“Hij heeft uw vijand weggevaagd.”—Sefanja 3:15
Wat een verdrijving was dat! Satan heeft zijn troon in onze natuur verloren, net zoals hij zijn zetel in de hemel verloor. Onze Heere Jezus heeft de heersende macht van de vijand over ons vernietigd. De vijand kan ons nog lastigvallen, maar hij kan ons niet meer als zijn eigendom opeisen. De boeien waarmee hij ons bond, liggen niet langer op onze geest: de Zoon heeft ons vrij gemaakt, en wij zijn werkelijk vrij.
De aartsvijand is nog steeds de aanklager van de broeders; maar ook uit die positie heeft onze Heere hem verdreven. Onze Advocaat legt onze aanklager het zwijgen op. De Heere bestraft onze vijanden en bepleit de zaak van onze ziel, zodat al het lasteren van de duivel geen kwaad kan doen.
Als verleider valt de boze geest ons nog steeds aan en dringt hij zich in onze gedachten op; maar ook daaruit is hij verdreven, wat zijn vroegere oppermacht betreft. Hij kronkelt als een slang, maar hij kan niet heersen als een vorst. Hij werpt godslasterlijke gedachten naar binnen als hij de kans krijgt; maar wat een opluchting is het als hem gezegd wordt dat hij stil moet zijn en hij als een afgeranselde hond wegsluipt! Heere, doe dit voor wie op dit moment door zijn geblaf gekweld en uitgeput wordt. Verdrijf hun vijand, en maak U groot in hun ogen.
U hebt hem neergeworpen; Heere, werp hem eruit. Och, mocht U hem uit de wereld verbannen!

