Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

God is met ons

36 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Voorgelezen door een computerstem (ElevenLabs).

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 17 juli 1864 door C. H. Spurgeon
in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Romeinen 8:31

De waarheid die hier wordt uitgesproken, is onbetwistbaar. Zelfs heidenen hebben haar als hun motto gekozen en op hun oorlogsvaandels gevoerd. “God is voor ons!” was de strijdkreet van menige krijger die zich in het gevecht stortte. Hoe misplaatst die woorden in zo’n verband ook waren, hun kracht werd duidelijk gevoeld. Onze tekst beschermt zichzelf echter tegen misbruik. U ziet dat hij bewaakt wordt door het kleine woordje ‘zo’, dat als een schildwacht voor de tekst staat. Niemand heeft daarom enig recht op de schatten van deze tekst als hij het wachtwoord niet kan geven en de vraag niet kan beantwoorden. Niet iedereen kan zeggen dat God aan zijn kant staat. Integendeel, de meeste mensen strijden tegen de Heere. Van nature zijn wij vrienden van de zonde, en dan is God tegen ons. Met al de krachten van Zijn gerechtigheid is Hij tegen ons, tot onze ondergang, tenzij wij ons bekeren en berouw hebben.

Is God voor ons? Bedenk dat Hij dat is, als wij met Hem verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon. Maar God buiten Christus moet wel de wapens tegen ons opnemen, want ook onze God is een verterend vuur. Pas als we de Heere Jehova aanschouwen in de Persoon van Jezus Christus, kunnen onze hoop en vreugde beginnen. Dan zien we God in het vlees geopenbaard. We zien hoe God de heerlijkheid van Zijn troon aflegt om mens te worden en Zich zelfs vernedert tot de smadelijke dood aan het kruis. Juist dan zien we Immanuël, “God met ons”, en als we Hem zien, weten we dat Hij aan onze kant staat. Onderzoek dan uzelf, ziel, of u in Christus bent. Wie niet met Christus is, is niet met God. Bent u zonder Christus, dan bent u zonder God en vervreemd van het burgerschap Israëls. Maar als u door het besprengde bloed mag zeggen dat u met God verzoend bent, neem dan de volle betekenis van deze tekst tot u, voed u ermee en wees gezegend. Want: “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” We zullen de tekst zo behandelen, en moge de Heilige Geest het tot zegen maken: hoe is God voor ons? In de tweede plaats: wie zijn er tegen ons? En in de derde plaats: wie zijn er niet tegen ons?

1 Ten eerste, HOE IS GOD VOOR ONS?

Augustinus heeft het heel mooi gezegd. In zijn aantekeningen bij de verzen die aan onze tekst voorafgaan, merkt hij op dat God volgens de voorgaande woorden van het hoofdstuk op vier manieren voor ons is. Kijk maar een vers of twee terug en u vindt het. Hij is voor ons, want Hij heeft ons voorbestemd. Hij is voor ons, want Hij heeft ons geroepen. Hij is voor ons, want Hij heeft ons gerechtvaardigd. Hij is voor ons, want Hij heeft ons in feite al verheerlijkt en zal dat ook werkelijk doen. Voor het volk van God zijn dat vier zeer vruchtbare onderwerpen om over na te denken.

1. God is voor ons, omdat Hij naar het woord van de apostel Zijn volk voorbestemd heeft om het beeld van Zijn geliefde Zoon gelijkvormig te worden. Als God ons voorbestemd heeft tot het eeuwige leven, wie kan er dan tegen ons zijn? Moet Gods besluit van de voorbeschikking niet uitgevoerd worden? Als God het besloten heeft, wie zal het dan tenietdoen? Als God gezegd heeft dat het zal gebeuren, wie zal dan Zijn hand tegenhouden of het almachtige ‘het zij zo’ van de Allerhoogste weerstaan? Hij zei: “Daar zij licht!” en daar werd licht. Hij gebood de wereld uit het niets voort te komen, en zij kwam tevoorschijn. Alles gehoorzaamt Hem. De hemel aanbidt Hem, de hel siddert voor Hem. Geen schepsel kan Hem weerstaan.

Zoals de pottenbakker de klei naar zijn eigen wil vormt terwijl die ronddraait op zijn schijf, zo doet de oneindige, almachtige Jehova naar Zijn welbehagen met het heir des hemels en met de inwoners van deze lagere wereld. “Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen.” Hij werpt de eilanden henen als dun stof. Wie van die nietige schepselen kan dan tegen Hem standhouden of Hem weerstaan? Zie toch, broeders, hoe krachtig Gods besluit van oudsher was in het geval van Israël. De Heere had Abraham beloofd dat zijn zaad het hele land Kanaän zou beërven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat. Zie, te midden van de rook van de tichelovens zwoegt Israël in Egypte. Hoe zou Gods besluit vervuld worden? Als God Zijn arm ontbloot, zult u het zien en u verwonderen.

Farao en al zijn legers kunnen de gevangenen niet vasthouden die God besloten heeft te bevrijden. Daar gaan ze, als schapen geleid door de hand van Mozes en Aäron. Ze trekken door de woestijn tot ze bij de zee komen, de Rode Zee. Zie, de machtige golven rollen voor hen en hun woeste vijanden zitten hen op de hielen. Maar de Heere heeft besloten dat ze het land zullen beërven. Daarom kan de zee niet weigeren zich te splijten, en kan Farao zichzelf niet redden als hij in de diepte wegzinkt.

Nu zijn ze in de woestijn. De honger zal hen verdelgen! Nee, de hemel laat manna neerdalen. De dorst zal hen verschroeien! Nee, de rots volgt hen met haar levende stroom. De slangen zullen hen zeker bijten! Ja, maar de koperen slang wordt opgericht en ieder die daarop ziet, wordt genezen. De Amalekieten vallen hen aan, maar zolang Mozes zijn handen omhooghoudt, jaagt Jozua de vijand op de vlucht. Ze komen aan de oever van de Jordaan. Wat was u, Jordaan, dat u achterwaarts keerde? De priesters gaan er droogvoets doorheen en heel het volk van God trekt achter hen aan.

Toen kwamen de Kanaänieten met hun ijzeren wagens tegen hen ten strijde. De koningen van machtige steden zalfden het schild en grepen zwaard en beukelaar. Maar wie van hen overwon? Heeft de Heere hen niet allemaal verdelgd? Zoals Hij hun Og, de koning van Basan, had gegeven, “want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid”, en Sihon, de koning der Amorieten, “want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid”, zo kon er niemand tegen hen standhouden totdat ze het land in bezit hadden. De rechterhand des Heeren voerde Zijn eigen besluit uit. Zijn rechterhand en de arm van Zijn heiligheid hebben Hem heil gegeven. Als met een ijzeren scepter slaat Hij Zijn vijanden in stukken als een pottenbakkersvat. Niemand kon de legers van Israël weerstaan. De ommuurde steden werden neergeworpen en het volk van God woonde in het vette van het land.

Zie, geliefden, wat Gods besluit uitwerkt! De zonen van Jakob waren zwak en machteloos, maar de Heere maakte hen sterk genoeg om de Enakieten te verdrijven, mannen van reusachtige gestalte. Want Zijn raad zal bestaan, en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Laten we oppassen dat we niet strijden tegen iemand met wie God een verbond heeft! Het is vergeefs om tegen God te strijden. Het was een goede opmerking van de wijzen van Haman, lang geleden: “Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.”

Zo is het ook met wie tot de schare van de uitverkorenen behoort, met wie zijn naam geschreven heeft in het boek des levens: zijn vijanden mogen strijden, maar ze zullen hem nooit overwinnen. Wie de Heere verordineerd heeft om staande te blijven, moet blijven staan. En als God tot zijn zaligheid besloten heeft, zal geen sterfelijke of helse macht hem kunnen verderven. Daarom mogen we vrijmoedig met de apostel zeggen: “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” U kunt toch niet geloven in een God Die teleurgesteld wordt. U kunt zich toch niet voorstellen dat het vorstelijk bevel van de troon van de hemel als oud papier behandeld wordt? Het zij verre van ons God zo te lasteren dat we denken dat enige macht, bekend of onbekend, Hem ooit zou kunnen overwinnen. “Zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?”

Als uw ziel geschreven staat in de handpalmen van Jezus en gegraveerd is in Zijn hart, dan zal geen wapen dat tegen u gesmeed wordt, gelukken, en elke tong die in het gericht tegen u opstaat, zult u verdoemen.

2. Als u terugkijkt, ziet u het tweede: God staat aan onze kant, want Hij heeft ons geroepen. In het Woord van God wordt veel nadruk gelegd op de roeping. Toen Abraham het land van zijn voorvaderen verliet en uittrok zonder te weten waar hij heen ging, was hij volkomen veilig, al leefde hij te midden van onverzoenlijke vijanden, want God had hem geroepen. “Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste?” Wie anders dan de God Die hem riep?

Bij die gedenkwaardige gelegenheid, toen Abraham terugkeerde van de verslagen koningen, kwam Melchizedek hem tegemoet, weet u nog. Abraham verkeerde toen in groot gevaar. Alles wees erop dat de verslagen koningen hun troepen weer zouden verzamelen, een verbond zouden sluiten met andere koningen en dan zeker zouden optrekken om zo’n onbeduidend persoon als die rondtrekkende herder Abraham neer te slaan. Maar wat zegt God tegen hem? “Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” Dat werd zijn troost: God had hem geroepen. Hij was een geroepene, en wie God roept, laat Hij als Zijn uitverkorene niet in de steek. “Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.”

Hij komt niet terug op de roeping die Hij eens gegeven heeft. Als Hij Zijn kinderen eenmaal geroepen heeft, blijft Hij trouw aan die roeping. Om het voorbeeld te gebruiken dat we al eerder gebruikten: toen God Zijn zoon uit Egypte riep en Israël uit de oven haalde, wie kon er toen standhouden tegen de geroepen Israëlieten? Plaag na plaag verwoestte het land. Het vee stierf. De oogst werd verdorven. Kikvorsen kwamen tot in de kamer van de koning. Luizen bedekten heel hun land. Ten slotte stierven de eerstgeborenen van Egypte, en de Egyptenaren smeekten Israël om weg te trekken. Want als God hen uitriep, wie kon hen dan vasthouden? Toen Hij tot Zijn gevangenen zei: “Ga uit”, welke ijzeren grendels of koperen poorten konden hen dan gevangen houden?

Laat de Heere roepen met Zijn krachtdadige stem: wie zal dan tegen Hem standhouden? Velen van ons hebben, vertrouw ik, die heilige roeping gehoord. We hebben onze roeping en verkiezing vastgemaakt. U weet hoe u geroepen werd uit de duisternis tot het licht, uit de zonde tot heiligheid, uit eigengerechtigheid tot een geestelijk geloof in Jezus. Welnu, Hij Die u geroepen heeft, is getrouw en zal het werk van Zijn handen niet laten varen. Hij heeft u niet geroepen om u beschaamd te laten uitkomen. Hij heeft u niet levend

gemaakt, bewaard en tot hier gebracht om u ten slotte over te leveren in de handen van uw vijanden. “Zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken.” Wacht op de Heere, want Zijn roeping zal u troost geven. “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?”

3 Maar verder bewijst God dat Hij voor ons is doordat Hij ons gerechtvaardigd heeft. Heel Gods volk is bekleed met de gerechtigheid van Christus. Omdat zij dat heerlijke kleed dragen, ziet het oog van God geen gebrek in hen. Jehova ziet geen zonde in Jakob en geen ongerechtigheid in Israël. Christus wordt gezien en niet de zondaar. En omdat Christus de volmaaktheid zelf is, wordt de gelovige in Hem als volmaakt gezien. God ziet Zijn volk aan met dezelfde liefde als waarmee Hij Zijn eniggeboren Zoon liefheeft. Hij heeft hen rein verklaard, en rein zijn ze. Hij heeft hen rechtvaardig verklaard, bedekt met de gerechtigheid van Christus, en rechtvaardig zijn ze. Kom maar op, beschuldigende duivel! Kom maar op, u die ons duizend zaken ten laste legt! Als onze Jezus ons vrijspreekt, wie is het, die verdoemt?

Als Hij de wagen van het heil bestijgt, wie kan er dan tegen ons zijn? Is het niet een wonderlijk zalige zaak om op je ziel het merkteken van een volkomen rechtvaardiging te dragen? De heidenen hebben de gewoonte zich op het voorhoofd te tekenen met het zegel van hun god. Maar wat een zegel is dit om te dragen, wat een merkteken van de Heere Jezus: door deze wereld te gaan als een volkomen gerechtvaardigd mens! God ziet de gewone mensen met toorn aan, want ze zijn niet met Hem verzoend. Maar Zijn volk ziet Hij altijd aan met ogen vol liefde. Er is geen toorn in Zijn hart tegen hen, geen jota toorn. Dat alles is weggenomen door het grote Offer. Zijn hele hart gaat naar hen uit: “De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.” Gerechtvaardigd zijnde, hebben zij vrede bij God door Jezus Christus, hun Heere.

O geliefde vrienden, als God vrede met u heeft, doet het er niet toe wie er oorlog tegen u voert. Als uw Meester u vrijspreekt, doet het er weinig toe wie u veroordeelt. Als Jehova u vrijspreekt, doet het er niet toe of uw naam als boos verworpen wordt. Het doet er niet toe of u gerekend wordt onder de allerslechtsten, of uw naam een spot en een spreekwoord is, alleen nog geschikt om in een dronkemanslied verwerkt te worden. Want wie kan er dan tegen u zijn? Wat stelt dat alles voor als het op de weegschaal gelegd wordt? Het is lichter dan de ijdelheid, als Jehova Zelf u gerechtvaardigd heeft.

4 En nog weer een andere liefelijke gedachte komt hier naar voren: Hij heeft ons ook verheerlijkt. Denk aan de vier gouden schakels van de keten: “En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.” In zekere zin is Gods volk nu al verheerlijkt, want Hij “heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus”. Let op, er staat niet: ‘Hij heeft beloofd dat we daar zullen zitten’, maar Hij “heeft ons mede gezet”. Wij zitten daar op dit moment, want Christus is de Vertegenwoordiger van iedere ziel voor wie Hij Zijn bloed vergoten heeft. Toen Christus Zijn plaats in de hemel innam, nam iedere uitverkoren ziel in Hem als vertegenwoordiger haar plaats in de hemel in. Bedenk, geliefden, dat de verheerlijking van Gods volk een vaststaand feit is. Het is niet iets wat misschien zal gebeuren, maar iets wat moet gebeuren. Wat zegt Jezus Christus tot Zijn volk als Hij hen verzamelt aan Zijn rechterhand? “Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” Let daar eens op.

Denkt u dat God een Koninkrijk bereid heeft en dat Hij Zijn volk er niet zal brengen? Bovendien staat er: “hetwelk u bereid is”, voor u, het uitverkoren volk van God. Denkt u dat de verbondswijsheid van God een Koninkrijk zou bereiden voor mensen die er uiteindelijk niet zouden aankomen? Zou Hij plannen en beschikken hoe Hij hen eeuwig gelukkig zou maken en hen dan onderweg laten omkomen? “Hetwelk u bereid is,” bedenk dat, “van de grondlegging der wereld.” Er is een kroon in de hemel die op geen ander hoofd past dan op het mijne. Er is daar een harp die door geen andere vingers dan de mijne aangeraakt mag worden. Kind van God, er is een woning in de hemel die nooit de rechte bewoner zal hebben als u daar niet komt. En er is een plaats aan Gods rechterhand die leeg moet blijven. Dan zal er gezegd worden: ‘Davids plaats werd ledig gevonden’, als u daar niet aankomt! Zal dat zo zijn? Zullen er lege woningen zijn in de hemel? Zullen er kronen zijn zonder hoofden om ze te dragen? Zullen er harpen zijn zonder handen om ze te bespelen? Nee! De lijst van de verlosten zal worden afgelezen, en niet één zal er ontbreken. Allen die geschreven stonden op de borstlap van de grote Hogepriester, zullen daar veilig gevonden worden.

Geen dood of hel zal ooit
Zijn uitverkorenen van Zijn borst scheiden;
aan de lieve boezem van Zijn liefde
moeten zij voor eeuwig rusten.

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Dit geeft de vierde reden waarom God voor ons is. Maar, mijn broeders, al geeft dit het verband van de tekst weer, ik kan de diepte van de betekenis niet tonen van hoe God voor ons is. Dat is voor geen enkele menselijke taal mogelijk. Hij was voor ons voordat de werelden gemaakt werden. Hij was voor ons, anders zou Hij Zijn Zoon nooit gegeven hebben. Hij was voor ons, zelfs toen Hij Zijn Eniggeborene sloeg en het volle gewicht van Zijn toorn op Hem legde. Hij was voor ons, hoewel Hij tegen Hem was. Hij was voor ons toen we door de zondeval te gronde gingen. Hij had ons toch lief! Hij was voor ons toen wij tegen Hem waren en Hem met opgeheven hand trotseerden. Hij was voor ons, anders zou Hij er nooit voor gezorgd hebben dat we nederig Zijn aangezicht gingen zoeken.

Hij is voor ons geweest in vele worstelingen. We hebben ons door een menigte moeilijkheden heen moeten vechten. We hebben verzoekingen gehad van buiten en van binnen. Hoe hadden we tot nu toe stand kunnen houden als Hij niet met ons geweest was? Hij is voor ons, laat ik het zo zeggen, met heel de oneindigheid van Zijn hart en met heel de almacht van Zijn liefde. Hij is voor ons met al Zijn grenzeloze wijsheid. Bekleed met alle eigenschappen die Hem God maken, is Hij voor ons, eeuwig en onveranderlijk voor ons. Hij is voor ons wanneer die blauwe hemel daarginds opgerold zal worden als een versleten kleed, voor ons in heel de eeuwigheid. Hier, kind van God, hebt u genoeg om over na te denken, al had u eeuwen om het te overpeinzen: God is voor u! En als God voor u is, wie kan er dan tegen u zijn?

II Het tweede punt van de preek is: WIE IS TEGEN ONS?

De apostel heeft nooit willen zeggen dat christenen geen vijanden hebben. Hij wist wel beter. Een oude Latijnse schrijver merkt bij deze tekst op dat het vervolg ons laat zien welke vijanden we tegen ons hebben. Laten we heel kort opmerken dat er vier hoofdvijanden zijn die samenspannen tegen het leven van de kinderen van God. Dat zijn: de mens, de wereld, het vlees en de duivel. Die zullen altijd tegen ons zijn. Maar wie zijn zij eigenlijk?

1 Ten eerste is daar de mens. Hoe heeft de mens tegen de mens gestreden! De mens is voor de mens een wolf. De elementen in al hun woede en de wilde roofdieren in al hun wreedheid zijn nooit zulke verschrikkelijke vijanden voor de mens geweest als de mens voor zijn medemens. Als u de geschiedenis leest van de vervolging onder koningin Maria in Engeland, staat u versteld dat schepselen in mensengedaante ooit zo bloeddorstig konden zijn. Noemt u hen katholieken die de protestanten zo vervolgd hebben? Noemt u hen katholiek? Noem hen liever kannibalen, want ze gedroegen zich bij hun bloedige martelingen en moorden op de heiligen van God eerder als wilden dan als christenen.

In onze tijd voelen we de wreedheid van de mens niet meer in die mate, maar alleen omdat de zeden van het land dat niet meer toelaten. Er zijn er velen die niet met de hand durven toeslaan, maar des te drukker bezig zijn met hun tong. Ze doen dat niet door onze dwalingen aan te wijzen, want daar hebben ze volkomen het recht toe. Nee, in veel gevallen worden de kinderen van God om de waarheid verkeerd voorgesteld, belasterd, beschimpt, vervolgd en bespot. We kennen vele gevallen waarin men zijn toevlucht nam tot andere middelen. Alles is goed, als het de dienaren van God maar afbrengt van hun oprechtheid en van het eenvoudig volgen van hun Meester.

Terecht zei de Heere Jezus: “Maar wacht u voor de mensen.” “Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.” Verwacht niet dat de mensen vrienden van uw godsvrucht zullen zijn. En als ze dat wel zijn, wantrouw dan de echtheid van een godsvrucht waarvan de goddeloze een vriend is. U moet erop rekenen dat u soms geïntimideerd en soms gedwongen wordt, dan weer gevleid en dan weer bedreigd. U moet erop rekenen dat u de ene keer een gladde tong tegenkomt waaronder het getrokken zwaard verborgen ligt, en de andere keer het getrokken zwaard zelf. Wees op uw hoede en reken erop dat de mensen tegen u zullen zijn.

Maar wat stellen ze allemaal voor? Stel dat ieder levend mens ter wereld tegen u was en dat u helemaal alleen stond, zoals Athanasius. Dan kunt u zeggen, zoals Athanasius: “Ik, Athanasius, tegen de hele wereld! Ik weet dat ik de waarheid aan mijn kant heb, en daarom sta ik tegen de wereld.” Wat had de boosaardigheid van de mensen tegen Maarten Luther voor zin? Ze dachten hem te verbranden, maar hij is ondanks hen allen in zijn bed gestorven. Ze dachten een eind aan hem te maken, maar zijn kleine traktaten gingen overal heen. De woorden van Luther leken wel gedragen te worden op de vleugels van engelen. Tot in de verste oorden zag de paus plotseling een vijand opstaan waar hij dacht dat het goede zaad helemaal vernietigd was.

Ik weet niet of het veel uitmaakt de grote aantallen aan je kant te hebben. Ik vraag me af of de waarheid niet meestal bij de minderheid moet staan, en of het niet even eervol is om God te dienen met twee of drie als met twee of drie miljoen. Als aantallen iets juist konden maken, zou de afgoderij de ware godsdienst moeten zijn. En als in de landen overzee de aantallen beslisten, dan zouden degenen die de Heere vrezen wel heel weinig zijn, en zouden afgoderij en roomsheid het juiste zijn! Oordeel nooit naar aantallen. Zeg: het zijn tenslotte maar mensen. Als het goede mensen zijn, strijd dan aan hun zijde. Maar als zij met de waarheid van God breken, breek dan met hen en kies de waarheid! Wees een vriend van de waarheid. Beroep u op de wet en de getuigenis, en als zij niet spreken naar dit woord, dan is het omdat er geen licht in hen is. En als er geen licht in hen is, vertrouw uw ziel dan niet aan hen toe. Want “indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen”.

Wie of wat zijn mensen dan? Niet meer dan poppen die door Gods hand bewogen worden. Hij heeft het touwtje in handen om hen allemaal te trekken waarheen Hij wil, en als ze Hem niet willen dienen, kan Hij hen spoedig stil in het graf leggen. Wees daarom niet bevreesd voor een mensenkind, dat maar een worm is, een hoopje stof. Laat u niet door hem ontmoedigen. En als hij een zwart en schrikwekkend gezicht trekt, kijk hem dan met uw eigen waarheidsliefde in het gezicht en laat hem blozen.

Dat was groots van Latimer toen hij preekte voor Hendrik VIII. Hij had zijne majesteit zeer mishaagd door zijn vrijmoedigheid in een preek die hij voor de koning had gehouden. Hij kreeg het bevel de volgende zondag opnieuw te preken en zich te verontschuldigen voor de aanstoot die hij had gegeven. Nadat hij zijn tekst had gelezen, begon de bisschop zijn preek als volgt: “Hugh Latimer, weet je voor wie je vandaag moet spreken? Voor de hoge en machtige vorst, de allervoortreffelijkste majesteit van de koning, die je leven kan wegnemen als je hem beledigt. Pas daarom op dat je geen woord zegt dat hem kan mishagen. Maar bedenk dan ook goed, Hugh: weet je niet vanwaar je komt? Met wiens boodschap je gezonden bent? Met die van de grote en machtige God, Die overal aanwezig is, Die al je wegen ziet en Die machtig is je ziel in de hel te werpen! Zorg er daarom voor dat je je boodschap getrouw overbrengt.” Daarna hield hij dezelfde preek als de zondag ervoor, maar met heel wat meer vuur. Zo’n moed zouden alle kinderen van God moeten tonen als ze met mensen te maken hebben.

U bent zelf niets meer dan een worm. Maar als God Zijn waarheid in u legt, speel dan niet de lafaard en stamel Zijn boodschap niet, maar sta als een man op voor God en voor Zijn waarheid! Sommige mensen hebben het altijd maar over wat zij ‘gepaste bescheidenheid’ noemen. Bescheidenheid is heel gepast, maar een gezant van God moet bedenken dat er naast bescheidenheid nog andere deugden zijn. Stel dat Hare Majesteit een gezant stuurde naar een land waarmee we in oorlog waren, en dat mannetje stapte de conferentie binnen en zei: “Ik hoop nederig dat u mij wilt verontschuldigen dat ik hier ben. Ik wil u, edelachtbare heren gezanten, in alles ter wille zijn. Ik voel dat ik nog maar een jongeman ben en dat u veel ouder bent dan ik, en daarom onderwerp ik mijn oordeel graag aan uw superieure wijsheid en ervaring”, enzovoort. Ik weet zeker dat Hare Majesteit hem dan snel zou terugroepen en hem daarna voor lange tijd met rust zou laten. Wat heeft hij zich te vernederen, als hij een gezant van de koningin is! Hij moet bedenken dat hij bekleed is met de waardigheid van de macht die hem gezonden heeft. Zo is het ook met Gods dienaar: hij acht het een grote schande voor wie dan ook te buigen. Hij neemt als motto: Cedo nulli, ‘Ik wijk voor niemand’. Hij predikt Gods waarheid in liefde en oprechtheid en hoopt ten slotte zijn Meester eerlijk rekenschap te kunnen geven, want alleen voor zijn Meester staat of valt hij.

2 De tweede tegenstander is de wereld. Deze wereld is als een groot veld vol bramen, doornen en distels. Als de christen er doorheen gaat, loopt hij voortdurend het gevaar zijn kleren te scheuren of zijn voeten te verwonden. Toch:

“Het lieve pad naar ons tehuis
loopt door dit dorre land.”

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Elke burger van de hemel moet met doornen en distels onderwezen worden, zoals de mannen van Sukkoth. Elk kind van God moet door het land van de vijand trekken, want Christus zegt: “Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.” Wanneer is een christen buiten gevaar? Nooit. Gaat het hem voor de wind, dan is hij geneigd trots te worden op zijn geld of zich vleselijk zeker te voelen. Drukken de tegenspoeden op hem, dan is hij geneigd te morren en ongelovig te worden. Er zijn verzoekingen op de hoogten van de aarde, en de dalen zijn er ook niet zonder. Als een christen in aanzien is, verkeert hij in groot gevaar. Ach, hoevelen hebben gemerkt hoe glad de hoge plaatsen zijn! Als de gelovige in schande en opspraak is, verkeert hij ook in gevaar, want veel belijders vonden dit kruis te zwaar voor hun schouders.

Een gelovige hoort door deze wereld te gaan in de verwachting achter iedere heg een vijand te treffen. Hij moet het een wonder vinden als hij ook maar één dag ontkomt zonder een kogel van de vijand. U bent in vijandelijk gebied, en deze vijand is voortdurend op zijn hoede. U mag slapen, maar de wereld slaapt nooit. Haar gewoonten zijn er altijd op uit om u met hun ketenen te binden. Haar geest besluipt u terwijl u op de beurs bent, of op de markt, of zelfs in uw gezin. U zult merken dat de hele atmosfeer van deze wereld u slaperig maakt, net als anderen. U zult alle moeite moeten doen om in deze staat van verzoeking stand te houden, en als u niet waakt en bidt, zal de wereld u te sterk worden. O broeders, ik wilde wel dat we meer beseften dat de wereld onze vijand is, want velen leven alsof ze vrienden van deze wereld zijn! Maar zo staat een christen er niet voor. Hij kan zeggen dat de wereld hem gekruisigd is en hij der wereld.

Luther zei altijd dat er geen liefde verloren ging tussen hem en de wereld, want de wereld haatte hem en hij haatte haar niet minder. Er wordt een gedenkwaardig verhaal verteld over een goede oude predikant. Een jonge predikant kwam eens huilend naar hem toe, omdat hij belasterd was. “Ach,” zei de oude, “dat is een moeite die ik nooit meer zal hebben, want ik ben mijn goede naam in het eerste jaar van mijn bediening kwijtgeraakt, en de laster zelf kan niets meer zeggen dan ze al gezegd heeft.” Gods dienaren moeten erop rekenen dat ze hun goede naam verliezen, dat elke deugd hun ontzegd en elke ondeugd hun toegeschreven wordt. Maar onder dit alles kunnen ze de wereld in het gezicht zien en zeggen: “Je denkt slecht over mij, hè? Niet zo slecht als ik over jou denk! Je verwijt me dit en dat, maar ik verwijt jou nog ergere zaken. En als je zegt dat ik een luidruchtige bemoeial ben, dan zeg ik je dat ik van plan ben nog vuriger te worden, nog luider tegen je in te gaan en me nog meer te bemoeien met je ijdelheden, die de zielen van de mensen in het verderf storten.” De wereld is een verschrikkelijke aanvaller als we in de strijd alleen gelaten worden. Maar wat stelt de wereld tenslotte voor, als God voor ons is?

En wat deze tegenwoordige tijd betreft: waar zal die over veertig jaar zijn? Ik zie een lange rij grafheuvels en menig ‘Hier ligt…’. Deze generatie is dan helemaal heengegaan; ze gaat voorbij zoals haar gedaante voorbijgaat. Ze is als een opgebrande kaarsenpit, en wie eraan hecht, is als iemand die een stervend kaarsje aanbidt. Geef weinig om deze wereld, maar denk veel aan de toekomende wereld! Ga van dit armzalige drijfzand af, voordat het u verzwelgt! Maar bouw op de Rots der eeuwen daarginds, dan zult u nooit schade lijden.

3 Ik geloof dat we zeiden dat er een derde vijand is, en dat is het vlees. Dat is de ergste van de drie. We zouden nooit bang hoeven te zijn voor de mens of voor de wereld als we dit boze vlees niet met ons mee hoefden te dragen. De aangeboren verdorvenheid is de ergste verdorvenheid. “Heere,” zei Augustinus, “verlos mij van mijn ergste vijand, die boze mens: mijzelf.” Als een christen zichzelf kon neerleggen, van zichzelf kon weglopen en zichzelf nooit meer zou zien, zou hij buitengewoon blij zijn. Want “ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont”: dat is niet alleen de ervaring van de apostel, maar van ieder kind van God. Als u het goede wilt doen, ligt het kwade u bij. U wilt wegvliegen, maar als een havik met een ketting aan haar poot kunt u alleen uw vleugels uitslaan en wat fladderen. U kunt niet omhoogstijgen. U verlangt ernaar dat uw hart zo heet is als een oven, maar er is een ijsberg in u die uw brandende verlangens afkoelt. Het willen is wel bij u. O, kon u maar zijn wat u wilt zijn! Maar het goede te doen, dat vindt u niet, door de zwakheid en krachteloosheid van uw natuur en de verdorvenheid die u van uw ouders geërfd hebt. Sommigen van u hebben een opvliegend karakter. Dat zal uw plaag blijven tot uw dood. Anderen merken dat ze, hoewel ze vrijgevig willen zijn voor de zaak van God, toch moeten strijden tegen een gierige aard. Sommigen moeten strijden tegen lichtzinnigheid, anderen tegen hoogmoed. En aan de andere kant zijn er onder ons die dagelijks moeten strijden tegen moedeloosheid en neerslachtigheid. Zo hebben we allemaal een zonde die ons gemakkelijk omringt. Maar als God voor ons is, wat doet het vlees er dan toe?

Ach, arm vlees! Je mag schoppen en tegenspartelen zoveel je wilt, maar als God Zijn zilveren scepter over je uitsteekt, zul je je zeker overgeven! Als Jehova besluit dat een mens geheiligd zal worden, dan mag het vlees van die mens schreeuwen en kreunen, maar de oven zal hem louteren. De Heilige Geest zal hem reinigen, de ervaring zal hem onderwijzen en het bloed van Christus zal hem volmaken. Ondanks ons boze hart zullen we als op arendsvleugelen opstijgen en zonder gebrek gevonden worden voor de troon van God.

4 De laatste vijand is de duivel. Ik weet niet of hij erger is dan het vlees of niet, maar ik denk dat ik hem ongeveer op gelijke hoogte kan zetten. Want als de duivel ons vlees ontmoet, geven die twee elkaar de hand en zeggen: “Hoe gaat het met je, broeder?” Ze zijn werkelijk broers, want ons vlees behoorde van oorsprong tot de familie van de toorn. Ach, die aartsverrader satan! We weten weinig van de verzoekingen die hij zelfs nu voor ons beraamt en uitdenkt. Hij is zo sluw dat hij de menselijke natuur beter begrijpt dan de menselijke natuur zichzelf begrijpt. Hij oefent het vak van verleider al zesduizend jaar uit, dus hij zou er een volleerd meester in moeten zijn. En dat is hij ook zeker. Hij Die ons gemaakt heeft, weet meer van ons dan de satan, maar na God is de satan de beste kenner van de mens. Hij kent ook onze zwakke plekken. Hij weet waar hij ons moet raken om ons tot in merg en been te treffen. Hij weet hoe hij de haak met het aas moet bedekken. Voor iedere ziel heeft hij een lokaas en voor iedere zondaar een strik. Hij weet hoe hij de een op deze manier moet vangen en de ander op de tegenovergestelde manier: sommigen door hen te laten streven naar een geveinsde geestelijkheid, anderen door hen te laten wegzinken in de grofste zinnelijkheid. Reken erop, mijn broeders en zusters, u mag denken dat u veilig bent voor de satan, maar er is een voeg in uw harnas en die zal hij vinden. En bedenk: zoals één lek een schip kan doen zinken, zo kan één zwak punt uw ondergang zijn, en zou het dat ook zijn als God het niet verhinderde.

Maar wat doet de duivel ertoe als we deze tekst hebben: “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” De duivel is machtig, maar God is almachtig. De satan is sterk, maar alle sterkte is van God. Wat is de satan tenslotte anders dan een vijand wiens kop vermorzeld is? Hij is een draak met een vermorzelde kop. De Heere heeft een haak in zijn neus en een toom in zijn kaken, en Hij weet hoe Hij hem moet terugtrekken. Soms wilde ik wel dat Hij hem een schakel of twee korter hield, zodat hij niet zo druk bezig kon zijn in sommige van onze kerken. Maar hij is een vijand aan de ketting: de Heere laat hem zover gaan, maar nooit een stap verder.

O, als die boze maar een klein stukje verder kon gaan, wat een verwoesting zou hij dan aanrichten! U weet hoe het met Job ging. Eerst durfde de satan zijn vlees niet aan te raken. Hij mocht alleen aan zijn kinderen en zijn vee komen. Hij moest toestemming krijgen om aan zijn vlees te komen, en zelfs toen durfde hij zijn leven niet aan te raken. Hij ging zover als zijn ketting reikte en kwelde de arme Job met zware beproevingen, maar verder kon hij niet gaan, want God weerhield hem. Verheug u, christen! Of het nu de mens is, of de wereld, of uw vlees, of de satan: als God u voorbestemd, geroepen en gerechtvaardigd heeft en u in de Persoon van Jezus Christus verheerlijkt heeft, dan mag u dat allemaal bij elkaar nemen en zeggen: “Wie zal tegen ons zijn?” Zoals het kaf verdreven wordt, zo hebt U hen verdreven, o Heere!

III We zullen onze overdenking deze morgen besluiten (God make haar tot zegen voor Zijn eigen volk) door te letten op WIE NIET TEGEN ONS ZIJN. Er zijn er die onze vijanden niet kunnen zijn. Dit is een zeer aangenaam deel van ons onderwerp.

God de Vader kan niet tegen ons zijn. Hij is onze Vader! Hij kan niet tegen Zijn eigen kinderen zijn. Hij heeft ons verkozen, Hij zal ons niet verstoten. Hij heeft ons aangenomen in Zijn gezin, Hij zal ons nooit verwerpen. Het heeft Hem behaagd ons te verordineren tot het eeuwige leven, Hij zal dat besluit nooit herroepen. Hij was voor ons in het verbond der genade, toen Hij de weg uitdacht om de opstandige mens te redden. Hij is voor ons geweest in de grote beschikkingen van de voorzienigheid: alle dingen hebben tot nu toe voor ons medegewerkt ten goede. We vragen ons af hoe we gekomen zijn waar we nu zijn, maar zeker heeft de voorzienigheid, onder God, wonderlijk voor ons gewerkt. Hij is voor ons in alle besluiten die nog vervuld moeten worden.

Er staat in het grote Boek geen enkele regel die tegen de christen is. U mag er gerust op zijn: al zal de aarde schudden en wankelen, al wordt de maan zwart als een haren zak, al wordt de aarde verteerd door tongen van vuur, toch heeft Jehova geen enkele gedachte, wens, woord of blik tegen een van hen die door het bloed gekocht zijn. Ze zijn allen veilig in Hem. God de Vader kan niet tegen ons zijn.

Verder is God de Zoon niet tegen ons. O geliefden, hoe liefelijk is Hij voor ons geweest! Het is alsof ik Hem nu zie. Hij heft Zijn gezicht op, dat helemaal bedekt is met bloedig zweet, en zegt tot iedere gelovige: “Ik ben voor u. Deze druppels bloed vallen voor u in het stof. Ik zweet grote druppels bloed opdat Ik u kan verlossen.” Hij staat voor Pilatus. En als Hij naar buiten gebracht wordt onder het ‘Zie de Mens’, is het alsof ik Hem hoor zeggen: “Arme zondaar, Ik ben voor u.” Ik zie Hem het kruis dragen op Zijn bloedende schouders, en elke stap die Hij zet, gaat op deze maat: “Ik ben voor u.” Ik aanschouw Hem, bloedend aan het kruis, met uitgestrekte handen. Al Zijn wonden en alle druppels bloed die uit Zijn zijde vloeien, zeggen: “Christus is voor u.”

Vandaag, nu Hij pleit voor de eeuwige troon, is dit de strekking van Zijn pleidooi: “Ik ben voor u.” Als Hij ten tweede male zal komen, zonder zondoffer, tot zaligheid, zal het geluid van de machtige bazuin die Zijn komst aankondigt, uitroepen: “Christus is voor u, heiligen die door het bloed gekocht zijt!” Als Hij zal zitten op de troon van Zijn Vader en Zijn Koninkrijk zal komen, waaraan geen einde zal zijn, dan zal dit de strekking van dat Koninkrijk zijn: “Ik ben voor Mijn volk. Ik zal Mijn volk rechtvaardig regeren en de volken op aarde zegenen.”

Christus kan niet tegen u zijn. U kunt niet in Zijn lieve gezicht kijken en denken dat Hij u ooit zou verlaten. Uw Man is met u getrouwd, en Hij heeft Zijn liefde zo onweerlegbaar bewezen dat u er niet aan moet twijfelen. O, u kunt het niet eens! Kind van God, ik daag u bijna uit om aan de liefde van uw Heere Jezus Christus te twijfelen. Hoe zou Hij u kunnen verstoten? Zou Hij u zo duur gekocht hebben, zou Hij zoveel voor u geleden hebben, en u dan toch verlaten en op de mesthoop gooien? Onmogelijk! Onmogelijk! Die wonden verzegelen voor altijd uw eeuwige zekerheid.

Verder kan de Heilige Geest niet tegen ons zijn. Als de Trooster moet Hij Zijn eigen volk altijd troosten. Als de Verlichter moet Hij ons in de waarheid van God leiden. Als de grote Levendmaker moet Hij ons altijd opwekken uit onze dood in de zonde. Alle kracht die de Heilige Geest heeft, is helemaal voor ons ingezet. “Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld.”

Verder kunnen de heilige engelen niet tegen ons zijn. Voordat Elisa de ogen van zijn dienaar opende, had die dienaar uitgeroepen: “Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen?”, toen hij de Syriërs met hun wagens zag. Maar nu ziet hij vurige paarden en vurige wagens rondom Elisa. Zo is het ook met u! De engelen zijn gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen. Zij dragen u op de handen, opdat u uw voet niet aan een steen stoot. Miljoenen geestelijke wezens bewandelen deze aarde, zowel als we waken als wanneer we slapen. Als de zwarte engelen komen om ons aan te vallen, strijden de goede engelen tegen hen, en menig hemels tweegevecht wordt uitgevochten waar alleen het oog van geesten het kan zien. Menige heilige strijd wordt gevoerd ter verdediging van de heiligen, zoals Michaël met de draak streed om het lichaam van Mozes. De goede engelen zijn allemaal voor ons, en daarin mogen we ons verheugen.

Verder weten we dat de wet van God niet tegen ons kan zijn. Eens was ze door onze zonden onze vijand, maar nu is ze voldaan. Christus heeft haar groot en heerlijk gemaakt. Ze heeft geen woord te zeggen tegen enige ziel die in Christus gerechtvaardigd is.

De gerechtigheid van God heeft geen woord te zeggen tegen de christen. Integendeel, de gerechtigheid is er volkomen mee tevreden het reddende besluit te bekrachtigen. “Want,” zegt de gerechtigheid, “die zondaar is mij niets schuldig. Christus heeft zijn schulden betaald. Ik zal die zondaar niet in de gevangenis zetten. Daar heb ik geen recht toe, want Christus is in zijn plaats gevangengezet. Ik zal mijn gesel niet over zijn schouders halen, want Christus heeft met Zijn diep doorploegde schouders geleden in de plaats van die arme, gelovige ziel.” Dus, christen, wie er ook tegen u is, hier is uw troost: God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest kunnen nooit tegen u zijn. Ook de engelen in de hemel, de wet en de gerechtigheid van God niet: zij moeten altijd voor u zijn. En als dat zo is, wie kan er dan tegen u zijn?

Nog twee opmerkingen en dan ben ik klaar. De eerste is: er is een keerzijde van dit alles, en die geldt sommigen die hier vanmorgen aanwezig zijn. Als God TEGEN u is, wie kan er dan voor u zijn? Als u vanmorgen een vijand van God bent, zijn zelfs uw zegeningen u tot een vloek. Uw genoegens zijn alleen het voorspel van uw smarten. Bedenk, zondaar, dat u, of u nu tegenspoed hebt of voorspoed, zolang God tegen u is, nooit werkelijk voorspoedig kunt zijn. Als u zich uitbreidt als een groene inlandse boom, dan is dat alleen opdat u rijp wordt voor de bijl. U mag dan vetgemest zijn met rijkdom, maar u wordt alleen klaargemaakt als een os voor de slacht. Neem deze woorden mee naar huis, bid ik u, en laat ze in uw oren klinken: “Als God tegen mij is…” Alleen al die veronderstelling! Een veronderstelling die werkelijkheid is, omdat u niet in Christus geloofd hebt en uw hart niet aan God gegeven hebt. “Als God tegen mij is!” Wilt u daar eens over nadenken op weg naar huis? Neem vanmiddag een halfuur om erover na te denken. “Als God tegen mij is, wat dan? Wat zal er van mij worden in tijd en eeuwigheid? Als God tegen mij is, hoe zal ik dan sterven? Hoe zal ik weer opstaan? Hoe zal ik Hem onder ogen komen op de dag van het oordeel, als God tegen mij is?” Het is geen onmogelijk ‘als’, maar een ‘als’ dat, vrees ik, neerkomt op zekerheid voor velen die vandaag in dit huis zitten.

Dan, christen, heb ik nog een andere gedachte voor u, en dan ben ik klaar. Als God voor u is, ziet u dan niet hoe u voor God hoort te zijn? Als God uw zaak op Zich heeft genomen, moet u dan niet Zijn zaak op u nemen? Vorige week zondag heb ik u gesmeekt de zaak van Christus te bepleiten, omdat Christus de zaak van uw ziel heeft bepleit. Er is een grote strijd die nog maar net begonnen is. De bazuin die de strijders oproept, klinkt luid en lang, en de strijd tussen de zuivere waarheid van Christus en de ceremoniën van de kerk van de wereld zal hard en hevig zijn. U moet uw post innemen, ieder van u, aan de ene of aan de andere kant. “Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baal is, volgt hem na!” Aan de ene of aan de andere kant moet u staan. En ik smeek u: als God voor u geweest is en u verdedigd heeft, sta dan op voor Hem! Verloochen nooit een jota van de waarheid van Christus. Geen haar op het hoofd van Christus’ waarheid mag ooit de reuk van het vuur van het compromis krijgen.

Wees niet zoals de hoeren die voor Salomo stonden. U weet nog dat een van hen er volkomen tevreden mee was de helft van het levende kind te krijgen. Maar laat uw motto zijn: “Alles of niets! Ik zal nooit ook maar het kleinste deeltje dwaling aannemen. Weg met alles daarvan!” Geen vermenging, geen compromis, geen vrede met de dwaling! De mensen van deze generatie roepen tot mij: “Is het vrede?” En mijn antwoord is: “Wat vrede kan er zijn, zolang de zonden van Izebel zo vele zijn?” Dan beschimpen ze mij en zeggen: “Zijt gij die beroerder van Israël?” “Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt.”

Sta op en getuig tegen de wedergeboorte door de doop en tegen hen die roomse woorden gebruiken en ons willen laten geloven dat het geoorloofd is er een andere betekenis aan te geven! Kies de zijde van Christus en van Zijn verachte volk. Gelukkig zal de man zijn die nooit is teruggedeinsd, wanneer de dag komt dat Hij Zijn beloningen zal uitdelen. En gezegend zal hij zijn, en zij, die standhield in de boze dag en onbewogen bleef in de oprechtheid van de Heere en in de vastheid van Zijn waarheid, standvastig tot het einde! De Heere zegene u hierin om Christus’ wil.

Amen.

Preek nr. 580 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 17 juli 1864, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 10. Oorspronkelijke titel: “God Is With Us”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.