Hij kent hun geest en weet dat hij in wezen hetzelfde preekt als Calvijn. Iedere leer die hij verkondigt, is te vinden in Calvijns verklaringen bij het een of andere deel van de Schrift. Toch zijn wij ware calvinisten. Calvijn is niets voor ons, maar Jezus Christus en Dien gekruisigd, en de ouderwetse Bijbel vormen onze maatstaf. Geliefden, laten wij Gods Woord nemen zoals het er staat. Vinden wij daar een hoge leer, laat haar dan hoog zijn; vinden wij een lage leer, laat haar dan laag zijn. Laten wij geen andere maatstaf aanleggen dan de Bijbel ons geeft. Laten we nu overgaan tot het tweede punt. ‘Let op’, zegt mijn ultracalvinistische vriend, ‘nu gaat hij zichzelf tegenspreken.’ Nee, mijn vriend, dat doe ik niet! Ik ga alleen ú tegenspreken!

Ons tweede punt is de verantwoordelijkheid van de mens: “Maar tegen Israël zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.” Welnu, dit volk dat God verworpen had, was door Hem gelokt en gezocht en dringend gesmeekt om zalig te worden, maar zij wilden niet. En dat zij niet zalig werden, was het gevolg van hun ongehoorzaamheid en hun tegenspreken. Dat staat duidelijk genoeg in de tekst. Toen God Zijn profeten tot Israël zond en Zijn handen naar hen uitstrekte, waartoe diende dat? Waarom wilde Hij dat zij tot Hem kwamen? Wel, om zalig te worden! ‘Nee’, zegt iemand, ‘het ging om tijdelijke zegeningen.’ Niet waar, mijn vriend. Het voorgaande vers gaat over geestelijke zegeningen, en dit vers ook, want beide hebben betrekking op dezelfde zaak. Was God dan oprecht in Zijn aanbod? God vergeve de man die durft te zeggen dat Hij dat niet was! God is ongetwijfeld oprecht in alles wat Hij gedaan heeft. Hij zond Zijn profeten, Hij smeekte het volk Israël de geestelijke zaken aan te grijpen, maar zij wilden niet. En al strekte Hij den gehelen dag Zijn handen uit, toch waren zij “een ongehoorzaam en tegensprekend volk” dat Zijn liefde niet wilde. Hun bloed komt op hun eigen hoofd.

Laat ik nu letten op het lokken van God, en op de aard daarvan. In de eerste plaats was het het liefdevolste lokken dat er bestaat. Verloren zondaren die onder het geluid van het evangelie zitten, gaan niet verloren doordat de liefdevolste nodiging ontbrak. God zegt dat Hij Zijn handen uitstrekte. U begrijpt wat daarmee bedoeld wordt. U hebt wel eens een ongehoorzaam kind gezien dat niet naar zijn vader wil komen. De vader strekt zijn handen uit en zegt: ‘Kom, mijn kind, kom; ik ben bereid je te vergeven.’ Er staat een traan in zijn oog, zijn binnenste wordt bewogen van ontferming, en hij zegt: ‘Kom toch, kom!’

God zegt dat Hij precies dat deed: Hij strekte Zijn handen uit. En dat heeft Hij ook bij sommigen van u gedaan. U die vandaag nog niet zalig bent, bent zonder verontschuldiging, want God heeft Zijn handen naar u uitgestrekt en gezegd: ‘Kom, kom.’ U hebt lang onder de bediening van het Woord gezeten, en die was, naar ik vertrouw, getrouw en met tranen. Uw predikant heeft niet nagelaten in het verborgene voor uw ziel te bidden en over u te wenen als niemand hem zag. Hij heeft geprobeerd u te overreden als een gezant van God. God is mijn getuige dat ik soms op deze preekstoel heb gestaan en niet dringender voor mijn eigen leven had kunnen pleiten dan ik bij u gepleit heb. In Christus’ Naam heb ik geroepen: “Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven” (Mattheüs 11:28). Ik heb over u geweend zoals de Zaligmaker deed, en namens Hem heb ik Zijn eigen woorden gebruikt: “Jeruzalem, Jeruzalem! … hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild” (Mattheüs 23:37).

En u weet dat uw geweten vaak geraakt is. U was vaak bewogen; u kon het niet weerstaan. God was zo goed voor u. Hij nodigde u zo hartelijk door het Woord, en Hij ging door Zijn voorzienigheid zo zachtmoedig met u om. Zijn handen waren uitgestrekt, en u hoorde Zijn stem in uw oren: ‘Kom tot Mij, kom!’ “Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol” (Jesaja 1:18). U hebt Hem horen roepen: “O alle gij dorstigen! komt tot de wateren” (Jesaja 55:1). U hebt Hem met al de genegenheid van een vaderhart horen zeggen: “De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk” (Jesaja 55:7). O, God smeekt de mensen werkelijk om zalig te worden! Vandaag zegt Hij tegen ieder van u: “Bekeert u … tot vergeving der zonden” (Handelingen 2:38). “Keert weder tot Mij” (Zacharia 1:3). “Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Stelt uw hart op uw wegen” (Haggaï 1:5). En met goddelijke liefde lokt Hij u, zoals een vader zijn kind lokt: Hij strekt Zijn handen uit en roept: ‘Kom tot Mij, kom tot Mij.’

‘Nee’, zegt nu iemand die streng in de leer is, ‘God nodigt nooit alle mensen tot Zich; Hij nodigt alleen mensen van een bepaald soort.’ Stop, mijnheer, meer weet u er dus niet van? Hebt u nooit die gelijkenis gelezen waarin gezegd wordt: “mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft” (Mattheüs 22:4)? En dat de genodigden niet wilden komen? Hebt u nooit gelezen dat zij zich allen begonnen te verontschuldigen, en dat zij gestraft werden omdat zij de nodiging niet aannamen? Welnu, als de nodiging aan niemand gedaan mag worden dan alleen aan wie haar zal aannemen, hoe kan die gelijkenis dan waar zijn? Het is een feit: de ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, de bruiloftsmaaltijd staat klaar, en de bazuin klinkt: ‘Al wie dorst heeft, kom en eet, kom en drink!’ Hier staan de spijzen klaar, hier is meer dan genoeg; de nodiging is vrij, het is een grote nodiging. “En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet” (Openbaring 22:17). En die nodiging wordt in tedere woorden gedaan: ‘Kom tot Mij, Mijn kind, kom tot Mij.’ “Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt.”

Let er verder op dat deze nodiging heel vaak gedaan werd. De woorden “den gehelen dag” kunnen ook vertaald worden met ‘dagelijks’: ‘Dagelijks heb Ik Mijn handen uitgestrekt.’ Zondaar, God heeft u niet één keer geroepen om te komen en u daarna aan uw lot overgelaten, maar iedere dag heeft Hij bij u aangedrongen. Iedere dag heeft uw geweten tot u gesproken, iedere dag heeft de voorzienigheid u gewaarschuwd, en iedere sabbat heeft Gods Woord u gelokt. O, wat zullen sommigen van u veel te verantwoorden hebben voor Gods grote rechterstoel! Ik kan nu niet in uw hart lezen, maar ik weet dat er onder u zijn die op het laatst een verschrikkelijke rekenschap zullen moeten afleggen. Den gehelen dag heeft God u gelokt. Van het eerste begin van uw leven af heeft Hij u gelokt door uw moeder. Zij vouwde uw handjes samen en leerde u zeggen:

Goede Jezus, zachtmoedig en mild,
zie neer op een klein kind,
ontferm U over mijn eenvoud,
laat mij tot U komen.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

En toen u een jongen was, strekte God nog steeds Zijn handen naar u uit. Wat heeft uw zondagsschoolonderwijzer zijn best gedaan om u bij de Zaligmaker te brengen! Hoe vaak werd uw jonge hart geraakt! Maar u hebt dat alles van u afgezet, en u bent er nog steeds niet door aangeraakt. Hoe vaak heeft uw moeder niet tot u gesproken, hoe vaak heeft uw vader u niet gewaarschuwd! En u bent het gebed vergeten in die slaapkamer toen u ziek was, toen uw moeder uw gloeiende voorhoofd kuste, neerknielde en God smeekte uw leven te sparen, en er dat gebed aan toevoegde: ‘Heere, red de ziel van mijn jongen!’ U herinnert zich nog wel de Bijbel die zij u gaf toen u voor het eerst als leerjongen het huis uit ging, en het gebed dat zij op dat vergeelde schutblad schreef. Toen zij hem u gaf, wist u misschien niet, maar nu weet u het wel, hoe vurig zij naar u verlangde, dat u in Christus Jezus vernieuwd zou worden. U weet hoe zij u met haar gebeden volgde en hoe zij bij haar God voor u pleitte. En u bent toch zeker nog niet vergeten hoeveel sabbatten u hebt doorgebracht en hoe vaak u gewaarschuwd bent. Wel, er zijn wagenladingen preken aan u verspild! Honderdvier preken hebt u ieder jaar gehoord, sommigen van u nog meer, en toch bent u nog precies dezelfde gebleven!

Maar zondaren, preken horen is iets ontzagwekkends als het niet tot zegen is voor onze ziel. Als God iedere dag en de hele dag Zijn handen is blijven uitstrekken, dan zal het hard voor u zijn wanneer u rechtvaardig veroordeeld wordt, niet alleen om uw overtredingen van de wet, maar ook om uw moedwillige verwerping van het evangelie. Waarschijnlijk zal God Zijn handen naar u blijven uitstrekken tot uw haren grijs worden, en u voortdurend blijven nodigen. Misschien zal Hij, als u de dood nadert, nog steeds zeggen: ‘Kom tot Mij, kom tot Mij.’ Maar als u volhardt in het verharden van uw hart, als u Christus blijft verwerpen, dan smeek ik u: laat niets u wijsmaken dat u ongestraft zult blijven! O, soms beef ik als ik denk aan dat soort predikanten die zondaren voorhouden dat zij niet schuldig zijn als zij de Zaligmaker niet zoeken. Hoe die mannen op Gods grote dag onschuldig bevonden zullen worden, weet ik niet!

Het lijkt mij iets vreselijks dat zij arme zielen in slaap sussen door hun wijs te maken dat het niet hun plicht is Christus te zoeken en zich te bekeren, maar dat zij daarin kunnen doen wat zij willen, en dat zij, als zij omkomen, er niet schuldiger door zullen zijn dat zij het Woord gehoord hebben.
Mijn Meester heeft dat niet gezegd. Denk eraan wat Hij zei: “En gij, Kapernaum! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u” (Mattheüs 11:23-24). Zo sprak de Heere Jezus ook niet toen Hij Zich richtte tot Chorazin en Bethsaïda, want Hij zei: “Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben. Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden” (Mattheüs 11:21-22).

Zo preekte Paulus ook niet. Hij heeft zondaren nooit gezegd dat er geen schuld lag in het verachten van het kruis. Luister nog eens naar de woorden van de apostel: “Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft; hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben” (Hebreeën 2:2-3).

Zondaar, op de grote dag van God moet u rekenschap afleggen van iedere waarschuwing die u ooit ontvangen hebt. Van iedere keer dat u uw Bijbel gelezen hebt, ja, en van iedere keer dat u hebt nagelaten hem te lezen. Van iedere zondag dat de deur van Gods huis openstond en u de gelegenheid om het Woord te horen voorbij liet gaan. En ook van iedere keer dat u het Woord wel gehoord hebt, maar er geen nut van getrokken hebt. U die zo’n achteloze hoorder bent, bindt takkenbossen samen voor uw eigen eeuwige verbranding! U die de woorden wel hoort maar ze meteen weer vergeet, of lichtzinnig hoort, graaft voor uzelf een kuil waarin u geworpen zult worden.

Bedenk dat op die laatste grote dag niemand anders dan uzelf verantwoordelijk zal zijn voor uw verdoemenis! God zal er niet verantwoordelijk voor zijn. “Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE” (en dat is een zware eed), “zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve” (Ezechiël 33:11). God heeft veel voor u gedaan. Hij heeft u Zijn evangelie gezonden; u bent niet geboren in een heidens land. Hij heeft u het Boek der boeken gegeven. Hij heeft u een verlicht geweten gegeven. En als u onder de bediening van het Woord verloren gaat, dan gaat u veel vreselijker en schrikwekkender verloren dan als u ergens anders verloren was gegaan. Deze leer is evengoed Gods Woord als de andere. U vraagt mij die twee met elkaar te verzoenen. Mijn antwoord is dat zij geen verzoening nodig hebben. Ik heb nooit geprobeerd ze voor mezelf met elkaar te verzoenen, want ik heb er nooit een tegenstrijdigheid in kunnen zien. Als u mij vijftig of zestig spitsvondige vragen gaat stellen, kan ik u daarop geen antwoord geven. Beide leerstukken zijn wáár; twee waarheden kunnen niet met elkaar in strijd zijn.

Wat u te doen hebt, is ze allebei geloven. Met het eerste heeft vooral de heilige te maken. Laat hij de vrije en soevereine genade van God loven en Zijn Naam prijzen. Met het tweede heeft vooral de zondaar te maken. O zondaar, verneder u onder de krachtige hand Gods, als u bedenkt hoe vaak Hij u Zijn liefde heeft betoond door u te nodigen tot Hem te komen. En hoe vaak hebt u Zijn Woord versmaad en Zijn barmhartigheid geweigerd! Hoe vaak bent u doof gebleven voor iedere nodiging en bent u uw eigen weg gegaan om in opstand te komen tegen een God van liefde! Hoe vaak hebt u de geboden overtreden van Hem Die u liefhad!

En hoe zal ik nu besluiten? Mijn eerste vermaning is gericht tot christenen. Mijn geliefde vrienden, ik smeek u: geef u op geen enkele manier over aan een geloofsstelsel los van het Woord van God. De Bijbel, en de Bijbel alleen, is de godsdienst van de protestanten. Ik ben de opvolger van de grote en hooggeachte dr. Gill, wiens theologie bijna overal wordt aanvaard in de sterker calvinistische kerken. Maar al houd ik zijn nagedachtenis in ere en geloof ik wat hij leerde, hij is niet mijn rabbi. Wat u in Gods Woord vindt, dat moet u geloven en aannemen.
Wees nooit bang voor een leerstuk, en wees vooral nooit bang voor een naam. Onlangs zei iemand tegen mij dat hij dacht dat de waarheid ergens in het midden lag, tussen de twee uitersten. Hij bedoelde het goed, maar ik denk dat hij ongelijk had. De waarheid ligt niet tussen de beide uitersten, maar in allebei! Ik geloof dat hoe hoger een man gaat, hoe beter het is, wanneer hij preekt over de zaak van de zaligheid. De reden waarom een mens zalig wordt, is genade, genade en nog eens genade, en daarin mag u zo hoog gaan als u wilt. Maar wanneer u komt bij de vraag waarom mensen verdoemd worden, dan heeft de arminiaan veel meer gelijk dan de antinomiaan. Ik geef niets om welk kerkgenootschap of welke partij dan ook. In de zaak van de zaligheid ben ik even hoog als Huntington, maar vraag mij naar de verdoemenis, en u krijgt een heel ander antwoord. Door Gods genade vraag ik om niemands bijval; ik verkondig u de Bijbel zoals ik hem vind. Het gaat mis waar de calvinist zich gaat bemoeien met de vraag van de verdoemenis en zich mengt in de gerechtigheid van God, of waar de arminiaan de leer van de genade ontkent.

Mijn tweede vermaning is gericht tot zondaren. Zondaren, ik smeek ieder van u die nog onbekeerd en goddeloos is, vanmorgen iedere vorm en soort van uitvlucht weg te doen die de duivel u over uw onbekeerdheid zou willen laten aanvoeren. Bedenk dat al het onderwijs ter wereld u nooit kan verontschuldigen als u door boze werken een vijand van God bent. Wanneer wij u smeken u met Hem te laten verzoenen, dan is dat omdat wij weten dat u nooit op uw rechte plaats zult zijn voordat u met Hem verzoend bent. God heeft u geschapen: kan het dan goed zijn dat u Hem ongehoorzaam bent? God voedt u iedere dag: kan het dan goed zijn dat u nog steeds in ongehoorzaamheid tegen Hem leeft? Bedenk: wanneer de hemel in vlammen zal staan, wanneer Christus zal komen om de aarde in gerechtigheid te oordelen en Zijn volk in rechtmatigheid, dan zult u op die laatste grote dag niet één verontschuldiging kunnen aanvoeren die geldig is.

Als u zou proberen te zeggen: ‘Heere, ik heb het Woord nooit gehoord’, dan zou Zijn antwoord zijn: ‘U hebt het wel gehoord; u hebt het duidelijk gehoord.’ ‘Maar Heere, ik had een boze wil.’ ‘Uit uw eigen mond zal Ik u veroordelen. U had die boze wil, en daarom veroordeel Ik u. “En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos” (Johannes 3:19).’ ‘Maar Heere’, zullen sommigen tegenwerpen, ‘ik was niet voorbeschikt.’ ‘Wat had u daarmee te maken? U deed naar uw eigen wil toen u tegen Mij in opstand kwam. U wilde niet tot Mij komen, en nu verderf Ik u voor eeuwig. U hebt Mijn wet overtreden; de schuld komt op uw eigen hoofd.’ Als een zondaar op die grote dag zou kunnen zeggen: ‘Heere, ik kon hoe dan ook niet zalig worden’, dan zou die gedachte zijn pijn in de hel verzachten. Maar dit zal juist de scherpte van het zwaard en het eigenlijke branden van het vuur zijn: ‘U kende uw plicht, en toch deed u hem niet. U hebt alles wat heilig was met voeten getreden. U hebt de Zaligmaker veronachtzaamd, en hoe zult u ontvlieden, als u op zo grote zaligheid geen acht neemt?’

En nu, tot slot, wat mijzelf betreft: sommigen van u zullen misschien naar huis gaan en zeggen: ‘In het eerste deel van de preek was hij een antinomiaan, en aan het eind een arminiaan.’ Dat kan mij niet schelen. Ik smeek u de Bijbel zelf te onderzoeken. Tot de wet en tot de getuigenis! Als ik niet spreek naar dit Woord, dan is dat omdat er geen licht in mij is. Ik ben bereid mij aan die toets te onderwerpen. Heb niets met mij te maken waar ik niets met Christus te maken heb. Waar ik van de waarheid afwijk, werp mijn woorden dan weg. Maar als wat ik zeg Gods onderwijs is, dan gebied ik u bij Hem Die mij gezonden heeft: denk na over deze zaken en bekeer u met uw hele hart tot de Heere!

Preek nr. 207 · Gehouden in de Music Hall, Royal Surrey Gardens, Londen, zondagmorgen 1 augustus 1858, New Park Street Pulpit deel 4. Oorspronkelijke titel: “Sovereign Grace and Man’s Responsibility”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.