
“Nu mijn gedachten zijn tot rust gebracht,
Geef ik mijn ogen over aan de nacht;
Uw hand, die overdag mijn schreden spaart,
Is ook de Wachter die mijn slaap bewaart.”
Het door God ingegeven opschrift luidt aldus: “Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.” De opperzangmeester was de leider of bestuurder van de heilige muziek in het heiligdom. Lees over hem aandachtig 1 Kronieken 6:31-32; 15:16-22 en 25:1, 7. In deze Bijbelgedeelten vindt men veel dat de liefhebber van heilige zang zal boeien. Bovendien werpt het veel licht op de wijze waarop God in de tempel werd geprezen. Wij twijfelen er niet aan dat sommige opschriften van de psalmen ontleend zijn aan de namen van beroemde zangers, die de muziek componeerden waarop zij werden gezongen.
Op de Neginoth, dat wil zeggen: op snaarinstrumenten of handinstrumenten die uitsluitend met de hand werden bespeeld, zoals harpen en cimbalen. De vreugde van de Joodse gemeente was zó groot, dat zij muziek nodig had om de heerlijke gevoelens van haar ziel tot uiting te brengen. Onze heilige blijdschap is echter niet minder overvloedig, omdat wij die liever op een meer geestelijke wijze uiten – zoals dat past bij een meer geestelijke bedeling. Met het oog op deze instrumenten, die met de hand bespeeld moesten worden, zegt Nazianzus: “Heere, ik ben een instrument waarop U kunt spelen.” Laten wij ons openstellen voor de aanraking van de Geest, dan zullen wij ware melodie voortbrengen. Mogen wij zó vol geloof en liefde zijn, dat wij levende muziekinstrumenten worden.
Hawker zegt: “De Septuaginta las het woord dat wij in onze vertaling met opperzangmeester hebben weergegeven als Lamenetz in plaats van Lamenetzoth, wat betekent: tot het einde. Daaruit concludeerden de Griekse en Latijnse kerkvaders dat alle psalmen die dit opschrift dragen, naar de Messias verwijzen: het grote Einde. Als dat zo is, dan is deze psalm tot Christus gericht. Dat is zeer passend, want zij gaat ten diepste over Christus, wordt door Christus gesproken en heeft alleen betrekking op Zijn volk, omdat zij één zijn met Hem. Moge de Heere, de Geest, de lezer dit inzicht schenken; hij zal het als een rijke zegen ervaren.”
INDELING — In het eerste vers pleit David bij God om hulp. In het tweede vers spreekt hij zijn vijanden aan, en hij blijft hen toespreken tot het einde van vers 5. Vervolgens zet hij, van vers 6 tot het slot, op heerlijke wijze zijn eigen tevredenheid en veiligheid af tegen de rusteloosheid van de goddelozen in hun allerbeste dagen.
De psalm is hoogstwaarschijnlijk geschreven bij dezelfde gelegenheid als de voorgaande. Het is opnieuw een uitgelezen bloem uit de tuin van de ellende. Voor ons is het een zegen dat David zo zwaar beproefd is; anders hadden wij deze lieflijke gezangen van het geloof waarschijnlijk nooit gehoord.
UITLEG
Vers 1. Dit is opnieuw een treffend voorbeeld van Davids gewoonte om ontvangen genade uit het verleden aan te voeren als pleitgrond voor hulp in het heden. Hier overziet hij zijn Ebenhaëzers en put daaruit troost. Wij mogen nooit denken dat Hij, Die ons in zes benauwdheden heeft geholpen, ons in de zevende zal verlaten. God doet geen half werk. Hij zal nooit ophouden ons te helpen zolang wij hulp nodig hebben. Het manna zal elke morgen vallen, totdat wij de Jordaan oversteken.
Let erop dat David eerst tot God spreekt en daarna pas tot de mensen. Zeker zouden wij allen vrijmoediger tot mensen spreken, als wij een voortdurender omgang met God hadden. Wie zijn Schepper in de ogen durft te zien, zal niet beven voor mensenkinderen.
De naam waarmee de Heere hier wordt aangesproken, “God mijner gerechtigheid”, verdient bijzondere aandacht, want hij komt nergens anders in de Schrift voor. Deze naam betekent: U bent de Oorsprong, de Getuige, de Handhaver, de Rechter en de Beloner van mijn gerechtigheid. Tot U ga ik in beroep tegen de lasteringen en de harde oordelen van mensen. Hierin ligt grote wijsheid verborgen. Laten wij Davids voorbeeld navolgen en onze zaak nooit bepleiten voor de kleine rechtbankjes van de menselijke opinie, maar direct voor het hoogste gerechtshof: de Koningsbank van de hemel.
“In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt.” Dit is een beeld, ontleend aan een leger dat in een bergpas is ingesloten en door de omringende vijand zwaar onder vuur wordt genomen. God heeft de rotsen weggeslagen en mij de ruimte gegeven; Hij heeft de versperringen doorbroken en mij op een ruime plaats gezet. We kunnen het ook zó verstaan: “God heeft mijn hart verruimd met vreugde en troost, toen ik gevangenzat in verdriet en smart.” God is een Trooster Die nooit faalt.
“Wees mij genadig.” Al zou U volkomen terecht kunnen toelaten dat mijn vijanden mij vernietigen vanwege mijn vele en grote zonden, tóch vlucht ik naar Uw barmhartigheid. Ik smeek U: hoor mijn gebed en leid Uw knecht uit zijn benauwdheden. De allerbeste mensen hebben Gods barmhartigheid net zo hard nodig als de allerslechtste. Alle bevrijdingen van heiligen zijn, net als de vergeving van zondaren, vrije gaven van de hemelse genade.
Vers 2. In dit tweede deel van de psalm worden wij vanuit de binnenkamer van het gebed meegevoerd naar het strijdveld. Let op de onverschrokken moed van deze man Gods! Hij erkent volmondig dat zijn vijanden aanzienlijke mensen zijn (want dat is de betekenis van de Hebreeuwse woorden die met ‘mannen’ zijn vertaald). Toch beschouwt hij hen als dwaze mensen, en daarom berispt hij hen alsof het slechts kinderen zijn.
Hij vertelt hun dat zij de ijdelheid beminnen en de leugen zoeken: leugens, lege inbeeldingen, ijdele waanbeelden en goddeloze verzinsels. Hij vraagt hun hoe lang zij van plan zijn om zijn eer tot een bespotting en zijn naam tot een grap te maken. Een klein beetje van zulke spotternij is al te veel; waarom moeten zij er dan nog mee doorgaan? Hadden zij niet lang genoeg op de loer gelegen in de hoop hem te zien struikelen? Hadden herhaalde teleurstellingen hen er niet allang van moeten overtuigen dat de gezalfde des Heeren onoverwinnelijk was voor al hun lasterpraat? Wilden zij hun eigen zielen al schertsend de hel in helpen, om te blijven lachen totdat de snelle wraak van God hun vrolijkheid in gehuil zou veranderen?
Bij het overdenken van hun halsstarrige volharding in hun ijdele en leugenachtige streven, houdt de psalmist plechtig halt en voegt een Sela in. Ook wij doen er goed aan om hier even stil te staan. Laten we nadenken over de diepgewortelde dwaasheid van de goddelozen, hun volharding in het kwaad en hun zekere ondergang. Daaruit kunnen wij leren om de genade te bewonderen die ons anders heeft gemaakt: de genade die ons de waarheid heeft leren liefhebben en ons de gerechtigheid heeft leren zoeken.
Vers 3. “Weet toch.” Dwazen willen niet leren. Daarom moet hun telkens weer hetzelfde worden ingescherpt, vooral wanneer het om zo’n bittere waarheid gaat. Hen moet namelijk geleerd worden dat de godvrezenden de uitverkorenen van God zijn, door onderscheidende genade afgezonderd van de rest van de mensheid.
De verkiezing is een leer die onvernieuwde mensen niet kunnen verdragen. Toch is zij een heerlijke en diep gewortelde waarheid, en een rijke bron van troost voor de aangevochten gelovige. De verkiezing is de absolute waarborg voor onze volkomen zaligheid, én een krachtig argument voor succes bij de troon der genade. Immers: Hij Die ons voor Zichzelf heeft uitgekozen, zal ongetwijfeld ons gebed verhoren. Des Heeren uitverkorenen zullen niet veroordeeld worden en hun roepen zal niet ongehoord blijven.
David was koning door een goddelijk besluit, en op precies dezelfde wijze zijn wij het volk des Heeren. Laten wij onze vijanden recht in hun gezicht zeggen dat zij tegen God Zelf en tegen Zijn raadsbesluit strijden, wanneer zij proberen onze zielen ten val te brengen. O geliefden, wanneer u op uw knieën ligt, moet het feit dat u bent afgezonderd als Gods bijzondere schat u moed geven en u vervullen met ijver en geloof. “Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen?” Omdat Hij ervoor koos om ons lief te hebben, kan Hij niet anders dan ervoor kiezen om ons te horen.
Vers 4. “Zijt beroerd, en zondigt niet.” Hoevelen keren deze raad precies om! Zij zondigen wél, maar zijn niet beroerd. O, dat mensen de raad van dit vers ter harte zouden nemen en in stilte met hun eigen hart zouden spreken. Een gebrek aan nadenken is ongetwijfeld een van de hoofdredenen waarom mensen zo dwaas zijn om Christus te verachten en hun eigen eeuwige zegen te haten.
Konden hun hartstochten voor één keer maar tot bedaren komen en hen stil laten zijn! Dan konden zij in plechtige stilte het verleden overzien en nadenken over hun onvermijdelijke lot. Zeker zou een weldenkend mens dan verstand genoeg moeten hebben om de ijdelheid van de zonde en de waardeloosheid van deze wereld in te zien.
Blijf staan, onbezonnen zondaar! Blijf staan, voordat u de laatste, dodelijke sprong waagt. Ga naar uw bed en overdenk uw wegen. Vraag raad aan uw kussen en laat de stilte van de nacht u onderwijzen. Gooi uw onsterfelijke ziel toch niet weg voor een schijntje! Laat de rede spreken. Laat de luidruchtige wereld even zwijgen, opdat uw arme ziel u kan smeken om u te bedenken, voordat u haar lot voor eeuwig bezegelt en haar verwoest. Sela. O zondaar, sta even stil terwijl ik u onderzoek met de woorden van een heilige dichter:
Zondaar, is uw hart in rust? Is uw borst van vrees bevrijd? Drukt de schuld u niet terneer? Spreekt het geweten niet met spijt? Kan deze wereld zaligheid geven? Kan zij uw sombere nacht verdrijven? Vleiend, vals en ijdel is zij; Beef, als uw lot hierbij zou blijven! Denk, o zondaar, aan uw einde, Zie de dag des oordeels naakt, Waarheen uw geest straks moet vertrekken, Waar Gods recht uw vonnis maakt. Ellendige, verwoeste, hulpeloze ziel, Ga naar het bloed van de Zaligmaker heen; Jezus, Hij alleen kan u genezen, Vlucht tot Hem, zondaar, vlucht meteen!
Vers 5. Als de opstandelingen de stem van het vorige vers gehoorzaam waren geweest, zouden zij nu uitschreeuwen: “Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?” In dit vers worden zij direct naar het offer gewezen en aangespoord om op de Heere te vertrouwen. Wanneer de Jood op de juiste, geestelijke wijze offerde, stelde hij daarmee de Verlosser voor ogen: het grote, de zonde verzoenende Lam. In deze aansporing van de psalmist ligt dus het volle Evangelie besloten. O zondaars, vlucht naar het offer van Golgotha. Stel daarop uw volledige vertrouwen en zekerheid, want Hij Die voor mensen stierf, is de HEERE JEHOVAH.
Vers 6. Wij zijn nu in het derde deel van de psalm aangekomen, waarin het geloof van de verdrukte zich uit in lieflijke woorden van tevredenheid en vrede.
Er waren er velen, zelfs onder Davids eigen volgelingen, die liever wilden zien dan geloven. Helaas, dit is een neiging die in ons allemaal zit. Zelfs de wedergeborenen zuchten soms naar het zichtbare gevoel van voorspoed, en raken bedroefd wanneer de duisternis al het goede aan het oog onttrekt.
Wat de wereldlingen betreft, hún onophoudelijke kreet is: “Wie zal ons het goede doen zien?” Zij zijn nooit tevreden. Hun hongerige monden keren zich naar alle kanten. Hun lege harten zijn altijd bereid om elke mooie waan in te drinken die bedriegers maar kunnen verzinnen. En wanneer die bedrieglijke beloften falen, geven zij zich al snel over aan wanhoop en roepen ze dat er helemaal niets goeds is, niet in de hemel en niet op aarde.
De ware gelovige is een man van een heel ander maaksel. Zijn gezicht is niet naar beneden gericht, zoals dat van de dieren, maar naar boven, zoals dat van de engelen. Hij drinkt niet uit de modderpoelen van de mammon, maar uit de Levensfontein daarboven. Het licht van Gods aangezicht is voor hem ruimschoots genoeg. Dát is zijn rijkdom, zijn eer, zijn gezondheid, zijn ambitie en zijn rust. Geef hem dit, en hij zal niets meer vragen. Dit is een onuitsprekelijke en heerlijke blijdschap! O, dat wij de inwoning van de Heilige Geest in rijkere mate mochten ervaren, opdat onze gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus voortdurend en onwankelbaar mag zijn!
Vers 7. “Het is beter”, zei iemand, “om één uur de gunst van God te voelen in onze berouwvolle zielen, dan eeuwenlang te zonnebaden in de warmste zonneschijn die deze wereld te bieden heeft.” Christus in het hart is oneindig veel beter dan koren in de schuur of wijn in de kuip. Koren en wijn zijn slechts vruchten van de wereld, maar het licht van Gods aangezicht is de rijpe vrucht van de hemel.
“U bent met mij” is een veel rijkere kreet dan “De oogst is binnen!” Laat mijn graanschuur maar leeg zijn, ik stroom toch over van zegen als Jezus Christus mij toelacht. Maar al zou ik de hele wereld bezitten, zonder Hem ben ik straatarm.
We moeten er goed op letten dat dit vers de vaste overtuiging van de rechtvaardige is, lijnrecht tegenover het klagen van de menigte. Hoe snel verraadt de tong het ware karakter! “Spreek, opdat ik u zie!” zei Socrates tegen een knappe jongeman. Het metaal van een klok herken je immers het best aan zijn klank. Vogels openbaren hun ware aard door hun zang. Uilen kunnen het lied van de leeuwerik niet zingen, en de nachtegaal kan niet krassen als een uil. Laten wij daarom onze woorden wegen en bewaken, opdat onze spraak ons niet ontmaskert als vreemdelingen, vervreemd van het burgerschap van Israël.
Vers 8. Een zoete avondhymne! Ik zal niet langer wakker blijven om uit vrees de wacht te houden. Nee, ik zal mij neerleggen. En ik zal niet wakker liggen om naar elk verdacht geritsel te luisteren, maar ik zal mij in vrede neerleggen en slapen, want ik heb niets te vrezen. Wie de vleugels van God als bedekking heeft, heeft geen ander gordijn nodig.
De bescherming van de Heere is beter dan zware grendels of tralies. Gewapende mannen bewaakten het bed van Salomo, maar wij geloven niet dat hij vaster sliep dan zijn vader David, wiens bed de harde grond was terwijl hij door bloeddorstige vijanden werd opgejaagd. Let op het woord “alleen”. Dat betekent dat God zélf zijn enige Bewaarder was. Hoewel hij er helemaal alleen voor stond, beroofd van elke menselijke hulp, was hij toch in veilige hoede, want hij was “alleen met God”.
Een rustig geweten is een uitstekende bedgenoot. Hoeveel van onze slapeloze uren zijn niet rechtstreeks terug te voeren op onze wantrouwende en verwarde geest? Zij slapen pas écht zoet, die door het geloof in slaap worden gewiegd. Er is geen kussen zo zacht als een goddelijke belofte; er is geen deken zo warm als de stellige zekerheid dat wij een deel hebben aan Christus.
O Heere, geef ons deze kalme rust in U, opdat wij, net als David, ons elke avond in vrede mogen neerleggen zolang wij leven. En mogen wij ons, wanneer de bestemde tijd daar is, met evenveel vreugde neerleggen om te ontslapen in de dood, en eeuwig te rusten in God!
De overdenking van dr. Hawker bij deze psalm is het waard om biddend te lezen en met heilig genoegen uit te leven. Wij kunnen het niet nalaten haar hier over te schrijven:
“Lezer! Laten wij de Heere Jezus nooit uit het oog verliezen bij het lezen van deze psalm. Hij is de Heere onze gerechtigheid. Laten wij daarom, bij al onze naderingen tot de genadetroon, daar komen in een taal die hiermee overeenstemt, en Jezus de Heere onze gerechtigheid noemen. Terwijl de mensen van deze wereld hun hoogste goed in de wereld zoeken, laten wij alleen Zijn gunst begeren. Die gunst overtreft koren en wijn en alle goede dingen die door het gebruik vergaan, in oneindige mate. Ja Heere, Uw gunst is beter dan het leven zelf. U doet degenen die U liefhebben het wezenlijke beërven, en U vervult hun schatkamers.
O, U genadige God en Vader, hebt U op zo’n wonderbaarlijke wijze Eén in onze natuur voor Uzelf afgezonderd? Hebt U inderdaad Eén uit het volk uitgekozen? Hebt U Hem aanschouwd in de volmaakte reinheid van Zijn natuur, als Degene Die in elk opzicht godvrezend is? Hebt U Hem gegeven tot een verbond voor het volk? En hebt U verklaard dat U Uw grote welbehagen in Hem hebt? O, dan mag ook mijn ziel haar diepste welbehagen in Hem vinden! Nu weet ik dat mijn God en Vader mij zal horen, wanneer ik Hem aanroep in de Naam van Jezus, en wanneer ik omwille van Jezus tot Hem opzie om aangenomen te worden. Ja, mijn hart is bevestigd, o Heere, mijn hart is bevestigd; Jezus is mijn hoop en mijn gerechtigheid. De Heere zal mij horen wanneer ik roep. En voortaan zal ik mij in vrede neerleggen en veilig slapen in Jezus, volkomen aangenomen in de Geliefde. Want dít is de rust waarmee de Heere de vermoeiden rust geeft, en dít is de verkwikking.”
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Vers 1. “Verhoor mij, als ik roep”, enzovoort. Het geloof is een welsprekend redenaar en een edel pleiter in tijden van nood. Het kan pleiten op grond van Gods bereidwilligheid om te horen: “Als ik roep, verhoor mij, o God.” Het pleit op grond van de eeuwige gerechtigheid die de mens is geschonken in de rechtvaardiging van zijn persoon: “O God mijner gerechtigheid.” Het pleit op grond van Gods voortdurende rechtvaardigheid in het verdedigen van de zaak van Zijn knecht: “O God mijner gerechtigheid.” Het pleit op de bevrijdingen uit tegenwoordige en voorbije benauwdheden, en op de ontvangen genade uit het verleden: “In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt.” En ten slotte pleit het op Gods onbegrijpelijke genade, die het antwoord is op elk bezwaar dat voortkomt uit onze eigen onwaardigheid of schuld: “Wees mij genadig, en hoor mijn gebed.” — David Dickson, 1653.
Vers 1. “Hoor mij.” De grote Schepper van de natuur en van alle dingen doet niets tevergeefs. Hij heeft deze wet – en als ik het zo mag uitdrukken: deze kunst van het bidden – niet ingesteld als een ijdele en betekenisloze zaak. Integendeel, Hij heeft het gebed begiftigd met een wonderbaarlijke kracht om de grootste en gelukkigste gevolgen voort te brengen. Hij heeft besloten dat het gebed de sleutel zou zijn, waarmee alle schatten van de hemel geopend worden. Hij heeft het ontworpen als een machtig instrument. Daarmee kunnen wij niet alleen de meest gevaarlijke listen van onze vijand afwenden, maar ook alles aantrekken wat ons het meest ten goede komt – en dat door een lichte en aangename arbeid. Hemel en aarde en alle elementen gehoorzamen en dienen de handen die in ernstig gebed naar de hemel worden opgeheven. Ja, alle werken, en wat nog veel groter is: alle wóórden van God buigen zich ernaar. Bekend zijn de voorbeelden van Mozes en Jozua in de Bijbel, en wat Jakobus (5:17) in het bijzonder vermeldt over Elia. Jakobus noemt hem uitdrukkelijk ‘een mens van gelijke bewegingen als wij’, om de bewonderenswaardige kracht van het gebed te illustreren door de menselijke zwakheid van degene die het opzond. Evenzeer bekend is dat christelijke legioen onder keizer Antonius, dat vanwege de vurige kracht van hun gebeden de naam Keraunobolos kreeg: het donderende legioen. — Robert Leighton, D.D., aartsbisschop van Glasgow, 1611-1684.
Vers 2. “Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.” Het gebed stijgt uit boven het geweld en de goddeloosheid van de mensen. Het draagt zich met snelle vleugels naar de hemel, onder een gelukkig voorteken. Vurige gebeden spreiden een sterke, wijd uitgestrekte vleugel uit. Terwijl de nachtvogels in de duisternis blijven rondzweven, stijgen zij omhoog en wijzen ons de hemelse gewesten aan waarnaar wij zouden moeten streven. Er is niets dat de lucht zó snel doorklieft, niets dat zo verheven en veelbelovend vliegt als het gebed. Het draagt de ziel op zijn vleugels en laat alle gevaren en wereldse genoegens ver achter zich. Zie deze heilige man! Kort hiervoor riep hij God nog aan te midden van de nood en smeekte hij dringend om verhoring. En nu, alsof hij alles al bezat wat hij had gevraagd, neemt hij vol overtuiging de vrijmoedigheid om zijn vijanden te berispen – hoe hoog en machtig zij ook in het koninklijk paleis verheven waren. — Robert Leighton, D.D.
Vers 2. “Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn?” enzovoort. Wij zouden ons levendig kunnen voorstellen dat onze Meester elke lettergreep van deze kostbare psalm op de lippen nam, op de avond dat Hij Zich terugtrok naar Zijn rustplaats in Bethanië, na wéér een vruchteloze vermaning aan de mannen van Israël in de tempel (vers 9). Wij kunnen deze psalm lezen als de eigenlijke uiting van Zijn hart, dat hevig naar de mens verlangde, maar Zich uitsluitend in God verlustigde. Toch is dit niet alleen de uiting van het Hoofd; het is óók de taal van al Zijn leden die in heilige verbondenheid met Hem meeleven. Met deze psalm mogen de rechtvaardigen hun woningen ’s morgens en ’s avonds laten weergalmen, terwijl zij met droefheid neerzien op een wereld die Gods genade verwerpt. Zij mogen haar zingen, terwijl zij zich elke dag steviger vastklemmen aan Jehova als hun allesgenoegzame Erfdeel, nu en in de eeuwigheid. Zij mogen haar zingen in het gelukkige vertrouwen van geloof en hoop, wanneer de avond van de wereldgeschiedenis nadert. En dan mogen zij inslapen in de vaste zekerheid van datgene wat hun ogen zal begroeten op de morgen van de opstanding:
“Ik rust in Zijn genade, trouw bewaakt,
Totdat de schaduw vliedt en ’t licht ontwaakt.”
— Andrew A. Bonar, 1859.
Vers 2. “Ijdelheid beminnen.” Wie de zonde liefheeft, bemint ijdelheid. Zij jagen een zeepbel na, zij leunen op een geknakt riet, en hun hoop is zo breekbaar als een spinnenweb. “Leugen.” Dit is een oud Saksisch woord dat simpelweg valsheid betekent.
Vers 2. “Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken?” “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Dit was de bittere les van onze eerste ouders, en daarom noemden zij hun tweede zoon Abel: ijdelheid. Salomo had alles geproefd en kon als geen ander vertellen hoe ijdel deze dingen waren. Hij preekte deze preek telkens weer: “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Het is dieptriest te bedenken hoeveel duizenden mensen de prediker hierin gelijk geven, en toch blijven jagen op deze dingen alsof er geen andere heerlijkheid of gelukzaligheid bestond. Zulke mensen verkopen Christus, de hemel en hun onsterfelijke zielen voor een kleinigheid. Ze nóémen deze dingen wel ijdelheid, maar ten diepste geloven ze het niet. Ze zetten hun hart erop, alsof het hun kroon is. O, laat uw ziel toch net zo lang stilstaan bij de ijdelheid van aardse dingen, totdat uw hart er zó grondig van overtuigd is, dat u ze vertrapt en tot een voetbank maakt. Zodat Christus erop kan stappen en in heilige zegetocht in uw hart kan rijden!
Gilimer, de koning van de Vandalen, die door Belisarius als gevangene in diens triomftocht werd meegevoerd, riep onophoudelijk uit: “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” De voorstelling van Lucianus is eveneens treffend: hij plaatst Charon op de top van een hoge berg, vanwaar hij alle zaken van levende mensen overziet en hun grootste steden beschouwt als nietige vogelnestjes. O, de onvolkomenheid, de ondankbaarheid, de lichtzinnigheid, de wispelturigheid en de trouweloosheid van al die schepselen die wij zo slaafs liefhebben! Ach, als we de pijn van de mens toch eens zouden afwegen tegen zijn loon; zijn kruisen tegen zijn zogenaamde zegeningen; zijn ellende tegen zijn genoegens. Dan zouden we zien dat er met de ruil absoluut niets gewonnen wordt, en zouden we uitroepen: “IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.” Chrysostomus zei eens: “Al was ik de meest geschikte prediker ter wereld, en al had ik de hele wereld verzameld in één immense gemeente, met een hoge berg als kansel en een stem zo luid als de bazuin van een aartsengel – dan nóg zou ik geen andere tekst kiezen dan deze: O sterfelijke mensen, ‘Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen en de leugen zoeken?’” — Thomas Brooks, 1608-1680.
Vers 2. “Ijdelheid beminnen.” De neigingen van mensen worden bepaald door hun innerlijke principes. Ieder mens heeft datgene het meest lief wat het best past bij wat in hem leeft. Liking (behagen) is gegrond op likeness (gelijkheid), en is daarvan afgeleid. Zo is het in alles, of het nu gaat om tijdelijke of om geestelijke zaken. De genegenheid van een mens volgt de indruk die op zijn eigen geest is achtergelaten. Zo werkt het hier ook met ijdelheid. Ijdele personen verlustigen zich in ijdele dingen; net zoals kinderen houden van dingen die bij hun kinderlijke aard passen. Uit het hart komt immers allerlei kwaad voort. — Thomas Horton, 1675.
Vers 3. “De HEERE heeft Zich een gunstgenoot afgezonderd.” Wanneer God een mens uitkiest, kiest Hij hem voor Zichzelf. Om met hem om te gaan, om Zichzelf aan hem mee te delen als een Vriend, een Metgezel en Zijn hoogste verlustiging. Het is de heiligheid die ons geschikt maakt om voor eeuwig met de heilige God te leven, aangezien wij Hem zonder heiligmaking niet kunnen zien (Hebreeën 12:14). Dát is Gods voornaamste doel, nog meer dan het feit dat wij Zijn kinderen zijn. Zoals men eerst moet vaststellen dat iemand een mens is – met een redelijke ziel – voordat hij in staat is om de erfgenaam van een ander te zijn. Laat heiligheid daarom ook óns voornaamste doel zijn, nog voordat we aan ons eigen geluk denken. — Thomas Goodwin, 1600-1679.
Vers 3. Wat zijn de godvrezenden toch unieke mensen! “De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste.” (Spreuken 12:26). De hemelse pracht van een mens die met godzaligheid is getooid, kan met vele dingen vergeleken worden. Hij is:
-
Als de bloeiende zonnebloem;
-
Als de geurige wijn van de Libanon;
-
Als het schitterende fonkelen van de edelstenen op Aärons borstlap.
De godvrezenden zijn buitengewoon kostbaar, en daarom zijn zij voor God afgezonderd: “Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd.” Wat kostbaar is, dat zonderen wij af en bewaren wij veilig. Zo zijn de godvrezenden afgezonderd als:
-
Gods eigen schat (Psalm 135:4)
-
Zijn lusthof (Hooglied 4:12)
-
Zijn koninklijke diadeem (Jesaja 43:3)
-
De voortreffelijken van de aarde (Psalm 16:3)
-
Vergelijkbaar met het fijnste goud (Klaagliederen 4:2)
-
Dubbel gelouterd in het vuur (Zacharia 13:9)
Zij zijn de absolute kroon op de schepping (Jesaja 46:13). Origenes vergelijkt de heiligen met saffieren en fonkelende kristallen. God Zelf noemt hen Zijn juwelen (Maleachi 3:17). — Thomas Watson.
Vers 3. “De HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.” Laten wij goed onthouden dat de geestelijke ervaring van één enkele heilige – met betrekking tot Gods beloften en voorrechten – al een voldoende bewijs is. Het toont aan dat álle kinderen van God aanspraak mogen maken op exact dezelfde genadegaven, en vol hoop mogen zijn dat ook zij daarvan zullen delen in hun tijden van nood. — David Dickson, 1653.
Vers 4. “Zijt beroerd, en zondigt niet.” Jehova is een Naam van ongekende macht en kracht. Het is een naam met vijf klinkers, zonder welke geen enkele taal gesproken kan worden; en hij telt drie lettergrepen, om de Drie-eenheid van Personen aan te duiden. Eén in Drie en Drie in Eén. Deze Naam wekte bij de Joden zo’n diep ontzag, dat zij hem niet uit durfden te spreken. In al hun godsdienstoefeningen gebruikten zij daarom het woord Adonai (Heere). Zo behoort iedereen “beroerd te zijn en niet te zondigen” door de Naam van God op een ijdele manier te gebruiken. Integendeel, wij moeten Hem lof en eer toezingen, Zijn Naam gedenken, verkondigen, verheffen, prijzen en zegenen. Want Zijn Naam alleen is heilig, eerwaardig en vol uitnemendheid. — Rayment, 1630.
Vers 4. “Spreekt in ulieder hart.” Dit is vergelijkbaar met wat wij in het dagelijks leven zeggen: “Raadpleeg je betere ik,” of: “Laat je gezonde verstand spreken.” — Albert Barnes.
Vers 4. Als u zich in eenzaamheid wilt oefenen in godzaligheid, gewen u dan aan de heilige alleenspraak; het innerlijke gesprek met uw eigen ziel. Wie zoveel geestelijke zaken te bespreken heeft met zijn eigen hart, hoeft nooit ledig te zijn. Antisthenes werd eens gevraagd welke vrucht hij van al zijn studies had geplukt. Zijn beroemde antwoord luidde: “Daardoor heb ik geleerd om te leven én om met mijzelf te spreken.” Alleenspraken zijn de beste twistgesprekken. Een goed mens is voor zichzelf het allerbeste gezelschap van alle schepselen. De heilige David draagt dit anderen op: “Spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil.”
“Spreekt in ulieder hart.” Wanneer u niemand hebt om mee te spreken, praat dan met uzelf. Vraag uzelf af: Waartoe ben ik gemaakt? Wat voor leven heb ik geleid? Welke kostbare tijd heb ik verspild? Welke liefde heb ik misbruikt? Welke toorn heb ik verdiend? Roep uzelf ter verantwoording: Hoe heb ik mijn talenten besteed? Hoe trouw ben ik geweest? Welke voorbereidingen heb ik getroffen voor het uur van de dood en de grote dag van de afrekening?
“Op uw leger.” De stilte en verborgenheid van de nacht vormen de beste gelegenheid voor deze plicht. We hebben dan geen uiterlijke afleidingen. Onze ogen worden niet – zoals de ogen van dwazen – naar de einden der aarde getrokken. Op dat moment kunnen onze gedachten, net als de vensters in Salomo’s tempel, wijd naar binnen openstaan. De meest succesvolle zelfonderzoeken hebben in het nachtelijk uur plaatsgevonden. “En zijt stil.” Deze gemeenschap met uw eigen ziel is een geweldig medicijn om koppige, goddeloze hartstochten te beteugelen. Ernstige overweging zal wilde neigingen bedaren, net zoals het opwerpen van aarde een woedende zwerm bijen kalmeert. Het geweten moet zijn gezag gebruiken. Het moet de opstandige verlangens toespreken namens God Zelf, zoals de stadsklerk van Efeze de volksmenigte kalmeerde. Dan wordt de opschudding gesust, zonder verder onheil. — George Swinnock, 1627-1673.
Vers 4. “Zijt beroerd.”
“Spreek met ontzag Zijn grootse Naam steeds uit,
Die ieders daad en elk geheim besluit.”
— John Needham, 1768.
Vers 6. Waar Christus Zichzelf openbaart, is er volkomen voldoening, zelfs in het allerkleinste deel. Maar zonder Christus blijft er in de grootste overvloed niets over dan leegte. — Alexander Grosse, 1632.
Vers 6. “Velen”, zei David, “zeggen: Wie zal ons het goede doen zien?” Hiermee bedoelde hij aardse rijkdom, eer en genot; dingen die niet écht goed zijn. Maar toen David bij de ware godzaligheid kwam, liet hij dat woord “velen” weg. Hij bidt slechts in de eerste persoon enkelvoud: “Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!” alsof er niemand was die met hem wilde meedoen. — Henry Smith.
Vers 6. “Wie zal ons het goede doen zien?” Dit is in het Engels geen goede vertaling (Who will show us any good?). Het woord “enig” (any) staat niet in de grondtekst. Velen hebben op dat onwettige woord de nadruk gelegd in preken. De tekst is van zichzelf al nadrukkelijk genoeg: de menigten roepen onophoudelijk om hún soort ‘goed’. De mens heeft goed nodig; hij haat de pijn en de dood die voortkomen uit het kwaad. Hij zoekt wanhopig naar het hoogste goed om zijn hart tevreden te stellen. Maar de mensen vergissen zich fatáál in de aard van dat goed! Zij zoeken iets dat enkel hun hartstochten bevredigt, en verwerpen het geestelijke goed. Zo verwerpen zij de Allerhoogste God, de Enige Die in staat is om de ziel van de mens écht te verzadigen. — Adam Clarke.
Vers 6. “Verhef Gij”, enzovoort. Dit was de zegen van de hogepriester en is het onvervreemdbare erfdeel van alle heiligen. Het omvat verzoening, zekerheid, gemeenschap en zegening. In één woord: de volheid van God. O, dat wij dáármee vervuld mochten worden! — C.H.S.
Vers 6, 7. Om te voorkomen dat rijkdom op zichzelf als een kwaad zou worden beschouwd, geeft God hem soms aan de rechtvaardigen. Maar om te voorkomen dat rijkdom als het hóógste goed wordt aangemerkt, werpt Hij hem vaak toe aan de goddelozen. Het is meestal het deel van Zijn vijanden. Ach, wat is het toch verschrikkelijk om alles te ontvangen, maar door Gód niet aangenomen te worden! Om te vertrouwen op zegeningen die straks gevolgd worden door regens van zwavel. Deze wereld is als een drijvend eiland: zodra we er ons anker op uitwerpen, worden we onherroepelijk meegesleurd. God – plus de hele schepping – is niets méér dan God Zelf. Wie zó’n hemelse goudmijn bezit, zal nooit gebrek aan schatten hebben. Hij is genoeg zonder het schepsel, maar het schepsel is helemaal niets zonder Hem. Daarom is het oneindig veel beter om Hém te bezitten zonder iets anders, dan al het andere te bezitten zonder Hem. We kunnen beter een houten vat zijn, gevuld met wijn, dan een gouden vat, gevuld met water. — William Secker, 1660.
Vers 7. Wat is het toch een waanzin dat de ware gunstelingen van de hemel jaloers zijn op de mensen van deze wereld. Die wereldlingen eten op hun allerbest slechts de kruimels die van Gods tafel vallen! Het tijdelijke zijn slechts de kluiven en de botten; het geestelijke is het voedzame merg. Een mens voelt zich toch te goed om honden hun botten te benijden? Hoeveel te meer moet het dan beneden de waardigheid van een christen zijn om jaloers te zijn op de tijdelijke bezittingen van anderen, terwijl hij zélf de eeuwige, geestelijke erfenis geniet! — Thomas Brooks.
Vers 7. “Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven.” De vertroostingen die God voor Zijn treurenden bewaart, zijn vervullende vertroostingen (Romeinen 15:13): “De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap.” God giet de vreugden van de hemel uit totdat het hart overstroomt, als een beker met wijn (2 Korinthe 7:4). Uiterlijke, wereldse vertroostingen kunnen het hart net zomin vullen als een driehoek een cirkel kan vullen. Geestelijke vreugden verzadigen wél, tot in het diepst van de ziel (Psalm 63:6). Wereldse vreugden toveren een lach op het gezicht, maar de Geest van God brengt blijdschap in het hart!
Om te tonen hoé vervullend deze hemelse vertroostingen zijn, zegt de psalmist dat zij grotere blijdschap teweegbrengen dan “ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.” Aardse wijn en olie kunnen de mens even opvrolijken, maar ze bevredigen nooit. Ze verbergen een diepe leegte. Wereldse vertroostingen doen eerder walgen dan opmonteren, en ze vermoeien de mens. Xerxes loofde grote beloningen uit voor degene die een nieuw genot kon uitvinden. Maar de vertroostingen van de Geest zijn bevredigend en ze versterken het hart (Psalm 94:19). Er is evenveel verschil tussen hemelse en aardse vertroostingen, als tussen een maaltijd die je daadwerkelijk opeet, en een maaltijd die slechts op de muur geschilderd is. — Thomas Watson.
Vers 8. Van de zaaier wordt gezegd dat hij, nadat hij het zaad in de grond heeft geworpen, slaapt en weer opstaat. Dag en nacht gaat voorbij, en het zaad ontkiemt en groeit zonder dat hij weet hoe (Markus 4:26-27). Precies zo gaat de gelovige rustig slapen, nadat hij zijn zorgen door geloof en gebed op God heeft geworpen. Hij laat het vol vertrouwen aan zijn God over om alle dingen voor hem uit te voeren naar Zijn heilige wil. — Matthew Henry.
Vers 8. Wanneer u van de morgen tot de avond met God hebt gewandeld, rest u de taak om de dag goed af te sluiten. Overzie in de avond uw hele wandel van die dag. Herstel wat u verkeerd hebt gedaan; en wees blij of bedroefd, naargelang u in genade bent gegroeid of juist bent teruggevallen. Omdat u niet veilig kunt slapen als God de wacht niet houdt (Psalm 121:4), is het zeer gepast om uw vrede met God te vernieuwen en uzelf door gebed aan Gods hoede toe te vertrouwen. Dan zult u veilig neerliggen (Psalm 4:9). Als u in slaap valt met een hemelse overdenking, dan zal uw slaap zoeter en veiliger zijn, uw dromen aangenamer, en zal uw hart in een betere gesteldheid verkeren wanneer u ontwaakt. — Henry Scudder, 1633.
Vers 8. “Ik zal in vrede te zamen nederliggen…” Wij trekken ons nu terug uit het openlijke strijdgewoel, naar de afzondering van de slaapkamer. Ook hier klinkt het triomfantelijke woord van het geloof: “Ik zal…” God wordt ons hier geopenbaard als Iemand Die Zijn persoonlijke zorg uitoefent in de stille kamer. God bewijst Zijn trouw niet alleen op het grote wereldtoneel, maar Hij buigt Zich liefdevol neer om het leven van een zwak schepsel te bewaken in zijn uren van slaap. Wat zou het gezegend zijn als wij God méér erkenden in de stille kamer. Als wij geloofden dat Hij net zo aanwezig is bij het ziekbed als op het slagveld! Er spreekt onuitsprekelijk veel vertrouwen uit dit ‘neerliggen’ van de psalmist. Hij gaf de bewaking van zichzelf volkomen uit handen.
Menig gelovige legt zich wel neer, maar níét om te slapen. Zorgen en angsten dringen ongevraagd de slaapkamer binnen en blijken te sterk voor zijn geloof. De schrijver sprak ooit een predikant in een diepe crisis, die zuchtte: “De dokter wil dat ik slaap, maar hoe kan ik slapen met zoveel zorgen op mijn kussen?” Er schuilt een enorme beproeving in de stilte, en de stille slaapkamer doet vaak een nóg groter beroep op ons geloofsvertrouwen dan het publieke slagveld. O, dat wij God de kleine details van het leven leerden toevertrouwen! De broer van de Engelse martelaar Ridley bood aan om de nacht vóór de brandstapel bij hem te blijven waken. De bisschop sloeg dat echter vriendelijk af en zei: “Ik ben van plan naar bed te gaan en zo rustig te slapen als ik ooit in mijn leven heb gedaan.” — Philip Bennett Power.
Vers 8. Een helder inzicht in Gods voorzienigheid zal uw innerlijke rust bewaren temidden van de wisselvalligheden van deze onstandvastige wereld. “Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen.” De psalmist laat zijn gedachten niet martelen door angstige voorgevoelens. Hij is niet van plan het genot van één nachtrust te verliezen door het kwaad van morgen naar voren te halen. Hij wéét in Wiens hand hij is, en proeft de zoete gelukzaligheid van een volkomen overgegeven wil. — John Flavel, 1627-1691.
Vers 8. Gelukkig is de christen die elke avond op deze wijze zijn bed instapt alsof hij in het graf daalt; en die zich ten slotte met exact dezelfde woorden aan zijn graf overgeeft als aan zijn bed. Dan verwacht hij op Gods tijd op te staan om de morgenhymne te zingen met de kinderen van de opstanding. — George Horne, D.D., 1776.
Vers 8. “Slaap.”
Hoe gezegend was de slaap, volkomen zacht, Die de zondeloze Heiland kende in de nacht! Tevergeefs blies de storm zijn gure wind, Tot Hij ontwaakte voor ’t verdriet van mensenkind. Hoe beeldschoon is de slaap, diepe rust, Waarvan de ware christen zich weet bewust! Treurenden, staak uw bittere tranenstroom, Zacht aan de borst van hun Heiland, als in een droom, Gaan rechtvaardigen eeuwig rusten in de dood, Geborgen en gedragen in Zijn schoot.
— Mevrouw M’Cartree.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
Vers 1. Biedt rijke stof voor een preek over: Vroegere genade als pleitgrond voor huidige hulp.
-
De eerste zin toont dat gelovigen een God begeren en verwachten Die gebeden hoort.
-
De titel, “God van mijn gerechtigheid”, kan een prachtig tekstwoord leveren (zie uitleg).
-
De laatste zin pleit voor de stelling: “Zelfs de beste heiligen moeten nog steeds een beroep doen op Gods soevereine genade.”
Vers 2. De verdorvenheid van de mens, zoals die duidelijk blijkt uit:
-
Het voortdurend verachten van Christus.
-
Het liefhebben van ijdelheid in het hart.
-
Het actief zoeken naar leugens in het dagelijks leven.
Vers 2. De fatale lengte van de zonde van de zondaar. “Hoe lang?”
-
Deze grens kán bepaald worden door ware bekering.
-
Zal in elk geval begrensd worden door de lichamelijke dood.
-
En toch in zijn gevolgen onbeperkt voortduren in de eeuwigheid.
Vers 3. De genadige uitverkiezing. Haar betekenis ten opzichte van: God, onze vijanden, en onszelf.
Vers 3. “De HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.” Gebedsverhoringen die onwrikbaar zeker zijn voor specifieke personen. Wijs in de preek duidelijk aan wie werkelijk aanspraak kunnen maken op deze gunst.
Vers 3. De genadige Afgezonderde.
-
Wie is hij?
-
Wie heeft hem afgezonderd?
-
Met welk goddelijk doel?
-
Hoe kunnen we dit aan anderen bekendmaken?
Vers 4. De zondaar aangespoord om de wegen van zijn eigen hart te onderzoeken, opdat hij van zonde overtuigd mag worden. (Andrew Fuller)
Vers 4. “Zijt stil.” Raad die goed en praktisch is, maar uiterst moeilijk op te volgen.
-
Tijden waarin deze raad gepast is.
-
De genadegaven die nodig zijn om überhaupt stil te kunnen zijn.
-
De geestelijke gevolgen van deze rust.
-
Personen die deze raad het allerhardst nodig hebben.
Vers 5. De theologische aard van de “offeranden der gerechtigheid” die van het volk des Heeren worden verwacht. (William Ford Vance)
Vers 6. De kreet van de wereld en de kreet van de Kerk scherp tegenover elkaar gezet. Vox populi (de stem van het volk) is beslist niet altijd Vox Dei (de stem van God).
Vers 6, 7. Een verzekering van de allesovertreffende liefde van de Zaligmaker; de Bron van ongeëvenaarde vreugde. De vreugden van de ware gelovige:
-
Hun bron: “Gij”
-
Hun tijd: Nu al; “Gij hebt”
-
Hun plaats: “In mijn hart”
-
Hun voortreffelijkheid: Meer dan de rijke opbrengst van aards koren en wijn.
Extra preekthema: “De onpeilbare uitnemendheid van de vreugden der genade, ver boven de schamele vreugden der aarde.” Of: “Twee soorten van voorspoed; welke is méér te begeren?”
Vers 8. De onverstoorbare vrede en veiligheid van de rechtvaardige mens. (Joseph Lathrop, D.D.)
Vers 8. De slaapkamer voor gelovigen, een avondlied om erin te zingen, en de Engelenwacht om de deur te bewaken. De hemelse goede-nachtgroet van de christen.
Vers 2-8. De middelen die een gelovige met grote ijver moet inzetten om goddelozen voor Christus te winnen:
-
Vermaning: (vers 2)
-
Onderricht: (vers 3)
-
Aansporing: (vers 4 en 5)
-
Getuigenis: van de zaligheid van de ware godsdienst (vers 6 en 7)
-
Voorbeeld: van dat getuigenis, door de zichtbare vrede van het geloof (vers 8)
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

