Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De lastH4853 van het woordH1697 des HEERENH3068 over het landH776 ChadrachH2317 en DamaskusH1834, deszelfs rustH4496; wantH3588 de HEEREH3068 heeft een oogH5869 over den mensH120, gelijk over alH3605 de stammenH7626 IsraelsH3478.
De last van het woord des HEEREN over het land Chadrach en Damaskus, deszelfs rust; want de HEERE heeft een oog over den mens, gelijk over al de stammen Israels.
KJV
The burden1
of the word2
of the LORD3
in the land4
of Hadrach,5
and Damascus6
shall be the rest7
thereof: when the eyes10
of man,11
as of all the tribes13
of Israel,14
shall be toward the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En ookH1571 zal Hij HamathH2574 met dezelve bepalenH1379; TyrusH6865 en SidonH6721, hoewelH3588 zij zeerH3966 wijsH2449 is;
En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;
KJV
And Hamath2
also shall border3
thereby; Tyrus,5
and Zidon,6
though it be very9
wise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En TyrusH6865 zich sterktenH4692 gebouwdH1129 heeft, en zilverH3701 verzameldH6651 heeft als stofH6083, en fijn goudH2742 als slijkH2916 der stratenH2351;
En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten;
KJV
And Tyrus2
did build1
herself a strong hold,3
and heaped up5
silver6
as the dust,7
and fine gold8
as the mire9
of the streets.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZietH2009, de HEEREH136 zal haar uit het bezit stotenH3423, en Hij zal haar vestingH2428 in de zeeH3220 verslaanH5221; en zijH1931 zal met vuurH784 verteerdH398 worden.
Ziet, de HEERE zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.
KJV
Behold, the Lord2
will cast her out,3
and he will smite4
her power6
in the sea;5
and she shall be devoured9
with fire.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
AskelonH831 zal het zienH7200, en zal vrezenH3372; desgelijks GazaH5804, en zal groteH3966 smartH2342 hebben, mitsgaders EkronH6138, dewijlH3588 hetgeen, waar zij op zagenH4007, hen heeft te schandeH3001 gemaakt; en de koningH4428 van GazaH5804 zal vergaanH6, en AskelonH831 zal nietH3808 bewoondH3427 worden.
Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.
KJV
Ashkelon2
shall see1
it, and fear;3
Gaza4
also shall see it, and be very6
sorrowful,5
and Ekron;7
for her expectation10
shall be ashamed;
and the king12
shall perish11
from Gaza,13
and Ashkelon14
shall not be inhabited.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En de bastaardH4464 zal te AsdodH795 wonenH3427, en Ik zal den hoogmoedH1347 der FilistijnenH6430 uitroeienH3772.
En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien.
KJV
And a bastard2
shall dwell1
in Ashdod,3
and I will cut off4
the pride5
of the Philistines.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En Ik zal zijn bloedH1818 uit zijn mondH6310 wegdoenH5493, en zijn verfoeiselenH8251 van tussenH996 zijn tandenH8127; alzo zal hij ook onzen GodH430 overblijvenH7604; ja, hij zal zijnH1961 als een vorstH441 in JudaH3063, en EkronH6138 als de JebusietH2983.
En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; alzo zal hij ook onzen God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
KJV
And I will take away1
his blood2
out of his mouth,3
and his abominations4
from between his teeth:6
but he that remaineth,7
even he, shall be for our God,10
and he shall be as a governor12
in Judah,13
and Ekron14
as a Jebusite.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En Ik zal Mij rondom Mijn huisH1004 legerenH2583, vanwege het heirlegerH4675, vanwege den doorgaandeH5674, en vanwege den wederkerendeH7725, opdat de drijverH5065 nietH3808 meerH5750 door hen doorgaH5674; wantH3588 nuH6258 heb Ik het met Mijn ogenH5869 aangezienH7200.
En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande, en vanwege den wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien.
KJV
And I will encamp1
about mine house2
because of the army,3
because of him that passeth by,4
and because of him that returneth:5
and no oppressor10
shall pass through7
them any more: for now have I seen13
with mine eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerheugH1523 u zeerH3966, gij dochterH1323 SionsH6726! juichH7321, gij dochterH1323 JeruzalemsH3389! ZietH2009, uw KoningH4428 zal u komenH935, rechtvaardigH6662, en HijH1931 is een HeilandH3467; armH6041, en rijdendeH7392 opH5921 een ezelH2543, en opH5921 een veulenH5895, een jongH1121 der ezelinnenH860.
Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
KJV
Rejoice1
greatly,2
O daughter3
of Zion;4
shout,5
O daughter6
of Jerusalem:7
behold, thy King9
cometh10
unto thee: he is just,12
and having salvation;13
lowly,15
and riding16
upon an ass,18
and upon a colt20
the foal21
of an ass.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
En Ik zal de wagensH7393 uit EfraimH669 uitroeienH3772, en de paardenH5483 uit JeruzalemH3389; ook zal de strijdboogH4421 uitgeroeidH3772 worden, en Hij zal den heidenenH1471 vredeH7965 sprekenH1696; en Zijn heerschappijH4915 zal zijn van zeeH3220 tot aan zeeH3220, en van de rivierH5104 tot aanH5704 de eindenH657 der aardeH776.
En Ik zal de wagens uit Efraim uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
KJV
And I will cut off1
the chariot2
from Ephraim,3
and the horse4
from Jerusalem,5
and the battle8
bow7
shall be cut off:6
and he shall speak9
peace10
unto the heathen:11
and his dominion12
shall be from sea13
even to sea,15
and from the river16
even to the ends18
of the earth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
UH859 ookH1571 aangaande, o Sion! door het bloedH1818 uws verbondsH1285, heb Ik uw gebondenenH615 uit den kuilH953, daar geenH369 waterH4325 in is, uitgelatenH7971.
U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten.
KJV
As for thee also, by the blood3
of thy covenant4
I have sent forth5
thy prisoners6
out of the pit7
wherein is no water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Keert gijlieden weder tot de sterkteH1225, gij gebondenenH615, die daar hooptH8615! ookH1571 hedenH3117 verkondigH5046 Ik, dat Ik u dubbelH4932 zal wedergevenH7725;
Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;
KJV
Turn1
you to the strong hold,2
ye prisoners3
of hope:4
even to day6
do I declare7
that I will render9
double
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
AlsH3588 Ik Mij JudaH3063 zal gespannenH1869, en Ik EfraimH669 den boogH7198 zal gevuldH4390 hebben; en Ik uw kinderenH1121, o SionH6726! zal verwektH5782 hebben tegenH5921 uw kinderenH1121, o GriekenlandH3120! en u gesteldH7760 zal hebben als het zwaardH2719 van een heldH1368.
Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraim den boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held.
KJV
When I have bent2
Judah4
for me, filled6
the bow5
with Ephraim,7
and raised up8
thy sons,9
O Zion,10
against thy sons,12
O Greece,13
and made14
thee as the sword15
of a mighty man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En de HEEREH3068 zal overH5921 henlieden verschijnenH7200, en Zijn pijlenH2671 zullen uitvarenH3318 als een bliksemH1300; en de HeereH136 HEEREH3069 zal met de bazuinH7782 blazenH8628, en Hij zal voorttredenH1980 met stormenH5591 uit het zuidenH8486.
En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.
KJV
And the LORD1
shall be seen3
over them, and his arrow6
shall go forth4
as the lightning:5
and the Lord7
GOD8
shall blow10
the trumpet,9
and shall go11
with whirlwinds12
of the south.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
De HEEREH3068 der heirscharenH6635 zal hen beschuttenH1598, en zij zullen etenH398, nadat zij de slingerstenenH7050 zullen ten ondergebrachtH3533 hebben; zij zullen ook drinkenH8354, en een gedruisH1993 maken als de wijnH3196; en zij zullen vervuldH4390 worden, gelijk het bekkenH4219, gelijk de hoekenH2106 des altaarsH4196.
De HEERE der heirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruis maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars.
KJV
The LORD1
of hosts2
shall defend3
them; and they shall devour,5
and subdue6
with sling8
stones;7
and they shall drink,9
and make a noise10
as through wine;12
and they shall be filled13
like bowls,14
and as the corners15
of the altar.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de HEEREH3068, hun GodH430, zal ze te dienH1931 dageH3117 behoudenH3467, als zijnde de kuddeH6629 Zijns volksH5971; wantH3588 gekroondeH5145 stenenH68 zullen in Zijn landH127, als een banier, opgericht worden.
En de HEERE, hun God, zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde Zijns volks; want gekroonde stenen zullen in Zijn land, als een banier, opgericht worden.
Ook in dit vers
banier opgerichtH5264
KJV
And the LORD2
their God3
shall save1
them in that day4
as the flock6
of his people:7
for they shall be as the stones9
of a crown,10
lifted up as an ensign11
upon his land.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
WantH3588 hoeH4100 groot zal zijn goedH2898 wezen en hoeH4100 groot zal zijn schoonheidH3308 wezen! Het korenH1715 zal de jongelingenH970, en de mostH8492 zal de jonkvrouwenH1330 sprekendeH5107 maken.
Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongelingen, en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken.
KJV
For how great is his goodness,3
and how great is his beauty!5
corn6
shall make the young men7
cheerful,9
and new wine8
the maids.
last van het woord des HEEREN
Dat is, een lastige en bezwaarlijke profetie, of voorzegging, die het land Chadrach overkomen zou; zie Jes. 13:1 de aantekening aldaar.
Hertaald:
last van het woord des HEEREN
Dat is: een zware en bezwaarlijke profetie of voorzegging die over het land Chadrach zou komen; zie Jes. 13:1 met de aantekening daar.
over het land
Of, in, of tegen.
Hertaald:
over het land
Of: in, of tegen.
Chadrach
Het schijnt dat dit land Syrië betekent, dewijl hier straks Damaskus bijgevoegd wordt, zijnde de hoofdstad van Syrië. Eenigen menen dat Chadrach de naam is van een afgod, welken de Syriërs eerden. Anderen vertalen het woord van het land der eer, of derheerlijkheid, of van het heerlijke land; anderen: van het land dat rondom u ligt, o Juda.
Hertaald:
Chadrach
Het lijkt erop dat dit land Syrië aanduidt, aangezien hier meteen Damascus aan toegevoegd wordt, dat de hoofdstad van Syrië is. Sommigen menen dat Chadrach de naam is van een afgod die de Syriërs vereerden. Anderen vertalen het woord met: van het land van de eer of van de heerlijkheid, of: van het heerlijke land; weer anderen: van het land dat rondom u ligt, o Juda.
Damaskus,
Hebr. Dammesek. Anders: ofschoon Damaskus zijne rust is.
Hertaald:
Damaskus,
Hebreeuws: Dammesek. Anders: hoewel Damascus zijn rust is.
deszelfs rust;
Dat is, waar het zich op verlaat. Of, alhoewel het zich op Damaskus verlaat en daarop gerust is. Anderen: maar Damaskus zal zijne, te weten de rust van den last zijn; dat is, het zal Damaskus ook op het laatste nog treffen. Anderen: en Damaskus zal zijne rust zijn; dat is, Gods toorn zal op Damaskus rusten; dat is, die stad alzo weinig verschonen gelijk als de rest.
Hertaald:
deszelfs rust;
Dat is: waarop het zich verlaat. Of: hoewel het zich op Damascus verlaat en daarop gerust is. Anderen: maar Damascus zal zijn rustplaats zijn, namelijk van de last; dat is: het zal Damascus ten slotte ook nog treffen. Anderen: en Damascus zal zijn rustplaats zijn; dat is: Gods toorn zal op Damascus rusten, dat is: Hij zal die stad even weinig sparen als de rest.
de HEERE
Hebr. den Heere is een oog; dat is, de Heere heeft een oog over alle andere mensen in wat land die zijn, zowel als over de Joden. En versta hier door het oog des Heeren zijne voorzienigheid, dat is de overal-tegenwoordige kracht des Heeren, waardoor Hij den hemel en de aarde regeert, met alles wat daarin is.
Hertaald:
de HEERE
Hebreeuws: op de HEERE is een oog; dat is: de HEERE heeft een oog op alle andere mensen, in welk land zij ook zijn, evengoed als op de Joden. Versta hier onder het oog van de HEERE Zijn voorzienigheid, dat is: de overal tegenwoordige kracht van de HEERE, waarmee Hij hemel en aarde regeert met alles wat daarin is.
Hij
Te weten, de Heere.
Hertaald:
Hij
Namelijk de HEERE.
Hamath
Zie Num. 13:21 .
Hertaald:
Hamath
Zie Num. 13:21.
met dezelve
Te weten, oog. Anders: Hamath zal dezelve bepalen; dat is, Hamath zal aan de grenzen daarvan liggen. Zie Joz. 19:35 . Anders: door dezelve, te weten rust van den last.
Hertaald:
met dezelve
Namelijk dat oog. Anders: Hamath zal daaraan grenzen; dat is: Hamath zal aan de grens daarvan liggen. Zie Joz. 19:35. Anders: daardoor, namelijk door de rustplaats van de last.
bepalen;
Dat is, Hij zal de Syriërs ordineren hoe wijd en hoe ver zij zullen gaan en staan, ten beste van zijne kerk. Anderen nemen het aldus: Ook zal die [last] Hamath bepalen. Het is dezelfde zin.
Hertaald:
bepalen;
Dat is: Hij zal de Syriërs voorschrijven hoe wijd en hoe ver zij zullen gaan en staan, ten beste van Zijn kerk. Anderen vatten het zo op: ook zal die last Hamath begrenzen. Het komt op hetzelfde neer.
zij
Te weten, Tyrus, dat is, de inwoners van tyrus, alsook de Sidoniërs.
Hertaald:
zij
Namelijk Tyrus, dat is: de inwoners van Tyrus, en ook de Sidoniërs.
zeer wijs is;
Naar hunne mening. Zie Ezech. 28:3 de aantekening aldaar, enz.
Hertaald:
zeer wijs is;
Naar hun eigen mening. Zie Ezech. 28:3 met de aantekening daar, enzovoort.
als stof,
Dat is, in zeer groten overvloed. Verg. 1 Kon. 10:27 , en 2 Kron. 9:27 ; zie ook Ps. 78:27 .
Hertaald:
als stof,
Dat is: in zeer grote overvloed. Vergelijk 1 Kon. 10:27 en 2 Kron. 9:27; zie ook Ps. 78:27.
uit het bezit stoten,
Of, arm maken, daar zij tevoren de rijkste en voortreffelijkste was.
Hertaald:
uit het bezit stoten,
Of: arm maken, terwijl zij tevoren de rijkste en voortreffelijkste was.
Hij zal haar vesting
De zin is: Of wel de Tyriërs menen dat zij onwinbaar zijn, ten aanzien dat zij rondom in en aan de zee gelegen zijn, zo zullen zij nochtans Gods oordeel niet ontgaan; maar zullen door het vuur verteerd worden. Dit is geschied door Alexander den Grote, gelijk Curtius lib. 4, en Doid. Siculus lib. 17
Hertaald:
Hij zal haar vesting
De betekenis is: al menen de Tyriërs dat zij onneembaar zijn omdat zij rondom in en aan de zee liggen, toch zullen zij Gods oordeel niet ontgaan, maar door het vuur verteerd worden. Dit is gebeurd door Alexander de Grote, zoals Curtius in boek 4 en Diodorus Siculus in boek 17 vermelden.
Askelon zal het zien,
Dat is, als Askelon den ondergang van Tyrus zien zal, zo zal het vrezen. Askelon en de andere steden, die hier meer genoemd staan, lagen in der Filistijnen land, en worden door dezelve de Filistijnen zelf verstaan.
Hertaald:
Askelon zal het zien,
Dat is: wanneer Askelon de ondergang van Tyrus zal zien, zal het vrezen. Askelon en de andere steden die hier verder genoemd worden lagen in het land van de Filistijnen, en daarmee worden de Filistijnen zelf bedoeld.
grote smart hebben,
Als ene vrouw, die in barensnood is.
Hertaald:
grote smart hebben,
Als een vrouw die in barensnood is.
waarop zij vertrouwden
Dat is, waar zij zich op verlieten, te weten de stad Tyres, die zij voor onwindbaar hielden.
Hertaald:
waarop zij vertrouwden
Dat is: waarop zij zich verlieten, namelijk de stad Tyrus, die zij voor onneembaar hielden.
hen
Dat is, hen in hunne hoop bedrogen heeft. Want Alexander de Grote heeft de stad Tyrus ingenomen en verheerd. Zie een gelijk voorbeeld Jes. 20:5-6 .
Hertaald:
hen
Dat is: hen in hun hoop bedrogen heeft. Want Alexander de Grote heeft de stad Tyrus ingenomen en overheerd. Zie een soortgelijk voorbeeld in Jes. 20:5-6.
de koning van Gaza
Dat is, de vorst. Want het land der Filistijnen was in vijf vorstendommen afgebeeld.
Hertaald:
de koning van Gaza
Dat is: de vorst. Want het land van de Filistijnen was in vijf vorstendommen verdeeld.
zal vergaan,
Dat is, daar zal geen vorst of koning meer te Gaza zijn.
Hertaald:
zal vergaan,
Dat is: er zal in Gaza geen vorst of koning meer zijn.
de bastaard
Dat is, een vreemde uitlandse koning, met allerlei vreemd ongebonden en ongeacht volk, die zullen de huizen, hoven en akkers bezitten.
Hertaald:
de bastaard
Dat is: een vreemde, buitenlandse koning, met allerlei vreemd, ongebonden en veracht volk; zij zullen de huizen, hoven en akkers bezitten.
wonen,
Te weten, als heer en meester van die stad.
Hertaald:
wonen,
Namelijk als heer en meester van die stad.
den hoogmoed der Filistijnen uitroeien
Hovaardij, pracht, heerlijkheid; dat is, hetgeen waar zij zich op verhovaardigen. Verg. Lev. 26:19 .
Hertaald:
den hoogmoed der Filistijnen uitroeien
Hovaardij, praal, heerlijkheid; dat is: datgene waarop zij zich verheffen. Vergelijk Lev. 26:19.
Ik zal zijn bloed
Te weten, nadat Ik hen zal gestraft of getuchtigd, en tot mijn volk zal aangenomen hebben, dat zal Ik hem [te weten de Filistijn] reinigen van zijne zonden, inzonderheid van de doodslagen, welke zij begaan hebben. Hebr. bloeden. Hier belooft God dat Hij ook de heidenen tot zijn volk zal aannemen en in zijne kerk inlijven.
Hertaald:
Ik zal zijn bloed
Namelijk nadat Ik hen gestraft of getuchtigd en tot Mijn volk aangenomen zal hebben, zal Ik hem — namelijk de Filistijn — reinigen van zijn zonden, en in het bijzonder van de moorden die zij begaan hebben. Hebreeuws: bloeden. Hier belooft God dat Hij ook de heidenen tot Zijn volk zal aannemen en in Zijn kerk zal inlijven.
zijn verfoeiselen
Versta, de afgoden en hunne offeranden.
Hertaald:
zijn verfoeiselen
Versta: de afgoden en hun offeranden.
van tussen zijn tanden;
Dat is, Ik zal maken dat zij er niet meer van spreken zullen, Ps. 16:4 . Of, Ik zal maken dat zij het vlees, hetwelk hunnen afgoden geofferd is, niet meer eten zullen.
Hertaald:
van tussen zijn tanden;
Dat is: Ik zal maken dat zij er niet meer over zullen spreken, Ps. 16:4. Of: Ik zal maken dat zij het vlees dat aan hun afgoden geofferd is niet meer zullen eten.
hij ook
Te weten, de Filistijn, het Filistijnse volk. Of, hij ook; dat is, niet alleen het gemene volk, maar ook de koning zelf.
Hertaald:
hij ook
Namelijk de Filistijn, het Filistijnse volk. Of: hij ook, dat is: niet alleen het gewone volk, maar ook de koning zelf.
onzen God overblijven;
Dat is, tot Gods volk en gemeente der gelovigen aangenomen worden. Zie Zach. 8:23 .
Hertaald:
onzen God overblijven;
Dat is: tot Gods volk en tot de gemeente van de gelovigen aangenomen worden. Zie Zach. 8:23.
als een vorst in Juda,
Of, als een leidsman; dat is, zij zullen in Gods kerk in groot aanzien wezen en anderen in godzaligheid voorgaan en een voorbeeld zijn.
Hertaald:
als een vorst in Juda,
Of: als een leidsman; dat is: zij zullen in Gods kerk hoog in aanzien staan, anderen in godzaligheid voorgaan en tot voorbeeld zijn.
en Ekron als de Jebusiet
Dat is, die van Ekron zullen ook te Jeruzalem, te weten in het geestelijke Jeruzalem wonen, gelijk eertijds de Jebusieten in de stoffelijke stad Jeruzalem gewoond hebben, en de Jebusieten zullen ook tot Gods volk aangenomen worden.
Hertaald:
en Ekron als de Jebusiet
Dat is: de inwoners van Ekron zullen ook in Jeruzalem wonen, namelijk in het geestelijke Jeruzalem, zoals vroeger de Jebusieten in de stoffelijke stad Jeruzalem gewoond hebben; en ook de Jebusieten zullen tot Gods volk aangenomen worden.
rondom
Of, omtrent, of, bij mijn huis; te weten, door mijne engelen; Ps. 34:8 , en Ps. 121:3-4 , en Ps. 124:1-2 , Ps. 124:8 .
Hertaald:
rondom
Of: omtrent, of: bij Mijn huis, namelijk door Mijn engelen; Ps. 34:8, Ps. 121:3-4 en Ps. 124:1-2, Ps. 124:8.
Mijn huis legeren,
Dat is, rondom mijne kerk; 1 Tim. 3:15 .
Hertaald:
Mijn huis legeren,
Dat is: rondom Mijn kerk; 1 Tim. 3:15.
het heirleger,
Te weten, vanwege het heirleger of het kreigsvolk van den vijand, opdat hij mijn huis niet aantaste of beschadige, als het over en weder loopt. Zie Zach. 2:5 .
Hertaald:
het heirleger,
Namelijk vanwege het leger of het krijgsvolk van de vijand, opdat hij Mijn huis niet aantast of beschadigt wanneer hij heen en weer trekt. Zie Zach. 2:5.
de drijver
Dat is, de vijand.
Hertaald:
de drijver
Dat is: de vijand.
door hen doorga;
Te weten, mijne huisgenoten, de gelovigen. Versta dit van een geestelijke verlossing van de strengheid der wet.
Hertaald:
door hen doorga;
Namelijk Mijn huisgenoten, de gelovigen. Versta dit van een geestelijke verlossing van de strengheid van de wet.
het met Mijn ogen
Te weten, mijn huis.
Hertaald:
het met Mijn ogen
Namelijk Mijn huis.
aangezien
Versta hier, een vriendelijk en genadig aanzien. Zie Deut. 12:13 . Verg. Ex. 3:7 ; Hand. 7:34 .
Hertaald:
aangezien
Versta hier een vriendelijk en genadig aanzien. Zie Deut. 12:13. Vergelijk Ex. 3:7; Hand. 7:34.
gij dochter Sions
Dat is, gij volk van Jeruzalem, ja gij volk Gods, zo Joden als heidenen.
Hertaald:
gij dochter Sions
Dat is: u, volk van Jeruzalem, ja u, volk van God, zowel Joden als heidenen.
uw Koning
Te weten, Christus Jezus.
Hertaald:
uw Koning
Namelijk Christus Jezus.
zal u komen,
Tot uw best, tot uwe hulp; zie Jes. 62:11 , enz.; Matt. 21:5 .
Hertaald:
zal u komen,
Tot uw bestwil, tot uw hulp; zie Jes. 62:11, enzovoort; Matth. 21:5.
Hij is een Heiland;
Of, verlosser, die al zijne uitverkorenen verlossen zal uit het geweld des duivels, van den dood en van al hunne vijanden. Anders: die met heil voorzien is; of behouden is, te weten uit zijn lijden, door zijn eigen goddelijke kracht, om zijne kerk zalig te maken. Verg. Jes. 53:8 ; Hebr. 5:7 .
Hertaald:
Hij is een Heiland;
Of: Verlosser, Die al Zijn uitverkorenen zal verlossen uit het geweld van de duivel, van de dood en van al hun vijanden. Anders: Die van heil voorzien is; of: Die behouden is, namelijk uit Zijn lijden, door Zijn eigen goddelijke kracht, om Zijn kerk zalig te maken. Vergelijk Jes. 53:8; Hebr. 5:7.
arm,
Slecht, verachtzaam, in de gedaante van een knecht, Fil. 2:7 , enz.
Hertaald:
arm,
Gering, veracht, in de gedaante van een knecht, Filipp. 2:7, enzovoort.
en op een veulen,
Of, namelijk.
Hertaald:
en op een veulen,
Of: namelijk.
een jong der ezelinnen
Dat is, hetzelfde wat Hij straks gezegd heeft; zie Matt. 21:5 ; Joh. 12:14 .
Hertaald:
een jong der ezelinnen
Dat is: hetzelfde wat Hij zojuist gezegd heeft; zie Matth. 21:5; Joh. 12:14.
Ik zal de wagens
Dat is, Ik zal mijne kerk vrede geven, alzo dat zij noch krijgswagens, noch paarden, of andere wapenen meer zal behoeven, de heidenen met de kerk van Christus verzoend zijnde; zie Jes. 2:2 , Jes. 2:4 ; Hos. 2:17 ; Hand. 10:34 , enz.; Ef. 2:17 .
Hertaald:
Ik zal de wagens
Dat is: Ik zal Mijn kerk vrede geven, zodat zij geen strijdwagens, paarden of andere wapens meer nodig zal hebben, nu de heidenen met de kerk van Christus verzoend zijn; zie Jes. 2:2, Jes. 2:4; Hos. 2:17; Hand. 10:34, enzovoort; Ef. 2:17.
Efraïm uitroeien,
Onder den stam van Efraïm verstaat Hij als de tien stammen van Israël, en door dezelve zijne kerk.
Hertaald:
Efraïm uitroeien,
Onder de stam van Efraïm verstaat Hij de tien stammen van Israël, en daarmee Zijn kerk.
uit Jeruzalem;
Dat is, uit den stam van Juda.
Hertaald:
uit Jeruzalem;
Dat is: uit de stam van Juda.
vrede spreken;
Dat is, vrede leren, namelijk door de predikatie van het heilg Evangelie zal Hij den vrede of verzoening met God verkondigen.
Hertaald:
vrede spreken;
Dat is: vrede leren; namelijk door de prediking van het heilig Evangelie zal Hij de vrede of de verzoening met God verkondigen.
zal zijn van zee tot aan zee,
Dat is, zij zal zich strekken; zie Ps. 2:8 .
Hertaald:
zal zijn van zee tot aan zee,
Dat is: zij zal zich uitstrekken; zie Ps. 2:8.
de rivier tot aan de einden der aarde
Versta hier, de rivier Frath, of Eufraat, en ziet Ps. 72:8 de aantekening aldaar, en Ex. 23:31 . Door deze plaatsen, bij de Joden bekend, moet men ook andere meer verstaan, ja de mening is dat de heerschappij van Christus zich zou uitbreiden over de ganse aardbodem.
Hertaald:
de rivier tot aan de einden der aarde
Versta hier de rivier de Frath of Eufraat, en zie Ps. 72:8 met de aantekening daar, en Ex. 23:31. Onder deze plaatsen, die bij de Joden bekend waren, moet men ook nog andere verstaan; de bedoeling is namelijk dat de heerschappij van Christus zich over de hele aardbodem zou uitbreiden.
o Sion
Dat is, o mijn volk, mijne kerk. Dit is hier, klaarheidhalve, bijgevoegd uit vs.9.
Hertaald:
o Sion
Dat is: o Mijn volk, Mijn kerk. Dit is hier voor de duidelijkheid toegevoegd uit vers 9.
door het bloed uws verbonds,
Of, in. De zin is: In of door de kracht van het bloed van Jezus Christus, waarmede Ik het verbond, met u ingegaan, bevestigen zal, heb Ik, of zal Ik uwe gavangenen, die met de banden der zonden gebonden zijn, verlossen uit den kuil, dat is, uit het geweld der hel en des duivels, waaronder zij anders hadden moeten versmachten in een geestelijken dorst, door het gevoel van den zwaren toorn Gods, die op hen lag.
Hertaald:
door het bloed uws verbonds,
Of: in. De betekenis is: in of door de kracht van het bloed van Jezus Christus, waarmee Ik het verbond dat Ik met u gesloten heb zal bevestigen, heb Ik uw gevangenen — die met de banden van de zonde gebonden zijn — verlost, of zal Ik hen verlossen uit de kuil, dat is: uit het geweld van de hel en de duivel, waaronder zij anders hadden moeten versmachten in een geestelijke dorst, door het gevoel van de zware toorn van God die op hen lag.
tot de sterkte,
De Joden, die nog in Babel gebleven waren, worden genodigd naar de stad en den tempel van Jeruzalem zich te begeven. Doch tegelijk wordt hier te kennen gegeven dat al degenen, die de verlossing, welke God door Christus beloofd heeft, wensen deelachtig te worden en voor des duivels geweld en listen beschut en beschermd te zijn, zich tot de kerk Gods begeven moeten, welke is de rechte hemelse Jeruzalem.
Hertaald:
tot de sterkte,
De Joden die nog in Babel achtergebleven waren, worden uitgenodigd zich naar de stad en de tempel van Jeruzalem te begeven. Maar tegelijk wordt hier te kennen gegeven dat allen die de verlossing die God door Christus beloofd heeft deelachtig willen worden, en beschut en beschermd willen zijn tegen het geweld en de listen van de duivel, zich tot de kerk van God moeten begeven, die het echte hemelse Jeruzalem is.
gij gebondenen,
Hebr. gij gebondenen der hoop, of der verwachting; dat is, gijlieden wien de hoop gegeven is, of die de hoop hebt dat gij van uwe banden zult verlost worden.
Hertaald:
gij gebondenen,
Hebreeuws: u gebondenen van de hoop of van de verwachting; dat is: u aan wie de hoop gegeven is, of die de hoop hebt dat u van uw banden verlost zult worden.
ook heden verkondig Ik
Gelijk Ik het dikwijls vóór dezen tijd verkondigd heb, alzo verkondig Ik het nu ook.
Hertaald:
ook heden verkondig Ik
Zoals Ik het vóór deze tijd vaak verkondigd heb, zo verkondig Ik het nu ook.
dat Ik u dubbel zal wedergeven;
De zin is: Ik zal u veel grotere gaven geven dan de verlossing uit de Babylonische gevangenschap is, namelijk geestelijke weldaden, als daar zijn vergeving der zonden, vernieuwing van het gemoed door den Heilige Geest en een eeuwig leven.
Hertaald:
dat Ik u dubbel zal wedergeven;
De betekenis is: Ik zal u veel grotere gaven geven dan de verlossing uit de Babylonische gevangenschap is, namelijk geestelijke weldaden, zoals vergeving van de zonden, vernieuwing van het gemoed door de Heilige Geest, en een eeuwig leven.
Als Ik Mij Juda
Hier wordt het volk Gods schut en scherm beloofd tegen de vijanden, die hen bevechten en bestrijden zouden, doch alzo, dat het niet zonder strijd en gevecht afgaan zou, gelijk zulks gebleken is in de oorlogen, die de Macchabeën tegen de koningen van Azië en Syrië gevoerd hebben.
Hertaald:
Als Ik Mij Juda
Hier wordt aan het volk van God schut en scherm beloofd tegen de vijanden die hen zouden bevechten en bestrijden. Maar wel zo dat het niet zonder strijd en gevecht zou gaan, zoals gebleken is in de oorlogen die de Makkabeeën tegen de koningen van Azië en Syrië gevoerd hebben.
gespannen,
Hebr. getreden; want de voetbogen werden getreden als men ze spande. Anderen vertalen de eerste woorden van dit vers aldus: Nadat Ik mij Juda [als] een boog zal gespannen en Efraïm [als een pijlkoker] zal gevuld hebben.
Hertaald:
gespannen,
Hebreeuws: getreden, want de voetbogen werden getreden wanneer men ze spande. Anderen vertalen de eerste woorden van dit vers aldus: nadat Ik Mij Juda als een boog gespannen en Efraïm als een pijlkoker gevuld zal hebben.
zal gevuld hebben;
Te weten, met pijlen, om tegen de vijanden te strijden.
Hertaald:
zal gevuld hebben;
Namelijk met pijlen, om tegen de vijanden te strijden.
o Griekenland
Te weten, tegen de nakomelingen van Alexander den Grote, de koningen in Azië en Syrië, tegen welke God de Heer de Joden wonderbaarlijk beschut en bescherm heeft. Zie de boeken der Macchabeën en de geschiedenissen van Josefus.
Hertaald:
o Griekenland
Namelijk tegen de nakomelingen van Alexander de Grote, de koningen in Azië en Syrië, tegen wie God de HEERE de Joden wonderbaarlijk beschut en beschermd heeft. Zie de boeken van de Makkabeeën en de geschiedenissen van Josefus.
u gesteld zal hebben
O Zion.
Hertaald:
u gesteld zal hebben
O Sion.
over henlieden verschijnen,
Te weten, over de Joden. Anderen, over Juda en Efraïm. Anderen, tegen hen, te weten, de Grieken.
Hertaald:
over henlieden verschijnen,
Namelijk over de Joden. Anderen: over Juda en Efraïm. Anderen: tegen hen, namelijk de Grieken.
Zijn pijlen
Hebr. zijn pijl.
Hertaald:
Zijn pijlen
Hebreeuws: Zijn pijl.
uitvaren als een bliksem;
Te weten, uit den hemel, tegen de vijanden van zijn volk.
Hertaald:
uitvaren als een bliksem;
Namelijk uit de hemel, tegen de vijanden van Zijn volk.
met stormen uit het zuiden
Of, als een onweder. De zin is: Hij zal zich met zulk ene onstuimigheid op de vijanden der kerk werpen, gelijk de stormen, die uit het zuiden komen; zie Jes. 21:1 de aantekening aldaar, en verg. Joz. 10:11 , en 2 Sam. 5:24 .
Hertaald:
met stormen uit het zuiden
Of: als een onweer. De betekenis is: Hij zal Zich met zo'n onstuimigheid op de vijanden van de kerk werpen als de stormen die uit het zuiden komen; zie Jes. 21:1 met de aantekening daar, en vergelijk Joz. 10:11 en 2 Sam. 5:24.
zal hen beschutten,
Te weten, de Joden, strijdende tegen de Grieken.
Hertaald:
zal hen beschutten,
Namelijk de Joden, die tegen de Grieken strijden.
eten,
Dat is, zij zullen hunne goederen met vrede en met vreugde genieten, nadat hunne vijanden zullen verdelgd zijn.
Hertaald:
eten,
Dat is: zij zullen hun goederen in vrede en met vreugde genieten, nadat hun vijanden verdelgd zullen zijn.
de slingerstenen
Dat is, de vijanden, die met slingerstenen op hen geworpen hebben. Anderen zetten deze woorden aldus over: En zij zullen hen [met] slingerstenen tenonder brengen. Eertijds plachten de krijgslieden niet alleen met pijlen, maar ook met slingers tegen elkander te vechten; zie Richt. 20:16 .
Hertaald:
de slingerstenen
Dat is: de vijanden, die met slingerstenen naar hen geworpen hebben. Anderen vertalen deze woorden aldus: en zij zullen hen met slingerstenen onderwerpen. Vroeger vochten de krijgslieden niet alleen met pijlen, maar ook met slingers tegen elkaar; zie Richt. 20:16.
een gedruis maken als de wijn;
Dit woelen of rumoer maken zou uit een heilige vreugde ontstaan.
Hertaald:
een gedruis maken als de wijn;
Dit rumoer of tumult zou uit een heilige vreugde voortkomen.
zij zullen vervuld worden,
Dat is, zij zullen overvloed hebben van allerlei goederen, gelijk het bekken, hetwelk bij het altaar placht te staan, vol bloed van het geslachte vee was, en gelijk men al de hoeken van het altaar met hetzelfde bloed placht te begieten of te besprengen, Lev. 3:2 , Lev. 3:8 , Lev. 3:13 , en Lev. 7:2 . Geestelijkerwijze dit genomen zijnde is het te zeggen: Zij zullen God danken voor de weldaden, die zij van Hem ontvangen zullen. Verg. Ef. 5:18-20 .
Hertaald:
zij zullen vervuld worden,
Dat is: zij zullen overvloed hebben van allerlei goederen, zoals het bekken dat bij het altaar placht te staan vol bloed van het geslachte vee was, en zoals men alle hoeken van het altaar met datzelfde bloed placht te begieten of te besprenkelen, Lev. 3:2, Lev. 3:8, Lev. 3:13 en Lev. 7:2. Geestelijk opgevat betekent het: zij zullen God danken voor de weldaden die zij van Hem zullen ontvangen. Vergelijk Ef. 5:18-20.
behouden,
Of, verlossen, of heil verschaffen, of zaligmaken, als zijnde de herder van zijn volk; zie Ps. 100:3 ; Joh 10 .
Hertaald:
behouden,
Of: verlossen, of: heil verschaffen, of: zalig maken, aangezien Hij de Herder van Zijn volk is; zie Ps. 100:3; Joh. 10.
gekroonde stenen
Dat is, kolommen, of gedenkpilaren met kransen en kronen versierd. Anderen nemen het in deze zin: Want zij zullen op de aarde verheven worden als stenen der kronen; dat is, gelijk als kostelijke edele stenen, die de koningen in hunne kronen dragen. Hebr. stenen der kroon.
Hertaald:
gekroonde stenen
Dat is: kolommen of gedenkpilaren die met kransen en kronen versierd zijn. Anderen vatten het zo op: want zij zullen op de aarde verheven worden als stenen van de kronen; dat is: als kostbare edelstenen die de koningen in hun kronen dragen. Hebreeuws: stenen van de kroon.
in Zijn land,
Te weten, in het Joodse land, hetwelk het land Gods en het heilige land genoemd wordt.
Hertaald:
in Zijn land,
Namelijk in het Joodse land, dat het land van God en het heilige land genoemd wordt.
als een banier,
Tot een teken van overwinning, die God zijn volk over hunne vijanden verleend had, of verlenen zou.
Hertaald:
als een banier,
Als teken van de overwinning die God Zijn volk over hun vijanden verleend had of zou verlenen.
zijn(e)
Te weten, des Heeren; of hare, te weten der kerk.
Hertaald:
zijn(e)
Namelijk van de HEERE; of: haar, namelijk van de kerk.
goed wezen
Dat is, zijne gelukzaligheid. De zin is: Hoe grotelijks zal de Heere zijne kerk zegenen, die vervullende met eer en met heerlijkheid!
Hertaald:
goed wezen
Dat is: Zijn gelukzaligheid. De betekenis is: hoe grootelijks zal de HEERE Zijn kerk zegenen, terwijl Hij haar vervult met eer en heerlijkheid!
Het koren zal de jongelingen,
Dat is, God zal hun overvloed van koren en van wijn geven, waarover zich de jonge lieden zullen verheugen en vrolijk zijn. Verg. Jes. 9:2 . Verg. ook Jer. 48:33 .
Hertaald:
Het koren zal de jongelingen,
Dat is: God zal hun overvloed van koren en wijn geven, waarover de jonge mensen zich zullen verheugen en vrolijk zullen zijn. Vergelijk Jes. 9:2. Vergelijk ook Jer. 48:33.
sprekende maken
Of, overvloedig vrucht doen voortbrengen, te weten, de vrucht der lippen. Verg. Jes. 57:19 .
Hertaald:
sprekende maken
Of: overvloedig vrucht doen voortbrengen, namelijk de vrucht van de lippen. Vergelijk Jes. 57:19. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen" (Zach. 9:9). Zijn heerschappij wordt getekend: "En Ik zal de wagens uit Efraim uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee" (Zach. 9:10). Bijbelse betekenis: Merk op de dubbele oproep waarmee dit vers opent: verheug u, juich. De komst van deze Koning is geen aankondiging van dreiging maar van vreugde. Let vervolgens op de drie beschrijvingen die van Hem gegeven worden: rechtvaardig, een Heiland, en arm — de laatste term staat in scherp contrast met wat men van een koning zou verwachten. Let ten slotte op het dier waarop Hij rijdt: geen paard, het dier van de oorlog, maar een ezel, het dier van vrede. Zach. 9:10 bevestigt dat: wagens en paarden worden juist uitgeroeid, terwijl Hij vrede spreekt. Typologie: Dit is een van de meest rechtstreeks vervulde profetieën van de Schrift. Mattheüs schrijft: "Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen" (Matt. 21:4-5). Johannes citeert hetzelfde gedeelte met een kleine afwijking: "Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin" (Joh. 12:15) — waar Zacharia opent met een oproep tot vreugde, opent Johannes met "Vrees niet." Zach. 9:9-10; Matt. 21:4-5; Joh. 12:15 "U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten" (Zach. 9:11). De oproep die volgt: "Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven" (Zach. 9:12). Bijbelse betekenis: Merk op de grond van deze bevrijding: niet de verdienste van de gevangenen, maar het bloed uws verbonds. Wat God eerder had toegezegd, is de basis waarop Hij hier bevrijdt. Let vervolgens op het beeld van de kuil zonder water — een gevangenis waaruit ontsnappen onmogelijk lijkt, zoals ook Jozef en Jeremia letterlijk in zulke putten geworpen werden. Let ten slotte op Zach. 9:12: de oproep is niet alleen om vrij te zijn, maar om weder te keren tot de sterkte — de bevrijding is een begin, geen eindpunt op zichzelf. Typologie: Ditzelfde bloed van het verbond noemt de Heere Jezus bij de instelling van het avondmaal: "dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden" (Matt. 26:28). Zach. 9:11-12; Matt. 26:28 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Zacharia heeft zojuist het oordeel over de omliggende volken uitgesproken. En dan, midden tussen die oorlogstaal, klinkt een oproep tot vreugde voor de dochter Sions. De beloofde Koning komt binnen, maar niet op een strijdros — Hij komt arm, op een ezel. De aankondiging is uitbundig: verheug u zeer, juich. En dan de reden: ziet, uw Koning zal u komen. Vier dingen worden van Hem gezegd, en zij horen niet vanzelfsprekend bij elkaar. Hij is rechtvaardig. Hij is een Heiland — de kanttekening voegt toe: tot uw bestwil, tot uw hulp. Hij is arm. En Hij rijdt op een ezel, op een veulen, een jong der ezelinnen. De kanttekening zegt eenvoudig wie het is: namelijk Christus Jezus. Een koning die kwam om oorlog te voeren, kwam te paard. Een ezel was het rijdier van de vrede. En de eerstvolgende zin bevestigt dat: Ik zal de wagens uit Efraïm uitroeien en de paarden uit Jeruzalem, en de strijdboog zal uitgeroeid worden — en Hij zal vrede spreken tot de heidenen. De evangelisten halen dit vers aan bij de intocht. Mattheüs schrijft er uitdrukkelijk bij dat dit geschiedde opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door den profeet. En Johannes voegt een eerlijke opmerking toe: dit verstonden Zijn discipelen in het eerste niet, maar toen Jezus verheerlijkt was, herinnerden zij zich dat dit van Hem geschreven was. Zo reed Hij Jeruzalem binnen, met takken en gejuich — en vijf dagen later riep diezelfde stad iets anders. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 21:4-5; Johannes 12:14-16; Efeze 2:14-17; Lukas 19:38
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas U ook aangaande, o Zion! door het bloed van uw verbond, heb Ik uw gebondenen uit de kuil, daar geen water in is, uitgelaten. Keert gij weer tot… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Een les voor ons is, dat we nederig moeten zijn. Hoorde ik iemand zeggen: Nou, ik zal… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Christus was nederig, omdat Hij zo liefhad. Moeders zijn vaak trots op hun kinderen, maar ik denk… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Waarom was Christus zo nederig? Ik denk dat Hij zo nederig was, omdat Hij zo groot was.… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Onze Heere heeft Zijn ware nederigheid geopenbaard door de taak van een dienstknecht uit te voeren. Door… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Christus heeft Zijn nederigheid daarin laten zien, dat Hij onze natuur werkelijk heeft aangenomen. Ik kan dat… ... nederig, en rijdende op een ezel. Zacharia 9-9 (Engelse vertaling) Denk aan de nederigheid van Christus juist daarin, dat Hij de verlossing van schuldige mensen op Zich… Verheug u zeer, gij dochter Sions, juich, gij dochter Jeruzalems! Zie, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel,… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 9
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Uw Koning komt, rijdende op een ezel — 9:9-10
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Zach. 9:11,12 - Gebondenen, die hopen
Bidden om bescheidenheid
Uit liefde nederig
Nederig van hart
De taak van een dienstknecht
Het Woord dat vlees werd
De neerbuigende goedheid van God
Juich van vreugde!


Zacharia 9
Zacharia 9:2-4.KruisverwijzingenJeremia 49:23→Ezechiël 28:12→Ezechiël 28:18→Ezechiël 28:4→Job 27:16→Jozua 19:29→Ezechiël 28:2→2 Samuël 24:7→
— En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is; En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten; Ziet, de HEERE zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.
Deze profetie is letterlijk vervuld. Tyrus werd door Alexander de Grote aangevallen en na een lang beleg door hem verwoest. De sterkte van de stad lag daarin dat zij tot in de zee toe gebouwd was en door een geweldige, zware wal beschermd werd. Als groot handelsmiddelpunt bezat zij ook onmetelijke rijkdom, en zo kon zij huursoldaten betalen.
Maar al haar macht en al haar rijkdom kon haar niet voor de verwoesting bewaren. En al lezen wij in het Nieuwe Testament nog van Tyrus, het is nu alleen nog een plaats om de netten van een paar arme vissers te drogen. Precies zoals Ezechiël voorzegd had dat het zou zijn. Voorzegt God een verwoesting, dan komt zij altijd. Maar — Zijn heilige naam zij geprezen — belooft Hij zegen, dan komt die even zeker.
Zacharia 9:5.KruisverwijzingenSefanja 2:4→Jeremia 47:1→Ezechiël 25:15→Jesaja 20:5→Ezechiël 26:15→Filippenzen 1:20→Jeremia 51:8→Jeremia 47:4→
— Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.
Toen Alexander het land binnenviel, verwachtten de Filistijnen dat hij door de Tyriërs zou worden opgehouden. Maar toen Tyrus viel, werden de Filistijnen gemakkelijk overwonnen. Dat laat u de betekenis van de profetie zien, en hoe letterlijk zij vervuld is.
Zacharia 9:6-7.KruisverwijzingenAmos 1:8→Prediker 2:18→Jesaja 23:9→Daniël 4:37→1 Petrus 5:5→Jesaja 2:12→Prediker 6:2→Sefanja 2:10→
— En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien. En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; alzo zal hij ook onzen God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.
Er is geen twijfel dat er na de dagen van Alexander veel Filistijnen tot het geloof van de Joden overgingen. Zij werden in het Joodse volk opgenomen, zodat een Ekroniet als een Israeliet werd.
En dat is een zinnebeeld van wat God over de hele wereld doet. Hij neemt mensen die vreemdelingen en bijwoners zijn ten aanzien van het burgerrecht van Sion, en zet hen onder Zijn volk, en behandelt de Ekroniet als een Jeruzalemmer. Zijn naam zij geprezen voor deze grote daad van vrijmachtige genade.
Zacharia 9:8.KruisverwijzingenJesaja 52:1→Jesaja 54:14→Jesaja 60:18→2 Samuël 16:12→Jeremia 31:12→Jesaja 4:5→Psalmen 125:1→Daniël 11:10→
— En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande, en vanwege den wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien.
En zo is het ook gegaan. Alexander trok na de verwoesting van Tyrus naar Jeruzalem, maar hij viel de stad niet aan. Er lag een vreemde bedwang op hem, dat hem verhinderde het huis van de levende God aan te raken. Ik hoef het bekende verhaal niet te herhalen van hoe hij de hogepriester tegenkwam en in hem de man erkende die hij in een droom gezien had. En zo liet hij, al sloeg hij Tyrus en Filistea, het volk van God ongemoeid.
Zacharia 9:9.KruisverwijzingenSefanja 3:14→Jeremia 23:5→Zacharia 2:10→Jesaja 9:6→Mattheüs 11:29→Jesaja 43:11→Lukas 19:30→Lukas 19:37→
— Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.
“Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.”
Niet Alexander de Grote, maar “uw Koning”. Wat een schone en getrouwe beschrijving van onze Heere Jezus Christus! Wij verwonderen ons erover dat Israel de Messias hier niet ziet. Was dit vers ná de komst van Christus geschreven, dan had het de gezegende Persoon en het karakter van onze Heere Jezus niet nauwkeuriger kunnen beschrijven. Juist Zijn rijden op een ezel Jeruzalem in, met haar veulen naast haar dravend, wordt hier volkomen duidelijk voorzegd.
Hij is de Koning Die de pracht en de pralerij afgelegd heeft waarin oosterse vorsten behagen schepten. In plaats van op een ros te rijden, bestijgt Hij een geringe ezel. Moet Hij in een optocht door de straten van Jeruzalem rijden, dan is het in die zachtmoedige en nederige gedaante.
De Koning van het koninkrijk der genade is niet hoog en verheven, niet hooghartig of hoogmoedig, maar Hij buigt Zich neer tot mensen van lage staat. De farizeeën en de schriftgeleerden klaagden dat Jezus zondaren aannam en met hen at, en dat was ook zo. Hij is een Koning, maar Zijn koninkrijk is niet dat van pracht en vertoon, van geweld en verdrukking.
Hij is rechtvaardig en billijk, maar Hij is ook zachtmoedig, mild en vriendelijk. De kleine kinderen drongen zich om Hem heen toen Hij hier beneden was, en nu is het de zachtmoedigen en geringen onder de mensen een vreugde Hem te dienen. Wat ben ik blij dat ik tegen ieder die zich nog niet aan Hem overgegeven heeft, dit zeggen mag. Hij hoeft niet te vrezen een onderdaan van Jezus, de Zoon van God, te worden. Want Hij is zo’n zachtmoedig Koning dat het altijd tot ons nut en onze blijdschap zijn zal.
Zacharia 9:10.KruisverwijzingenHosea 1:7→Hosea 2:18→Micha 5:4→Kolossenzen 1:20→Jesaja 60:12→Micha 4:2→Micha 5:10→2 Korinthe 10:4→
— En Ik zal de wagens uit Efraim uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Dit is onze heerlijke Koning — de Koning Wiens overwinningen niet met paarden en wagens en strijdbogen verkregen worden, maar met de veel machtiger wapenrusting van waarheid en liefde. Welgelukzalig zijn allen die onder de heerschappij van zo’n Koning wonen.
Zacharia 9:11-12.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:21→Job 42:10→Exodus 24:8→Jesaja 51:14→Jeremia 31:17→Jeremia 51:10→Jesaja 40:2→Micha 4:8→
— U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten. Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;
“U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten. Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;”
Deze plaats gaat ongetwijfeld over onze Heere Jezus Christus en over Zijn zaligheid. Daarover verkeren wij in geen enkele twijfel, want het verband is buitengewoon duidelijk. Begint u bij vers 9 te lezen, dan ziet u dat wij van daar tot onze tekst veel profetisch onderricht hebben over onze Heere en Zijn koninkrijk.
Christus is gekomen om de gevangenen vrij te maken en om de sterkte van Zijn volk te zijn. Keert u dan tot Hem, en allerlei kostbare zegeningen zullen de uwe zijn.
Zacharia 9:13.KruisverwijzingenJesaja 49:2→Psalmen 45:3→Zacharia 10:3→Psalmen 18:32→Zacharia 12:2→1 Korinthe 1:21→Efeze 6:17→Zacharia 1:21→
— Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraim den boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held.
Dit is een werkelijk wonderlijke plaats, die uiteenzet hoe God Zijn volk gebruiken zal als de wapens waarmee Hij de wereld overwinnen zal. Hij zal Juda spannen en haar tot een boog maken, en Efraïm nemen en haar tot een pijl maken. En dan zal Hij die wonderlijk gemaakte schicht afschieten op Zijn tegenstanders en de onze!
Wat betekent dat anders dan dat Hij ons, die de Zijnen zijn en behouden, gebruiken gaat om door ons de wereld te overwinnen? En wat een gezegende strijd is dat! “Uw kinderen, o Sion, tegen uw kinderen, o Griekenland” — de eenvoudige gelovige tegen de beschaafde man van rede zonder geloof. Wie eenvoudig op de Heere Jezus Christus vertrouwt, tegen de man die roemt op zijn eigen geleerdheid en welsprekendheid.
Hoe zal die strijd aflopen? Wij weten welke kant winnen zal, want de HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een toevlucht.
Zacharia 9:14.KruisverwijzingenJesaja 21:1→Psalmen 18:14→Jesaja 66:15→Jesaja 27:13→Openbaring 6:2→Zacharia 2:5→Jesaja 31:5→Jesaja 18:3→
— En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.
Zoals Hij van ouds in het midden van Zijn volk was. Hier hebt u een vooruitblik op het pinksterfeest, en op het grote tijdperk dat op de uitstorting van de Geest volgde. Och, of wij nog eens mochten ondervinden wat Gods almachtige Geest doen kan!
Zacharia 9:15.KruisverwijzingenZacharia 12:6→Zacharia 10:5→Exodus 27:2→Zacharia 12:8→Psalmen 78:65→Leviticus 4:18→Zacharia 10:7→Leviticus 4:25→
— De HEERE der heirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruis maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars.
U herinnert zich dat de spotters op de pinksterdag zeiden: deze mensen zijn vol zoete wijn. Dat waren zij niet, zoals Petrus duidelijk verklaarde: “deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt”. Deze profetie betekent ook niet dat zij dat zouden zijn. Zij betekent dat de Geest van God zo overvloedig op hen zou vallen dat Hij hen vullen zou. Als schalen die overlopen van kostbaar vocht, of als de hoeken van het altaar die voor het offer van Elia doordrenkt werden.
Het is een grote zaak wanneer gelovigen in Christus zo tot overlopens toe met de Geest van God en met goddelijke kracht vervuld worden. Zij zijn de mensen die de slag voor de zaak van God en van de waarheid winnen zullen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
C. Het 3e hoofddeel van ons Boek omvat drie hoofdstukken (hoofdst. 9-11), en staat met het vierde en laatste deel daarvan in het nauwste verband, zodat de beide delen ook dikwijls bij elkaar worden genomen. Beide delen (duidelijk te onderkennen aan het gelijkluidende opschrift: “de last van het woord des Heeren) voorspellen de ontwikkeling van het Oud-Testamentische Godsrijk tot aan zijne volmaking in het rijk van Christus, dat de gehele aarde omvat. Het geschrift van onzen Profeet ware geen geheel, wanneer dit beeld der toekomst ontbrak, en, zo noodzakelijk het voorwoord was om de geruste zondaars voor het misbruik van dit geschrift te waarschuwen, zo noodzakelijk is nu ook dit derde en vierde deel, om alles, wat nodig is den volke te verkondigen. Zacharias profetie ware half mengsel van afzonderlijke brokstukken zonder doel of zamenhang, wanneer die beide delen ontbraken. ” Het eerste dier beide delen kondigt het gericht over het land Chadrach aan, dat is over het Gode vijandige wereldrijk in alle zijne openbaringen, en de daarmee gelijktijdige, oprichting van het rijk Gods in heerlijkheid, het doel van alle wegen Gods, door vergadering en bekering van de verstrooide leden van het volk Gods, en hun verheffing tot overwinning de heidenen.
I. Vs. 1-17.KruisverwijzingenSefanja 3:14→Jeremia 23:5→Zacharia 2:10→Ezechiël 28:12→Ezechiël 28:18→Jesaja 9:6→Mattheüs 11:29→Hosea 1:7→
— De last van het woord des HEEREN over het land Chadrach en Damaskus, deszelfs rust; want de HEERE heeft een oog over den mens, gelijk over al de stammen Israels. En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is; En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten; Ziet, de HEERE zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden. Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden. En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien. En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; alzo zal hij ook onzen God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet. En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande, en vanwege den wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien. Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen. En Ik zal de wagens uit Efraim uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.
Alle heidense volken met hun macht, welke het rijk Gods verdrukt en vervolgt, met hun schatten en gaven zullen eens om hun vijandschap tegen Gods volk door den Heere worden geoordeeld, verootmoedigd, en eindelijk aan Zijn rijk onderworpen en ingelijfd. Maar zijn volk zal zich verheugen, want de beloofde Koning zal als een volmaakt Rechtvaardige vol genade komen. Hij zal overwinnen door diepe zelfvernedering, ootmoed, zachtmoedigheid, en door de macht van Zijnen vrede. Hij zal te Jeruzalem, het middelpunt van het rijk Gods, binnentrekken, en van daar uit van zee tot zee heersen. Zijn volk zal Hij echter uit de verstrooiing en ballingschap verlossen, en in een toestand van heerlijkheid en van zegen onder Zijne genadige bescherming plaatsen.
De last, de gerichtsverkondiging (Jes. 13:1) van het woord des HEEREN over het land Chadrach (= sterk zwak), dat nu wel machtig is, maar eens machteloos zal worden, (onder dezen symbolischen naam is het toenmalige Perzische wereldrijk bedoeld). Dit door den Heere verkondigde gericht komt over alle delen van dit rijk, enin ‘t bijzonder in de eerste plaats over Damascus, ene der twee grootste steden van Syrië, deszelfs rust 1), want de HEERE heeft een oog over den mens, Hij neemt al hun doen en laten, hun gerustheid en hunnen trots, hunnen afgodendienst en hun misdaad tegen Zijn uitverkoren volk waar, gelijk over alle stammen Israëls, die te zamen Zijne ontferming en Zijne genade in de toekomst zullen ondervinden; Hij ziet hoe ze nog steeds door de Heidenen verdrukt worden. De woorden: “De last van het woord des Heeren over het land Chadrach” moeten opgevat worden als opschrift boven de gehele afdeling tot aan het einde van Hoofdst. 11, en staan tegenover het opschrift (Hoofd. 12:1): “De last van het woord des Heeren over Israël. ” Beide opschriften wijzen aan, dat het land Chadrach vijandig staat tegenover het rijk van Israël, d. i. het rijk Gods, en beide afdelingen met die opschriften schilderen niets anders dan den strijd van het rijk der wereld met het rijk Gods, doch op verschillende wijze. Terwijl in het eerste het gericht, waardoor de macht der heidenwereld over Israël vernietigd, en Israël met kracht tot overwinning van alle zijne vijanden, wordt begiftigd, de hoofdgedachte en het zwaartepunt der profetische schildering vormt, in het tweede daarentegen het gericht, waardoor Israël in den strijd tegen de heidense volken gezift, en door uitroeiing zijner onechte leden tot een heilig volk des Heeren wordt verheerlijkt. ” Van de rechte opvatting van het opschrift: “De last van het woord des Heeren over het land Chadrach” hangt die der gehele afdeling af. De duistere naam Chadrach is op de meest verschillende wijzen verklaard, nu eens als naam van enen Syrischen, maar onbekenden koning (1 (Kon. 11:25), naar wien het gehele Syrische rijk genoemd is, dan als naam van een landschap, ten oosten van Palestina, misschien Hauran, hetwelk volgens ene anders niet bekende godheid Chadrach genoemd is. De meest aannemelijke is en blijft de oude verklaring, welke reeds Hiëronymus en Luther hebben, dat Chadrach een door den Profeet zelven gevormd woord zou zijn, saamgesteld uit chad scherp of sterk en rach week of zwak, om op zinrijke wijze het Medo-Perzische rijk, onder welks macht Israël stond, en tevens alle aan het rijk van God ten allen tijde vijandig gezinde wereldrijken te noemen. Zulke zinnebeeldige benamingen zijn in een profetisch boek over ‘t algemeen niets zeldzaams, zoals ook Jesaja en Jeremia rijk daarin zijn (vgl. Jareb, Hos. 5:13, Rahab, Ps. 87:4, Ariël Jes. 29:1 v.) De steden en rijken, vervolgens genoemd, zijn alleen delen van het land Chadrach, van het Perzische rijk; er moet worden voorgesteld, hoe zich het gericht over het gehele rijk aan de afzonderlijke landschappen verwezenlijkt. “Damascus en Hamath voert de Profeet slechts in ‘t algemeen aan; eerst bij de Fenicische en Filistijnse steden begint hij met ene bijzondere schildering van den val van hare hoogte, omdat zij het naast bij het rijk van Israël lagen, en gedeeltelijk in hare wereldse machtsontwikkeling, gedeeltelijk in hare vijandschap tegen het verbondsvolk, de macht en de vijandschap van het wereldrijk tegen het Godsrijk voorstellen.” In het Hebr. Wedamèsjek menuchato. Beter: En Damascus is Zijne rustplaats. Dat wil zeggen, de last van het Woord Gods zal bij Damascus zijn rustplaats vinden. Damascus zal geheel en al verwoest worden, zal door de gerichten ten ondergaan.
En ook zal het verder komen en blijven. Hij zal Hamath(= kasteel), de tweede grote stad van Syrië met dezelve bepalen 1), in de Goddelijke straf mede opnemen, bovendien ook Fenicië met hare grote steden, Tyrus en Zidon, hoewel zij in haren hoogmoed zeer wijs is, en alle middelen en wegen kan bedenken om een gerust, rijk en genotvol te geven, en zich tot den Heere te bekeren;
Of: “dat aan haar grenst, ” namelijk aan Damascus (vs. 1), want het is 25 mijlen ten noorden daarvan aan den Orontes gelegen, later Epifania, thans Hamah genoemd.
En Tyrus zich in hare wijsheid sterkten gebouwd heeft, ene vesting op een eiland 1), en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten. Tyrus was slechts ene kolonie van Zidon, maar allengs was de dochterstad de moederstad in rijkdom en macht boven het hoofd gegroeid, en toen zij, zich op hare oorspronkelijke woonplaats op het vaste land niet veilig genoeg meer gevoelde, bouwde zij op een eiland, dat ongeveer 3-4 stadiën van het vaste land en 30 stadiën ten noorden van het oude Tyrus lag. Deze eilandstad was wel is waar ene kleine stad- volgens Plinius had het eiland slechts 22 stadiën in omtrek-maar het was omgeven door enen 150 voet hogen muur en was ene zo sterke vesting, dat Salmanassar ze 5 jaren lang, Nebukadnezar 13 jaren lang en Alexander de Grote 7 maanden lang belegerde. Op dit eiland hoopten de Tyriërs door hun scheepvaart en hunnen handel ene ongelooflijke menigte rijkdommen op.
Ziet al haar verstand en de gehele menigte van hare schatten zal haar niets baten de HEERE zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal hare vesting met alles, wat zij tot hare verdediging heeft gemaakt, hare vestingmuren, hare weltoegeruste vloten, in de zee verslaan, en zij, die midden in de zee onbedwingbaar schijnt, zal met vuur verteerd worden1) (Ezech. 26:12).
De almachtigheid is ene al te sterke proef voor eigen schepsels tegenstand; en daar de gronden van vleselijk vertrouwen het grootste zijn onder de vijanden, daarom zal de Heere een werktuig nemen, om Zichzelven groot te maken, en hun te verderven.
Verder zal het gericht des Heeren ook het land der Filistijnen treffen. Askelon zal het zien, hoe Tyrus overwonnen wordt, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen hen heeft te schande gemaakt. Zij hoogten, dat toch tenminste Tyrus door hare sterke ligging en grote macht het voortrollend gericht zou tegenhouden, en hen in hun noden bijstaan, maar nu is hun hoop beschaamd, en zij moeten erkennen, dat ook over hen nu de bezoeking komen zal. En de koning der Filistijnen uit Gaza zal vergaan 1), er zal in ‘t vervolg geen meer wezen, en Askelon zal niet bewoond worden, zo geheel zal het worden verwoest.
Maar had dan Gaza ten tijde van Zacharia, die na de ballingschap leefde, nog enen koning, daar het toch een gedeelte van het grote Perzische rijk was geworden? De mogelijkheid kan niet worden bestreden, want de Babylonische en Perzische heersers hadden de gewoonte aan de door hen onderworpene volken niet alle zelfstandigheid te ontnemen, en de inlandse vorstenfamiliën niet geheel te onttronen; zij vergenoegden zich integendeel daarmee, dat zij de vorsten der onderworpene volken of ook hun nakomelingen tot schatplichtige vasallenkoningen maakten; hierop wijst ook de titel “grote koning, ” “koning der koningen. ” dien de Perzische koningen droegen. Zulke Perzische vazallen worden niet zelden bij de Griekse schrijvers genoemd. Er kan dus zeer goed ook in den Perzischen tijd nog een koning van Gaza zijn geweest, die dan als Perzisch leenman moet beschouwd worden. Uit den tijd van Alexander den Grote wordt zulk een door den gelijktijdigen Hegesias uitdrukkelijk genoemd, namelijk de door zijne trouw bekende Baëtis.
En ten diepste zal Filistea worden vernederd, de bastaard, de vreemdeling die door den Filistijn tot nu toe als iemand van onedele geboorte werd beschermd, zal te Asdod wonen, en met één woord: Ik zal den hoogmoed der Filistijnen, alles, waarop zij tot hiertoe zo trots waren, hun krijgsmacht, hun vaste steden, hun nationaliteit, uitroeien. Dat hier van de 5 Filistijnse steden, evenals ook Amos 1:6 vv. Zef. 2:4. Jer. 23:20, Gath wordt overgeslagen, is daaruit te verklaren, dat dit, het meest landwaarts is gelegen, reeds vroeg zijne staatkundige zelfstandigheid gedeeltelijk door Juda, gedeeltelijk door Syrië verloor en tot onbeduidendheid wegzonk.
En Ik zal vervolgens allen afgodendienst zowel bij de vroeger genoemde volken als ook bij de Filistijnen uitroeien; Ik zal zijn bloed, het bloed, dat het bij de maaltijden van de afgodenoffers eet, uit zijnen mond wegdoen, en zijne verfoeiselen, het vlees der offers van tussen zijne tanden, Ik zal hen bekeren, zovelen als zich van hen tot Mij wenden; al zo zal hij ook, even als wij, Gods uitverkoren volk Israël, ten gevolge der gerichten, welke over ons zijn gekomen, als een heilig zaad onzen God overblijven; zij zullen ware belijders des Heeren worden, ja hij, dat overblijfsel der Filistijnen, zal zijn als een stamvorst in Juda, geëerde leden van het volk Gods, die in Juda zijn ingelijfd, en bijv. de bewoners van de Filistijnse stad Ekron als de Jebusiet, de vroegere bewoner van Jebus, den burg Zion, welke na zijne verovering door David ook Israëls geloof aannamen, en in het volk Gods werden ingelijfd (2 Sam. 24:16 vv. 1 Kron. 20:15 vv.). Zonder twijfel is deze profetie van de bekering der Filistijnen, welke eens zal plaats hebben, bedoeld omtrent het gehele land Chadrach, uit welke delen ten tijde van Zacharia, bij wijze van voorbeeld, Damascus, Hamath genoemd zijn. Alzo wordt hier de latere bekering van alle die heidenen, die leden van het Gode vijandige wereldrijk zijn, en door het gericht daarover tot kennis van den levenden God komen, verkondigd; eveneens was toch in het voorgaande ook het gericht der vernietiging over het gehele land Chadrach alleen aan Tyrus in ‘t bijzonder volvoerd. Vragen wij naar de vervulling van deze voorzegging van het gericht over het land Chadrach en zijne delen, zo ligt het voor de hand, aan den zegenrijken veroveringstocht van Alexander den Grote, door de genoemde landen, Syrië, Fenicië, Filistea en het overige Perzië te denken. Na den slag bij Issusin Cilicië zond Alexander Parmenio met ene legerafdeling naar Damascus, om deze gewichtige hoofdstad van Coele-Syrië, waarheen Darius zijne schatten had geborgen, te winnen. De onderneming gelukte. Op dezen tocht, welke door het dal van Orontes ging, moest ook Hamath worden veroverd. Alexander zelf trok van Cilicië direct naar Fenicië. Zidon en de overige Fenicische steden gaven zich vrijwillig aan hem over; alleen Tyrus meende in vertrouwen op hare onneembare ligging midden in de zee bij den strijd tussen Alexander en de Perzen, neutraal te kunnen blijven. Toen echter Alexander met gene neutraliteit tevreden was, en om zijn voorgenomen tocht naar Egypte niet tevreden kon zijn, besloot Tyrus tot ernstigen tegenstand, en Alexander moest tot ene formele belegering en bestorming van Tyrus overgaan. Zeven meenden duurde de belegering, gedurende welken tijd Alexander nu en dan een strooptocht van verscheidene dagen op den Libanon ondernam. Eerst na ontzaglijke inspanningen kon hij het trotse Tyrus meester worden, maar nu moest het ook voor zijne vermetelheid zwaar boeten: 8. 000 Tyriërs werden gedood, 30. 000 in slavernij verkocht, de stad zelf echter niet geheel verwoest. Van Tyrus trok Alexander naar Filistea, waar hij weer ene grote stremming van zijnen zegetocht had. Gaza, op enen heuvel gelegen en moeilijk te veroveren, bood onder den dapperen Baëtis enen even wanhopigen tegenstand als Tyrus. Wederom werd Alexander maanden lang door de belegering ener stad opgehouden, en hierdoor zijn toorn opgewekt; toen het hem daarom eindelijk door herstelling van een dam en het aanleggen van mijnen gelukt was, Gaza te veroveren, kende zijne wraak gedurende een ogenblik gene grenzen meer; 10. 000 Perzen en Arabieren vielen, en de heldhaftige Baëtis werd levend om de veroverde stad gesleept. Nu was voor Alexander de weg naar Egypte en tot het heiligdom van Zeus Ammon in de Lybische woestijn geopend. Toen hij van daar terugkeerde om het Perzische rijk geheel te vernietigen, trok hij naar Tyrus en van daar direct naar Tapsakus aan den Eufraat. Waarschijnlijk kwam hij op dezen tocht nu ook persoonlijk naar Damascus. Toch kan deze zegerijke veroveringstocht van Alexander door het Perzische rijk slechts voor het begin der vervulling van onze profetie worden gehouden. Want het hoogst gewichtige stuk daarvan, dat de volken in hun overblijfsels ten gevolge der over hen gekomene gerichten, zich tot den Heere zullen bekeren, en het volk Gods zullen worden ingelijfd, is door den druk van Alexanders krijgsmacht niet vervuld. De vervulling kwam meer door de ellenden van den Diadochenstrijd, den strijd tussen de Egyptenaren, Syriërs en Romeinen, totdat de heidense volken binnen Israëls grenzen als afzonderlijke volken geheel verdwenen, en hun overblijfsels in de Christelijke gemeente, het ware volk van God, werden opgenomen. Onze profetie zal echter eerst dan volkomen worden vervuld, wanneer alle wereldrijken zullen overwonnen zijn, het gehele heidendom zal verdelgd wezen, de volheid der heidenen in het rijk Gods zal zijn ingegaan en Christus rijk de volkomene overwinning zal hebben behaald.
En Ik zal Mij te dier tijd, als het overblijfsel der Heidenen zich tot Mij zal bekeerd hebben, rondom Mijn huis, Mijne heilige gemeente of Mijn rijk, dat dan uit bekeerde Joden en Heidenen bestaan zal, legeren, vanwege het heirleger, vanwege die doorgaande, en van wege den wederkerende, tegen krijgslegers, dat zij niet meer doortrekken en terugkeren, opdat de drijver, wie hij ook zij, als eens Egypte, Assur, Babel en nu Hadrach, niet meer door hen, door de leden van Mijn rijk als tot hiertoe met overmoedig geweld en met vijandschap doorga; want nu heb Ik het met Mijne ogen aangezien 1), hoe Mijn volk onder dien druk moet zuchten, en het is Mij ter harte gegaan om hen te helpen.
God zal Zijn volk onder Zijne bijzondere bescherming nemen, en daarom hun naburen verzwakken, opdat het niet in hun macht zij, hen kwaad te doen. Gods Huis ligt in het midden van eens vijands land en Zijne kerk is als een lelie onder de doornen, en daarom moeten Gods macht en goedheid in de bijzondere bewaring derhalve opgemerkt worden.
Dat alles zal Ik teweegbrengen door de zending van Mijnen Gezalfde, dien Ik u (Jes. 9:5 v. Micha 5:1 vv.) beloofd heb. Verheug u dan zeer, gij dochter Zions, inwoners van Jeruzalem en in u geheel Israël! Juich dan gij dochter Jeruzalems over de grootheid van het heil, dat uw deel werd! Ziet, reeds staat het voor uwe ogen. Uw beloofde Koning en Verlosser zal u tot redding komen, in volle waarheid rechtvaardig, en die daarom ook volkomene gerechtigheid kan oefenen (Jes. 1:1-4. Jer. 23:5 v. 33:16 v.), en Hij is een Heiland (woordelijk: een, dien God tot overwinning zal helpen tegen alle vijanden van Zijn rijk, zodat zij tot ene voetbank zijner voeten moeten worden (Jes. 53:8, 10-12. Ps. 110:1); en toch Hij is arm, neergedrukt en vol lijden, als die de zonden van Zijn volk draagt, en Zijn leven tot een zoenoffer voor velen geeft (Jes. 53), enten teken Zijner nederigheid rijdende op enen ezel, en (namelijk) op een veulen, een nog onbereden jong der ezelinnen. Hieruit kan ieder zien, dat Zijn rijk niet van deze wereld is, en dat ieder, die daaraan aandeel wil hebben, ook nederig en gering moet worden. Zonder pracht en pronk rijdt hij op enen ezel, hij zelf een beeld van ootmoed en zachtmoedigheid, waarin wij duidelijk de dierbare trekken herkennen van Hem, die in hetzelfde afbeeldsel van goddelijke zelfvernedering deze voorzegging vervulde. ” Op Zijne laatste reis naar Jeruzalem richtte Jezus Zijn intocht in deze stad zo in, dat onze voorzegging onmiskenbaar vervuld werd (vgl. Matth. 21:2 vv. Mark. 11:2 vv. Luk. 19:30 vv. Joh. 12:14 vv.). De nauwkeurige overeenstemming der profetie met de vervulling, stelt vooral Mattheüs op den voorgrond, daar hij niet alleen het ezelsveulen, waarop Jezus reed, maar ook de ezelin, welke het veulen naliep, vermeldt, terwijl Johannes alleen het veulen noemt, waarop Jezus heeft gezeten, en beide Evangelisten zeggen, dat daardoor de voorzegging is vervuld zoals de discipelen eerst na de opstanding des Heeren hadden opgemerkt. “Jezus wilde door op deze wijze Jeruzalem binnen te trekken, vóór Zijn lijden des doods voor het volk uitspreken, dat Hij de voorspelde Koning was, die in geringheid komende, door lijden en sterven Zijn rijk zou stichten, om de vleselijke verwachtingen des volks omtrent het wereldlijk karakter van het Messiaanse rijk te niet te doen. De vervulling, welke Jezus daardoor aan onze profetie gaf, is niet in deze uitwendige overeenstemming van Zijne handelwijze met de woorden van den Profeet te zoeken; dit doen van Jezus was zelf slechts ene belichaming van de gedachte, welke aan de profetie ten grondslag lag, dat het rijk van den Messias zich door nederigheid en lijden tot macht en heerlijkheid zou ontwikkelen, dat Jezus als de beloofde Messias niet door wapengeweld de wereld zou veroveren, en Zijn volk tot staatkundige heerschappij zou verheffen, maar door lijden en sterven Zijn rijk zou stichten, een rijk, dat niet van deze wereld, toch in deze wereld zou overwinnen. Zo vormt deze intocht van Christus in Jeruzalem slechts het begin van de vervulling onzer profetie, in ‘t bijzonder in dat opzicht, dat deze intocht het begin vormt van de oprichting van Zijn rijk, daar het bij de Joodse oversten het besluit om Hem te doden, tot rijpheid bracht, en Zijn lijden en sterven noodzakelijk was, om de zondige wereld met God te verzoenen en het fondament des vredes te herstellen, waarop Zijn rijk zou worden opgebouwd. Met de uitbreiding van dit rijk over de aarde (vs. 10) wordt de vervulling tot vernietiging van alle anti-goddelijke machten voortgezet, na welke alle strijd zal ophouden. Er is veel over gestreden, of de ezel, op welken de Koning tot Zijn volk zal komen, een beeld is van Zijne vredelievendheid of van Zijne geringheid en ootmoed. Maar, daar het rijden op het veulen ener ezelin zeker de bedoeling van versterking heeft, doch niet grotere vredelievendheid, maar wel diepere vernedering kan betekenen, daar verder ook het paard een zeer vreedzaam dier is, en de ezel in de oudheid ook veel in den oorlog werd gebruikt, en daar eindelijk sedert de tijden van Salomo tengevolge van het invoeren der paardenteelt, de ezel door voornamen en vorsten nooit meer werd gebruikt om te rijden, maar alleen muilezels en paarden, zo is het beter en veiliger het rijden op den ezel, en wel op een ezelsveulen, hier als een teken van diepe nederigheid en ootmoed op te vatten, te meer daar het voorafgaande predikaat van den Koning ene dergelijke gedachte bezat. Het Hebr. ani betekent “ellendig, nederig, lijden, ” maar heeft in de Heilige Schrift altijd het nevenbegrip van den zachtmoedigen geest, hetwelk Mattheüs vooral op den voorgrond stelt en noemt alsof er anaw stond. Het vertoont ook veel van de heerlijkheid van Christus Koninkrijk, en het brengt ook veel toe tot bemoediging van Zijne onderdanen, dat Hij een arm en zachtmoedig Koning is, die Zich voegen wil naar den geringsten toestand van Zijn volk, dat Hij gemakkelijk om mede te handelen is, en niet licht vertoornd wordt, dat Hij niet ganselijk twist, maar dat tot Hem een gemakkelijke toegang is, en dat Hij meer teder met de Zijnen handelen zal. Hij is een rechtvaardig regeerder, alle Zijne daden van regering zullen nauwkeurig, naar de regelen van billijkheid zijn, want Hij is rechtvaardig. Hij is een machtig beschermer voor alle degenen, die Hem geloven en ware verbintenis toedragen. Want Hij heeft heil; Hij heeft het in Zijn macht; Hij heeft het om aan alle Zijne onderdanen te schenken; Hij is de God des heils; schatten van heil zijn in Hem.
En ja nederig en gering, maar naar de wijze van aardse koningen, zal Zijne verschijning zijn. Niet op aardse wijze zal Hij Zijn rijk stichten, maar Ik zal door Hem de krijgswagens, in welke rijken der wereld hun sterkte zoeken, uit Efraïm, het vroegere noordelijke rijk, uitroeien, en de oorlogspaarden uit Jeruzalem, de hoofdstad van het vroegere rijk van Juda, dat dan weer met Efraïm verenigd zal zijn; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij, de toekomstige Koning, zalalle twisten onder de volken bijleggen, en den Heidenen, onder welke Hij Zijne vrederijk opricht (Micha 4:3), vrede spreken, en Zijne heerschappij zal zich allengs uitbreiden, en zijn van zee tot aan zee, en van de rivier, den Eufraat, de uiterste grens van het heilige land in het oosten, tot aan de einden der aarde (Ps. 72:8).
Krijgswagenen en paarden uitroeien is hetzelfde als zorgen, dat er geen oorlogen meer zouden komen. De ezel is het rijdier des vredes, het paard dat des oorlogs. De Heere voorspelt hiermede den tijd van geestelijken vrede. Ook hier ziet de Profeet tot aan de einden der eeuwen. Wat van den theokratischen Koning was voorspeld, wordt ook hier, gelijk in Ps. 72, overgebracht op den Messias. Hij zal een algemeen Koning zijn. Hij zal niets van Zijn recht afgeven. Hoe zij ook Hem mogen tegenstaan, Hij zal eindelijk zegevieren. Als eenmaal der tijden tijd vervuld is, zal Hij op Zijn dij hebben geschreven: Heere der Heeren en Koning der Koningen.
Maar nog groter zal Mijne genade aan u worden bewezen. U ook aangaande, o Zion! door
het bloed uws verbonds, om het verzoenend bloed, waarop uw verbond met Mij aan den Sinaï (Ex. 24:8) voorafbeeldend, en door uwen Verlosser vervullend gegrond is, heb Ik uwe gebondenen, die, als uw Koning tot u zal gekomen zijn, nog in de ellende der dienstbaarheid onder de Heidenen smachten, uit den kuil, uit verstrooiing en ballingschap, waarin zij moesten versmachten, daar geen water in is, zo als men zulke waterloze cisternen dikwijls voor gevangenissen heeft gebruikt, uit gelaten.
Matth. 26:28. 1 Kor. 11:25. 9:19, 20, 21. “Het bloed des verbonds van Zion” wijst zowel achterwaarts als voorwaarts. Nadat het verbond op Sinaï was gesloten, had Mozes het volk met het bloed der geofferde dieren gesprengd, met de woorden: “Dit is het bloed des verbonds, hetwelk de Heere met ulieden gemaakt heeft over al die woorden” (Ex 24:8). Dit verbondsbloed was het onderpand des verbonds waardoor de Heere Zijn volk, dat Hij uit Egypte had verlost, tot gehoorzaamheid verbond, maar ook Zich als Zijn Koning en Verlosser voor de toekomst met hen verbond. Daarop wijst Zacharia achterwaarts. Maar dit bloed des verbonds van de offerdieren had toch alleen typische betekenis, en in dit bloed zelf lag gene verlossende kracht. “Door het bloed des verbonds” kon dus toch slechts ene verzwakte betekenis hebben: “om des verbonds wil, dat door bloed geheiligd is. ” Dat verbond was ook zeer dikwijls verbroken, en niet door nieuw offerbloed, maar alleen door de boete des volks opnieuw geheiligd. Daarentegen wist Zacharia, dat God een nieuw verbond, een beter, dan het oude, beloofd had. (Jer. 31:31-34). Hij wist ook, dat dit nieuwe verbond door het verlossende schuldoffer van de heilige kracht Gods zou geheiligd worden (Jes. 53:10). En hij laat het daarom wel in de woorden onbepaald, welk verbondsbloed hier zal gemeend zijn, maar hij ziet in den geest toch reeds vooruit op het waarlijk krachthebbend verbondsbloed, door hetwelk de gevangenen Israëls werkelijk uit zonde en ellende, uit de gevangenis en de boeien des satans zullen gered worden. Want deze profetie is door den laatsten (Messiaansen) tijd, en alles, wat daarvan op vroegere dagen kan worden toegepast, is gene volledige vervulling maar slechts typisch onderpand daarvan. Dat bloed des verbonds aan den Sinaï heeft op zich zelf gene zelfstandige betekenis, maar eerst het bloed van Christus, als van het eeuwig zoenoffer, welks plaats het volgens Gods beschikking in den tijd van de afschaduwing der eeuwige goederen zou innemen, zodat ieder, die met waar berouw en levendige gehoorzaamheid des geloofs dat voorafbeeldende verbondsbloed aangreep, ook aan het Nieuw Testamentische verbondsbloed der toekomst geloofde, en daardoor had, wat hij moest verwerven, namelijk vergeving der zonden. Wanneer alzo Zacharia zegt: “door het bloed uws verbonds, ” bedoelt hij zeker in de eerste plaats het bloed van den Sinaï, maar alleen als staande in de plaats van het ware bloed der verzoening, en dus dit in zich bevattende, en zonder twijfel bestaat in zijne gedachten een inwendig verband tussen de nederigheid van den Koning, die komt (vs. 9), en het zo veel uitwerkende verbondsbloed van ons vers. Wanneer God met Zijn volk in een verbond treedt, dan neemt Hij al hun uitwendige noden op Zich, Zichzelven verbindende, om zowel in deze dingen voor hen te zorgen als in geestelijke dingen, en dus komen dan al hun weldaden door het verbond. Want het is door het verbond, dat de gebondenen worden uitgelaten. De weldaden der Kerk zijn niet alleen rijk en verkwikkelijk in zichzelve, maar ook in hun oorsprong, als die uit en door een verbond van liefde voortkomen, en dat het verbond aangaande dezelve is bevestigd door het bloed van Christus.
Dan zal Ik hen toeroepen: Keert 1) gijlieden weer tot de sterkte, welke uw God en Heiland gebouwd heeft, tot Jeruzalem, de hooggebouwde, voor alle Heidenen toegankelijke stad, gij gebondenen, die daar hoopt 2), dat u om het vergoten verbondsbloed ene verlossing zal ten deel worden, en nu ook naar de vervulling dier hoop hebt verlangd! ook heden verkondig Ik, dat Ik u voor het doorgestane lijden dubbel zal wedergeven3) (Jes. 61:7).
In deze opwekking om weer te keren uit de verstrooiing onder de heidenen, is tevens de opwekking van volkomene terugkering der harten tot den Heere opgesloten, daar toch dit terugkeren alleen kon leiden tot het genieten der beloften van den laatsten tijd.
“Gebondenen, die daar hoopt” (of “gebondenen der hoop, ” of “gij, wier hoop geboeid is”) noemt hij diegenen, die op de verlossing hoopten en als Simeon daarop wachtten (Luk. 2). Zij hadden toch de beloften Gods in den Profeet, dat zij door Christus verlost zonden worden. Zo zijn nu “gebondenen, die hopen” alle degenen, die aan hun werken twijfelen, en door de wet verootmoedigd in de erkentenis hunner zonden zijn. Want de hovaardige heiligen, die door werken der wet vroom en rechtvaardig willen zijn, zijn gene gebondenen, die hopen, want zij wachten op gene verlossing. Hun gaat ook het bloed van dit Testament niet aan, ja zij zijn geheel vrij en ongebonden, laat staan dan dat zij gevangenen der hope zouden zijn. Desgelijks, die met leringen en werken der mensen omgaan, zijn ook heilig en vrij, zij hebben deze vesting in ‘t geheel niet nodig, want zij zijn reeds gerust, en wonen in vrede. Maar wij, arme zondaars, die door Gods wet worden gedreven, zodat wij gevoelen, wat zij eist, doch niets hebben noch vermogen, en alzo met zonden voor God worden overladen, met een angstig, versaagd, kwaad geweten, en alzo erkennen, dat wij om der zonden wil des doods moeten zijn, en dus in deze ellendige gevangenis moeten liggen, deze zijn gevangenen der hope, want wij wachten op verlossing, niet door ons werk, maar door het bloed des Testaments.
Dubbel wedergeven, wil zeggen, op veelvuldige wijze wedergeven. Want wel is het volkomen waar, dat in Christus elke weldaad dubbel is, zowel in zichzelve, als in de verwerving er van, maar als hier van dubbel wordt gesproken, dan wil de Heere zeggen, dat, als Hij overvloedig is geweest in het oefenen Zijner rechtvaardigheid, Hij nog veel overvloediger zal zijn in het oefenen Zijner barmhartigheid en ontferming.
Ik zal u niet alleen weer tot een vrij zelfstandig volk maken, maar u ook de overwinning geven over de macht der wereld. Dat zult gij aanschouwen, als Ik Mij Juda den boog zal gespannen. en Ik Efraïm den boog zal gevuld 1), als een pijl daarop gelegd zal hebben, zodat Ik door dit Mijn gehele volk Mijne vijanden overwonnen zal hebben, en Ik uwe kinderen, Juda en Efraïm, o Zion! zal verwekt hebben ten zegenrijken strijd, tegen uwe kinderen, o Griekenland! namelijk tegen de vijandige wereldmacht van het Macedonisch-Grieksche wereldrijk, dat op het Perzische zal volgen (Dan. 8:21), als in ‘t algemeen over de wereldmacht, en als Ik, u, o Mijn volk in dien tijd met Gods kracht zal toerusten tot den strijd, en u gesteld zal hebben als het zwaard van enen in den strijd beroemden held. Zonder twijfel heeft hier Zacharia de rijken van Alexander en van zijne opvolgers in ‘t bijzonder der Seleuciden in Syrië op het oog. In de oorlogen der Makkabeërs tegen het vijandelijke rijk der Seleuciden, vooral tegen Antiochus Epifanes, begon deze voorzegging tot vervulling te komen; toch mag zij daartoe niet worden beperkt, daar dadelijk het volgende vers het oog op de gehele wereldmacht en hare overwinning door het rijk des Heeren Jezus Christus uitbreidt. Beter: Want Ik span mij Juda als een boog, en vul hem met Efraïm. De Heere wil hiermede zeggen, dat Juda en Efraïm het ongedeelde volk in Zijn hand is als een boog en pijl, om door hen de wereldmacht Griekenland te treffen.
En de HEERE zelf zal tot dezen strijd tegen de wereldmacht als aanvoerder van Zijn volk, en als de rechte krijgsman in majesteit en heerlijkheid, omgeven van alle heilige Engelen, van den hemel over henlieden verschijnen (Openb. 19:11 vv.), en Zijne pijlen zullen uitvaren a) als een bliksem, en zeker treffen tot gehele vernietiging, Zijner vijanden (Hab. 3:11); en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en strijdende aan hun hoofd hun het teken tot den slag geven, en Hij zal dan met vreselijk verwoestend geweld op de vijanden losstormen en voorttreden met stormen uit het zuiden, even als de verwoestende, op het hevigst woedende stormen, welke van het zuiden af uit de Arabische woestijn komen (Jes. 21:1. (Hab. 3:8 vv.)
Nah. 2:4.
De HEERE der heirscharen zal niet alleen voor hen strijden, maar hen, ook beschutten, en zij zullen niet alleen gene schade lijden, naar integendeel zelf de vijanden verdelgen, als verscheurende leeuwen, die het vlees van hunnen buit eten (Num. 23:24), nadat zij de slingerstenen zullen te ondergebracht hebben (liever: als slingerstenen, even als wanneer men weerloze stenen op den weg onder de voeten treedt); zij zullen ook het bloed der vijanden drinken tot dronken worden toe, en in zegegejubel een gedruis maken als de dronkenen van wijn: en zij zullen van bloed geheel vervuld worden, gelijk het offerbekken, waarin het bloed der offerdieren wordt opgevangen, gelijk de hoeken des altaars, tegen welke het bloed in het offerbekken gesprengd wordt (Lev. 1:5, 11). Duidelijk zijn de oorlogen, welke ons hier zijn geschilderd, de laatste beslissende oorlogen tussen de wereldmacht en het rijk of de gemeente van Christus in den laatsten tijd, wanneer het geheim der boosheid evenals de heiliging der verloste gemeente zal voltooid zijn; in de Openbaring van Johannes worden zij ons nader beschreven. Alzo zijn het ook gene zuiver geestelijke, maar waarachtig heilige, doch bloedige oorlogen der Christenen tegen het Anti-Christelijke leger onder aanvoering van den in heerlijkheid weer verschenen Heere Jezus Christus.
En de HEERE, hun God, zal ze te dien dage behouden, en nadat zij hun vijanden hebben vertreden, tot volle heerlijkheid brengen, als zijnde de kudde Zijns Volks, daarom zal Hij hen alle goederen der genade geven, welke Hij in Ps. 23 heeft beloofd; want gekroonde stenen zijnhet, Zij zullen in Zijn land, als ene banier, opgericht worden 1), kolommen met kransen versierd zullen als trofeën opgericht worden.
In het Hebr. Ki abnee-nezer mithnooescoth al-admatho. Beter: Want kroonstenen zijn het, schitterend op zijn land. De Heere wil hiermede zeggen, dat Israël tot de grootste heerlijkheid zal komen. Kroonstenen zijn edelgesteenten, en deze fonkelen en schitteren van ongemenen glans. Zo zou Israël ook zijn. Dit geldt in de hoogste mate voor het geestelijk Israël. Schitteren zullen zij, als de Heere hen bekleedt met Zijn heil en hen plaatst in het licht zijner gerechtigheid en genade.
Ja fonkelende stenen zullen zij dan zijn, want hoe groot zal zijn goed, des volks welvaart, wezen! en hoe groot zal zijne schoonheid wezen, tot welke de rijkdom van de genadegiften des Heeren hen dan zal verheffen! het koren zal de Heere hun in overvloed geven; het zal de jongelingen, en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken. De overvloed van de zegeningen des Heeren, den goeden Herder, die Zich over Zijne kudde heeft ontfermd, zal het gehele volk vernieuwen, en tot ene steeds bloeiende schare van jongelingen en jonkvrouwen doen opwassen. Hierin ligt een voorgevoel van den maaltijd des Heiligen Avondmaals, zo rijk in genade verborgen. Dat is een zeldzaam Koning, die niet andere doet, dan dat Hij brood en wijn opdraagt, en daardoor niet alleen de Zijnen vergadert, maar ook een sterk volk kweekt, beide mans- en vrouwspersonen. Het is duidelijk, dat Zacharia hier dieper in de geheimen van het Nieuwe Testament heeft ingezien, dan enig Profeet vóór hem. In het Nieuwe Testament worden zij in de gemeenschap der genade opgenomen, terwijl men onder het Oude de Filistijnen en alle heidenen vermeed. Onder het Oude ging het moeilijk en angstvol, hier bevrijdt het nabijzijn des Heeren van de vreze, welke pijn heeft. Daar streden Efraïm en Jeruzalem, d. i. het gehele Israël met wagens, paarden en bogen, hier met geestelijke wapenen, met woorden Gods, welke geest en leven zijn. Daar waren de beste lieden als gevangenen, die in de groeve der dienstbaarheid waren, in welke geen water der vertroosting was. Zij hielden zich wel in geloof aan de beloften vast; maar van de uitwendige regels, waaronder zij gevangen waren (Gal. 4:3), van de wet, waaronder zij waren bewaard en besloten (Gal 3:23), hadden zij geen troost; hier echter is de kracht des Nieuwen Verbonds de wijsheid; hier is een genadestaat, welke aan ene veilige en hoge vesting gelijkt; hier is een rijk genot der genade en der genademiddelen; hier zijn heilige overwinningen; hier wordt men vol des Geestes; hier heeft men een hemelsen maaltijd op aarde.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel