
INDELING — Deze psalm kan worden verdeeld in vier delen van elk twee verzen. Veel psalmen kunnen we pas echt goed begrijpen als we aandachtig letten op de delen waarin zij uiteenvallen. Het zijn immers geen ononderbroken beschrijvingen van één enkel tafereel, maar eerder een reeks beelden van verwante onderwerpen. Zoals wij in onze hedendaagse preken een verdeling in verschillende hoofdpunten maken, zo is het ook in deze psalmen. Er is altijd eenheid, maar het is de eenheid van een koker vol pijlen, en niet van één enkele losse schacht. Laten wij nu naar de psalm voor ons kijken. In de eerste twee verzen hoort u David die tot God klaagt over zijn vijanden. Vervolgens verklaart hij zijn vertrouwen op de Heere (vers 3 en 4), bezingt hij zijn veiligheid tijdens de slaap (vers 5 en 6) en sterkt hij zichzelf voor de toekomstige strijd (vers 7 en 8).
UITLEG — Vers 1. De arme, gebroken vader klaagt over de menigte van zijn vijanden. Als u 2 Samuël 15:12 opslaat, zult u daar geschreven vinden: “en de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom”, terwijl de troepen van David gestaag afnamen! “O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd.” Hier klinkt een uitroep die de overweldigende ellende uitdrukt; een ellende die de vluchtende vader verbijsterde en in verwarring bracht.
Helaas! Ik zie geen grens aan mijn ellende, want mijn moeiten worden alleen maar groter. In het begin was er al genoeg om mij zeer diep te doen zinken, maar zie, mijn vijanden vermenigvuldigen zich. Dat Absalom, mijn lieveling, tegen mij in opstand is gekomen, is al genoeg om mijn hart te breken. Maar zie, ook Achitofel heeft mij verlaten en mijn getrouwe raadslieden hebben mij de rug toegekeerd. Zie, mijn bevelhebbers en soldaten hebben mijn banier in de steek gelaten. “Hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd!” Moeiten komen altijd in kudden; het verdriet heeft een talrijk gezin.
“Velen staan tegen mij op.” Hun legers zijn de mijne verre de baas! Hun aantal is te groot om te tellen!
Laten wij ons hier de ontelbare schare voor de geest halen die onze goddelijke Verlosser omringde. De legioenen van onze zonden, de legers van duivelen, de menigte van lichamelijke pijnen, de schare van geestelijke smarten en alle bondgenoten van dood en hel schaarden zich ten strijde tegen de Zoon des mensen. O, hoe kostbaar is het te weten en te geloven dat Hij hun legers op de vlucht heeft gedreven en hen in Zijn toorn heeft vertreden! Zij die ons zouden hebben verontrust, heeft Hij als gevangenen weggevoerd. Zij die tegen ons zouden zijn opgestaan, heeft Hij neergeworpen. De draak verloor zijn angel toen hij die in de ziel van Jezus stootte.
Vers 2. David klaagt voor zijn liefdevolle God over het ergste wapen in de aanvallen van zijn vijanden, de bitterste druppel in zijn nood. “O!” zegt David, “velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God.” Enkele van zijn wantrouwende vrienden zeiden dit ongetwijfeld met droefheid, maar zijn vijanden roemden er juichend in. Zij verlangden ernaar hun woorden bewaarheid te zien door zijn volledige vernietiging. Dit was de meest liefdeloze steek van allemaal: dat zij verklaarden dat zijn God hem verlaten had.
Toch wist David in zijn eigen geweten dat hij hun de enige grond voor deze uitroep had gegeven. Hij had immers op klaarlichte dag zonde tegen God bedreven. Toen wierpen zij hem zijn misdaad met Bathséba in het gezicht en zeiden: “Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds; God heeft u verlaten en achtergelaten.” Simeï vloekte hem en spuwde hem in het gezicht. Hij was zo stoutmoedig omdat hij zich gesterkt wist door de menigten van de mannen van Belial, die er precies zo over dachten.
Ongetwijfeld voelde David dat deze helse influistering zijn geloof deed wankelen. Als alle beproevingen die uit de hemel komen, alle verzoekingen die uit de hel opstijgen en alle kruisen die uit de aarde opkomen, gemengd en samengeperst konden worden, zouden zij nog geen beproeving vormen die zo vreselijk is als degene die in dit vers besloten ligt. Het is de bitterste van alle verdrukkingen om te vrezen dat er voor ons geen heil is bij God.
En toch, bedenk dat onze allerzaligste Zaligmaker dit in de allerdiepste mate moest verduren toen Hij uitriep: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!” Hij wist maar al te goed wat het was in duisternis te wandelen en geen licht te zien. Dit was de vloek van de vloek; dit was de alsem vermengd met de gal. Door Zijn Vader verlaten te zijn, was erger dan door de mensen veracht te worden. Voorzeker moeten wij Hem liefhebben, Die deze bitterste van alle verzoekingen en beproevingen om onzentwil heeft geleden. Het zal een verrukkelijke en leerzame oefening zijn voor het liefhebbende hart om de Heere in Zijn doodsstrijd te bezien zoals Die hier wordt afgebeeld. Er is hier, evenals in zeer veel andere psalmen, namelijk veel meer van Davids Heere te vinden dan van David zelf.
“Sela.” Dit is een muzikale pauze; de precieze betekenis ervan is onbekend. Sommigen menen dat het eenvoudig een rust is, een pauze in de muziek. Anderen zeggen dat het betekent: “Verhef de toon — zing luider — zet de melodie in een hogere toonaard. Er komt nobeler stof aan, stem daarom uw harpen opnieuw.” Harpsnaren raken spoedig ontstemd en moeten weer worden aangedraaid tot hun juiste spanning; en zeker raken onze hartsnaren voortdurend ontstemd. Laat “Sela” ons leren te bidden:
“O, moge mijn hart de zuivere toon bewaren,
Als d’ plechtige klank van Davids harpesnaren.”
In elk geval kunnen wij hiervan leren dat wij overal waar wij “Sela” zien, dit moeten beschouwen als een roep om opmerkzaamheid. Laten wij de passage die eraan voorafgaat en erop volgt met grotere ernst lezen. Er volgt immers altijd iets voortreffelijks wanneer van ons gevraagd wordt te rusten, te pauzeren en te overdenken, of wanneer van ons gevraagd wordt ons hart op te heffen in een dankbaar gezang. “SELA.”
Vers 3. Hier betuigt David zijn vertrouwen op God. “Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij.” Het woord in de grondtekst betekent meer dan een gewoon schild; het duidt op een rondom sluitend schild. Het is een bescherming die een mens geheel omringt: een schild boven, beneden, rondom, buiten en binnen. O, wat een Schild is God voor Zijn volk! Hij weert de vurige pijlen van Satan van beneden af en de stormen van beproevingen van boven, terwijl Hij op precies hetzelfde ogenblik vrede spreekt tot de storm in de boezem.
“Mijn eer.” David wist dat hij, hoewel hij in verachting en hoon uit zijn hoofdstad was verdreven, toch in triomf zou terugkeren. Door het geloof ziet hij God aan als Degene Die hem eert en verheerlijkt. O, dat wij genade hadden om onze toekomstige heerlijkheid te zien te midden van de tegenwoordige schande! Er is inderdaad een tegenwoordige heerlijkheid in onze verdrukkingen, als wij die maar konden onderscheiden. Het is namelijk geen gering ding om gemeenschap te hebben met Christus in Zijn lijden. David werd geëerd toen hij al wenend, met bedekt hoofd, de Olijfberg opging, want hij werd hierin aan zijn Heere gelijk gemaakt. Mogen wij leren om in dit opzicht ook in verdrukkingen te roemen!
“En Die mijn hoofd opheft.” — Gij zult mij nog verhogen. Al hang ik mijn hoofd in droefheid, ik zal het spoedig opheffen in blijdschap en dankzegging. Wat een goddelijk drietal van barmhartigheden ligt in dit vers besloten! Bescherming voor de onbeschermden, eer voor de verachten, en blijdschap voor de onvertroosten. Voorwaar, wij mogen wel zeggen: “Niemand is er gelijk God, o Jeschurun!”
Vers 4. “Ik riep met mijn stem tot den HEERE.” Waarom zegt hij: “met mijn stem”? Stille gebeden worden toch stellig verhoord? Ja, maar goede mensen ondervinden vaak dat zij, zelfs in het verborgen, beter hardop kunnen bidden dan wanneer zij geen stem laten horen. Misschien dacht David bovendien zo: “Mijn wrede vijanden schreeuwen tegen mij; zij verheffen hun stemmen. Welnu, zie, ik verhef de mijne, en mijn roep stijgt hoger dan die van hen allemaal. Zij schreeuwen, maar de roep van mijn stem in grote nood doorboort de hemelen zelf. Mijn stem is luider en sterker dan al hun rumoer, want er is Eén in het heiligdom Die mij hoort vanuit de zevende hemel, en Hij heeft mij verhoord van den berg Zijner heiligheid.”
Antwoorden op gebeden zijn zoete hartsterkingen voor de ziel. Wij hoeven een fronsende wereld niet te vrezen, zolang wij ons verblijden in een gebedsverhorende God. Hier staat weer een Sela. Rust een poos, o beproefde gelovige, en wijzig de toon in een zachtere melodie.
Vers 5. Davids geloof stelde hem in staat om te gaan liggen; bezorgdheid zou hem stellig op de tenen hebben gehouden, angstig uitkijkend naar een vijand. Maar nee, hij kon slapen; slapen te midden van de moeite, omringd door vijanden. “Het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.” Er bestaat een slaap van aanmatiging; God verlosse ons daarvan! Maar er is ook een slaap van heilig vertrouwen; God helpe ons om zó onze ogen te sluiten!
David zegt echter dat hij ook weer ontwaakte. Sommigen slapen de slaap des doods, maar hij legde — hoewel blootgesteld aan vele vijanden — zijn hoofd neer aan de boezem van zijn God. Hij sliep gelukzalig onder de vleugel van de Voorzienigheid in zoete veiligheid, en ontwaakte vervolgens behouden en wel. “Want de HEERE ondersteunde mij.”De zoete invloed van het Zevengesternte van Gods belofte scheen op de slaper, en hij ontwaakte in het besef dat de Heere hem bewaard had.
Een uitstekend godgeleerde heeft terecht opgemerkt: “Deze rust van het hart, die een mens door het geloof in God ontvangt, is een hoger soort werk dan de natuurlijke vastberadenheid van mannelijke moed. Het is namelijk de genadige werking van Gods Heilige Geest, Die een mens boven de natuur uittilt en ondersteunt. Daarom moet de Heere er alle heerlijkheid voor ontvangen.”
Vers 6. Terwijl onze held zijn harnas aangespt voor de strijd van de dag, zingt hij: “Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.” Let erop dat hij niet probeert het aantal of de wijsheid van zijn vijanden te onderschatten. Hij schat ze op tienduizenden, en hij ziet ze als sluwe jagers die hem met wrede vaardigheid achtervolgen. Toch beeft hij niet. Terwijl hij zijn vijand recht in het gezicht ziet, is hij gereed voor de strijd. Er is misschien geen weg om te ontkomen; zij kunnen mij insluiten zoals herten worden omsingeld door een kring van jagers. Zij kunnen mij aan alle kanten omringen, maar in de Naam van God zal ik er dwars doorheen breken! Of, als ik te midden van hen blijf, zullen zij mij toch geen kwaad doen; ik zal vrij zijn, zelfs in mijn gevangenis. Maar David is te wijs om zonder gebed ten strijde te trekken; daarom begeeft hij zich op zijn knieën en roept luid tot Jehovah.
Vers 7. Zijn enige hoop is in zijn God. En dat is zo’n sterk vertrouwen dat hij voelt dat de Heere slechts hoeft op te staan, en hij is gered. Het is genoeg dat de Heere opstaat; dan is alles goed. Hij vergelijkt zijn vijanden met wilde dieren en verklaart dat God hun kaken heeft gebroken, zodat zij hem geen kwaad meer konden doen; “de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.”
Of anders zinspeelt hij op de bijzondere verzoekingen waaraan hij op dat moment was blootgesteld. Zij hadden tegen hem gesproken; God heeft hen daarom op het kinnebak geslagen. Het leek alsof zij hem met hun monden wilden verslinden, maar God heeft hun tanden gebroken. Laat hen nu maar zeggen wat zij willen, met hun tandeloze kaken zullen zij hem niet kunnen verslinden. Verblijd u, o gelovige! U hebt te doen met een draak wiens kop verbrijzeld is, en met vijanden wier tanden uit hun kaken zijn geslagen!
Vers 8. Dit vers bevat de kern en de hoofdzaak van de calvinistische leer. Doorzoek de Schrift, en u moet — als u haar met een onbevangen gemoed leest — ervan overtuigd raken dat de leer van de zaligheid door genade alléén de grote leer van het Woord van God is: “Het heil is des HEEREN.” Dit is een punt waarover wij dagelijks strijden. Onze tegenstanders zeggen: “Het heil behoort aan de vrije wil van de mens; zo niet aan de verdienste van de mens, dan toch wel aan de wil van de mens.” Maar wij houden vast aan wat de Bijbel leert: dat de zaligheid van het begin tot het einde, in elk jota ervan, toebehoort aan God, de Allerhoogste. Het is God Die Zijn volk uitverkiest. Hij roept hen door Zijn genade; Hij maakt hen levend door Zijn Geest en bewaart hen door Zijn macht. Het is niet van de mens, noch door de mens; “het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.” Mogen wij allen deze waarheid uit ervaring leren, want ons hoogmoedige vlees en bloed zal ons nooit toestaan haar op een andere wijze te leren.
In de laatste zin worden de eigenheid en het bijzondere karakter van de zaligheid duidelijk uiteengezet: “Uw zegen is over Uw volk.” Niet over Egypte, niet over Tyrus, niet over Nineve; Uw zegen is over Uw uitverkorenen, Uw met bloed gekochten, Uw eeuwig beminde volk.
“Sela”: verhef uw harten, pauzeer en overdenk deze leer. “Uw zegen is over Uw volk.” Goddelijke, onderscheidende, uitzonderende, eeuwige, oneindige en onveranderlijke liefde is een onderwerp voor voortdurende aanbidding. Sta stil, mijn ziel, bij dit Sela, en overweeg uw eigen aandeel in de zaligheid van God. Als u door nederig geloof in staat wordt gesteld Jezus als de uwe te zien, geschonken door Zijn eigen vrije overgave van Zichzelf aan u; als deze grootste van alle zegeningen op u rust, sta dan op en zing:
“Rijs op, mijn ziel! aanbid en verwonder u! Vraag: ‘O waarom zulke liefde voor mij?’ Genade heeft mij in het getal geplaatst Van het gezin van de Zaligmaker: Halleluja! Dank, eeuwige dank, aan U!”
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Titel. Wat het gezag van de TITELS betreft, betaamt het ons met terughoudendheid te spreken, gezien de zeer tegenovergestelde meningen die over dit onderwerp door even voortreffelijke geleerden zijn geuit. In onze tijd is het te veel de gewoonte ze te verwaarlozen of helemaal weg te laten. Men doet alsof niemand weet wanneer of door wie zij zijn toegevoegd en alsof zij in veel gevallen onverenigbaar zijn met de inhoud van de psalm zelf. Daartegenover beschouwen Augustinus, Theodoretus en verscheidene andere vroege schrijvers van de christelijke kerk ze als een volwaardig deel van de ingegeven tekst. Ook de Joden blijven ze als deel van hun gezang beschouwen en hun rabbijnen geven er commentaar op.
Het is zeker onbekend wie ze heeft bedacht of geplaatst waar zij nu staan. Maar het is onbetwistbaar dat zij sinds onheuglijke tijden zo geplaatst zijn. Zij komen voor in de Septuaginta (die overigens in enkele gevallen titels bevat bij psalmen die er in het Hebreeuws geen hebben) en zij zijn daarna door Hieronymus overgenomen. Voor zover de tegenwoordige schrijver de duisternis heeft kunnen doordringen die af en toe over deze titels hangt, vormen zij een directe en zeer waardevolle sleutel tot de algemene geschiedenis of het onderwerp van de psalmen waaraan zij voorafgaan. Behalve in die gevallen waar zij kennelijk verkeerd zijn begrepen of uitgelegd, is hij nooit één geval tegengekomen waarin de strekking van de titel en van de bijbehorende psalm niet volkomen samenvallen. Vele ervan zijn ongetwijfeld door Ezra samengesteld toen hij zijn eigen verzameling uitgaf (in welke tijd sommige critici menen dat het geheel geschreven is). Maar de overige titels lijken eerder uit de tijd, of bijna uit de tijd, van de psalmen zelf te stammen en te zijn geschreven omstreeks de tijd van hun ontstaan. — John Mason Good, M.D., F.R.S., 1854.
Zie titel. Hier hebben wij het eerste gebruik van het woord Psalm. In het Hebreeuws staat er Mizmor, dat de betekenis heeft van snoeien, of het afsnijden van overtollige twijgen. Het wordt toegepast op liederen die uit korte zinnen bestaan, waarin veel overtollige woorden zijn weggenomen. — Henry Ainsworth. Op deze aantekening merkt een oude schrijver op: “Laten wij hieruit leren dat mensen in tijden van zware benauwdheid geen omwegen maken en geen mooie woorden gebruiken in het gebed. Zij zullen veeleer een gebed opzenden dat gesnoeid is van alle weelderigheid en woordenrijke uitspraken.”
Gehele psalm. U kunt hierin duidelijk zien hoe God in de oude tijd in de kerk gewerkt heeft. Daarom moet u zich niet laten ontmoedigen door een plotselinge verandering in uw omstandigheden. Maar erken veeleer met David uw zonden voor God. Vertel Hem hoeveel er zijn die u kwellen en tegen u opstaan, die u Hugenoten, Lutheranen, ketters, puriteinen en kinderen van Belial noemen, net zoals zij David destijds noemden. Laat de goddeloze afgodendienaars maar opscheppen dat zij over u zullen zegevieren en u zullen overwinnen, en dat God u heeft prijsgegeven en niet langer uw God zal zijn. Zeg toch met David: “Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.”Overtuig uzelf er met David van dat de Heere uw Beschermer is, Die u rondom omringd heeft en als het ware een “schild” is dat u aan alle kanten bedekt. Hij alleen kan en zal u rondom met heerlijkheid en eer omringen. Hij zal die hoogmoedige huichelaars van hun zetel stoten en de nederigen en zachtmoedigen verhogen. Hij is het Die uw “vijanden op het kinnebak” zal “slaan” en al hun tanden zal verbrijzelen. Hij zal Absalom aan zijn eigen lange haren ophangen en Achitofel zal zich uit wanhoop ophangen. De banden zullen worden gebroken en u zult worden verlost. Want dit is het werk des Heeren: de Zijnen van hun vijanden redden en Zijn volk zegenen, opdat zij zonder vrees en in veiligheid hun pelgrimstocht naar de hemel voortzetten. — Thomas Tymme, “Silver Watch Bell”, 1634.
Vers 1. Absaloms partij groeide, naarmate ze verder trok, wonderlijk aan, als een rollende sneeuwbal. David spreekt erover als iemand die compleet verbijsterd is. En terecht, dat een volk waaraan hij zich op zoveel manieren verplicht had gemaakt, bijna algemeen van hem afviel, tegen hem in opstand kwam en zo’n dwaze, wispelturige jongeling als Absalom tot hun hoofd koos! Hoe glibberig en bedrieglijk is de grote menigte! En hoe weinig trouw en standvastigheid is er onder de mensen te vinden! David had de harten van zijn onderdanen zózeer in handen als maar mogelijk is voor een koning, en toch had hij ze nu plotseling verloren! Zoals het volk niet te veel op prinsen mag vertrouwen (“Vertrouwt niet op prinsen”, Psalm 146:3), zo mogen prinsen niet te veel bouwen op hun invloed bij het volk.
Christus, de Zoon van David, had vele vijanden. Toen een grote schare kwam om Hem te grijpen, toen de menigte riep: “Kruisig Hem, kruisig Hem”, hoe waren zij toen vermenigvuldigd die Hem kwelden! Zelfs goede mensen moeten het niet vreemd vinden als de stroom tegen hen in stroomt en de machten die hen bedreigen steeds formidabeler worden. — Matthew Henry.
Vers 2. Wanneer de gelovige de macht van God in twijfel trekt, of de vraag stelt of hij daar wel deel aan heeft, stroomt zijn vreugde weg als bloed uit een gebroken ader. Dit vers is inderdaad een zware steek. — William Gurnall.
Vers 2. Een kind van God schrikt al op bij de gedachte aan wanhoop of het verlies van Gods hulp. U kunt hem met niets zozeer wonden als door hem te willen aanpraten: “Hij heeft geen heil bij God.” David komt tot God en vertelt Hem wat zijn vijanden over hem zeiden, net zoals Hizkia later de lasterlijke brief van Rabsake voor het aangezicht des Heeren uitspreidde. “Zij zeggen: ‘Er is geen hulp voor mij bij U’; maar Heere, als dat zo is, dan ben ik verloren. Zij zeggen tot mijn ziel: ‘Er is geen heil’ (want zo luidt het woord) ‘voor hem bij God’. Maar, Heere, zeg Gij tot mijn ziel: “Ik ben uw Heil” (Psalm 35:3), en dat zal mij tevredenstellen en te zijner tijd hén het zwijgen opleggen.” — Matthew Henry.
Verzen 2, 4, 8. “Sela.” (Hebr.) Er is veel over dit woord geschreven, en toch schijnt de betekenis ervan niet geheel vast te staan. In de Targum of Chaldeeuwse parafrase wordt het weergegeven met (Hebr.) lealmin, voor eeuwig, of tot in eeuwigheid. In de Latijnse Vulgaat is het weggelaten, alsof het geen deel van de tekst was. In de Septuaginta wordt het weergegeven met diapsalma, waarvan wordt aangenomen dat het verwijst naar een verandering of modulatie van de stem bij het zingen (Schleusner, Lex.). Het woord komt drieënzeventig keer voor in de Psalmen en driemaal in het boek Habakuk (3:3, 9, 13). In onze vertaling wordt het nooit vertaald, maar op al deze plaatsen is het oorspronkelijke woord Sela behouden. Het komt alleen in poëzie voor en er wordt verondersteld dat het enige betrekking had op het zingen of het reciteren van de poëzie, vermoedelijk als een muziekterm. In het algemeen geeft het ook een pauze in de zin aan, evenals in de muzikale uitvoering.
Gesenius (Lex.) veronderstelt dat de meest waarschijnlijke betekenis van deze muzikale term stilte of pauze is. Het gebruik ervan bij het zingen van de psalm zou de zanger de aanwijzing geven om te zwijgen en een moment te pauzeren, terwijl de instrumenten een tussenspel of harmonie speelden. Misschien is dit alles wat er nu van de betekenis van het woord te weten valt, en dit is genoeg om elk redelijk onderzoek tevreden te stellen. Als dit het gebruik van de term was, is het waarschijnlijk dat het gewoonlijk overeenkwam met de zin van de passage en werd ingevoegd waar de zin een passende pauze maakte; en dit zal ongetwijfeld meestal het geval blijken te zijn. Maar eenieder die enigszins bekend is met het karakter van muzieknotatie, zal terstond inzien dat wij niet mogen veronderstellen dat dit steeds of noodzakelijkerwijs het geval was. De muzikale pauzes komen immers geenszins altijd overeen met pauzes in de zin. Dit woord kan daarom slechts zeer weinig hulp bieden bij het bepalen van de theologische betekenis van de passages waarin het voorkomt.
Ewald veronderstelt, in afwijking van deze opvatting, dat het eerder aangeeft dat de stem moet worden verheven, en dat het gelijkbetekenend is met omhoog, hoger, luid of duidelijk, van het Hebreeuwse sal of salal, opgaan. Zij die verder willen onderzoeken naar de betekenis ervan en naar het gebruik van muzikale pauzes in het algemeen, kunnen verwezen worden naar Ugolin, “Thesau. Antiq. Sacr.”, deel xxii. — Albert Barnes, 1868.
Verzen 2, 4, 8. Sela (Hebr.) komt drieënzeventig keer voor in de Psalmen, gewoonlijk aan het einde van een zin of alinea. Maar in Psalm 55:20 en 57:4 staat het midden in het vers. Hoewel de meeste schrijvers het erover eens zijn dat dit woord op de een of andere manier met de muziek te maken heeft, verschillen hun vermoedens over de precieze betekenis ervan sterk. Thans hebben echter vooral deze twee meningen de overhand. Sommigen, onder wie Herder, De Wette, Ewald en Delitzsch, leiden het af van opheffen, en verstaan er een verheffing van de stem of van de muziek onder. Anderen, in navolging van Gesenius in zijn Thesaurus, leiden het af van stil zijn of zwijgen, en verstaan er een pauze in het zingen onder. Zo ook Rosenmüller, Hengstenberg en Tholuck.
Waarschijnlijk werd sela gebruikt om de zanger de aanwijzing te geven om te zwijgen of een weinig te pauzeren terwijl de instrumenten een tussenspel speelden (zo ook de Septuaginta, diapsalma of symfonie). In Psalm 9:17 komt het voor in de uitdrukking higgaion sela, wat Gesenius met veel waarschijnlijkheid weergeeft als instrumentale muziek, pauze. Dat wil zeggen: laat de instrumenten een symfonie inzetten, en laat de zanger pauzeren. Door Tholuck en Hengstenberg worden de twee woorden echter weergegeven als overdenking, pauze. Dat wil zeggen: laat de zanger overdenken terwijl de muziek stilvalt. — Benjamin Davies, Ph.D., L.L.D., artikel Psalms, in Kitto’s Cyclopaedia of Biblical Literature.
Vers 3. “Die mijn hoofd opheft.” God wil dat het lichaam deel heeft met de ziel — zowel in zaken van droefheid als in zaken van vreugde. De lantaarn schijnt immers door het licht van de kaars die erin brandt. — Richard Sibbs, 1639. Er is een opheffing van het hoofd door verheffing tot een ambt, zoals bij Farao’s schenker; dit herleiden wij tot goddelijke aanstelling. Er is een opheffing in eer na schande, in gezondheid na ziekte, in blijdschap na droefheid, in herstel na een val en in overwinning na een tijdelijke nederlaag. In al deze opzichten is de Heere Degene Die ons hoofd opheft. — C. H. S.
Vers 4. Wanneer het gebed vooropgaat, sluit te zijner tijd de verlossing de achterhoede. — Thomas Watson.
Vers 4. “Hij verhoorde mij.” Ik heb vaak mensen in het gebed horen zeggen: “Gij zijt een gebedsverhorende en een gebedsbeantwoordende God”. Maar die uitdrukking bevat eigenlijk een dubbeling, aangezien horen van God, volgens de Schrift, exact hetzelfde is als beantwoorden. — C. H. S.
Vers 5. “Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.” De titel van de psalm vertelt ons wanneer David deze zoete nachtrust had. Dat was niet toen hij op zijn donzen bed lag in zijn statige paleis te Jeruzalem, maar toen hij voor zijn leven vluchtte voor zijn onnatuurlijke zoon Absalom. Mogelijk werd hij zelfs gedwongen om in het open veld onder het hemelgewelf te liggen! Voorwaar, het moet dan inderdaad een zacht kussen zijn geweest dat hem zijn gevaar kon doen vergeten, zeker terwijl hij besefte dat een ontrouw leger hem op de hielen zat. Ja, zo overtreffend is de invloed van deze vrede, dat zij het schepsel net zo blij kan doen neerliggen om in het graf te slapen, als op het zachtste bed van de wereld.
U zult zeggen dat dát kind gewillig is dat zélf om zijn bed vraagt. Sommige heiligen hebben God inderdaad gevraagd hen te ruste te leggen in hun bedden van stof. En dat was niet in een bui van gemelijkheid en ontevredenheid over hun tegenwoordige moeite, zoals bij Job, maar uit een zoet besef van deze hemelse vrede in hun boezem. “Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien”, zo klonk het zwanenlied van de oude Simeon. Hij spreekt als een koopman die al zijn goederen veilig aan boord heeft gebracht en nu de kapitein van het schip vraagt de zeilen te hijsen en naar huis te vertrekken.
Wat heeft een christen, die hier immers slechts een vreemdeling is, dan ook nog langer in de wereld te wensen dan om zijn volle lading voor de hemel binnen te halen? En wánneer bezit hij die volle lading, zo niet op het moment dat hij verzekerd is van zijn vrede met God? Deze vrede van het evangelie en het besef van de liefde van God in de ziel dragen er zo bewonderenswaardig aan bij om een mens te versterken in alle moeilijkheden, verzoekingen en beproevingen. Daarom geeft Hij Zijn heiligen gewoonlijk, voordat Hij hen roept tot enige zware dienst of hete strijd, een teug van deze hartversterkende wijn, vlak bij hun hart, om hen op te monteren en te bemoedigen in de strijd. — William Gurnall.
Vers 5. Gurnall, die schreef in de tijd dat er nog huizen stonden op de oude London Bridge, heeft op zijn eigen unieke wijze gezegd: “Denkt u niet dat zij die op London Bridge wonen even vast slapen als zij die in Whitehall of Cheapside leven? Want zij weten dat de golven die onder hen door razen, hun geen kwaad kunnen doen. Zo mogen ook de heiligen rustig slapen bóven de vloeden van benauwdheid of dood, en geen enkel kwaad vrezen.”
Vers 5. Toen Xerxes de Pers alle tempels in Griekenland verwoestte, liet hij de tempel van Diana behouden vanwege haar schone bouw. Zo zal ook de ziel die de schoonheid der heiligheid in zich heeft schijnen, worden behouden vanwege de heerlijkheid van dat geestelijke gebouw; God zal niet toelaten dat Zijn eigen tempel wordt verwoest. Wilt u beveiligd zijn in kwade tijden? Verkrijg dan genade en versterk dit garnizoen; een goed geweten is het fort-royal van een christen. Davids vijanden lagen rondom hem; toch zegt hij: “Ik lag neder en sliep.” Een goed geweten kan rustig slapen in de mond van een kanon. Genade is de maliënkolder van een christen, die geen pijl of kogel vreest. Ware genade kan worden beschoten, maar nooit dóórschoten. Genade brengt de ziel in Christus, en daar is zij veilig — als de bij in de korf, als de duif in de ark. “Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn” (Romeinen 8:1). — Thomas Watson.
Vers 5. “De HEERE ondersteunde mij.” Het is zeer nuttig om de ondersteunende kracht van God te overwegen die zich in ons openbaart terwijl wij slapen. Denk aan het stromen van het bloed, het heffen van de longen in het lichaam, en het voortduren van onze geestvermogens, en dat alles terwijl het beeld des doods op ons rust. — C. H. S.
Vers 6. “Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.” De psalmist zal vertrouwen, ondanks de schijn. Hij zal niet vrezen, ook al hebben tienduizenden zich rondom tegen hem opgesteld. Laten wij onze gedachten hier beperken tot dit ene idee: ondanks de schijn. Wat kon er voor het menselijk oog erger uitzien dan deze legermacht van tienduizenden mensen? Het verderf scheen hem in het gezicht te staren; waar hij ook keek, was een vijand te zien. Wat kon één man beginnen tegen tienduizend?
Het gebeurt vaak dat Gods volk in zulke omstandigheden komt. Zij zeggen: “Dit alles is tegen mij”; zij schijnen hun moeiten nauwelijks meer te kunnen tellen. Zij zien geen enkel gaatje waardoor zij kunnen ontsnappen en de dingen zien er inderdaad aardedonker uit. Dan vraagt het groot geloof en vertrouwen om, juist onder die omstandigheden, te zeggen: “Ik zal niet vrezen.”
Dit waren precies de omstandigheden waarin Luther verkeerde toen hij naar Worms reisde. Zijn vriend Spalatin hoorde de vijanden van de Reformatie beweren dat het vrijgeleide van een ketter niet gerespecteerd hoefde te worden, en werd ernstig bezorgd voor de hervormer. “Op het ogenblik dat hij de stad naderde, verscheen er een bode voor hem met dit advies van de kapelaan: ‘Ga Worms niet binnen!’ En dat van zijn beste vriend, de vertrouweling van de keurvorst, van Spalatin zelf! … Maar Luther fixeerde onverschrokken zijn ogen op de bode en antwoordde: ‘Ga, en zeg uw meester dat ik, zelfs al waren er in Worms zoveel duivels als dakpannen op de huizen, er tóch zou binnengaan.’ De bode keerde terug naar Worms met dit verbijsterende antwoord. ‘Ik was toen onverschrokken’, zei Luther enkele dagen voor zijn dood, ‘ik vreesde werkelijk niets.'”
Op zulke tijden zullen de redelijke mensen van de wereld — zij die door aanschouwen wandelen en niet door geloof — het volstrekt logisch vinden dat de christen bang is; zijzelf zouden immers zeer terneergeslagen zijn als zij in zo’n toestand verkeerden. Zwakke gelovigen zijn nu al snel geneigd om excuses voor ons te verzinnen, en wij zijn maar al te bereid ze voor onszelf te maken. In plaats van ons boven de zwakheid van het vlees te verheffen, nemen wij daar onze toevlucht toe en gebruiken we het als uitvlucht.
Maar laten wij een poosje biddend nadenken. Dan zullen wij zien dat dit voor ons niet de juiste houding is. Alleen vertrouwen wanneer de omstandigheden gunstig zijn, betekent dat we alleen met wind en tij meevaren; dat we alleen geloven wanneer wij kunnen zíén. O, laten wij het voorbeeld van de psalmist volgen! Laten wij zoeken naar die onvoorwaardelijkheid van het geloof die ons in staat stelt God te vertrouwen, wat er ook gebeurt, en na te spreken wat hij zei: “Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.” — Philip Bennet Power, ‘I wills’ of the Psalms, 1862.
Vers 6. “Ik zal niet vrezen”, enzovoort. Het doet er niet toe wat onze vijanden zijn. Al zijn het legioenen wat hun aantal betreft, overheden wat hun macht betreft, slangen wat hun sluwheid betreft, of draken wat hun wreedheid betreft. Al betreft het de overste van de lucht die in het voordeel is, of geestelijke boosheden die uitblinken in boosaardigheid: Hij Die in ons is, is sterker dan zij die tegen ons zijn! Niets kan ons scheiden van de liefde van God. In Christus Jezus, onze Heere, zullen wij meer dan overwinnaars zijn. — William Cowper, 1612.
Vers 7. “Sta op, HEERE”, Jehovah! Dit is een gebruikelijke Bijbelse manier om God aan te roepen Zijn tegenwoordigheid en macht te openbaren, hetzij in toorn of in gunst. Door een natuurlijk antropomorfisme beschrijft zij de tussenpozen van zulke openbaringen als perioden van werkeloosheid of sluimering, waaruit Hij vervolgens gesmeekt wordt Zich op te wekken. “Verlos mij”: mij, van wie zij zeggen dat er geen heil voor hem is bij God. “Mijn God”: de mijne door verbond en wederzijdse verbintenis, van Wie ik daarom het recht heb verlossing en bescherming te verwachten. Dit vertrouwen wordt bovendien gewaarborgd door de geloofservaring. “Want Gij hebt”, in vroegere noden, “al mijn vijanden geslagen”, zonder enige uitzondering, “op het kinnebak”, een daad die tegelijk gewelddadig en uiterst vernederend is. — J. A. Alexander, D.D.
Vers 7. “Op het kinnebak.” — De taal is hier ontleend aan een vergelijking van zijn vijanden met wilde dieren. Het kinnebak is het bot waarin de tanden vastzitten; dit bot breken staat gelijk aan het ontwapenen van het dier. — Albert Barnes.
Vers 7. Wanneer God wraak neemt op de goddelozen, zal Hij zodanig slaan dat Hij hen in elke slag Zijn almacht doet voelen. Al Zijn macht zal worden aangewend om te straffen, en niets om Zich te ontfermen. O, dat elke halsstarrige zondaar hieraan zou denken en zijn onmetelijke vermetelheid zou inzien: dat hij zichzelf in staat acht om de strijd met de Almachtige aan te binden! — Stephen Charnock.
Vers 8. “Het heil is des HEEREN”: we vinden een parallelle tekst in Jona 2:9, “Het heil is des HEEREN.” De zeelieden hadden in plaats van Castor en Pollux (of een dergelijk heidens zinnebeeld) evengoed op hun schip kunnen schrijven: Het heil is des Heeren. De Ninevieten hadden op hun poorten kunnen schrijven: Het heil is des Heeren. Ja, het hele mensdom — wiens zaak door God tegen de hardheid van Jona’s hart wordt bepleit en verdedigd — had op de palmen van zijn handen kunnen schrijven: Het heil is des Heeren. Het is het fundament van beide Testamenten, de staf en de ondersteuning van hemel en aarde. Zij zouden beide ineenzakken, en al hun voegen zouden losraken, als het heil des Heeren er niet was.
De vogels in de lucht zingen geen andere tonen, en de dieren op het veld laten geen andere stem horen dan Salus Jehovæ: Het heil is des Heeren! De muren en vestingen aan de poorten van ons land, onze steden en dorpen, de grendels van onze huizen; een dekking voor ons hoofd die veiliger is dan een stalen helm; een beter geneesmiddel voor onze lichamen dan het mengsel van apothekers; een béter geneesmiddel voor onze zielen dan de valse aflaten van Rome is dit: Salus Jehovæ, het heil des Heeren!
Het heil des Heeren zegent, behoudt en ondersteunt alles wat wij hebben: onze mand en onze voorraad, de olie in onze kruiken, onze wijnpersen, de schapen in onze kooien, onze stallen, de kinderen in de schoot en aan onze tafels, het koren op onze velden, onze voorraden en onze schuren. Het is niet de kracht van de sterren, noch de aard van de dingen zelf, die aan deze zegeningen bestaan en voortduur geeft. En, “Wat zal ik nog meer zeggen?” zoals de apostel vroeg (Hebreeën 11) toen hij al veel gesproken had, er nog veel meer te zeggen was, maar de tijd hem ontbrak. Ik vraag liever: wát zou ik niet zeggen? Want de wereld is op dit ogenblik mijn schouwtoneel, en ik kan mij niets indenken of voorstellen dat níét afhankelijk is van deze machtige uitroep: Het heil is des Heeren.
Plutarchus schrijft dat de Amfiktyonen in Griekenland (een beroemde raad die bijeenkwam vanuit twaalf verschillende volken) op de tempel van Apollo Pythius, in plaats van de Ilias van Homerus of de liederen van Pindarus, korte spreuken en gedenkwaardigheden schreven. Spreuken zoals: Ken uzelf, Gebruik matigheid, Wacht u voor borgtocht, enzovoort. En ongetwijfeld — hoewel elk schepsel in de wereld dat wij gebruiken al een verhandeling en een vertelling voor ons is van Gods goedheid, en wij onszelf zouden kunnen vermoeien en onze dagen doorbrengen met het schrijven van boeken over dat onuitsprekelijke onderwerp — omvat deze korte spreuk van Jona al het overige. Zij staat aan het einde van het lied, als de altaren en stenen die de aartsvader oprichtte op het kruispunt van wegen, om de nageslachten te doen weten op welke wijze hij was verlost.
Ik zou wensen dat deze zin dagelijks in onze kerken werd gepredikt, in onze straten gezongen, op onze deurposten geschreven en op onze muren geschilderd. Of liever: dat zij met een diamanten stift gegrift werd in de tafelen van onze harten, opdat wij nooit zouden vergeten dat het heil des Heeren is! Wij hebben dit soort herinneringen keihard nodig om onszelf erin te oefenen Gods barmhartigheden te overdenken. Want niets vergaat sneller dan de liefde; nihil facilius quam amor putrescit. En van alle vermogens van de ziel is het geheugen het teerste, tederste en breekbaarste; het veroudert het eerst (memoria delicata, tenera, fragilis, in quam primum senectus incurrit). En van alle zaken in dat geheugen veroudert de weldaad het allereerst: primum senescit beneficium. — John King, Commentary on Jonah, 1594.
Vers 8. “Uw zegen is over Uw volk.” De heiligen zijn niet alleen gezegend wanneer zij reeds de eeuwige bezitters zijn (comprehensors), maar ook terwijl zij hier op aarde nog slechts reizigers zijn (viators). Zij zijn gezegend lang voordat zij gekroond zijn. Dit klinkt misschien als een paradox voor vlees en bloed: hoe kan iemand die veracht en gelasterd wordt, tóch gezegend zijn? Een mens die met een vleselijk oog naar de kinderen van God kijkt en ziet hoe zij verdrukt worden — als een schip dat door de golven wordt bedekt (Mattheüs 8:24) — zou denken dat zij heel ver van de zaligheid verwijderd zijn.
Paulus geeft een huiveringwekkende lijst van zijn lijden in 2 Korinthe 11:24-26: “Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden”, enzovoort. En die christenen van de eerste orde, van wie de wereld niet waardig was, “hebben bespottingen en geselen geproefd”; zij zijn “in stukken gezaagd” en “door het zwaard ter dood gebracht” (Hebreeën 11:36, 37). Wat! Waren al deze mensen zélfs tijdens hun martelende lijden gezegend? Een vleselijk mens zou direct denken: als dít “gezegend zijn” inhoudt, moge God mij er dan voor bewaren!
Maar hoe de zintuigen ook mogen protesteren, onze Zaligmaker verklaart de godvruchtige man ronduit gezegend. Al is hij een treurende, al is hij een martelaar, tóch is hij gezegend. Job op de mesthoop was gezegende Job. De heiligen zijn gezegend op het moment dat zij vervloekt worden. Simeï vloekte David: “Hij ging steeds voort, en vloekte” (2 Samuël 16:5); toch was David, juist toen hij vervloekt werd, de gezegende David. De heiligen zijn, hoewel zij hevig gekneusd worden, onverminderd gezegend. Niet alleen zullen zij gezegend worden, zij zijn het nu al. Psalm 119:1: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel.” Psalm 3:9: “Uw zegen is over Uw volk.” — Thomas Watson.
Als een merkwaardig voorbeeld van Luthers dogmatische theologie geven wij hieronder enkele zeer omvangrijke fragmenten uit zijn weergave van deze psalm, hoewel wij deze exegese overigens niet in elk opzicht onderschrijven. — C. H. S.
Gehele psalm. Dat de betekenis van deze psalm niet louter historisch is, blijkt uit de vele theologische bijzonderheden die ertegen pleiten om hem enkel zo te verstaan. Allereerst is er de treffende opmerking van de zalige Augustinus: de woorden “Ik lag neder en sliep” lijken direct de woorden van Christus te zijn bij Zijn opstanding uit de doden. En vervolgens dat er aan het einde van de psalm de zegen van God over het volk wordt uitgesproken; een zegen die kennelijk de hele kerk toebehoort.
Daarom legt de zalige Augustinus de psalm op een drievoudige wijze uit. Ten eerste past hij hem toe op Christus, het Hoofd. Ten tweede op de gehele Christus, dat wil zeggen Christus én Zijn kerk, het Hoofd en het Lichaam samen. En ten derde past hij hem figuurlijk toe op de individuele christen. Laat eenieder hier zijn eigen uitleg kiezen.
Ik zal hem intussen direct uitleggen als sprekende over Christus. Daartoe word ik bewogen door exact hetzelfde argument dat Augustinus bewoog: het vijfde vers lijkt op niemand anders dan Christus zó passend toegepast te kunnen worden. Ten eerste omdat “neerliggen” en “slapen” op deze plek onmiskenbaar een natuurlijke dood aanduiden, en niet een gewone, natuurlijke slaap. Dit kunnen we afleiden uit het feit dat er direct op volgt: “en stond weer op.” Als David namelijk over de slaap van het lichaam had gesproken, zou hij simpelweg hebben gezegd: “en ik ontwaakte”. Hoewel dit nog niet het sterkste bewijs is voor deze uitleg, wordt het volkomen helder als het Hebreeuwse woord nauwkeurig wordt onderzocht.
Maar verder: wat voor “nieuws” zou David eigenlijk naar voren brengen door plechtig te verklaren dat hij neerlag en sliep? Waarom zei hij dan niet óók dat hij wandelde, at, dronk, arbeidde, of in nood verkeerde? Of waarom noemde hij niet zomaar een ander alledaags werk van het lichaam? Bovendien lijkt het een theologische ongerijmdheid om onder zo grote en bittere verdrukking op niets anders te roemen dan op een lichamelijke slaap. Die verdrukking zou hem immers eerder tot slapeloosheid dwingen en hem in de uiterste nood brengen! Te meer daar deze twee uitdrukkingen, “Ik lag neder” en “ik sliep”, de stille, ongestoorde rust aanduiden van iemand die comfortabel op zijn plaats neerligt. En dat is absoluut niet de toestand van iemand die puur uit uitputting, overweldigd door verdriet, in slaap valt.
Maar de volgende overweging pleit nog véél krachtiger voor ons standpunt. Waarom roemt hij zo uitzinnig op zijn wéér opstaan? Hij zegt dat dit was omdat de Heere hem ondersteunde, omdat Hij hem opwekte terwijl hij sliep en hem niet in de slaap liet. Hoe kan zo’n triomfantelijke roem overeenkomen met een louter fysieke slaap? En welke nieuwe soort godsdienst zou dat kloppend kunnen maken? Het zou dan immers op iedere dagelijkse slaap van toepassing zijn! En dit geldt nog sterker wanneer dit “ondersteunen” van God tegelijkertijd een volkomen verlaten toestand van de slapende persoon aanduidt. Dit is in het geheel niet het geval bij een lichamelijke slaap, want daar kan de slapende door mensen als bewakers worden beschermd. Dit ondersteunen, dat geheel en al van God afkomstig is, houdt dus geen slaap in, maar een buitengewoon zware geestelijke strijd.
Ten slotte pleit het woord HEKIZOTHI zélf voor deze christologische uitleg. Wanneer dit woord zo absoluut en overgankelijk wordt gebruikt, betekent het: “Ik deed opstaan” of “ik deed ontwaken.” Alsof Hij zei: “Ik deed Mijzelf ontwaken, Ik wekte Mijzelf op.” Dat past zeker oneindig veel beter bij de opstanding van Christus dan bij de fysieke slaap van het lichaam. Want degenen die slapen, worden doorgaans door ánderen opgewekt en wakker gemaakt. Bovendien is het geen mirakel — noch een zaak die zo’n extreem belangrijke verklaring waard is — dat iemand uit zichzelf wakker wordt, aangezien dat iets is wat elke dag, over de hele wereld gebeurt! Maar aangezien deze zaak door de Geest juist wordt ingevoerd als iets nieuws en zeer bijzonders, is zij zeker van een heel andere orde dan alles wat de gewone slaap en het gewone ontwaken vergezelt.
Vers 2. “Hij heeft geen heil bij zijn God.” In het Hebreeuws is de uitdrukking eenvoudig “bij God”, zonder het voornaamwoord “zijn”, wat mijns inziens veel helderheid en theologische kracht aan de uitdrukking geeft. Alsof Hij zei: “Zij zeggen van Mij dat Ik niet alleen verlaten en onderdrukt ben door alle geschapen dingen, maar dat zelfs God — Die overal tegenwoordig is, alle dingen onderhoudt en beschermt — Mij verlaat. Alsof Ik het énige wezen uit het hele universum ben dat Hij niet onderhoudt.”
Hetzelfde soort verzoeking proefde Job toen hij uitschreeuwde: “Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld?” (Job 7:20). Want er is geen enkele verzoeking — nee, ook niet van de hele wereld tezamen, noch van de gehele hel in één massa gebundeld — die gelijk is aan de beproeving waarin God lijnrecht tegenover de mens staat. Deze verzoeking bidt Jeremia wanhopig af (Jeremia 17:17): “Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.” Wij vinden ditzelfde thema in de zesde psalm: “O HEERE, straf mij niet in Uw toorn”, en dergelijke smeekbeden vinden wij in het gehele psalmboek. Deze verlating is volstrekt onverdraaglijk en is in wezen de hel zélf. Zoals in diezelfde zesde psalm staat: “want in de dood is Uwer geen gedachtenis”, enzovoort. Kortom, als u deze verschrikking nooit persoonlijk hebt ervaren, kunt u zich er in de verste verte geen denkbeeld van vormen.
Vers 3. “Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.” David stelt hier drie dingen recht tegenover drie andere dingen. Een Schild tegenover de vele verontrustingen; zijn eer tegenover de velen die tegen hem opstaan; en Degene Die het hoofd opheft, tegenover de lasteraars en de spotters.
Daarom is de persoon die hier wordt beschreven, weliswaar in het oordeel van de mensen en in zijn eigen innerlijke beleving geheel alleen gelaten, maar in de ogen van God en in de geestelijke werkelijkheid is Hij geenszins alleen! Integendeel, Hij wordt beschermd met de grootst mogelijke overvloed van goddelijke hulp. Precies zoals Christus zegt (Johannes 16:32): “Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.”
De woorden in dit vers zijn niet de woorden van de menselijke natuur, maar van de goddelijke genade. Het is geen uitspraak van de vrije wil, maar van de Geest van een ijzersterk geloof! Dat geloof erkent God als een ondersteunende God, zélfs wanneer het Hem als in de donkerste storm van dood en hel als een verlatende God ziet. Zélfs wanneer de ziel Hem als een veroordelende Rechter aanschouwt, klampt dit geloof zich aan Hem vast als een Zaligmaker. Dit geloof oordeelt de dingen dus niet naar wat zij uiterlijk schijnen te zijn of naar hoe ze gevoeld worden, als een paard of een muildier die geen verstand hebben. Het grijpt juist de dingen aan die níét gezien worden! Want “de hoop, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?” (Romeinen 8:24).
Vers 4. “Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid.” In het Hebreeuws staat het werkwoord in de toekomende tijd. Het moet vertaald worden, zoals Hieronymus dat deed: “Ik zal roepen” en “Hij zal horen”. Dat bevalt mij theologisch veel beter dan de voltooide tijd. Het zijn namelijk de uitdrukkingen van Iemand Die in God zegeviert, Hem prijst, Hem verheerlijkt en intense dank brengt aan Degene Die Hem ondersteunde, bewaarde en uittilde boven de nood — precies zoals Hij in het voorafgaande vers al had gehoopt.
Het is namelijk gebruikelijk voor degenen die zegevieren en zich verblijden, om hardop te spreken over de dingen die zij gedaan en geleden hebben, en om een loflied aan te heffen voor hun grote Helper en Verlosser. Net zoals in Psalm 66:16: “Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft. Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij is verhoogd geweest onder mijn tong.” Of in Psalm 81:2: “Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte.” Of Exodus 15:1: “Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven!”
Zo is het ook hier. Vervuld met een overvloeiend gevoel van dankbaarheid en heilige vreugde zingt Hij van Zijn dood-zijn, van Zijn slapen en weer opstaan, van Zijn vijanden die verslagen zijn en van de tanden van de goddelozen die finaal verbroken zijn. Dat is exact de reden voor de verandering in Zijn aanspreekvorm! Degene Die God tot nu toe nog in de tweede persoon (“Gij”) had aangesproken, verandert Zijn uiting plotseling naar een getuigenis aan anderen over God in de derde persoon. Hij roept uit: “en Hij verhoorde mij”, en niet langer: “en Gij verhoordet mij”. Hij getuigt “Ik riep tot den HEERE”, in plaats van: “Ik riep tot U”. Waarom? Omdat Hij wil dat álle volken weten welke onmetelijke weldaden God op Hem gestapeld heeft. Dit is het ware kenmerk van een dankbaar gemoed.
Vers 5. “Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.” Christus duidt met de woorden van dit vers Zijn verzoenend sterven en Zijn begrafenis aan. Want men mag echt niet veronderstellen dat Hij zulke ontzagwekkende woorden zou hebben gewijd aan zoiets triviaals als een louter natuurlijke nachtrust! Zeker omdat de voorgaande én de navolgende teksten ons dwingen om deze woorden te verstaan als een weergave van een bloedige, diepe strijd en een glorierijke overwinning op Zijn aartsvijanden.
Door dit alles op deze wijze te beschrijven, wekt Hij ons op en bezielt Hij ons tot een krachtig geloof in God. Hij beveelt ons de almacht en ondoorgrondelijke genade van de Vader aan, namelijk dat God volkomen in staat is om óns uit de doden op te wekken! Daarvan plaatst Christus Zelf het patroon en voorbeeld helder voor onze ogen. Hij verkondigt ons deze opstanding alsof het wonder reeds volbracht en in Hemzelf gewerkt is.
Dit theologische standpunt blijkt verder ook uit Zijn bewuste gebruik van verzachtende woorden, die de rauwe verschrikking van de dood op wonderlijke wijze wegnemen. “Ik lag neder (zegt Hij) en sliep.” Hij zegt nadrukkelijk niét: Ik ben gestorven en in het donkere graf begraven. Waarom niet? Omdat dood en graf door Zijn offer zowel hun afschrikwekkende naam als hun absolute macht hadden verloren! Nu is de dood voor de gelovige geen dood meer, maar een tijdelijke slaap. Het graf is geen kille gevangenis meer, maar een zacht bed en een rustplaats. Precies daarom werden de woorden van deze profetie door de Heilige Geest enigszins bedekt en mysterieus gehouden, opdat zij daardoor de schrik des doods in onze ogen zouden wegnemen. De dood wordt zo bijzonder lieflijk gemaakt (of liever gezegd: uiterst verachtelijk!), doordat zij wordt afgeschilderd als een toestand van zoete rust, waaruit onbetwijfelbaar een glorieus opstaan en ontwaken beloofd is. Want zeg nu zelf: wie is er niet absoluut zeker van dat hij straks weer fris zal ontwaken, wanneer hij ‘s avonds gaat liggen in een zoete, ongestoorde slaap (waar geen daadwerkelijke dood tussenbeide komt)?
Let er dus scherp op dat deze Goddelijke Persoon niet klaagt dat Hij gruwelijk stierf, maar dat Hij Zich neerlegde om zacht te slapen, en dat Hij daarom vanzelfsprekend wéér ontwaakte! En bovendien, net zoals een gewone slaap nuttig en noodzakelijk is voor het herstel en de vernieuwing van de krachten van ons lichaam (zoals Ambrosius in zijn hymne treffend zegt), en de vermoeide ledematen aanzienlijk verlicht, zó is ook de dood nuttig, heilzaam en door God verordend voor het bereiken van een oneindig béter leven. Dit is exact wat David betuigt in de daaropvolgende psalm: “Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen.”
Daarom moeten wij, wanneer wij nadenken over ons sterven, niet zozeer focussen op de kille dood zélf, als wel op dat ontwijfelbare leven en die zekere opstanding, die gegarandeerd zijn voor allen die in Christus verborgen zijn. Opdat direct dat machtige woord uit Johannes 8:51 in ons vervuld zou worden: “Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.” Maar hoe kan het dat hij de dood niet zal zíén? Zal hij de kille greep ervan dan niet voelen? Zal hij dan werkelijk niet sterven? Nee! Hij zal louter een slaap zien. Want doordat hij de ogen van zijn geloof strak op de komende opstanding gevestigd houdt, glijdt hij zó soepel door de dood heen, dat hij het wezen van de dood zelfs niet registreert. De dood is voor hem immers, zoals ik reeds betoogde, in het geheel géén dood meer. En vandaar ook de onoverwinnelijke belofte in Johannes 11:25: “Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.”
Vers 7. “Want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebak geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken.”Hieronymus past deze beeldspraak van “kinnebakken” en “tanden” prachtig toe op scherpe woorden, bittere achterklap, valse lasteringen en andere snijdende beledigingen waardoor onschuldigen voortdurend worden onderdrukt. Geheel in de lijn van Spreuken 30:14: “Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.” Hierdoor werd onze Heere Christus als het ware verslonden, toen Hij voor het tribunaal van Pilatus door de beschuldigende stemmen van Zijn gezworen vijanden naar het kruishout werd verwezen. En precies daarom waarschuwt de apostel de kerk ten strengste (Galaten 5:15): “Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.”
Vers 8. “Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk.” Dit is een magnifieke en ontroerende slotsom, en vormt als het ware de kroon en de kern van alle theologische gevoelens die in deze psalm zijn uitgesproken. De betekenis luidt: Het is werkelijk de Heere alléén Die verlossend redt en zegenend kroont. Zelfs als de álle afgrijselijke kwaden van het hele universum zouden samenspannen tegen één enkele mens, dan is het nog steeds de Almachtige Heere Die Zijn verlossing bewerkt. Het heil en de genadezegen liggen onwrikbaar vast in Zíjn handpalmen.
Wat zou ik in dat geval nog vrezen? Wat mag ik mijzelf dan niet aan hemelse uitkomsten beloven? Ik weet toch zeker dat niemand ooit vernietigd, en niemand ooit wezenlijk gesmaad kan worden, zonder de uitdrukkelijke en eeuwige beschikking van mijn God! En dat blijft zo, al zouden álle duivels en mensen massaal opstaan om te vloeken en te verscheuren. En ik weet evenzeer dat absoluut niemand uit eigen kracht gezegend of gered kan worden zonder dat soevereine welbehagen van God, hoezeer zij ook pochen over hun eigen zegen, of zich te pletter zwoegen om hun eigen ziel te redden. Zoals Gregorius van Nazianze magistraal opmerkte: “Waar God voluit en soeverein genade geeft, daar verliest de snijdende afgunst al haar kracht; en waar God weigert te geven, levert zwoegen en arbeiden volstrekt niets op.” En in exact dezelfde theologische trant juicht de apostel Paulus (Romeinen 8:31): “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” Het omgekeerde geldt even hard: Als God tégen de goddelozen is, wie of wat kan hen dan nog verlossen?
Waarom is deze theologische realiteit zo absoluut? Omdat het onfeilbare woord stelt: “Het heil is des Heeren”. Het heil komt nooit uit henzelf, en net zo min komt het ooit uit óns, want “‘s mensen heil is immers slechts ijdelheid.” — Maarten Luther.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
Vers 1. De lijdende heilige die zijn smarten eerlijk aan zijn God vertelt. (1) Zijn onbetwiste recht om dit te doen. (2) De theologische en hartelijke wijze om ze te uiten. (3) De gezegende vruchten van zo’n intieme gemeenschap met de Heere. Wanneer mogen wij rekenen op toenemende moeiten? Waartoe worden deze beproevingen eigenlijk gezonden? Welke geestelijke wijsheid wordt van ons gevraagd in het omgaan hiermee?
Vers 2. De duivelse leugen tegen de heilige en de brute smaad op het adres van zijn God.
Vers 3. De drievoudige zegen die God soeverein aan Zijn lijdende kinderen schenkt: Bescherming, Eer en Blijdschap. Toon in de prediking aan hoe deze door het ware geloof volop genoten kunnen worden, zelfs in het diepste dal.
Vers 4. (1) Te midden van gevaren is het gebed onze plicht. (2) God zal in Zijn genade luisteren. (3) Wij zijn geroepen Zijn genadige antwoorden zorgvuldig op te tekenen. (4) Wij moeten onszelf voor de toekomstige strijd bemoedigen, door de goddelijke verlossingen uit ons verleden in herinnering te roepen.
Vers 5. (1) Een theologische beschrijving van het zoet en onbezorgd slapen. (2) Een beschrijving van het gelukkig en veilig ontwaken. (3) Toon hoezeer beide een zegen van Boven zijn: “want de HEERE ondersteunde mij.”
Vers 6. Het geloof, dat hoewel compleet omringd door gezworen vijanden, tóch glorieus zegeviert.
Vers 7. (1) Beschrijf hoe Gods straffende hand in het verleden op Zijn vijanden neerkwam: “Gij hebt.” (2) Toon voluit aan dat de Heere onze allerhoogste toevlucht moet zijn: “o HEERE”, “o mijn God”. (3) Ga in de prediking uitvoerig in op het feit dat wij de Heere in het gebed moeten opwekken: “Sta op.” (4) Spoor gelovigen vurig aan om de vroegere, machtige overwinningen van de Heere te gebruiken als een pleitgrond waarmee zij aan de troon der genade bij Hem kunnen overwinnen.
Vers 7 (laatste zinsdeel). Onze vijanden zijn niets meer dan reeds overwonnen vijanden; het zijn volstrekt tandeloze leeuwen.
Vers 8 (eerste zinsdeel). Het heil en de zaligheid komen van God, vanaf het prille begin tot het uiterste einde. (Zie hiervoor ook de eerdere uitleg).
Vers 8 (laatste zinsdeel). De gelovigen wáren gezegend in Christus, zij zíjn gezegend door Christus, en zij zúllen in de toekomst volkomen gezegend worden met Christus. Deze genadezegen rust op hun personen, op hun theologische vertroostingen, op hun beproevingen, op hun geestelijke arbeid, op hun gezinnen, enzovoort. Deze zegen vloeit uitsluitend voort uit soevereine genade, wordt persoonlijk genoten door de toe-eigening van het geloof en is door een goddelijke eed voor eeuwig verzekerd! — James Smith, Portions, 1802-1862.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

