“Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.”—Daniël 12:13
We kunnen niet alle profetieën begrijpen, maar toch zien we ze met blijdschap tegemoet en niet met schrik. In het besluit van de Vader kan niets zijn wat Zijn kind terecht zou doen schrikken. Ook al wordt de gruwel der verwoesting opgericht, de ware gelovige zal toch niet bezoedeld worden; hij zal veeleer gezuiverd, wit gemaakt en beproefd worden.
Ook al wordt de aarde verbrand, er zal geen brandlucht aan de uitverkorenen komen. Temidden van het instorten van alles wat stoffelijk is en het vergaan van werelden zal de Heere Jehova de Zijnen bewaren.
Laten we onze weg gaan: kalm vastberaden in onze plicht, dapper in de strijd en geduldig in het lijden. Laten we op ons pad blijven, zonder ervan af te wijken en zonder erop te treuzelen. Het einde zal komen; laten we onze weg gaan totdat het zover is.
Rust zal ons deel zijn. Al het andere schommelt heen en weer, maar ons fundament staat vast. God rust in Zijn liefde, en daarom rusten wij daarin. Onze vrede is, en zal altijd zijn, als een rivier. Een erfdeel in het hemelse Kanaän is van ons, en daarin zullen we staan, wat er ook gebeurt. De God van Daniël zal een waardig deel geven aan iedereen die, zoals Daniël, durft te kiezen voor waarheid en heiligheid. Geen leeuwenkuil zal ons van ons vaste erfdeel beroven.

