“Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?”—Romeinen 8:32.
Als dit geen belofte in woorden is, dan is het er wel een in feite. Het is zelfs meer dan één belofte: het is een hele verzameling beloften. Het is een hoop robijnen, smaragden en diamanten, met een klomp goud als zetting. Het is een vraag waarop nooit een antwoord te geven is dat ons ongerust maakt. Wat kan de Heere ons weigeren nadat Hij ons Jezus heeft gegeven? Als wij alle dingen in de hemel en op aarde nodig hebben, zal Hij ze ons geven. Want als er ergens een grens was geweest, had Hij Zijn eigen Zoon wel achtergehouden.
Wat heb ik vandaag nodig? Ik hoef er alleen maar om te vragen. Ik mag ernstig zoeken, maar niet alsof ik druk moet uitoefenen en een gave uit de hand van de Heere moet afdwingen die Hij niet wil geven. Want Hij geeft gul. Uit eigen beweging gaf Hij ons Zijn eigen Zoon. Niemand zou Hem zo’n gave hebben voorgesteld. Niemand zou hebben durven vragen om zoiets. Dat zou te vermetel zijn geweest. Hij gaf Zijn enige Zoon uit vrije wil. O mijn ziel, kunt u dan niet vertrouwen dat uw hemelse Vader u alles geeft, ja, werkelijk alles? Uw arme gebed zou bij de Almachtige geen kracht hebben als er kracht nodig was. Maar Zijn liefde welt uit zichzelf op, zoals een bron, en stroomt over om in al uw nood te voorzien.

