“Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.”—Psalm 76:11
Goddeloze mensen zullen woedend zijn. Hun toorn moeten wij verdragen als het kenmerk van onze roeping, het teken van onze afscheiding van hen. Als wij van de wereld waren, zou de wereld haar eigen liefhebben. Onze troost is dat de woede van de mens zal bijdragen aan de eer van God. Toen de goddelozen in hun woede de Zoon van God kruisigden, voerden zij zonder het te weten Gods plan uit, en in duizend gevallen doet de eigenzinnigheid van de goddelozen hetzelfde. Zij denken dat zij vrij zijn, maar als gevangenen in kettingen voeren zij onbewust de besluiten van de Almachtige uit.
De plannen van de goddelozen worden zo gestuurd dat zij tot hun eigen nederlaag leiden. Zij richten zichzelf te gronde en verijdelen hun eigen complotten. Er zal niets uit hun woede komen dat ons werkelijk kan schaden. Toen zij de martelaren verbrandden, werden de mensen door niets zo misselijk van het pausdom als door de rook die van de brandstapel woei.
Intussen heeft de Heere een muilkorf en een ketting voor beren. Hij houdt de felste woede van de vijand in toom. Hij is als een molenaar die de grote massa water in de beek tegenhoudt, en wat Hij wel laat stromen, gebruikt Hij om Zijn rad te laten draaien. Laten wij niet zuchten, maar zingen. Alles is goed, hoe hard de wind ook waait.

