Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Het woordH1697 des HEERENH3068, hetwelkH834 geschiedH1961 is totH413 ZefanjaH6846, den zoonH1121 van CuschiH3570, den zoonH1121 van GedaljaH1436, den zoonH1121 van AmarjaH568, den zoonH1121 van HizkiaH2396; in de dagenH3117 van JosiaH2977, den zoonH1121 van AmonH526, den koningH4428 van JudaH3063.
Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda.
KJV
The word1
of the LORD2
which came unto Zephaniah6
the son7
of Cushi,8
the son9
of Gedaliah,10
the son11
of Amariah,12
the son13
of Hizkiah,14
in the days15
of Josiah16
the son17
of Amon,18
king19
of Judah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik zal ganselijkH622 allesH3605 wegrapenH5486 uit dit landH127, spreektH5002 de HEEREH3068.
Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE.
KJV
I will utterly1
consume2
all things from off the land,5
saith7
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ik zal wegrapenH5486 mensenH120 en beestenH929; Ik zal wegrapenH5486 de vogelenH5775 des hemelsH8064, en de vissenH1709 der zeeH3220, en de ergernissenH4384 metH854 de goddelozenH7563; ja, Ik zal de mensenH120 uit dit landH127 uitroeienH3772, spreektH5002 de HEEREH3068.
Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE.
KJV
I will consume
man2
and beast;3
I will consume
the fowls5
of the heaven,6
and the fishes7
of the sea,8
and the stumblingblocks9
with the wicked;11
and I will cut off12
man14
from off16
the land,17
saith18
the LORD.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En Ik zal Mijn handH3027 uitstrekkenH5186 tegen JudaH3063, en tegen alleH3605 inwonersH3427 van JeruzalemH3389; en Ik zal uit dezeH2088 plaatsH4725 uitroeienH3772 het overblijfselH7605 van BaalH1168, en den naamH8034 der ChemarimH3649 metH5973 de priestersH3548;
En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Chemarim met de priesters;
KJV
I will also stretch out1
mine hand2
upon Judah,4
and upon all the inhabitants7
of Jerusalem;8
and I will cut off9
the remnant14
of Baal15
from this place,11
and the name17
of the Chemarims18
with the priests;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En die zich nederbuigenH7812 opH5921 de dakenH1406 voor het heirH6635 des hemelsH8064, en die zich nederbuigendeH7812 zwerenH7650 bij den HEEREH3068, en zwerenH7650 bij MalchamH4428;
En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den HEERE, en zweren bij Malcham;
KJV
And them that worship2
the host5
of heaven6
upon the housetops;4
and them that worship8
and that swear9
by the LORD,10
and that swear11
by Malcham;
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En die terugkerenH5472 van achterH310 den HEEREH3068; en dieH834 den HEEREH3068 nietH3808 zoekenH1245, en vragenH1875 naar Hem nietH3808.
En die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet.
KJV
And them that are turned back2
from3
the LORD;4
and those that have not sought7
the LORD,9
nor enquired
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
ZwijgtH2013 voor het aangezichtH6440 des HeerenH136 HEERENH3069; want de dagH3117 des HEERENH3068 is nabijH7138; wantH3588 de HEEREH3068 heeft een slachtofferH2077 bereidH3559, Hij heeft Zijn genodenH7121 geheiligdH6942.
Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij; want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd.
KJV
Hold thy peace1
at the presence2
of the Lord3
GOD:4
for the day7
of the LORD8
is at hand:6
for the LORD11
hath prepared10
a sacrifice,12
he hath bid13
his guests.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En het zal geschiedenH1961 in den dagH3117 van het slachtofferH2077 des HEERENH3068, dat Ik bezoekingH6485 zal doen overH5921 de vorstenH8269, en overH5921 de kinderenH1121 des koningsH4428, en overH5921 allenH3605, die zich kledenH3847 met vreemdeH5237 kledingH4403.
En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.
KJV
And it shall come to pass in the day2
of the LORD'S4
sacrifice,3
that I will punish5
the princes,7
and the king's10
children,9
and all such as are clothed13
with strange15
apparel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ook zal Ik ten zelvenH1931 dageH3117 bezoekingH6485 doen overH5921 alH3605 wie overH5921 den dorpelH4670 springtH1801; die het huisH1004 hunner herenH113 vullenH4390 met geweldH2555 en bedrogH4820.
Ook zal Ik ten zelven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heren vullen met geweld en bedrog.
KJV
In the same day7
also will I punish1
all those that leap4
on the threshold,6
which fill9
their masters'11
houses10
with violence12
and deceit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En er zal te dienH1931 dageH3117, spreektH5002 de HEEREH3068, een stemH6963 des gekrijtsH6818 zijnH1961 van de VispoortH1709 af, en een gehuilH3215 vanH4480 het tweedeH4932 gedeelteH1419, en een grote breukH7667 van de heuvelenH1389 af.
En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
saith4
the LORD,5
that there shall be the noise6
of a cry7
from the fish9
gate,8
and an howling10
from the second,12
and a great14
crashing13
from the hills.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HuiltH3213, gij inwonersH3427 der laagteH4389! WantH3588 al het volkH5971 van koophandelH3667 is uitgehouwenH1820, alH3605 de gelddragersH5187 zijn uitgeroeidH3772.
Huilt, gij inwoners der laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.
KJV
Howl,1
ye inhabitants2
of Maktesh,3
for all the merchant8
people7
are cut down;5
all they that bear11
silver12
are cut off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En het zal geschiedenH1961 te dien tijdeH6256, Ik zal JeruzalemH3389 met lantaarnenH5216 doorzoekenH2664; en Ik zal bezoekingH6485 doen overH5921 de mannenH582, die stijfH7087 geworden zijn opH5921 hun droesemH8105, die in hun hartH3824 zeggenH559: De HEEREH3068 doet geenH3808 goedH3190, en Hij doet geenH3808 kwaadH7489.
En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.
KJV
And it shall come to pass at that time,2
that I will search4
Jerusalem6
with candles,7
and punish8
the men
that are settled11
on their lees:13
that say14
in their heart,15
The LORD18
will not do good,17
neither will he do evil.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daarom zal hun vermogenH2428 ten roofH4933 worden, en hun huizenH1004 tot verwoestingH8077; zij bouwenH1129 wel huizenH1004, maar zij zullen ze nietH3808 bewonenH3427; en zij plantenH5193 wijngaardenH3754, maar zij zullen derzelver wijnH3196 nietH3808 drinkenH8354.
Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
KJV
Therefore their goods2
shall become a booty,3
and their houses4
a desolation:5
they shall also build6
houses,7
but not inhabit9
them; and they shall plant10
vineyards,11
but not drink13
the wine
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De grote dagH3117 des HEERENH3068 is nabijH7138; hij is nabijH7138, en zeerH3966 haastendeH4118; de stemH6963 van den dagH3117 des HEERENH3068; de heldH1368 zal aldaarH8033 bitterlijkH4751 schreeuwenH6873.
De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.
KJV
The great4
day2
of the LORD3
is near,1
it is near,5
and hasteth6
greatly,7
even the voice8
of the day9
of the LORD:10
the mighty man14
shall cry12
there bitterly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
DieH1931 dagH3117 zal een dagH3117 der verbolgenheidH5678 zijn; een dagH3117 der benauwdheidH6869 en des angstesH4691, een dagH3117 der woestheidH7722 en verwoestingH4875, een dagH3117 der duisternisH2822 en der donkerheid, een dagH3117 der wolkH6051 en der dikke donkerheid;
Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;
Ook in dit vers
donkerheidH653
donkerheidH6205
KJV
That day1
is a day3
of wrath,2
a day5
of trouble6
and distress,7
a day8
of wasteness9
and desolation,10
a day11
of darkness12
and gloominess,13
a day14
of clouds15
and thick darkness,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Een dagH3117 der bazuinH7782 en des geklanksH8643 tegenH5921 de vasteH1219 stedenH5892 en tegenH5921 de hogeH1364 hoekenH6438.
Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.
KJV
A day1
of the trumpet2
and alarm3
against the fenced6
cities,5
and against the high9
towers.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En Ik zal de mensenH120 bangH6887 maken, dat zij zullen gaanH1980 als de blindenH5787; want zij hebben tegen den HEEREH3068 gezondigdH2398; en hun bloedH1818 zal vergotenH8210 worden als stofH6083, en hun vleesH3894 zal worden als drekH1561.
En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.
KJV
And I will bring distress1
upon men,2
that they shall walk3
like blind men,4
because they have sinned7
against the LORD:6
and their blood9
shall be poured out8
as dust,10
and their flesh11
as the dung.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Noch hun zilverH3701, noch hun goudH2091 zal hen kunnen reddenH5337 ten dageH3117 der verbolgenheidH5678 des HEERENH3068; maar door het vuurH784 Zijns ijversH7068 zal dit ganseH3605 landH776 verteerdH398 worden; wantH3588 Hij zal een voleindingH3617 makenH6213, gewisselijkH389, een haastigeH926, met alH3605 de inwonersH3427 dezes landsH776.
Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.
KJV
Neither their silver2
nor their gold4
shall be able6
to deliver7
them in the day8
of the LORD'S10
wrath;9
but the whole land15
shall be devoured13
by the fire11
of his jealousy:12
for he shall make20
even a speedy19
riddance17
of all them that dwell23
in the land.
Zefanja,
Ook gemeenlijk genoemd Sofonias.
Hertaald:
Zefanja,
Ook gewoonlijk Sofonias genoemd.
Cuschi,
Wie deze Cuschi en die hier na hem volgen geweest zijn, is ons nu onbekend, maar zij zijn buiten twijfel in die tijden vermaarde en welbekende mannen geweest; en het schijnt dat hier dit geslachtregister der voorouders van Zefanja gesteld is, om hem te onderscheiden van Zefanja, den zoon van Manaseja, die ook ten tijde van Josia geleefd heeft. De profeet Zefanja heeft ook geleefd en geprofeteerd ten tijde van Jeremia en van de profetes Hulda; verg. 2 Kon. 22:14 , en 2 Kron. 34:22 , en 2 Kron. 35:25 ; Jer. 1:2 .
Hertaald:
Cuschi,
Wie deze Kusi en de anderen die hier na hem volgen geweest zijn, is ons nu onbekend, maar zij zijn ongetwijfeld in die tijd vermaarde en welbekende mannen geweest. Het lijkt erop dat dit geslachtsregister van Zefanja's voorouders hier vermeld is om hem te onderscheiden van Zefanja, de zoon van Maäseja, die ook in de tijd van Josia geleefd heeft. De profeet Zefanja heeft ook geleefd en geprofeteerd in de tijd van Jeremia en van de profetes Hulda; vergelijk 2 Kon. 22:14, 2 Kron. 34:22 en 2 Kron. 35:25; Jer. 1:2.
in de dagen van Josia,
Te weten, nadat Josia den kerkedienst en godsdienst gereformeerd had, gelijk af te leiden is uit vs.4.
Hertaald:
in de dagen van Josia,
Namelijk nadat Josia de kerk- en godsdienst hervormd had, zoals uit vers 4 op te maken is.
ganselijk alles wegrapen
Hebr. wegrapende wagrapen, te weten, door de koning der Chaldeën. Zie van de betekenis van het woord wegrapen Ps. 26:9 .
Hertaald:
ganselijk alles wegrapen
Hebreeuws: wegrapende wegrapen, namelijk door de koning van de Chaldeeën. Zie over de betekenis van het woord wegrapen Ps. 26:9.
uit dit land,
Hebr. van op het aangezicht van dit land, te weten, van het land Juda.
Hertaald:
uit dit land,
Hebreeuws: van het aangezicht van dit land, namelijk van het land Juda.
beesten;
Hier worden ook de dieren vermengd onder de straffen, die de mensen met hunne zonden verdiend hebben, om te doen blijken hoe gruwelijk de zonde voor God is. Verg. Jer. 4:23 , Jer. 4:25-27 , en Jer. 9:10 ; Hos. 4:3 .
Hertaald:
beesten;
Hier worden ook de dieren betrokken in de straffen die de mensen met hun zonden verdiend hebben, om te laten blijken hoe gruwelijk de zonde voor God is. Vergelijk Jer. 4:23, Jer. 4:25-27 en Jer. 9:10; Hos. 4:3.
de ergernissen met de goddelozen;
Of, de aanstotingen, te weten, het overblijfsel van den Baäl, vs.4, gelijk waren afgoden, kapellen en alle gereedschap, behorende tot de afgoderij, want hierdoor werden de godzaligen geërgerd en bedroefd en van den waren godsdienst afgeleid; zie Ezech. 14:3 , Ezech. 14:7 .
Hertaald:
de ergernissen met de goddelozen;
Of: de aanstotingen, namelijk het overblijfsel van Baäl, vers 4 — zoals afgoden, kapellen en al het gereedschap dat bij de afgoderij hoorde. Daardoor werden de godzaligen namelijk geërgerd en bedroefd en van de ware godsdienst afgeleid; zie Ezech. 14:3, Ezech. 14:7.
En Ik zal Mijn hand
Anders: dat is, in welke betekenis de letter Vau dikwijls genomen wordt.
Hertaald:
En Ik zal Mijn hand
Anders: dat is; in die betekenis wordt de letter waw vaak gebruikt.
uitstrekken tegen Juda,
Te weten, om te slaan.
Hertaald:
uitstrekken tegen Juda,
Namelijk om te slaan.
uit deze plaats uitroeien
Te weten, uit Juda en Jeruzalem.
Hertaald:
uit deze plaats uitroeien
Namelijk uit Juda en Jeruzalem.
het overblijfsel van Baäl,
Dat is, het gereedschap, dienende tot den afgodischen dienst van Baäl, welken de vrome koning Josia niet ten enemale heeft kunnen uitroeien. Doch anderen verstaan dit van het overblijfsel der afgoderij, die na het wegvoeren van de tien stammen naar Assyrië, onder het volk van God, zelfs in Juda, nog overgebleven was.
Hertaald:
het overblijfsel van Baäl,
Dat is: het gereedschap dat voor de afgodische dienst van Baäl gebruikt werd, dat de vrome koning Josia niet volledig heeft kunnen uitroeien. Maar anderen verstaan dit van het overblijfsel van de afgoderij die na de wegvoering van de tien stammen naar Assyrië onder het volk van God, zelfs in Juda, nog overgebleven was.
der Chemárim
Zie de aantekening bij 2 Kon. 23:5 , wat door de chemarin te verstaan is.
Hertaald:
der Chemárim
Zie de aantekening bij 2 Kon. 23:5 voor wat onder de chemarim verstaan moet worden.
met de priesters;
Versta hier, die priesters, die zich met afgoderij bezoedeld en ontheiligd hadden in den algemenen afval. Zie 2 Kon. 23:9 , en Sef. 3:4 .
Hertaald:
met de priesters;
Versta hier de priesters die zich in de algemene afval met afgoderij bezoedeld en ontheiligd hadden. Zie 2 Kon. 23:9 en Zef. 3:4.
En
Te weten, Ik zal uitroeien.
Hertaald:
En
Namelijk: Ik zal uitroeien.
die zich nederbuigende
Dat is, niet allen degenen, die openbare afgodendienaars waren, maar ook hen, die een vermengde religie hebben en die nevens of met hunne afgoden ook den ware God dienen willen. Hetwelk God verbiedt 1 Kon. 18:21 , en 2 Kon. 17:33 ; Ezech. 20:39 .
Hertaald:
die zich nederbuigende
Dat is: niet alleen degenen die openlijke afgodendienaars waren, maar ook hen die er een gemengde godsdienst op nahouden en naast of samen met hun afgoden ook de ware God willen dienen. Dat verbiedt God in 1 Kon. 18:21 en 2 Kon. 17:33; Ezech. 20:39.
de daken
Die in Judea en andere landen daar omheen, plat waren; zie de aantekening bij Deut. 22:8 , en op welke zij dikwijls hunne afgoderij bedreven; zie 2 Kon. 23:12 , en Jer. 19:13 .
Hertaald:
de daken
Die in Judea en de omliggende landen plat waren; zie de aantekening bij Deut. 22:8. Daarop bedreven zij vaak hun afgoderij; zie 2 Kon. 23:12 en Jer. 19:13.
het heir des hemels,
Dat is, voor de sterren, zon en maan. Zie de aantekening bij Deut. 4:19 , en Jer. 7:18 , en Jer. 10:2 .
Hertaald:
het heir des hemels,
Dat is: voor de sterren, de zon en de maan. Zie de aantekening bij Deut. 4:19, en Jer. 7:18 en Jer. 10:2.
zweren bij den HEERE,
Of, den Heere zweren, gelijk 2 Kron. 15:14 ; hetwelk betekent Gode gehoorzaamheid en onderhouding zijner geboden beloven, en zich Gode heiligen en overgeven.
Hertaald:
zweren bij den HEERE,
Of: de HEERE zweren, zoals 2 Kron. 15:14; dat betekent: God gehoorzaamheid en het onderhouden van Zijn geboden beloven, en zich aan God heiligen en overgeven.
zweren
Zie de aantekening bij Jer. 49:1 .
Hertaald:
zweren
Zie de aantekening bij Jer. 49:1.
bij Malcham;
Of, Melech, of Moloch, den afgod der kinderen Ammons. Doch onder dezen afgod kan men ook alle andere afgodenn verstaan, welken de afgodendienaars noemden hunne koningin. Melech betekent in het Hebr. een koning.
Hertaald:
bij Malcham;
Of: Melech, of Moloch, de afgod van de Ammonieten. Maar onder deze afgod kan men ook alle andere afgoden verstaan die de afgodendienaars hun koning noemden. Melech betekent in het Hebreeuws een koning.
Zwijgt
Dat is, murmureert niet tegen den Heere, maar bekent dat Hij oprecht oordeelt. Of, houdt u maar stil, gij zult in het kort de uitvoering zijner dreigementen zien.
Hertaald:
Zwijgt
Dat is: mopper niet tegen de HEERE, maar erken dat Hij rechtvaardig oordeelt. Of: houd u maar stil, u zult binnenkort de uitvoering van Zijn dreigementen zien.
voor het aangezicht des Heeren HEEREN;
Dat is, vanwege de tegenwoordigheid des Heeren.
Hertaald:
voor het aangezicht des Heeren HEEREN;
Dat is: vanwege de tegenwoordigheid van de HEERE.
de dag des HEEREN is nabij;
Te weten, de dag der wraak des Heere, in welken Hij de goddeloze afgodische Joden straffen zal. Alzo vs.14. Van den dood van den koning Josia af zijn de Joden geduriglijk van de ene ellende in de andere vervallen, totdat hunne koningen en zij met hen ten ondergebracht zijn geworden.
Hertaald:
de dag des HEEREN is nabij;
Namelijk de dag van de wraak van de HEERE, waarop Hij de goddeloze, afgodische Joden zal straffen. Zo ook vers 14. Vanaf de dood van koning Josia zijn de Joden voortdurend van de ene ellende in de andere vervallen, totdat hun koningen en zij met hen ten onder gebracht zijn.
een slachtoffer bereid,
Of, een slachtmaaltijd, tot welken men vee slachtte. Het Hebr. woord betekent ook een beest, hetwelk geslacht werd om geofferd te worden. En versta hier, door deze slachting, ene slachting der Joden. Zie dergelijke manier van spreken Jes. 34:6 ; Jer. 46:10 , en Openb. 19:17 .
Hertaald:
een slachtoffer bereid,
Of: een slachtmaaltijd, waarvoor men vee slachtte. Het Hebreeuwse woord betekent ook een dier dat geslacht werd om geofferd te worden. Versta hier onder deze slachting een slachting van de Joden. Zie een soortgelijke manier van spreken in Jes. 34:6; Jer. 46:10 en Openb. 19:17.
Zijn genoden
Versta door deze genodigde gasten de Chaldeën en andere vijanden der Joden, die uit hun eigen land naar Jeruzalem komen zouden, om daar alles te vermoorden en te roven. Doch men kan hier ook wel door de genodigden verstaan de vogelen des hemels en de wilde dieren des velds, die het vlees der gedode Joden eten zouden, gelijk Deut. 28:26 , en Ezech. 39:17 .
Hertaald:
Zijn genoden
Versta onder deze genodigde gasten de Chaldeeën en andere vijanden van de Joden, die uit hun eigen land naar Jeruzalem zouden komen om daar alles te vermoorden en te roven. Maar men kan onder de genodigden ook de vogels van de hemel en de wilde dieren van het veld verstaan, die het vlees van de gedode Joden zouden eten, zoals Deut. 28:26 en Ezech. 39:17.
geheiligd
Dat is, bereid of afgezonderd. Zie Jer. 12:3 .
Hertaald:
geheiligd
Dat is: bereid of afgezonderd. Zie Jer. 12:3.
dat Ik bezoeking zal doen
Voor dat Hij, te weten de Heere. Alzo vs.7.
Hertaald:
dat Ik bezoeking zal doen
In plaats van: dat Hij, namelijk de HEERE. Zo ook vers 7.
over de kinderen des konings,
Zie de vervulling Jer. 39:6 .
Hertaald:
over de kinderen des konings,
Zie de vervulling in Jer. 39:6.
die zich kleden met vreemde kleding
Hebr. die zich kleden met de klederen van een vreemd [volk], denheidenen ten gevalle. Anderen verstaan de dartele en brooddronken willen, niet tevreden zijnde met de gewone dracht der klederen in hun land gebruikelijk, maar willen het alles naar een nieuwe mode en uitlands fatsoen hebben.
Hertaald:
die zich kleden met vreemde kleding
Hebreeuws: die zich kleden met de kleren van een vreemd volk, de heidenen ten gevalle. Anderen verstaan er de dartele en overmoedige mensen onder, die geen genoegen namen met de gewone dracht van hun land maar alles naar een nieuwe mode en uitheems model wilden hebben.
bezoeking doen
Dat is, Ik zal straffen.
Hertaald:
bezoeking doen
Dat is: Ik zal straffen.
over al wie over den dorpel springt;
Dat is, die met geweld in het huis van een anderen man invalt, om zijnen naaste te beroven. Of, die hunne palen overtreden en in het land van hun naasten overtreden. Hos. 5:10 . Of, die met buit en roof geladen zijnde, tehuis komen, en met vreugde daarin springen.
Hertaald:
over al wie over den dorpel springt;
Dat is: wie met geweld het huis van een ander binnenvalt om zijn naaste te beroven. Of: wie hun grenspalen overschrijden en het land van hun naaste binnendringen, Hos. 5:10. Of: wie met buit en roof beladen thuiskomen en van vreugde naar binnen springen.
die het huis hunner heren vullen
Dat is, die mede zulke stukken helpen verrichten, gelijk der grote heren dienaren wel plachten de hand mede te slaan aan zulke lelijke stukken die hunne heren bedrijven.
Hertaald:
die het huis hunner heren vullen
Dat is: wie zulke daden mee helpen uitvoeren — zoals de dienaren van grote heren gewoonlijk de hand meesloegen aan zulke lelijke daden die hun heren bedreven.
met geweld en bedrog
Dat is, met rijkdom door geweld en bedrog samengebracht.
Hertaald:
met geweld en bedrog
Dat is: met rijkdom die door geweld en bedrog bijeengebracht is.
te dien dage,
Te weten, als de Chaldeën zullen komen en de stad overvallen.
Hertaald:
te dien dage,
Namelijk wanneer de Chaldeeën zullen komen en de stad zullen overvallen.
een stem des gekrijts zijn
Te weten, der burgers te Jeruzalem, onderstaande uit den inval of overval der Chaldeën.
Hertaald:
een stem des gekrijts zijn
Namelijk van de burgers in Jeruzalem, vanwege de inval of overval van de Chaldeeën.
de Vispoort af,
Van deze poort wordt ook gewag gemaakt Neh. 3:3 ; zij was de naaste van al de poorten van Jeruzalem naar de zee, aan die zijde der stad waar men ging naar Diospoli en Joppe.
Hertaald:
de Vispoort af,
Van deze poort wordt ook melding gemaakt in Neh. 3:3. Zij lag van alle poorten van Jeruzalem het dichtst bij de zee, aan die kant van de stad waar men naar Diospolis en Joppe ging.
het tweede gedeelte,
Anders genoemd de middelstad; zie de aantekening op 2 Kon. 20:4 , en 2 Kon. 22:14 . Anders: de tweede [poort].
Hertaald:
het tweede gedeelte,
Ook wel de middelstad genoemd; zie de aantekening bij 2 Kon. 20:4 en 2 Kon. 22:14. Anders: de tweede poort.
een grote breuk
Dat is, een grote jammer, ellende, moordgeschrei. Als men met zulk geweld roept en schreeuwt, dat schier de keel scheurt of kraakt, en dat er de lucht van breekt en scheurt.
Hertaald:
een grote breuk
Dat is: een grote jammer, ellende en moordgeschreeuw — wanneer men met zoveel geweld roept en schreeuwt dat de keel bijna scheurt of kraakt en de lucht ervan breekt en scheurt.
van de heuvelen af
Dat is, van die zijde der stad waar verscheidene heuvels lagen, naar de drekpoort aan. Zie Jer. 31:39 , en de aantekening aldaar. Aan welk oord ook de Olijfberg lag. In een woord, de profeet wil in dit vers te kennen geven dat er grote jammer zou wezen aan alle hoeken en kanten der stad, van welke drie hier genoemd worden, waaronder de anderen verstaan worden.
Hertaald:
van de heuvelen af
Dat is: van die kant van de stad waar verscheidene heuvels lagen, in de richting van de Mestpoort. Zie Jer. 31:39 met de aantekening daar. Aan die kant lag ook de Olijfberg. Kortom, de profeet wil in dit vers te kennen geven dat er aan alle hoeken en kanten van de stad grote jammer zou zijn; drie daarvan worden hier genoemd, waaronder de andere begrepen zijn.
der laagte
Eenigen behouden het Hebr. woord machtes in den tekst. Anderen vertalen het in de kramerstraat, of in de apothekers, of kruideniersstraat. Het Hebr. woord betekent eigenlijk een mortier; het schijnt dat het de naam van een zekere straat binnen Jeruzalem geweest is, de mortierstraat genoemd, omdat men daar dagelijks den mortier hoorde klinken, gelijk dan de apothekers en kruideniers dien dagelijks gebruikten, om hunne kruiden of medicijnen daarin te stoten. Anders: in de holligheid, of holle straat; dat is, waar veel kelders waren, waarin die kooplieden hunne waren legden. Hier woonden ook de goudsmeden, gelijk af te leiden is uit Neh. 3:8 , Neh. 3:31-32 .
Hertaald:
der laagte
Sommigen houden het Hebreeuwse woord machtes in de tekst aan. Anderen vertalen het met: in de kramerstraat, of in de apothekers- of kruidenierstraat. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een vijzel. Het lijkt erop dat het de naam van een bepaalde straat in Jeruzalem geweest is, de vijzelstraat genoemd, omdat men daar dagelijks de vijzel hoorde klinken — de apothekers en kruideniers gebruikten die namelijk dagelijks om hun kruiden of medicijnen erin te stampen. Anders: in de holte, of holle straat; dat is: waar veel kelders waren waarin die kooplieden hun waren opsloegen. Hier woonden ook de goudsmeden, zoals uit Neh. 3:8, Neh. 3:31-32 op te maken is.
koophandel is
Of, kramervolk of handelaars, kooplieden. Anders: het volk van Kanaän, hetwelk voor kooplieden genomen wordt, omdat de Kanaänieten groten koophandel dreven.
Hertaald:
koophandel is
Of: kramersvolk, handelaars, kooplieden. Anders: het volk van Kanaän, wat opgevat wordt als kooplieden, omdat de Kanaänieten veel handel dreven.
uitgehouwen,
Of, uitgedelgd; dat is, zullen uitgeroeid worden. Anders: zullen zwijgen, of stil zijn, hetzij dat er geen nering meer wezen zal, of dat zij dood zullen wezen.
Hertaald:
uitgehouwen,
Of: uitgedelgd; dat is: zullen uitgeroeid worden. Anders: zullen zwijgen of stil zijn — hetzij omdat er geen nering meer zal zijn, hetzij omdat zij dood zullen zijn.
de gelddragers zijn uitgeroeid
Of, allen die met geld beladen zijn, te weten, de kooplieden en hunne schrijvers, kassiers en wisselaars, die geld over en weer dragen om waren te kopen en te betalen.
Hertaald:
de gelddragers zijn uitgeroeid
Of: allen die met geld beladen zijn, namelijk de kooplieden en hun schrijvers, kassiers en wisselaars, die geld heen en weer dragen om waren te kopen en te betalen.
Ik zal Jeruzalem
Te weten, Ik de Heere.
Hertaald:
Ik zal Jeruzalem
Namelijk Ik, de HEERE.
met lantaarnen doorzoeken;
Dat is, met grote naarstigheid: Ik zal maken dat de Chaldeën en andere vreemde soldaten al den schat en rijkdom zullen zoeken, en alles wegnemen. Of het betekent dat God op het nauwste de zonden van het volk zal bezoeken en straffen.
Hertaald:
met lantaarnen doorzoeken;
Dat is: met grote nauwgezetheid. Ik zal maken dat de Chaldeeën en andere vreemde soldaten alle schatten en rijkdom zullen doorzoeken en alles zullen wegnemen. Of het betekent dat God de zonden van het volk op het nauwkeurigst zal bezoeken en straffen.
de mannen,
Of, die lieden.
Hertaald:
de mannen,
Of: die mensen.
die stijf geworden zijn op hun droesem,
Of, die op hunne heffen, of gest liggen; dat is, die gerust en zorgeloos zijn en in vleselijke zekerheid leven. Anders: die met hunne hef vermengd zijn; dat is, die allerlei vuiligheid der zonden en der ondeugden opwerpen en als uitgisten, gelijk de nieuwe wijn doet; lees Jer. 48:11 .
Hertaald:
die stijf geworden zijn op hun droesem,
Of: die op hun heffe of gist liggen; dat is: die gerust en zorgeloos zijn en in vleselijke zekerheid leven. Anders: die met hun heffe vermengd zijn; dat is: die allerlei vuiligheid van zonden en ondeugden opwerpen en als het ware uitgisten, zoals nieuwe wijn doet; lees Jer. 48:11.
De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad
De zin is: God past op de regering der wereld niet, Hij straft en beloont nieumand naar zijn verdiensten.
Hertaald:
De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad
De betekenis is: God bemoeit Zich niet met de regering van de wereld; Hij straft en beloont niemand naar zijn verdiensten.
hun vermogen ten roof worden,
Dat is, hun rijkdom. Wat deze dreigementen aangaat, zie daarvan Lev. 26:32 ; Deut. 28:30 .
Hertaald:
hun vermogen ten roof worden,
Dat is: hun rijkdom. Zie over deze dreigementen Lev. 26:32; Deut. 28:30.
zij bouwen wel huizen,
Zie Am. 5:11 ; Mi. 2:2 , Mi. 2:4 , en Mi. 3:10 , Mi. 3:12 .
Hertaald:
zij bouwen wel huizen,
Zie Amos 5:11; Micha 2:2, Micha 2:4 en Micha 3:10, Micha 3:12.
zij zullen ze niet bewonen;
Dat is, zij zullen ze niet lang bewonen. Zie Deut. 28:30 , Deut. 28:39 .
Hertaald:
zij zullen ze niet bewonen;
Dat is: zij zullen ze niet lang bewonen. Zie Deut. 28:30, Deut. 28:39.
De grote dag des HEEREN is nabij;
Dat is, de dag in welken de Heere zwaarlijk straffen zal. Zie vs.7.
Hertaald:
De grote dag des HEEREN is nabij;
Dat is: de dag waarop de HEERE zwaar zal straffen. Zie vers 7.
de stem van den dag des HEEREN;
Verg. Ps. 29:3-5 ; Jer. 4:19 , enz.
Hertaald:
de stem van den dag des HEEREN;
Vergelijk Ps. 29:3-5; Jer. 4:19, enzovoort.
de held zal
Hoeveel meer de zwakke of kleinhartige mannen, mitsgaders vrouwen en kinderen.
Hertaald:
de held zal
Hoeveel te meer de zwakke of kleinmoedige mannen, en ook de vrouwen en kinderen.
aldaar bitterlijk schreeuwen
Dat is, alsdan, gelijk Ps. 14:5 . Of, aldaar; dat is te Jeruzalem.
Hertaald:
aldaar bitterlijk schreeuwen
Dat is: dan, zoals Ps. 14:5. Of: daar, dat is: in Jeruzalem.
der verbolgenheid zijn;
Te weten, der verbolgenheid des Heeren, gelijk in vs.18. Dat is, alsdan zal de Heere in zijn toorn vele ellenden en straffen uitgieten. Dit wordt te kennen gegeven met velerlei verscheidene woorden in dit vers. Verg. Jer. 30:5-7 ; Am. 5:18-20 , en Joël 2:1-3 , Joël 2:11 .
Hertaald:
der verbolgenheid zijn;
Namelijk van de verbolgenheid van de HEERE, zoals in vers 18. Dat is: dan zal de HEERE in Zijn toorn veel ellende en straffen uitgieten. Dat wordt in dit vers met allerlei verschillende woorden te kennen gegeven. Vergelijk Jer. 30:5-7; Amos 5:18-20 en Joël 2:1-3, Joël 2:11.
Een dag der bazuin en des geklanks
Dat is, een dag in welken de bazuinen en trompetten alarm zullen blazen, vanwege den inval van den vijand.
Hertaald:
Een dag der bazuin en des geklanks
Dat is: een dag waarop de bazuinen en trompetten alarm zullen blazen vanwege de inval van de vijand.
de hoge hoeken
Of, torens, die gemeenlijk aan de hoeken der kastelen of steden staan, of der punten. Doch door hoeken worden somtijds de hoofden en voornaamsten onder het volk verstaan; Richt. 20:2 .
Hertaald:
de hoge hoeken
Of: torens, die gewoonlijk op de hoeken van kastelen of steden staan, of op de punten. Maar met hoeken worden soms de hoofden en voornaamsten onder het volk bedoeld; Richt. 20:2.
als de blinden;
Die niet weten waarheen, of waarnaar, of wat zij het eerst of laatst doen zullen.
Hertaald:
als de blinden;
Die niet weten waarheen, waarnaar, of wat zij het eerst of het laatst moeten doen.
als stof,
Dat is, overvloedig, in grote menigte, gelijk een zaak van gene waarde. Alzo wordt stof genomen Matt. 10:14 ; Hand. 13:51 , en Hand. 18:6 .
Hertaald:
als stof,
Dat is: overvloedig, in grote menigte, als iets van geen waarde. Zo wordt stof opgevat in Matth. 10:14; Hand. 13:51 en Hand. 18:6.
vlees
Of, lichaam, eigenlijk spijs; alzo wordt het lichaam genoemd, omdat het spijs der wormen is.
Hertaald:
vlees
Of: lichaam; eigenlijk: spijs. Zo wordt het lichaam genoemd, omdat het spijs voor de wormen is.
zal worden als drek
De zin is: Hun dode lichamen zullen in de akkers en het land geworpen worden, gelijk men den drek daarop werpt om het te mesten.
Hertaald:
zal worden als drek
De betekenis is: hun dode lichamen zullen op de akkers en het land geworpen worden, zoals men de mest daarop werpt om het te bemesten.
door het vuur Zijns ijvers
Dat is, door een ijver, die als vuur brandt. Zie Ezech. 38:19 .
Hertaald:
door het vuur Zijns ijvers
Dat is: door een ijver die als vuur brandt. Zie Ezech. 38:19.
verteerd worden;
Hebr. opgegeten worden; gelijk in Sef. 3:8 .
Hertaald:
verteerd worden;
Hebreeuws: opgegeten worden, zoals in Zef. 3:8.
Hij zal een voleinding maken,
Zie Jer. 4:27 .
Hertaald:
Hij zal een voleinding maken,
Zie Jer. 4:27.
dezes lands
Te weten, het Joodse land.
Hertaald:
dezes lands
Namelijk het Joodse land. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Zoon van Cuschi, zoon van Gedalja, zoon van Amarja, zoon van Hizkia; een profeet in de dagen van koning Josia van Juda (mogelijk een afstammeling van koning Hizkia). Hij kondigde de grote dag des HEEREN aan, met oordeel over Juda en de omliggende volken wegens afgoderij, maar ook uitkomst en vreugde voor het overblijfsel van Israël (Sef. 1-3). Niet dezelfde persoon als de andere personen die deze naam droegen. Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas "Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE. Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen" (Zef. 1:2-3). Dan wordt het specifieker gericht: "En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal" (Zef. 1:4), met daarbij wie zich nederbogen voor het heir des hemels, wie zwoeren bij Malcham, en "die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet" (Zef. 1:6). Bijbelse betekenis: Merk op de omvang van dit oordeel in Zef. 1:2-3: mensen, beesten, vogels, vissen — de hele scheppingsorde, in dezelfde volgorde als bij de schepping zelf, wordt hier in omgekeerde richting weggenomen. Let vervolgens op de vier soorten mensen die in Zef. 1:4-6 specifiek genoemd worden: afgodendienaars, wie bij twee heren zwoeren (de HEERE én Malcham), wie zich van de HEERE afkeerden, en wie Hem eenvoudig niet zochten. De laatste twee groepen bedreven geen openlijke afgoderij; hun fout was onverschilligheid. Let ten slotte op het woord "ganselijk" waarmee het hoofdstuk opent (Zef. 1:2): dit is geen gedeeltelijke maatregel tegen een enkele groep, maar iets dat het hele land raakt. Typologie: Dat onverschilligheid tegenover God evenzeer een oordeel verdient als openlijke afgoderij, is dezelfde les die de Heere Jezus aan de gemeente te Laodicea leert: "Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet!" (Op. 3:15). Het vers erna zegt waarom: "omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Op. 3:16, reeds behandeld). Zef. 1:2-6; Op. 3:15-16 "En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad" (Zef. 1:12). Bijbelse betekenis: Merk op het beeld waarmee dit vers opent: Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken. Wat in het duister verborgen leek — niet openlijke zonde, maar een houding van het hart — wordt door de HEERE Zelf opgespoord. Let vervolgens op de uitdrukking stijf geworden op hun droesem. Dat is een beeld uit de wijnbereiding: wijn die te lang blijft staan zonder omgeschud te worden, wordt dik en verliest zijn smaak. Zo is dit een volk dat door lange rust vastgeroest is in onverschilligheid. Let ten slotte op wat zij precies zeggen: niet dat er geen God is, maar dat Hij Zich nergens mee bemoeit — noch met goed, noch met kwaad. Dat is geen loochening van Zijn bestaan, maar van Zijn betrokkenheid. Typologie: Deze houding is milder in vorm maar verwant aan wat de dwaas in de psalm zegt: "Er is geen God" (reeds behandeld bij Ps. 14:1). Beide plaatsen God buiten het leven, de een door Hem te ontkennen, de ander door Hem onverschillig te maken. Zef. 1:12; Ps. 14:1 "De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen" (Zef. 1:14). Dan volgt een opeenstapeling van beschrijvingen: "Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid" (Zef. 1:15), en "Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken" (Zef. 1:16). Bijbelse betekenis: Merk op hoe vaak het woord dag in deze verzen terugkeert: negen keer in drie verzen. De herhaling zelf werkt als een dreunende slag. Let vervolgens op wie hier schreeuwt: de held. Niet de zwakke of de bange, maar juist wie gewend was te overwinnen, wordt door deze dag overweldigd. Let ten slotte op de opbouw van de beschrijving: van gevoel (verbolgenheid, benauwdheid, angst) naar wat gezien wordt (woestheid, verwoesting, duisternis) naar wat gehoord wordt (de bazuin). De dag wordt met alle zintuigen tegelijk getekend. Typologie: Diezelfde dag is elders in het register al getekend als een dag die het tegenovergestelde is van wat men ervan verwacht: "Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht" (reeds behandeld bij Amos 5:18). Zef. 1:14-16; Amos 5:18 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Zefanja profeteert in de dagen van Josia, en zijn boek begint met een aankondiging die alles omvat: God zal ganselijk alles wegrapen uit het land. Wat volgt is de uitvoerigste beschrijving van de dag des HEEREN die het Oude Testament kent. De dag des HEEREN wordt beschreven met een opsomming waarin één woord zeven keer terugkeert, en het hoofdstuk begint met de opdracht te zwijgen. De aanhef van het gedeelte is opvallend: “Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij.” Voor een dag waarop het luid zal toegaan, wordt om stilte gevraagd. Het is de stilte van een rechtszaal wanneer de rechter binnenkomt. En dan volgt een zin die men bij een oordeelsaankondiging niet verwacht: “want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd.” De dag wordt hier beschreven als een offermaaltijd waarvoor gasten zijn uitgenodigd. Het beeld is huiveringwekkend, want het volk dat geoordeeld wordt is zelf het offer. Wat er in dit hoofdstuk wordt aangeklaagd, is niet in de eerste plaats grof kwaad maar onverschilligheid. God zegt dat Hij Jeruzalem met lantaarns zal doorzoeken naar de mannen die dik geworden zijn op hun droesem. Dat zijn zij die er gemakkelijk bij liggen en in hun hart zeggen: de HEERE doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Dat is geen godloochening maar erger: men gelooft wel dat Hij bestaat en men denkt dat Hij niets doet. En dan komt de beschrijving zelf, en zij bestaat uit een reeks die door de herhaling zwaarder wordt: “Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn.” En dan volgen er nog zes: een dag der benauwdheid en des angstes, der woestheid en verwoesting, der duisternis en der donkerheid, der wolk en der dikke donkerheid, en een dag der bazuin en des geklanks. Zeven keer een dag. Er wordt niets uitgelegd; er wordt gestapeld, en het effect is dat van naderend onweer. En er staat één zin bij die het onontkoombare ervan aangeeft: noch hun zilver noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage van de verbolgenheid des HEEREN. Zo staat dit hoofdstuk in de lijn van het koningschap, want een dag des HEEREN is een dag waarop de Koning verschijnt en recht doet. Het Nieuwe Testament neemt de uitdrukking over en vult haar in. Paulus schrijft dat de dag des Heeren komen zal als een dief in de nacht. Petrus gebruikt hetzelfde beeld en zegt erbij waarom hij nog niet gekomen is: de Heere vertraagt de belofte niet, maar Hij is lankmoedig, niet willende dat enigen verloren gaan. En het boek zelf laat het niet bij deze dag. Twee hoofdstukken verder staat de bekendste regel van Zefanja, en die gaat niet over donkerheid maar over een God Die in het midden is en zingt van vreugde over Zijn volk. In het Nieuwe Testament: 1 Thessalonicenzen 5:2; 2 Petrus 3:9-10; Zefanja 3:17; Openbaring 19:17-18; Joël 2:1-2 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Zefanja 1 niet aan, maar het neemt de uitdrukking dag des Heeren over en beschrijft die op vergelijkbare wijze. Het beeld van een slachtoffer met genodigde gasten keert in Openbaring 19 terug; of dat een bewuste verwijzing is, staat er niet. Wat in dit hoofdstuk staat is oordeel; de hoop staat in hetzelfde boek, twee hoofdstukken verder, en die is hier alleen aangewezen.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Sefanja 1
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De grote dag des HEEREN is nabij — 1:7-18
Wat betekenen de niveaus?


Sefanja 1
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja(in de Gr. en Lat. overzetting Sophonias, in onze taal “de Heere verbergt of beschut”), den zoon van Cuschi (= zwarte), den zoon van Gedalja (= verheerlijkt door Jehova), den zoon van Amarja (= waarvan Jehova gesproken heeft), den zoon van Hizkia, waarschijnlijk den bekenden vromen koning van Juda, wiens achterkleinzoon hij dan zou geweest zijn. Hij leefde in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda (641-610 v. Chr.). Zefanja wilde zijnen koning en zijn volk in zijne voorvaders een voorbeeld geven, waaruit het alles zou kunnen leren, waaraan deze tijd behoefte had. Hoe veel overeenkomst toch had die vroegere met den tegenwoordigen tijd! Daarom stelt hij op den voorgrond, dat hij van den koning Hizkia afstamde. “Het karakter van den tijd, in welken Zefanja leefde, komt erg genoeg voor, wanneer wij de schildering met die van den gelijktijdigen Jeremia nevens elkaar plaatsen. Wat wij bij Micha vinden, dat juist onder de regering van den vromen Hizkia de zonden zo algemeen waren, is eveneens het geval onder den vromen Josia. Om dit verschijnsel te verstaan, moet men opmerken, dat wanneer het licht helder opgaat, de duisternis daar tegenover zich des te donkerder verheft. Juist onder reformatische koningen was voor de Profeten dubbele aanleiding, om den onverbeterlijken tegenstand der goddelozen voor God en mensen aan te klagen. De koning is geen verachter van God, maar zijne naaste bloedverwanten zijn het, en in de kringen der voornaamsten heeft de verloochening van het oude geloof en de oude zeden haren hoofdzetel; de wet is aanwezig maar daar de regerende klassen bedorven zijn, zo is het alsof zij er niet was, of alleen aanwezig was tot misbruik en om geweld aan te doen. De godsdienst is in ‘t openbaar hersteld, maar in de harten zitten de Baäls, Molochs en het heir des hemels op den troon naast den godsdienst der lippen. Het is er ver vandaan, dat de afgodendienaars hun afgoderij zouden verbergen; nog altijd zijn afgodspriesters in het land, en men zweert tevens bij den Heere en bij Baäl. Bij den groten hoop is de godsdienstzin, dien Micha nog kon opmerken uitgeblust. Een verwilderd, en bij levenden lijve dood geslacht, zitten zij op hun geldzakken en laten God God zijn. Wanneer Micha’s tijdgenoten nog ten minste vraagden: waarmee kan ik God verzoenen? zo zeggen zij: de Heere doet noch goed noch kwaad Zij nemen goedschiks gene tucht meer aan, en het is duidelijk, dat ook de laatste bemoeiingen des konings en der getuigen Gods geen doorslaand gevolg hebben. Daarom kan het gericht niet uitblijven. Dit gericht kondigt Zefanja aan, maar in de meest omvattende algemeenheid als het middel, waardoor God Zijn rijk op aarde in stand houdt, uitbreidt en volmaakt. 2.
I. Vs. 2-18.KruisverwijzingenJeremia 2:13→Jesaja 1:4→Sefanja 1:14→Habakuk 2:20→Jesaja 34:6→Jeremia 46:10→2 Kronieken 33:14→2 Koningen 22:16→
— Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE. Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE. En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Chemarim met de priesters; En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den HEERE, en zweren bij Malcham; En die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet. Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij; want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd. En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding. Ook zal Ik ten zelven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heren vullen met geweld en bedrog. En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af. Huilt, gij inwoners der laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.
De Profeet kondigt het wereldgericht aan, dat voornamelijk ook over Israël zal komen om de gruwelen der afgoderij en de verachting van God in het land (vs. 2-7); alle zondaars van elken stand zal het zwaar straffen, en niemand zal zich daaruit kunnen redden (vs. 8-13). Het is nabij, en zal in vreselijkheid al wat ondervonden is overtreffen. (vs. 14-18).
Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land door een groot en algemeen gericht, spreekt de HEERE.
Ik zal even als eens door den zondvloed, wegrapen, verdelgen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen, ja Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE.
En ik zal vooral Mijne straffende hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem, en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baäl, 1) al wat ondanks de bemoeiingen van den koning en van zijne getrouwe dienaars van den afgodendienst over is, en den naam der Chemarim, de uit allerlei volk genomene priesters van den afgodendienst (2 (Kon. 23:5) met de eigenlijke afgodspriesters.
Als hier sprake is van het overblijfsel van Baäl, dan volgt daaruit, dat reeds veel van dien dienst was uitgeroeid. Josia had reeds veel gedaan, om dien dienst uit te roeien, maar er was nog een rest, en ook die rest, dat overblijfsel zou worden weggedaan door middel van Babel. Met Baäl ook de chemarim, d. i. de priesters, die offerden op de hoogten en daarom op afgodische wijze den Heere dienden, met de priesters, die aan Baäl offerden. Het land zou volkomen gezuiverd worden van de afgoderij.
En daarenboven ook alle afgodendienaars, allen, die zich nederbuigen voor de altaren, die op de platte daken zijn opgericht voor het heir des hemels, voor zon, maan en sterren (1 Kon. 21:3), en die zich nederbuigende zweren zowel bij den HEERE, den waren God van hemel en aarde, en zweren bij Malcham, bij hunnen koning, den afgod Baäl, dien zij hunnen koning noemen, zodat zij waren godsdienst en afgoderij zoeken te verenigen. Deze mensen waanden zich veilig, omdat zij zich aan beide zijden schaarden; zij voegden zich bij de volgers van Jehova en bogen zich tevens voor Malcham, maar dubbelhartigheid is een gruwel bij God, die de geveindsheid haat. De afgodendienaar, die zich met beslistheid aan zijne valse goden heeft overgegeven, heeft ene zonde minder dan hij, die zijn bevlekt en afschuwelijk offer in den tempel des Heeren brengt, terwijl zijn hart bij de wereld en de zonde is. Met den haas te huizen en met de honden te jagen, is ene valse aardse politiek. In de gewone zaken van het dagelijks leven wordt een dubbelhartig man veracht, maar in godsdienstige zaken is hij ten uiterste toe verachtelijk. Het gezicht, dat in onzen tekst uitgesproken wordt, is verschrikkelijk, maar wel verdiend, want hoe zou de Goddelijke gerechtigheid den zondaar kunnen sparen, die het goede kent, goedkeurt, en belijdt dat hij het volgt, terwijl hij inmiddels het kwade liefheeft en heerschappij over zijn hart laat voeren? . Ook die zullen uitgeroeid worden, die de zaak denken te schikken tussen God en Baäl en gelijken voet houden tussen God en de afgoden. Zij verbinden zich met eed en verbond aan den dienst, beide van God en van de afgoden. Zij hebben een goed gevoelen van den godsdienst van Israël, het is de godsdienst des lands en is het lang geweest, en daarom willen zij dien geenszins verlaten, maar zij denken dat dezelve veel verbeterd en verfraaid kon worden, indien zij den dienst van Moloch daarbij voegen.
En eindelijk ook allen a), die terugkeren van achter den HEERE, den God hunner vaderen, en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet.
Jes. 1:4; 59:13. Jer. 15:6. De bestraffing van den Profeet gaat vs. 4-6 steeds meer van den groveren tot den fijneren afgodsdienst over. De Heere zal uitroeien: 1) de overblijfsels van de afgodsbeelden van Baäl zelven; 2) de broederschap en priesters van Baäl; 3) de afgodsdienaren, die met altaren zonder beelden zich tevreden stellen; maar toch openlijk op de daken aanbidden; 4) de heimelijke aanbidders dier afgoden; 5) hen, die zonder afgoderij te plegen in hun harten van God zijn afgevallen; 6) hen, die onverschillig zijn ten aanzien van den Heere, de indeferentisten. De noodlottige vrucht der onverschilligheid is de misdaad, die niet meer bloost. “Schaamte is de eerste profetes, wanneer gij afwijst, de eerste, die u weer terugroept in het land des vredes-bewustzijn van schuld, pijl des gewetens, straal Gods van den Almachtige op den daad zelf, omkering van den stroom van ons bloed en van onze gedachten, van onze zee van golven en driften, boete des lichaams. Gelijk bij den mens het ophouden van schaamte het begin aanwijst van een hopelozen toestand, zo ook in het volksleven. Zo lang het geheel des volks nog schaamtegevoel heeft, kunnen vele bijzondere, ook zware zonden zonder ernstige schade van het geheel worden gedragen. Houdt dat op, zo kan misschien het zware der bijzondere misdaden, vergeleken bij die van vroegere tijden, ene soort van vooruitgang in beschaving aanwijzen, en toch daarbij de toestand van het geheel een veel ongelukkigere zijn. Gewoonlijk ligt ook die vooruitgang in de verslapping van het zedelijk oordeel.
Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN, en onderwerpt u zwijgend aan Zijn gericht (Hab. 2:20; want de grote gerichtsdag des HEEREN is nabij (Joël 1:15), want de HEERE heeft voor Zijn gericht reeds een slachtoffer bereid, namelijk Zijn eigen afgevallen volk (Jes. 54:6); Hij heeft Zijne genoden tot het offermaal geheiligd, namelijk de heidenen, die Hij ten strijd geheiligd heeft, opdat zij Israël zouden vernietigen (Jes. 13:3). De dag des Heeren is in den uitgebreidsten zin elke tijd, waarin Zich God als Koning, Heere en Rechter betoont in den engeren zin, die dag dien alle Profeten verlang hebben te zien, de dag der openbaring Gods onder het Nieuwe Verbond. Alzo moet de dag des Heeren vooral worden verstaan van de komst van den Messias in het vlees, welke met het gericht over de ongelovigen is verbonden, maar bovendien ook van hetgeen dien dag voorafgaat. Zo kondigt Zefanja als voorloper en heraut enen anderen dag aan met vernietiging der ergernissen en reiniging door de Babylonische ballingschap. En waar de Profeten van de tijden na de komst van Christus spreken, is die dag des Heeren de dag van het laatste oordeel, waaraan tijden als de verwoesting van Jeruzalem, de hervormingsgeschiedenis als bazuinen voorafgaan, welke de komst des Heeren tot het wereldrijk en tot het laatste oordeel verkondigen.
En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik in een gericht des toorns bezoeking zal doen over de vorsten en hoofden der stammen, en over de kinderen des konings, over alle koninklijke prinsen, 1) die de vrome gezindheid des konings haten en de afgoden dienen, en over allen, die zich kleden met Egyptische, Babylonische of andere vreemde kleding, en daardoor te kennen geven, dat ook hun gezindheid van Mij en Mijn volk vervreemd is.
Velen hebben in de benaming van kinderen des konings een bewijs willen vinden, dat Zefanja eerst later zou voorspeld hebben, toen reeds de zonen des konings waren groot geworden en als goddelozen bekend waren. De uitdrukking “Koningskinderen” behoeft niet juist eigen zonen des konings te betekenen; de neven, de naaste bloedverwanten zijn bedoeld.
Ook zal Ik ten zelven dage, dat de groten worden gestraft, bezoeking doen over al wie over den dorpel springt, 1) over hen, die met geweld en plotseling in de huizen indringen; die het huis hunner Heeren vervullen met geweld en bedrog, die hun meesters helpen om anderen goederen door bedrog te ontvreemden.
Wie over den dorpel springt, wordt nader verklaard door het volgende, die het huis hunner heren vervullen met geweld en bedrog. Het zijn n. l. zij, die plotseling bij iemand indringen, have en goed wegroven, en daarmee menen hunnen heren een dienst te doen.
En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, ene stem des gekrijts zijn, niet van een gedeelte maar van de gehele bevolking van Jeruzalem, van de Vispoort af (Neh. 3:13), welke aan de noordzijde van Bezetha is gelegen, en een gehuil van het tweede gedeelte der stad, namelijk van de benedenstad op den heuvel Akra (2 Kon. 22:14), en ene grote breuk over de verwoesting door de invallende vijanden van de heuvelen Bezetha en Gareb af, welke de benedenstad omgeven (Jer. 31:39).
Huilt dan, gij inwoners der laagte, van het dal tussen Akra ten westen en Bezetha en Moria ten oosten, later het Kaasmakersdal genaamd (Richt. 15:19 2 Kon. 21:13), want al het daar wonende volk van koophandel, dat in zijn bedriegelijken handel en wandel de Kanaänieten gelijk is geworden (Hos. 12:8), is uitgehouwen, is als in een vijzel klein gestampt; al de gelddragers, de hebzuchtige woekeraars, zijn uitgeroeid.
En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken 1); en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hunnen droesem, die gelijk zijn aan ouden niet overgegoten wijn, welke daarom noch van smaak noch van reuk verandert, en die dus van elke omkering afkerig zijn, die in hun hart uit vleselijke gezindheid zeggen: De HEERE is in den hemel; Hij doet geen goed, en Hij doet geen kwaad; alles hier op aarde is blind toeval, geluk zowel als ongeluk (Jes. 41:23. (Jer. 10:5) {2}.
In de geschiedenis van Jozefus lezen wij, dat (bij de verovering van Jeruzalem) de vorsten, priesters en machtigen zelf uit de riolen, uit holen en spelonken zijn getrokken, waar zij zich in doodsangst hadden verborgen. Is dit waar van de verovering door de Romeinen, zo is zeker iets dergelijks bij de eerste verovering door de Chaldeën voorgekomen, en beide veroveringen zijn opgesloten in de profetie. {2} De goddelozen zeggen in hun hart: de Heere doet geen goed en Hij doet geen kwaad. Wat betekent dat “in hun hart?” Hoewel schaamte en vrees de harten afschrikt, zodat zij hun ongerechtigheid niet openlijk tonen, zo voeden zij toch heimelijk die gedachten, en zijn van mening, dat God niet bestaat, of ten minste in den hemel is. Dat is het toppunt der goddeloosheid, wanneer mensen, dronken van wellust, God van Zijn rechterlijk ambt beroven-en, wanneer Hij niet als Rechter wordt erkend, wat blijft er van Zijne Godheid? De majesteit en het rijk Gods bestaat niet in enige fantastische inbeelding, maar in verplichtingen, die zozeer Hem alleen toekomen, dat zij niet van Zijn wezen kunnen worden gescheiden. Hem komt het alleen toe, de wereld te regeren, Zich over het menselijk geslacht te bekommeren. tussen goed en kwaad scheiding te maken, de ellendigen te helpen, alle misdaad te wreken, onrechtvaardig geweld ter neer te drukken. Wie Hem dat ontneemt, houdt een afgodsbeeld over. Zij loochenen hiermede in vleselijke gerustheid des harten, dat God regeert, dat Hij wetenschap heeft van hetgeen op de wereld geschiedt. Daarmee stellen zij den Heere God feitelijk op één lijn met de afgoden en loochenen daarmee het Wezen Gods. Hierom zou God, de Heere, hen straffen met de uiterste straffen Zijner verbolgenheid.
Daarom zal door hen worden ondervonden, hoe waar Gods Woord is, dat alle verachters van Zijnen heiligen naam straffen dreigt (Lev. 26:32 v. Deut. 28:30 v. 39 ,); hun vermogen zal den vijanden ten roof worden, en hun huizenzullen tot verwoesting worden. Zij bouwen wel, vol vertrouwen en gerustheid op hun blind noodlot, huizen, maar zij zullen ze niet bewonen, en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.
Want waarlijk de grote dag des HEEREN, de gerichtsdag, is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN zal worden gehoord, wanneer het zal zijn: Hoor! de dag des Heeren is daar! de held, die anders nooit in het gewoel van den slag heeft gesidderd, zalzich dan niet kunnen redden van den door den Heere gezonden schrik der vijanden, maar aldaar bitterlijk schreeuwen. Den godloochenaars kan hun dwaling, gelijk deze ene daad is, zo ook alleen door de daad voelbaar worden gemaakt. Het licht, waarin zij Hem erkennen, is tegelijk het licht van het gericht, waarmee God hen bezoekt. Zij zijn gewoon, alles wat geschiedt, fatalistisch, als een noodzakelijke voortgang van zaaien en oogsten, bouwen en bezitten te beschouwen, en den factor der goddelijke genade, die aan alles ten grondslag ligt, niet op te merken. Daarom moet God dien genomen loop eens afsnijden, aan het zaad de vrucht, aan het bouwen het wonen laten ontbreken-dan bemerken zij dat Hij is. Niets kon met meer geest en leven uitgedrukt worden, niets met woorden, beter geschikt, om een zeker en zorgeloos volk op te wekken en aan te sporen, dan de waarschuwing, die hier aan Juda en Jeruzalem gegeven wordt, van de aannaderende verwoesting door de Chaldeën. Dat alleen is genoeg, om de zondaren te Zion te doen beven, dat het de dag des Heeren is, de dag, in welken Hij zich openbaren zal, door wrake over hen te nemen. Het is de grote dag des Heeren, een staaltje van den oordeelsdag, een soort van jongste dag, gelijk de laatste verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen vertoond wordt te zijn, in onzes Zaligmakers voorzeggende, daaromtrent (Matth. 24:17).
Die dag zal een dag der verbolgenheid Gods zijn, een dag der benauwdheid en des angsten, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid(Joël 2:2).
Een dag der bazuin en des trompetgeklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken, de vestingen, tegen welke zij zullen aanstormen en welke zij zullen veroveren en verwoesten.
En Ik zal de mensen te dien dage bang maken, dat zijradeloos en te vergeefs naar hulp zoekende, zullen gaan als de blinden(Deut. 28:29); want zij hebben door afgodendienst en overtreding van alle Zijne geboden tegen den HEERE gezondigd, en hun bloed zal vergoten worden als stof, dat men met voeten treedt, en hun vlees zal met verachting worden gedood en worden als drek (1 Kon. 14:10. Jer. 9:21).
Noch a) hun zilver, noch hun goud zal hen, die rijke en voorname verachters van God, kunnen redden ten dage b) der verbolgenheid des HEEREN 1), want de vijanden zullen het niet achten en er zich niet door laten omkopen; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land, de ganse aarde, verteerd worden; want Hij zal ene voleinding maken, gewis ene haastige, met al de goddeloze inwoners dezes lands 2), der aarde.
(Spr. 11:4. Ezech. 7:19. b) vs. 14, 15, 16.
De toorn Gods, de zonde vervolgende is zo verschrikkelijk, dat geen rijkdom meer of schatten, waarop de mensen vertrouwen, die kunnen afkeren, noch ook iets in de gehele wereld, behalve het bloed van Christus, wanneer een zelfs-veroordeeld zondaar zijn toevlucht daartoe neemt.
De verkondiging begon in vs. 2 met de bedreiging des gerichts over de gehele aarde, waarin het gericht over Jeruzalem en Juda slechts als een deel werd voorgesteld. Nu keert de voorzegging hier aan het slot tot de gedachte aan het begin terug. Al deze verkeerdheden zijn het, die Juda’s volk verdorven hebben, die elke natie, welke haar aankweekt, ten kanker verstrekken, en een land tot zijn ondergang leiden moeten. Was het Jehova, welke dit nog tijdig liet aankondigen en voorstellen, opdat Zijn volk niet zou omkomen door eigen schuld. Zijne ontzettende bedreigingen hadden dit een en ander met kracht moeten aanklemmen, en de natie nog tijdig tot betere gedachten moeten brengen. Maar als wij dan met de uitkomst raadplegen en de vervulling van al deze bedreigingen in de verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeën beschouwen, moeten wij dan niet schrikken voor de rechtvaardige oordelen Gods, voor het zekere der vervulling van al Zijne bedreigingen, en dat het eens vreselijk zijn zal, te vallen in de handen van den levenden God. Geen kostbare losprijs kon Juda vrijkopen van het bedreigde leed, bedrieglijk waren alle steunsels, op welke men zich verliet, en rampzalig word het lot van ene natie, die eerst zo beweldadigd en gelukkig. was. Dat is het loon, dat is het uiteinde van elken zondaar, die zich verhardt, van ieder volk, dat naar de stemme Gods niet luistert. Wie is wijs, die merke deze dingen, en bidde den Heere om Zijnen herscheppenden en alvermogenden Geest. Als hier sprake is van het ganse land, wordt daarmee wel in de eerste plaats het land van Juda vertoond, maar de Profeet ziet ook hier weer tot in de uiterste tijden, en het land van Juda is beeld van de ganse aarde. Als de Heere komt, om de ganse aarde te verderven, zal niets, wat van de mensen, wat van het schepsel is, kunnen redden van den toorn, dan zal er alleen redding zijn voor hen, die door Gods genade bekleed zijn met het kleed der gerechtigheid, met den mantel des heils.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel