Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
De lastH4853 van het woordH1697 des HEERENH3068 overH5921 IsraelH3478. De HEEREH3068 spreektH5002, Die den hemelH8064 uitbreidtH5186, en de aardeH776 grondvestH3245, en des mensenH120 geestH7307 in zijn binnensteH7130 formeertH3335.
De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.
KJV
The burden1
of the word2
of the LORD3
for Israel,5
saith6
the LORD,7
which stretcheth8
forth the heavens,9
and layeth the foundation10
of the earth,11
and formeth12
the spirit13
of man14
within
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZietH2009, IkH595 zal JeruzalemH3389 stellenH7760 tot een drinkschaalH5592 der zwijmelingH7478 allenH3605 volkenH5971 rondomH5439; ja, ookH1571 zal zij zijn overH5921 JudaH3063, in de belegeringH4692 tegenH5921 JeruzalemH3389.
Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.
KJV
Behold, I will make3
Jerusalem5
a cup6
of trembling7
unto all the people9
round about,10
when they shall be in the siege15
both against Judah13
and against Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, datH1931 Ik JeruzalemH3389 stellenH7760 zal tot een lastigenH4614 steenH68 allenH3605 volken; allenH3605, die zich daarmede beladenH6006, zullen gewisselijkH8295 doorsnedenH8295 worden; en alH3605 de volken der aardeH776 zullen zich tegenH5921 haar verzamelenH622.
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
Ook in dit vers
volkenH1471
volkenH5971
KJV
And in that day2
will I make4
Jerusalem6
a burdensome8
stone7
for all people:10
all that burden12
themselves with it shall be cut in pieces,13
though all the people18
of the earth19
be gathered together
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Te dienH1931 dageH3117, spreektH5002 de HEEREH3068, zal Ik alleH3605 paardenH5483 met schuwigheidH8541 slaanH5221, en hun ruitersH7392 met zinneloosheidH7697; maar overH5921 het huisH1004 van JudaH3063 zal Ik Mijn ogenH5869 openenH6491, en alleH3605 paardenH5483 der volkenH5971 zal Ik met blindheidH5788 slaanH5221.
Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.
KJV
In that day,1
saith3
the LORD,4
I will smite5
every horse7
with astonishment,8
and his rider9
with madness:10
and I will open14
mine eyes16
upon the house12
of Judah,13
and will smite20
every horse18
of the people19
with blindness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Dan zullen de leidsliedenH441 van JudaH3063 in hun hartH3820 zeggenH559: De inwonersH3427 van JeruzalemH3389 zullen mij een sterkteH556 zijn in den HEEREH3068 der heirscharenH6635, hun GodH430.
Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.
KJV
And the governors2
of Judah3
shall say1
in their heart,4
The inhabitants7
of Jerusalem8
shall be my strength5
in the LORD9
of hosts10
their God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Te dien dageH3117 zal Ik de leidsliedenH441 van JudaH3063 stellenH7760 als een vurigeH784 haardH3595 onder het houtH6086, en als een vurigeH784 fakkelH3940 onder de schovenH5995; en zij zullen ter rechterzijdeH3225 en ter linkerzijdeH8040 alleH3605 volkenH5971 rondomH5439 verterenH398; en JeruzalemH3389 zal nogH5750 blijven in haar plaatsH8478 te JeruzalemH3389.
Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechterzijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.
KJV
In that day1
will I make3
the governors5
of Judah6
like an hearth7
of fire8
among the wood,9
and like a torch10
of fire11
in a sheaf;12
and they shall devour13
all the people20
round about,21
on the right hand15
and on the left:17
and Jerusalem23
shall be inhabited22
again in her own place, even in Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
En de HEEREH3068 zal de tentenH168 van JudaH3063 ten voorsteH7223 behoudenH3467, opdatH4616 de heerlijkheidH8597 van het huisH1004 DavidsH1732, en de heerlijkheidH8597 der inwonersH3427 van JeruzalemH3389, zich nietH3808 verheffeH1431 tegenH5921 JudaH3063.
En de HEERE zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda.
KJV
The LORD2
also shall save1
the tents4
of Judah5
first,6
that the glory10
of the house11
of David12
and the glory13
of the inhabitants14
of Jerusalem15
do not magnify9
themselves against Judah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Te dien dageH3117 zal de HEEREH3068 de inwonersH3427 van JeruzalemH3389 beschuttenH1598; en die, die onder hen struikelenH3782 zou, zal te dien dageH3117 zijn als DavidH1732; en het huisH1004 DavidsH1732 zal zijn als godenH430; als de EngelH4397 des HEERENH3068 voor hun aangezichtH6440.
Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.
KJV
In that day1
shall the LORD4
defend3
the inhabitants6
of Jerusalem;7
and he that is feeble9
among them at that day11
shall be as David;13
and the house14
of David15
shall be as God,16
as the angel17
of the LORD18
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En het zal te dien dageH3117 geschiedenH1961, datH1931 Ik zal zoekenH1245 te verdelgenH8045 alleH3605 heidenenH1471, die tegenH5921 JeruzalemH3389 aankomenH935.
En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen.
KJV
And it shall come to pass in that day,2
that I will seek4
to destroy5
all the nations8
that come9
against Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Doch over het huisH1004 DavidsH1732, en over de inwonersH3427 van JeruzalemH3389, zal Ik uitstortenH8210 den GeestH7307 der genadeH2580 en der gebedenH8469; en zij zullen Mij aanschouwenH5027, DienH834 zij doorstokenH1856 hebben, en zij zullen over Hem rouwklagenH5594, als met de rouwklageH4553 over een enigenH3173 zoonH5921; en zij zullen over Hem bitterlijk kermenH4843, gelijk men bitterlijk kermtH4843 over een eerstgeboreneH1060.
Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
KJV
And I will pour1
upon the house3
of David,4
and upon the inhabitants6
of Jerusalem,7
the spirit8
of grace9
and of supplications:10
and they shall look11
upon me whom they have pierced,15
and they shall mourn
for him, as one mourneth16
for his only20
son, and shall be in bitterness21
for him, as one that is in bitterness23
for his firstborn.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Te dienH1931 dageH3117 zal te JeruzalemH3389 de rouwklageH4553 grootH1431 zijn, gelijk die rouwklageH4553 van HadadrimmonH1910, in het dalH1237 van MegiddonH4023.
Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon.
KJV
In that day1
shall there be a great3
mourning4
in Jerusalem,5
as the mourning6
of Hadadrimmon7
in the valley9
of Megiddon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
En het landH776 zal rouwklagenH5594, elk geslachtH4940 bijzonderH905; het geslachtH4940 van het huisH1004 DavidsH1732 bijzonderH905, en hunlieder vrouwenH802 bijzonderH905; en het geslachtH4940 van het huisH1004 van NathanH5416 bijzonderH905, en hun vrouwenH802 bijzonderH905;
En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
KJV
And the land2
shall mourn,1
every3
family4
apart;5
the family6
of the house7
of David8
apart, and their wives10
apart; the family12
of the house13
of Nathan14
apart, and their wives
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Het geslachtH4940 van het huisH1004 van LeviH3878 bijzonderH905, en hun vrouwenH802 bijzonderH905; het geslachtH4940 van SimeiH8097 bijzonderH905, en hun vrouwenH802 bijzonderH905;
Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simei bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;
KJV
The family1
of the house2
of Levi3
apart, and their wives5
apart; the family7
of Shimei8
apart, and their wives
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Al de overigeH7604 geslachtenH4940, elk geslachtH4940 bijzonderH905, en hunlieder vrouwenH802 bijzonderH905.
Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder.
KJV
All the families2
that remain,3
every family4
apart, and their wives
last van het woord des HEEREN
Dat is, de profetie.
Hertaald:
last van het woord des HEEREN
Dat is: de profetie.
over Israël
Of, belangende Israël, of voor, of aan Israël. Zie Zach. 9:1 . Versta hier door Israël de Christelijke kerk of gemeente uit Joden en heidenen bestaande, welke de apostel noemt het Israël Gods, Gal. 6:16 ; denwelke hier de overwinning over hunne vijanden beloofd wordt.
Hertaald:
over Israël
Of: aangaande Israël, of: voor of aan Israël. Zie Zach. 9:1. Versta hier onder Israël de christelijke kerk of gemeente, die uit Joden en heidenen bestaat en die de apostel het Israël van God noemt, Gal. 6:16; aan die kerk wordt hier de overwinning over haar vijanden beloofd.
spreekt,
Te weten, gelijk hier straks volgt, zie vs.2.
Hertaald:
spreekt,
Namelijk zoals hierna meteen volgt; zie vers 2.
geest
Dat is, ziel.
Hertaald:
geest
Dat is: ziel.
formeert
Of, vormt; ene manier van spreken van de pottenbakkers genomen.
Hertaald:
formeert
Of: vormt; een manier van spreken die aan de pottenbakkers ontleend is.
Jeruzalem
Hier betekent Jeruzalem de Christelijke kerk of gemeente, gelijk Gal. 4:26 ; Hebr. 12:18 , Hebr. 12:22 .
Hertaald:
Jeruzalem
Jeruzalem betekent hier de christelijke kerk of gemeente, zoals Gal. 4:26; Hebr. 12:18, Hebr. 12:22.
zwijmeling
Of, der beving, of tot een vernijnigen beker, of tot een tuimelbeker, of slaapbeker; dat is, gevuld met wijn, die slaap aanbrengt, tot een vat uit hetwelk alle volken, die tegen het Israël Gods strijden zullen, een dronk zullen moeten drinken, die hen in zwijmeling in slaap brengen zal. De zin is: De vijanden, uit allerlei volken bestaande, die mijne kerk zullen bestrijden en vervolgen, zullen daarmede niets anders gewinnen noch uitrichten, dan dat Ik hen in het vervolgen der kerk zal slaan met razernij en onzinnigheid, alzo dat zij zichzelven zullen te schande maken en in verderf brengen. Verg. Ps. 60:5 ; Jes. 51:22-23 ; Jer. 25:15-16 , en de aantekeningen aldaar.
Hertaald:
zwijmeling
Of: van de beving, of: tot een bedwelmende beker, of tot een tuimelbeker of slaapbeker; dat is: gevuld met wijn die slaap veroorzaakt — tot een vat waaruit alle volken die tegen het Israël van God zullen strijden een dronk zullen moeten drinken, die hen in bedwelming en slaap zal brengen. De betekenis is: de vijanden uit allerlei volken die Mijn kerk zullen bestrijden en vervolgen, zullen daarmee niets anders bereiken dan dat Ik hen bij dat vervolgen van de kerk zal slaan met razernij en waanzin, zodat zij zichzelf te schande maken en in het verderf storten. Vergelijk Ps. 60:5; Jes. 51:22-23; Jer. 25:15-16 met de aantekeningen daar.
ja,
Te weten, de schaal der zwijmeling; te weten als de stad Jeruzalemzal belegerd worden. Als wilde de Heere zeggen: niet alleen de heidense volken, maar ook de Joden, die de Christelijke kerk vervolgen zullen, zullen daarover te schande en ten verdrve komen. Of, en ook zal zij zijn in de belegering tegen Juda, tegen Jeruzalem.
Hertaald:
ja,
Namelijk de schaal van de bedwelming, wanneer de stad Jeruzalem belegerd zal worden. Alsof de HEERE wilde zeggen: niet alleen de heidense volken, maar ook de Joden die de christelijke kerk zullen vervolgen, zullen daarover te schande en in het verderf komen. Of: en ook zal zij er zijn bij de belegering tegen Juda, tegen Jeruzalem.
Jeruzalem stellen zal
Dat is, de Christelijke kerk.
Hertaald:
Jeruzalem stellen zal
Dat is: de christelijke kerk.
tot een lastigen steen allen volken;
Of, tot een gans zwaren steen. De zin is: Gelijk degenen, die hunne zterkte daaraan bewijzen willen, dat zij een zwaren steen opheffen willen, dikwijls door de zwaarte van denzelven onderdrukt worden; alzo zullen ook degenen, die hunne kracht aan Gods kerk verzoeken willen, daarover vernield worden, en gevoelen hoe zwaar het is tegen den prikkel te stoten. Verg. Luc. 20:18 ; Hand. 9:4-5 .
Hertaald:
tot een lastigen steen allen volken;
Of: tot een uiterst zware steen. De betekenis is: zij die hun kracht willen bewijzen door een zware steen op te tillen, bezwijken daar vaak zelf onder. Zo zullen ook zij die hun kracht aan Gods kerk willen beproeven daardoor vernietigd worden en ervaren hoe zwaar het is tegen de prikkel te slaan. Vergelijk Luk. 20:18; Hand. 9:4-5.
en al de volken der aarde
Of, al verzamelden zich tegen haar alle volken, enz.; te weten die mijne kerk bevechten.
Hertaald:
en al de volken der aarde
Of: al zouden alle volken zich tegen haar verzamelen, enzovoort, namelijk zij die Mijn kerk bevechten.
met schuwigheid slaan,
Of, met verbaasdheid slaan; dat is, Ik zal hunne macht teniet maken. Verg. Ps. 76:6-7 , enz.
Hertaald:
met schuwigheid slaan,
Of: met verbijstering slaan; dat is: Ik zal hun macht tenietdoen. Vergelijk Ps. 76:6-7, enzovoort.
over het huis van Juda
Dat is, over mijne kerk.
Hertaald:
over het huis van Juda
Dat is: over Mijn kerk.
zal Ik Mijn ogen openen,
Dat is, Ik zal hen gadeslaan, medelijden over hen heddende. Verg. Jer. 39:12 .
Hertaald:
zal Ik Mijn ogen openen,
Dat is: Ik zal hen gadeslaan en medelijden met hen hebben. Vergelijk Jer. 39:12.
der volken zal Ik met blindheid slaan
Te weten, der vijanden mijner kerk.
Hertaald:
der volken zal Ik met blindheid slaan
Namelijk van de vijanden van Mijn kerk.
de leidslieden van Juda
Dat is, alle voorstanders der kerk.
Hertaald:
de leidslieden van Juda
Dat is: alle voorstanders van de kerk.
De inwoners van Jeruzalem
Dat is, de ledematen der kerk.
Hertaald:
De inwoners van Jeruzalem
Dat is: de leden van de kerk.
zullen mij een sterkte zijn
Of, zijn mij enen sterkte; of dat mij de inwoners van Jeruzalem een sterken moed hebben.
Hertaald:
zullen mij een sterkte zijn
Of: zijn mij een sterkte; of: dat de inwoners van Jeruzalem mij een sterke moed geven.
in den HEERE der heirscharen, hun God
Dat is, dewijl de Heere met hen is, of om des Heeren wil.
Hertaald:
in den HEERE der heirscharen, hun God
Dat is: omdat de HEERE met hen is, of ter wille van de HEERE.
als een vurige haard
Hebr. als een haard des vuurs; dat is, als, of tot enen haard op welken een vuur brandt, hetwelk het hout, dat er op ligt, verteert. Alzo straks Hebr. als een fakkel des vuurs. De zin is: zij zullen al hunne vijanden overwinnen, hetwelk hier geestelijkerwijze te verstaan is van de overwinning der gelovigen over hun geestelijke vijanden. Verg. Psa 48 , Psa 87 , Psa 125 , Psa 129 .
Hertaald:
als een vurige haard
Hebreeuws: als een haard van het vuur; dat is: als een haard waarop een vuur brandt dat het hout verteert dat erop ligt. Zo ook meteen daarna, Hebreeuws: als een fakkel van het vuur. De betekenis is: zij zullen al hun vijanden overwinnen — wat hier geestelijk verstaan moet worden van de overwinning van de gelovigen over hun geestelijke vijanden. Vergelijk Ps. 48, Ps. 87, Ps. 125 en Ps. 129.
Jeruzalem zal nog
De ware burgers van Jeruzalem, de Christelijke kerk.
Hertaald:
Jeruzalem zal nog
De ware burgers van Jeruzalem, de christelijke kerk.
blijven
Hebr. zitten, of wonen; dat is, blijven.
Hertaald:
blijven
Hebreeuws: zitten of wonen; dat is: blijven.
in haar plaats te Jeruzalem
In die plaats, waar men God in waar geloof aanroept en Hem naar zijnen wil dient, hetzij dan daar, hetzij in de ganse wereld.
Hertaald:
in haar plaats te Jeruzalem
Op die plaats waar men God in waar geloof aanroept en Hem naar Zijn wil dient — of dat nu daar is of over de hele wereld.
de tenten van Juda
Dat is, de kleinen en onvermogenden in Juda, die buiten Jeruzalem woonden en van het huis van David niet waren.
Hertaald:
de tenten van Juda
Dat is: de geringen en onvermogenden in Juda, die buiten Jeruzalem woonden en niet tot het huis van David behoorden.
ten voorste
Of, ten eerst, [als], eertijds.
Hertaald:
ten voorste
Of: als eerste, zoals vroeger.
behouden,
Of, zaligmaken.
Hertaald:
behouden,
Of: zalig maken.
de heerlijkheid
Of, sierlijkheid; dat is, die van groter aanzien zijn dan de anderen van Juda.
Hertaald:
de heerlijkheid
Of: sierlijkheid; dat is: zij die van groter aanzien zijn dan de anderen van Juda.
het huis Davids,
Dat is, van het geslacht Davids.
Hertaald:
het huis Davids,
Dat is: van het geslacht van David.
de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem,
Dat is, de rijken en de geweldigen tegen de geringen en verarmden.
Hertaald:
de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem,
Dat is: de rijken en machtigen tegenover de geringen en verarmden.
verheffe tegen Juda
Hebr. grootmaken.
Hertaald:
verheffe tegen Juda
Hebreeuws: grootmaken.
wie onder hen struikelen zou,
Dat is, die zwak is.
Hertaald:
wie onder hen struikelen zou,
Dat is: wie zwak is.
als David;
Te weten, zo dapper in den strijd als eertijds David geweest is. Versta dit van een geestelijke dapperheid, welke de Heilige Geest in de kinderen Gods teweegbrengt.
Hertaald:
als David;
Namelijk even dapper in de strijd als David vroeger geweest is. Versta dit van een geestelijke dapperheid, die de Heilige Geest in de kinderen van God bewerkt.
het huis Davids zal zijn
Het huis van David; dat is, de voorstanders van Gods volk.
Hertaald:
het huis Davids zal zijn
Het huis van David; dat is: de voorstanders van Gods volk.
als goden;
Anders: als God. Anders: als Gods [huis]. Men kan hier door goden verstaan de engelen.
Hertaald:
als goden;
Anders: als God. Anders: als het huis van God. Men kan hier onder goden de engelen verstaan.
als de Engel des HEEREN
Dat is, als Christus, gelijk blijkt uit de navolgende woorden.
Hertaald:
als de Engel des HEEREN
Dat is: als Christus, zoals blijkt uit de woorden die erop volgen.
voor hun aangezicht
Dat is, die voor hun aangezicht wandelt, of heengaat. Verg. Mi. 2:13 .
Hertaald:
voor hun aangezicht
Dat is: Die voor hun aangezicht wandelt of voor hen uit gaat. Vergelijk Micha 2:13.
den Geest der genade en der gebeden;
Dat is, den Heilige Geest, die den uitverkorenen betuigt dat God hun wil genadig zijn; en Hij verwekt hen ten gebede en smekingen, alzo dat zij God om genade en vergeving hunner zonden bidden. Verg. Hand. 2:37 .
Hertaald:
den Geest der genade en der gebeden;
Dat is: de Heilige Geest, Die de uitverkorenen betuigt dat God hun genadig wil zijn; en Hij wekt hen op tot gebed en smeking, zodat zij God om genade en om vergeving van hun zonden bidden. Vergelijk Hand. 2:37.
zij zullen Mij aanschouwen,
Eendeeld met lichamelijke ogen ten tijde van zijn lijden. Zie Joh. 19:37 ; anderdeels door het geloof, ten aanzien van de boetvaardigen en gelovigen, Hand. 2:37 , en met schrik ten aanzien van de ongelovigen ten jongste dage; Openb. 1:7 .
Hertaald:
zij zullen Mij aanschouwen,
Deels met lichamelijke ogen ten tijde van Zijn lijden — zie Joh. 19:37 — en deels door het geloof, wat de boetvaardigen en gelovigen betreft, Hand. 2:37; en met schrik, wat de ongelovigen betreft, op de jongste dag; Openb. 1:7.
Dien zij doorstoken hebben,
Dit doorsteken der zijde van Christus wordt hier gesteld voor de gehele kruiseging. Zie Joh. 19:34 , Joh. 19:37 . En ofschoon maar één soldaat dit gedaan heeft, zo wordt het nochtans de ganse Joodse natie toegeschreven, als die Pilatus gedrongen hebben Christus te doden.
Hertaald:
Dien zij doorstoken hebben,
Dit doorsteken van de zijde van Christus staat hier voor de hele kruisiging. Zie Joh. 19:34, Joh. 19:37. En hoewel maar één soldaat dit gedaan heeft, wordt het toch aan het hele Joodse volk toegeschreven, omdat zij Pilatus gedwongen hebben Christus te doden.
zij zullen over Hem rouwklagen,
Dat is, zij zullen hartelijk bedroefd zijn over hun schrikkelijke zonden.
Hertaald:
zij zullen over Hem rouwklagen,
Dat is: zij zullen hartelijk bedroefd zijn over hun verschrikkelijke zonden.
over een enigen zoon;
Te weten, die gestorven is; zie Jer. 6:26 , en Am. 8:10 .
Hertaald:
over een enigen zoon;
Namelijk die gestorven is; zie Jer. 6:26 en Amos 8:10.
zij zullen over Hem bitterlijk kermen,
Hebr. zullen bitter maken.
Hertaald:
zij zullen over Hem bitterlijk kermen,
Hebreeuws: zullen bitter maken.
Hadadrímmon,
Alwaar de koning Josia is omgekoen, die zeer is beschreid en beklaagd geworden van zijn goede onderzaten. Zie de geschiedenis 2 Kon. 23:29-30 , en 2 Kron. 35:22 , 2 Kron. 35:24-25 .
Hertaald:
Hadadrímmon,
Waar koning Josia omgekomen is, die zeer beweend en beklaagd is door zijn goede onderdanen. Zie het verhaal in 2 Kon. 23:29-30 en 2 Kron. 35:22, 2 Kron. 35:24-25.
het land zal rouwklagen,
Dat is, de inwoners van het land.
Hertaald:
het land zal rouwklagen,
Dat is: de inwoners van het land.
elk geslacht bijzonder;
Hebr. geslacht geslacht bijzonder. De zin is: dat dit zou zijn een bijzondere weeklage onder alle geslachten. Het ziet op de wijze van rouwklagen onder de Joden gebruikelijk.
Hertaald:
elk geslacht bijzonder;
Hebreeuws: geslacht geslacht afzonderlijk. De betekenis is dat dit een afzonderlijke weeklacht onder alle geslachten zou zijn. Het ziet op de manier van rouwklagen die bij de Joden gebruikelijk was.
Nathan bijzonder,
Zie 2 Sam. 5:14 ; 1Ch 3 ; Luc. 3:31 .
Hertaald:
Nathan bijzonder,
Zie 2 Sam. 5:14; 1 Kron. 3; Luk. 3:31.
Simeï bijzonder,
Die, naar sommigen gevoelen, een zoon van Gersom was, den zoon van Levi, 1 Kron. 6:16-17 . Deze wordt hier tot een voorbeeld gesteld bij naam, maar van al de andere stammen en geslachten wordt desgelijks gezegd in het volgende.
Hertaald:
Simeï bijzonder,
Die volgens sommigen een zoon van Gersom was, de zoon van Levi, 1 Kron. 6:16-17. Deze wordt hier bij name als voorbeeld gesteld, maar over alle andere stammen en geslachten wordt hetzelfde gezegd in het vervolg. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom" (Zach. 12:2). En verder: "En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden" (Zach. 12:3). Toch is er onderscheid: "over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan" (Zach. 12:4). Bijbelse betekenis: Merk op de twee beelden die na elkaar gebruikt worden: een drinkschaal der zwijmeling, die dronken en duizelig maakt wie ervan drinkt, en een lastige steen, die wie hem probeert op te tillen juist zelf verwondt. Let vervolgens op het onderscheid in Zach. 12:4: dezelfde HEERE Die de paarden der volken met blindheid slaat, opent Zijn ogen over het huis van Juda — oordeel en bescherming vlak naast elkaar, afhankelijk van de kant waarop men staat. Let ten slotte op Zach. 12:5-6: de leidslieden van Juda vinden hun sterkte niet in eigen kracht maar in de HEERE der heirscharen, hun God. Typologie: Dit beeld van een steen die de een opricht en de ander verplettert, is dezelfde steen waarover de psalmist zingt: "De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden" (reeds behandeld bij Ps. 118:22). De Heere Jezus haalt dit aan met een klein woordverschil: "De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks" (Matt. 21:42). Zach. 12:1-6; Ps. 118:22; Matt. 21:42 "Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene" (Zach. 12:10). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier spreekt: Ik, de HEERE Zelf, in Zach. 12:1 al genoemd als Degene Die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest. Toch zegt diezelfde Ik in dit vers: Mij, Dien zij doorstoken hebben, en meteen daarna Hem. Deze wisseling tussen de eerste en de derde persoon, over hetzelfde Onderwerp, is een van de meest opmerkelijke zinswendingen in het hele Oude Testament. Let vervolgens op wat vooraf gaat: de Geest der genade en der gebeden wordt eerst uitgestort, en pas dan volgt het aanschouwen en de rouw — het inzicht zelf is al een genadewerk. Let ten slotte op de rouw die volgt: niet vrees, maar rouwklage als over een enigen zoon, als over een eerstgeborene — een persoonlijk, diep verdriet. Typologie: Johannes verbindt dit rechtstreeks met de kruisiging, waar een soldaat de zijde van de Heere Jezus met een speer doorstak: "En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebben" (Joh. 19:37). Het laatste boek van de Schrift haalt hetzelfde vers nogmaals aan, nu bij Zijn wederkomst: "Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben" (Op. 1:7, reeds behandeld). Zach. 12:10; Joh. 19:37; Op. 1:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Zacharia spreekt over een dag waarop God Jeruzalem verlossen zal. Midden in die belofte van redding staat een vers dat pas begrijpelijk wordt als men weet wat er in Jeruzalem gebeuren zou. God zegt dat men Hém zal aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben — en dat er dan geweend wordt als over een enige zoon. Er staat iets wat men twee keer moet lezen. God spreekt: zij zullen Míj aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben. Niet: hem. Mij. En daarna gaat het weer over Hem: zij zullen over Hém rouwklagen. Dat verschuiven tussen Mij en Hem in één vers is geen slordigheid. Het is dezelfde spanning die door heel het Oude Testament loopt: God zelf komt, en toch is er Een Die gezonden wordt. Het doorsteken staat in de toekomende tijd, en Zacharia schrijft eeuwen vóór de Romeinen het kruis gebruikten. Wat er aan voorafgaat is genade: Ik zal uitstorten den Geest der genade en der gebeden. Pas daarna komt het zien en het wenen. Het is dus geen wroeging die vanzelf opkomt, maar berouw dat gegeven wordt — en het eerste wat de Geest doet, is de ogen richten op Hem Die doorstoken werd. De rouw wordt vergeleken met het verlies van een enige zoon, en met een eerstgeborene. Dat zijn de twee zwaarste vormen van verdriet die het Oude Testament kent. Johannes haalt het vers aan bij het kruis, direct nadat een soldaat met een speer in Zijn zijde gestoken heeft: een andere Schrift zegt, zij zullen zien in Welken zij gestoken hebben. En in het eerste hoofdstuk van Openbaring keert het terug bij Zijn komst: alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. In het Nieuwe Testament: Johannes 19:34-37; Openbaring 1:7; Handelingen 2:36-37
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas De boetvaardigheid is in geen enkele zin een voorbereiding tot het geloof in Christus. Zij is juist andersom: een rechtmatig gevolg van het geloof. En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder: het geslacht van het huis van David bijzonder en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan… Zij zullen over hem bitterlijk kermen. Zach. 12:10 Wanneer de Joden Jezus aannemen als de Messias, dan zullen zij op Hem zien als doorstoken en gedood, en het… Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest van de genade en van de gebeden; en zij zullen mij aanschouwen,… Aanschouw Sion… Uw ogen zullen Jeruzalem zien… Want de HEERE zal daar in Zijn macht bij ons zijn. Het zal een plaats van rivieren, van brede stromen zijn.… Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David, en het huis Davids… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Zacharia 12
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben — 12:10
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Zach. 12:12-14 - Bijzonder
Zach. 12:10 - De bitterheid van het kruis
Zach. 12:10 - Rouwklagen bij het kruis
Rivieren en brede stromen
En het huis Davids zal zijn als goden


Zacharia 12
Zacharia 12:1-4.KruisverwijzingenJesaja 42:5→Zacharia 14:14→Mattheüs 21:44→Jesaja 57:16→Jeremia 51:15→Psalmen 75:8→Jesaja 51:22→Zacharia 14:2→
— De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert. Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen. Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.
Komt God op om Zijn eigen volk te verdedigen, dan zal Hij Jeruzalem voor hen tot een schaal van zwijmeling maken. En dat hoe veracht dat volk ook is, en hoe veracht Israel ook is. Hij zal haar tot een lastige steen maken die zij niet verdragen kunnen, en zij zullen blij zijn er van af te zijn.
Ik herinner mij een verhaal uit de legenden van de oude heiligen. Het gaat over een heilige vrouw die door de goddelozen van haar wijkplaats weggevoerd werd, met de bedoeling haar tot zonde te dwingen. De legende gaat dat zij, terwijl zij haar droegen, hun macht in het geheel niet weerstaan kon. Maar zij werd zwaarder en zwaarder, zodat zij haar niet meer konden dragen en gedwongen waren haar neer te zetten. En toen ging zij terug naar de plaats waar zij was.
Ik geloof dat die legende in beeld brengt wat er gebeurt wanneer een waar kind van God door verzoeking en zonde gevankelijk weggevoerd wordt. Na een tijd komt God en maakt Hij hen tot een lastige steen, en dan zijn zij gedwongen hen neer te zetten.
Zacharia 12:2.KruisverwijzingenZacharia 14:14→Psalmen 75:8→Jesaja 51:22→Jesaja 51:17→Jeremia 25:17→Openbaring 18:6→Habakuk 2:16→Jeremia 25:15→
— Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.
God zal niet alleen de afgoden verwoesten, maar Hij zal ook hun namen uit het land uitroeien, en zij zullen niet meer gedacht worden.
Zacharia 12:3.KruisverwijzingenMattheüs 21:44→Zacharia 14:2→Daniël 2:34→Daniël 2:44→Zacharia 14:6→Lukas 20:18→Zacharia 13:1→Obadja 1:18→
— En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.
Gods wet in het boek Deuteronomium bepaalde dit: wie zich voor een profeet uitgaf en het volk tot de dienst van de afgoden zocht af te leiden, moest gedood worden. En hier wordt verklaard dat er, wanneer God het land gereinigd had, geen valse profeten meer zouden zijn. Gaf iemand zich dan toch voor een profeet van de HEERE uit terwijl God hem niet gezonden had? Dan zouden zijn eigen vader en moeder de eersten zijn om het oordeel aan hem uit te voeren.
Zacharia 12:4.KruisverwijzingenZacharia 12:3→Deuteronomium 28:28→Zacharia 12:8→Handelingen 17:30→Jesaja 37:17→2 Koningen 6:14→Ezechiël 38:4→Jesaja 24:21→
— Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.
De valse profeten hoopten door de ruwheid van hun kleding de aandacht van het volk te winnen, en bootsten daarmee de dracht van Elia na. Maar dat alles zou afgelegd worden, want het volk zou zo goed onderwezen zijn dat het weigerde naar de valse profeet te horen.
Zacharia 12:5.KruisverwijzingenPsalmen 18:32→Zacharia 10:12→Jesaja 28:6→Jesaja 1:10→Jesaja 1:23→Richteren 5:9→Zacharia 12:6→Psalmen 68:34→
— Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.
Zij zullen zich er zo over schamen! Het houden van vee zal hun een veel edeler beroep lijken dan zich valselijk voor een profeet van de HEERE te hebben uitgegeven.
Zacharia 12:6.KruisverwijzingenObadja 1:18→Zacharia 2:4→Zacharia 9:15→Jeremia 31:38→Daniël 2:34→Jeremia 30:18→Jesaja 41:15→Micha 5:5→
— Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechterzijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.
U draagt de tekenen die men gewoonlijk bij Gods knechten ziet. U hebt uzelf gekerfd zoals Zijn profeten plachten te doen. U hebt zich als het ware met de naam van uw God laten tekenen. Wat betekent dat alles? Maar hij zal zich er zo over schamen dat hij liever wat anders zegt dan te bekennen dat hij een valse profeet is.
Wat een barmhartigheid is het wanneer God mensen zich over de zonde laat schamen! En wanneer Hij hen zich zo over de valse leer laat schamen dat zij haar niet verdragen kunnen en haar niet langer verkondigen willen! Och, of die dag al gekomen was!
Zacharia 12:10.KruisverwijzingenOpenbaring 1:7→Joël 2:28→Ezechiël 39:29→Jeremia 6:26→Johannes 19:34→Efeze 6:18→Jesaja 44:3→Romeinen 8:26→
— Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
“Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”
Dit is een belofte aangaande Israel. Lang hebben de Joden de Christus verworpen, maar de dag komt waarop zij Jezus van Nazareth als de beloofde Messias zullen erkennen. Op die dag zal deze belofte vervuld worden. God moet altijd eerst de Geest der genade geven voordat mensen recht bidden, en waar genade gegeven wordt, is er altijd waar gebed.
Deze profetie ziet in de eerste plaats op het Joodse volk, en ik ben er blij om dat zij onze overtuiging bevestigt dat de HEERE aan Israel goed zal doen. De dag komt waarop zij in Jezus van Nazareth die Messias zullen zien naar Wie hun heiligen met blijde verwachting uitzagen. Over Hem spraken de profeten met verrukking, maar hun verblinde leiders hebben Hem veracht en verworpen. Wat een blijde dag zal het zijn wanneer onze Joodse broeders allen voor het aangezicht van de HEERE der heirscharen zullen aanbidden! En dat door hun grote Hogepriester, Die priester is in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.
Maar het is ook goed deze tekst te horen zoals hij tot óns spreekt, want hier ligt een grote misvatting die onder allerlei mensen gewoon is. Men gelooft tegenwoordig dat wij eerst over onze zonden moeten treuren en daarna in het geloof op onze Heere Jezus Christus moeten zien. De meeste mensen die enige zorg over hun ziel hebben maar nog niet door de Geest van God verlicht zijn, denken er zo over. Er zou een zekere mate van tederheid van geweten en van haat tegen de zonde zijn die zij eerst op de een of andere manier moeten verkrijgen. En dan zou het hun geoorloofd zijn op Jezus Christus te zien.
U ziet dat dit niet naar de Schriften is. Want volgens de tekst die voor ons ligt, zien mensen eérst op Hem Die zij doorstoken hebben, en dáárna, maar niet eerder, treuren zij over hun zonde. Dit is de gewone menselijke dwaasheid: men zoekt het gevolg om de oorzaak voort te brengen; men zet de kar voor het paard.
Bij sommige ziekten mikt de wondheler op het opwekken van een uitslag op de huid, die het inwendige gif wegvoert en zo de genezing helpt. Maar niemand zou het recht hebben van de arts weg te blijven totdat hij die uitslag op zijn huid kon zien. Die uitslag is namelijk een teken van gezondheid, een voorbode van de genezing, een gevólg van het geneesmiddel — en volstrekt geen voorbereiding erop. Zo is ook de boetvaardigheid het onder eigen ogen brengen van de zonde die binnenin schuilt; zij is een gevolg van het geneesmiddel van het geloof.
Wanneer zij ontdekken dat zij de ware Messias verworpen hebben, zullen zij overstelpt worden met de scherpste smart die ooit verdragen is — een smart die niet in te denken is.
Zacharia 12:11.Kruisverwijzingen2 Koningen 23:29→2 Kronieken 35:24→
— Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon.
Eén van de grootste rouwklachten die ooit bekend geweest is, was die om Josia. Hij was in de strijd gevallen, en het volk klaagde dat de beste van hun koningen zo vroeg van hen weggenomen werd. Zo zal de smart zijn die op het boetvaardige Israel valt.
Zacharia 12:12-14.Kruisverwijzingen2 Samuël 5:14→Openbaring 1:7→Mattheüs 24:30→Lukas 3:31→Zacharia 7:3→Jona 3:5→Jeremia 4:28→Jeremia 13:18→
— En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simei bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder.
Er zal een algemene rouwklacht door het hele land zijn, en toch zal zij voor elk huisgezin bijzonder en persoonlijk wezen: elk geslacht bijzonder.
Ware boetvaardigheid is de eigen daad van ieder mens afzonderlijk. In de regel kan zij niet in de massa verricht worden. Er is een algemene boetvaardigheid die, zoals die van de Ninevieten, iets bijzonder voortreffelijks heeft omdat zij een hele stad of een heel volk raakt. Maar dat is niet de boetvaardigheid die hier beschreven wordt.
Hier snijdt en wondt de scherpte van de persoonlijke overtuiging van zonde het geweten van ieder mens afzonderlijk. En ieder uit een bittere klacht, alsof hij de enige zondaar op de wereld was. Och, hoe oprecht zouden u en ik boete doen als wij het gevoel hadden dat wij de enigen waren die Gods wet ooit overtreden hadden! En toch moeten wij zulke boetvaardigheid kennen als wij persoonlijk vergeving willen ontvangen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
D. Het 4de en laatste hoofddeel van ons Boek (Hoofdst. 13-14), dat met het derde nauw zamenhangt, handelt insgelijks over Israëls toekomst en die van de volken, namelijk over het gericht, waardoor het volk Gods eens gelouterd, geheiligd en tot volmaaktheid geleid, maar de wereldmacht geheel en voor altijd vernietigd zal worden. Het is het laatste en hoogste doel van alle wegen Gods met zijn volk en rijk, de verwezenlijking van het gehele raadsbesluit van Gods genade, dat hier wordt voorgesteld, namelijk de overwinning van het rijk Gods over het gehele rijk der duisternis, en zijne volmaking in eeuwige heerlijkheid. Wij onderscheiden 2 delen. In het eerste van deze (vs. 1-Hoofdst 13:6) zien wij Israëls strijd en overwinning over het rijk der wereld, zijne gehele bekering en begenadiging; in het tweede (Hoofdst. 13:7-14:21) Israëls loutering en reiniging van zijne onechte leden, en de volmaking der heilige Godsstad Jeruzalem in heerlijkheid. Vs. 1-Hoofdst 13:6. Alle volken der aarde zullen zich eens verenigen en opstaan, om Jeruzalem, Gods volk en rijk geheel te verdelgen, maar de Heere zal Zijnen toorn over hen uitgieten, en hen met blindheid slaan (vs. 1-4). Israël en zijne vorsten zal Hij echter met wonderbare kracht van boven toerusten, zodat zij alle hun vijanden overwinnen (vs. 5-9 ). Dan zullen zij verlicht door Gods Geest en Zijne genade, die over hen zal worden uitgestort, met berouw en leedwezen erkennen, dat zij in den goeden Herder hunnen Messias hebben gedood (vs. 10-14), en zullen zich van alle afgoderij afscheiden en reinigen (Hoofdst. 13:1-6).
De last, de aankondiging des gerichts (Jes. 13:1) van het woord des HEEREN over Israël, het volk van het rijk Gods. De HEERE, de almachtige Schepper, spreekt, die den hemel uitbreidt en de aarde grondvest, die dat in den beginne deed, en met Zijnen Geest en wil nog voortdurend deze Zijne ganse schepping onderhoudt en bestuurt, en die des mensen geest in zijn binnenste formeert, niet alleen dit deed bij den eersten mens, maar nog voortdurend door Zijnen Heiligen Geest schept en leidt, die dus ook zeker datgene kan vervullen, wat Hij Zijn volk in ‘t volgende belooft (Jes. 42:6). Dit opschrift boven de gehele afdeling komt juist overeen met het opschrift in Hoofdst. 9:1. Gelijk daar de verkondiging van Gods gericht over de vijandige wereldmacht, door te wijzen op het alziend oog des Heeren bekrachtigd was, zo hier de verkondiging van het gericht over Israël door het wijzen op de scheppende almacht Gods. Onze afdeling handelt werkelijk over Israël, en de toekomst van het rijk Gods, even als de vorige over de toekomst van de rijken der wereld. Daar echter beide, het rijk Gods en het rijk der wereld in voortdurenden strijd zijn en van dezen juist in beide afdelingen sprake is, zo wordt ook in ‘t volgende veel van het wereldrijk gesproken. Het is echter een gericht over Israël, dat wordt aangekondigd; want de leiding van Israël door lijden en strijd tot bekering, heiliging en volmaking in heerlijkheid is niets anders dan een gericht, zowel van genade als van toorn. Met deze woorden spreekt de Heere uit, wie Hij is, opdat Zijn volk, het geestelijk Israël, zal weten, dat Zijne belofte vast en zeker is, dat Hij is de werkmeester van alle genadeheil, Wien het niet aan macht ontbreekt. Hij is de Heere, de almachtige Schepper. Hij is degene, die altijd weer des mensen geest in zijn binnenste formeert. Hij is het derhalve Wien het evenmin aan macht als aan liefde ontbreekt, om te doen, wat Hem in Zijn wijsheid behaagt.
Ziet de tijd zal komen, dat alle volken in bittere vijandschap tegen Mijn rijk opstaan, welks middelpunt dan ook weer Jeruzalem zal zijn, en zij zullen dat belegeren; maar Ik zal Jeruzalem stellen tot ene drinkschaal der zwijmelingen allen volken rondom. Daaruit zullen zij toorn en gericht drinken, welke hen dronken maken, zodat zij niet meer kunnen staan, maar moeten nedervallen en omkomen (Jes. 51:17). En niet alleen de stad Jeruzalem zal hun ter vernietiging zijn, ja ook zal zij, die poging om te vernietigen, zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem 1).
Of “wanneer hij zelf voor Juda zal wezen, voor Jeruzalem zal wezen ten bolwerk. ” Door ene spoedige spraakwending, den Profeten zeer gewoon, wordt de eerste persoon door den derden afgewisseld. Voorts moet men hier het spreekwoord “Hij zal wezen” ook op Jeruzalem, en het woord “ten bolwerk” ook op Juda betrekkelijk maken; ene woordvoeging aan den stijl van Zacharia bijzonder eigen, en waarvan men in dit zelfde hoofdstuk nog twee voorbeelden aantreft, vs. 5 en vs. 10.
En nog meer; het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken, waaraan zij zich te vergeefs moede werken, en zichzelven slechts verderf veroorzaken; allen die zich daarmee beladen, zullen gewis doorsneden worden aan hun handen; en al de volken der aarde, die het rijk van God haten, zullen zich tegen haar verzamelen 1).
Alle de volken der aarde worden hier ondersteld te zamen vergaderd te zijn tegen haar, sommigen den enen tijd, sommigen den ander; daar is ene opvolging van vijanden geweest van eeuw tot eeuw; die de Kerk oorlog aandeden; ja, alhoewel zij allen tegelijk in ene verbittering waren tegen haar, en een besluit gevormd hadden, om den naam van Israël af te snijden, opdat dezen niet meer geacht zou worden (Ps. 83:4). Zij zullen dit eenmaal te zware taak voor zich vinden; zij, die er voor zijn, om het koninkrijk der zonde in de wereld op te houden en te bevorderen, beschouwen Jeruzalem, zelfs Gods Kerk, als de grootste hindernis voor hun oogmerken, en zij moeten haar uit den weg hebben, doch zij zullen het zwaarder vinden, dan zij denken, zodat zij haar niet kunnen wegruimen. God wil een Kerk in de wereld hebben, in spijt van hen.
Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik zelf de beslissing tussen Mijn rijk en de volken, die er op aanstormen, teweegbrengen, dan zal Ik op ene wonderbare, door gene menselijke macht veroorzaakte wijze, alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid, zodat de gehele legermacht, in plaats van Jeruzalem te beschadigen, integendeel blindelings in hun eigen verderf zal lopen; maar over het huis van Juda zal Ik Mijne ogen openen, om ze te beschermen voor als kwaad, en alle paarden der volken zal Ik, als in Elisa’s tijden (2 Kon. 6:18) met geestelijke blindheid slaan, zodat zij tegen elkaar aanrennen, en hun ruiters elkaar doden, zoals dat geschiedde, toen Gideon de Midianieten bij het gebergte van Gilboa sloeg (Richt. 7:22. 1 Sam. 14:20
Dan zullen de leidslieden van Juda, die als ware helden Gods door het geloof het leger Mijner gelovigen in dien laatsten tijd der beslissing tussen Mijn rijk en het rijk der duisternis aanvoeren, in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen Mij ene sterkte zijn, en mij goddelijken moed en onverwinbare kracht schenken in den HEERE der heirscharen, hunnen God, daarom dat Hij Zijne woning in deze Zijne heilige stad heeft gevestigd, en Zion heeft verkoren, dat het ‘t middelpunt van Zijn rijk zal zijn.
Dit hartelijk vertrouwen van de hoofden Mijns volks op Mijne belofte zal Ik ook rijkelijk belonen; want te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurigen haard, die onder het houtbrandt, en als een vurigen fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechter- en ter linkerzijde alle volken, die rondom Jeruzalem zullen verzameld zijn, verteren 1), zodat hun niets tegen Mijn rijk zal gelukken, en Jeruzalem zal nog onveroverd en onverwoest blijven in hare plaats te Jeruzalem 2).
Juist, omdat de vorsten op Jeruzalem hun vertrouwen stellen, omdat deze stad door den Heere is verkozen tot Zijn woning, zullen zij zijn als een vurige haard en een brandende fakkel. Niet omdat zij op mensen steunden, maar omdat zij in Jeruzalem steeds er hun sterkte stelden op den Heere God.
Het eerste Jeruzalem wordt genomen voor de inwoners, het tweede voor de stad zelf.
En de HEERE zal de onbeschermde tenten van Juda, Zijn gezamenlijk verbondsvolk, ten voorste, in de eerste plaats nog voor het welbeschermde Jeruzalem, voor den aandrang van het grote leger der volken behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, dat dan volgens Mijne belofte in Hoofdst. 4:6-10 :14. Hagg. 2:23, in den Davids-spruit zal verhoogd zijn, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, dat dan weer tot woonplaats des Heeren verkozen zal zijn (Hoofdst. 1:16 v. 2:8, 10 vv.), zich nietop zijne hoge begenadiging verheffe tegen Juda, alsof zij een voorrang boven Juda hadden; want de hun gegevene en dan vervulde belofte komen op gelijke wijze ten goede voor het ganse volk van God.
Te dien dage, in dien laatsten tijd, zal de HEEREniet minder dan het overige volk van God, de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, die van nature zwak is en ongeschikt om aan vijanden tegenstand te bieden, zal te dien dage zijn als David 1) de dapperste held in Israël, die in Zijnen naam enen Goliath velde 1 Sam. 17:34 vv. 2 Sam. 17:8 en de sterke onder zijne burgers, die reeds van nature kracht bezit, die als het huis Davids is, zal door toerusting met Mijne wonderbare kracht zijn als goden (God), als een wezen van bovenmenselijken oorsprong, ja van zulk ene alles overweldigende macht, als de Engel des HEEREN als Hij, in wien God zelf woonde, en die eens voor hun aangezicht heentrok, en hen uit Egypte naar Kanaän heeft geleid, daar Hij allen tegenstand vernietigde (Ex. 23:20 v. (Jes. 5:13 vv.)
In den grond is het huis van David, dat te dien tijde als God zelf in macht en heerlijkheid zal schitteren, ja aan den Engel des Heeren in de wolkkolom, aan de verborgene heerlijkheid Gods zal gelijken, niemand anders dan de Spruit van David, Jezus Christus, die als Koning aller koningen Zich aan Zijn volk zal hebben geopenbaard. Zijn beeld dragen de gelovigen in zich, en door deze gelijkvormigheid aan Hem zullen zij ene zo grote heldenkracht betogen. Hoger kan de Messiaanse verwachting in de verheerlijking van het koninklijk hart niet stijgen; want wij zien den verwachten Gezalfde in de bovenmenselijke grootheid van goddelijke volkomenheid van macht wandelen. Alle burgers van het nieuwe Jeruzalem zullen zonder onderscheid met hun Hoofd, den verheerlijkten Mensenzoon, helden Gods zijn, aangedaan met de heerlijkheid van hunnen Koning. “Omdat zij allen denzelfden Christus en Zijnen Geest hebben, zal ieder, hoewel Hij de geringste en zwakste is, evenveel vermogen als de allersterkste. Want zij zullen allen de zonde, dood en wereld overwinnen. Enerlei overwinning hebben zij allen, hoe ongelijk zij ook zijn. Want in hen allen is één Geest en één Christus, die hen beschermt en hen bijstaat, zodat, hoewel Hij voor de wereld niets dan struikelende en zwakke mensen schijnen, die voor ieder wijken moeten, toch enkel helden en overwinnaars zullen zijn. Zwak zijn de Christenen, wanneer zij in lijden en in droefheid zijn, zoals Paulus zegt: “als ik zwak ben, dan ben ik machtig. ” .
En alsdan zal Ik Mijn werk tot redding van Mijn verlost volk volbrengen, niet alleen Jeruzalem en Juda voor elke schade en onbillijkheid bewaren, ook niet alleen de tot verdelging van Mijn rijk verzamelde volken met verwarring, verblinding en angst slaan, enkelen doden en het leger op de vlucht slaan, maar het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle legers dezer Heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen, om de vijandschap tegen Mijne heiligen uit te roeien. Zij zelven zullen echter het loon en het einde hunner boosheid in den eeuwigen dood vinden. Alles is bepaald verloren, wat tegen Gods rijk strijdt; alles moet omkomen wat Christus wil ombrengen. Volbreng dus uwen laatsten strijd, o Jeruzalem! en strijd mannelijk, gij zult toch overwinnen en vrolijk zingen na de overwinning! Trek uwe sterkte aan, en wapen u met uwen God. Hij zal ere geven, zodat gij u zult verwonderen. Houd u slechts aan Hem. Zij zullen aan alle zijden op u aandringen, van alle kanten zullen zij op u aanlopen. Maar zij weten niet, dat zij moeten verzameld worden als de garven op den dorsvloer, dat zijn onder u moeten worden gedorst. Dan zult gij den roof uitdelen van hun goederen. Onze Profeet zegt ons ook, hoe dit volk zulke wonderen doet, en welke zijne macht tegenover al zijne vijanden zal zijn. Wanneer de Heere alle volken, die tegen Jeruzalem optrekken, zal vernietigen, en een einde aan hun verdrukking zal maken, wat zal er dan geschieden? Is het misschien ene krijgshaftige geestdrift, welke bij dit volk zal ontwaken? Is het een natuurlijke heldenmoed, welke vlees tot zijnen arm stelt? Wij vernemen het geheel anders.
Doch niet alleen uit uitwendigen nood en druk door de goddeloze wereld van volken zal Ik Mijn volk Israël in dien laatsten tijd redden (vs. 1-9), maar vooral ook uit den nood der zonde, uit verblinding en ongeloof, over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, over groten en geringen, overheid en onderdanen van Mijn volk, over de hoofdstad en het gehele volk, dat daarin vertegenwoordigd is, zal Ik in dien tijd, wanneer Ik alles zal voleindigen, en Mijn rijk der heerlijkheid zal oprichten a), uitstorten, rijkelijk laten nederdalen den geest der genade en der gebeden 1). Door Mijne scheppende almacht maak Ik hun een nieuw hart en enen nieuwen Geest, een hart dat naar Mijne genade verlangt, en die begerig in zich opneemt, een hart, dat met ernstig bidden en smeken genade en vergeving der zonden en Mij vraagt, een hart, dat zich in diepen rouw en in boete tot Mij wendt. En Zij zullenmet de ogen van dien nieuwen Geest in bittere smart en droefheid Mij, den Heere b), aanschouwen, en met smekingen om vergeving tot Mij opzien. Door den enigen goeden Herder, dien Ik hun zond, om hen uit alle zonde, uit nood en ellende te verlossen (Hoofdst. 11:13), openbaarde Ik Mij aan hen, en stelde Ik Mij voor hen, maar zij hebben dien snood verstoten, veracht, schandelijk beloond, Hij is het, dien zij zelfs doorstoken hebben, met marteling en pijn ter dood gebracht, zo als reeds de Profeet Jesaja in Jes. 53:8 v. had voorzegd. En zij zullen over Hem, den door hun misdaad gedoden goeden Herder, hunnen Verlosser, in wien Ik zelf tegenwoordig was, maar die toch weer van Mij onderscheiden was, met zulk ene bittere droefheid rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen door den dood ontrukten zoon; en zij zullen over Hem, en daarin over hun zonde, misdaad en lang aangekleefd ongeloof, bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over enen eerstgeborene, die door den dood is weggerukt.
Hiermede is bewezen, dat in het Oude Testament zelfs de profetische overtuiging leefde. De bedeling, die zij thans van den Heiligen Geest hebben, is nog slechts uiterst gebrekkig. De eigenlijke bedeling van den Heiligen Geest toeft nog. En eerst in de dagen van Messias zal die volle en eigenlijke bedeling van den Heiligen Geest komen. Wat de Heere God hier voorspelt is vervuld op den Pinksterdag volkomen. Toen is de Heilige Geest uitgestort, toen heeft de derde Persoon van het Goddelijke Wezen bezit genomen van het lichaam van Christus. Hij is de Geest der Genade en der gebeden. Hij doet zien, wat het betekent, tegen Christus gezondigd te hebben. Hij verwekt de ware droefheid naar God, die alleen de berouwelijke bekering tot zaligheid werkt.
Te dien dage zal over de door Mijn volk erkende grote misdaad van het verwerpen en het vermoorden van hunnen Messias en Verlosser, te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, ene zo diepe en algemene klacht, gelijk de rouwklage was van het volk over hunnen godvruchtigen, rechtvaardigen koning Josia te Hadadrimmon 1) (= het bersten van den granaatappel), ten westen van Jizreël, als hij in den slag tegen Faraö werd overwonnen, en in het dal van Megiddon dodelijk werd gewond, zodat hij daarop den geest gaf, waardoor Israël in dienstbaarheid werd gebracht (2 Kon. 23:29. 2 Kron. 35:22 Hiëronymus bericht, dat Hadadrimmon in zijnen tijd ene stad nabij Jizreël, de vroegere residentie der koningen van het rijk Israëls geweest is, en benevens dezen Kanaänietischen of Hebreeuwsen naam ook den Romeinsen naam Maxinianopolis droeg. In de nabijheid daarvan bevond zich het slagveld Megiddo. “Deze mededeling van Hiëronymus wordt daardoor bevestigd, dat de oude naam der stad in Rumoeni, een dorpje 3/4 uur ten zuiden van Ledsjun (Legio Megiddo, Joz. 12:21) bewaard is. De dood van Josia, den vroomsten van alle koningen van Juda, werd door het volk, ten minste door de vromen, met zoveel smart beweend, dat niet alleen de Profeet Jeremia een klaagzang op zijnen dood maakte, maar ook andere zangers en zangeressen in treurzangen hem beklaagden, welke, in ene verzameling van klaagliederen opgenomen, nog lang na de ballingschap in Israël zijn bewaard gebleven (2 Kron. 35:25).
En het ganse land zal rouwklagen in smart over den dood van zijn Messias, en de oorzaak daarvan; de rouw zal zo algemeen zijn, dat iedere familie en elk geslacht bijzonder rouwklachten zal aanheffen, en daardoor tonen hoe diep bij ieder van hen de smart is; en niet alleen de hoofdgeslachten, maar alle bijzondere takken daarvan, niet alleen de mannelijke maar ook de vrouwelijke leden daarvan zullen zo doen; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder, en het geslacht van het huis Nathan, den zoon van David, uit welken Zerubbabel en Jezus Christus afstamden (Luk. 3:38) bijzonder, en hun vrouwen bijzonder.
Het priesterlijk hoofdgeslacht van het huis vanden aartsvader Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het eveneens priesterlijk zijgeslacht van Simeï 1), den kleinzoon van Levi (Num. 3:17 v.) bijzonder, en hun vrouwen bijzonder.
Eerst worden twee Koninklijke en daarna twee Priesterlijke geslachten genoemd, om daarmee aan te duiden, dat uit alle standen de Heere Zijn volk zou voortbrengen, maar ook om daarmee aan te duiden, dat het aardse Koninkrijk en het tijdelijk Priesterschap moest plaats maken voor de Priesterlijk-Koninkijke heerschappij van den groten Davids Zoon.
Alzo zullen al de overige geslachten of families op gelijke wijze doen, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder. “Evenals in koren bij grote rouwfeesten treden de bijzondere geslachten op en laten hun klagende stemmen, onder welke de hartverscheurende der vrouwen nog in ‘t bijzonder worden onderscheiden, luide klinken. ” Ieder moet zijn eigen kruis voor zich dragen, zoals Christus het Zijne gedragen heeft; een ieder zal voor zich in berouw en boete zich bekeren, en op het kruis van Christus leren zien. Zien wij nog eens terug op de heerlijke voorzegging van deze verzen 10-14. Wij zien binnen Jeruzalem ene nieuwe schepping, gewerkt door den Geest van God, die over het huis van David, en over de inwoners der stad wordt uitgestort. Het is de Geest der genade, die dit wonder ener gehele en volkomene omkering te weeg brengt. Van God stroomt de zachte en vruchtbaarmakende regen der genade op groten en geringen neer, en maakt de harde harten week, dat zij, zich openen en kinderlijk vertrouwen op den Vader in den hemel en gebeden in sterk smekende woorden tot Hem opstijgen. Welk een liefelijk verbond is dat! Van boven genade, en van beneden smeken om genade! Waar dit ontbreekt, wanneer de mens met zijne verdienste en aanspraak op loon voor het aangezicht van den Heilige treedt, en bij den nauwgezetsten arbeid van heiliging van Zijnen wil, van alle aanspraak afstand doet, en om genade bidt tot Hem, wiens vergevende liefde groter is dan de schuld des mensen, daar is alle godsdienstig leven zonder zijne eigenaardige wijding en waarheid. De Heilige Geest openbaart eerst 1) de noodzakelijkheid der genade; 2) hare zekerheid; 3) heerlijkheid, en 4) den weg daartoe door gebed; de Heilige Geest 2) drijft tot gebed; 2) leert ons bidden en bidt zelf in ons en voor ons (Rom. 8); 3) sterkt tot gebed en bewaart daarbij; 4) Hij reinigt en heiligt ons gebed. En dat alles in gemeenschap met Christus. Zo in dus het voornaamste werk van den Geest der genade om Jezus te verheerlijken, de bedekselen weg te doen, de verbinding der zinnen te verdrijven, en als een Geest des gebeds dan ook de ware schuldbelijdenis en de gelovige verklaringen in hart en mond te leggen. Door de uitstorting van dezen Geest der genade en der gebeden zien wij de bewoners van Jeruzalem niet meer omzien naar vreemde goden, die niet kunnen helpen, niet naar zich zelven en hun ijdele macht en sterkte, maar op den waren God des heils. Zij zien op Hem met berouw en smart, want zij hebben zich aan de vreselijkste misdaad schuldig gemaakt; zij hebben enen moord aan God zelven begaan, daar zij Hem, in wien Hij zelf verschenen was, Jezus Christus, den eeuwigen Zoon Gods, gedood hebben. Hoogst merkwaardig zijn de woorden: “Zij zullen Mij aanschouwen, dien zij doorstoken hebben. ” De spreker is volgens vs. 1 de Heere, de Schepper des hemels en der aarde. Hem gaat dus de moord aan, dien Israël aan zijnen Heer en Verlosser misdreven heeft, en toch onderscheidt de Heere Zich weer in het volgende: “Zij zullen over Hem rouwklagen, ” van den gedode. Deze waarachtige tweede persoon der Godheid is tevens, zoals Zacharia reeds weet, de knecht Gods, de nieuwe David, die doorboord en gedood is. Hier is het brandpunt, waar het nederdalen Gods tot aanneming van het vlees, en het verheven worden der mensheid tot het inwonen Gods in enen Godmenselijken persoon wordt volbracht en verwezenlijkt. Merkt op, dat het dezelfde persoon is, die tot hiertoe heeft gesproken, en nu belijdt, dat Hij doorstoken werd (dat is gekruisigd), en dat men Hem beklagen zal als enen dode, dat is, dat Hij aan het kruis is gestorven. Zo wordt ons uit deze plaats duidelijk, dat Christus, waar God en waar mens heeft moeten lijden en sterven. Maar omdat Hij zo veel nog moet doen, dat Hij gesproken heeft en den Geest geven, moet Hij niet in den dood blijven, maar opstaan en weer leven in eeuwigheid. Toen Jezus, in wien de Heere persoonlijk onder Zijn volk verschenen was, gekruisigd werd, werd vervuld wat Zacharia bij zijne profetie veronderstelt, dat namelijk Israël zijnen Messias, den door Jehova gezonden Middelaar der zaligheid zou doden. Toen Jezus zijde met ene speer werd geopend, werd die veronderstelling van Zacharia van het vermoorden van den Messias ook naar den klank der woorden, waarin Zacharia die uitspreekt (Joh. 19:37), vermeld. Toen het hart dier drieduizend, die zich op het eerste Pinksterfeest tot Jezus bekeerden, door smart van rouw en boete doorboord werd (Hand. 2:37-41), begon de eigenlijk op onze plaats uitgesprokene voorzegging verwezenlijkt te worden; volledig zal zij zich echter verwezenlijken, wanneer eens ook het gehele Israël, Israël als volk, zich tot den verworpenen Messias zal bekeren. Want alleen van ene latere bekering van geheel Israël kan vs. 10 #Zec worden verstaan. (Openb. 11:11 v.). Dit is ene belofte, dat menigten uit aanneming van den dood van Christus, krachtdadig tot droefenis over hun zonden zullen gebracht worden en zich tot God bekeren; het zal zulk een algemene genade-vervulling zijn, alsof het ganse huis Israëls den Heere achterna wandelt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel