“Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.”—Klaagliederen 3:27
Dit is zo goed als een belofte. Het is goed geweest, het is goed en het zal goed voor mij zijn om het juk te dragen.
Al vroeg in mijn leven moest ik het gewicht van schuldbesef voelen, en sindsdien is het een last gebleken die mijn ziel heeft verrijkt. Zou ik het evangelie zo liefhebben als ik niet door diepe ervaring de nood van het behoud door genade had leren kennen? Jabez was achtenswaardiger dan zijn broeders omdat zijn moeder hem met smart had gebaard, en wie veel lijdt bij zijn wedergeboorte, wordt een sterke gelovige in de vrijmachtige genade.
Het juk van de afkeuring is drukkend, maar het bereidt een mens voor op latere eer.
Wie niet de spitsroeden van de minachting heeft gelopen, is niet geschikt om leider te zijn. Lof maakt dronken als er geen smaad aan voorafging. Mensen die zonder strijd tot aanzien komen, vallen gewoonlijk in oneer.
Het juk van ellende, teleurstelling en overmatig werk moeten wij zeker niet opzoeken; maar als de Heere het ons in onze jeugd oplegt, vormt het vaak een karakter dat God verheerlijkt en de gemeente tot zegen is.
Kom, mijn ziel, buig je nek; neem je kruis op. Het was goed voor jou toen je jong was; het zal je nu niet schaden. Neem het om Jezus’ wil zorgvuldig op je schouder.

