“Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.”—Sefanja 3:12
Als de ware godsdienst bij de rijken dreigt uit te sterven, vindt hij onderdak bij de armen van deze wereld, die rijk zijn in geloof. De Heere heeft ook nu Zijn trouwe overblijfsel. Behoor ik daartoe?
Misschien leren mensen juist omdat zij ellendig en arm zijn te vertrouwen op de Naam van de Heere. Wie geen geld heeft, moet maar eens proberen wat hij op krediet kan doen. Wie zijn eigen naam in eigen ogen niets waard vindt, doet er verstandig aan op een andere Naam te rusten, de beste van alle Namen, de Naam van Jehova.
God zal altijd een volk hebben dat op Hem vertrouwt, en dat zal een ellendig en arm volk zijn. Hoe weinig de wereld ook van hen denkt, het feit dat zij te midden van een volk overblijven, is een bron van onnoemelijk veel zegen voor dat volk. Hier hebben wij het zout dat het verderf in bedwang houdt, het verderf dat door de begeerte in de wereld is gekomen.
De vraag komt weer bij ieder van ons aan. Behoor ik daartoe? Lijd ik onder de zonde in mij en om mij heen? Ben ik arm van geest, geestelijk arm naar mijn eigen oordeel? Vertrouw ik op de Heere? Dat is de hoofdzaak. Jezus openbaart de Naam, het wezen, de persoon van God; vertrouw ik op Hem? Zo ja, dan ben ik met een doel in deze wereld achtergelaten. Heere, help mij dat doel te vervullen.

