PSALM 1
TITEL — Deze psalm kan worden beschouwd als DE VOORREDE-PSALM, omdat hij een aankondiging bevat van de inhoud van het hele Boek. Het is de wens van de psalmist ons de weg naar de zaligheid te wijzen en ons te waarschuwen voor de zekere ondergang van de zondaars. Dit is dan ook de inhoud van de eerste psalm, die in sommige opzichten kan worden gezien als de tekst waarop alle psalmen samen een goddelijke preek vormen.
INDELING — Deze psalm bestaat uit twee delen. In het eerste deel (van vers 1 tot en met vers 3) zet David uiteen waarin het geluk en de zaligheid van een godvruchtig mens bestaan, wat zijn oefeningen zijn en welke zegeningen hij van de Heere zal ontvangen. In het tweede deel (van vers 4 tot het einde) stelt hij daar de toestand en het karakter van de goddelozen tegenover, onthult hij hun toekomst en beschrijft hij in veelzeggende taal hun uiteindelijke ondergang.
UITLEG — Vers 1. “WELGELUKZALIG” — zie hoe dit Boek der Psalmen opent met een zegenspreuk, evenals de beroemde Bergrede van onze Heere! Het woord dat met “welgelukzalig” is vertaald, is een uiterst krachtig woord. In het origineel staat het in het meervoud, en het is een omstreden kwestie of het een bijvoeglijk of een zelfstandig naamwoord is. Hieruit kunnen wij de veelheid leren van de zegeningen die zullen rusten op de mens die door God is gerechtvaardigd, alsook de volmaaktheid en grootheid van de zaligheid die hij zal genieten. Wij zouden kunnen lezen: “O, de zaligheden!” en wij mogen het terecht opvatten (zoals Ainsworth doet) als een vreugdevolle uitroep over het geluk van de begenadigde mens. Moge diezelfde zegen op ons rusten!
Hier wordt de begenadigde mens zowel negatief (vers 1) als positief (vers 2) beschreven. Hij is een man die niet wandelt in de raad der goddelozen. Hij volgt wijzere raad en wandelt in de geboden van de Heere, zijn God. Voor hem zijn de wegen van de godvruchtigheid paden van vrede en lieflijkheid. Zijn voetstappen worden gericht door het Woord van God, en niet door de sluwe en goddeloze plannen van vleselijke mensen. Het is een rijk teken van innerlijke genade wanneer de uiterlijke wandel veranderd is en goddeloosheid ver van ons handelen is gebannen. Let vervolgens op dit: hij staat niet op den weg der zondaren. Zijn gezelschap is van een uitgelezener soort dan voorheen. Al is hij zelf een zondaar, hij is nu een zondaar die door bloed gewassen is, levend gemaakt door de Heilige Geest en vernieuwd van hart. Doordat hij door de rijke genade van God staat in de gemeente der rechtvaardigen, durft hij zich niet te voegen bij de menigte die kwaad doet. Verder wordt gezegd: “noch zit in het gestoelte der spotters.” Hij vindt geen rust in het spotten van de atheïst. Laat anderen de spot drijven met de zonde, met de eeuwigheid, met hel en hemel en met de eeuwige God; deze man heeft een betere wijsbegeerte geleerd dan die van de ongelovige, en heeft een te diep besef van Gods tegenwoordigheid om het te kunnen verdragen dat Zijn Naam wordt gelasterd. De zetel van de spotter mag zeer hoog geplaatst zijn, hij staat echter zeer dicht bij de poort van de hel; laten wij ervoor vluchten, want hij zal weldra leeg zijn, en het verderf zal de man verslinden die erop zit. Let op de opklimming in het eerste vers: Hij wandelt niet in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch ZIT in het GESTOELTE der SPOTTERS.
Wanneer mensen in de zonde leven, vervallen zij van kwaad tot erger. In het begin wandelen zij slechts in de raad van de zorgelozen en goddelozen, die God vergeten — het kwaad is dan eerder een zaak van de praktijk dan van gewoonte — maar daarna raken zij aan het kwaad gewend en staan zij op den weg van openlijke zondaren die Gods geboden opzettelijk overtreden; en als zij met rust worden gelaten, gaan zij nog een stap verder en worden zij zelf verderfelijke leraars en verleiders van anderen, en zo zitten zij in het gestoelte der spotters. Zij hebben hun graad in de ondeugd behaald, en als ware Doctors van de Verdoemenis worden zij bevestigd en door anderen bewonderd als Meesters in Belial. Maar de welgelukzalige man, de man aan wie alle zegeningen van God toebehoren, kan geen gemeenschap houden met zulke karakters. Hij houdt zich rein van deze melaatsen; hij werpt het kwade van zich af als een kleed dat door het vlees bevlekt is; hij vertrekt uit het midden van de goddelozen en gaat uit tot buiten de legerplaats, de smaadheid van Christus dragend. O, dat wij genade mochten ontvangen om zo van de zondaren gescheiden te zijn. En let nu op zijn positieve karakter: “Maar zijn lust is in des HEEREN wet.” Hij is niet onder de wet als een vloek en veroordeling, maar hij is erin begrepen, en hij vindt er zijn vreugde in om in haar te zijn als in zijn levensregel; bovendien vindt hij er zijn lust in haar te overdenken, haar bij dag te lezen en er bij nacht over na te denken. Hij neemt een tekst en draagt die de hele dag met zich mee; en in de nachtwaken, wanneer de slaap zijn oogleden ontvlucht, overpeinst hij het Woord van God. Op de dag van zijn voorspoed zingt hij psalmen uit het Woord van God, en in de nacht van zijn verdrukking troost hij zich met beloften uit ditzelfde boek. “De wet des HEEREN” is het dagelijkse brood van de ware gelovige. En bedenk eens hoe gering de omvang van de goddelijke ingeving in Davids tijd was, want zij bezaten vrijwel niets anders dan de eerste vijf boeken van Mozes! Hoeveel te meer moeten wij dan het hele geschreven Woord op prijs stellen, dat wij het voorrecht hebben in al onze huizen te bezitten! Maar helaas, wat een slechte behandeling krijgt deze engel uit de hemel! Wij zijn niet allen onderzoekers van de Schriften zoals de Bereeërs. Hoe weinigen onder ons kunnen aanspraak maken op de zegen van deze tekst! Misschien kunnen sommigen van u aanspraak maken op een soort negatieve reinheid, omdat u niet wandelt op den weg der goddelozen; maar laat mij u vragen: is uw lust in de wet van God? Onderzoekt u Gods Woord? Maakt u het tot de man van uw rechterhand, uw beste metgezel en uw gids van uur tot uur? Zo niet, dan behoort deze zegen u niet toe.
Vers 3. “Want hij zal zijn als een boom, geplant” — niet een in het wild gegroeide boom, maar “een boom, geplant”, uitgekozen, als eigendom beschouwd, verzorgd en beveiligd tegen de laatste vreselijke uitroeiing, want “alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden” (Mattheüs 15:13). “Aan waterbeken”; zodat, ook al zou de ene rivier opdrogen, hij nog altijd een andere heeft. De rivieren van vergeving en de rivieren van genade, de rivieren van de belofte en de rivieren van de gemeenschap met Christus zijn nooit opdrogende bronnen van voorziening. Hij is “als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd”; geen ontijdige genadegaven, zoals vroege vijgen die nooit hun volle smaak bereiken. Maar de man die zijn lust heeft in Gods Woord, door dat Woord onderwezen, brengt geduld voort in tijden van lijden, geloof op de dag van beproeving en heilige blijdschap in het uur van voorspoed. Vruchtbaarheid is een wezenlijke eigenschap van een begenadigd mens, en die vruchtbaarheid moet op de juiste tijd komen. “En welks blad niet afvalt”; zijn zwakste woord zal eeuwig blijvend zijn; zijn kleinste daden van liefde zullen in gedachtenis worden gehouden. Niet alleen zal zijn vrucht bewaard blijven, maar ook zijn blad. Hij zal noch zijn schoonheid, noch zijn vruchtbaarheid verliezen. “En al wat hij doet, zal wel gelukken.” Welgelukzalig is de man die zo’n belofte bezit. Maar wij moeten de vervulling van een belofte niet altijd beoordelen naar wat wij met onze eigen ogen aanschouwen. Hoe vaak, mijn broeders, kunnen wij, als wij oordelen naar de zwakke zintuigen, tot de droevige slotsom van Jakob komen: “Dit alles is tegen mij!” Want al weten wij dat wij deel hebben aan de belofte, toch zijn wij soms zo beproefd en bedrukt dat het oog juist het tegendeel ziet van wat die belofte voorzegt. Maar voor het oog van het geloof staat dit woord vast, en daardoor zien wij dat onze werken gelukken, zelfs wanneer alles ons tegen lijkt te zitten. Het is niet de uiterlijke voorspoed die de christen het meest begeert en waardeert; het is de voorspoed van de ziel waarnaar hij ten diepste verlangt. Wij laten dikwijls, zoals Josafat, schepen naar Tarsis varen om goud, maar zij worden gebroken bij Ezeon-Geber; toch schuilt ook daarin een ware voorspoed, want het is dikwijls tot heil van de ziel dat wij arm, beroofd en vervolgd worden. Onze slechtste dingen zijn vaak onze beste dingen. Zoals er een vloek verborgen zit in de zegeningen van de goddeloze, zo is er een zegen verborgen in de kruisen, verliezen en smarten van de rechtvaardige. De beproevingen van de heilige vormen een goddelijke landbouw, waardoor hij groeit en overvloedig vrucht draagt.
Vers 4. Wij zijn nu aangekomen bij het tweede hoofddeel van de psalm. In dit vers wordt de tegenstelling met de ellendige staat van de goddelozen gebruikt om de kleuren van het schitterende en aangename beeld dat eraan voorafgaat, te versterken. De krachtigere vertaling van de Vulgaat en van de Septuaginta luidt: “Niet zo de goddelozen, niet zo.” En daaruit moeten wij begrijpen dat al het goede dat van de rechtvaardige wordt gezegd, in het geval van de goddeloze niet waar is. O, hoe vreselijk is het wanneer er een dubbele ontkenning op de beloften rust! En toch is dit precies de toestand van de goddelozen. Let op het gebruik van de term “goddelozen”, want, zoals wij aan het begin van de psalm hebben gezien, zijn dit degenen die met het kwaad beginnen en de minst aanstootgevende zondaars zijn. O, als dit reeds de droeve toestand is van hen die rustig in hun burgerlijke fatsoen volharden en hun God verwaarlozen, wat moet dan de toestand zijn van openlijke zondaars en schaamteloze ongelovigen? De eerste zin is een negatieve beschrijving van de goddeloze, en de tweede is het positieve beeld. Hier is hun karakter — “zij zijn als kaf”, van nature waardeloos, dood, onbruikbaar, zonder inhoud en gemakkelijk weggeblazen. Let hier ook op hun ondergang — “dat de wind henendrijft”; de dood zal hen met zijn vreselijke windstoot wegjagen naar het vuur waarin zij volkomen zullen worden verteerd.
Vers 5. Zij zullen daar staan om geoordeeld te worden, maar niet om vrijgesproken te worden. Vrees zal hen daar aangrijpen; zij zullen zich niet staande houden; zij zullen vluchten; zij zullen zich niet kunnen verdedigen; want zij zullen blozen en met eeuwige verachting overdekt worden. Terecht verlangen de heiligen naar de hemel, want daar zullen geen kwade mensen wonen, “noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.” Al onze gemeenten op aarde zijn gemengd. Elke Kerk herbergt wel één duivel. Het onkruid groeit in dezelfde voren als de tarwe. Er is op aarde nog geen dorsvloer die volkomen van het kaf gezuiverd is. Zondaars vermengen zich met heiligen, zoals slakken zich met goud vermengen. Gods kostbare diamanten liggen nog in hetzelfde veld met ruwe keien. Rechtvaardige Lots worden aan deze zijde van de hemel voortdurend gekweld door de mannen van Sodom. Laten wij ons dan verblijden dat in “de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen” daarboven beslist geen enkele onvernieuwde ziel zal worden toegelaten. Zondaars kunnen in de hemel niet leven. Zij zouden er totaal niet in hun element zijn. Eerder zou een vis in een boom kunnen leven dan de goddeloze in het Paradijs. De hemel zou een onverdraaglijke hel zijn voor een onbekeerlijk mens, zelfs als hij er naar binnen zou mogen gaan; maar zo’n voorrecht zal nimmer worden verleend aan de man die in zijn ongerechtigheden volhardt. Moge God geven dat wij een naam en een plaats mogen hebben in Zijn hoven daarboven!
Vers 6. Of, zoals het Hebreeuws het nog voller uitdrukt: “De HEERE is kennende de weg der rechtvaardigen.” Hij let voortdurend op hun weg, en hoewel die dikwijls in mist en duisternis gehuld is, toch kent de Heere hem. Als hij door de wolken en de storm van de verdrukking trekt, dan verstaat Hij hem. Hij telt de haren van ons hoofd; Hij zal niet toelaten dat ons enig werkelijk kwaad overkomt. “Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.” (Job 23:10.) “Maar de weg der goddelozen zal vergaan.” Niet alleen zullen zij zelf vergaan, maar ook hun weg zal vergaan. De rechtvaardige beitelt zijn naam in de rots, maar de goddeloze schrijft zijn gedachtenis in het zand. De rechtvaardige man ploegt de voren van de aarde en zaait hier een oogst die nimmer volledig zal worden binnengehaald voordat hij de genietingen van de eeuwigheid binnengaat; maar de goddeloze ploegt de zee, en al lijkt er achter zijn kiel een glinsterend spoor te liggen, toch zullen de golven eroverheen slaan, en de plaats die hem kende, zal hem niet meer kennen, voor eeuwig. Zelfs de “weg” van de goddelozen zal vergaan. Als hij in de herinnering blijft voortbestaan, dan is het slechts in de herinnering van de kwaden; want de Heere zal de naam van de goddeloze doen verrotten tot een stank in de neus van de goeden, en zo zal hij uitsluitend aan de goddelozen zelf bekend zijn door zijn verrotting. Moge de Heere onze harten en onze wegen reinigen, opdat wij aan de ondergang van de goddelozen ontkomen en de zaligheid van de rechtvaardigen mogen genieten!
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN — Gehele psalm. Zoals het boek Hooglied door een hebraïsme het Lied der Liederen wordt genoemd, omdat het het voortreffelijkste is, zo mag deze psalm niet ten onrechte de Psalm der Psalmen heten, want hij bevat het merg en de kern van het christendom. Wat Hieronymus over de brieven van Paulus zegt, dat kan ik ook van deze psalm zeggen: hij is kort van opbouw, maar vol lengte en kracht wat de inhoud betreft. Deze psalm draagt de zaligheid op zijn voorhoofd; hij begint waar wij allen hopen te eindigen; hij mag met recht een Gids voor de Christen heten, want hij legt de drijfzanden bloot waarin de goddelozen ten verderve zinken, en toont de vaste grond waarop de heiligen naar de heerlijkheid wandelen. — Thomas Watson, Saints’ Spiritual Delight, 1660.
Deze hele psalm laat zich terugbrengen tot twee tegenovergestelde stellingen: een godvruchtig mens is zalig, een goddeloos mens is ellendig; die als twee uitdagingen door de profeet lijken te zijn opgeworpen. De ene: dat hij een godvruchtig mens tegen allen zal verdedigen als de enige Jason die het gouden vlies van de zaligheid wint; de andere: dat hoewel de goddelozen in de wereld de schijn ophouden gelukkig te zijn, zij van alle mensen juist het meest ellendig zijn. — Sir Richard Baker, 1640.
Ik ben ertoe gebracht de mening te omhelzen van sommige oude uitleggers (Augustinus, Hieronymus enz.), die menen dat de eerste psalm bedoeld is als beschrijving van het karakter en de beloning van de RECHTVAARDIGE, dat wil zeggen de Heere Jezus. — John Fry, B.A., 1842.
Vers 1. De psalmist zegt in deze korte psalm meer ter zake over het ware geluk dan enige filosoof, of alle filosofen tezamen; zij hebben slechts om de hete brei heen gedraaid, maar God heeft hier de vogel in onze hand gelegd. — John Trapp, 1660.
Vers 1. Waar het woord welgelukzalig als uithangbord is opgehangen, kunnen wij er zeker van zijn dat wij binnen een godvruchtig mens zullen aantreffen. — Sir Richard Baker.
Vers 1. De zetel van de dronkaard is de zetel van de spotter. — Matthew Henry, 1662-1714.
Vers 1. “Wandelt NIET…, NOCH staat…, NOCH zit…”, enz. Negatieve geboden zijn in sommige gevallen stelliger en dwingender dan bevestigende; want te zeggen: “die wandelt in de raad der godvruchtigen”, zou wellicht niet voldoende zijn; hij zou immers in de raad der godvruchtigen kunnen wandelen en tegelijkertijd in de raad der goddelozen; weliswaar niet beide tegelijkertijd, maar wel op verschillende momenten; terwijl deze ontkenning hem te allen tijde vrijpleit. — Sir Richard Baker.
Vers 1. Het woord (Hebr.) haish is nadrukkelijk: die man; die ene uit duizend die leeft om het doel te bereiken waartoe God hem geschapen heeft. — Adam Clarke, 1844.
Vers 1. “Die niet wandelt in de raad der goddelozen.” Let op enkele omstandigheden van hun verschillende karakters en gedrag. I. De goddeloze heeft zijn raad. II. De zondaar heeft zijn weg; en III. De spotter heeft zijn zetel. De goddeloze is onverschillig over godsdienst; hij is noch ijverig voor zijn eigen zaligheid, noch voor die van anderen; en hij raadt en adviseert degenen met wie hij omgaat zijn plan aan te nemen en zich niet druk te maken over bidden, lezen, bekering enz., enz.; “zulke dingen zijn niet nodig; leid een eerlijk leven, maak geen ophef over godsdienst, en het zal uiteindelijk wel goed met je aflopen.” Welnu, “welgelukzalig is de man die niet wandelt in de raad van deze man”, die niet ingaat op zijn maatregelen en niet handelt naar zijn plan. De zondaar heeft zijn eigen manier van overtreden; de een is een dronkaard, een ander is oneerlijk, een derde onrein. Weinigen zijn aan elke soort van ondeugd overgegeven. Er zijn veel gierigaards die een afkeer hebben van dronkenschap, en veel dronkaards die een afkeer hebben van gierigheid; en zo ook bij anderen. Ieder heeft zijn gemakkelijk aanklevende zonde; daarom zegt de profeet: “De goddeloze verlate ZIJN WEG.” (Jesaja 55:7) Welnu, welgelukzalig is hij die niet staat op de WEG van zulk een man. De spotter heeft, wat hemzelf betreft, aan alle godsdienst en zedelijk besef een einde gemaakt. Hij heeft zich neergezet — is volkomen bevestigd in goddeloosheid en drijft de spot met de zonde. Zijn geweten is dichtgeschroeid, en hij gelooft in alle vormen van ongeloof. Welnu, welgelukzalig is de man die niet neerzit in zijn GESTOELTE. — Adam Clarke.
Vers 1. In het Hebreeuws is het woord “welgelukzalig” een meervoudig zelfstandig naamwoord, ashrey (zaligheden), dat wil zeggen: alle zaligheden zijn het deel van die man die niet is weggegaan, enz.; alsof er gezegd werd: “Alles is goed met die man die”, enz. Waarom twist u erover? Waarom trekt u ijdele conclusies? Als een mens die parel van grote waarde gevonden heeft, namelijk om de wet van God lief te hebben en van de goddelozen gescheiden te zijn, dan behoren alle zaligheden aan die man toe; maar als hij dit kleinood niet vindt, zal hij alle zaligheden zoeken en er nimmer één vinden! Want zoals alle dingen rein zijn voor de reinen, zo zijn alle dingen lieflijk voor hen die liefhebben, en alle dingen goed voor de goeden; en in het algemeen: zoals u zelf bent, zo is God Zelf jegens u, hoewel Hij geen schepsel is.
Hij is verkeerd jegens de verkeerden en heilig jegens de heiligen. Daarom kan niets goed of zaligmakend zijn voor hem die slecht is: niets is zoet voor hem voor wie de wet van God niet zoet is. Het woord “raad” moet hier zonder twijfel worden opgevat in de betekenis van besluiten en leerstellingen, aangezien er geen samenleving van mensen bestaat die niet door besluiten en wetten gevormd en in stand gehouden wordt. David treft echter met deze term de hoogmoed en verwerpelijke vermetelheid van de goddelozen. Ten eerste omdat zij zich niet zover willen vernederen dat zij in de wet van de Heere wandelen, maar zichzelf regeren met hun eigen raad. En vervolgens noemt hij het hun “raad”, omdat het hun inzicht is en de weg die hun zonder dwaling lijkt. Want dit is het verderf van de goddelozen: dat zij in hun eigen ogen en naar hun eigen schatting verstandig zijn en hun dwalingen kleden in het gewaad van voorzichtigheid en van de rechte weg.
Want als zij tot de mensen zouden komen in het openlijke gewaad van de dwaling, dan zou het niet zo’n onderscheidend kenmerk van zaligheid zijn om niet met hen te wandelen. Maar David zegt hier niet: “in de dwaasheid der goddelozen” of “in de dwaling der goddelozen”; en daarom waarschuwt hij ons om met alle ijver te waken tegen de schijn van wat recht is, opdat de duivel, veranderd in een engel des lichts, ons niet verleidt door zijn list. En hij stelt de raad van de goddelozen tegenover de wet van de Heere, opdat wij zouden leren ons te wachten voor wolven in schaapskleren, die altijd gereed zijn om aan allen raad te geven, allen te leren en allen hulp aan te bieden, terwijl zij van alle mensen het minst daartoe bekwaam zijn. De term “staat” beeldt hun halsstarrigheid en stijfhoofdigheid uit, waarin zij zich verharden en hun verontschuldigingen uiten in woorden van boosaardigheid, omdat zij onverbeterlijk zijn geworden in hun goddeloosheid. Want “staan” betekent, in de beeldspraak van de Schrift, vast en onwrikbaar zijn: zoals in Romeinen 14:4: “Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.”
Vandaar dat het woord “zuil” door de Hebreeën van hun werkwoord “staan” is afgeleid, evenals het woord standbeeld bij de Romeinen. Want dit is nu juist de zelfverontschuldiging en zelfverharding van de goddelozen: dat zij in hun eigen ogen recht lijken te leven en boven alle anderen te schitteren in de eeuwige schijn van goede werken. Wat de term “gestoelte” betreft: in het gestoelte zitten betekent onderwijzen, optreden als onderwijzer en leraar; zoals in Mattheüs 23:2: “De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes.” Zij zitten in het gestoelte van de pestilentie, die de kerk vullen met de meningen van filosofen, met de overleveringen van mensen en met de raadgevingen van hun eigen brein, en zo ellendige gewetens onderdrukken, terwijl zij intussen het Woord van God terzijde stellen, waardoor de ziel als enige gevoed wordt, leeft en bewaard wordt. — Maarten Luther, 1536-1546.
Vers 1. “De spotters.” Peccator cum in profundum venerit contemnet — wanneer een goddeloze het diepste en ergste punt van de zonde bereikt, dan veracht hij. Dan zal de Hebreeër Mozes verachten (Exodus 2:14): “Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet?” Dan zal Achab twisten met Micha (1 Koningen 22:18), omdat hij niet goed over hem profeteert. Elk kind in Bethel zal Elisa bespotten (2 Koningen 2:23) en hem “kaalkop” durven noemen. Hier is een oorspronkelijke druppel venijn opgezwollen tot een ware zee van vergif: zoals een enkele druppel van het gif van sommige slangen, als die op de hand terechtkomt, in de aderen binnendringt en zich zo over het hele lichaam verspreidt totdat hij de levensgeesten verstikt heeft. God zal met u “bespotten” (Psalm 2:4), omdat u met Hem de spot hebt gedreven; en ten slotte zal Hij u verachten die Hem in ons veracht hebt. Wat een mens tegen de hemel spuwt, zal onherroepelijk op zijn eigen gezicht terugvallen. Uw beledigingen jegens uw geestelijke artsen zullen wellicht met uw as in het stof slapen, maar in het oordeel zullen zij tegen uw zielen opstaan. — Thomas Adams, 1614.
Vers 2. “Maar zijn wil is in de wet des HEEREN.” De “wil” die hier wordt bedoeld, is die verlustiging des harten en dat vaste behagen in de wet, dat niet ziet op wat de wet belooft noch op wat zij dreigt, maar enkel hierop: dat “de wet heilig is, en het gebod heilig, en rechtvaardig, en goed.” Vandaar dat het niet slechts een liefde voor de wet is, maar die liefdevolle verlustiging in de wet die geen voorspoed, geen tegenspoed, noch de wereld, noch de overste daarvan kan wegnemen of vernietigen; want zij breekt zegevierend haar weg door armoede, kwaad gerucht, het kruis, de dood en de hel, en schittert het helderst te midden van de diepste tegenspoed. — Maarten Luther.
Vers 2. “Zijn lust is in des HEEREN wet.” — Deze lust waarvan de profeet hier spreekt, is de enige lust die noch bloost noch bleek wordt; de enige lust die een maaltijd geeft zonder achteraf de rekening te presenteren; de enige lust die met alle tijden overeenstemt en, zoals Aeneas met Anchises deed, zijn ouders op zijn rug draagt. — Sir Richard Baker.
Vers 2. “Hij overdenkt Zijn wet.” In de eenvoudigste tekst ligt een wereld van heiligheid en geestelijkheid verborgen; en als wij in gebed en in afhankelijkheid van God erbij zouden gaan zitten en haar bestudeerden, zouden wij veel meer zien dan ons in eerste instantie voorkomt. Het kan zijn dat wij bij een enkele keer lezen of kijken weinig of niets zien; zoals de knecht van Elia eens heenging en niets zag; daarom werd hem bevolen zevenmaal te kijken. Wat dan? zegt de profeet: “Zie, een kleine wolk, als een mensenhand, klimt op”; en weldra was het gehele hemelgewelf met wolken bedekt. Zo kunt u vluchtig naar een Schriftplaats kijken en niets opmerken; overdenk haar echter vaak, en u zult daar een licht zien stralen als het licht van de zon. — Joseph Caryl, 1647.
Vers 2. “En hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.” — De goede man overdenkt de wet van God dag en nacht. De pauselijken weren het gewone volk van deze gemeenschappelijke schatkamer af door deze vermeende moeilijkheid aan te voeren: “O, de Schriften zijn moeilijk te begrijpen, breekt u er het hoofd niet over; wij zullen u wel vertellen wat ze betekenen.” Zij konden net zo goed zeggen: “De hemel is een gezegende plaats, maar de weg ernaartoe is moeilijk; bemoeit u er niet mee, wij zullen er wel in uw plaats naartoe gaan.” En zo hebben zij op de grote dag van het gericht, wanneer zij door hun boek gered zouden moeten worden, helaas geen boek dat hen redt. In plaats van de Schriften kunnen zij slechts beelden aanbieden; dat zijn de boeken van de leek; alsof zij berecht zouden worden door een jury van houtsnijders en schilders, en niet door de twaalf apostelen. Laat u niet op deze wijze bedriegen; maar bestudeer het evangelie, net zoals u door het evangelie troost verwacht. Wie op de erfenis hoopt, zal de akte van overdracht grondig en met veel zorg bestuderen. — Thomas Adams.
Vers 2. “Overdenken” betekent, zoals het gewoonlijk wordt verstaan, bespreken, redetwisten; en de betekenis is altijd beperkt tot het bezig zijn met woorden, zoals in Psalm 37:30: “De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid.” Vandaar dat Augustinus in zijn vertaling het woord “kwetteren” gebruikt; en dat is een fraaie beeldspraak — zoals kwetteren de bezigheid van vogels is, zo behoort een voortdurend spreken over de wet van de Heere (want spreken is ten diepste eigen aan de mens) de hoofdbezigheid van de mens te zijn. Maar ik kan de genadige betekenis en kracht van dit woord niet naar volle waarde uiteenzetten; want dit “overdenken” bestaat eerst in een aandachtig letten op de woorden van de wet, en vervolgens in een vergelijken van de verschillende Schriftplaatsen met elkaar; en dat is een genoeglijke jacht, ja veeleer een spelen met herten in een woud, waar de Heere ons de herten verschaft en ons hun verborgen schuilplaatsen openbaart. En uit deze heerlijke bezigheid komt ten slotte een man voort die goed onderwezen is in de wet van de Heere om tot het volk te kunnen spreken. — Maarten Luther.
Vers 2. “En hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.” De godvruchtige zal het Woord bij dag lezen, opdat de mensen, zijn goede werken ziende, zijn Vader die in de hemelen is, zouden verheerlijken; hij zal het bij nacht doen, opdat hij niet door de mensen gezien wordt: bij dag, om te tonen dat hij niet behoort tot hen die het licht schuwen; bij nacht, om te tonen dat hij iemand is die zelfs in de schaduw kan schijnen: bij dag, want dat is de tijd om te werken — werk zolang het dag is; bij nacht, opdat zijn Meester niet als een dief komt en hem ledig vindt. — Sir Richard Baker.
Vers 2. Ik vind nergens rust dan in een hoekje, met het boekje. — Thomas a Kempis, 1380-1471.
Vers 2. “Overdenken.” De overdenking onderscheidt en kenmerkt een mens; hieraan kan hij de maat van zijn eigen hart nemen, of het goed of slecht is; laat mij hierop zinspelen: “Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo is hij.” (Spreuken 23:7). Zoals de overdenking is, zo is de mens. De overdenking is de toetssteen van een christen; zij toont uit welk metaal hij is gesmeed. Zij is een geestelijke inhoudsopgave; zoals de inhoudsopgave toont wat er in het boek staat, zo toont de overdenking wat er ten diepste in het hart leeft. — Thomas Watson, Saints’ Spiritual Delight.
Vers 2. De overdenking herkauwt en brengt de zoetheid en voedende kracht van het Woord in het hart en in het leven: dit is de weg waarop de godvruchtigen veel vrucht dragen. — Bartholomew Ashwood, Heavenly Trade, 1688.
Vers 2. De natuuronderzoekers merken op dat er, om het lichamelijke leven te onderhouden en te bevorderen, verschillende soorten vermogens in het lichaam zijn meegegeven, waaronder de volgende:
-
Een aantrekkend vermogen, om het voedsel op te nemen en naar binnen te trekken;
-
Een vasthoudend vermogen, om het vast te houden wanneer het binnen is;
-
Een omzettend vermogen, om de voeding te verteren;
-
Een vermeerderend vermogen, om het tot volmaaktheid te brengen. De overdenking is dit alles in geestelijke zin. Zij helpt het oordeel, de wijsheid en het geloof om te wegen, te onderscheiden en volkomen te geloven wat het lezen en het horen aanbrengen en verschaffen. Zij helpt het geheugen om de juwelen van de goddelijke waarheid in haar zekere schatkamer veilig op te bergen. Zij heeft een verterende kracht en maakt van bijzondere waarheden geestelijk voedsel; en ten slotte helpt zij het vernieuwde hart om in de hoogte te groeien en zijn vermogen te vergroten om werkelijk te kennen wat ons van God uit genade geschonken is. — Samengevat naar Nathaniel Ranew, 1670.
Vers 3. “Een boom.” — Er is één boom die uitsluitend in de Jordaanvallei te vinden is, maar die te mooi is om helemaal onvermeld te laten: de oleander, met zijn heldere bloesems en donkergroene bladeren, die elke plek waar hij groeit het aanzien geeft van een weelderige tuin. Hij wordt in de Schrift zelden of nimmer vermeld. Maar het zou goed de boom kunnen zijn die aan de waterstromen geplant is, die zijn vrucht geeft op zijn tijd en “welks blad niet afvalt”. — A. P. Stanley, D.D., in “Sinai and Palestine.”
Vers 3. “Een boom, geplant aan waterbeken.” — Dit is een duidelijke zinspeling op de oosterse wijze van bewerken, waarbij waterstroompjes tussen de rijen bomen worden geleid, zodat de bomen op kunstmatige en continue wijze van vocht worden voorzien.
Vers 3. “Zijn vrucht op zijn tijd.” — In een dergelijk geval wordt de verwachting nimmer teleurgesteld. Vrucht wordt verwacht, vrucht wordt gedragen, en wel precies op de tijd waarop zij moet komen. Een godvruchtige opvoeding, onder de voortdurende invloed van de goddelijke Geest — die nimmer onthouden kan worden waar Hij ernstig gezocht wordt — brengt ongetwijfeld de vruchten der gerechtigheid voort; en wie met toewijding leest, bidt en overdenkt, zal steeds het werk zien dat God hem te doen heeft gegeven; hij ontvangt de kracht waarmee hij het moet doen; en hij herkent de tijden, plaatsen en gelegenheden om die dingen te doen waardoor God de meeste eer, zijn eigen ziel het meeste goed en zijn naaste de meeste stichting kan ontvangen. — Adam Clarke.
Vers 3. “Op zijn tijd.” De Heere rekent de tijden die over ons gaan en zet ze op onze rekening: laten wij ze daarom uitkopen en, net als de kranken bij de badplaats Bethesda, instappen op het moment dat de engel het water beroert. Nu wordt de kerk beproefd, het is een tijd van vurig gebed en leren; nu wordt de kerk uitgebreid, het is een tijd van lofprijzing; ik ben nu bij een preek, ik zal luisteren naar wat God zeggen zal; nu ben ik in het gezelschap van een geleerd en wijs man, ik zal enige kennis en raad uit hem putten; ik ben in verzoeking, nu is het een uitgelezen tijd om volkomen te steunen op de Naam des Heeren; ik bevind mij op een plaats van waardigheid en macht, laat mij ernstig bedenken wat God van mij vraagt in een tijd als deze. En zo draagt een wijze christen, net zoals de boom des levens elke maand vrucht draagt en een wijze landman voor elke maand zijn eigen bezigheden heeft, zijn vrucht voort op zijn tijd. — John Spencer, Things New and Old, 1658.
Vers 3. “Op zijn tijd.” O, gouden en bewonderenswaardig woord! waardoor de vrijheid van de christelijke gerechtigheid wordt bevestigd. De goddelozen hebben hun vaste dagen, hun vaste tijden, bepaalde werken en bepaalde plaatsen; waaraan zij zich zo strak vasthouden dat zij, ook al kwamen hun naasten om van de honger, daar op geen enkele wijze van losgetrokken zouden kunnen worden. Maar deze zalige man, die te allen tijde, in alle plaatsen, voor elk werk en voor elke persoon vrij is, zal u met vreugde dienen wanneer hem maar een gelegenheid daartoe geboden wordt; wat hem ook in handen komt om te doen, dat doet hij. Hij is noch een Jood, noch een heiden, noch een Griek, noch een barbaar, noch enige andere bijzondere persoon. Hij geeft zijn vrucht op zijn tijd, telkens wanneer God of mensen zijn werk van hem vragen. Daarom dragen zijn vruchten geen vaststaande naam, en zijn tijden hebben geen naam. — Maarten Luther.
Vers 3. “En welks blad niet afvalt.” Hij beschrijft de vrucht eerder dan het blad. De Heilige Geest zelf leert elke getrouwe prediker in de kerk om te allen tijde te weten dat het Koninkrijk Gods niet is gelegen in woorden, maar in kracht (1 Korinthe 4:20). En opnieuw: “Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren” (Handelingen 1:1). En nogmaals: “Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden” (Lukas 24:19). En zo laat hij die het woord der leer belijdt, allereerst de vruchten van het leven voortbrengen, als hij tenminste niet wil dat zijn vrucht verdort, want Christus vervloekte de vijgenboom die geen vrucht droeg. En, zoals Gregorius terecht stelt: die man wiens leven veracht wordt, wordt door zijn eigen leer veroordeeld, want hij predikt aan anderen en wordt zelf verworpen. — Maarten Luther.
Vers 3. “En welks blad niet afvalt.” De bomen van de Heere zijn allemaal groenblijvend. Geen enkele winterkou kan hun frisheid vernietigen; en toch dragen zij, anders dan de groenblijvende bomen in ons land, wel degelijk allemaal vrucht. — C. H. S.
Vers 3. “En al wat hij doet [of: maakt of ter hand neemt], zal wel gelukken.” En let er met betrekking tot dit “gelukken” nauwlettend op dat u daaronder niet een vleselijke voorspoed verstaat. Deze voorspoed is een verborgen voorspoed en ligt geheel in het geheim in de geest verankerd; en daarom, als u deze voorspoed die uitsluitend door het geloof verkregen is niet bezit, dan zou u uw zogenaamde voorspoed veeleer voor de allerergste tegenspoed moeten houden. Want zoals de duivel dit blad en het Woord van God bitter en onophoudelijk haat, zo haat hij eveneens hen die het leren en horen, en vervolgt hij hen met behulp van alle machten van deze wereld. Daarom hoort u over een wonder, ja, het allergrootste van alle wonderen, wanneer u verneemt dat alle dingen gelukken die een zalig man onderneemt. — Maarten Luther.
Vers 3. Een kritisch tijdschrift heeft aangetoond dat in plaats van “Al wat het doet, zal wel gelukken” de vertaling ook zou kunnen luiden: “Al wat het voortbrengt, zal tot rijpheid komen.” Dit maakt de beeldspraak volledig compleet en wordt ondersteund door enkele manuscripten en oude vertalingen.
Vers 3. (laatste zinsdeel). Uiterlijke voorspoed is, mits zij volgt op een nauwe wandel met God, zeer zoet; zoals de nul, wanneer zij volgend op een cijfer wordt geplaatst, het getal aanzienlijk vermeerdert, hoewel zij op zichzelf beschouwd niets is. — John Trapp.
Vers 4. “Kaf.” Hier kunnen wij terloops de goddelozen laten weten dat zij een schuld van dankbaarheid verschuldigd zijn waaraan zij zelden of nooit denken; dat zij de godvruchtigen mogen danken voor alle goede dagen die zij op aarde doormaken, aangezien zij die louter om hunnentwil genieten en niet om hun eigen verdiensten. Want zoals het kaf, zolang het hecht met de tarwe verenigd is en dicht bij haar blijft, omwille van de tarwe enige voorrechten geniet en zorgvuldig in de schuur wordt opgeborgen; maar zodra het van de tarwe gescheiden en afgezonderd is, wordt weggeworpen en verstrooid door de wind; precies zo ontvangen de goddelozen, zolang de godvruchtigen in hun gezelschap vertoeven en onder hen leven, om hunnentwil iets van de zaligheid die aan de godvruchtigen is beloofd; maar zodra de godvruchtigen hen verlaten of van hen worden weggenomen, dan komt er óf plotseling een zondvloed van water over hen, zoals over de oude wereld toen Noach haar verliet; óf een zondvloed van vuur, zoals over Sodom toen Lot de stad verliet. — Sir Richard Baker.
Vers 4. “Henendrijft”, of wegwerpt; de Chaldeeuwse vertaling heeft voor “wind” het woord “wervelwind.” — Henry Ainsworth, 1639. Dit toont op indringende wijze de hevige storm van de dood die de ziel van de goddeloze definitief wegvaagt.
Vers 5. “Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht”, enz. En zou ook niet een reden aldus kunnen worden bedacht waarom de goddelozen nimmer tot de vergadering der rechtvaardigen kunnen komen: de rechtvaardigen gaan een weg die God kent, en de goddelozen gaan een weg die God vernietigt; en aangezien deze wegen onmogelijk kunnen samenkomen, hoe zouden de mensen die deze wegen gaan dan ooit kunnen samenkomen? En om volkomen zeker te stellen dat zij inderdaad nimmer zullen samenkomen, drukt de profeet de weg van de rechtvaardigen uit door de eerste schakel van de keten van Gods goedheid, namelijk Zijn kennen; maar de weg van de goddelozen drukt hij uit door de uiterste schakel van Gods gerechtigheid, namelijk Zijn vernietigen; en hoewel Gods gerechtigheid en Zijn barmhartigheid elkaar dikwijls ontmoeten en zeer na aan elkaar grenzen, kunnen de eerste schakel van Zijn barmhartigheid en de laatste schakel van Zijn gerechtigheid elkaar nooit ontmoeten, want het komt nimmer tot vernietigen voordat God de woorden Nescio vos, “Ik ken u niet”, heeft gesproken; en nescio vos in God en Gods genadige kennen kunnen onmogelijk samengaan. — Sir Richard Baker.
Vers 5. De Ierse lucht zal nog eerder een pad of een slang verdragen dan de hemel een zondaar in zich zal opnemen. — John Trapp.
Vers 6. “Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.” Zie hier hoe David ons afschrikt van alle voorspoedige uiterlijke schijn, en ons veeleer velerlei verzoekingen en tegenspoeden aanbeveelt. Want deze “weg” van de rechtvaardigen wordt door alle vleselijke mensen volkomen verworpen, in de ijdele gedachte dat God niets van zo’n weg afweet. Maar dit is nu juist de verborgen wijsheid van het kruis. Daarom is het God alleen Die de weg van de rechtvaardigen kent, zo volkomen verborgen is hij voor de rechtvaardigen zelf. Want Zijn rechterhand leidt hen op wonderlijke wijze voort, aangezien het een weg is, niet van zintuig, noch van het menselijk verstand, maar louter en alleen van geloof; zelfs van dat geloof dat dwars door de duisternis heen ziet en de dingen aanschouwt die voor het natuurlijke oog onzichtbaar zijn. — Maarten Luther.
Vers 6. “De rechtvaardigen.” Zij die vurig streven naar een rechtvaardig leven in zichzelf, en die de gerechtigheid van Christus werkelijk aan zich toegerekend hebben gekregen. — Thomas Wilcocks, 1586.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER Vers 1. Kan een uitstekende tekst leveren over “Voortgang in de zonde”, of over “De reinheid van de christen”, of over “De zaligheid van de rechtvaardigen”. Spreek over dat laatste onderwerp over de gelovige als GEZEGEND— 1. Door God; 2. In Christus; 3. Met alle zegeningen; 4. In alle omstandigheden; 5. Door tijd en eeuwigheid heen; 6. In de allerhoogste mate.
Vers 1. Leert een godvruchtig mens zich te wachten voor (1) de meningen, (2) het praktische leven en (3) het gezelschap en de omgang van zondige mensen. Toon aan hoe de overdenking van het Woord ons onmisbaar zal helpen ons van deze drie kwaden verwijderd te houden. De insluipende en toenemende aard van de zonde. — J. Morrison.
Vers 1. in verband met de hele psalm. Het onoverbrugbare verschil tussen de rechtvaardigen en de goddelozen.
Vers 2. HET WOORD VAN GOD.
-
De lust van de gelovige erin.
-
Het vertrouwd zijn van de gelovige ermee. Wij verlangen er ten diepste naar in het gezelschap te zijn van hen die wij oprecht liefhebben.
Vers 2. I. Wat wordt bedoeld met “de wet des HEEREN”. II. Wat erin is voor de gelovige om zich in te verlustigen. III. Hoe hij zijn lust toont: hij denkt eraan, leest veel, spreekt erover, gehoorzaamt haar en heeft volstrekt geen lust in het kwaad.
Vers 2. (laatste zinsdeel). De voordelen, hulpmiddelen en hindernissen van de overdenking.
Vers 3. “De vruchtbare boom.” I. Waar hij groeit. II. Hoe hij daar gekomen is. III. Wat hij daadwerkelijk opbrengt. IV. Hoe men aan hem gelijk kan worden.
Vers 3. “Geplant aan waterbeken.” I. De oorsprong van het christelijke leven: “geplant.” II. De stromen die het onafgebroken onderhouden. III. De vrucht die daar met recht van verwacht wordt.
Vers 3. De invloed van de godsdienst op ware voorspoed. — Blair. De aard, oorzaken, tekenen en gevolgen van ware voorspoed. “Vrucht op zijn tijd”; deugden die op bepaalde tijden uitdrukkelijk getoond moeten worden — geduld in verdrukking; dankbaarheid in voorspoed; heilige ijver bij gelegenheid, enz. “En welks blad niet afvalt”; de onschatbare zegen van het behouden van een onverwelkte belijdenis.
Verzen 3, 4. Zie nr. 280 van “Spurgeon’s Sermons.” “Het kaf weggedreven.” De zonde zet een besliste ontkenning op elke zegen.
Vers 5. De dubbele ondergang van de onbekeerlijke zondaar.
-
Veroordeeld voor de rechterstoel van het gericht.
-
Eeuwig gescheiden van de heiligen. De volkomen redelijkheid van deze straffen, “daarom”, en de enige weg om ze te ontkomen. “De vergadering der rechtvaardigen” gezien als de gemeente der eerstgeborenen daarboven. Dit kan een verheven en troostvol onderwerp opleveren.
Vers 6. (eerste zin). Een uitermate zoete bemoediging voor het beproefde volk van God. De kennis die hier bedoeld wordt.
-
Haar karakter. — Het is een kennis van intieme waarneming en goedkeuring.
-
Haar bron. — Zij wordt veroorzaakt door alwetendheid en oneindige liefde.
-
Haar gevolgen. — Voortdurende ondersteuning, verlossing, aanneming en ten slotte de eeuwige heerlijkheid.
Vers 6. (laatste zinsdeel). Zijn weg van vleselijk vermaak, van hoogmoed, van ongeloof, van goddeloosheid, van vervolging, van heilloos uitstel, van zelfbedrog, enz.: dit alles zal onherroepelijk een einde nemen.
WERKEN OVER DE EERSTE PSALM — The Way to Blessedness: a Commentary on the First Psalm. Door PHINEAS FLETCHER. Londen. 1632.
A Discourse about the State of True Happiness, delivered in certain Sermons in Oxford, and at Paul’s Cross. Door ROBERT BOLTON. Londen. 1625.
David’s Blessed Man; or, a Short Exposition on the First Psalm, directing a Man to True Happiness. Door SAMUEL SMITH, predikant van het Woord te Prittlewell in Essex. 1635. [Herdrukt in Nicols reeks van commentaren.]
Meditations and Disquisitions upon the First Psalm of David. — Blessed is the Man. Door SIR RICHARD BAKER, Ridder. Londen. 1640. [Hetzelfde deel bevat Meditations upon “Seven Consolatorie Psalms of David”, namelijk 23, 27, 30, 84, 103 en 116.]
The Christian on the Mount; or a Treatise concerning Meditation; wherein the necessity, usefulness, and excellency of Meditation are at large discussed. Door THOMAS WATSON. 1660.


