Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Brieven

Brief aan de leden van de Conferentie — Metropolitan Tabernacle, 17 juni 1886

1 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

BRIEF 221

Metropolitan Tabernacle, 17 juni 1886.

Geliefde broeder,

Op de jaarlijkse Conferentie is afgesproken dat wij op maandag 21 juni samen in bijzonder gebed zullen zijn voor elkaar en voor de gemeente van God. Nu die dag zo dichtbij is, schrijf ik u in alle liefde om u daaraan te herinneren.

Juist nu is er dringend behoefte aan meer smeking; het staat vast dat zulke smeking haar uitwerking niet zal missen, en er is een heldere hoop dat zij ons meer zal brengen dan wij bidden of zelfs denken. Onze grootste voorspoed kan nog ver worden overtroffen, en onze tegenspoed kan geheel worden weggenomen; de woestijn kan een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht worden. Aan het werken van onze God is geen grens, tenzij ons ongeloof de Heilige Israëls een perk zou stellen, wat God verhoede! Een bijzondere samenkomst is dikwijls een nieuw begin en luidt een lichtere tijd in; laten wij het beproeven.

Het is nuttig gebleken dat christenvrienden overdag met twee of drie bij elkaar komen in hun eigen huizen. Ook het huisaltaar kan een gezegende plaats zijn voor gezamenlijke voorbede. Met hartelijke, steeds groeiende genegenheid smeek ik de hele broederschap te bidden voor de voorspoed van ieder, voor de zwakken en moedelozen onder ons, voor hen die ziek en bedroefd zijn, voor de afgedwaalden en hen die achteruitgaan, en ook voor mij. Broeders, zoals wij liefhebben en bidden, zo leven wij. Laten wij ons, door de genade van onze Heere Jezus Christus en de liefde van de Geest, opwekken tot een heilige zielenstrijd voor het koninkrijk van God, het behoud van zielen en de heerlijkheid van onze Heere. Uw liefhebbende broeder,

C. H. Spurgeon.

© Vertaling Letters of Charles Haddon Spurgeon door Teun van der Plas