Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon, op zondagavond 29 januari 1888, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol. Jesaja 1:18
Er is een conflict gaande tussen de mens en zijn Schepper. Hoe droevig is het dat het schepsel in onmin is geraakt met zijn Maker — dat degenen die leven van Gods goedheid in opstand zijn gekomen tegen de hand die hen voedt! En toch is het zo. De mens is afgeweken van de weg van Gods geboden en weigert zich te onderwerpen aan de heerschappij van Jehova. In zo’n toestand is het een wonder van goddelijke barmhartigheid dat God nog bereid is met de mens in gesprek te gaan. Eigenlijk zou de eerste stap daartoe van de schuldige partij moeten komen, want het is de mens die heeft gezondigd, en hij zal ook de gevolgen van zijn overtredingen moeten dragen. Maar in plaats van dat de mens God zoekt en met bittere tranen smeekt: “Heere, wees mij genadig, hoor mij en vergeef mij”, is het juist God die de mens zoekt. Het is de Beledigde die als eerste probeert de breuk te herstellen. Hij is het die zegt: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.” Hij nodigt de mens uit te spreken over de kwestie van hun verdeeldheid.
Verwonder u over de overvloed van Gods genade: dat Hij, nadat u tegen Hem hebt gezondigd en Hem herhaaldelijk hebt getart, toch nog terughoudt om de bliksemstralen van Zijn oordeel te laten neerkomen. In plaats daarvan nodigt Hij u uit met Hem te spreken over de oorzaak van uw verzet, om met Hem te redeneren over uw strijd tegen uw Schepper.
Beste vrienden, voor een mens zou het toch een onuitsprekelijke vreugde moeten zijn te horen dat God hem uitnodigt tot een gesprek. Daarin ligt immers hoop — want hij zou kunnen zeggen: “Had God mij willen vernietigen, dan zou Hij niet hebben gezegd: ‘Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren.’” Wanneer Degene die alle macht bezit — die in één ogenblik hen kan verdelgen die tegen Hem gezondigd hebben — toch zegt: “Kom, laten we deze zaak bespreken,” dan moet dat een teken zijn van liefde en barmhartigheid. Het betekent dat er nog hoop is voor schuldigen, dat er nog een weg openstaat voor de mens, de vijand, om zich met zijn beledigde God te verzoenen.
Het lijkt mij dan ook wijs van ons, zondige schepselen die we zijn, om in te gaan op Gods uitnodiging tot gesprek. We hebben er immers niets bij te verliezen. Als de Heere zegt: “Een rechtszaak voeren,” dan moet daar een liefdevol doel achter schuilgaan. Laten we dan gehoor geven, tot Hem terugkeren en met onze God spreken.
Ik zou iedereen onder u die ook maar enig verlangen heeft om in het reine te komen met God, dringend willen aansporen hierover na te denken — over God, en over uzelf. Voor velen van u is het, vrees ik, hoog tijd om u te bekeren tot Hem die u al zo lang hebt getergd. Daar ligt Zijn Boek. Leest u het? Of getuigt het stof dat erop ligt niet tégen u? Acht u het niet de moeite waard om te weten wat God in Zijn Woord heeft geopenbaard? U behandelt uw Schepper en Vriend alsof Zijn brieven niet eens een uurtje van uw tijd waard zijn; u laat ze onaangeroerd liggen. Is dat juist?
Wie werkelijk vrede met God zoekt, zou toch allereerst dat woord ter harte moeten nemen: “Zo zegt de HEERE van de legermachten: Let aandachtig op uw wegen.” En is de volgende stap niet deze: gehoor te geven aan dat andere bevel: “Gewen u toch aan Hem en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen”? Hoe zou het ooit verstandig kunnen zijn om God te veronachtzamen en te minachten wat uw Schepper tot u spreekt? Het is veel wijzer deze zaak met de Heere te bespreken. En mochten wij na dat overleg tot een ander besluit komen dan wij wensen, dan hebben wij tenminste eerlijk over de zaak nagedacht. Laten we daarom luisteren naar die zachte, doch krachtige stem van God, die tot ons zegt: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE.”
U weet allemaal waar deze twist om draait, want u hebt het hoofdstuk zojuist horen voorlezen. U hebt de zonde lief — en God kan en zal u niet zegenen zolang u haar niet vaarwel hebt gezegd. De grootste zegen die God u kan schenken, is juist dat Hij u van de zonde losmaakt. De verlossing die wij vrijuit verkondigen, is niet — zoals sommigen menen — een verlossing aan het eind, voor hen die in hun zonden blijven; het is een bevrijding van de zonde zelf. De redding die wij, als vrucht van Gods vrije genade, voortdurend prediken, betekent verlossing van de heerschappij, de brand en de begeerte van de zonde. Vrije vergeving van alle vroegere overtredingen wordt aangeboden aan ieder die in Jezus gelooft; maar het grote doel daarvan is dat u verlost wordt van de liefde tot het kwaad en van de vreugde in de zonde.
Kwaad blijft kwaad, en wat verkeerd is tegenover God, is ook verkeerd voor uzelf. Niets dat tegen God ingaat, kan uw ware geluk bevorderen. U denkt misschien van wel, maar Gods oordeel is betrouwbaarder dan het uwe. Zijn geboden zijn in feite duidelijke wegwijzers naar het ware geluk. Wanneer Hij iets verbiedt, waarschuwt Hij u eenvoudigweg voor wat gevaarlijk is voor uw ziel. God heeft ons geen enkel werkelijk genoegen onthouden. Integendeel, Hij heeft ons alles geschonken wat waarlijk goed is voor onze onsterfelijke geest. Wanneer wij de weg gaan die Hij ons wijst, brengt dat niet alleen eeuwig heil, maar ook de diepste vreugde in het hier en nu. In wezen zegt God tot ons: “Wilt u Mij ontmoeten, keer u dan af van uw zonden. En Ik ben bereid u daarbij te helpen — ja, meer nog: Ik ben bereid u van de zonde te verlossen. Als er in uw hart een verlangen naar bevrijding leeft, dan heeft Mijn Heilige Geest dat verlangen daar Zelf ingelegd. En wanneer u zich aan Hem overgeeft, zal Hij u van de zonde reinigen, tot in de wortel.”
Hier begint dus het overleg tussen God en de mens. De mens gaat in gesprek met zijn Schepper — en ik stel mij voor dat dit vanavond gebeurt — en de eerste woorden van deze mens zijn: “Mijn zonden zijn rood als scharlaken.” “Welnu,” antwoordt de Heere, “Ik zal u op uw eigen terrein tegemoetkomen. Laat het zo zijn dat uw zonden scharlaken zijn — toch zal Ik ze zo wegnemen dat u wit zult zijn als sneeuw.” Dan spreekt de mens opnieuw: “Maar al zouden mijn vroegere zonden vergeven zijn, mijn neiging om te zondigen zit diep in mij geworteld. Als ik met een schone lei begin, zal ik al spoedig weer schuld opbouwen, zoals tevoren.” De Heere antwoordt opnieuw: “Hoewel de verdorven neigingen van uw natuur scharlaken zijn, zullen zij worden als wol. Ik zal de vlek uitwissen; Ik zal de stof herstellen in haar oorspronkelijke reinheid; Ik zal het lang doordrenkte karmozijn weer maken zo zuiver als toen het nog groeide op de rug van het schaap.” Zo ontmoet God de mens op twee manieren: ten eerste door volkomen vergeving der zonden, en ten tweede door volledige bevrijding van de macht der zonde. Over deze beide genaden wil ik vanavond duidelijk met u spreken.
I. Allereerst zal ik veronderstellen dat ik iemand voor me heb die zegt: MIJN ZONDEN ZIJN ZO ROOD ALS SCHARLAKEN. Hoe zou ik ooit een vriend van God kunnen zijn, nu mijn zonden zo duidelijk aan het licht komen? De zonden van sommige mensen zijn van een doffe kleur — je merkt ze nauwelijks op. Bij anderen zijn ze lichtbruin, bijna onzichtbaar. Maar mijn zonden zijn scharlakenrood: een kleur die onmiddellijk in het oog springt. Mijn zonde valt op; niemand kan haar negeren. Het oog wordt erdoor aangetrokken en blijft erop rusten. Mijn zonden zijn zo zichtbaar als scharlakenrood.
Wat voor zonden zijn dat dan, die zo genoemd kunnen worden? Allereerst bedoel ik daarmee de grofste en vuilste ondeugden. U verwacht toch niet dat ik ze hier uitvoerig ga beschrijven. Soms is het publiek geschokt wanneer de verdorvenheid van onze grote stad aan het licht komt. Dat is meer dan eens gebeurd, tot we er allen afkeerig en vermoeid van waren — en we zijn dankbaar dat het niet werd herhaald. Moge God geven dat het ook nooit meer gebeurt. Maar de zonde zelf is duizendmaal smeriger dan welke onthulling daarover ook gedaan kan worden. Toch zijn er hypocrieten genoeg die uitroepen: “Wat een schandelijke krant!”, terwijl zijzelf schuldig staan aan dezelfde gruwel die daar wordt beschreven. Nee, het is de zonde die walgelijk is, niet het verslag ervan — al geef ik toe dat ook het lezen ervan schrijnend en pijnlijk is.
Als u zich hebt overgegeven aan die zonden van het lichaam die niet alleen uzelf, maar ook anderen te gronde richten; als u in uw jeugd of volwassen jaren uw eigen ziel hebt bezoedeld met dergelijke ondeugden — dan zijn dat scharlakenrode zonden, die een mens achtervolgen op zijn sterfbed en hem blijven aanklagen wanneer hij de grens naar de eeuwigheid overstapt. Moge God geven dat ieder die zich aan zulke zonden schuldig weet, oren heeft om de boodschap van deze tekst te horen! Want wij hoeven onszelf hierover niet te bedriegen: zulke mensen zijn er volop in onze straten — ja, zelfs in onze kerken — keurige, gerespecteerde mensen die zich heimelijk overgeven aan grove zonde. Moge de Heere hun genadig zijn! Zelfs tot zulke mensen richt zich vanavond dit goddelijk woord: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw.” De hoereerder, de overspelige, de ontuchtige — zij allen hebben scharlakenrode zonden begaan. Ik zal er niet verder bij stilstaan, maar ik bedoel dat juist zulke zondaars genodigd worden om tot God te komen en Zijn genade te zoeken, want Hij zal hen wit maken als sneeuw.
Er is nog een tweede categorie zonden die scharlakenrood genoemd kunnen worden: de algemeen veroordeelde zonden — die welke niet alleen tegen God ingaan, maar ook tegen de staat, tegen het welzijn en tegen de sociale orde van de gemeenschap. Denk aan oneerlijkheid, diefstal, verduistering in al haar vormen, bedrog, valsheid en leugen. Sommigen spreken over ‘onschuldige’ leugens, maar zulke leugens bestaan niet. Elke leugen is scharlakenrood en voert een mens ten verderve als zij niet beleden en vergeven wordt. Iedere rechtschapen ziel veroordeelt zonden als hoogmoed en arrogantie, ondankbaarheid tegenover ouders, verraad aan vrienden, en het verbreken van heilige beloften en verbintenissen waaraan men trouw had moeten blijven. Al deze zonden zijn scharlakenrood. Sommige overtredingen — die ik niet in detail hoef te beschrijven — worden door de gehele beschaafde wereld afgekeurd; ook zij behoren tot de zonden die bloedrood zijn van schuld.
En mocht ik hier tot iemand spreken die zich daaraan schuldig weet — laat ieder hier de schoen aantrekken die hem past — dan bid ik dat hij ook deze genadige woorden horen mag: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE: al waren uw zonden als scharlaken…” — ja, dat wordt toegegeven — “…ze zullen wit worden als sneeuw.”
Ten slotte is er nog een derde soort zonden die scharlakenrood genoemd kunnen worden: zonden die openlijk tegen God ingaan. Sommige mensen trotseren Zijn Woord, bespotten de Schrift en drijven de spot met Zijn waarheid. Ze twijfelen aan Zijn voorzienigheid, bekritiseren Zijn werken en spreken met bijtende spot over de daden van de Allerhoogste. Dat zijn zonden van het diepste rood. Laat mij slechts weten dat iets van God komt — en ik buig mijn hoofd in eerbied. “Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?” En toch, in onze dagen keren velen zich openlijk tegen de Heere en durven Hem ter verantwoording te roepen, alsof zijzelf de Rechter van de Allerhoogste waren. Dit zijn ernstige zonden; en toch, zelfs tot zulke mensen zegt de Heere: “Ik zal u wit maken als sneeuw.” En in veel gevallen heeft Hij dat ook al gedaan.
Groot was mijn vreugde toen ik gisteren een brief ontving van iemand die nu een toegewijde dienaar van God is, maar die zich nog goed herinnert hoe hij — ruim dertig jaar geleden, meen ik — een overtuigd secularist was en een fel bestrijder van elke vorm van religie. In die dagen was ik nog een jonge predikant, en hij koesterde een bijzondere wrok tegen mij. Hij had zelfs mijn portret in zijn etalage gehangen, met daaronder enkele scherpe, bijtende opmerkingen. Maar op een dag kwam hij in Londen terecht en kon het niet laten de man te horen die het doelwit van zijn spot was. Die dag, in de Surrey Music Hall, ontmoette God hem. Sindsdien had ik nauwelijks meer iets van hem vernomen — tot gisteren, toen ik hoorde dat hij nog steeds in het geloof wandelde en zich met toewijding inzette om God te dienen en, voor zover mogelijk, het kwaad uit zijn vroegere leven goed te maken. Alle eer aan God, die zelfs degenen die het verst in rebellie tegen Hem gegaan zijn, kan terugbrengen en hen maken tot de edelste verdedigers van het geloof!
Ik herinner mij dat John Bunyan in zijn tijd zei dat hij grote hoop had voor de volgende generatie — en hij gaf daarvoor een opmerkelijke reden. Hij zei dat er nooit een tijd was geweest waarin zoveel godslasteraars en verdorven mensen leefden als toen, en hij dacht dat, als God juist hén zou redden, die geredden de beste heiligen ter wereld zouden worden. Daarom verwachtte hij dat de volgende generatie verder zou komen in heiligheid dan alle voorgaande. God gebruikt vaak het ruwe materiaal van een grote zondaar om, door Zijn genade, een grote heilige te vormen. Wie veel vergeving ontvangt, heeft ook veel lief. Scharlaken zondaars zijn zij die God tarten, die niet willen dat Hij over hen heerst, en die Hem dat durven zeggen — openlijk, recht in Zijn aangezicht. Toch, wanneer zij tot Christus komen, ontdekken zij dat Hij hen zo wit als sneeuw wil maken.
Scharlaken zonden kunnen ook bestaan uit langdurige losbandigheid. Ik spreek hier niet graag over, maar ik zou mijn taak verloochenen als ik deze ernst verzweeg. Er zijn mensen die, omdat zij er de middelen toe hebben, zich overgeven aan zonden waarvan de armen gelukkig verschoond blijven: dronkenschap en ontucht, maand na maand, jaar na jaar. Zij gaan voort in hun zonde alsof zij vastbesloten zijn zichzelf te gronde te richten — als mensen die halsstarrig op weg zijn naar de hel. Soms worden zij even gestuit door een ernstige toespraak, maar zij schudden elke indruk weer van zich af, vastbesloten hun weg naar het verderf te vervolgen. Wij kennen zulke mensen — niet zij die af en toe struikelen, maar zij die volharden in het kwaad; van wie het leven, zoveel het in hun macht ligt, één voortdurende opstand is tegen alles wat rein, waar en rechtvaardig is.
Spreek ik vanavond tot zo iemand — een jongeman of een vrouw? Zo ja, weet dan: u bent een zondaar, en ik wijs u op die genadige uitnodiging van de Heere: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.” Ook herhaalde overtredingen kleuren de zonde scharlakenrood. Wanneer iemand éénmaal zondigt en dat vervolgens nalaat, blijft het kwaad ernstig, maar lichter dan bij degene die steeds opnieuw in dezelfde misstap vervalt. Het doet mij denken aan die arme mot die mijn studeerkamer binnenvliegt en telkens weer tegen de brandende lamp stoot. Hij verschroeit zijn vleugels, valt neer, en nog voor ik hem kan wegnemen, vliegt hij alweer richting het licht — opnieuw verbrand, opnieuw gewond.
Zo zijn velen: verschroeid door hun eigen zonde, maar toch er telkens weer naar terugkerend, gelijk de hond terugkeert naar zijn uitbraaksel en de gewassen zeug naar het wentelen in het slijk. Wie zich zo gedraagt, maakt zijn zonde des te schuldiger voor God; en toch — zelfs dan, ja juist dan — klinkt nog steeds Gods uitnodiging: Kom tot Mij, en Ik zal u wit maken als sneeuw.
Nog een laatste gedachte: de zonde kleurt scharlaken wanneer zij met opzet wordt begaan. Sommige mensen zondigen in een ogenblik van heftige hartstocht — dat is al erg genoeg. Maar wie weken of maanden neemt om een boos plan uit te denken, om valstrikken te spannen, intriges te weven om kwaad te doen — die bedrijft zonde met voorbedachten rade. Zo’n daad is scharlakenrood: een misdaad die nauwelijks genade schijnt toe te laten. En toch durf ik te zeggen: ook als iemand hier zich zulk kwaad herinnert, roep ik hem toe: Beken het, keer terug tot de Heere! Want Hij zegt: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”
Dat is de kern van alles. O, gij scharlaken zondaars — laat de grootte van uw schuld u niet van God afhouden! O, gij die alle grenzen zijt te buiten gegaan — er is nog vergeving! God is machtig om in één ogenblik al uw zonden uit te wissen, zodat er niets meer in Zijn boek tegen u geschreven staat, en uw scharlakenrood zal wit worden als sneeuw. Wilt u weten hoe dat mogelijk is? Het is door het grote, verzoenende offer van Jezus Christus, de Zoon van God, die op de berg Golgotha de toorn van God droeg — in onze plaats en namens ons — zodat God, in volmaakte rechtvaardigheid, de zonden kon vergeven van allen die hun vertrouwen stellen op het verzoeningswerk van Christus. Begrijp dit goed: dít is de weg waardoor scharlakenrode zondaars wit als sneeuw worden. De bloedende Verlosser — Hij alleen — werkt dit wonder van genade.
Dit is de waarheid: als u tot God komt, uw zonden belijdt en het volmaakte offer van Christus aanneemt, zal uw scharlakenrode zonde ophouden te bestaan, en zult u wit worden als sneeuw. O, dit is het beste nieuws dat ooit over menselijke lippen is gegaan! En toch — als ik vanavond thuiskom, zal ik mijzelf verwijten dat ik het niet beter heb verteld. Steeds weer overvalt mij die gedachte: “Waarom heb je het niet vuriger gezegd? Waarom liet je hen gaan, zonder dieper tot hun hart te spreken?” Ach, beste vrienden, ik zou het graag doen als ik wist hoe — maar ik ben nog maar pas begonnen te leren prediken zoals ik dat wens. Toch vertel ik dit eeuwenoude verhaal aan u, grote zondaars — scharlakenrode zondaars: als u op Jezus vertrouwt, zullen uw zonden u niet verdoemen. Komt u tot Christus, dan zal Hij uw zonden voor altijd wegnemen. Niet de omvang van uw schuld zal u ten val brengen, maar uw ongeloof — uw afstand tot God, uw aanhoudend zondigen. Want de Heere is bereid uw zonden uit te wissen als een nevel, en Hij wil dat zelfs nu doen, als u slechts op Zijn geliefde Zoon vertrouwt.
II. Maar ik mag niet vergeten dat er nog een tweede moeilijkheid is. De persoon over wie ik eerder sprak, zegt ook: “MIJN NEIGING TOT ZONDE IS DIEP IN MIJ GEWORTELD.”
Deze persoon zegt: “Zelfs al zouden al mijn grove zonden mij vergeven worden, dan nog zou ik vrezen dat het niet in orde is met mij.”
Waarom niet?
“Omdat,” zo antwoordt hij, “ik in mijzelf neigingen tot het kwaad voel die, denk ik, sterker zijn dan bij wie dan ook.”
Welnu, vriend, laat ik u op uw eigen terrein tegemoetkomen. Ik geloof inderdaad dat sommige mensen een sterkere erfelijke neiging tot bepaalde zonden hebben dan anderen. Het is onmiskenbaar waar dat de zonden van de vaderen worden bezocht aan de kinderen tot in het derde en vierde geslacht. Wie de menselijke natuur kent, ziet het duidelijk: het kind van een dronkaard heeft een grotere aanleg voor dronkenschap dan het kind van een nuchtere man; en wie geboren wordt uit een relatie van onreinheid, is vaak meer geneigd tot diezelfde zonde dan iemand die afstamt van kuise en godvrezende ouders.
Dat is waar — maar wat ik u zeggen wil, is dit: zelfs al zou u afstammen van een geslacht van dronkaards, zelfs al zou u in heel uw familiegeschiedenis geen enkel voorbeeld van rechtschapenheid kunnen vinden, dan nóg kan God u reinigen. Hoe scharlakenrood uw zonden ook zijn, zij zullen worden als witte wol. God weet hoe Hij, door de kracht van de Heilige Geest, deze verandering tot stand kan brengen. Is dat u nieuw? Onthoud dan: de Heilige Geest is de derde, heerlijke Persoon van de gezegende Drie-eenheid. Hij kan komen en de vlek van erfelijkheid uit uw natuur wegnemen, zodat u de macht ontvangt om die bijzondere zwakheid, die in uw bloed ligt, te overwinnen. God kan het doen. Hij die het horloge gemaakt heeft, kan het ook herstellen. Hij die u geschapen heeft, kan u vernieuwen. U bent niet buiten het bereik van de goddelijke almacht — wie uw vader of moeder ook geweest zijn. Ik spreek dus uitgaande van uw eigen redenering, zonder erover te twisten.
“O,” zegt een ander, “bij mij ligt het probleem niet in erfelijke neigingen, maar in mijn gewoonten. Ik zondig uit gewoonte.”
Ja, mijn vriend, dat is een angstwekkende toestand. Slechte gewoonten zijn even bedrukkend als slavenketenen. De eerste keren dat u zondigt, lijkt het slechts op een dun spinnenweb — u voelt het nauwelijks. Maar al snel wordt dat web een netwerk van touwen, en vervolgens verandert het in ijzeren banden, in kettingen van staal. Wat dan? Hoe kunt u zich daaruit losmaken? Hoe zal de gewoontedronkaard zich losrukken van de beker die hem ten verderve voert? “Kan ook een Cusjiet zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken?” (Jer. 13:23). Als dat zo is, ja, dan zou ook hij die gewend is kwaad te doen, kunnen leren goed te doen.
Toch zeg ik u: de Heilige Geest kan u helpen om elke zondige gewoonte in één ogenblik te breken. Ik heb het zo vaak gezien — vooral bij mannen die jarenlang niets anders dan vloeken op hun lippen hadden. Zodra zij bekeerd waren, kwam er geen vloek meer over hun mond, zelfs niet de neiging daartoe. Zo volkomen kan de Heilige Geest een slechte gewoonte uitroeien. Andere zonden kunnen zich nog van tijd tot tijd doen voelen, maar ook die worden overwonnen. Want wanneer de Geest van God de liefde van Christus in het hart uitstort, verdrijft die nieuwe liefde de oude begeerten. De kracht van een nieuwe genegenheid is overweldigend: zij stoot het kwaad uit en vormt een nieuw hart.
U weet dat scharlaken en karmozijn kleuren zijn die bijna niet uit stof te verwijderen zijn. Dauw noch regen, geen enkel bleekmiddel kan die diepe kleur eruit krijgen. Men zegt dat sommige oude lappen, die eens rood geverfd zijn, slechts nog kunnen dienen om vloeipapier van te maken, omdat de kleur niet meer uit het materiaal te krijgen is. En karmozijnrood — dat zou men alleen kunnen verwijderen door de stof zelf te vernietigen. Maar God weet hoe Hij, zonder de stof te vernietigen, een gewoonte die vijftig jaar oud is uit uw karakter kan wegnemen — zó, dat er geen spoor van overblijft. Hij kan u volkomen zuiver maken, vernieuwen, wedergeboren laten zijn. Uw leven zal tonen dat u werkelijk een nieuw mens bent; ja, uw aard zal fris zijn als het vlees van een kind — hersteld door de hand van uw Schepper.
Ik hoor iemand anders zeggen: “Maar, dominee, mijn probleem is dat ik zo zwak ben tegenover het kwaad. Ik ben zo slap, zo’n arme dwaas.”
Welnu, vriend, u bent niet werkelijk een dwaas als u beseft dát u het bent, want de grootste dwaas is hij die zijn eigen dwaasheid niet kent. Maar er zijn inderdaad mensen van dit soort — laat mij proberen u te beschrijven. U bent niet volkomen verdorven; als u overtuigd wordt dat iets verkeerd is, hebt u daar spijt van en zegt u bij uzelf: “Daar zal ik mee ophouden.”
Maar er is iemand — ik weet niet wie — die precies de sleutel van uw hart heeft. Telkens wanneer die persoon langskomt, kan hij of zij u naar believen sturen. Misschien is het een man, misschien een vrouw — wie het ook is, u bent als was in hun handen. En u bent zo’n zwak mens dat, zodra er twee of drie mensen om u heen staan en u overhalen iets verkeerds te doen, u eenvoudigweg geen nee kunt zeggen. U hebt nog nooit geleerd dat korte, machtige woord te spreken. Uw moeder heeft het u niet geleerd, uw leraar evenmin, en ik vrees dat zelfs ík het u niet bij kan brengen. Voor sommigen is dat woord een berg om te beklimmen: ze proberen het, beginnen met “n‑n‑n…”, maar het eindigt altijd in “ja”.
De kracht om nee te zeggen is een machtige kracht. En het is tragisch wanneer iemand in de zonde verstrikt raakt omdat hij geen innerlijke ruggengraat heeft — geen vastberadenheid, geen standvastigheid — zodat anderen hem naar hun hand kunnen zetten. Mijn vriend, als u leert wandelen met God en zich toevertrouwt aan de leiding van de Heilige Geest — dat bid ik voor u — dan zal Hij u ruggengraat geven. Hij zal u vast maken en standvastig. Ik heb jonge mannen gekend die mij aanvankelijk diepe smart bezorgden door hun wankelmoedigheid, maar die door Gods genade bijna onwrikbaar werden, vast als rotsen. O, wat heeft de Heere van die zwakke jongens krachtige mannen gemaakt — mannen met een wil van staal! Wij hebben vandaag meer mensen met ruggengraat nodig; ze schijnen zeldzaam te worden. Maar de Heere kan ze nog altijd vormen — mensen met moed, karakter en geestelijke kracht. O jij, weifelende jongeman, slap als een slak zonder huis — Gods genade kan van jou een waar man maken. Dan zul je de waarheid kennen, en de waarheid zal je vrijmaken; je zult kunnen opstaan en met heilige durf zeggen: nee! En dan zul je ook kunnen zingen:
“Dare to be a Daniel!
Dare to stand alone!
Dare to have a purpose firm!
Dare to make it known!”
“Durf een Daniël te zijn!
Durf alleen te staan!
Durf een vast doel te stellen!
Durf het kenbaar te maken!“
God zal u helpen — zelfs in die dingen — als u zich aan Hem overgeeft. Toch vrees ik dat ik bij sommigen van u de kern van het probleem nog niet heb geraakt. Sommigen zijn verstrikt geraakt in hun omstandigheden. Misschien zegt iemand: “Dominee, u kent mij niet; anders zou u niet denken dat Gods genade mij kan redden. In mijn beroep, in mijn zaken, in mijn levenspositie ben ik diep verwikkeld in verkeerde dingen. Ik weet eenvoudigweg niet hoe ik eruit moet komen. Ik moet immers leven.”
Die uitdrukking — ‘we moeten leven’ — heb ik eerlijk gezegd nooit goed begrepen. Maar iemand spreekt dan: “Ik bevind mij in een hachelijke situatie. Ik weet dat ik daar eigenlijk niet zou moeten zijn, maar ik kan er onmogelijk uitkomen.” Nee, mijn vriend — ú misschien niet, maar Gods genade kan het wel. O, ik heb in dit gebedshuis wonderlijke voorbeelden gezien! Ik ken iemand die door de Heere werd gered terwijl hij een beroep uitoefende dat rechtstreeks dodelijk was voor de zielen van mannen en vrouwen. Hij zei dat hij onmogelijk kon ophouden — en tóch kwam hij eruit. Hij heeft zwaar geleden, maar hij bleef trouw, en ik durf te zeggen dat hij er nu beter aan toe is dan ooit tevoren.
Als hij in dat werk gebleven was, zou het hem naar lichaam en geest hebben geruïneerd — en met hem velen anderen. Er is niets heilzamer dan het vaste besluit u volledig los te maken van alles wat verkeerd is, wat het ook mag kosten. “Want wat baat het een mens, als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?” Het schip van deze wereld zinkt; en als uw kleine bootje daaraan vastgeknoopt zit, zult u met haar ondergaan. Grijp de bijl — hak het touw door! Wanneer God u door Zijn genade helpt dat te doen — en Hij kan en zal dat doen — dan wordt de strik van uw omstandigheden verbroken. Ik weet niet voor wie deze woorden op dit moment bedoeld zijn, maar ik voel dat dit Gods boodschap is voor iemand hier: kom eruit. Kom eruit, wat het u ook kost. Ontsnap uit Sodom! Laat alles achter, kijk niet om, blijf niet stilstaan in de vlakte — vlucht de berg op, opdat u niet wordt weggerukt!
Dan hoor ik nog iemand anders zeggen: “Maar ik ben een man van sterke hartstochten.”
Ja, er zijn mensen die haast op wilde beesten lijken in mensengedaante — mensen met een driftige, ontembare aard. Ik ontmoet ze wel eens: ze menen het goed, maar ach, hun opvliegerigheid is verschrikkelijk! Ze zeggen: “Ik kook over, dominee, maar het is binnen een minuut weer voorbij.”
Misschien is dat zo — maar als u er iemand mee verbrand hebt, is diens wond niet binnen een minuut genezen. Een Schotse landheer zei eens tegen zijn knecht: “Kijk, Sandy, ik ben niet vaak boos, en als het gebeurt, ben ik er snel weer overheen.” Waarop de knecht antwoordde: “Ja, meester, maar u bent ook nooit lang goedgehumeurd — u wordt net zo snel weer kwaad!”
Dat, vrienden, is een kwaad dat overwonnen moet worden. Een driftig humeur kunt u niet meenemen naar de hemel. Wat zouden de engelen met u beginnen, als uw hart zo vlammend en onbedaard was? Die vurige hartstochten moeten uitgeroeid worden — en ik ken geen chirurg die dat kan, behalve Eén. U moet opnieuw geboren worden. Dat is de enige ware genezing. Er zijn ook mensen die maandenlang goed standhouden, totdat er ineens een stormwind door hun ziel woedt — dan grijpen zij naar de fles of vallen in een andere grove zonde, en alles wijten zij aan hun hartstochten. Maar u kunt zulke hartstochten niet meenemen naar de hemel. U moet er in dit leven van verlost worden, wilt u daar ooit binnengaan. En het enige middel daartoe is: wedergeboorte. “Allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van vlees en ook niet uit de wil van een man, maar uit God geboren zijn.” (Joh. 1:12–13)
“Gelooft u in de leer van de erfzonde?” vraagt iemand. Ja, zeker — ik geloof erin. Het is ongeveer het enige oorspronkelijke bezit dat sommige mensen hebben, en daarvan hebben ze dan nog een overvloed ook! Ja, ja, helaas is dat zo. Wij allen dragen die neiging tot het kwaad in ons, dat diepgewortelde afglijden naar de zonde. En hoewel ik verschil heb gemaakt tussen de ene mens en de andere, moet ik toch op dit punt terugkomen:
“Als schapen zijn wij afgedwaald,
En hebben wij de kudde van God verlaten;
Ieder koos zijn eigen weg,
Maar allen gingen wij naar de afgrond.”
Tegen de erfzonde bestaat geen ander middel dan de almachtige genade van God; en die genade is nergens anders te verkrijgen dan als vrije gave uit Zijn hand. Hij schenkt haar naar Zijn welbehagen, want Hij heeft het volste recht om te geven of te onthouden. Maar — gezegend zij Zijn Naam — Hij heeft beloofd deze genade te verlenen aan allen die met een nederig hart hun zonden belijden en zich in geloof werpen op Jezus Christus, Zijn Zoon. Zo heb ik u laten zien dat de schuld van de zonde wordt uitgewist door het bloed van Jezus, en dat de macht van de zonde wordt gebroken door de werking van de Heilige Geest. Voor de redding van de mens die wíl worden gered, is in alles voorzien. Kom dan en hoor hoe God Zelf uw moeilijkheden heeft opgelost: “Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.” God zegene u allen — om Jezus Christus’ wil. Amen.


