Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Wederom hiefH5375 ik mijn ogenH5869 op, en ik zagH7200; en zietH2009, er was een manH376, en in zijn handH3027 was een meetsnoerH4060.
Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer.
KJV
I lifted up1
mine eyes3
again, and looked,4
and behold a man
with a measuring
line
in his hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
En ik zeideH559: WaarH834 gaat gij henen? En hij zeideH559 totH413 mij: Om JeruzalemH3389 te metenH4058; om te zienH7200, hoeH4100 groot haar breedteH7341, en hoeH4100 groot haar lengteH753 wezen zal.
En ik zeide: Waar gaat gij henen? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal.
KJV
Then said1
I, Whither goest
thou? And he said8
unto me, To measure
Jerusalem,18
to see
what6
is the breadth
thereof, and what is the length
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En zietH7200, de EngelH4397, Die met mij sprakH1696, ging uit; en een andere EngelH4397 ging uit, hem tegemoetH7125.
En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet.
KJV
And, behold, the angel
that talked
with me went forth,
and another
angel
went out
to meet
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En hij zeideH559 tot hem: LoopH7323, spreekH1696 dezenH1975 jongelingH5288 aanH413, zeggendeH559: JeruzalemH3389 zal dorpsgewijzeH6519 bewoondH3427 worden, vanwege de veelheidH7230 der mensenH120 en der beestenH929, die in het middenH8432 derzelve wezen zal.
En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal.
KJV
And said1
unto him, Run,
speak
to this
young man,
saying,6
Jerusalem
shall be inhabited
as towns without walls
for the multitude
of men
and cattle
therein:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En Ik zal haar wezen, spreektH5002 de HEERE, een vurigeH784 muurH2346 rondomH5439; en Ik zal tot heerlijkheidH3519 wezen in het middenH8432 van haar.
En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
For I, saith
the LORD,
will be unto her a wall
of fire
round about,
and will be the glory
in the midst
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
HuiH1945, huiH1945, vliedtH5127 toch uit het NoorderlandH776, spreektH5002 de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreidH6566 naarH413 de vierH702 windenH7307 des hemelsH8064, spreektH5002 de HEERE.
Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.
KJV
Ho,
ho,
come forth, and flee
from the land
of the north,
saith
the LORD:
for I have spread you abroad
as the four
winds
of the heaven,
saith
the LORD.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
HuiH1945, SionH6726! ontkomtH4422 gij, die woontH3427 bij de dochterH1323 van BabelH894!
Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel!
KJV
Deliver
thyself, O
Zion,
that dwellest
with the daughter
of Babylon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Want zo zegtH559 de HEERE der heirscharenH6635: Naar de heerlijkheidH3519 over u, heeft Hij mij gezondenH7971 tot die heidenenH1471, die ulieden beroofdH7997 hebben; want die ulieden aanraaktH5060, die raaktH5060 Zijn oogappelH892 aan.
Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
KJV
For thus saith1
the LORD
of hosts;
After
the glory
hath he sent
me unto the nations
which spoiled
you: for he that toucheth
you toucheth
the apple
of his eye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Want ziet, Ik zal Mijn handH3027 over henlieden bewegenH5130, en zij zullen hunnen knechtenH5647 een roofH7998 wezen. Alzo zult gijlieden wetenH3045, dat de HEEREH3068 der heirscharenH6635 mijH589 gezondenH7971 heeft.
Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen mij gezonden heeft.
KJV
For, behold, I will shake
mine hand
upon them, and they shall be a spoil
to their servants:
and ye shall know
that the LORD5
of hosts
hath sent
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
JuichH7442 en verblijdH8055 u, gij dochterH1323 SionsH6726; wantH3588 zie, Ik komH935, en Ik zal in het middenH8432 van u wonenH7931, spreektH5002 de HEEREH3068.
Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.
KJV
Sing
and rejoice,
O daughter
of Zion:
for, lo, I come,
and I will dwell
in the midst
of thee, saith6
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
En veleH7227 heidenenH1471 zullen te dien dageH3117 den HEERE toegevoegdH3867 worden, en zij zullen Mij tot een volkH5971 wezen; en Ik zal in het middenH8432 van u wonenH7931; en gij zult wetenH3045, dat de HEERE der heirscharenH6635 mij tot u gezondenH7971 heeft.
En vele heidenen zullen te dien dage den HEERE toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de HEERE der heirscharen mij tot u gezonden heeft.
Ook in dit vers
HEEREH3068
KJV
And many
nations
shall be joined
to the LORD
in that day,
and shall be my people:
and I will dwell
in the midst
of thee, and thou shalt know
that the LORD
of hosts
hath sent
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Dan zal de HEEREH3068 JudaH3063 ervenH5157 voor Zijn deelH2506, in het heiligeH6944 landH127, en Hij zal JeruzalemH3389 nog verkiezenH977.
Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
KJV
And the LORD4
shall inherit
Judah
his portion
in the holy
land,
and shall choose
Jerusalem
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
ZwijgH2013, alle vleesH1320, voor het aangezichtH6440 des HEERENH3068! wantH3588 Hij is ontwaaktH5782 uit Zijn heiligeH6944 woningH4583.
Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.
KJV
Be silent,
O all flesh,
before
the LORD:12
for he is raised up
out of his holy
habitation.
een man,
Te weten, de engel, die Christus was, in de gedaante van een man, gelijk blijkt onder vs.3, en Zach. 1:8 . Zie Ezech. 40:3 , en Eseg. 41, 42; Openb. 11:1-2 .
Hertaald:
een man,
Namelijk de Engel Die Christus was, in de gedaante van een man, zoals blijkt uit vers 3 en Zach. 1:8. Zie Ezech. 40:3 en Ezech. 41, Ezech. 42; Openb. 11:1-2.
Om Jeruzalem te meten;
Dat is, om te ordineren hoe groot, wijd en breed Jeruzalem wezen zou, hetwelk in het kort zou herbouwd worden; zie Ezra 6:3 .
Hertaald:
Om Jeruzalem te meten;
Dat is: om vast te stellen hoe groot, wijd en breed Jeruzalem zou zijn, dat binnenkort herbouwd zou worden; zie Ezra 6:3.
de engel,
Zie Zach. 1:9 .
Hertaald:
de engel,
Zie Zach. 1:9.
met mij sprak,
Of, in mij.
Hertaald:
met mij sprak,
Of: in mij.
ging uit;
Te weten, van onder de mirten, waar Hij gestaan had, Zach. 1:8, om nabij met mij te spreken.
Hertaald:
ging uit;
Namelijk van onder de mirten, waar Hij gestaan had, Zach. 1:8, om dichtbij met mij te spreken.
een andere engel
Te weten, een van die geschapen engelen, die achter Christus stonden, zie Zach. 1:8.
Hertaald:
een andere engel
Namelijk een van de geschapen engelen die achter Christus stonden, zie Zach. 1:8.
ging uit,
Te weten, uit den hoop der engelen naar de plaats toe, die hij meten zou.
Hertaald:
ging uit,
Namelijk uit de groep engelen, naar de plaats die hij zou meten.
hij zeide
Te weten, Christus de Heere.
Hertaald:
hij zeide
Namelijk Christus de Heere.
tot hem
Te weten, tot dien geschapen engel.
Hertaald:
tot hem
Namelijk tot die geschapen engel.
dezen jongeling aan,
De profeet bedoelt zichzelven, die toen nog een jong man was. Of een jongeling is hier te zeggen een dienstknecht, gelijk dan ook bedaagde personen aldus genoemd worden; Ex. 33:11 ; Num. 11:27 ; 1 Kon. 11:28 ; 2 Kon. 4:12 , en 2 Kon. 19:6 .
Hertaald:
dezen jongeling aan,
De profeet bedoelt zichzelf, die toen nog een jonge man was. Of: een jongeling betekent hier een dienstknecht, zoals ook mensen op leeftijd zo genoemd worden; Ex. 33:11; Num. 11:27; 1 Kon. 11:28; 2 Kon. 4:12 en 2 Kon. 19:6.
dorpsgewijze bewoond worden,
Dat is, zonder muren, dewijl men de zeer grote menigte der mensen met geen muren zal kunnen omvangen noch besluiten. Anders Jeruzalem zal de dorpen bewonen; dat is, die van Jeruzalem zullen vanwege de menigte der mensen, ook in de dorpen zich metterwoon moeten begeven. Doch men moet dit verstaan gesproken te zijn van de grote menigte der mensen, die in Christus geloven en zich onder zijn geestelijk rijk begeven zouden, want de algemene kerk zou zich strekken door de ganse wereld; zie Jes. 54:1-3 , en Jes. 60:4 , Jes. 60:11 .
Hertaald:
dorpsgewijze bewoond worden,
Dat is: zonder muren, omdat men de zeer grote menigte mensen met geen muren zal kunnen omvatten of insluiten. Anders: Jeruzalem zal de dorpen bewonen; dat is: de inwoners van Jeruzalem zullen zich vanwege de menigte mensen ook in de dorpen moeten vestigen. Maar men moet verstaan dat dit gezegd is over de grote menigte mensen die in Christus zouden geloven en zich onder Zijn geestelijke rijk zouden begeven, want de algemene kerk zou zich over de hele wereld uitstrekken; zie Jes. 54:1-3 en Jes. 60:4, Jes. 60:11.
der beesten,
Verg. Jer. 31:27 .
Hertaald:
der beesten,
Vergelijk Jer. 31:27.
een vurige muur rondom;
Dat is, Ik zal hen alzo beschutten dat hunne vijanden hen niet zullen kunnen genaken, en zo er iemand is, die hen zou willen aantasten, die zal als met vuur verteerd en vernield worden. Verg. Jes. 26:1 , en Jes. 60:18-19 ; Jer. 15:20 ; verg. ook Ps. 125:2 , en 2 Kon. 6:17 .
Hertaald:
een vurige muur rondom;
Dat is: Ik zal hen zo beschutten dat hun vijanden hen niet zullen kunnen naderen; en als iemand hen zou willen aanvallen, zal die als door vuur verteerd en vernietigd worden. Vergelijk Jes. 26:1 en Jes. 60:18-19; Jer. 15:20; vergelijk ook Ps. 125:2 en 2 Kon. 6:17.
Ik zal tot heerlijkheid wezen
Dat is, Ik zal hun tot eer en heerlijkheid gereiken; Ik zal de burgers en inwoners dier stad of gemeente met vele en grote weldaden vereren en begenadigen.
Hertaald:
Ik zal tot heerlijkheid wezen
Dat is: Ik zal hun tot eer en heerlijkheid strekken; Ik zal de burgers en inwoners van die stad of gemeente met veel grote weldaden vereren en begenadigen.
Hui, hui,
Of, hei, hei, of, ho, ho, of, o, o. Alzo ook vs.7.
Hertaald:
Hui, hui,
Of: hei, hei, of: ho, ho, of: o, o. Zo ook vers 7.
vliedt toch
Eene aanspraak aan de Joden, die nog in Babylonië bleven. De zin is: Verlaat haastelijk het tegenwoordige gevaar, en hetgeen den Babyloniërs over het hoofd is hangende, en vervoegt u bij Gods gemeente. Zie Jes. 48:20 .
Hertaald:
vliedt toch
Een aanspraak tot de Joden die nog in Babylonië bleven. De betekenis is: verlaat haastig het tegenwoordige gevaar en wat de Babyloniërs boven het hoofd hangt, en voeg u bij Gods gemeente. Zie Jes. 48:20.
uit het Noorderland,
Dat is, uit Babylonië, hetwelk aan het land van Juda tegen het noorden lagf. Zie Jer. 6:22 , en Jer. 16:15 .
Hertaald:
uit het Noorderland,
Dat is: uit Babylonië, dat ten noorden van het land Juda lag. Zie Jer. 6:22 en Jer. 16:15.
want Ik heb ulieden uitgebreid
Of, dewijl Ik ulieden [die als een vogeltje in een kooi zijt besloten geweest] nu uit die Babylonische gevangenschap heb verlost, alzo dat gij in het vrije veld moogt reizen en trekken waarheen het u belieft. Of, gelijk Ik ulieden voordezen in vier winden of gewesten der wereld verstrooid heb, alzo zal Ik u ook weder verzamelen en bij elkander brengen.
Hertaald:
want Ik heb ulieden uitgebreid
Of: omdat Ik u — die als een vogeltje in een kooi opgesloten geweest bent — nu uit die Babylonische gevangenschap verlost heb, zodat u in het vrije veld mag reizen en trekken waarheen u wilt. Of: zoals Ik u vroeger in de vier winden of streken van de wereld verstrooid heb, zo zal Ik u ook weer verzamelen en bijeenbrengen.
naar de vier winden des hemels,
Dat is, zo wijd als de vier winden strekken. Anders: als de vier winden des hemels of in de vier winden. Verg. Ezech. 17:21 .
Hertaald:
naar de vier winden des hemels,
Dat is: zo wijd als de vier winden reiken. Anders: als de vier winden van de hemel, of: in de vier winden. Vergelijk Ezech. 17:21.
ontkomt gij,
De zin is: Verlaat Babel en vervoegt u tot de kerk.
Hertaald:
ontkomt gij,
De betekenis is: verlaat Babel en voeg u bij de kerk.
Naar de heerlijkheid over u,
Dat is, naardat Hij voorgenoemd had u te verheerlijken door de verlossing uit Babel.
Hertaald:
Naar de heerlijkheid over u,
Dat is: overeenkomstig het feit dat Hij Zich voorgenomen had u te verheerlijken door de verlossing uit Babel.
tot die heidenen,
Of, tegen de heidenen, te weten tegen de Chaldeën en andere uwe vijanden; alsof hij zeide: Dewijl God heeft begonnen zijne genade ulieden te bewijzen, zo wil Hij voortaan zulks nog meer doen, daarom heeft Hij mij gezonden om ulieden te beschermen voor het geweld uwer vijanden, dat zij u niet beschadigen, noch op den weg, noch tehuis.
Hertaald:
tot die heidenen,
Of: tegen de heidenen, namelijk tegen de Chaldeeën en uw andere vijanden. Alsof hij zei: omdat God begonnen is u Zijn genade te bewijzen, wil Hij dat voortaan nog meer doen; daarom heeft Hij mij gezonden om u te beschermen tegen het geweld van uw vijanden, zodat zij u geen schade toebrengen, niet onderweg en niet thuis.
Zijn oogappel aan
Te weten, des Heeren. De zin is: Die ulieden beledigt of schade aandoet; dat is zoveel alsof hij den Heere zelf beschadigde, hetwelk Hij wreken zal; zie Deut. 32:10 ; Ps. 17:8 , en Hand. 9:4 .
Hertaald:
Zijn oogappel aan
Namelijk van de HEERE. De betekenis is: wie u beledigt of schade toebrengt, doet daarmee als het ware de HEERE Zelf schade — en dat zal Hij wreken; zie Deut. 32:10; Ps. 17:8 en Hand. 9:4.
Want ziet,
Of, voorwaar.
Hertaald:
Want ziet,
Of: zeker.
Ik zal Mijn hand
Dat is, Ik zal hen door mijne kracht tehuis zoeken en kastijden.
Hertaald:
Ik zal Mijn hand
Dat is: Ik zal hen door Mijn kracht thuiszoeken en kastijden.
over henlieden bewegen,
Te weten, over, of tegen de heidenen, de Babyloniërs en andere volken, die u beroofd hebben.
Hertaald:
over henlieden bewegen,
Namelijk over of tegen de heidenen, de Babyloniërs en andere volken die u beroofd hebben.
hunnen knechten
Te weten, den Joden, die zij gevankelijk hebben gehouden, en die hen tevoren hebben moeten dienen als hun arme onderdanen. Doch versta dit geestelijkerwijze aldus, dat de vijanden der kerk Gods tot Christus bekeerd zijnde, alles wat zij hebben, Christus zullen opofferen.
Hertaald:
hunnen knechten
Namelijk voor de Joden, die zij gevangen gehouden hebben en die hen tevoren als arme onderdanen hebben moeten dienen. Maar versta dit geestelijk zo, dat de vijanden van Gods kerk, wanneer zij tot Christus bekeerd zijn, alles wat zij hebben aan Christus zullen opofferen.
Alzo zult gijlieden weten,
Dit zijn nog al de woorden des Heeren Christus. En weten is hier te zeggen, metterdaad of bij ervarenheid bevinden.
Hertaald:
Alzo zult gijlieden weten,
Dit zijn nog steeds de woorden van de Heere Christus. En weten betekent hier: metterdaad of bij ervaring ondervinden.
dat de HEERE der heirscharen
Hij wil zeggen: Gijlieden zult weten en verstaan dat Ik de Zoon Gods ben, die tot ulieden gezonden ben om ulieden dit nu tevoren te verkondigen, en ter bestemder tijd in het werk te stellen. Christus, als Middelaar, wordt van zijnen Vader ten beste zijner kerk gezonden.
Hertaald:
dat de HEERE der heirscharen
Hij wil zeggen: u zult weten en verstaan dat Ik de Zoon van God ben, Die tot u gezonden is om u dit van tevoren te verkondigen en het op de bepaalde tijd ten uitvoer te brengen. Christus wordt als Middelaar door Zijn Vader gezonden ten beste van Zijn kerk.
Juich en verblijd u,
Dit spreekt Christus tot de gelovige Joden; en dit is de zin alsof Christus zei: Ik zal niet verschijnen in de schaduwen van het Oude Testament, maar lichamelijk; Joh. 1:14 ; Kol. 2:9 , en 1 Tim. 3:16 .
Hertaald:
Juich en verblijd u,
Dit spreekt Christus tot de gelovige Joden. De betekenis is, alsof Christus zei: Ik zal niet verschijnen in de schaduwen van het Oude Testament, maar lichamelijk; Joh. 1:14; Kol. 2:9 en 1 Tim. 3:16.
vele heidenen
Of volken, of natiën. Het woord velen ziet voornamelijk op de tijden der predikatiën van de apostelen; zie Jes. 2:2-3 .
Hertaald:
vele heidenen
Of: volken, of naties. Het woord vele ziet vooral op de tijd van de prediking van de apostelen; zie Jes. 2:2-3.
te dien dage
Te weten, ten dage van de geestelijke verlossing der kerk door Christus, die door de lichamelijke verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap is afgebeeld geworden.
Hertaald:
te dien dage
Namelijk op de dag van de geestelijke verlossing van de kerk door Christus, die afgebeeld is door de lichamelijke verlossing van het Joodse volk uit de Babylonische gevangenschap.
van u wonen;
O Zion, o mijne gemeente, Ik zal onder u wonen, prediken en wonderen doen.
Hertaald:
van u wonen;
O Sion, o Mijn gemeente, Ik zal onder u wonen, prediken en wonderen doen.
dat de HEERE der heirscharen
Dat is, dat Ik die de Zoon Gods ben, van den Vader gezonden ben om ulieden dit te boodschappen en om in het midden van ulieden te wonen, opdat gijlieden met de heidenen mij toegevoegd zijnde, mijn volk zijt.
Hertaald:
dat de HEERE der heirscharen
Dat is: dat Ik, Die de Zoon van God ben, door de Vader gezonden ben om u dit te boodschappen en om in uw midden te wonen, opdat u samen met de heidenen aan Mij toegevoegd Mijn volk zult zijn.
Juda
Te weten, de uitverkorenen uit het Joodse volk, de ware Joden, die in Christus geloven zullen.
Hertaald:
Juda
Namelijk de uitverkorenen uit het Joodse volk, de ware Joden, die in Christus zullen geloven.
erven voor Zijn deel,
Dat is, voor zijn eigen volk hebben en houden, en als zijn eigendom beminnen en bewaren. Anders: dan zal de Heere Juda zijn erfdeel erfelijk bezitten; zie Deut. 32:9 .
Hertaald:
erven voor Zijn deel,
Dat is: als Zijn eigen volk hebben en houden, en als Zijn eigendom beminnen en bewaren. Anders: dan zal de HEERE Juda, Zijn erfdeel, erfelijk bezitten; zie Deut. 32:9.
in het heilige land,
Hebr. in het land der heiligheid; dat is, in het land Kanaän, afbeeldende de kerk Gods.
Hertaald:
in het heilige land,
Hebreeuws: in het land van de heiligheid; dat is: in het land Kanaän, dat de kerk van God afbeeldt.
verkiezen
Zie de aantekening bij Zach. 1:17 .
Hertaald:
verkiezen
Zie de aantekening bij Zach. 1:17.
Zwijg,
Zie Hab. 2:20 ; Sef. 1:7 .
Hertaald:
Zwijg,
Zie Hab. 2:20; Zef. 1:7.
alle vlees,
Dat is, alle mensen. Zie Ps. 65:3 de aantekening aldaar.
Hertaald:
alle vlees,
Dat is: alle mensen. Zie Ps. 65:3 met de aantekening daar.
Hij is ontwaakt
Dat is, Hij heeft zijn goddelijke macht geopenbaard door de verlossing zijner kerk. Anders: als Hij ontwaakt zal zijn, te weten tot verlossing van zijn volk.
Hertaald:
Hij is ontwaakt
Dat is: Hij heeft Zijn goddelijke macht geopenbaard door de verlossing van Zijn kerk. Anders: wanneer Hij ontwaakt zal zijn, namelijk tot verlossing van Zijn volk.
uit Zijn heilige woning
Dat is, uit den hemel. Zie Deut. 26:15 , en Ps. 11:4 .
Hertaald:
uit Zijn heilige woning
Dat is: uit de hemel. Zie Deut. 26:15 en Ps. 11:4. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer" (Zach. 2:1). Zijn doel: "Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal" (Zach. 2:2). Maar het antwoord dat volgt, gaat verder dan meten: "Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten" (Zach. 2:4), en: "Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar" (Zach. 2:5). Bijbelse betekenis: Merk op wat de man met het meetsnoer wilde doen: de stad opmeten, zoals men een stad meet om er een muur omheen te bouwen die bij haar grootte past. Let vervolgens op het antwoord dat dit plan overstijgt: Jeruzalem zal zó groeien dat zij niet meer binnen muren te vatten is — dorpsgewijze bewoond, zonder omwalling. Let ten slotte op wat haar bescherming dan wél is: geen stenen muur, maar de HEERE Zelf, als een vurige muur rondom, en Zijn heerlijkheid in haar midden. Typologie: Een stad zonder muur, waar de HEERE Zelf de bescherming en het licht is, wordt in het laatste boek beschreven als het nieuwe Jeruzalem, dat geen tempel nodig heeft "want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam" (reeds behandeld bij Op. 21:22-23). Zach. 2:1-5; Op. 21:22-23 "Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE" (Zach. 2:6), met de oproep aan wie nog in ballingschap zaten: "Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel!" (Zach. 2:7). Dan de reden: "Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan" (Zach. 2:8). Bijbelse betekenis: Merk op de dringende toon van dit gedeelte: hui, hui, een dubbele uitroep die haast uitdrukt, gericht tot wie nog in het Noorderland — Babel — achtergebleven waren. Let vervolgens op het beeld van de oogappel: het meest kwetsbare, onwillekeurig beschermde deel van het lichaam. Wie Gods volk aanraakt, raakt volgens dit vers niet een verre bezitting aan, maar iets dat zo dicht bij God staat als het oogwit bij het oog. Let ten slotte op wat daarop volgt in Zach. 2:9: Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen — het is God Zelf Die optreedt tegen wie Zijn volk kwetst. Typologie: Datzelfde beeld van de oogappel gebruikte Mozes al voor Gods zorg over Israël in de woestijn: "Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel" (reeds behandeld bij Deut. 32:10). Zach. 2:6-9; Deut. 32:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 2 Sterk onderbouwd vanuit meerdere Schriftplaatsen uitwerking De ballingen zijn terug en beginnen aan de herbouw. De tempel is een bouwput, de stad ligt zonder muren, en Zacharia ziet een jongeman met een meetsnoer die Jeruzalem wil opmeten. De stad krijgt geen muur maar een belofte: God zal er Zelf omheen staan, en midden erin wonen. De jongeman met het meetsnoer wordt tegengehouden. Er hoeft niet gemeten te worden, want de stad zal niet in een omtrek passen: zij zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid van mensen en beesten die erin zullen zijn. En dan de belofte die in de plaats van de muur komt: “En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.” De kanttekening legt dat beeld uit: Hij zal hen zo beschutten dat hun vijanden hen niet kunnen naderen, en wie hen toch aantast zal als met vuur verteerd worden. Zij verwijst daarbij naar de vurige wagens die de knecht van Elisa mocht zien. Dus geen steen om de stad, maar vuur. En de heerlijkheid staat niet meer in een gebouw, maar in het midden van de stad zelf. Daarop volgt het vers waar deze post om draait: “Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.” Dat is de oude belofte, en zij loopt door de hele Schrift. In Leviticus stond zij zo: “En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten.” Ezechiël herhaalde haar toen de tempel in puin lag. En hier wordt zij herhaald aan mensen die net terug zijn en de tempel opnieuw moeten opbouwen — met de nadruk op dat ene woordje: Ik kom. Er staat nog iets bij dat men in dit stadium van de geschiedenis niet verwacht: “En vele heidenen zullen te dien dage den HEERE toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen.” Een handjevol teruggekeerde ballingen krijgt te horen dat er volken bij zullen komen. En het hoofdstuk sluit met een zin die het rumoer van een bouwterrein in één klap stillegt: “Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.” Zo staat deze bladzijde midden in de lijn van het wonen van God bij mensen. Er wordt gebouwd aan een tempel die het niet zal zijn, en er wordt een komst aangekondigd die geen steen nodig heeft. Johannes zou er later één zin over schrijven: het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond. In het Nieuwe Testament: Leviticus 26:11-12; Ezechiël 37:27; Johannes 1:14; Openbaring 21:3; 2 Koningen 6:17; Habakuk 2:20 Hoever dit reikt: Wanneer deze belofte vervuld wordt, wordt niet gezegd; de profetie is voor het eerst gericht aan de teruggekeerde ballingen en hun herbouw. Dat het Ik kom van vers 10 mede op de komst in het vlees ziet, is een gevolgtrekking. Zij rust op de overeenkomst met de belofte van het wonen; Zacharia werkt dat hier niet uit. De vurige muur is een beeld en wordt in de kanttekening ook zo verklaard.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Sta aan de voet van Golgotha en laat het kermen van Christus u door het hart gaan. Zie Zijn hoofd met doornen gekroond; kijk naar Zijn handen en Zijn voeten, die als fonteinen van bloed stromen. Denk een ogenblik aan de vreselijke benauwdheid die Zijn ziel geleden heeft, aan de onbekende smarten die Hij droeg toen Hij onze zielen voor God verloste. Dan zult u gemakkelijk besluiten dat zulke verbazende liefde, die zo’n ontzaglijke prijs betalen kon, haar greep niet licht laat varen op wat zij voor Zichzelf gekocht heeft. © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 2
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen — 2:4-13
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten


Zacharia 2
Zacharia 2:4-5.KruisverwijzingenZacharia 1:17→Jesaja 4:5→Zacharia 9:8→Openbaring 21:23→Ezechiël 38:11→Jeremia 31:27→Jesaja 44:26→Micha 7:11→
— En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal. En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
“En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal. En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.”
Dit gezicht en deze profetie openen ons genadig de toekomstige geschiedenis van Jeruzalem. Wij mogen haar vergeestelijken en zeggen dat Jeruzalem de gemeente betekent. Maar wij moeten de letterlijke betekenis van de woorden niet vergeten, zoals die van vers 12: “Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.” Er wordt over Jeruzalem gesproken, en Jeruzalem is bedoeld.
Een man met een meetsnoer staat op het punt de lengte en de breedte van de stad te meten. Hij wordt in zijn werk gestoord door een andere engel. Die voorzegt dat Jeruzalem zich sterk zal uitbreiden, in mensen zowel als in vee, en dat zij als een stad zonder muren zal zijn.
Deze profetie is nog niet vervuld. Zij kan een gedeeltelijke vervulling gehad hebben in die tijden van vrede voor de komst van de Christus. Maar zelfs toen was Jeruzalem met een driedubbele muur omringd. En al was er een grote bevolking buiten de stad, zonder muren was zij toen niet. De heerlijkheid van God was ook niet in enige uitnemende mate in het midden van haar.
Ik geloof dat deze plaats op een gelukkige en heerlijke toekomst ziet die nog komen moet. Dan zal de stad Jeruzalem geen muren hebben, maar alleen de bescherming van de HEERE, en zij zal zich wijd en ver uitstrekken. Het Joodse volk en hun koninklijke stad zullen het middelpunt blijven van de openbaringen van de goddelijke heerlijkheid. De volken van de aarde zullen aan de HEERE toegevoegd worden, als een bevolking rondom de uitverkoren stad.
Zacharia 2:8.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:10→Psalmen 17:8→Johannes 14:26→Johannes 15:21→1 Johannes 4:9→Amos 1:3→2 Thessalonicenzen 1:6→Amos 1:11→
— Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
“Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.”
God acht Zijn volk hoog. Hij acht hen even hoog als mensen hun gezichtsvermogen achten. En Hij is er even zorgvuldig op hen voor schade te bewaren als mensen zijn om de appel van hun oog te beschermen. De appel van het oog is het meest kwetsbare en gevoeligste deel van het meest kwetsbare orgaan. Hij zet ons dus treffend de onuitsprekelijke tederheid van Gods liefde voor.
Het is een verborgenheid van goedertierenheid en liefde. De HEERE troont boven de omtrek van de aarde, en de inwoners zijn als grasgrachten. De volken zijn als een druppel in een emmer en worden geacht als een stofje aan de weegschaal. Hoe wonderlijk is het dan dat Hij gedachten van eeuwige liefde heeft over zulke nietige dingen.
Het is verwonderlijk dat God zulke onbeduidende schepselen als wij zijn zelfs opmerkt. Dat Hij, in Zijn oneindigheid, zelfs vermaak weet te vinden in dit druppeltje stof dat wij de wereld noemen. Maar die verwondering wordt volkomen overtroffen door een andere: dat God zulke volstrekt waardeloze schepselen ook nog liéfheeft.
Eén van de redenen van die hoogachting is dat Gods volk het voorwerp is van de kostbaarste koop die ooit gedaan is. Zij zijn niet verlost met verderfelijke dingen, met zilver of goud, maar met het dierbare bloed van Christus. Wij denken te gering over onszelf wanneer wij ons op minder schatten dan de prijs die Jezus betaald heeft. Wij onteren de Heere Die ons gekocht heeft, als wij menen dat wij alleen goed genoeg zijn om voor het vlees te leven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-13.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:10→Zacharia 1:17→Jesaja 4:5→Ezechiël 17:21→Jesaja 14:2→Jesaja 19:16→Zacharia 8:3→Zacharia 1:16→
— Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer. En ik zeide: Waar gaat gij henen? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal. En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet. En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal. En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar. Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE. Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel! Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan. Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen mij gezonden heeft. Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.
Derde nachtgezicht. De man met het meetsnoer. Evenals het tweede gezicht ene nadere ontwikkeling is van een woord Gods uit het eerste gezicht (Hoofdst. 1:15 zo ook het derde, namelijk van Hoofdst. 1:16, 17, waar de toekomstige verheerlijking van het volk en het rijk Gods werd voorzegd. Zoals echter die beide woorden Gods van het eerste gezicht geheel bij elkaar behoren, zo ook de beide gezichten, die ze ontwikkelen en verklaren. Het eerste dier beide wijst aan, wat de Heere aan de machten, welke aan Israël vijandig zijn, zal doen, namelijk ze vernietigen, hetgeen voor ons ligt, wat Hij aan Israël zal doen, namelijk hoe Hij het tot volmaakte heerlijkheid zal brengen. De belofte van dit gezicht heeft daarin haar toppunt, dat de Heere uit den hemel zal nederkomen, en persoonlijk onder Zijn volk in Jeruzalem Zijne woning zal vestigen, waardoor Hij daarvoor ene bron van zegen en van heerlijkheid zal worden, zodat ook de heidenen zich tot den te Jeruzalem wonenden Heere zullen vergaderen. De afdeling is in twee deden verdeeld, het eigenlijke gezicht van het verheerlijkte Jeruzalem (vs. 1-5), en ene profetische rede uit den mond van den Engel de Heeren, welke dit opheldert en bevestigt (vs. 6-13).
Wederom hief Ik mijne ogen op (Hoofdst. 1:18), en Ik zag, en ziet er was een man, die ging voor mijn inwendig oog voorbij, en in zijne hand was een meetsnoer.
En Ik zei tot hem, toen hij mij voorbijging: Waar gaat gij henen, en wat wilt gij met het meetsnoer doen? En hij zei tot mij: Ik ga heen, om Jeruzalem, de nieuw gebouwde en door God tot de plaats Zijner heerlijkheid verheven stad te meten, om te zien hoe groot hare breedte, en hoe groot hare lengte wezen zal, welk ene buitengewone grootte en uitbreiding en welk een getal van inwoners de Heere haar heeft gegeven. Niet het Jeruzalem in den tijd van den Profeet, dat eerst nog moest worden opgebouwd, maar het toekomstige, nieuwe Jeruzalem, dat tot volkomenheid is gekomen, ziet Zacharia in het gezicht, Dit wil de man meten; want het meten is niet van dezelfde betekenis als het afbakenen volgens het meetsnoer, dat in Hoofdst. 1:16 bedoeld was. Gemeten wordt iets, dat reeds gereed is, afgebakend, wat nog moet worden voltooid. Hier wordt op iets laters gedoeld, namelijk op het nieuwe Jeruzalem van den laatsten tijd. Nu is dit wel niet een bloot geestelijk Jeruzalem, omdat als daartoe behorende ook het “vee” wordt gerekend. Het is ook niet dat Jeruzalem, hetwelk na de Babylonische ballingschap weer werd opgebouwd; want sedert Cyrus tijden legde men er zich op toe om die muren op te bouwen. Er is dus niets over, dan dat men deze profetie van Jeruzalem verklare, waaraan in Jer. 31:38-40 en Ezech. 48 wordt gedacht. Dit afgemeten Jeruzalem is het doel der werken Gods op de aarde, hetwelk Gods volk reeds ten tijde van Zacharia voor ogen moest hebben, en waarop de toenmalige bouw van den tempel reeds van verre doelde. Aan dit Jeruzalem wordt ene bijzondere bescherming en ene bijzondere openbaring der heerlijkheid Gods (vs. 5) beloofd, waarom het met recht “Jehova Sjamma” “hier is de Heere”, zal kunnen genoemd worden (Ezech. 48:35). Het blijkt uit deze gezichten, dat Jeruzalem in het plan der regering Gods ene hoofdzaak was.
En ziet, de Engel, die in mijne nabijheid vertoefde, en tot mijnen dienst bereid met mij sprak, ging uit den man met het meetsnoer achterna, om te onderzoeken wat hij deed, en mij oplossing daarvan te geven; en een andere Engel ging uit, kwam van dezelfde zijde, naar welke die man was gegaan, hem, den engel, die met mij sprak, te gemoet.
En hij zei tot hem volgens opdracht van dien man met het meetsnoer, den Engel des Heeren, dien hij wilde nagaan: Loop, spreekhaastig dezen jongeling aan, wien gij Gods openbaring verklaart, en die over Jeruzalems verwoesten toestand zozeer treurt; breng hem de blijde boodschap, welke hem weer opricht, zeggende: Jeruzalem zal eens zo groot worden, dat het niet meer ene met muren nauwe omgevene stad is. Het zal dorpsgewijze bewoond worden, aan een landschap, met steden zonder muren en dorpen bedekt, gelijken van wege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal, van wege den rijken zegen en de zaligmakende genade des Heeren (Jes. 49:19 v. Ezech. 38:11). Steden als Babel en Ninevé met millioenen inwoners hebben muren gehad, maar het nieuwe Jeruzalem zal nog groter zijn en genen wedstrijd met wereldhoofdsteden aangaan; het zal de gehele wereld omvatten en ene geestelijke stad zijn, welke gene stoffelijke muren nodig heeft.
En er is ook geen beschermende ringmuur nodig, want Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom, zodat ieder, die zou wagen het aan te vallen, door het vuur van Gods toorn zal worden verteerd (Jes. 4:5. Deut. 4:24), en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar; Ik zal door Mijne persoonlijke tegenwoordigheid haar met Goddelijke heerlijkheid geheel vervullen (Jes. 60:19). God is haar bescherming; Hij is ook haar schat. Zijne heerlijkheid woont in haar, d. i. de openbaring van Zijne volle genade tot eeuwig goddelijk leven in Christus, den Godmens.
Zeg verder tot den Profeet, om hem die grote belofte der toekomst nog nader te verklaren, dat ook reeds des Heeren bevel is gesproken, waardoor Hij Jeruzalem zo groot en heerlijk wil maken. Het luidt: Hui, hui(Op, op), gij kinderen des volks! vliedt toch haastig uit Babel 1), het Noorderland (Jer. 1:14; 6:22); want thans wil Ik Mijne oordelen over die verdrukster van Mijn volk laten komen (Jes. 48:20), spreekt de HEERE; want Ik wil u groot en heerlijk maken overal op de aarde; Ik heb ulieden in Mijn Goddelijk raadsbesluit staat die heerlijke toekomst reeds als volkomen aanwezig daar-uitgebreid naar de vier winden des hemels, naar alle hemelstreken, spreekt de HEERE.
Het spreekt van zelf dat Babel hier niet in aanmerking komt als middelpunt der toenmalige Perzische wereldmacht, maar als vertegenwoordigster en type der Gode vijandige wereldmacht in ‘t algemeen, welke Gods volk haat, vervolgt en gevangen houdt.
Daarom roept u de Heere nogmaals toe: Hui, Zion! volk van God! ontkomt gij, red u, dat gij niet mede in die gerichten deelt, die woont bij de dochter van Babel!
Ja haast u om van Babel te scheiden; want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u heeft Hij mij, Zijnen Engel 1)gezonden tot die Heidenen, die ulieden beroofd hebben, om eer aan de Heidenen te behalen, om door zware gerichten hun macht te breken, en daardoor Gods heerlijkheid aan hen te openbaren. Hun macht heeft een einde, Ik zal zware wraak aan hen nemen, die Mijn volk leed hebben aangedaan, want die ulieden aanraakt, die raakt Zijnen oogappel) aan, Zijn dierbaarste goed, dat Hij zeer zorgvuldig behoedt en verzorgt (Deut. 32:10).
Vooral op grond van vs. 8, 9 en 11 is een groot getal der voornaamste uitleggers van ouderen en nieuweren tijd van mening, dat de man met het meetsnoer, in wiens naam en opdracht hier de andere engel tot den engel spreekt, ja, in wiens eigene rede de rede van den tweeden engel langzamerhand is overgegaan, de Engel des Heeren was, de Engel van Zijn aangezicht (Jes 63:9), die Gods wezen in Zich draagt en openbaart, die, als gelijk in wezen met God, dus ook in bijzonderen zin van Zich kon zeggen: “Ik zal in ‘t midden van u wonen (vs. 11). De man met het meetsnoer kan niemand anders zijn dan de Engel des Heeren, en deze zegt hier in den Naam des Heeren, dat hij naar de Heidenen gezonden is, naar ere, dat is, om de ere Gods aan de Heidenen te verheerlijken, door de gerichten, die aan hen zullen worden voltrokken. De Heere God wordt verheerlijkt, zowel door het behoud der gelovigen, als door het verloren gaan der ongelovigen.
Ach, zo trekt Zich God Zijne uitverkoren gemeente aan, die toch uit arme zondaars bestaat, dat Hij schrikkelijke vergelding doet aan hen, die Hij als tuchtroeden voor Zijne kinderen in deze wereld moest gebruiken. Brengt de strijd tegen het Oud-Testamentische Zion reeds den volken eindelijk den ondergang, zo zullen de vijanden onder het Nieuwe Testament slechts des te sneller te gronde gaan, nadat Christus nu bij ons is. De oogappel is het teerste lid van des mensen lichaam. Wanneer een pijl of steen naar den mens wordt geworpen, gebruikt hij dadelijk zijn arm als schild, om zijn oog te beschermen. Daarmee vergelijkt de Heere hier Zijne eeuwige erbarmende liefde voor Zijn volk. Hij, de Heere, trekt zich aan, wat Zijn volk wordt aangedaan.
Want ziet, Ik, de Engel des Heeren, trek uit, en zal Mijne almachtige Rechters-hand over henlieden bewegen, en zij zullentot rechtvaardige vergelding hunnen knechten, die zij onrechtvaardig en overmoedig beroofd hebben, namelijk den kinderen Mijns volks (vgl. vs.
, een roof, ten eigendom en onderdaan wezen. Alzo zult gijlieden weten en duidelijk voor uwe ogen zien, dat de HEERE der heirscharen Mij gezonden heeft, om u uit allen nood, spot en tyrannie der Heidenen te redden en tot heerlijkheid te leiden, en alzo Zijn eeuwig raadsbesluit te vervullen.
Juich dan en verblijd u, gij uit Babel geredde dochter Zions! ware gemeente des Heeren! Want ziet, dan komt de tijd uwer heerlijkheid; Ik zelf, de almachtige God, het evenbeeld en het afschijnsel van Gods onzichtbaar wezen, verlaat dan den troon Mijner heerlijkheid, en kom in uw midden, en a) Ik zal vol genade en waarheid in het midden van u wonen 1) (Joh. 1:14. (Openb. 21:3), spreekt de HEERE.
Lev. 26:12. Ezech. 37:27. 2 Kor. 6:16.
Des Heeren tegenwoordigheid bij en met Zijn volk, is Zijne uitnemende en onwaardeerbare gave, welke Hij gewillig is voor alle andere dingen te geven, en dewelke, gelijk Hij die niet ontzien wil, te schenken in Zijn volks laagsten toestand, ook alzo een gave is, die haar een oorzaak moet zijn van grote blijdschap en verheuging. De voorzegging vol Nieuw-Testamentische helderheid is begonnen vervuld te worden, toen God mens werd in Maria’s schoot, maar zal eens, wanneer Christus in heerlijkheid wederkomt, en in het nieuwe Jeruzalem als het Lam Gods en tevens als de Leeuw uit Juda onder de Zijnen woont, eerst geheel tot vervulling komen.
En vele Heidenen, die tot dien tijd zonder God in de wereld leefden, ja het volk Gods hebben veracht en vervolgd, zullen te dien dage, als Ik persoonlijk onder u woning zal gemaakt hebben, den HEERE toegevoegd worden; zij zullen zich in gehoorzaamheid des geloofs aan Mij, die onder u woon, den waren levenden God, met innige liefde ten offer overgeven (Hoofdst. 8:20 vv. (Jes. 14:1), en zij zullen dan ook Mij tot een volk wezen, zodat uit hen en Mijn Uitverkoren volk Israëls één enig volk Gods wordt, en Mijn rijk verre over Israëls grenzen in de gehele wereld zal worden uitgebreid (Micha 4:2), en Ik zal bij u, het volk van Mijn bijzonder eigendom, in het midden van u wonen, gij zult het middelpunt van Mijn rijk zijn en blijven; en gij zult weten, levendig erkennen, dat de HEERE der heirscharen Mij als Middelaar en Gever van zegen tot u gezonden heeft1).
Hij, die hier belooft, onder hen te zullen wonen, is de Heere, dien de Heere der Heirscharen gegeven had, en daarom moest het de Heere Jezus zijn, die kwam en in het midden der Joodse natie woonde, het eeuwige Woord, dat vlees was geworden en onder ons gewoond heeft. Dit was de grote ere, die voor het volk bewaard was in deszelfs laatste dagen, de belofte daarvan verzekerde hun voortduring krachtiglijk, totdat dezelve vervuld was. Zijn konden niet verstoord worden.
Dan zal de HEERE, die op zulk ene wijze onder Zijn volk woning gemaakt heeft, in volle waarheid Juda erven als een volkomen verlost en geheiligd volk, voor Zijn deel, als Zijn volkomen eigendom, en het zal met Hem verenigd in het alsdan heilige, verheerlijkste boven alle landen verhevene land Kanaän wonen, en Hij zal Jeruzalem, dat eveneens vernieuwd is, en zo vergroot, dat het aan een open landschap gelijkt (vs. 4), nog verkiezen als plaats van eeuwige openbaring Zijner volmaakte heerlijkheid.
Wacht daarop in aanbidding en eerbied. Zwijg, alle vlees!in sterke hoop en in verlangen, voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij van Zijnen troon neerkomt (Hab. 2:20. Hab Zef. 1:17); want de tijd is niet verre meer, Hij is ontwaakt reeds opgestaan uit Zijne heilige woning, om het gericht over de Heidenen, in ‘t bijzonder over Babel te beginnen, en daarmee de verlossing van Zijn volk te weeg te brengen. Ook deze profetie wordt trapsgewijze vervuld, En reikt met haar einde in de eeuwigheid. Reeds zeer spoedig, nadat Zacharia het gezicht heeft ontvangen, begon het gericht over de heidense wereldmacht te komen. Toen Babylon nog onder Darius tegen den Perzischen hoofdkoning opstond, werd daarna, na die herovering, een bloedbad aangericht, en werden de muren zo verwoest, dat de stad niet weer tot hare oude grootheid en betekenis kon komen. Van dien tijd begint het oordeel over de volgende Babylons door alle eeuwen heen, daar de Heere de ene wereldmacht door de volgende doet vallen en vernietigt, totdat Hij eindelijk zelf de macht van het laatste en allervijandigste Babel door Zijne goddelijke kracht met éénen slag zal nederwerpen. Dan zal ook Jeruzalem ophouden door de vijanden vertreden te worden. Want dan, als de volheid der heidenen tot den Heere zal zijn toegedaan, zal Israël zijnen Messias als den door God gezonden Engel den verbonds erkennen, en zich tot Hem bekeren, zodat de Heere ook zichtbaar voor eeuwig onder Zijn volk woning kan maken. Hiermede wordt aangegeven aan de vrienden der kerk, om te zwijgen, om het aan God over te laten Zijn eigen weg te nemen, en Hem niet voor te schrijven, wat Hij doen moet. De kerk heeft met lijdzaamheid de uitkomst af te wachten en de uitkomst aan God over te laten. Als Hij verschijnt in heerlijkheid, zullen alle Zijne vijanden het tegen Hem moeten afleggen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel