
Lowth maakt over deze psalm de volgende opmerkingen: “De bevestiging van David op zijn troon, ondanks het verzet dat zijn vijanden daartegen boden, is het onderwerp van de psalm. David vervult daarin een tweevoudige rol, een letterlijke en een allegorische. Als wij de psalm eerst lezen met het oog op de letterlijke David, is de betekenis duidelijk en door de heilige geschiedenis buiten kijf gesteld. Er is inderdaad een ongewone gloed in de uitdrukking en een verhevenheid in de beelden. De woordkeus is nu en dan overdreven, als het ware met opzet om ons te wijzen op, en te leiden naar, de overweging van hogere en belangrijker zaken die daarin verborgen liggen.
Als wij, in gehoorzaamheid aan deze vermaning, de psalm nogmaals overzien in verband met de persoon en de belangen van de geestelijke David, verrijst er terstond een edele reeks van gebeurtenissen voor het oog, en de betekenis wordt duidelijker en tegelijk verhevener. De kleuring die wellicht te gewaagd en te schel lijkt voor de koning van Israël, zal niet langer zo lijken wanneer zij wordt aangebracht op Zijn grote Tegenbeeld.
Nadat wij zo de onderwerpen elk afzonderlijk aandachtig hebben beschouwd, laten wij ze samen bekijken, en wij zullen de volle schoonheid en majesteit van dit allerbekoorlijkste gedicht aanschouwen. Wij zullen de twee betekenissen zeer duidelijk van elkaar onderscheiden zien, en toch in volmaakte harmonie samenwerkend, met een wonderbare gelijkenis in elke trek en lijn, terwijl de overeenkomst tussen beide zo nauwkeurig bewaard blijft dat elk van beide voor het oorspronkelijke kan doorgaan waarvan het andere is nagetekend. Voortdurend valt er nieuw licht op de bewoordingen, nieuw gewicht en nieuwe waardigheid komen bij de gedachten, totdat zij, geleidelijk opklimmend van de dingen beneden naar de dingen boven, van menselijke zaken naar goddelijke, het grote gewichtige thema met zich omhoog dragen en het ten slotte plaatsen in de hoogte en de helderheid van de hemel.”
INDELING — Deze psalm wordt het best begrepen wanneer men hem beschouwt als een viervoudig beeld. (In vers 1, 2, 3) woeden de volken; (4 tot 6) bespot de Heere in de hemel hen; (7 tot 9) verkondigt de Zoon het besluit; en (van 10 tot het einde) wordt de koningen de raad gegeven zich te onderwerpen aan de Gezalfde des Heeren. Deze indeling wordt niet alleen door de zin aangewezen, maar ook gewaarborgd door de dichterlijke vorm van de psalm, die vanzelf uiteenvalt in vier strofen van drie verzen.
UITLEG — Vers 1. Wij hebben in deze eerste drie verzen een beschrijving van de haat van de menselijke natuur tegen de Christus van God. Een beter commentaar is daarop niet nodig dan het apostolische lied in Handelingen 4:27, 28: “Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israëls; om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.”
De psalm begint abrupt met een boze vraag; en terecht: het is stellig weinig verwonderlijk dat de aanblik van schepselen die tegen hun God in de wapens zijn, de geest van de psalmist met ontzetting vervult. Wij zien de heidenen woeden, bulderend als de zee, heen en weer geslingerd door rusteloze golven, als de oceaan in een storm; en dan letten wij op de volken die in hun harten ijdelheid bedenken tegen God. Waar veel woede is, is gewoonlijk ook enige dwaasheid, en in dit geval is daarvan een teveel.
Merk op dat de opschudding niet alleen door het volk wordt veroorzaakt, maar dat hun leiders de opstand aanwakkeren. “De koningen der aarde stellen zich op.” Met vastberaden boosaardigheid schaarden zij zich in verzet tegen God. Het was geen voorbijgaande woede, maar diepgewortelde haat, want zij stelden zich vastberaden op om de Vorst des Vredes te weerstaan. “En de vorsten beraadslagen te zamen.” Zij voeren hun oorlog listig, niet met dwaze haast, maar weloverwogen. Zij gebruiken alle vaardigheid die kunst kan verlenen. Zoals Farao roepen zij: “Laat ons wijselijk met hen handelen.” O, dat mensen in Gods dienst maar half zo zorgvuldig waren om Hem wijs te dienen als Zijn vijanden erop uit zijn Zijn koninkrijk listig aan te vallen. Zondaars zijn scherpzinnig, en toch zijn heiligen traag van begrip.
Maar wat zeggen zij? Wat is de betekenis van deze opschudding? “Laat ons hun banden verscheuren.” “Laat ons vrij zijn om allerlei gruwelen te bedrijven. Laat ons onze eigen goden zijn. Laat ons ons ontdoen van alle bedwang.” Vermetel geworden door het verraderlijke voorstel van opstand voegen zij eraan toe — “en van ons werpen”; alsof het een gemakkelijke zaak was — “laat ons hun touwen van ons werpen.” Wat! O gij koningen, denkt gij dat gij Simsons zijt? En zijn de banden van de Almacht slechts als groene twijgen voor u? Droomt gij dat gij de bevelen van God — de besluiten van de Allerhoogste — zult verbreken en vernietigen alsof zij slechts vlas waren? En zegt gij: “Laat ons hun touwen van ons werpen”?
Ja! Er zijn vorsten geweest die zo gesproken hebben, en er zijn nog altijd opstandelingen op tronen. Hoe dwaas het besluit ook is om zich van God los te scheuren, het is een besluit waarin de mens sinds zijn schepping heeft volhard, en hij blijft erin volharden tot op de dag van vandaag. De glorierijke heerschappij van Jezus in de laatste dagen zal niet voltooid worden voordat een vreselijke strijd de volken heeft doen sidderen. Zijn komst zal zijn als het vuur van een smelter en als het zeep van de voller, en de dag daarvan zal branden als een oven. De aarde heeft haar rechtmatige Vorst niet lief, maar klemt zich vast aan de heerschappij van de overweldiger: de vreselijke strijd van de laatste dagen zal zowel de liefde van de wereld voor de zonde als de macht van Jehovah om het koninkrijk te geven aan Zijn eniggeboren Zoon illustreren. Voor een genadeloze nek is het juk van Christus ondraaglijk, maar voor de behouden zondaar is het zacht en licht. Hieraan kunnen wij onszelf beoordelen: hebben wij dat juk lief, of willen wij het van ons afwerpen?
Vers 4. Laten wij nu onze ogen afwenden van de goddeloze raadkamer en de woedende opschudding van de mens, naar de verborgen plaats van de majesteit van de Allerhoogste. Wat zegt God? Wat zal de Koning doen met de mensen die Zijn eniggeboren Zoon, de Erfgenaam van alle dingen, verwerpen?
Let op de stille waardigheid van de Almachtige en op de verachting die Hij uitstort over de vorsten en hun woedende volk. Hij neemt de moeite niet op te staan en met hen te strijden — Hij veracht hen. Hij weet hoe belachelijk, hoe onredelijk, hoe zinloos hun pogingen tegen Hem zijn — daarom lacht Hij hen uit.
Vers 5. Nadat Hij gelachen heeft, zal Hij spreken; Hij hoeft niet te slaan; de adem van Zijn lippen is genoeg. Op het ogenblik dat hun macht op haar hoogtepunt is en hun woede het hevigst, dan zal Zijn Woord tegen hen uitgaan. En wat zegt Hij? — het is een zeer pijnlijke uitspraak — “Toch,” zegt Hij, “ondanks uw boosaardigheid, ondanks uw tumultueuze bijeenkomsten, ondanks de wijsheid van uw raadgevingen, ondanks de sluwheid van uw wetgevers: ‘Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid’.“
Is dat geen grootse uitroep! Hij heeft reeds gedaan wat de vijand wil verhinderen. Terwijl zij voorstellen doen, heeft Hij de zaak beschikt. Jehovah’s wil is geschied, en de wil van de mens knaagt en raast tevergeefs. Gods Gezalfde is aangesteld en zal niet teleurgesteld worden.
Zie terug door alle eeuwen van ongeloof, luister naar de hoge en harde dingen die mensen tegen de Allerhoogste hebben gesproken, hoor het rollende gedonder van de salvo’s van de aarde tegen de Majesteit van de hemel, en bedenk dan dat God al die tijd zegt: “Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.” Toch regeert Jezus, toch ziet Hij van de arbeid Zijner ziel, en “Zijn lijdenloos koninkrijk zal toch komen” wanneer Hij Zijn grote macht aan Zich zal nemen en zal regeren van de rivier tot aan de einden der aarde.
Nu reeds regeert Hij in Sion, en onze verheugde lippen laten de lof van de Vorst des Vredes weerklinken. Er mogen hier nog grotere strijden voorzegd worden, maar wij mogen vertrouwen dat de overwinning aan onze Heere en Koning zal worden gegeven. Glorierijke triomfen moeten nog komen; verhaast ze, wij bidden U, o Heere! Het is Sions heerlijkheid en vreugde dat haar Koning in haar is, haar behoedend voor vijanden en haar vervullend met goede dingen. Jezus zit op de troon van genade en op de troon van macht te midden van Zijn gemeente. In Hem is Sions beste bescherming; laten haar burgers zich in Hem verblijden.
“Uw muren zijn sterkte, en aan uw poorten Wacht een wacht van hemelse krijgers; Ook zullen uw diepe fundamenten niet wankelen, Gegrond op Zijn raad en Zijn liefde. Uw vijanden doen tevergeefs hun plannen; Tegen Zijn troon woeden zij tevergeefs, Als rijzende golven met een boze brul, Die tegen de kust slaan en sterven.”
Vers 7. Deze psalm heeft iets van een dramatische vorm, want nu wordt een ander persoon sprekend ingevoerd. Wij hebben gekeken in de raadkamer van de goddelozen en naar de troon van God, en nu aanschouwen wij de Gezalfde Die Zijn rechten van heerschappij verkondigt en de verraders waarschuwt voor hun ondergang.
God heeft gelachen om de raad en de razernij van de goddelozen, en nu treedt Christus, de Gezalfde, Zelf naar voren, als de opgestane Verlosser, “krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden.” (Romeinen 1:4). Terwijl Hij in de toornige gezichten van de opstandige koningen ziet, lijkt de Gezalfde te zeggen: “Als dit niet volstaat om u het zwijgen op te leggen: ‘Ik zal van het besluit verhalen’.”
Welnu, dit besluit staat rechtstreeks in strijd met het plan van de mens, want de strekking ervan is de vestiging van juist die heerschappij waartegen de volken razen. “Gij zijt Mijn Zoon.” Hier is een edel bewijs van de glorierijke Godheid van onze Immanuël. “Want wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd?” Wat een barmhartigheid, een goddelijke Verlosser te hebben op Wie wij ons vertrouwen kunnen vestigen! “Heden heb Ik U gegenereerd.”
Als dit betrekking heeft op de Godheid van onze Heere, laten wij dan niet proberen dit te doorgronden, want het is een grote waarheid, een waarheid die met eerbied ontvangen moet worden, maar niet oneerbiedig onderzocht. Er kan aan worden toegevoegd dat, als dit betrekking heeft op de Gegenereerde in Zijn menselijke natuur, wij ook hier ons in het mysterie moeten verblijden, maar niet moeten trachten de heiligheid ervan te schenden door een opdringerig gluren in de geheimen van de eeuwige God. De dingen die geopenbaard zijn, zijn genoeg, zonder dat wij ons in ijdele bespiegelingen wagen. Bij pogingen om de Drie-eenheid te omschrijven of het wezen van de Godheid te onthullen, zijn veel mensen zichzelf kwijtgeraakt: hier zijn grote schepen vergaan. Wat hebben wij in zo’n zee te maken met onze brozige bootjes?
Vers 8. “Eis van Mij.” Het was een gewoonte onder grote koningen om aan begunstigden te geven wat zij ook maar vroegen. (Zie Esther 5:6; Mattheüs 14:7.) Zo hoeft Jezus slechts te eisen en Hij ontvangt. Hier verklaart Hij dat Zijn eigen vijanden Zijn erfdeel zijn. In hun gezicht verkondigt Hij dit besluit, en “Zie hier!” roept de Gezalfde, terwijl Hij in die eens doorboorde hand de scepter van Zijn macht omhooghoudt, “Hij heeft Mij dit gegeven, niet alleen het recht om koning te zijn, maar de macht om te overwinnen.”
Ja! Jehovah heeft aan Zijn Gezalfde een ijzeren roede gegeven waarmee Hij opstandige volken in stukken zal slaan, en ondanks hun keizerlijke kracht zullen zij slechts zijn als pottenbakkersvaten, gemakkelijk in scherven geslagen wanneer de ijzeren roede zich in de hand van de almachtige Zoon van God bevindt. Wie niet wil buigen, moet breken. Pottenbakkersvaten zijn niet te herstellen wanneer zij in stukken geslagen zijn, en de ondergang van zondaren zal hopeloos zijn als Jezus hen slaat.
“Gij zondaars, zoekt Zijn genade, Wiens toorn gij niet kunt dragen; Vlucht naar de schuilplaats van Zijn kruis, En vindt daar zaligheid.”
Vers 10. Het tafereel verandert opnieuw, en er wordt raad gegeven aan hen die raad hebben gehouden om te rebelleren. Zij worden aangespoord te gehoorzamen en de kus van hulde en liefde te geven aan Hem Die zij gehaat hebben.
-
“Handelt verstandiglijk.” — Het is altijd wijs bereid te zijn onderricht te ontvangen, vooral wanneer dat onderricht strekt tot behoud van de ziel. “Nu dan, handelt verstandiglijk”; stel het niet langer uit, maar laat goede redenen bij u wegen. Uw strijd kan niet slagen, houdt daarom op en geeft u van harte over aan Hem Die u zal doen buigen als u Zijn juk weigert. O, hoe wijs, hoe oneindig wijs is gehoorzaamheid aan Jezus, en hoe vreselijk is de dwaasheid van hen die Zijn vijanden blijven!
-
“Dient den HEERE met vreze”; laat eerbied en nederigheid zich met uw dienst vermengen. Hij is een grote God, en gij zijt slechts nietige schepselen; buigt u daarom in nederige aanbidding, en laat een kinderlijke vrees zich vermengen met al uw gehoorzaamheid aan de grote Vader der Eeuwen.
-
“En verheugt u met beving” — Er moet altijd een heilige vrees vermengd zijn met de blijdschap van de christen. Dit is een heilig mengsel dat een zoete geur geeft, en wij moeten erop letten dat wij op het altaar geen ander branden. Vrees zonder blijdschap is foltering; en blijdschap zonder heilige vrees zou aanmatiging zijn.
Let op het plechtige argument voor verzoening en gehoorzaamheid. Het is iets vreselijks om te vergaan te midden van de zonde, juist op de weg van de opstand; en toch, hoe gemakkelijk kon Zijn toorn ons plotseling vernietigen. Het is niet nodig dat Zijn toorn zevenmaal heter wordt gestookt; laat de brandstof maar een weinig ontbranden, en wij worden verteerd. O zondaar! Wacht u voor de verschrikkingen des Heeren; want “onze God is een verterend vuur”.
Let op de zegenspreuk waarmee de psalm eindigt: “Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.” Hebben wij deel aan deze zaligheid? Vertrouwen wij op Hem? Ons geloof mag zo dun zijn als een spinnendraad; maar als het echt is, zijn wij naar de mate daarvan zalig. Hoe meer wij vertrouwen, hoe voller wij deze zaligheid zullen kennen. Wij kunnen de psalm daarom besluiten met het gebed van de apostelen: “Heere, vermeerder ons het geloof.”
De eerste psalm was een tegenstelling tussen de rechtvaardige en de zondaar; de tweede psalm is een tegenstelling tussen de woelige ongehoorzaamheid van de goddelijke wereld en de zekere verhoging van de rechtvaardige Zoon van God. In de eerste psalm zagen wij de goddelozen weggedreven als kaf; in de tweede psalm zien wij hen verbrijzeld als een pottenbakkersvat. In de eerste psalm aanschouwden wij de rechtvaardige als een boom, geplant aan waterbeken; en hier zien wij Christus, het Verbondshoofd van de rechtvaardigen, gemaakt tot iets beters dan een boom aan waterbeken, want Hij is gemaakt tot Koning van alle eilanden, en alle heidenen buigen voor Hem en kussen het stof; terwijl Hij Zelf een zegen geeft aan allen die op Hem betrouwen.
De twee psalmen zijn de allerdiepste aandacht waard; zij zijn in feite de voorrede van het hele Boek der Psalmen, en werden door sommigen van de ouden tot één samengevoegd. Het zijn echter twee psalmen; want Paulus spreekt van deze als de tweede psalm (Handelingen 13:33). De eerste toont ons het karakter en het lot van de rechtvaardigen; en de volgende leert ons dat de psalmen messiaans zijn en spreken van Christus, de Messias — de Vorst Die zal regeren van de rivier tot aan de einden der aarde. Dat zij beide een vérstrekkend profetisch uitzicht hebben, weten wij zeker, maar wij voelen ons niet bekwaam om die zaak te ontsluiten, en moeten haar aan bekwamere handen overlaten.
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Vers 1. “Waarom woeden de heidenen”, maken zij lawaai, razen zij? Het Hebreeuwse werkwoord drukt geen innerlijk gevoel uit, maar de uiterlijke onrust die daarop wijst. Er kan een zinspeling zijn op het rollen en bulderen van de zee, die zowel in de Schrift als bij de klassieke schrijvers vaak als zinnebeeld van volksopschudding wordt gebruikt. De verleden tijd van dit werkwoord (Waarom hebben zij gewoed?) verwijst naar de opschudding als reeds begonnen, terwijl de toekomende tijd in de volgende zinsnede haar voortduren uitdrukt. — J. A. Alexander, D.D., 1850.
Vers 1. “Woeden.” Het woord waarmee Paulus dit in het Grieks weergeeft, duidt op woede, trots en koppigheid, zoals van paarden die hinniken en zich in de strijd storten. Efruaxag, van Fruassw, snuiven of hinniken, eigenlijk gezegd van een vurig paard. Zie Handelingen 4:25.
Vers 1. “IJdelheid.” Door Diocletianus werd een gedenkpenning geslagen, die nog bestaat, met het opschrift: “De naam van de christenen is uitgeroeid.” En in Spanje werden twee gedenkzuilen opgericht, waarop geschreven stond: I. “Diocletianus Jovius, Maximianus Herculeus, Caesars, Augusti, omdat zij het Romeinse Rijk in het oosten en het westen hebben uitgebreid en de naam van de christenen hebben uitgeroeid, die de Republiek ten val hebben gebracht.” II. “Diocletianus Jovius, Maximianus Herculeus, Caesars, Augusti, omdat zij Galerius in het oosten hebben aangenomen, overal het bijgeloof van Christus hebben afgeschaft en de verering van de goden hebben uitgebreid.”
Zoals een moderne schrijver fraai heeft opgemerkt: “Wij hebben hier een gedenkteken opgericht door het heidendom, boven het graf van zijn overwonnen vijand. Maar hierin ‘bedachten de volken ijdelheid’; verre van gestorven te zijn, stond het christendom op de vooravond van zijn uiteindelijke en blijvende triomf, en de steen bewaakte een graftombe die zo leeg was als de urn die Elektra met haar tranen wies. Noch in Spanje, noch elders kan de begraafplaats van het christendom worden aangewezen; zij bestaat niet, want de levenden hebben geen graf.”
Verzen 1-4. Herodes, de vos, smeedde plannen tegen Christus om de loop van Zijn bediening en middelaarschap te belemmeren, maar hij kon zijn onderneming niet uitvoeren; zo gaat het steeds, daarom wordt gezegd: “Waarom bedenken de volken ijdelheid?” Een ijdele zaak, omdat het een zaak zonder uitkomst is; hun handen konden haar niet uitvoeren. Zij was ijdel, niet alleen omdat er geen ware grond in de rede was waarom zij zoiets zouden bedenken of doen, maar ook ijdel omdat zij tevergeefs arbeidden; zij konden het niet doen, en daarom volgt: “Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.” De Heere ziet wat dwazen zij zijn, en de mensen (ja, zijzelf) zullen het zien.
De profeet geeft ons daarvoor een sierlijke beschrijving. Jesaja 59:5, 6. “Zij weven spinnewebben … Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken.” Alsof hij zei: zij hebben plannen bedacht en dingen in een fraaie vorm gezet om vliegen te vangen; zij hebben een fijne draad uit hun hersenen gesponnen, zoals de spin dat uit haar ingewanden doet; zo is hun web, maar als zij hun web hebben, kunnen zij het niet uitsnijden of tot een kleed maken. Zij zullen naakt en koud gaan, ondanks al hun spinnen en weven, al hun plannen smeden en bedenken. De eerstvolgende bezem die komt, zal al hun webben wegvegen, en de spinnen ook, tenzij zij snel wegkruipen. God houdt ervan, en vindt er behagen in, wereldse spreekwoorden en wereldse sluwheid te doorkruisen. — Joseph Caryl, 1647.
Vers 2. De velen hadden hun deel gedaan, en nu tonen de machtigen zich. — John Trapp.
Vers 2. “Zij hebben zich verbonden tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde.” Maar waarom hebben zij zich verbonden tegen den Heere, of tegen Zijn Gezalfde? Wat begeerden zij van Hem? Zijn goederen te hebben? Nee, Hij had er geen voor Zichzelf; maar zij waren rijker dan Hij. Zijn vrijheid te hebben? Nee, dat zou hun niet genoeg zijn, want zij hadden Hem al gebonden. Het volk tegen Hem in te nemen? Nee, dat zou hun niet dienen, want dat hadden zij al gedaan, totdat zelfs Zijn discipelen van Hem gevlucht waren. Wat wilden zij dan? Zijn bloed? Ja, “zij hielden raad”, zegt Mattheüs, “om Hem ter dood te brengen.” Zij hadden de gezindheid van de duivel, die alleen door de dood bevredigd wordt. En hoe beramen zij dit? Hij zegt: “zij hielden raad daarover.” — Henry Smith, 1578.
Vers 2. “Tegen Jehovah en tegen Zijn Gezalfde.” Wat een eer was het voor David om zo openlijk met Jehovah verbonden te worden! En omdat hij ZIJN gezalfde was, een voorwerp van haat en spot te zijn voor de goddeloze wereld! Als juist deze omstandigheid de schuld van deze verblinde heidenen vreselijk vermeerderde en hun ondergang bezegelde, dan was het stellig dit wat, boven alles, de geest van David kalm en rustig zou bewaren, ja, vredig en blij ondanks de trotse en opschepperige hoogmoed van zijn vijanden. … Toen David deze psalm schreef, was hij als een man in een storm, die slechts het loeien van de tempeest hoort of niets ziet dan de woedende golven die aan alle kanten verderf dreigen. En toch stelde zijn geloof hem in staat te zeggen: “De volken bedenken ijdelheid.” Zij kunnen niet slagen. Zij kunnen de raadsbesluiten van de hemel niet verijdelen. Zij kunnen de Gezalfde des Heeren geen kwaad doen. — David Pitcairn, 1851.
Vers 3. Zij waren vastbesloten zich aan losbandigheid over te geven, als wetteloos en zonder ontzag, en daarom belasteren zij de zoete wetten van Christus’ koninkrijk als banden en dikke touwen, die tekenen van slavernij zijn (Jeremia 27:2, 6, 7). Maar wat zegt onze Zaligmaker? “Mijn juk is zacht en Mijn last is licht.” Het is voor een wedergeboren mens niet meer last dan vleugels voor een vogel. De wet van Christus is niet meer als banden en touwen, maar als gordels en kousenbanden die zijn lendenen omgorden en zijn loop bespoedigen. — John Trapp.
Vers 4. “Die in den hemel woont.” Hiermee wordt duidelijk aangegeven: (1) dat de Heere ver verheven is boven al hun boosaardigheid en macht; (2) dat Hij al hun plannen ziet, omdat Hij op alles neerziet; (3) dat Hij van almachtige kracht is en dus met Zijn vijanden kan doen wat Hij wil. “Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.” (Psalm 115:3). — Arthur Jackson, 1643.
Vers 4. “Die in den hemel woont, zal lachen”, enz. De dwaasheden van zondaars zijn het rechtmatige speelgoed van Gods oneindige wijsheid en macht; en die pogingen van het koninkrijk van Satan, die in onze ogen ontzagwekkend zijn, zijn in de Zijne verachtelijk. — Matthew Henry.
Vers 4. “Die in den hemel woont, zal lachen.” Zij bespotten ons, God lacht hen uit. Lachen? Dit lijkt op het eerste gezicht een hard woord: zijn de onrechten die Zijn heiligen aangedaan worden, de wreedheden van hun vijanden, de bespotting, de vervolging van allen die om ons heen zijn, niet meer dan stof voor gelach? De strenge Cato meende dat lachen de ernst van Romeinse consuls niet paste; dat het een vermindering van staatswaardigheid is, zoals een ander tot vorsten zei; en wordt het toegeschreven aan de Majesteit van de hemel? Naar ons bevattingsvermogen beschrijft de profeet God zoals wij zelf zouden zijn in een vrolijke stemming, spottend met vergeefse pogingen. Hij lacht, maar het is in verachting; Hij veracht, maar het is met wraak. Farao dacht dat hij door de mannelijke Israëlieten te verdrinken een manier had gevonden om hun naam van de aarde uit te roeien; maar toen tegelijkertijd zijn eigen dochter, aan zijn eigen hof, aan Mozes, hun bevrijder, een vorstelijke opvoeding gaf, lachte God toen niet?
Kort is de blijdschap van de goddelozen. Is Dagon weer op zijn plaats gezet? Gods glimlach zal zijn hoofd en zijn handen afnemen en hem noch verstand om te leiden noch macht om te bestaan overlaten. … Wij mogen Gods werken niet beoordelen voor het vijfde bedrijf: de zaak, die er uiterlijk jammerlijk en hopeloos uitziet, kan met één glimlach uit de hemel een gezegende uitkomst vinden. Hij liet toe dat Zijn tempel werd geplunderd en beroofd, dat de heilige vaten werden ontheiligd en eruit werd gezwelgd; maar deed Gods glimlach Belsazar niet sidderen bij het schrift op de muur? O, wat zijn Zijn frons dan, als Zijn glimlach zo schrikwekkend is! — Thomas Adams.
Vers 4. De uitdrukking “Die in den hemel woont” richt onze gedachten terstond op een wezen dat oneindig verheven is boven de mens, die van de aarde is, aards. En wanneer er wordt gezegd: “HIJ zal lachen”, is dit woord bedoeld om ons de gedachte over te brengen dat de grootste verbonden tussen koningen en volken, en hun uitgebreidste en krachtigste voorbereidingen om ZIJN plannen te verijdelen of ZIJN knechten te schaden, in ZIJN ogen volstrekt onbeduidend en waardeloos zijn. HIJ ziet hun armzalige en nietige pogingen niet alleen zonder onrust of vrees aan, maar HIJ lacht om hun dwaasheid; HIJ behandelt hun onmacht met bespotting. Hij weet hoe HIJ hen als een mot kan verpletteren wanneer HIJ wil, of hen in een ogenblik kan verteren met de adem van ZIJN mond. Hoe nuttig is het voor ons aan zulke waarheden herinnerd te worden! Ach! het is inderdaad “ijdelheid” dat de potscherven der aarde strijden met de glorierijke Majesteit van de Hemel. — David Pitcairn.
Vers 4. “De Heere”, in het Hebreeuws Adonai, betekent mystiek mijn steunen, of mijn onderhouders — mijn pijlers. Ons Engelse woord “Lord” heeft ongeveer dezelfde kracht, want het is samengetrokken uit het oude Saksische woord “Llaford” of “Hlafford”, dat komt van “Laef”, onderhouden, verkwikken, koesteren. — Henry Ainsworth.
Vers 4. “Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.” Deze tautologie of herhaling van dezelfde zaak, die in de Schriften vaak voorkomt, is een teken dat de zaak vaststaat: overeenkomstig het gezag van de patriarch Jozef (Genesis 41:32). Nadat hij de dromen van Farao had uitgelegd, zei hij: “En aangaande, dat die droom aan Farao ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.” En daarom is ook hier “zal lachen” en “zal hen bespotten” een herhaling om aan te tonen dat er geen twijfel mag zijn dat al deze dingen zeer zeker zullen gebeuren. En de genadige Geest doet dit alles tot onze vertroosting en bemoediging, opdat wij niet bezwijken onder de verzoeking, maar ons hoofd opheffen met de zekerste hoop; want “Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.” (Hebreeën 10:37). — Maarten Luther.
Vers 5. “Verschrikken”; ofwel door de gruwel van het geweten, ofwel door lichamelijke plagen; op de een of andere wijze zal Hij hen krijgen waar Hij recht op heeft, zoals Hij altijd de vervolgers van Zijn volk gekregen heeft. — John Trapp.
Verzen 5, 9. Het is gemakkelijk voor God Zijn vijanden te vernietigen. … Zie Farao, zijn wijzen, zijn legers en zijn paarden ploeterend en spartelend en als lood zinkend in de Rode Zee. Hier is het einde van een van de grootste samenzweringen die ooit tegen Gods uitverkorenen zijn gesmeed.
Van dertig Romeinse keizers, landvoogden en anderen in hoge ambten, die zich door hun ijver en bitterheid in het vervolgen van de eerste christenen onderscheidden, raakte er een snel krankzinnig na een gruwelijke wreedheid. Een werd door zijn eigen zoon gedood, een werd blind, bij een sprongen de ogen uit het hoofd, een verdronk en een werd gewurgd. Een stierf in ellendige gevangenschap en een viel dood neer op een wijze die niet te vertellen is. Een stierf aan zo’n walgelijke ziekte dat verscheidene van zijn artsen werden gedood omdat zij de stank die zijn kamer vulde niet konden verdragen. Twee pleegden zelfmoord, een derde probeerde het maar moest om hulp roepen om het werk te voltooien, en vijf werden vermoord door hun eigen volk of dienaren. Vijf anderen stierven de ellendigste en meest folterende dood, waarbij verscheidenen aan een onbeschrijflijke opeenhoping van ziekten leden, en acht werden gedood in de strijd of nadat zij gevangen genomen waren.
Onder hen was Julianus de afvallige. In de dagen van zijn voorspoed zou hij zijn dolk naar de hemel hebben gericht, de Zoon van God tartend, Wie hij gewoonlijk de Galileeër noemde. Maar toen hij in de strijd gewond werd, zag hij dat alles voor hem voorbij was, en hij greep zijn geklonterde bloed, wierp het in de lucht en riep: “Gij hebt overwonnen, o Galileeër.” Voltaire heeft ons verteld van de doodsangsten van Karel IX van Frankrijk, die het bloed door de poriën van de huid van die ellendige monarch dreven, na zijn wreedheden en verraad jegens de Hugenoten. — William S. Plumer, D.D., L.L.D., 1867.
Vers 6. “Ik toch heb Mijn Koning gezalfd.” Let op:
-
Het koninklijke ambt en karakter van onze glorierijke Verlosser: Hij is een Koning, “Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven.” (Openbaring 19:16).
-
Het gezag waarmee Hij regeert: Hij is “Mijn Koning”, zegt God de Vader, en Ik heb Hem van eeuwigheid aangesteld: “Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven.” De wereld verloochent Zijn gezag, maar Ik erken het; Ik heb Hem gezet, Ik heb “Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.”
-
Zijn bijzondere koninkrijk waarover Hij regeert: het is over “Mijn heilige berg Sion” — een voortreffelijk voorbeeld van de evangeliegemeente. De tempel werd gebouwd op de berg Sion en werd daarom een heilige berg genoemd. Christus’ troon is in Zijn gemeente, zij is Zijn hoofdkwartier en de plaats van Zijn bijzondere verblijf.
Let op de vastheid van het goddelijke voornemen ten aanzien van deze zaak. “Ik toch heb” Hem “tot Koning gezalfd”; dat wil zeggen: welke plannen van hel en aarde er ook tegen zijn, Hij regeert krachtens de aanstelling van Zijn Vader. — Stephen Charnock, 1628-1680.
Vers 6. “Ik toch heb Mijn KONING gezalfd”, enz. — Jezus Christus is een drievoudig Koning. Ten eerste de Koning van Zijn vijanden; ten tweede de Koning van Zijn heiligen; ten derde de Koning van Zijn Vader.
Ten eerste is Christus de Koning van Zijn vijanden, dat wil zeggen dat Hij Koning is over Zijn vijanden. Christus is een Koning boven alle koningen. Wat zijn alle machtigen, de groten, de eervolle mensen van de aarde voor Jezus Christus? Zij zijn slechts als een klein belletje in het water; want als alle volken, in vergelijking met God, slechts zijn als een druppel van een emmer of een stofje van de weegschaal, zoals de profeet spreekt in Jesaja 40:15, hoe klein moeten dan de koningen der aarde zijn! Nee, geliefden, Christus Jezus is niet alleen hoger dan koningen, maar Hij is hoger dan de engelen; ja, Hij is het Hoofd van de engelen, en daarom wordt aan alle engelen in de hemel bevolen Hem te aanbidden. (Kolossenzen 2:12; Hebreeën 1:6). … Hij is Koning over alle koninkrijken, over alle volken, over alle regeringen, over alle machten, over alle mensen. (Daniël 7:14). … De heidenen zelf zijn aan Christus gegeven, en de einden der aarde tot Zijn bezitting. (Psalm 2:8).
Ten tweede is Jezus Christus de Koning van Zijn heiligen. Hij is Koning van de slechten en van de goeden; maar de goddelozen regeert Hij door Zijn macht en kracht; de heiligen echter regeert Hij in hen door Zijn Geest en genade. O! dit is Christus’ geestelijke koninkrijk, en hier regeert Hij in de harten van Zijn volk, hier regeert Hij over hun consciënties, over hun wil, over hun gevoelens, over hun oordeel en verstand, en niemand heeft hier iets te doen dan Christus. Christus is niet alleen de Koning der volken, maar de Koning der heiligen; over de eersten regeert Hij, in de anderen regeert Hij.
Ten derde is Jezus Christus ook de Koning van Zijn Vader, en zo noemt Zijn Vader Hem: “Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.” Terecht mag Hij onze Koning zijn, als Hij Gods Koning is. Maar u zult zeggen: hoe is Christus de Koning van de Vader? Omdat Hij regeert voor Zijn Vader. Er is een tweevoudig koninkrijk van God aan Jezus Christus toevertrouwd; ten eerste een geestelijk koninkrijk, waardoor Hij regeert in de harten van Zijn volk en zo Koning der heiligen is; en ten tweede een voorzienig koninkrijk, waardoor Hij de zaken van deze wereld bestuurt en zo Koning der volken is. — Samengevat naar William Dyer, Christ’s Famous Titles, 1665.
Vers 6. “Sion.” De naam “Sion” betekent “uitzicht in de verte” (speculam). En de kerk wordt “een uitkijkpost” (specula) genoemd, niet alleen omdat zij God en de hemelse dingen door het geloof (dat wil zeggen: van verre) beziet, wijs zijnde voor de dingen die boven zijn, niet voor die welke op de aarde zijn; maar ook omdat er in haar ware kijkers of zieners en wachters in de geest zijn, wier taak het is zorg te dragen voor het volk dat onder hen is, en te waken tegen de strikken van vijanden en zonden. Dezen worden in het Grieks opzieners (episkopoi) genoemd, dat wil zeggen verspieders of zieners; en om dezelfde reden kunt u hun, naar het Hebreeuws, de benaming van Sionisten of Sionieten geven. — Maarten Luther.
Vers 7. Het twistgesprek over de eeuwige zoonschap van onze Heere verraadt meer aanmatigende nieuwsgierigheid dan eerbiedig geloof. Het is een poging om uit te leggen waar het veel beter is te aanbidden. Wij zouden wedijverende uitleggingen van dit vers kunnen geven, maar wij onthouden ons daarvan. Deze twist is een van de onvruchtbaarste die ooit de pennen van theologen bezig hebben gehouden. — C. H. S.
Vers 8. “Eis van Mij.” Het priesterschap lijkt niet met enige andere uitdrukking op Christus te zijn gevestigd dan met deze: “Eis van Mij.” De psalm spreekt van Zijn bekleding met Zijn koninklijk ambt; de apostel betrekt dit op Zijn priesterschap; Zijn volmacht voor beide dagtekent van hetzelfde ogenblik; beide geschonken, beide bevestigd door hetzelfde gezag. Het ambt van eisen berust op hetzelfde gezag als de eer van koning. Regeren behoorde tot Zijn koninklijk ambt, eisen tot Zijn priesterlijke. Na Zijn opstanding geeft de Vader Hem een macht en bevel tot eisen. — Stephen Charnock.
Vers 8. Zoals de schilder kijkt naar de persoon wiens portret hij wil maken en zijn lijnen trekt om hem zo nauwkeurig mogelijk gelijkend weer te geven, zo ziet God op Christus als het oerbeeld waaraan Hij de heilige gelijkvormig wil maken, in lijden, in genade, in heerlijkheid; maar zo dat Christus in alles de voorrang heeft. Elke heilige moet lijden, omdat Christus geleden heeft: Christus mag geen verwend lichaam onder een gekruisigd Hoofd hebben; en toch heeft nooit iemand geleden, of kon iemand lijden, wat Hij doorstaan heeft. Christus is heilig, en daarom zal ook elke heilige het zijn, maar in mindere mate; een beeld dat in klei is gesneden, kan niet zo nauwkeurig zijn als dat wat in goud is gegraveerd.
Onze gelijkvormigheid aan Christus blijkt nu hierin, dat zoals de beloften die aan Hem zijn gedaan, op Zijn gebeden tot Zijn Vader werden vervuld, Zijn beloften aan Zijn heiligen hun op dezelfde wijze van het gebed worden gegeven: “Eis van Mij”, zegt God tot Zijn Zoon, “en Ik zal het U geven.” En de apostel zegt ons: “Gij hebt niet, omdat gij niet bidt.” God heeft Christus ondersteuning beloofd in al Zijn strijd. Jesaja 42:1. “Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun”; toch bad Hij “met sterke roepingen en tranen” toen Zijn voeten binnen de schaduw des doods stonden. Hem is een zaad beloofd, en overwinning over Zijn vijanden, en toch bidt Hij voor beide. Christus handelt jegens ons als een Koning, maar jegens Zijn Vader als een Priester. Alles wat Hij tot God spreekt, is door gebed en voorbede. Zo maakt de belofte de heiligen tot koningen over hun begeerlijkheden en overwinnaars over hun vijanden; maar zij maakt hen tot priesters jegens God, doordat zij deze grote dingen die in de belofte geschonken zijn, door gebed nederig afsmeken. — William Gurnall, 1617-1679.
Vers 8. Men zal in onze Bijbel opmerken dat twee woorden van vers acht cursief zijn gedrukt, wat te kennen geeft dat zij geen vertaling zijn van het Hebreeuws, maar toevoegingen om de betekenis te verduidelijken. Welnu, als het “U” en het “tot” worden weggelaten, luidt het vers aldus: “Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven, Uw erfdeel, en Uw bezitting, de uiterste delen der aarde.” En deze lezing verdient beslist de voorkeur boven de andere. Zij houdt in dat God door een voorafgaande regeling reeds een erfdeel van de heidenen en het bezit van de aarde had toegewezen aan Degene van Wien Hij zegt: “Gij zijt Mijn Zoon.” En wanneer God zegt: “Ik zal geven”, enz., openbaart Hij aan Zijn Gezalfde niet zozeer waarin het erfdeel bestond en hoe groot het voor Hem bestemde bezit was, als wel de belofte van Zijn bereidheid het te schenken. De heidenen waren reeds “het erfdeel”, en de einden der aarde “het bezit”, die God voornemens was aan Zijn Gezalfde te geven. Nu zegt Hij tot Hem: “Eis van Mij”, en Hij belooft Zijn voornemen te vervullen. Dit is de gedachte die in de woorden van de tekst ligt besloten, en het belang ervan zal duidelijker worden wanneer wij de toepassing ervan overwegen op de geestelijke David, op de ware Zoon van God, “Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles.” — David Pitcairn.
Vers 9. De “roede” heeft in de Schrift verschillende betekenissen. Zij kon van verschillend materiaal zijn, omdat zij voor verschillende doeleinden werd gebruikt. Al vroeg kwam een houten staf in gebruik als een van de tekenen van het koningschap, onder de naam scepter. Geleidelijk nam de scepter in belang toe en werd hij beschouwd als kenmerkend voor een rijk of voor de regering van een bepaalde koning. Een gouden scepter wees op rijkdom en praal. De rechte scepter, waarvan wij lezen in Psalm 45:7, drukt de rechtvaardigheid en oprechtheid uit, de waarheid en billijkheid, die de regering van de Messias zullen kenmerken nadat Zijn koninkrijk op aarde gevestigd is.
Maar wanneer in Openbaring 19:15 wordt gezegd dat Hij, Wiens “naam wordt genoemd het Woord Gods”, de volken zal slaan en hen zal hoeden “met een ijzeren roede”, dan moet, als de roede “Zijn scepter” betekent, het “ijzer” waarvan zij gemaakt is, bedoeld zijn om de strengheid uit te drukken van de oordelen die de almachtige “Koning der koningen” zal brengen over allen die zich tegen Zijn gezag verzetten. Maar mij lijkt het twijfelachtig of de “ijzeren roede” de koninklijke scepter van de Zoon van God bij Zijn wederkomst verbeeldt. Zij wordt vermeld in verband met “een scherp zwaard”, waardoor ik de voorkeur geef aan de opvatting dat zij ook als een oorlogswapen moet worden beschouwd; in elk geval is de “ijzeren roede” die wordt genoemd in de psalm die wij trachten uit te leggen, kennelijk niet het zinnebeeld van soevereine macht, hoewel zij in de hand van een koning wordt voorgesteld, maar een werktuig van tuchtiging en straf. In die zin wordt het woord “roede” vaak gebruikt. … Wanneer de tuchtigende roede, die gewoonlijk een stok of een riet was, in deze tweede psalm van “ijzer” wordt voorgesteld, geeft dat slechts aan hoe zwaar, hoe streng, hoe doeltreffend de bedreigde tuchtiging zal zijn — zij zal niet alleen kneuzen, maar breken. “Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter.”
Welnu, het is juist zo’n volkomen breken als niet gemakkelijk zou worden bereikt behalve met een ijzeren roede, dat nog vollediger wordt uitgedrukt in het volgende zinsdeel van het vers: “Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.” De volledigheid van de vernietiging hangt echter van twee dingen af. Zelfs een ijzeren roede kan, als zij zacht wordt gebruikt of tegen een harde en vaste stof, weinig schade aanrichten; maar in het geval dat voor ons ligt, wordt aangenomen dat zij met grote kracht wordt toegepast: “Gij zult hen in stukken slaan”; en zij wordt toegepast op iets wat even bros en breekbaar zal blijken als “een pottenbakkersvat” — “Gij zult hen in stukken slaan.” … Hier, evenals in andere opzichten, moeten wij beseffen dat de voorspellingen en belpromises van deze psalm in de geschiedenis van de letterlijke David slechts zeer gedeeltelijk werden vervuld.
Hun ware vervulling, hun vreselijke voltooiing, wacht op de dag waarop de geestelijke David zal komen in heerlijkheid en majesteit als Sions Koning, met een ijzeren roede om het grote antichristelijke verbond van koningen en volken in stukken te slaan en bezit te nemen van Zijn lang beloofde en duur gekochte erfdeel. En de tekenen des tijds schijnen erop te wijzen dat de komst des Heeren nabij is. — David Pitcairn.
Vers 10. “Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk”, enz. Zoals Jezus de Koning der koningen en de Rechter der rechters is, zo is het evangelie de leraar van de grootsten en wijsten. Als sommigen zo groot zijn dat zij de vermaningen ervan verwerpen, zal God hen klein maken; en als zij zo wijs zijn dat zij de onderwijzing ervan verachten, zal hun ingebeelde wijsheid hen tot dwazen maken. Het evangelie slaat een hoge toon aan tegenover de heersers der aarde, en zij die het prediken, moeten, zoals Knox en Melville, hun ambt verheerlijken door onverschrokken bestraffingen en manhaftige uitspraken, zelfs in de tegenwoordigheid van de koning. Een geestelijke pluimstrijker is slechts geschikt om spoelknecht te zijn in de keuken van de duivel. — C. H. S.
Vers 11. “Dient den HEERE met vreze.” Deze vreze Gods bepaalt onze vreugde. Als u de vrees van de vreugde afneemt, wordt de vreugde lichtzinnig en uitgelaten; en als u de vreugde van de vrees afneemt, wordt de vrees slaafs. — William Bates, D.D., 1625-1699.
Vers 11. “Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.” Er zijn twee soorten van dienen en zich verblijden in God. Ten eerste een dienen in zorgeloosheid en een verheugen in den Heere zonder vreze; deze zijn eigen aan de huichelaars, die zorgeloos zijn, die zichzelf behagen en die zichzelf voorkomen niet nutteloze knechten te zijn en groot verdienste aan hun zijde te hebben, van wie gezegd wordt (Psalm 10:5): “Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem”; en ook verderop (Psalm 36:2): “Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.” Dezen doen te allen tijde gerechtigheid zonder enig oordeel; en zij laten Christus niet de Rechter zijn Die door allen gevreesd moet worden, in Wiens ogen geen levend mens gerechtvaardigd is.
Ten tweede een dienen met vreze en een verheugen met beving; deze zijn eigen aan de rechtvaardigen die te allen tijde gerechtigheden doen en beide altijd juist afstemmen; nooit zonder oordelen, aan de ene kant, waardoor zij verschrikt en tot wanhoop aan zichzelf en aan al hun eigen werken gebracht worden; noch zonder die gerechtigheid, aan de andere kant, waarop zij rusten en waarin zij zich verblijden in de barmhartigheid Gods. Het is het werk van het hele leven van deze mensen zichzelf in alle dingen aan te klagen en in alle dingen God te rechtvaardigen en te prijzen. En zo vervullen zij dat woord van Spreuken 28:14: “Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest”; en ook dat van Filippenzen 4:4: “Verblijdt u in den Heere te allen tijd.” Zo worden zij tussen de bovenste en de onderste molensteen (Deuteronomium 24:6) gebroken en vernederd, en nadat zo de dopvruchten eraf zijn geplet, komen zij tevoorschijn als de geheel zuivere tarwe van Christus. — Maarten Luther.
Vers 11. De vreze Gods bevordert de geestelijke blijdschap; zij is de morgenster die het zonlicht van de troost aankondigt. “Wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes.” God vermengt vreugde met vrees, opdat de vrees niet slaafs zou zijn. — Thomas Watson, 1660.
Vers 12. “Kust”, een teken van liefde onder gelijken: Genesis 33:4; 1 Samuël 20:41; Romeinen 16:16; 1 Korinthe 16:20. Van onderwerping bij lageren: 1 Samuël 10:1. Van godsdienstige aanbidding bij aanbidders: 1 Koningen 19:18; Job 31:27. — John Richardson, bisschop van Ardagh, 1655.
Vers 12. “Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne.” Van de Persoon, de Zoon, zullen wij overgaan tot de handeling (Osculamini, kust den Zoon); waarin wij zullen zien dat, omdat dit een handeling is die losbandige mensen hebben verdorven (vleselijke mensen doen het, en verraderlijke mensen doen het — Judas verried zijn Meester met een kus), en God dit toch gebiedt en er liefde in uitdrukt, niet alles wat misbruikt is of misbruikt kan worden daarom moet worden prijsgegeven. Het uit de weg ruimen van een zaak is niet het wegnemen van die zaak, maar goede dingen die door sommigen tot slecht gebruik zijn verdraaid, kunnen door anderen tot hun eerste goedheid worden teruggebracht.
Laten wij dan de goedheid van God overwegen en verheerlijken, Die ons in deze nabijheid heeft gebracht, dat wij den Zoon kunnen kussen, dat het uitdrukken van deze liefde in onze hand ligt, en dat, terwijl de liefde van de kerk in het Oude Testament, zelfs in het Hooglied, niet verder ging dan het Osculator me (“Hij kusse mij met de kussen Zijns monds!”Hooglied 1:2), Hij ons nu, in de christelijke kerk en in de bezoeking van een christelijke ziel, heeft uitgenodigd, en ons in staat stelt, Hem te kussen, want Hij is tegenwoordig onder ons. Dit brengt ons ertoe een ernstige overreding en aansporing te geven om den Zoon te kussen, met al die genegenheden die wij daarvoor in de Schriften zullen vinden uitgedrukt in dat getuigenis van ware liefde, een heilige kus.
Maar opdat die overreding door liefde niet krachtig en overtuigend genoeg voor ons zou zijn, zullen wij van die plicht afdalen naar het gevaar, van liefde naar vrees, “opdat Hij niet toorne”. Daarin zien wij eerst dat God, Die liefde is, toornig kan zijn; en dan dat deze God, Die hier toornig is, de Zoon van God is, Hij Die zoveel voor ons gedaan heeft en daarom rechtmatig toornig kan zijn; Hij Die onze Rechter is en Wiens toorn wij daarom redelijkerwijs moeten vrezen. En dan, in een derde tak, zullen wij zien hoe gemakkelijk deze toorn wijkt — een kus neemt haar weg.
Vers 12. “Kust den Zoon.” Dat wil zeggen: omhels Hem, steun op Hem in al deze opzichten: als uw Bloedverwant, als uw Vorst; bij uw heengaan, bij uw komen; bij uw verzoening, in de waarheid van de godsdienst in uzelf, in vreedzame eenheid met de kerk, in eerbiedige waardering van die mensen en die middelen die Hij zendt. Kus Hem en schaam u niet Hem te kussen; het is wat de bruid begeerde: “Ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.” (Hooglied 8:1). Als u veracht wordt omdat u Christus in Zijn Evangelie liefhebt, bedenk dan dat toen David gering werd geacht omdat hij voor de ark danste, zijn weg was nog geringer te worden. Als u lichtzinnig wordt gevonden omdat u ’s morgens naar de dienst dringt, wees dan nog lichtzinniger en kom ’s middags weer: “Tanto major requies, quanto ab amore Jesu nulla requies;”(Gregorius) “Hoe meer u uzelf inspant, of door anderen wordt gehinderd voor Christus, hoe meer vrede u hebt in Christus.” …
“Opdat Hij niet toorne.” Toorn, als een hartstocht die een mens verontrust, in wanorde brengt en van zijn stuk brengt, is niet in God; maar toorn, als een gevoelig onderscheiden van vijanden en vrienden, en van dingen die tot Zijn eer bijdragen of haar schaden, is wel in God. In een woord, Hilarius heeft het goed uitgedrukt: “Poena patientis, ira decernentis;” “Het lijden van de mens is Gods toorn.” Wanneer God zulke straffen oplegt als een rechtmatig vertoornde Koning zou doen, dan is God zo toornig. Nu is ons geval hier zwaarder; het is niet alleen deze grote, almachtige en majestueuze God Die toornig kan zijn — dat is aannemelijk genoeg; maar zelfs de Zoon, Die wij moeten kussen, kan toornig zijn; het is geen Persoon Die wij louter als God beschouwen, maar als mens; en ook niet louter als mens, maar als een worm en geen man, en Hij kan toornig zijn, en toornig tot ons verderf. …
“Kust den Zoon”, en Hij zal niet toornig zijn; als Hij het is, kus dan de roede, en Hij zal niet langer toornig zijn — heb Hem lief opdat Hij het niet zij: vrees Hem wanneer Hij toornig is. Het voorbehoedmiddel is gemakkelijk, en het herstellende middel evenzo: de balsem van deze kus is alles, om geestelijke melk te zuigen uit de linkerborst evenals uit de rechter, om barmhartigheid te vinden in Zijn oordelen, herstel in Zijn verwoestingen, feesten in Zijn vastentijden, vreugde in Zijn toorn. — Uit de preken van John Donne, D.D., deken van St. Paul’s, 1621-1631.
Vers 12. “Kust den Zoon.” Om vrede te maken met de Vader, kus den Zoon. “Hij kusse mij” was het gebed van de kerk (Hooglied 1:2). Laten wij Hem kussen — dat zij onze poging. Voorwaar, de Zoon moet ons eerst kussen door Zijn barmhartigheid, voordat wij Hem kunnen kussen door onze godvruchtigheid. Heere, schenk dat wij in deze wederzijdse kussen en wisselende omhelzingen nu mogen komen tot het volle bruiloftsmaal hierna; wanneer het koor van de hemel, ja de stemmen van de engelen, bruiloftsliederen, huwelijkszangen zullen zingen bij het feest van de Bruid des Lams. — Thomas Adams.
Vers 12. “Wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden”; het Hebreeuws is: als Zijn neus of neusgat maar een weinig ontstoken wordt. Het neusgat, een lichaamsdeel waarin de toorn zich vertoont, wordt voor de toorn zelf gezet. Bleekheid en snuiven door de neus zijn verschijnselen van toorn. In onze spreekwoorden is iets in de snuif nemen, iets in toorn opnemen. — Joseph Caryl.
Vers 12. “Zijn toorn.” Onuitsprekelijk moet de toorn Gods zijn wanneer hij volledig ontbrand is, aangezien het verderf reeds kan komen bij het slechts weinig ontbranden ervan. — John Newton.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
-
Gehele psalm: Toont ons de aard van de zonde en de vreselijke gevolgen ervan als zij zou kunnen regeren.
-
Vers 1: Niets is onredelijker dan goddeloosheid. Een gewichtig thema. De redenen waarom zondaars tegen God opstaan: genoemd, weerlegd, betreurd en er berouw over gehad. De kroon op de menselijke zonde is de haat van de mens tegen de Middelaar.
-
Verzen 1 en 2: Verzet tegen het evangelie: onredelijk en vruchteloos. Twee preken van John Newton. Deze verzen tonen dat alle vertrouwen op de mens in de dienst van God ijdel is. Aangezien mensen zich tegen Christus verzetten, is het niet goed ons vertrouwen te hangen aan de menigte vanwege haar aantal, aan de ernstigen vanwege hun ijver, aan de machtigen vanwege hun invloed of aan de wijzen vanwege hun raad, aangezien al dezen veel vaker tegen Christus zijn dan voor Hem.
-
Vers 2: “Spurgeon’s Sermons”, nr. 495, “De grootste beproeving op record.”
-
Vers 3: De ware reden van het verzet van zondaars tegen Christus’ waarheid: namelijk hun haat tegen de beperkingen van de godvruchtigheid.
-
Vers 4: Gods bespotting van de opstandigen, zowel nu als hierna.
-
Vers 5: De stem van de toorn. Een van een reeks preken over de stemmen van de goddelijke eigenschappen.
-
Vers 6: Christus’ soevereiniteit.
-
Het verzet ertegen: “toch.”
-
De zekerheid van haar bestaan: “Ik toch heb gezalfd.”
-
De macht die haar handhaaft: “heb Ik gezalfd.”
-
De plaats van haar openbaring: “over Sion, den berg Mijner heiligheid.”
-
De zegeningen die eruit voortvloeien.
-
-
Vers 7: Het goddelijke besluit aangaande Christus, in verband met de besluiten van verkiezing en voorzienigheid. De zoonschap van Jezus. Dit vers leert ons getrouw te verkondigen, en nederig te vorderen, de gaven en de roeping die God ons geschonken heeft. — Thomas Wilcocks.
-
Vers 8: Christus’ erfdeel. — William Jay. Gebed is onmisbaar. — Jezus moet eisen.
-
Vers 9: De ondergang van de goddelozen: zeker, onweerstaanbaar, vreselijk, volledig, onherstelbaar, “als een pottenbakkersvat.” De vernietiging van stelsels van dwaling en onderdrukking valt te verwachten. Het evangelie is een ijzeren roede die goed in staat is louter potten van mensenmaaksel te breken.
-
Vers 10: Ware wijsheid, geschikt voor koningen en rechters, ligt in gehoorzaamheid aan Christus. Het evangelie, een school voor hen die willen leren hoe zij goed kunnen regeren en oordelen. Zij kunnen de beginselen ervan overwegen, het voorbeeld ervan, de geest ervan, enz.
-
Vers 11: Gemengde ervaring. Zie het geval van de vrouwen die van het graf terugkeerden. (Mattheüs 28:8). Dit kan een zeer troostrijk onderwerp worden, als de Heilige Geest de geest van de prediker leidt. De ware godsdienst is een samenstel van vele deugden en gevoelens.
-
Vers 12: Een ernstige uitnodiging.
-
Het gebod.
-
Het argument.
-
De zegen over de gehoorzamen. “Spurgeon’s Sermons”, nr. 260.
-
-
Laatste zinsdeel: Aard, doel en zaligheid van het zaligmakend geloof.
WERK OVER DE TWEEDE PSALM
Zion’s King: the Second Psalm expounded in the Light of History and Prophecy. Door de weleerwaarde DAVID PITCAIRN. 1851.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

