
In de eerste vier psalmen is het u vast opgevallen dat er steeds een tegenstelling is tussen de positie, het karakter en het toekomstperspectief van de rechtvaardige en van de goddeloze. In deze psalm zien we dat patroon opnieuw. De psalmdichter tekent het contrast tussen hemzelf, door Gods genade rechtvaardig gemaakt, en de goddelozen die zich tegen hem keerden. Voor de godvrezende ziel schittert hier een kostbaar beeld van de Heere Jezus. Van Hem wordt immers gezegd dat Hij in de dagen van Zijn vlees gebeden en smekingen, met sterk roepen en tranen, heeft geofferd.
INDELING — We kunnen deze psalm in twee delen splitsen: de verzen 1 tot en met 7, en de verzen 8 tot en met 12. In het eerste deel smeekt David de Heere vurig om naar zijn gebed te luisteren. In het tweede deel bewandelt hij opnieuw dezelfde geestelijke weg.
UITLEG Vers 1. Er zijn twee soorten gebeden: uitgesproken gebeden en de onuitgesproken verlangens die als stille overdenkingen in het hart blijven. Woorden zijn niet het wezen, maar slechts het gewaad van het gebed. Toen Mozes bij de Rode Zee stond, riep hij tot God zonder ook maar één woord te spreken. Toch kan de menselijke taal voorkomen dat onze geest afdwaalt; het helpt de krachten van onze ziel te bundelen en richt onze aandacht volledig op God. We zien dat David beide manieren van bidden gebruikt. Voor de ene vraagt hij verhoring, voor de andere overweging.
Wat een veelzeggend woord is dit: “Versta mijn overdenking.” Als ik gevraagd heb wat goed is, schenk het mij dan. Maar als ik nagelaten heb te vragen wat ik het meest nodig had, vul dan Zelf de leemte in mijn gebed aan. “Versta mijn overdenking.” Laat Uw heilige ziel haar overdenken, zoals zij U wordt aangeboden door mijn volmaakte Middelaar. Gedenk haar in Uw wijsheid, weeg haar in de weegschaal, oordeel over mijn oprechtheid en over de ware nood van mijn ziel. Antwoord mij te Zijner tijd, om de wil van Uw barmhartigheid!
Er kan een krachtige voorbede zijn waar woorden ontbreken. Maar helaas kunnen er ook woorden zijn waar de ware smeking ontbreekt. Laten we daarom de ware geest van het gebed koesteren, die nog oneindig beter is dan de loutere gewoonte van het gebed. Er kan immers een schijn van bidden zijn, terwijl de hartelijke toewijding ver te zoeken is. We moeten beginnen te bidden vóórdat we knielen, en we moeten er niet mee ophouden wanneer we weer opstaan.
Vers 2. “De stem mijns geroeps.” In een andere psalm lezen we de uitdrukking: “De stem mijns geweens.” Ook huilen heeft een stem; het is een weke, klagende toon met een doordringende kracht die het hart van God Zelf raakt. En roepen heeft een stem: een welsprekendheid die de ziel in beweging brengt. Het komt vanuit óns hart en bereikt het hart van Gód. Ach, broeders en zusters, soms kunnen we onze gebeden simpelweg niet in woorden vatten. Ze zijn niets anders dan een kreet. Maar de Heere begrijpt de betekenis ervan, want Hij hoort een stem in onze schreeuw. Voor een liefdevolle vader klinkt het geroep van zijn kinderen als muziek; het bezit een overtuigingskracht waaraan zijn hart onmogelijk weerstand kan bieden.
“Mijn Koning en mijn God.” Let goed op deze kleine voornaamwoorden: “mijn Koning en mijn God.” Zij vormen de kern en het merg van zijn pleidooi. Hier ligt een krachtig argument besloten waarom God het gebed wel móét verhoren: omdat Hij ónze Koning en ónze God is. Wij zijn geen vreemden voor Hem; Hij is de Koning van ons vaderland. Van vorsten mag verwacht worden dat zij de smeekbeden van hun eigen onderdanen aanhoren. Wij zijn niet onbekend bij Hem; wij zijn Zijn aanbidders en Hij is onze God. Hij is de onze door het verbond, door Zijn belofte, door Zijn eed en door het bloed.
“Want tot U zal ik bidden.” Hier verklaart David dat hij God zal zoeken, en God alléén. God moet het enige voorwerp van onze aanbidding zijn: de enige toevlucht voor onze ziel in tijden van nood. Laat de gebarsten bakken maar over aan de goddelozen; laat de godvrezenden uitsluitend drinken uit de Goddelijke fontein. “Tot U zal ik bidden.” David neemt een vast besluit: zolang hij leefde, zou hij bidden. Hij zou nooit ophouden met smeken, zelfs als het antwoord zou uitblijven.
Vers 3. Let wel, dit is niet zozeer een gebed, als wel een heilig besluit: “‘Mijn stem zult Gij horen’; ik zal niet stom of stil zijn, ik zal mijn woorden niet inhouden. Ik zal tot U roepen, want het vuur dat binnen in mij brandt, dwingt mij om te bidden.” We zouden nog eerder sterven dan kunnen leven zonder gebed. Geen enkel kind van God is bezeten door een stomme duivel.
“Des morgens.” Dit is de meest geschikte tijd voor de omgang met God. Eén uur in de morgen is twee uur in de avond waard. Terwijl de dauw op het gras rust, laat dan ook de genade op de ziel druppelen. Laten we God de vroege uren van onze dag en de morgen van ons leven geven. Het gebed moet de sleutel van de dag zijn en het slot van de nacht. Onze toewijding moet zowel de morgenster als de avondster zijn.
Als we uitsluitend onze Nederlandse vertaling lezen en een uitleg van deze twee zinsneden zoeken, vinden we die in het beeld van een boogschutter: “Ik zal mij tot U schikken” – ik zal mijn gebed op de boog leggen, ik zal het op de hemel richten, en wanneer ik mijn pijl omhoog heb geschoten, zal ik opzien om te zien waar hij doel treft. Het Hebreeuws kent echter een nog veel rijkere betekenis: “Ik zal mijn gebed richten.” Het woord dat hier gebruikt wordt, duidt op het met zorg ordenen van het hout en de stukken van het offerdier op het altaar, en het wordt tevens gebruikt voor het schikken van de toonbroden op de tafel. Het betekent feitelijk: “Ik zal mijn gebed voor U in orde brengen.” Ik zal het ’s morgens voor U uitspreiden, zoals de priester het morgenoffer schikt. Ik zal mijn gebed ordenen, of zoals de oude theoloog Trapp zegt: “Ik zal mijn gebeden in slagorde brengen.” Ik zal ze in stelling brengen, al mijn vermogens oproepen en hen bevelen hun juiste plaats in te nemen, opdat ik met al mijn macht en op een aangename manier kan bidden.
“En zal wacht houden.” Of, zoals het Hebreeuws misschien nog beter vertaald kan worden: “Ik zal uitzien.” Ik zal uitzien naar het antwoord; nadat ik gebeden heb, zal ik vol verwachting wachten op de zegen. Dit woord wordt elders gebruikt voor de wachters die op de morgen wachten. Zó zal ik wachten op Uw antwoord, o mijn Heere! Ik zal mijn gebed uitspreiden als het offer op het altaar, en ik zal opzien in de verwachting het antwoord te ontvangen door vuur uit de hemel, dat het offer zal verteren.
Het laatste deel van dit vers roept twee vragen op. Missen we niet ontzettend veel van de zoetheid en de kracht van het gebed, door een gebrek aan zorgvuldige overdenking vooraf, en hoopvolle verwachting achteraf? Te vaak stormen we Gods tegenwoordigheid binnen zonder overdenking en zonder nederigheid. We lijken dan op mensen die voor een koning verschijnen zónder een verzoekschrift in handen. Is het dan een wonder dat we het doel van ons gebed vaak missen? We moeten de stroom van overdenking altijd gaande houden, want dát is het water dat de molen van het gebed aandrijft. Het is zinloos om de sluizen van een droge beek open te trekken in de hoop het rad te zien draaien.
Bidden zonder vurigheid is als jagen met een dode hond, en bidden zonder voorbereiding is als de valkenjacht met een blinde valk. Het gebed is het werk van de Heilige Geest, maar Hij werkt wél door middelen. God schiep de mens, maar Hij gebruikte het stof van de aarde als materiaal. Zo is de Heilige Geest de Auteur van het gebed, maar Hij gebruikt de gedachten van een vurige ziel als het goud waarmee Hij de beker vormt. Laten onze gebeden en lofprijzingen geen blinde opwellingen van een verhit en haastig brein zijn, maar de gestage gloed van een goed opgebouwd vuur.
Vergeten we bovendien niet om te wachten op de vrucht van onze smekingen? We lijken op de struisvogel, die haar eieren legt en vervolgens niet meer omziet naar haar jongen. We zaaien het zaad, maar zijn te lui om de oogst te verwachten. Hoe kunnen we verwachten dat de Heere de vensters van Zijn genade opent en de zegen op ons uitstort, als wij de vensters van onze verwachting gesloten houden en niet uitzien naar Zijn beloofde gunst? Laat heilige voorbereiding de hand reiken aan geduldige verwachting, en we zullen veel grotere antwoorden op onze gebeden ontvangen.
Vers 4. Nu de psalmist zijn besluit om te bidden heeft uitgesproken, horen we hem zijn gebed daadwerkelijk opzenden. Hij pleit tegen zijn wrede en goddeloze vijanden en gebruikt daarbij een zeer krachtig argument. Hij smeekt God hen van hem weg te doen, omdat zij Gode Zelf mishagen. “Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.” “Wanneer ik bid tegen mijn verleiders,” zegt David, “bid ik tegen precies díé dingen die Gijzelf verfoeit. Gij haat het kwaad: Heere, ik smeek U, verlos mij ervan!”
Laten we hier de ernstige waarheid leren over de haat die een rechtvaardig God tegen de zonde moet koesteren. Hij heeft géén lust in goddeloosheid, hoe geestig, groots of trots zij zich ook mag voordoen. Haar glans mist voor Hem elke bekoring. Mensen mogen dan buigen voor succesvol bedrog en de snoodheid van de middelen vergeten in de praal van de overwinning, maar de Heere der heiligheid is niet als wij. “De boze zal bij U niet verkeren.” Hij zal de goddeloze niet de minste beschutting bieden. Zowel op aarde als in de hemel zal het kwaad nooit de woning met God delen. O, wat zijn we toch dwaas als we proberen twee gasten te herbergen die zo vijandig tegenover elkaar staan als Christus Jezus en de duivel! Wees hiervan verzekerd: Christus zal nooit in de voorkamer van ons hart willen wonen, zolang wij de duivel in de kelders van onze gedachten toelaten.
Vers 5. “De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan.” Zondaars zijn dwazen, met hoofdletters geschreven. Een kleine zonde is al een grote dwaasheid, maar de allergrootste dwaasheid is de grote zonde. Zulke zondige dwazen moeten onherroepelijk verbannen worden van het hemelse hof. Aardse koningen hadden doorgaans narren in hun gevolg, maar de enige wijze God duldt geen dwazen in Zijn paleis boven.
“Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.” Het gaat hier niet om een lichte afkeer, maar om een diepgewortelde haat die God koestert tegen werkers van de ongerechtigheid. Het is een huiveringwekkende realiteit om door God gehaat te worden. Laten we toch uiterst getrouw zijn in het waarschuwen van de goddelozen om ons heen. Het zal immers iets verschrikkelijks voor hen zijn om te vallen in de handen van een toornend God!
Vers 6. Merk op dat kwaadsprekers evenzeer gestraft zullen worden als kwaaddoeners, want “Gij zult de leugensprekers verdoen”. Alle leugenaars zullen hun deel krijgen in de poel die brandt van vuur en zwavel. Een mens kan misschien liegen zonder in conflict te komen met menselijke wetten, maar aan de wet van God zal hij onmogelijk ontkomen. Leugens hebben korte vleugels; hun vlucht is spoedig voorbij en zij zullen neerstorten in de vurige vloeden van het verderf.
“Van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.” Bloeddorstige mannen zullen dronken gevoerd worden met hun eigen bloed, en degenen die begonnen met het bedriegen van anderen, zullen eindigen in hun eigen bedrog. Ons oude spreekwoord luidt terecht: “Bloedige en bedrieglijke mannen graven hun eigen graf.” De stem van het volk is in dit geval ook de stem van God. Hoe krachtig is dat woord gruwel! Toont het ons niet overduidelijk hoe machtig en diepgeworteld de haat van de Heere is tegen de werkers van de ongerechtigheid?
Vers 7. Met dit vers eindigt het eerste deel van de psalm. De dichter heeft zijn knieën gebogen in gebed; hij heeft de Heere het karakter en het lot van de goddelozen voorgehouden als argument voor zijn bevrijding. Nu zet hij dit af tegen de schitterende toestand van de rechtvaardigen.
“Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan.” Ik zal niet op een afstand blijven staan, maar Uw heiligdom binnengaan, zoals een kind het huis van zijn vader betreedt. Maar ik zal daar niet komen pleitend op mijn eigen verdiensten. Nee, ik breng een menigte van zonden met mij mee, en daarom zal ik uitsluitend binnenkomen door de menigte van Uw barmhartigheden. Ik zal U met vrijmoedigheid naderen, enkel en alleen dankzij Uw onmetelijke genade. Gods oordelen zijn geteld, maar Zijn barmhartigheden zijn ontelbaar. Hij deelt Zijn toorn uit per gewicht, maar Zijn barmhartigheid is gewichtloos en eindeloos.
“Ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.” Naar de tempel van Uw heiligheid. De tempel was destijds nog niet op aarde gebouwd; er was slechts een tabernakel. Maar David was eraan gewend zijn geestelijke ogen te richten op dat tempelpaleis van Gods heiligheid, daar waar Jehova in onuitsprekelijk licht tussen de vleugels van de cherubs woont. Daniël opende zijn venster in de richting van Jeruzalem, maar wij openen ons hart naar de hemel.
Vers 8. Nu komen we bij het tweede deel, waarin de psalmist zijn argumenten herhaalt en opnieuw dezelfde geestelijke weg bewandelt.
“Leid mij, o HEERE.” Zoals een klein kind door zijn vader aan de hand wordt genomen, en zoals een blinde door zijn vriend wordt geleid. Het is volkomen veilig en uiterst aangenaam wandelen wanneer God vooropgaat. “In Uw gerechtigheid.” Niet in míjn gerechtigheid, want die is vol gaten en onvolmaaktheden, maar in de Uwe, want Gij zijt de gerechtigheid Zelf. “Richt Uw weg voor mijn aangezicht.” Úw weg, niet míjn weg. Broeders, wanneer we geleerd hebben om onze eigen wegen op te geven en er uitsluitend naar verlangen om Gods weg te bewandelen, dan is dat een heerlijk bewijs van genade. En het is geen kleine genade om de weg van God met een helder zicht recht voor ons te zien liggen. Dwalingen omtrent onze plicht kunnen ons in een zee van zonden storten, nog voordat we beseffen waar we ons bevinden.
Vers 9. Deze beschrijving van de verdorven mens is door de apostel Paulus overgenomen. Samen met enkele andere oudtestamentische citaten heeft hij deze in het tweede hoofdstuk van de Romeinenbrief geplaatst, als een feilloze blauwdruk van het gehele menselijke geslacht. Het gaat hier dus niet alleen om Davids vijanden, maar om álle mensen van nature.
Let op dat huiveringwekkende beeld: “Hun keel is een open graf.” Een graf vol walging, vol giftige dampen, vol pest en dood. Erger nog: het is een ópen graf, waaruit alle kwalijke gassen vrijkomen om overal dood en verderf te verspreiden. Zó is de keel van de goddeloze. Het zou een onuitsprekelijke zegen zijn als die voor altijd gesloten bleef. Als we de mond van de goddelozen met een voortdurend stilzwijgen konden verzegelen, zou het zijn als een dichtgemetseld graf en veel minder schade aanrichten. Maar “hun keel is een open graf”, en daardoor wasemt alle boosheid van hun hart uit naar buiten. Hoe levensgevaarlijk is een open graf! Reizigers zouden er zomaar in kunnen vallen en zich plotseling onder de doden bevinden. Ach, wees toch op uw hoede voor de goddeloze mens! Er is niets dat hij niet zal aangrijpen om u te ruïneren. Hij zal ernaar verlangen uw goede naam te vernietigen en u te begraven in het afschuwelijke graf van zijn eigen goddeloze keel.
Toch is hier één uiterst zoete gedachte. Bij de opstanding zullen niet alleen de lichamen opstaan, maar ook de karakters. Dit is een geweldige troost voor ieder die hier op aarde is mishandeld en belasterd. “Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon.” De wereld mag u dan minachten en uw goede reputatie begraven, maar als u oprecht bent geweest, zal dit open graf van de zondaarskeel op de Grote Dag gedwongen worden uw hemelse karakter terug te geven. U zult stralend tevoorschijn komen en geëerd worden in de ogen van alle mensen.
“Met hun tong vleien zij.” We zouden het ook zo kunnen lezen: “Zij hebben een olieachtige, gladde tong.” Een gladde tong is een enorm kwaad; velen zijn er al door betoverd geraakt. Er zijn talloze menselijke roofdieren die met hun lange tongen, bedekt met olieachtige woorden, de onvoorzichtigen lokken en verstrikken om daar hun eigen voordeel mee te doen. Wanneer de wolf het lam likt, bereidt hij zich er slechts op voor om zijn tanden in diens bloed te zetten.
Vers 10. “Tegen U”: niet tegen mij. Als zij uitsluitend mijn vijanden waren, zou ik het hun vergeven. Maar Úw vijanden kan ik niet vergeven. Wij moeten onze eigen vijanden vergeven, maar het ligt niet in onze macht om Gods vijanden te vergeven.
Dit soort uitspraken wordt door overbeschaafde mensen vaak als hard en stuitend ervaren. “O,” zeggen zij, “ze zijn zo wraakzuchtig en uit op vergelding.” Laten we echter bedenken dat deze woorden veeleer als profetieën vertaald zouden kunnen worden, in plaats van als persoonlijke wensen. Toch hoeven we ons niet achter deze uitweg te verschuilen. We hebben nog nooit gehoord van een oprechte Bijbellezer die na het lezen van deze passages zelf wraakzuchtig werd. Het is wel zo eerlijk om de aard van een tekst te toetsen aan de uitwerking ervan. Wanneer we een rechter een moordenaar horen veroordelen, voelen we ons daardoor – hoe streng het vonnis ook is – nog niet gerechtvaardigd om zelf anderen te veroordelen voor persoonlijk onrecht. De psalmist spreekt hier als rechter, in de uitoefening van zijn ambt; hij fungeert als de mond van God. Door de goddelozen te veroordelen, geeft hij ons geen enkel excuus om zélf een vloek uit te spreken over hen die ons persoonlijk hebben gekrenkt.
De meest schandelijke manier om een ander te vervloeken, is doen alsof je hem zegent. We hebben ons allemaal weleens geërgerd (en vermaakt) om de tandeloze boosaardigheid van die ellendige oude priester van Rome (de paus), toen hij de Franse keizer op dwaze wijze vervloekte met zijn zegen. Hij zegende hem in vorm, maar vervloekte hem in werkelijkheid. Daartegenover plaatsen we nu deze gezonde en eerlijke bedreiging van David. Ze is júist bedoeld als een zegen, door de zondaar dringend te waarschuwen voor de naderende vloek. O onboetvaardig mens, weet dat al uw godvrezende vrienden hun plechtige instemming zullen geven aan het vreselijke vonnis dat de Heere op de Oordeelsdag over u zal uitspreken! Ons verstand zal de veroordelende vloek toejuichen, die de Rechter van de hele aarde over de goddelozen zal doen donderen.
In het volgende vers vinden we opnieuw de kenmerkende tegenstelling uit de voorgaande psalmen.
Vers 11. Vreugde is het heerlijke voorrecht van de gelovige. Wanneer de zondaars worden vernietigd, zal ónze vreugde volkomen zijn. Zij lachen eerst en zullen daarna eeuwig wenen; wij wenen nu, maar zullen voor eeuwig juichen. Wanneer zij huilen, zullen wij jubelen, en terwijl zij eeuwig zullen kermen, zullen wij eeuwig juichen van vreugde.
Deze heilige zaligheid rust op een onwankelbaar fundament, want, o Heere, wij verblijden ons in Ú. De eeuwige God is de onuitputtelijke levensbron van onze zaligheid. Wij hebben God lief en daarom verlustigen we ons in Hem. Ons hart vindt volkomen rust in onze God. We leven elke dag als koningen, omdat we rijkelijk door Hem gevoed worden. We hebben muziek in ons huis, muziek in ons hart en muziek in de hemel, want de Heere Jehova is onze sterkte en onze psalm; Hij is ons tot heil geworden.
Vers 12. Jehova heeft Zijn volk verordend tot erfgenamen van de zaligheid, en niets of niemand zal hen van hun erfdeel kunnen beroven. Met de volle overvloed van Zijn Goddelijke macht zal Hij hen zegenen. Al Zijn volmaakte eigenschappen zullen samenwerken om hen te verzadigen met hemelse voldoening. En deze zegen geldt niet slechts voor het heden, maar reikt tot diep in de onbekende toekomst.
“Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen.” Dit is een belofte van oneindige lengte, onbegrensde breedte en onuitsprekelijke waarde. Wat betreft de bescherming die de gelovige in dit aardse strijdperk nodig heeft: deze wordt hem hier in de meest ruime mate toegezegd. De soldaten uit de oudheid gebruikten enorme schilden, net zo groot als een man, waardoor ze volledig werden bedekt. Daarom zegt David: “Met welgevallen zult Gij hem omringen als met een schild.” Volgens de geleerde Ainsworth ligt hierin ook de gedachte opgesloten van ‘gekroond worden’: we dragen als het ware een koninklijke helm, die tegelijkertijd onze kroon én onze bescherming is. O Heere, schenk ons voortdurend deze genadige kroning!
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Vers 1. “O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.” Het is treurig maar waar dat de meeste mensen krachteloze, kwijnende en ijdele gebeden prevelen. Ze zijn het oor van de gezegende God volstrekt onwaardig. Sterker nog, vaak beseft men dit ten diepste zelf ook wel, aangezien men deze gebeden zonder enige verwachting uitspreekt en zich er verder nauwelijks om lijkt te bekommeren. Ze worden aan de wind toevertrouwd als lege woorden – want dát zijn het ook. Maar laat het verre van de wijze en godvruchtige mens zijn om zo koud en dwaas om te gaan met zo’n bloedernstige zaak! Zijn gebed heeft een duidelijke strekking en een doel waarop hij met aanhoudend verlangen mikt. Hij bidt niet slechts om het bidden, maar om een antwoord te verkrijgen. En omdat hij stellig gelooft dat dit antwoord te verkrijgen is, dringt hij standvastig en vurig aan met zijn smeekbeden, zodat hij zichzelf niet hoeft te sussen met een ijdele hoop. — Robert Leighton, D.D.
Verzen 1, 2. Let op de volgorde en de overtuigingskracht van deze woorden: “mijn roepen”, “de stem van mijn gebed”; en ook “neem ter ore”, “versta”, “merk op”. Deze uitdrukkingen getuigen allemaal van de aandrang en de energie van Davids smeekbeden. Eerst lezen we: “Neem ter ore”; dat wil zeggen: hoor mij. Maar het baat weinig als onze woorden slechts gehoord worden, tenzij het “roepen” of de “overdenking” daadwerkelijk wordt begrepen. Het is alsof hij in de gewone spreektaal zegt: “Ik spreek met diepe nood en zorg, maar mijn stem hapert; ik kan mezelf niet zo duidelijk uitdrukken als ik zou willen. Versta daarom Gij uit mijn innerlijke gevoelens méér dan ik in woorden kan uitdrukken. Daarom voeg ik mijn ‘roepen’ eraan toe; opdat wat ik niet hoorbaar voor U kan uitspreken, ik U door mijn ‘roepen’ alsnog duidelijk kan maken.” “En wanneer Gij mij hebt verstaan, o Heere, ‘merk dan op de stem van mijn gebed’, en veracht niet wat Gij aldus gehoord en begrepen hebt.” We moeten hierbij overigens niet denken dat horen, verstaan en opmerken voor God drie verschillende handelingen zijn, zoals bij ons mensen. Nee, het toont ons hoe onze gevoelens richting God steeds intenser worden. Eerst verlangen we ernaar gehoord te worden; vervolgens hopen we dat de gebeden die gehoord zijn, ook begrepen worden; en tot slot hopen we dat ze – eenmaal begrepen – niet genegeerd, maar ter harte genomen worden. — Maarten Luther.
Vers 1. De “overdenking” maakt de ziel geschikt voor de smeekbede. De overdenking vult de ziel met goede drank, en vervolgens tapt het gebed de ziel aan en laat haar rijkelijk stromen. David peinsde eerst, en sprak toen pas met zijn tong: “HEERE! maak mij bekend mijn einde” (Psalm 39:5). Ja, om ons ervan te verzekeren dat de overdenking de moeder is die het gebed voortbrengt, noemt hij het kind naar de ouder: “O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.” Overdenking is als het laden van een geweer, en het gebed als het afvuren ervan. “Izak ging uit om in het veld te mediteren” (Genesis 24:63). Zowel de Septuaginta, de Geneefse vertaling als Tremellius vertalen het Hebreeuwse woord hier met ‘bidden’. Het woord duidt dan ook op beide, waaruit we mogen leren dat zij zeer nauw aan elkaar verwant zijn; als tweelingen in één moederschoot. De overdenking is het beste begin van het gebed, en het gebed is de mooiste bekroning van de overdenking. Wanneer een christen, zoals Daniël, de vensters van zijn ziel heeft geopend door stille beschouwing, dán mag hij neerknielen om te bidden. — George Swinnock.
Vers 3. “Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen.” Wanneer uw ogen zich voor het eerst ontsluieren, Geef dan uw ziel verlof hetzelfde te doen. Onze lichamen lopen slechts vooruit op de plicht van de geest. Ware harten spreiden zich uit en zwellen naar hun God, Zoals bloemen zich ontvouwen voor de zon. Geef Hem uw eerste gedachten, Dan zult u de hele dag in Zijn gezelschap verkeren, En in Hem in vrede slapen. Toch moet u nooit wachten tot de zon hoog staat; Het gebed moet sámen met de dag aanbreken. Er zijn vaste, ontzagwekkende uren tussen de hemel en ons. Het manna was na zonsopgang niet meer goed, Want de warmte van de dag bezoedelt de bloemen. Sta op om de zon voor te zijn; slaap laat zonden zwellen, En de poort van de hemel opent zich wanneer die van de wereld gesloten is. Wandel met uw medeschepselen, merk de stilte op, En hoor het zachte gefluister in de natuur. Geen bron of blad, Of het zingt zijn eigen morgenhymne; Elke struik en eik kent de IK BEN – kunt u dan niet zingen? O, laat uw zorgen en dwaasheden los! Ga deze weg, En u zult stellig de hele dag voorspoedig zijn. — Henry Vaughan, 1621-1695.
Vers 3. “Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen.” “In de morgen zal mijn gebed U voorkomen”, zei Heman. Dit is de allerbeste tijd voor toewijding, omdat u dan nog fris van geest bent en het meest vrij van afleidingen. Deze kostbare momenten voor heilige plichten kunnen met recht ‘de vleugelen van de dageraad’ worden genoemd. — Edward Reyner, 1658.
Vers 3. “Des morgens.” “In de dagen van onze vaderen”, zegt bisschop Burnet, “was het de gewoonste zaak van de wereld wanneer men bij zijn buurman aanklopte om de heer des huizes te spreken, dat de bedienden vrijuit zeiden: ‘Mijn heer is aan het bidden’. Vandaag de dag zegt men: ‘Mijn heer is nog niet op.’” — Bisschop Burnet.
Vers 3. “Des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.” Of: ik zal mijn gebed in slagorde brengen; ik zal smeking na smeking en pleidooi na pleidooi aanvoeren, totdat ik – net als Jakob – een vorst bij God word, totdat ik de strijd heb gewonnen en de dag heb behaald. Dit woord wordt overdrachtelijk gebruikt voor debatten tussen mensen en voor smeekbeden tot God. We kunnen de betekenis ook heel eenvoudig opvatten, zonder gezochte redekunst: “Schik uw woorden in orde voor Mij.” Orde is in alles goed, of het nu een uitgesproken of een verborgen orde is. Soms schuilt de grootste kunst in het verbergen ervan. In het spreken is orde bijzonder nuttig. Hoewel iemand terecht zei: “Orde heeft nog nooit een mens bekeerd” (waarmee hij doelde op predikers die preciezer zijn over de vorm dan over de inhoud), toch is het ordenen van onze woorden buitengewoon nuttig. Onze toespraken moeten geen willekeurige hopen woorden zijn, maar goed samengebonden zinnen. Geen ordeloze menigte van begrippen, maar woorden die in gelid staan opgesteld, als het ware in hechte gelederen. — Joseph Caryl.
Vers 3. “Des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.” In deze woorden kunt u twee dingen opmerken: ten eerste Davids houding tíjdens het gebed, en ten tweede zijn houding ná het gebed. Ten eerste, zijn houding in het gebed: “Ik zal mijn gebed tot U richten.” Ten tweede, zijn gedrag erna: “En ik zal opzien.” De profeet gebruikt hier twee krijgskundige termen. In de eerste plaats wilde hij niet zomaar wat bidden, maar zijn gebeden in slagorde opstellen. Hij bracht ze in gevechtsklare positie; dat is de letterlijke lading van het Hebreeuwse woord. In de tweede plaats was hij vastbesloten om, nadat hij dit had gedaan, als een wachter op zijn uitkijktoren te staan om te zien of hij de overwinning behaalde. Zodra David zijn gebeden en smekingen netjes in het gelid had geplaatst, keek hij scherp om zich heen om te zien door welke deur God het antwoord zou zenden. Wie wél bidt, maar vervolgens nóóit uitziet naar het antwoord, is ronduit dwaas en zwak. Zo iemand schiet vele pijlen af naar de hemel, maar let er nooit op waar zijn pijlen landen. — Thomas Brooks.
Vers 3. David wilde zijn gebed tot God richten en omhoog kijken. Hij wilde niet omlaag kijken naar de wereld of naar het verderf, maar omhoog naar God, om te horen wat Hij zou spreken. Psalm 85:9: “Ik zal horen wat God, de HEERE, spreken zal.” Laat Davids besluit ook úw besluit zijn: “Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen” (Micha 7:7). — William Greenhill, 1650.
Vers 3. “Ik zal mijn gebed tot U richten en zal opzien.” Dat wil zeggen: ik zal geestelijke handel drijven. Ik zal mijn schepen uitzenden en een winstgevende terugkeer verwachten. Ik zal mijn gebeden storten en ze niet als verloren beschouwen, maar uitzien naar een antwoord. God leidt de mens terug naar Huis, precies langs de tegenovergestelde weg van hoe hij is afgedwaald. De mens viel van God af door wantrouwen, doordat hij God verdacht; God zal hem terugbrengen door vertrouwen, doordat hij weer goed van God leert denken. O, hoe rijk beladen zou het schip dat u uitzendt kunnen terugkeren, als u maar vurig zou verlangen naar zijn terugkomst en er vol verwachting op zou uitzien! — George Swinnock.
Vers 3. Het geloof kent een ondersteunende werking ná het gebed: het sterkt de ziel in de verwachting van een genadig antwoord. “Ik zal mijn gebed tot U richten en zal opzien.” Waar moeten we anders naar uitzien dan naar een wederantwoord? Een ongelovig hart schiet zijn pijlen lukraak af en let er nooit op waar ze neerkomen of wat de vrucht van het bidden is. Maar het ware geloof vult de ziel met een levende verwachting. Een koopman die de balans opmaakt, rekent niet alleen wat hij contant in kas heeft, maar evengoed de goederen die hij overzee heeft gezonden. Zó rekent het geloof evengoed op de zegeningen die het door gebed naar de hemel heeft gezonden – en nóg niet ontvangen heeft – als op de reeds genoten barmhartigheden. De kracht van deze geloofsverwachting blijkt uit de diepe rust die zij in de ziel teweegbrengt, precies in de tussentijd tussen het uitvaren van het schip van het gebed en de veilige thuiskomst ervan met de kostbare lading. Deze rust is evenredig aan de kracht van het geloof. Soms komt het geloof zó zegevierend uit de gebedsstrijd dat het reeds jubelt: Victoria! Het schenkt aan de afgebeden barmhartigheid zo’n werkelijkheid in het hart van de christen, lang voordat het verstand of de zintuigen het kunnen waarnemen, dat de christen al zijn onrustige gedachten tot zwijgen kan brengen. Ja, hij heft zijn lofzang voor de zegen al aan, lang vóórdat hij deze in handen heeft! Door een gebrek aan verwachtend uitzien gaat helaas menig gebed verloren. Als u toch niet gelooft, waarom bidt u dan nog? En als u wél gelooft, waarom verwacht u dan niets? Door te bidden wekt u de indruk op God te leunen, maar door het antwoord niet te verwachten, laat u datzelfde vertrouwen direct weer los. Is dit niet simpelweg Zijn Naam ijdel gebruiken? O christen, houd stand in uw gebed, en koester een heilige verwachting van wat u hebt gevraagd op het krediet van Zijn belofte. Mordechai had ongetwijfeld talloze gebeden voor Esther opgezonden; daarom wachtte hij vol verwachting bij de poort van de koning om te zien welk antwoord Gods voorzienigheid zou geven. Doet u hetzelfde. — William Gurnall.
Vers 4. “Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid.” Neem een man die met een bot mes snijdt: hij is de oorzaak van de snijbeweging, maar niet van de rafelige snede – dát is de schuld van het botte lemmet. Of iemand die speelt op een ongestemd instrument: hij veroorzaakt de klank, maar niet de valse tonen – dát ligt aan de ontstemde snaren. Of een ruiter die een kreupel paard de sporen geeft: hij veroorzaakt de voorwaartse beweging, maar niet het manke lopen. Zó is God weliswaar de Eerste Oorzaak van elke handeling, maar niet van het kwaad daarin; dat komt volledig voort uit de mens. De smid die gereedschappen smeedt uit ijzer, maakt niet de roest die hen later aantast; die roest komt voort uit een heel andere oorzaak. Zo brengt ook de hemelse Werkmeester, God de Almachtige, geen zonde of ongerechtigheid voort. Hij kan onmogelijk met recht worden beschuldigd wanneer Zijn schepselen zichzelf bevuilen met de modder van de zonde, want Hij heeft hen oorspronkelijk goed en volmaakt gemaakt. — Uit: Spencer’s Things New and Old.
Verzen 4-6. In deze verzen wordt Gods afkeer van de goddelozen in zes stappen of treden getekend. Ten eerste: Hij heeft geen lust in hen. Ten tweede: Zij zullen niet bij Hem verkeren. Ten derde: Hij werpt hen uit; zij zullen voor Zijn ogen niet bestaan. Ten vierde: Zijn hart keert zich van hen af; Hij haat alle werkers der ongerechtigheid. Ten vijfde: Zijn hand keert zich tegen hen; Hij zal de leugensprekers verdoen. Ten zesde: Zijn wezen verheft zich tegen hen met diepe afschuw; de HEERE heeft een gruwel van de man des bloeds. Deze volstrekte afwijzing is een vreselijke, maar volkomen zekere straf voor de “werkers der ongerechtigheid”. De term “werkers der ongerechtigheid” kunnen we op twee manieren opvatten. Enerzijds verwijst het niet zomaar naar alle zondaars, maar naar zondaars van de zwaarste categorie: de volhardende, moedwillige overtreders. Het zijn degenen die met overgave zondigen en er als het ware hun vak van maken, alsof ze er eer mee willen inleggen. Het zijn vakmensen in het kwaad, die zich nergens voor schamen. Zulke beruchte zondaars maken van de zonde hun beroep. Hoewel elke zonde een werk van ongerechtigheid is, worden zíj specifiek werkersgenoemd. We lezen in Openbaring 22:15 over hen die de leugen “liefhebben en doen (maken)”. Er zijn immers mensen die weleens een leugen vertellen zonder die lief te hebben of te hebben bedacht. Maar de ‘makers’ van leugens zijn ongetwijfeld óók de liefhebbers ervan. In Psalm 58:3 lezen we over hen: “Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.” De psalmist zegt niet slechts dat zij goddeloosheid in hun hart hádden, maar dat zij het daar werkten. Hun hart is als een ondergrondse smidse; daar bedenken, smeden en hameren zij in het geheim hun goddeloze plannen uit, om ze vervolgens op aarde in daden om te zetten. — Joseph Caryl.
Vers 5. Wat is de zonde toch een verbijsterend en gruwelijk kwaad! Het maakt de God van liefde en de Vader der barmhartigheden tot een vijand van Zijn eigen schepselen. Dit onmetelijke kwaad kon enkel en alleen worden weggewassen door het kostbare bloed van de Zoon van God. Hoewel iedereen die de Bijbel leest dit zou moeten geloven, beseffen zelfs de meest verlichte christenen slechts ten dele hoe buitengewoon zondig de zonde werkelijk is. In deze wereld zullen we dat nooit ten volle kunnen bevatten. — Thomas Adam’s Private Thoughts, 1701-1784.
Vers 5 (laatste zinsnede). “Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.” Wil je weten hoe God over de zonde denkt? Lees dan Deuteronomium 7:22, Spreuken 6:16 en Openbaring 2:6 en 15. Daar spreekt Hij Zijn diepe verfoeiing en haat ten opzichte van de zonde uit. Vanuit die heilige haat rollen al die vreselijke plagen en oordelen voort die door Zijn allerheiligste wet tegen de zonde worden afgedonderd. Ja, niet alleen de zondige dóád, maar ook de dáder, de werker van de ongerechtigheid, is het mikpunt van Zijn heilige haat. — William Gurnall.
Vers 5 (laatste zinsnede). “Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.” Als Gods haat tegen de werkers van de ongerechtigheid al zo groot is, hoe overweldigend moet Zijn haat tegen de ongerechtigheid zélf dan wel niet zijn! Als iemand een giftige slang haat, verfoeit hij het dodelijke gif zelf nog oneindig veel meer. Gods haat richt zich met volle kracht tegen de zonde, en zó horen wij de zonde ook te haten – met hart en ziel. Wat een gruwel is voor God, dat moet ook een gruwel zijn voor ons. “Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel: Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten; een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen; een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt” (Spreuken 6:16-19). — William Greenhill.
Vers 5 (laatste zinsnede). Wie de Heere haat, moet stellig omkomen. Maar Hij haat onboetvaardige zondaars: “Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.” En wie zijn er meer de ‘werkers der ongerechtigheid’ dan zij die zó verzot zijn op hun zonden, dat ze dit werk weigeren neer te leggen, ondanks het reële gevaar van eeuwige ondergang? Christus laat hierover geen enkele twijfel bestaan. De werkers van de ongerechtigheid zullen omkomen (Lukas 13:27). Wie de Heere in Zijn toorn zal verscheuren, zal zonder meer ten onder gaan; en zíj die Hij haat, díé verscheurt Hij (Job 16:8). Wat is deze onboetvaardigen anders verschuldigd dan Gods haat? Wat is er passender dan toorn voor degenen die zichzelf een schat van toorn vergaderen (Romeinen 2:5)? Zal Hij degenen die Zijn ziel haat, koesteren in de schoot van Zijn liefde? Nee, het eeuwige verderf is hun deel (Spreuken 21:15). Vermijd daarom alles wat Christus haat. Als u liefhebt, goedkeurt of herbergt wat Christus verfoeit, hoe kan Hij u dan liefhebben? Wat haat Christus dan precies? In Psalm 45:8 zien we dat het haten van goddeloosheid behoort tot een van Christus’ eigenschappen. Zoals Hij de ongerechtigheid haat, zo haat Hij ook “de werkers der ongerechtigheid”. U mag hen niet liefhebben met een vriendschappelijke verbondenheid, waarbij u zich verlustigt in het gezelschap van kwaaddoeners, spotters met de godzaligheid en vijanden van Gods werk (2 Korinthe 6:14-18). Als u dit soort intieme relaties met goddelozen ambieert, wil Christus geen relatie met u hebben. Als u gemeenschap met Christus wilt ervaren in de zoete omgang der liefde, moet u de onvruchtbare werken der duisternis radicaal mijden – én degenen die ze bedrijven. — David Clarkson, B.D., 1621-1686.
Vers 6. “Gij zult de leugensprekers verdoen”, of zij het nu als grapje of in alle ernst deden. Degenen die voor de grap liegen, zullen (tenzij zij zich bekeren) in alle ernst naar de hel gaan. — John Trapp.
Vers 6. “Gij zult de leugensprekers verdoen”, enzovoort. In hetzelfde veld waar Absalom de strijd tegen zijn vader aanvoerde, stond de eik die zijn galg werd. Het muildier waarop hij reed werd zijn beul, want het bracht hem rechtstreeks naar de boom. En het weelderige haar waar hij zo trots op was, deed dienst als de fatale strop. De goddelozen beseffen maar half hoe alles wat ze nu bezitten een dodelijke strik zal blijken te zijn wanneer God hen begint te straffen. — William Cowper, 1612.
Vers 7. “In Uw vreze zal ik mij buigen.” Zoals natuurlijke vrees ervoor zorgt dat het bloed uit de ledematen terugtrekt naar het hart, zo zal een heilige vrees voor het falen in de eredienst ervoor zorgen dat u uw gedachten terugroept van alle vleselijke, wereldse afleidingen, om ze volledig te richten op de heilige plicht die voor u ligt. Zoals de gravure in de zegelring is, zo zal de afdruk in de was zijn. Als de vreze des Heeren diep in uw hart is gegraveerd, zal dit ongetwijfeld een zichtbare en passende stempel drukken op alles wat u voor Hem doet. — William Gurnall.
Vers 7. David zegt: “Ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.” De tempel was de fysieke voorafschaduwing van het lichaam van onze Heere Jezus Christus, de Grote Middelaar. Uitsluitend in Hem worden onze gebeden en eredienst door de Vader geaccepteerd. Dit is precies wat Salomo op het oog had toen hij zijn gezicht naar de tempel richtte. — Thomas Manton, D.D., 1620-1677.
Vers 7. “Maar ik”, enzovoort. Een gezegend vers en een buitengewoon gezegende uitspraak! Deze woorden dragen een schitterende tegenstelling in zich. Er zijn immers twee werkelijkheden waarmee ons geestelijk leven voortdurend geoefend wordt: HOOP en VREES. Ze zijn als die twee waterbronnen uit Richteren 1:15: de ene komt van boven, de andere van beneden. De vrees welt op wanneer we de vreselijke oordelen en dreigementen van God aanschouwen. Hij is een God in Wiens ogen niemand rein is; voor Hem is ieder mens een zondaar en doemwaardig. Maar de hoop ontspringt juist bij het zien op de beloften en de allerzoetste barmhartigheden van God. Zoals Psalm 25:6 zo prachtig zegt: “Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.” Tussen deze twee – als tussen een bovenste en een onderste molensteen – moeten wij voortdurend gemalen en vastgehouden worden, zodat we nooit naar rechts of naar links afwijken. Dit afwijken is immers precies de vloek die huichelaars kenmerkt. Zij worden slechts heen en weer geslingerd tussen twee heel andere uitersten: dodelijke zorgeloosheid en vrome aanmatiging. — Maarten Luther.
Vers 9. Wanneer de héle ziel is aangetast door zo’n dodelijke ziekte, wat een gigantisch en ondoorgrondelijk werk is het dan om de mens te herscheppen! Om hem terug te brengen tot geestelijk leven en vitaliteit, terwijl elk onderdeel doortrokken is van het verderf. Wat een geweldig genezingswonder voltrekt de Geest van God wanneer Hij een ziel herstelt door haar te heiligen! Als in een ziekenhuis slechts één orgaan – zoals de lever of de longen – genezen wordt, spreekt men al van een knappe genezing, ook al betreft het slechts één deel van uw lichaam. Maar hier is uw álles verrot: “Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.” Hoe immens is dan de genade die dit alles in u geneest! Dit is een genezing die uitsluitend in de macht en de goddelijke kunde van God Zelf ligt. — Thomas Goodwin.
Vers 9. “Hun keel is een open graf.” Dit beeld tekent op een levensechte manier de vuile omgang van de goddelozen. Niets is weerzinwekkender voor onze zintuigen dan een open graf, waaruit het ontbindende lichaam zijn bedorven en rottende dampen uitwasemt. Wat uit de mond van zondaars komt, is evenzo besmet en verdorven. En zoals de stank uit een graf de inwendige ontbinding bewijst, zo bewijst de bedorven taal van zondaars hun innerlijke verrotting. — Robert Haldane, “Expositions of the Epistle to the Romans”, 1835.
Vers 9. “Hun keel is een open graf.” Dit leert ons een aantal belangrijke zaken:
-
Dat de gesprekken van natuurlijke, onwedergeboren mensen walgelijk, verrot en schadelijk voor anderen zijn. Net zoals een graf kwalijke geuren en vuile luchten verspreidt, stoten slechte mensen rotte en vuile woorden uit.
-
Zoals een graf de lichamen verslindt die erin gegooid worden, zo verwoesten goddeloze mensen anderen met hun wrede woorden. Ze zijn als een dodelijke draaikolk die anderen meesleurt.
-
Zoals een graf – zelfs nadat het talloze lijken heeft ontvangen – nog altijd klaar is om er méér te verslinden en nooit verzadigd is, zo gaan goddelozen door. Nadat ze velen met hun woorden hebben geruïneerd, zetten ze hun geweld onverminderd voort en zoeken ze onophoudelijk wie zij nóg meer kunnen verslinden. — Thomas Wilson, 1653.
Vers 9. “Hun binnenste”, enzovoort. Hun harten zijn niets minder dan de pakhuizen van de duivel. — John Trapp.
Vers 10. Al de passages waarin we schijnbaar wraakzuchtige gebeden tegenkomen, mogen nooit anders worden opgevat dan als de vurige instemming van een rechtvaardige ziel met de volmaakte gerechtigheid van haar God – de God Die wraak neemt over de zonde. Wanneer we ze horen als de woorden van Christus Zélf, blijken ze niets anders te zijn dan een heilige echo van de uiteindelijke berusting van de Voorspreker in het vonnis over de onvruchtbare vijgenboom. Het is alsof Hij met luider stem uitroept: “Houw hem nu maar om! Ik zal niet langer voor hem pleiten. Het vonnis is volkomen rechtvaardig; verderf hen, o God! Werp hen uit om de menigte van hun overtredingen, want zij hebben tegen U gerebelleerd.” Op datzelfde moment mogen we aannemen dat Hij Zijn heiligen uitnodigt om volmondig met dit heilige besluit in te stemmen. Zoals we lezen in Openbaring 18:20: “Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten.” Wanneer een lidmaat van Christus Zich in volkomen sympathie en harmonie weet met zijn Hoofd en de onvruchtbare vijgenboom vanuit ditzelfde verheven perspectief overziet, voelt hij hoezeer de eer van God op het spel staat bij het uitdelen van de slag. Ook híj zal dan uitroepen: “Laat de bijl maar toeslaan!” Als Abraham náást de engel had gestaan die Sodom verwoestte, en hij had met eigen ogen gezien hoe de naam van Jehova het verderf van deze onboetvaardige rebellen eiste, zou hij ongetwijfeld hebben geroepen: “Laat de regen neerdalen; laat het vuur en de zwavel neerkomen!” Niet vanuit enige vleselijke wraakzucht, en evenmin door een gebrek aan liefde voor zielen. Maar uitsluitend uit een diepe, intense ernst en bezorgdheid voor de majesteit en de eer van zijn God. Wij beschouwen deze benadering als de ware sleutel om al die moeilijke passages in dit boek te ontsluiten, waarin vervloekingen over het hoofd van de goddelozen worden afgeroepen. Ze zijn niets anders dan de praktische uitvoering van Deuteronomium 27:15-26: “En al het volk zal zeggen: Amen!” Het is een geestelijk binnentreden in de heilige afschuw van de Heere over de zonde en Zijn verlustiging in daden van gerechtigheid, uitmondend in het “Amen, Halleluja!” van Openbaring 19:3. — Andrew A. Bonar, 1859.
Vers 10. (Of over vloekpsalmen in het algemeen.) Heere, wanneer ik in mijn dagelijkse stille tijd Davids psalmen lees, geef mij dan de genade om de toon van mijn ziel af te stemmen op de verschillende onderwerpen ervan. Als hij zijn zonden belijdt, U om vergeving smeekt of U looft om vroegere gunsten, laat mijn ziel zich dan in dat alles verheffen tot de hoogst mogelijke toonhoogte! Maar wanneer ik bij de psalmen kom waarin hij zijn vijanden vervloekt, o, laat mijn ziel daar dan een lagere toonzetting kiezen. Die harde woorden pasten namelijk uitsluitend in de mond van David. Ik heb weliswaar dezelfde menselijke adem, maar niet diezelfde profetische geest om ze uit te spreken. Laat mij mezelf nooit vleien met de gedachte dat het mij geoorloofd is om – in het voetspoor van David – Uw vijanden te vervloeken. Want mijn bedrieglijke hart zou zomaar mijn éigen vijanden tot de Uwe kunnen bestempelen. En wat in David een daad van heilige godsdienst was, zou in mij kunnen omslaan in pure boosaardigheid, waarbij ik wraak pleeg verborgen onder het masker van vroomheid. — Thomas Fuller, D.D., 1608-1661.
Vers 12. Wanneer de gewapende sterke man tegen ons optrekt en zijn brandende pijlen op ons afvuurt, wat kan ons dan nog deren als God ons omringt met Zijn goedertierenheid als met een ondoordringbaar schild? Hij alleen kan de verleider ontwapenen, zijn wrede boosaardigheid bedwingen en hem verpletteren onder onze voeten. Als God niet met ons is en Hij ons Zijn genoegzame genade onthoudt, is zo’n listige, machtige en sluwe vijand ons simpelweg te sterk. Hoe ontzettend vaak worden we niet gevloerd wanneer we op eigen kracht met hem proberen te worstelen! Hoeveel geestelijke valpartijen en blauwe plekken hebben we al niet opgelopen omdat we te veel vertrouwden op onze eigen vaardigheden? Maar hoe vaak mochten we Gods hulp ervaren, zodra we er nederig om vroegen! En hoe absoluut zeker is onze overwinning als Christus voor ons bidt dat ons geloof niet ophoudt (Lukas 22:32)! Waar zouden we anders heen vluchten voor beschutting dan naar God, onze Schepper? Wanneer deze brullende leeuw uit het woud tekeergaat, hoezeer zou hij ons dan de stuipen op het lijf jagen, totdat God – Die hem tijdelijk toestaat ons te beproeven – hem weer aan de ketting legt! — Timothy Rogers, 1691.
Vers 12. “Als met een schild.” Maarten Luther, die in Augsburg onderweg was naar de kardinaal Cajetanus om zich te verantwoorden voor zijn vermeende ketterijen, werd spottend aangesproken door een gunsteling van de kardinaal. Deze man vroeg Luther waar hij dacht te kunnen schuilen als zijn aardse beschermheer, de keurvorst van Saksen, hem zou verlaten. “Onder het schild van de hemel!”, was het kordate antwoord. De hoveling viel stil, draaide zich om en liep zwijgend weg.
Vers 12. “Met welgevallen zult Gij hem omringen als met een schild.” Een schild is niet bestemd voor de bescherming van slechts één specifiek lichaamsdeel. Een helm beschermt het hoofd en een borstharnas de borst; elk harnasstuk heeft zo zijn eigen vaste plek op het lichaam waaraan het wordt vastgemaakt. Maar een schild is ontworpen om het héle lichaam te beveiligen. Daarom werden ze vroeger enorm groot gemaakt; vanwege hun breedte werden ze vaak een poort of deur genoemd. Ze waren lang en breed genoeg om de soldaat vrijwel volledig te bedekken. En als het schild de man niet in één keer kon bedekken, kon de bekwame strijder dit beweegbare stuk wapenrusting pijlsnel in de juiste richting draaien om de slag of de pijl op te vangen, nog voordat het een lichaamsdeel raakte. Dit vormt een uitstekend beeld van de allesomvattende functie van het geloof voor de christen. Het geloof beschermt de héle mens; elk aspect van het geestelijk leven wordt erdoor bewaard. Bovendien verdedigt het schild niet alleen het lichaam, maar vormt het óók een verdediging voor de rest van de wapenrusting. Het weert de pijl af, zodat de helm of het borstharnas niet eens geraakt wordt. Zó is het geloof de wapenrusting óver de wapenrusting; de unieke genade die álle andere genadegaven in bescherming neemt. — William Gurnall.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
Verzen 1, 2. Het gebed in zijn drievoudige vorm: “Woorden, overdenking, roepen.” Hier zien we hoe een uiterlijke uiting niets baat zonder de inzet van het hart, maar dat vurige verlangens en stille wensen door God worden aangenomen, zélfs als ze niet in woorden worden uitgedrukt. Vers 3. De buitengewone uitnemendheid van toewijding in de vroege morgen.Vers 3. (laatste twee zinsneden)
-
Gebeden die we doelbewust tot God richten.
-
Antwoorden die we vol verwachting afwachten. Vers 4. Gods afschuw van de zonde is een diep voorbeeld voor Zijn volk. Vers 5. “De onzinnigen.” Toon aan waarom zondaars terecht ‘dwazen’ worden genoemd. Vers 7. “De menigte van Uw barmhartigheid.” Een overdenking van de rijke, veelvormige genade en goedheid van God. Vers 7.Het godvruchtige besluit. I. De bijzonderheid van dit besluit. II. Het voorwerp van het besluit: de eredienst in Gods heiligdom. “Ik zal in Uw huis ingaan (…) ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.” III. De wijze waarop David dit wilde uitvoeren: a) Onder de diepe indruk van Gods goedheid: “Ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan.” b) Vervuld van een heilige eerbied: “Ik zal mij buigen (…) in Uw vreze.” — William Jay, 1842. Vers 8. Gods leiding is altijd onmisbaar, en in het bijzonder wanneer vijanden ons scherp in de gaten houden. Vers 10. Beschouwd als een plechtige bedreiging. De zin: “Drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen”, leent zich bij uitstek als fundament voor een zeer ernstige rede. Vers 11. I. Het karakter van de rechtvaardigen: geloof en liefde. II. De heerlijke voorrechten van de rechtvaardigen. a) Blijdschap: een blijdschap die groot, zuiver, bevredigend, triomfantelijk (jubelend) en voortdurend (eeuwig) is. b) Bescherming: door Gods macht, voorzienigheid, engelen en genade. Vers 11. Blijdschap in de Heere is voor de gelovige zowel een heilige plicht als een heerlijk voorrecht. Vers 12 (eerste zinsnede). De Goddelijke zegen over de rechtvaardigen. Zij is oud, werkzaam, voortdurend, veelomvattend, onherroepelijk, alles overtreffend en eeuwig.Vers 12 (tweede zinsnede). Het besef van Gods genadige gunst is een machtig schild voor de ziel.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

