Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
BeroemH1984 u niet over den dagH3117 van morgenH4279; wantH3588 gij weetH3045 niet, watH4100 de dag zal barenH3205.
Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
KJV
Boast2
not thyself of to morrow;4
for thou knowest7
not what a day3
may bring forth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Laat u een vreemdeH2114 prijzenH1984, en niet uw mondH6310; een onbekendeH5237, en niet uw lippenH8193.
Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
KJV
Let another man2
praise1
thee, and not thine own mouth;4
a stranger,5
and not thine own lips.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Een steenH68 is zwaarH3514, en het zandH2344 gewichtigH5192; maar de toornigheidH3708 des dwazenH191 is zwaarderH3515 dan die beideH8147.
Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
KJV
A stone2
is heavy,1
and the sand4
weighty;3
but a fool's6
wrath5
is heavier7
than them both.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
GrimmigheidH2534 en overlopingH7858 van toornH639 is wreedheidH395; maar wieH4310 zal voorH6440 nijdigheidH7068 bestaanH5975?
Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
KJV
Wrath2
is cruel,1
and anger4
is outrageous;3
but who is able to stand6
before7
envy?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
OpenbareH1540 bestraffingH8433 is beterH2896 dan verborgeneH5641 liefdeH160.
Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
KJV
Open3
rebuke2
is better1
than secret5
love.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
De wondenH6482 des liefhebbersH157 zijn getrouwH539; maar de kussingenH5390 des hatersH8130 zijn af te biddenH6280.
De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
KJV
Faithful1
are the wounds2
of a friend;3
but the kisses5
of an enemy6
are deceitful.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Een verzadigdeH7649 zielH5315 vertreedtH947 het honigzeemH5317; maar aan een hongerigeH7457 zielH5315 is alleH3605 bitterH4751 zoetH4966.
Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
KJV
The full2
soul1
loatheth3
an honeycomb;4
but to the hungry6
soul5
every bitter thing8
is sweet.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Gelijk een vogelH6833 is, die uitH4480 zijn nestH7064 omdooltH5074, alzoH3651 is een manH376, die omdooltH5074 uit zijn plaatsH4725.
Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.
KJV
As a bird1
that wandereth2
from her nest,4
so is a man6
that wandereth7
from his place.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
OlieH8081 en reukwerkH7004 verblijdtH8055 het hartH3820; alzo is de zoetigheidH4986 van iemands vriendH7453, vanwege den raadH6098 der zielH5315.
Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
KJV
Ointment1
and perfume2
rejoice3
the heart:4
so doth the sweetness5
of a man's friend6
by hearty8
counsel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VerlaatH5800 uw vriendH7453, noch den vriendH7453 uws vadersH1 niet; en ga ten huizeH1004 uws broedersH251 nietH408 op den dagH3117 van uw tegenspoedH343. BeterH2896 is een gebuurH7934 die nabijH7138 is, dan een broederH251, die verreH7350 is.
Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
KJV
Thine own friend,1
and thy father's3
friend,2
forsake5
not; neither go9
into thy brother's7
house6
in the day10
of thy calamity:11
for better12
is a neighbour13
that is near14
than a brother15
far off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Zijt wijsH2449, mijn zoonH1121, en verblijdH8055 mijn hartH3820; opdat ik mijn smaderH2778 wat te antwoordenH7725 heb.
Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
KJV
My son,2
be wise,1
and make my heart4
glad,3
that I may answer5
him that reproacheth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De kloekzinnigeH6175 zietH7200 het kwaadH7451, en verbergtH5641 zich; de slechtenH6612 gaan henen door, en worden gestraftH6064.
De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
KJV
A prudent1
man foreseeth2
the evil,3
and hideth4
himself; but the simple5
pass on,6
and are punished.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
AlsH3588 iemand voor een vreemdeH2114 borgH6148 geworden is, neemH3947 zijn kleedH899, en pandH2254 hem voor een onbekendeH5237 vrouw.
Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.
KJV
Take1
his garment2
that is surety4
for a stranger,5
and take a pledge8
of him for a strange woman.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Die zijn vriendH7453 zegentH1288 met luiderH1419 stemH6963, zich des morgensH1242 vroeg opmakendeH7925, het zal hem tot een vloekH7045 gerekendH2803 worden.
Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
KJV
He that blesseth1
his friend2
with a loud4
voice,3
rising early6
in the morning,5
it shall be counted8
a curse
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Een gedurigeH2956 druipingH1812 ten dageH3117 des slagregensH5464 en een kijfachtigeH4079 huisvrouwH802 zijn evenH7737 gelijk.
Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
KJV
A continual2
dropping1
in a very rainy4
day3
and a contentious6
woman5
are alike.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Elkeen, die haar verbergtH6845, zou den windH7307 verbergenH6845, en de olieH8081 zijner rechterhandH3225, die roeptH7121.
Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
KJV
Whosoever hideth1
her hideth2
the wind,3
and the ointment4
of his right hand,5
which bewrayeth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
IjzerH1270 scherptH2300 men met ijzerH1270; alzo scherptH2300 een manH376 het aangezichtH6440 zijns naastenH7453.
Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
KJV
Iron1
sharpeneth3
iron;2
so a man4
sharpeneth5
the countenance6
of his friend.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Die den vijgeboomH8384 bewaartH5341, zal zijn vruchtH6529 etenH398; en die zijn heerH113 waarneemtH8104, zal geeerdH3513 worden.
Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.
KJV
Whoso keepeth1
the fig tree2
shall eat3
the fruit4
thereof: so he that waiteth5
on his master6
shall be honoured.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Gelijk in het waterH4325 het aangezichtH6440 is tegen het aangezichtH6440, alzoH3651 is des mensenH120 hartH3820 tegen den mensH120.
Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
KJV
As in water1
face2
answereth to face,3
so the heart5
of man6
to man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
De helH7585 en het verderfH11 worden nietH3808 verzadigdH7646; alzo worden de ogenH5869 des mensenH120 nietH3808 verzadigdH7646.
De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.
KJV
Hell1
and destruction2
are never3
full;4
so the eyes5
of man6
are never satisfied.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De smeltkroesH4715 is voor het zilverH3701, en de ovenH3564 voor het goudH2091; alzo is een manH376 naar zijn lofH4110 te proeven.
De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.
KJV
As the fining pot1
for silver,2
and the furnace3
for gold;4
so is a man5
to6
his praise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Al stietH3806 gij den dwaasH191 in een mortierH4388 met een stamperH5940, in het middenH8432 van het gestoten graanH7383, zijn dwaasheidH200 zou van hem nietH3808 afwijkenH5493.
Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.
KJV
Though thou shouldest bray2
a fool4
in a mortar5
among6
wheat7
with a pestle,8
yet will not his foolishness12
depart
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Zijt naarstigH3045, om het aangezichtH6440 uwer schapenH6629 te kennenH3045; zetH7896 uw hartH3820 op de kuddenH5739.
Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
KJV
Be thou diligent1
to know2
the state3
of thy flocks,4
and look5
well6
to thy herds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
WantH3588 de schatH2633 is nietH3808 tot in eeuwigheidH5769; ofH518 zal de kroonH5145 van geslachtH1755 tot geslachtH1755 zijn?
Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?
KJV
For riches4
are not for ever:3
and doth the crown6
endure to every7
generation?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Als het grasH2682 zich openbaartH1540, en de grasscheutenH1877 gezienH7200 worden, laat de kruidenH6212 der bergenH2022 verzameldH622 worden.
Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.
KJV
The hay2
appeareth,1
and the tender grass4
sheweth3
itself, and herbs6
of the mountains7
are gathered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
De lammerenH3532 zullen zijn tot uw kledingH3830, en de bokkenH6260 de prijsH4242 des veldsH7704.
De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.
KJV
The lambs1
are for thy clothing,2
and the goats5
are the price3
of the field.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Daartoe zult gij genoegzaamheidH1767 van geitenmelkH5795 hebben tot uw spijzeH3899, tot spijzeH3899 van uw huisH1004, en leeftochtH2416 uwer maagdenH5291.
Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
KJV
And thou shalt have goats'3
milk2
enough1
for thy food,4
for the food5
of thy household,6
and for the maintenance7
for thy maidens.
de dag
Te weten, niet alleen de dag van morgen, maar ook niet van alle toekomende; gelijk zelfs met het overige van den huidigen dag.
Hertaald:
de dag
Namelijk: niet alleen de dag van morgen, maar ook geen enkele toekomende dag, en zelfs niet de rest van de dag van vandaag.
baren
Dat is, tevoorschijn brengen, waardoor hetgeen gij in het toekomende voorneemt, of wacht, zou mogen verhinderd worden. Vergelijk Jak. 4:13-14 , enz.
Hertaald:
baren
Dat is: voortbrengen, waardoor wat u voor de toekomst voorneemt of verwacht verhinderd zou kunnen worden. Vergelijk Jak. 4:13-14, enzovoort.
zwaarder
Dat is, onverdragelijker, te weten niet alleen omdat zij onbillijk en onrechtvaardig is, maar ook onmatig, ongetoomd en met wreedheid verenigd. Zie vs.4. Hebreeuws, daar is zwaarte van steen en gewicht van het zand.
Hertaald:
zwaarder
Dat is: onverdraaglijker, namelijk niet alleen omdat zij onbillijk en onrechtvaardig is, maar ook onmatig, ongetoomd en met wreedheid verbonden. Zie vers 4. Hebreeuws: er is zwaarte van steen en gewicht van het zand.
overloping
Te weten als de mens met zijn onstuimige en woedende gemoedsbewegingen niet anders dan als een vloed, zich geweldiglijk uitstort.
Hertaald:
overloping
Namelijk: wanneer de mens zich met zijn onstuimige en razende gemoedsbewegingen als een vloed met geweld uitstort.
wreedheid;
Dat is, brengt wrede daden en werken voort.
Hertaald:
wreedheid;
Dat is: brengt wrede daden en werken voort.
maar wie zal
De zin is dat nijdigheid erger is dan toorn en grimmigheid, omdat zij dieper in het hart is, en ene verharding der boosheid daarmede vermengd is.
Hertaald:
maar wie zal
De betekenis is dat afgunst erger is dan toorn en grimmigheid, omdat zij dieper in het hart zit en met een verharding in de boosheid vermengd is.
beter
Dat is, heilzamer en meer te begeren.
Hertaald:
beter
Dat is: heilzamer en meer te wensen.
verborgene liefde
Te weten, waardoor iemand zijnen naaste wel gunstig is en alle goed toewenst, maar evenwel hem, als het nodig is, niet bestraft om alzo zijn trouwe liefde te bewijzen.
Hertaald:
verborgene liefde
Namelijk: waarbij iemand zijn naaste wel goedgezind is en hem alle goeds toewenst, maar hem toch niet bestraft wanneer dat nodig is, en zo zijn trouwe liefde niet toont.
wonden
Dat is, berispingen, die met ernstige en harde woorden gedaan zijnde, als een wond in de ziel geven.
Hertaald:
wonden
Dat is: berispingen die, met ernstige en harde woorden gedaan, als een wond in de ziel zijn.
getrouw;
Dat is, zij komen voort uit een trouwe en gestadige liefde en dienen tot het welvaren en de behoudenis dergenen die ze krijgt. Vergelijk Ps. 141:5 .
Hertaald:
getrouw;
Dat is: zij komen voort uit een trouwe en bestendige liefde en dienen tot het welzijn en behoud van wie ze krijgt. Vergelijk Ps. 141:5.
kussingen
Versta, allerlei geveinsd bewijs van liefde.
Hertaald:
kussingen
Versta: allerlei geveinsde blijken van liefde.
zijn af te bidden
Dat is, men moet door ijverige en gedurige gebeden van God begeren dat Hij ons die niet late bejegenen, zowel omdat zij uit een vals hart voortkomen. Anders: veelvoudig.
Hertaald:
zijn af te bidden
Dat is: men moet met ijverige en aanhoudende gebeden van God vragen dat Hij ons die niet laat overkomen, juist omdat zij uit een vals hart voortkomen. Anders: veelvuldig.
ziel
Dat is, een mens, of persoon. Alzo in het volgende. Zie Gen. 12:5 , en de aantekening. Of versta, den lust, dien de mens tot de spijs heeft; gelijk Ezech. 7:19 ; zie de aantekening.
Hertaald:
ziel
Dat is: een mens of persoon. Zo ook in het vervolg. Zie Gen. 12:5, en de aantekening daar. Of versta: de lust die de mens in het eten heeft, zoals Ezech. 7:19; zie de aantekening daar.
vertreedt
Dat is, veracht, heeft een aftrek, afkeer en walg daarvan.
Hertaald:
vertreedt
Dat is: veracht, heeft er afkeer en walging van.
het honigzeem;
Versta onder dezen naam alle aangename, lekkere en heerlijke spijs. Vergelijk boven Spr. 24:13 .
Hertaald:
het honigzeem;
Versta onder deze naam alle aangename, lekkere en kostelijke spijs. Vergelijk hierboven Spr. 24:13.
is, die
Te weten, veel gevaar onderworpen en in gedurige onrust, totdat hij een nieuw nest heeft, hetwelk hij dikwijls kwalijk maken of bekomen kan.
Hertaald:
is, die
Namelijk: aan veel gevaar blootgesteld en in voortdurende onrust, totdat hij een nieuw nest heeft, dat hij vaak nauwelijks kan maken of vinden.
die omdoolt
Te weten, lichtvaardiglijk, zonder nood en wettelijke beroeping.
Hertaald:
die omdoolt
Namelijk: lichtvaardig, zonder noodzaak en zonder wettige roeping.
Olie
Vergelijk boven Spr. 21:17 .
Hertaald:
Olie
Vergelijk hierboven Spr. 21:17.
zoetheid
Dat is, zijne vriendelijkheid, behulpzaamheid en lieflijke aanspraak.
Hertaald:
zoetheid
Dat is: zijn vriendelijkheid, hulpvaardigheid en lieflijke woorden.
vanwege
Dat is, uit oorzaak van den goeden raad, dien hij hem geeft voor zijne ziel, of die uit het goede hart van den vriend voortkomt. Anders: meer dan de raad zijner eigen ziel.
Hertaald:
vanwege
Dat is: vanwege de goede raad die hij hem geeft voor zijn ziel, of die uit het goede hart van de vriend voortkomt. Anders: meer dan de raad van zijn eigen ziel.
ga
De reden is, omdat een vriend altijd liefheeft, boven Spr. 17:17 , en bijzonder in den nood; maar tussen de broeders is dikwijls onenigheid, boven Spr. 18:19 , voornamelijk in tegenspoed, boven Spr. 19:7 ; daarom heeft een vriend veelmalen vastere liefde dan een broeder; boven Spr. 18:24 . Sommigen verstaan het alzo, dat men een getrouwen nabuur moet in waarde houden, omdat hij nabij is, daar een broeder ver van de hand kan zijn en niet zo gereed om te helpen.
Hertaald:
ga
De reden is dat een vriend altijd liefheeft, hierboven Spr. 17:17, en vooral in de nood; maar tussen broers is er vaak onenigheid, hierboven Spr. 18:19, in het bijzonder in tegenspoed, hierboven Spr. 19:7. Daarom heeft een vriend vaak een vastere liefde dan een broer; hierboven Spr. 18:24. Sommigen verstaan het zo, dat men een trouwe buurman in waarde moet houden omdat hij dichtbij is, terwijl een broer ver weg kan zijn en niet zo snel kan helpen.
broeders niet
Dat is, van uwen bloedvriend. Zie Gen. 24:27 .
Hertaald:
broeders niet
Dat is: van uw bloedverwant. Zie Gen. 24:27.
smader
Versta onder dit woord al degenen, die de ouders, meesters, of leraars plegen te verwijten dat hunne kinderen of schooljongens enz. niet wel zijn onderwezen, of zich niet wel gedragen.
Hertaald:
smader
Versta onder dit woord allen die de ouders, meesters of leraars plegen te verwijten dat hun kinderen of leerlingen enzovoort niet goed onderwezen zijn of zich niet goed gedragen.
wat te antwoorden
Hebreeuws, een woord.
Hertaald:
wat te antwoorden
Hebreeuws: een woord.
De kloekzinnige
Zie de verklaring van vs.12 boven Spr. 22:3 .
Hertaald:
De kloekzinnige
Zie de verklaring van vers 12 hierboven Spr. 22:3.
Als
Zie de verklaring van vs.12 boven Spr. 20:16 .
Hertaald:
Als
Zie de verklaring van vers 12 hierboven Spr. 20:16.
zegent
Dat is, groet, hem wensende Gods zegen en alle goed. Zie Gen. 31:55 .
Hertaald:
zegent
Dat is: groet, terwijl hij hem Gods zegen en alle goeds toewenst. Zie Gen. 31:55.
luider stem,
Hebreeuws, grote; dat is onmatig, onhebbelijk en ontijdig, gelijk de vleiers plegen te doen.
Hertaald:
luider stem,
Hebreeuws: grote stem; dat is: onmatig, ongepast en ongelegen, zoals de vleiers plegen te doen.
het zal
Te weten zulke zegening of groetenis.
Hertaald:
het zal
Namelijk: zo'n zegenwens of groet.
hem tot een vloek
Te weten die zo ontijdelijk met openbare pluimstrijking, om zo iets van zijnen vriend te krijgen, zijne zegening of groetenis gedaan heeft.
Hertaald:
hem tot een vloek
Namelijk: voor hem die zo ongelegen en met openlijke pluimstrijkerij zijn zegenwens of groet gedaan heeft, om zo iets van zijn vriend gedaan te krijgen.
gerekend worden
Te weten van God, die de vleiing haat; of van den gezegenden vriend, die den vleier niet gunstig wezen zal; maar veeleer een kwaad nadenken van hem hebben zal.
Hertaald:
gerekend worden
Namelijk: door God, Die de vleierij haat; of door de gezegende vriend, die de vleier niet goedgezind zal zijn maar eerder kwaad van hem zal denken.
kijfachtige huisvrouw
Hebreeuws, een huisvrouw der kijving, of geschillen; dat is, die tot gekijf en geschil genegen, of te kijfachtig is.
Hertaald:
kijfachtige huisvrouw
Hebreeuws: een huisvrouw van de twist of van de geschillen; dat is: die geneigd is tot gekijf en geschil, of die te twistziek is.
zijn even gelijk
Dat is, samen te gelijken, Men kan ook vs.15 aldus vertalen: met een gedurige druiping ten dage, enz. is een kijfachtige huisvrouw te vergelijken. Zie bredere verklaring hiervan boven Spr. 19:13 .
Hertaald:
zijn even gelijk
Dat is: aan elkaar gelijk te stellen. Men kan vers 15 ook zo vertalen: met een aanhoudend gedruip op een dag, enzovoort, is een twistzieke huisvrouw te vergelijken. Zie een uitvoeriger verklaring hiervan hierboven Spr. 19:13.
die haar
Te weten de kijfachtige vrouw. De zin is: Zo iemand haar verbergen, dat is bedwingen kon, hij zou den wind wel verbergen en vast sluiten. Hij wil zeggen dat noch het een noch het ander doenlijk is.
Hertaald:
die haar
Namelijk: de twistzieke vrouw. De betekenis is: als iemand haar zou kunnen verbergen — dat is: bedwingen — dan zou hij ook de wind kunnen verbergen en opsluiten. Hij wil zeggen dat het een noch het ander mogelijk is.
de olie
Versta, de olie, die zulken groten reuk van zich heeft, welke niet voor de mensen kan verborgen blijven als ze voor hunne neuzen komt.
Hertaald:
de olie
Versta: de olie die zo'n sterke geur verspreidt dat die niet voor de mensen verborgen kan blijven wanneer die onder hun neus komt.
zijner rechterhand,
Dat is, waarmede hij zijne rechterhand bestreken heeft. Deze wordt hier bijzonderlijk vermeld, omdat in allen handel en bedrijf der mensen die eerst tevoorschijn komt, waaruit dan de reuk der bestreken olie kan gevat worden.
Hertaald:
zijner rechterhand,
Dat is: waarmee hij zijn rechterhand ingewreven heeft. Die wordt hier in het bijzonder genoemd, omdat die bij al het handelen en doen van de mensen het eerst tevoorschijn komt, waardoor men dan de geur van de aangebrachte olie kan opvangen.
die roept
Dat is, zichzelve meldt of bekend maakt door haar reuk, welke, gelijk hij niet kan worden ingehouden en verborgen worden, alzo ook niet het gekijf van een kwade vrouw.
Hertaald:
die roept
Dat is: zichzelf aankondigt of bekendmaakt door haar geur; en zoals die niet ingehouden en verborgen kan worden, zo ook niet het gekijf van een kwade vrouw.
aangezicht
Versta, het gelaat of wezen des aanschijns, tot droefheid, vrees, toorn enz., gesteld zijnde, hetwelk een ander naar gelegenheid der zaak, door samenspreking opwekt, als hij met goed onderwijs, troost en raad het hart naar behoren bestiert en sterkt. Anders aldus: Ijzer verblijdt [dat is, maakt blinkend] het ijzer, alzo verblijdt een man het aangezicht zijns naasten.
Hertaald:
aangezicht
Versta: de uitdrukking van het gezicht, die op droefheid, vrees, toorn enzovoort staat, en die een ander naar gelang van de zaak door een gesprek opwekt, wanneer hij met goed onderwijs, troost en raad het hart naar behoren stuurt en sterkt. Anders zo: ijzer verblijdt — dat is: maakt blinkend — het ijzer, zo verblijdt een man het aangezicht van zijn naaste.
den vijgeboom
Versta hiermede allen vromen en trouwen dienst, dien de knechten hunnen heren schuldig zijn.
Hertaald:
den vijgeboom
Versta hiermee alle vrome en trouwe dienst die de knechten hun heren verschuldigd zijn.
geëerd
Dat is, zal vergelding en weldaad ontvangen. Vergelijk boven Spr. 13:18 .
Hertaald:
geëerd
Dat is: zal vergelding en weldaad ontvangen. Vergelijk hierboven Spr. 13:18.
Gelijk
Dat is, gelijk de gedaante van een mens, die in het water ziet, zich daarin enigszins vertoont, doch niet volkomenlijk; alzo maakt het hart des mensen zich anders wel ten dele kenbaar door zijne woorden, gebaren en werken; doch niet alzo, dat men zekerlijk daarvan kan oordelen; Jer. 17:9 ; 1 Kor. 2:11 . vs.19 kan ook aldus vertaald worden: De aangezichten zijn tot de aangezichten; dat is, de mensen in hun uiterlijke gestaltenis met andere mensen vergeleken, zijn gelijk wateren; te weten, die elkander zeer gelijk zijn, hoewel zij in kleur, dikte, smaak, enz. verschillen; alzo is het hart des mensen tot de mensen; dat is, alzo is de mens inwendiglijk met zijnen naaste tegelijken, overmits zij allen van verdorven natuur zijn en gelijke zwakheden onderworpen. Sommigen nemen het alzo, dat gelijk het aangezicht des mensen zich vertoont in het water, alzo is de ene vriend tegen den anderen.
Hertaald:
Gelijk
Dat is: zoals de gedaante van een mens die in het water kijkt zich daarin enigszins vertoont, maar niet volkomen, zo maakt het hart van de mens zich wel ten dele kenbaar door zijn woorden, gebaren en werken, maar niet zo dat men daarover met zekerheid kan oordelen; Jer. 17:9; 1 Kor. 2:11. Vers 19 kan ook zo vertaald worden: de aangezichten zijn tot de aangezichten — dat is: de mensen, in hun uiterlijke gestalte met andere mensen vergeleken, zijn als wateren, namelijk die sterk op elkaar lijken hoewel zij in kleur, dichtheid, smaak enzovoort verschillen — zo is het hart van de mens tot de mensen, dat is: zo is de mens innerlijk aan zijn naaste gelijk, omdat zij allen van verdorven natuur zijn en aan dezelfde zwakheden onderworpen. Sommigen vatten het zo op dat, zoals het gezicht van de mens zich in het water vertoont, zo de ene vriend tegenover de andere is.
De hel
Anders: het graf. Zie Job 26:6 , en vergelijk boven Spr. 15:11 .
Hertaald:
De hel
Anders: het graf. Zie Job 26:6, en vergelijk hierboven Spr. 15:11.
niet verzadigd;
Te weten, omdat al wat daarin komt, verslonden wordt en verloren gaat.
Hertaald:
niet verzadigd;
Namelijk: omdat alles wat daarin komt verslonden wordt en verloren gaat.
de ogen
Dat is, de begeerten, die door de ogen in het hart des mensen komen.
Hertaald:
de ogen
Dat is: de begeerten die door de ogen in het hart van de mens komen.
De smeltkroes
Zie boven Spr. 17:3 .
Hertaald:
De smeltkroes
Zie hierboven Spr. 17:3.
te proeven
Dat is, het gerucht dat van hem gaat en gestrooid wordt, rakende zijne woorden en werken; want als men merkt hoe hij dat gerucht neemt, zo wordt hij daaruit geoordeeld hoedanig hij is.
Hertaald:
te proeven
Dat is: het gerucht dat over hem gaat en verspreid wordt over zijn woorden en werken; want wanneer men merkt hoe hij dat gerucht opneemt, kan men daaruit beoordelen wat voor iemand hij is.
Al
Dit is een overtollige manier van spreken, te kennen gevende dat enige dwazen, zo hardnekkig bij hunne dwaasheid blijven, dat zij door gene middelen daarvan afgebracht kunnen worden.
Hertaald:
Al
Dit is een overdrijvende manier van spreken, die te kennen geeft dat sommige dwazen zo hardnekkig bij hun dwaasheid blijven dat zij daar met geen enkel middel van af te brengen zijn.
Wees naarstig,
Hebreeuws, kennende zult gij kennen. Het woord kennen is hier genomen voor bezorgen en waarnemen. Zie Gen. 18:19 .
Hertaald:
Wees naarstig,
Hebreeuws: kennende zult u kennen. Het woord kennen wordt hier gebruikt in de betekenis van bezorgen en waarnemen. Zie Gen. 18:19.
het aangezicht
Dat is, staat en gelegenheid. Dit woord schijnt mede te brengen dat een huisvader zelf bij wijlen naar zijne kudde moet zien, en al de zorg op anderen alleen niet te laten staan.
Hertaald:
het aangezicht
Dat is: de staat en toestand. Dit woord lijkt mee te brengen dat een huisvader zelf af en toe naar zijn kudde moet kijken en niet alle zorg alleen aan anderen moet overlaten.
zet uw hart
De zin is dat elkeen naarstiglijk letten moet op de winning, bewaring en regering van zijn goed; hetwelk in oude tijden veel bestond in vee en beesten. Vergelijk de manier van spreken met Job 1:8 , en de aantekening.
Hertaald:
zet uw hart
De betekenis is dat ieder nauwlettend moet letten op het verwerven, bewaren en beheren van zijn bezit, dat in oude tijden voor een groot deel uit vee en dieren bestond. Vergelijk de manier van spreken met Job 1:8, en de aantekening daar.
de kroon
Dat is de hoogheid, staat en heerlijkheid, die den rijkdom plegen te vergezelschappen. Hij wil zeggen: Gans niet. Het is een vraag, die sterkelijk loochent.
Hertaald:
de kroon
Dat is: de hoogheid, stand en heerlijkheid die de rijkdom gewoonlijk vergezellen. Hij wil zeggen: helemaal niet. Het is een vraag die met kracht ontkent.
laat de kruiden
Te weten tot voorraad van voeder voor uw vee.
Hertaald:
laat de kruiden
Namelijk: als voorraad van voer voor uw vee.
lammeren
Te weten hunne vellen en wol.
Hertaald:
lammeren
Namelijk: hun vellen en wol.
de prijs
Dat is, om een akker, of weide, of andere nooddruft daarmede te kopen, of te betalen.
Hertaald:
de prijs
Dat is: om daarmee een akker of weide of andere benodigdheden te kopen of te betalen.
uw spijze,
Hebreeuws, brood; alzo in het volgende. Zie Gen. 3:19 .
Hertaald:
uw spijze,
Hebreeuws: brood; zo ook in het vervolg. Zie Gen. 3:19.
huis,
Dat is, huisgezin. Zie Gen. 7:1 .
Hertaald:
huis,
Dat is: huisgezin. Zie Gen. 7:1.
leeftocht
Hebreeuws, leven; dat is al wat tot de onderhouding dezes levens nodig is.
Hertaald:
leeftocht
Hebreeuws: leven; dat is: alles wat nodig is om dit leven te onderhouden. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De spreuk zet twee toestanden van het hart naast elkaar: "Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen" (Spr. 14:30). Het beeld is lichamelijk, en het wijst naar binnen: geen wond van buitenaf, maar bederf van binnenuit. Waarop de nijd zich richt, staat er telkens bij. Het gaat niet om afgunst in het algemeen, maar om het benijden van wie God de rug toekeert: "Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN" (Spr. 23:17). In het volgende hoofdstuk klinkt die waarschuwing twee keer, en de tweede keer staat de reden erbij: de kwade zal geen beloning hebben (Spr. 24:1,19-20). En in de laatste verzameling wordt de nijd zwaarder genoemd dan openlijke woede: grimmigheid is wreed, "maar wie zal voor nijdigheid bestaan?" (Spr. 27:4). Bijbelse betekenis: Drie dingen vallen op. Het eerste is dat Spreuken de afgunst niet als een kleinigheid behandelt; zij tast het gebeente aan, en dat is de omgekeerde beschrijving van een gezond hart. Het tweede is dat de afgunst hier een geloofsvraag is en geen karaktertrek. Wie de goddeloze benijdt, meet Gods bestuur af aan wat er vandaag te zien is, en dat is te vroeg gemeten. Daarom staat er ook niet alleen een verbod, maar een vervanging: in plaats van nijd de vreze des HEEREN, en dat de hele dag door (Spr. 23:17). Het derde is de reden die het boek geeft. Het einde ligt vast, ook wanneer het begin scheef staat (Spr. 24:20). Dat is dezelfde weg die Asaf ging: hij was nijdig toen hij de vrede van de goddelozen zag (Ps. 73:3), en het keerde pas toen hij in Gods heiligdommen op hun einde lette (Ps. 73:17). Typologie: Jakobus zegt wat de nijd in een gemeente aanricht: "waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel" (Jak. 3:16). Paulus zet er in het hoofdstuk over de liefde de tegenpool naast, en hij doet dat in één woord: "de liefde is niet afgunstig" (1 Kor. 13:4). De genezing ligt dus niet in het wegdrukken van het gevoel, maar in een liefde die een ander het goede gunnen kan. Spr. 14:30; Spr. 23:17; Spr. 24:1; Spr. 24:19-20; Spr. 27:4; Ps. 73:3; Ps. 73:17; Jak. 3:16; 1 Kor. 13:4 "Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren" (Spr. 27:1). Het verbod treft het beroemen en niet het plannen; dat onderscheid is eerder in het boek al gemaakt (reeds behandeld bij Spr. 16:9). Het beeld in de tweede helft is dat van een geboorte: de dag brengt iets voort dat nog niemand gezien heeft. Het volgende vers hoort erbij, want het gaat over dezelfde neiging: "Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond" (Spr. 27:2). En verderop wordt gezegd dat de ogen van de mens net zomin verzadigd worden als het graf (Spr. 27:20). Bijbelse betekenis: Twee dingen worden hier aan elkaar verbonden: wat een mens over morgen zegt en wat hij over zichzelf zegt. Beide zijn een vorm van overschatting. Merk op dat het vers de toekomst niet somber maakt. Er staat niet dat morgen kwaad brengt, maar dat niemand weet wat hij brengt; dat kan evengoed goed uitpakken. Wat afgesneden wordt is de zekerheid, niet de hoop. Let ten slotte op Spr. 27:2. Er wordt niet gezegd dat lof verkeerd is, maar dat zij uit een andere mond moet komen. Wie zichzelf prijst, heeft de enige stem gebruikt die niet meetelt. Typologie: De Heere Jezus vertelt van een man die zijn schuren zou uitbreiden en zijn ziel rust toezei; het antwoord daarop luidde: "Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen" (Luk. 12:20). Spr. 27:1-2; Spr. 27:20; Spr. 16:9; Luk. 12:20 "Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde" (Spr. 27:5). Liefde die niets durft te zeggen, wordt hier niet geprezen maar verborgen genoemd; zij blijft binnen en helpt niemand. Het volgende vers zegt het met een scherper beeld: "De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden" (Spr. 27:6). Wat een vriend zegt, kan pijn doen en toch trouw zijn; wat een vijand aan vriendelijkheid geeft, is dat niet. Even verder staat het bekende beeld voor diezelfde omgang: "Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten" (Spr. 27:17). Bijbelse betekenis: De spreuken stellen hier trouw boven aangenaamheid. Dat is een hoge maat, want zij vraagt van beide kanten iets. De vriend moet spreken terwijl hij weet dat het zeer doet, en de ander moet het van hem aannemen. Merk op dat er van wonden gesproken wordt en niet van opmerkingen. Er wordt dus niet gedaan alsof een goede vermaning geen pijn doet. Let ook op de tegenstelling met de kussingen. Het gevaar zit niet in wie hard is maar in wie te aardig is om eerlijk te zijn; die kan een mens jarenlang in de waan houden. En let op Spr. 27:17. Twee stukken ijzer maken vonken wanneer zij elkaar raken, en er gaat wat van af; anders wordt geen mes scherp. Typologie: De verhoogde Christus spreekt de gemeente van Laodicéa aan met dezelfde verbinding van liefde en bestraffing: "Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik" (Op. 3:19). Spr. 27:5-6; Spr. 27:17; Op. 3:19 "Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden" (Spr. 27:23). Er wordt niet gevraagd de kudde te tellen maar de dieren te kénnen, ieder aan zijn gezicht. De reden volgt: "want de schat is niet tot in eeuwigheid" (Spr. 27:24). Bezit in geld verdwijnt, maar een kudde die goed verzorgd wordt, blijft opbrengen. Daarna wordt de jaargang beschreven: het gras komt op, de kruiden worden verzameld, de lammeren geven kleding en de bokken de prijs van een akker (Spr. 27:25-26). Het slot is bescheiden: er zal genoeg geitenmelk zijn als voedsel voor het huis (Spr. 27:27). Bijbelse betekenis: Dit gedeelte gaat over trouw in het gewone werk, en het zegt dat welvaart uit zorg groeit en niet uit een greep. Merk op wat er van de herder gevraagd wordt: kennen. Wie zijn dieren kent, ziet aan een gezicht dat er iets mis is voordat het te laat is, en dat kost tijd die niets lijkt op te leveren. Let ook op de reden die eronder ligt (Spr. 27:24). Juist omdat bezit niet blijft, is het beter iets levends goed te verzorgen dan een schat op te potten. Wie deze verzen leest met de rest van de Schrift in gedachten, ziet er meer in dan veeteelt. De Schrift spreekt vaker zo over God en Zijn volk. Wie mensen zijn toevertrouwd, hoort hier dus zijn eigen opdracht. Typologie: De Heere Jezus gebruikt precies dit kennen als het merkteken van de goede Herder: "Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen" (Joh. 10:14). Petrus geeft de opdracht door aan de ouderlingen: "Weidt de kudde Gods, die onder u is" (1 Petr. 5:2). Spr. 27:23-27; Joh. 10:14; 1 Petr. 5:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het goede te kennen zou ons tot vermetelheid kunnen brengen; het kwade te kennen zou ons tot vertwijfeling kunnen verleiden. Die de vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geëerd worden. Spr. 27:18 Als algemene regel geldt, dat diensten hun loon meebrengen. De… Verlaat uw vriend, noch de vriend van uw vader niet. Spr. 27:10 Een mens kan veel kennissen, doch slechts weinig vrienden hebben. Hij kan zich gelukkig achten, zo… Beroem u niet over de dag van morgen, want gij weet niet wat de dag zal baren. Spreuken 27:1 Als ‘morgen’ niet iets is om zich op te… Beroem u niet over de dag van morgen, want gij weet niet wat de dag zal baren. Spreuken 27:1 Eén wenk voor een kind van God. O mijn… Beroem u niet over de dag van morgen, want gij weet niet wat de dag zal baren. Spreuken 27:1 Velen denken dat het voor hen morgen gemakkelijker zal… Beroem u niet over de dag van morgen, want gij weet niet wat de dag zal baren. Spreuken 27:1 Door hun hoop op de toekomst zijn sommigen rare… Beroem u niet over de dag van morgen, want gij weet niet wat de dag zal baren. Spreuken 27:1 We moeten ons maar niet op de dag van… De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden. Spreuken 27:6 Als iemand ons in alle oprechtheid op onze fouten wijst, is… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Wees naarstig, om het aangezicht van u schapen te kennen; zet uw hart op de kudden. Spreuken 27:23 Iedere wijze koopman zal van… Wie de vijgenboom verzorgt, zal zijn vrucht eten, wie zijn heer bewaakt, zal geëerd worden. Spreuken 27:18 Wie zijn vijgenboom ondehoud, krijgt vijgen voor zijn werk. En wie… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Spreuken 27
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Spr. 27:18 - De geëerde dienstknecht
Spr. 27:10 - De beste vriend
Morgen is één stap dichter tot de hemel
Veilig in de hand van Christus
Satans leugen
Gebruik de dag nuttig
Beroem u niet over de dag van morgen
Echte vriendschap
Onderzoek is belangrijk
Dienaren geëerd


Spreuken 27
Spreuken 27:1.KruisverwijzingenJakobus 4:13→Lukas 12:19→Psalmen 95:7→1 Samuël 28:19→2 Korinthe 6:2→Jesaja 56:12→
— Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
Laten wij ons nooit beroemen op toekomende dagen en jaren, of op wat wij van plan zijn te doen wanneer wij een zekere leeftijd bereiken, of op wat onze positie zal zijn wanneer wij grijs worden. Laten wij ons nooit op iets in de toekomst beroemen, want wij kunnen niet zeggen wat zelfs één dag zal baren.
Spreuken 27:2.KruisverwijzingenSpreuken 25:27→2 Korinthe 10:18→2 Korinthe 12:11→2 Korinthe 10:12→
— Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
Want wie zichzelf prijst, schrijft zichzelf in hoofdletters als een dwaas op.
Spreuken 27:3.KruisverwijzingenSpreuken 17:12→1 Samuël 22:18→Esther 3:5→1 Johannes 3:12→Genesis 34:25→Genesis 49:7→Daniël 3:19→
— Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
Men zou haast elke soort arbeid kunnen verdragen, eerder dan te moeten samenwonen met iemand die bestendig en dwaselijk vertoornd is.
Spreuken 27:4.KruisverwijzingenSpreuken 6:34→Spreuken 14:30→Handelingen 7:9→Jakobus 3:14→Job 5:2→1 Johannes 3:12→Handelingen 17:5→Jakobus 4:5→
— Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
De nijd is een slang in het gras. Christenen, past u op voor de nijd. U zult misschien verzocht worden haar in uw hart te koesteren wanneer u een andere christen nuttiger ziet zijn dan u, of wanneer een broeder meer eer schijnt te krijgen dan u. Ach, roep dan tot God ertegen! Laat dit giftige kruipende dier nooit ook maar een ogenblik gespaard worden.
De besten van de mensen zullen bemerken dat de nijd hun soms besluipt; het kan de nijd zijn op de goddelozen die rijk zijn. Wij moeten haar meteen zoeken te overwinnen.
Spreuken 27:5.KruisverwijzingenSpreuken 28:23→Galaten 2:14→1 Timotheüs 5:20→Mattheüs 18:15→Leviticus 19:17→
— Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
Dat ik mijn medemens liefheb is een goede zaak; maar liefde genoeg te hebben om zijn fouten openlijk te bestraffen, is een zeer hoog bewijs van toegenegenheid, en verre beter dan een verborgen liefde die zwijgt waar zij spreken behoorde.
En toch, hoeveel mensen zijn er die heel vertoornd op u worden als u hun een openlijke bestraffing geeft, en hoeveel zijn er die dwaas genoeg zijn de verborgen liefde boven de openlijke bestraffing te verkiezen, al hebben zij Salomo’s wijsheid om hun beter te leren!
Spreuken 27:6.KruisverwijzingenPsalmen 141:5→Job 5:17→Spreuken 26:23→Openbaring 3:19→2 Samuël 12:7→Mattheüs 26:48→Hebreeën 12:10→Spreuken 10:18→
— De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
Pas op voor de vleiende wereld, gelovige; pas op voor de vleiende duivel en voor het bedrog van het vlees. Wanneer de dingen u vlot van stapel gaan, kan er het grootste gevaar zijn. Wat u ook doet in tijden van storm: houd goed uitkijk wanneer de zee stil is en de lucht helder.
Spreuken 27:7.KruisverwijzingenNumeri 11:18→Numeri 11:4→Numeri 21:5→Johannes 6:9→Job 6:7→Lukas 15:16→
— Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
Een verzadigde ziel vertreedt zelfs dat zoete ding, het honigzeem. Geen ware prediking zal ingaan bij wie vol van zichzelf is, vol van zijn eigen belangrijkheid. Staan er niet veel bloemen van de redekunst in de rede, dan wil hij niet naar gezonde leer luisteren.
Maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. Het is een gelukkige honger wanneer de ziel hongert en dorst naar de gerechtigheid. Dan zijn er geen vitterige opmerkingen over de voordracht van de dienaar en geen gehakketak over woorden.
Spreuken 27:8-9.KruisverwijzingenJesaja 16:2→Psalmen 133:2→Hooglied 4:10→Spreuken 21:16→1 Koningen 19:9→Genesis 4:16→Jona 1:10→Job 39:14→
— Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
De oosterlingen plachten hun gezicht en vooral hun haar met zalf en welriekende olie te bestrijken, en wie bij hen kwamen waren met de geur verheugd. Wanneer u eens een gesprek kunt hebben, in het bijzonder over punten die tot godzaligheid helpen, met wie van dezelfde gezindheid zijn als u — wanneer u zoete gemeenschap met het volk van God kunt hebben — dan is het dat uw hart verblijd wordt als met zalf en reukwerk.
Spreuken 27:10.KruisverwijzingenSpreuken 18:24→Spreuken 17:17→1 Koningen 12:6→Lukas 10:30→2 Samuël 21:7→Obadja 1:12→Jesaja 41:8→Job 6:21→
— Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
Heb maar weinig vrienden, maar houd u dicht aan hen. En houd u boven alles dicht aan die “liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder”. Is Hij uw eigen Vriend en de Vriend van uw vader, verlaat Hém dan nooit. Verlaat heel de wereld om Hem, maar laat heel de wereld u niet bewegen Hém te verlaten.
Het is heel droevig dat het zo is, maar soms zijn onze naaste verwanten het verst weg, en helpen zij die ons het meest behoorden te helpen ons het minst. Menig mens heeft vriendelijkheid ondervonden van zijn naaste, die maar een vreemde was, terwijl hij van zijn eigen verwanten weinig of geen vriendelijkheid ondervond.
Maar er is één Broeder in wiens huis wij altijd binnen mogen gaan. Zo nauw is Hij ons verwant en zo liefhebbend van hart, dat Hij nooit een harde gedachte over ons denkt; en hoe meer wij van Hem vragen, des te meer is Hij verheugd.
Spreuken 27:11.KruisverwijzingenSpreuken 10:1→Psalmen 119:42→Spreuken 23:15→Spreuken 29:3→Psalmen 127:4→Spreuken 15:20→2 Johannes 1:4→Filemon 1:7→
— Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
Een goede zoon is de eer van zijn vader. Zegt iemand van een man dat hij een slecht mens is, dan kan hij, als zijn kinderen ordelijk wandelen, de laster weerleggen zonder een woord te spreken. Zou een slecht mens zijn kinderen zo hebben opgevoed? Zouden zij in de vreze van God wandelen als hij zelf niet zo gewandeld had?
Zo behoren de zonen van God door hun bestendigheid de naam van hun Vader vrij van smaad te houden. De bestendigheid van ons gedrag behoort het beste antwoord te zijn op de beschuldigingen tegen Hem.
Spreuken 27:12-13.KruisverwijzingenSpreuken 20:16→Spreuken 22:3→2 Petrus 3:10→Spreuken 18:10→Exodus 22:26→Spreuken 6:1→2 Petrus 3:7→Exodus 9:20→
— De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft. Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.
Wie onderpand néémt is zeker; maar wie borg staat voor een ander, en in het bijzonder voor een vreemde, zal ervan smarten — misschien tot op de dag van zijn dood.
Spreuken 27:14.Kruisverwijzingen2 Samuël 15:2→2 Samuël 16:16→Handelingen 12:22→
— Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
Er zijn mensen die altijd zulke zoete woorden gebruiken; zij zijn zo op u gesteld dat zij vroeg in de morgen op zijn om u hun lof te geven, en zij gaan de hele dag door met het uitgieten van hun vleiende zalf. Zulke zegeningen zijn een vloek, en de wijze zal een afkeer hebben van die parasitaire mensen die geen fouten willen zien, of voorwenden dat zij ze niet zien, maar die altijd beuzelingen verheffen alsof het de verhevenste deugden waren.
Spreuken 27:15.KruisverwijzingenSpreuken 19:13→Spreuken 21:19→Spreuken 21:9→Job 14:19→Spreuken 25:24→
— Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
Wanneer er een lekje in het dak zit en de regen er bestendig door druppelt, is dat heel ongerieflijk; maar het is tienmaal geriefelijker dan te moeten wonen met een kijfachtige vrouw.
Spreuken 27:16.KruisverwijzingenJohannes 12:3→
— Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
Dat wil zeggen: legt iemand zoete zalf op zijn hand, dan wordt de geur ervan spoedig bemerkt. Zo zal, als een vrouw van een kijfachtige, toornige, twistzieke aard is, haar twistzucht ontdekt worden; er is geen verbergen aan.
Spreuken 27:17.KruisverwijzingenHebreeën 10:24→Spreuken 27:9→Job 4:3→1 Samuël 23:16→2 Timotheüs 2:3→Jesaja 35:3→1 Petrus 4:12→Jakobus 1:2→
— Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
Vandaar het nut van de christelijke omgang, en vandaar ook het kwaad van zondig gezelschap; want de een zondaar scherpt de ander om onheil te doen, juist zoals de een heilige de ander tot gerechtigheid aanmoedigt.
Spreuken 27:18-19.Kruisverwijzingen1 Korinthe 9:7→Hooglied 8:12→Spreuken 22:29→1 Korinthe 3:8→2 Timotheüs 2:6→Lukas 12:43→Psalmen 123:2→Johannes 12:26→
— Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden. Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
Kijk ik in het water, dan zie ik de weerspiegeling van mijn eigen gezicht, niet van dat van een ander; en kijk ik in de samenleving, dan zal ik waarschijnlijk mensen zien die van dezelfde gezindheid zijn als ik.
Hoe komt het dat een dronkaard altijd dronkaards vindt? Hoe komt het dat wellustige mensen altijd een slechte mening hebben over de zedelijkheid van anderen? Hoe komt het dat huichelaars altijd menen dat anderen ook huichelaars zijn? Wel, omdat zij de weerspiegeling van hun eigen gezicht zien.
Spreuken 27:20-21.KruisverwijzingenPrediker 1:8→Spreuken 17:3→Habakuk 2:5→Spreuken 30:15→Prediker 2:10→Prediker 6:7→Prediker 4:8→Prediker 5:10→
— De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd. De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.
Menigeen die de tegenspoed kan verdragen, kan de voorspoed niet verdragen. De afkeuring van de wereld doet een christen zelden schade, maar het is de adem van de toejuiching die ons vaak de scharlakenkoorts van de hoogmoed geeft.
Spreuken 27:22.KruisverwijzingenJeremia 5:3→Spreuken 23:35→Jesaja 1:5→Openbaring 16:10→Exodus 14:5→Exodus 12:30→2 Kronieken 28:22→Exodus 15:9→
— Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.
Geen moeiten en geen verdrukkingen kunnen uit zichzelf een dwaas tot een wijs mens maken. De zondaar blijft na alle kastijdingen van de voorzienigheid een zondaar, tenzij de soevereine genade tussenbeide komt.
Spreuken 27:23.Kruisverwijzingen1 Petrus 5:2→Johannes 21:15→Genesis 33:13→Spreuken 24:32→Ezechiël 34:22→1 Kronieken 27:29→Johannes 10:3→Exodus 7:23→
— Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
Wees niet slordig in uw zaken; en laat de christen bovenal ijverig zijn om de staat van zijn eigen hart te kennen.
Spreuken 27:24-27.KruisverwijzingenSpreuken 23:5→Jesaja 9:7→Psalmen 89:36→2 Samuël 7:16→Sefanja 1:18→1 Timotheüs 6:17→Jakobus 1:10→Spreuken 10:5→
— Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn? Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds. Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
Wie ijverig zijn hebben doorgaans voorspoed, en wie ijverig zijn in geestelijke dingen zullen alles hebben wat hun ziel behoeft. Zij zullen bekleed worden met het gewaad van de gerechtigheid, zij zullen wel gevoed worden en verzadigd zijn.
Moge de wijsheid van deze spreuken ons in het dagelijkse leven gegeven worden, opdat wij voorzichtig zijn als de slangen en oprecht als de duiven; maar moge ons bovenal de hemelse wijsheid gegeven worden in alle geestelijke dingen, tot lof van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
OVER DE ONVRUCHTBARE WAANWIJSHEID EN VERMETELHElD, ALS EERSTE HINDERPAAL VOOR HET VERKRIJGEN DER WARE WIJSHEID MET HAAR VEELVULDIG NUT.
III. Vs. 1-27.KruisverwijzingenJakobus 4:13→Psalmen 141:5→Lukas 12:19→Spreuken 25:27→2 Korinthe 10:18→Spreuken 6:34→Spreuken 28:23→Spreuken 18:24→
— Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren. Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen. Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide. Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan? Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde. De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden. Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet. Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats. Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel. Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
Ene hoofdgedachte kan in deze afdeling niet bepaald worden aangewezen. Bescheidenheid en gematigdheid in denken en handelen zijn de hoofddeugden, waartoe de meeste spreuken als kentekenen der ware wijsheid aanmanen, zelfverheffing en ongematigdheid als uitingen der vleselijke dwaasheid, de ondeugden, waarvoor zij waarschuwen. Ook de dringende aanbeveling tot getrouwe vriendschap in den edelsten zin, welke hoger waarde bezit dan de banden der bloedverwantschap, behoort tot die dingen, welke in tegenstelling met allen ijdelen lust en het zoeken van eigen belang beschouwd worden- Het eigenaardige in dit hoofdstuk is, dat de Spreuken meestal paarsgewijze bij elkaar behoren. Men kan vijf afdelingen onderscheiden: Vs. 1-6 waarschuwen voor eigen lof, ijverzucht en huichelarij; vs. 7-14 prijzen de matigheid, de liefde tot onze vrienden en in het algemeen de ware wijsheid aan; vs 15 en 16 bevatten twee uitspraken over de twistzieke vrouw; in vs. 17-22 worden velerlei uitingen der dwaasheid, zo als overmoed, zelfzucht, begeerlijkheid der ogen, eigen lof bestraft; eindelijk wordt in vs. 23-27 tot spaarzaamheid in de huishouding aangemaand.
Beroem a) u niet in overmoedig vertrouwen over den dag van morgen, over de plannen, die gij daarop zult ten uitvoer brengen; Want gij weet niet wat de dag zal baren. Indien gij niet eens weet, wat door Gods beschikking plotseling, en geheel anders dan gij kondet voorzien, nog heden kan gebeuren, hoeveel minder kunt gij dan op den dag van morgen en de verdere toekomst rekenen (Luk. 12: 16-20); daarom wees nederig en bedachtzaam.
Jak. 4: 13-16. De onzekerheid der toekomst moet ons dringen het grote en noodzakelijke werk der bekering niet tot morgen uit te stellen; alleen het tegenwoordige ogenblik behoort ons toe; daarom, terwijl het heden genaamd wordt, hoor Gods stem.
Beroem u ook niet over hetgeen gij reeds gedaan hebt: Laat u enen vreemde prijzen, en niet uw eigen mond; enen onbekende en daardoor onpartijdige, en niet uwe eigene lippen, die zijn niet onpartijdig, maar onvertrouwbaar en bedrieglijk; ook niet door uwe verwanten en vrienden; evenmin door uw eigen hart, want de Heere, die u kent, zal ook dezen verborgen hoogmoed uws harten oordelen; integendeel, die roemt, die roeme in den Heere; want niet die zich zelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd. (1 Kor. 1: 31. Jer. 9: 23 vv. 1 Kor. 4: 3. 2 Kor. 3: 1 vv.; 10: 12-18 De ware deugd is als de zedige jonkvrouw; zij laat zich niet zonder blozen zien; en gelijk ene blinkende ster zich voor de opgaande zon verbergt, en de Chrysopraas in het duister schittert, alzo verbergt zich de openlijk geprezen deugd. Daarom wie zich zelven prijst, laakt zich zelven en openbaart zijne schande, omdat hij juist daardoor duidelijk aantoont, dat hij den schonen straalkrans der deugd en der zedigheid mist. De Joden zeggen daarom in Joh. 8: 13 te recht: “Gij getuigt van u zelven, uw getuigenis is niet waarachtig”. Het is dan ook ene algemeen erkende wet, dat het getuigenis van iemand aangaande zich zelven van gene kracht is, dewijl de balans door het gewicht, dat de eigenliefde er op legt, altijd ten zijnen gunste overslaat.
Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des eigenlievenden dwazen, die steeds in een kwaden luim is, en zich in zijne eer gekrenkt voelt, omdat hij niet geprezen maar veeleer berispt wordt, is zwaarder dan die beide; ja de zwaarste, ondragelijkste last, dien hij anderen zonder dit juist te willen, doet gevoelen. Niets kan zeker het leven zo verbitteren als de kwade luim van een mens, die zich steeds beledigd en gekrenkt voelt. Hij is wel een rechte dwaas, die zulk een last op den bovendien dikwijls steilen levensweg op zijn rug neemt. Indien reeds ene enkele kwelling als een steen op ons drukt, zal dan niet ene bestendige gemelijkheid als een zak vol zandsteentjes ons tot den grond toe nederbuigen. Ieder heeft zeker zijne afwisselende gemoedsstemming, maar wee hem, die er door overheerst wordt. Voor treurigheid kan zich geen mens vrijwaren; daarin is ook nog een zekere toverkracht, ene poëzie, de gemelijkheid is van alle toverkracht ontbloot; zij is de echte proza van het leven, de zuster der verveling en der traagheid, die langzaam dodende gifmengster. De bron dezer ondeugd is allereerst (de hoogmoed daar buiten gelaten) de gewoonte, die de voedster van den mens in zijne ondeugden is. Indien wij van onze vroegste jeugd gewend waren, nooit te rusten, maar elk uur, dat na ernstige werkzaamheden overblijft, voor aangename, opwekkende bezigheden te besteden, totdat ons de natuur tot enen verkwikkenden slaap uitnodigt wij zouden steeds goed gezind zijn. Indien wij van jongs af gewend waren, de lieflijke morgenuren niet te verslapen, dan zouden wij die gemelijke lusteloosheid niet kennen, die meestal een gevolg is van de onaangename gewaarwording, die wij bij het ontwaken ontvangen, dat het reeds zo laat is. Waren wij van kindsbeen af gewend, om in hetgeen ons omringt ene aangename orde te brengen, dan zou deze in ons innerlijk ziele-leven enen welluidenden weerklank vinden. In ene opgeruimde kamer vindt men meestal een opgeruimd gemoed. Het hoofdvereiste echter in de kunst om zich voor kwaden luim te hoeden, bestaat in het kennen en gebruik maken van de juiste ogenblikken; de mens is niet altijd tot alles gezind, maar hij is wel altijd tot iets gezind. Godsdienst, ware Christelijke liefde zal het zekerst voor kwaden luim bewaren. Een gemoed, dat voor al wat lieflijk is en wèl luidt open staat, zal ook het moeilijke gemakkelijker dragen.
Grimmigheid, als zij uitbreekt, en overloping van toorn, die een stortvloed gelijk, in teugeloze vaart alles vernielt, is waarheid; maar wie zal voor nijdigheid, die niet met geweld uitbreekt en niet snel voorbijgaat, maar als een inwendige kanker voortvreet, bestaan?Zij is van de drie het heftigst, het langst van duur; daar is iets duivels in, en door haar viel het eerste offer aan den dood. O nijd, gij zijt de wortel des doods, ene veelvoudige ziekte, de scherpste priem voor het hart! Welke scherpe priem wondt zo diep, als de nijd het van hem vervulde hart!.
Openbare, trouwe bestraffing is een beterbewijs van vriendschap dan verborgene liefde, 1) die zich in het geheel niet uitspreekt, en uit vrees van door openlijke bestraffing te kwetsen, de fouten door de vingers ziet, maar juist daardoor bewijst, gene ware liefde te zijn (Efeze 4:
.
Indien de ware en hartelijke liefde maar ijver en moeds genoeg heeft, om voor de vuist en in oprechtheid met hare vrienden om te gaan, en derhalve in het vriendelijke over hun verkeerdheden durft onderhouden, die is mij niet alleen veel beter dan heimelijke haat (Leviticus 19: 17), maar beter zelfs dan verborgene liefde, dan die liefde tot onzen naaste, die in stede aan hun zonden, in hun hatelijk licht te vertonen, hen deswege vleien, of door stilzwijgen in dezelve stijven, tot nadeel hunner onsterflijke zielen.
De wonden, de wondende slagen des liefhebbers, die u uit liefde ernstig met woord of daad kastijdt, zijn getrouw 1) en zullen u onderrichten en verbeteren (Psalm 141: 5); maar de vleiende en huichelachtige kussingen des verborgen haters zijn af te bidden, 2) want zij zijn gelijk aan den beet van een adder, die zijn vergif uitspuwt.
God slaat diepe wonden; de wereld kust en vleit; dat u door dezen uiterlijken schijn niet op een dwaalspoor brengen, en bedenk het wel bij wien evenwel de liefde woont, wie de trouwste liefhebber en vriend is. Niet ieder, die verschoont, is een vriend, niet ieder, die slaat, een vijand. Beter is het met strengheid lief te hebben, dan met zachtheid te misleiden. Die den krankzinnige bindt en den trage tot den arbeid aandrijft is voor beiden gestreng maar heeft beiden toch lief. Wie kan ons meer liefhebben dan God? En toch houdt Hij niet op, ons niet alleen vriendelijk te onderrichten, maar ons ook tot ons heil uit den slaap op te schrikken, terwijl Hij dikwijls bij het pijnstillend verband, waarmee Hij ons troost de bittere artsenij der beproeving voegt.
Al vallen de bestraffingen van een goeden vriend in het eerst smartelijk, later zal men God er voor danken, indien zij door Zijne gunst tot bekering hebben geleid. Een kind zal dikwijls later een getrouw vader, die hem zonder verschoning bestrafte, te beter waarderen, meer dan een vader, die hem de roede spaarde.
Dit gold inzonderheid van de kussen van een Joab en een Judas.
Ene verzadigde, eigengerechtige of met den draf dezer wereld vervulde ziel, doet even als het vee met de weide, wanneer het zich zat gegeten heeft (Ezech. 34: 18), en vertreedtzelfs de beste spijze, het honingzeem; zij versmaadt de spijze, die haar in Gods woord wordt aangeboden: maar aan ene hongerige, geestelijk arme, en naar troost verlangende ziel is zelfs alle bitter, de beker der beproeving, die haar van God wordt ingeschonken, zoet en begeerlijk. Het gebeurt niet zelden, dat kinderen, van vrome ouders niet zozeer onverschillig zijn omtrent Gods woord en goddelijke dingen, als wel er een afkeer en walg van hebben. En als men naar de oorzaak vraagt, dan moet deze veeltijds gezocht worden in de opvoeding, die zij in hun jeugd ontvingen. Vele ouders toch hebben de zeker welgemeende, maar toch jammerlijke gewoonte, om hun jeugdige kinderen met geestelijke spijze, die op zich zelf dikwijls reeds te zwaar is, te overladen. Is het dan wonder, dat zij er zich eindelijk van afkeren? Indien deze ouders zelven meer eenvoudig van hart waren, gelijk de Heere Jezus het van Zijne discipelen verlangt, zouden zij dan ook niet beter in staat zijn, om meer overeenkomstig de behoeven hunner kinderen te spreken, waardoor zij onder Gods zegen belangstelling in plaats van afkeer, liefde in plaats van haat bij hen zouden opwekken.
Wanneer God met goederen rijkelijk heeft verzadigd, hoede men zich voor ondank jegens den Gever en geringschatting van het ontvangene. En zijn het geestelijke goederen, zo hoede men zich voor zelfgenoegzaamheid en zelftevredenheid, welke in waarheid de ongunstigste armoede is. Want het leven uit God is een onophoudelijk hongeren en dorsten.
Gelijk een vogel, ellendig, angstig en rusteloos is, wanneer die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt, ontvliedt, uit zijne hem door God aangewezen plaats. Ieder mens heeft zijne eigenaardige standplaats in de maatschappij, waar hij een rustig en vergenoegd leven kan leiden: maar wanneer hij die uit lichtzinnigheid, ontevredenheid, hoogmoed, of om andere dergelijke zondige oorzaken verlaat, verwisselt hij gewoonlijk denkbeeldige met werkelijke onrust.
Ontegenzeglijk heeft de Spreuken-dichter hier op het oog, het zonder noodzaak verlaten van zijn Vaderland. Gelijk een vogel, die zijn nest verliet, in gevaar was van om te komen, zo was iedere Israëliet, die zich in de heidense en afgodische landen vestigde, in groot gevaar geestelijk om te komen en mede verlokt te worden tot afgoderij en zondendienst. God had Israël in Kanaän op eigen erve gesteld, opdat het vrij zou blijven van alle heidense afgoderij.
Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo aangenaam is de zoetigheid van iemands vriend, van wege den goeden raad deroprechte, welmenende ziel. (Psalm 141: 5). Olie, waarmee men zich in het Oosten bij plechtige gelegenheden pleegt te zalven, verhoogt de schoonheid van het gelaat, en het reukwerk, dat bij maaltijden wordt ontstoken verdrijft schadelijke dampen, terwijl het de woning met een aangenamen geur vervult; evenzo wordt door den raad des vriends de ziel veredeld, kwade gewoonten worden afgelegd en onze ganse omgeving krijgt iets lieflijks. Olie en reukwerk versterken de levensgeesten, de raad des vriends geeft moed en blijmoedigheid hij den arbeid. -Overeenkomstig den aard der Spreuken van Salomo, welke dikwijls opzettelijk zo ingericht schijnen te zijn, dat zij even als edelgesteenten naar alle zijden een ander licht uitstralen, kan het tweede gedeelte van het vers ook zo opgevat worden: De vriend, dien men heeft, is zoeter dan de raad der eigene ziel. Ene lieflijke, aangename toespraak van enen goeden vriend doet meer goed, dan het verstand, dat zich zelf wil helpen en alleen op zijne eigene middelen vertrouwt.
a) Verlaat uwen vriend, noch den vriend uws vaders, 1) wiens trouw alzo beproefd is, niet, hij is door verwantschap der ziel u nader dan uwe bloedverwanten; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uwen tegenspoed, om van hem in de eerste plaats hulp te ontvangen. Beter is een gebuur, die nabij is, met wien gij door banden der vriendschap verbonden zijt, dan een broeder, die verre is. 2)
Spreuken 17: 17; 18: 24.
Men moet den God zijner vaderen niet verlaten, om nieuwe goden te kiezen die slechts krijg in de poorten brengen (Richteren 5: 8) -evenmin als men, zo als de Wandsbecker bode schreef, de oude zon die zo lang geschenen heeft, afzet, ter wille van ene nieuwe uitgevondene. Zeker, dezen vriend voor armen en ellendigen, die in nood verkeren, beveelt ons de Spreuk aan en stelt hem tegenover die broeders, welke volgens Psalm 49: 8 niemand verlossen kunnen. Wanneer de dag des kwaads, de nood der ziel komt, dan heet het: Ga in het huis uws broeders niet, als hij niet meer is dan dit.
Dit is niet, omdat de broeder niet zou willen helpen, maar omdat hij verre af woont. Het is daarom beter en veiliger, om zich in dagen van tegenspoed te wenden tot een vriend, die nabij is en tot hulpe gereed, dan een verre reis te maken naar een broeder. Met andere woorden, hulpe, die dichtbij is, eerder zoeken, dan die verre af is.
Zijt of word wijs, mijn zoon! dien ik in geestelijken zin gebaard heb, en verblijdt mijn hart over de genade, die God mij in u bewezen heeft; opdat ik, tot een getuigenis voor mij zelven en voor mijne leer op u wijzende, mijnen smader wat te antwoorden heb (Psalm 119: 42); alzo zult gij door uwe gehoorzaamheid mij tot vreugde en ere zijn, en gij zult de wijsheid, die ik u verkondigd heb, door uw gedrag rechtvaardigen (Matth. 11: 19).
De kloekzinnige, die zich door goddelijke wijsheid heeft laten leren; zodat hij goed van kwaad en recht van onrecht kan onderscheiden, ziet het kwaad, het naderende gericht Gods over alle goddeloosheid, hetzij van bijzondere personen of van ganse volken, en verbergt zich bij tijds achter het schild Gods, waar hem geen ongeval kan treffen; maar de slechten, die noch aan de grootte der zonde, noch aan de straffen van een heilig God geloven, maar steeds zorgeloos zijn, gaanovermoedig en blind henen door, en worden gestraft; zij storten zich eindelijk door hun moedwillige blindheid in een eeuwig verderf. (Bijna woordelijk gelijkluidend met Spreuken 22: 3).
Als iemand voor enen vreemde, van wiens trouw hij niet verzekerd is, borg geworden is, neem van dien ook het laatste en noodzakelijkste, namelijk zijn kleed, en pand hem voor ene onbekende vrouw, voor wier betaling hij ten behoeve van uwen vriend borg gebleven is. Wanneer zulk een dwaze borg, die door zijnen borgtocht noch enen plicht vervuld, noch ene weldaad bewezen heeft, tot armoede vervalt, dan treft hem Gods rechtvaardige straf. (Bijna woordelijk overeenstemmend met Spreuken 20: 16). Vergelijk verder Spreuken 6: 1,2; 11: 15,17,18. Een eerlijk man kan tot een bedelaar gemaakt worden: maar die zich zelven tot een bedelaar maakt, is geen eerlijk man.
Die zijnen vriend zegent met luider stem, hem op vleienden toon prijst, of geluk wenst, of hem in het algemeen met niets beduidende vriendschapbetuigingen overlaadt, zich daartoe des morgens vroeg opmakende, die alzo noch tijd, noch gelegenheid in acht neemt, maar elk ogenblik aangrijpt en opzoekt, om zich door laffe vleierij bij zijnen vriend in te dringen, het zal hem, den huichelachtigen lofredenaar, tot enen vloek, tot ene verwensing, in plaats van tot een zegen en een oprecht bewijs van liefde gerekend worden; want niet alleen zullen de mensen de onoprechtheid en valsheid zijner betuigingen opmerken, maar God zal het hem ook tot zonde rekenen, dewijl hij de ziel zijns naasten schade doet lijden. Wie zeer laakt, prijst; wie zeer prijst, laakt; want men gelooft hem niet, omdat hij het te erg maakt. Het grootste gevaar van alles is, dat zulk hoog opgeheven roembazuining een sterke verzoeking tot hoogmoed en trotsheid is. Want de mensen zijn maar al te gereed, om betere en voordeliger gedachten van zich zelf te hebben, naarmate anderen maar wat groter van hen denken, en wat zeer hoog van hen spreken, of hen te zeer verheffen.
a) Ene gedurige druiping die alles in het huis, waarin men zich ten dage des slagregens veilig achtte, bederft en in verwarring brengt, en ene kijfachtige huisvrouw, die gestadig de rust van het huis verstoort, zijn even gelijk.
Spreuken 19: 13.
Elk een die haar verbergt, en hare twistgierigheid wil beteugelen, zou een even onmogelijke zaak trachten te doen, als hij die den wind zou willen verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept. 1)
De laatste uitdrukking is geheel verbloemd. Het schijnt, dat Salomo ene toenmaals zeer gewone spreekwijs bezigt. -Olie kan allerlei riekende stof betekenen, olie der rechterhand is olie, welke men met de rechterhand heeft aangeraakt, en die door haren reuk zou uitroepen en verraden, wat men met de hand zou willen verbergen. De betekenis schijnt dus weer deze te zijn, dat men evenmin ene kijfachtige vrouw kan beteugelen, als iemand, die sterkriekende olie heeft aangeraakt, den reuk daarvan beletten kan.
In het Hebr. Weschèmen jemino jikra. Letterlijk kan dit wel vertaald worden, en de olie zijner rechterhand roept, maar de betekenis kan niet anders zijn, dan olie met zijne rechterhand vasthouden. Men kan den wind niet verbergen, letterlijk staat er, tegengaan, evenmin kan men met de hand de olie tegenhouden. Anderen verklaren het, van de geur der olie, die zich naar alle kanten verspreidt, vooral van de welriekende olie van het Oosten.
IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten. Het ene karakter vormt zich door het andere; de omgang met anderen is de voorname school, waarin de mensen gevormd worden. Dit waarschuwt ons, omzichtig te zijn in het kiezen van de personen, met wie wij verkeren willen, en het vermaant ons, in onzen omgang met hen, ons zo te gedragen, dat het hun en ons ten zegen zijn kan.
Ongetwijfeld is de bedoeling van den Spreuken-dichter, om er op te wijzen, hoe de ene mens door den ander gevormd wordt, hoe de een een ongekend groten invloed op den ander heeft. Zij is daarom tot vermaning gegeven, om wel toe te zien met wien men omgaat, in welke kringen men zich begeeft, welken invloed men op zich laat werken.
Die den vijgeboom voor bederf bewaart en hem behoorlijk bemest en verzorgt, zal zijne vrucht eten, en die zijnen heer, dien hij op aarde dient waarneemt, door zijne belangen eerlijk en trouw te behartigen, zal desgelijks de vruchten van zijnen arbeid plukken en door zijnen heer, dien hij eert, weer geëerd worden. In den volsten zin geldt dit voor den getrouwe dienstknecht van den Heere uit den hemel.
Gelijk in het water het aangezicht, dat daar, even als een beeld in den spiegel, door de terugkaatsing van het licht gevormd wordt, is tegen het aangezicht, dat zich in het water spiegelt, alzo is des mensen hart tegen den mens, d.i. het hart des enen is een spiegel voor dat des anderen. Elk menselijk hart, goed beschouwd, vertoont ten slotte het altijd zelfde mensenhart. Bij alle verscheidenheid der harten en aangezichten der mensen, bij alle door vermommingen vermeerderde ondoorgrondelijkheid, in de hoofdzaak komen zij allen overeen, even als het aangezicht overeenstemt met zijn beeld in het water. Indien het hart van enen onbekeerden mens uiteen genomen werd, dan zouden wij daarin den aanleg en de hoofdtrekken van elken goddelozen zondaar zien, even als een ontleedkundige door de ontleding van een enkel menselijk lichaam ziet, wat de algemene aanleg en de hoofddelen van elk menselijk lichaam zijn.
De hel en het verderf, de afgerond van dood en verderf worden niet verzadigd, niet vol, ofschoon zij alles verslinden, wat leeft; alzo worden a) de ogen des mensen, die als het ware de vensteren van zijn hart zijn, ook niet verzadigd (Spreuken 15: 11. 1 Joh. 2: 16
Prediker 1: 8. Dit is niet ene blote vergelijking, maar de begeerlijkheid der ogen met hare onverzadelijkheid, is zelf iets duivels, iets, dat uit de hel afkomstig is; want deze begeerlijkheid der ogen, d.i. de overgave des harten aan den bloot uitwendigen vorm der geschapen dingen en de zucht, om de werkelijkheden in bloot uitwendige vormen tot eigen genot op te lossen, en geheel te loochenen, dat iets goddelijks in dezelve woont, openbaart zich bij al wat leeft; ja dit streven richt zich eindelijk tegen God, en maakt van Zijne eeuwige kracht en Godheid, Zijn eeuwig Woord en Zijne heilsverordeningen blote abstracties, voorbijgaande holle vormen zonder waarde, begrippen, die aan verandering onderhevig zijn. De begeerlijkheid des vleses heeft een doel, daar de begeerlijkheid der ogen is niet te verzadigen. Slechts het eeuwig blijvende goed kan haar genezen, en het water des levens kan dezen brandenden dorst der hel lessen, zodat het hart nimmermeer dorst en ophoudt met vragen.
‘s Mensen ogen zijn nooit verzadigd en de lusten van het vleselijk hart naar wereldse voordelen en vermaken zijn nooit te voldoen. Zij echter, wier ogen altoos gericht zijn naar den Heere en Zijne wetten, en die in Hem hun lust en vermaak kunnen vinden, hebben reden om vergenoegd te zijn en voldaan te zijn, gelijk de ware vromen ook dit genoegen op aarde kunnen smaken en het eens zullen genieten tot in eeuwigheid.
De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud, om het zuivere metaal van het blinkende schuim af te scheiden; alzo is een man, wat zijn innerlijk gehalte betreft, naar zijnen lof 1) te proeven; namelijk of hij dezen lof, die hem toegezwaaid wordt, gaarne als enkel waarheid en als wel verdiend aanneemt, en zich door de vleierij laat misleiden, dan of hij den lofredenaar en hetgeen in hem geprezen wordt nauwkeurig onderzoekt, en schijn van waarheid weet te onderscheiden. Wanneer iemand, die zich gaarne hoort prijzen, bedrogen wordt is dit ene billijke straf voor hem, want hij bewijst, dat hij een man is, die zijne eigene eer boven alles lief heeft. Het vuur en de smeltkroes, dienen om wat niet-goud of niet-zilver is van het goud of zilver te onderscheiden. Het vuur brengt het echte goud, het goud aan het licht. Alzo wordt hier ook de lof als zulk een beproevend middel genoemd, om den mens te leren kennen. Wie waarlijk wijs is, zal er naar streven, om niet hoogmoedig te worden, maar steeds dieper in te dringen in het wezen der wijsheid, terwijl de dwaas er door gestreeld wordt en meent dat hij nu genoeg weet. De lof brengt aan het licht, wie waarlijk wijs en wie dat niet is.
Al stiet gij den dwaas in enen mortier met enen stamper, in het midden van het gestoten graan; al naamt gij ook tot de zwaarste straffen en dwangmiddelen de toevlucht, om den dwaas godvruchtig en wijs te maken; zijns dwaasheid zou van hem niet afwijken, want zij heeft zich als het ware met zijne ganse persoonlijkheid vereenzelvigd. God alleen vermag de dwaasheid des harten uit te roeien en ene volkomen omkering in hetzelve tot stand te brengen. Enen ter dood veroordeelde in een groot mortier te vermorzelen is ene strafoefening, die in het Oosten dikwijls voorkomt.
Zijt naarstig om het aangezicht, de gesteldheid uwer schapen in letterlijken en duurlijken zin, te kennen, en bevorder met wijsheid en trouw hun welvaren; zet uw hart op de kudden, let nauwkeurig op hetgeen tot hare verzorging nodig is, als een zeker middel, om zelf een tevreden en naar het uitwendige gerust leven te kunnen leiden (Hand. 20: 28).
Want de schat 1) van geld was, is niet tot in eeuwigheid, maar vergankelijk en zal zeer spoedig verloren gaan, wanneer hij verwaarloosd wordt; of zal zelfs de kroon, de vorstelijke waardigheid van geslacht tot geslacht zijn? gaat zij niet veeleer door gebrek aan zorg en waakzaamheid in een ander geslacht over?
Salomo maakt hier een vergelijking tussen het bezit van baar geld en van landen en akkers en kudden. Men weet, dat het dikwijls een der liefhebberijen der Oosterlingen was, om veel goud en zilver, veel baar geld in de kelders opgestapeld te hebben. Dit is nog dikwijls een begeerte van de rijke Oosterlingen. Maar de wijze koning wijst er op, dat geld en goed niet altijd duren, spoedig kunnen weggeroofd worden, of op de ene of andere wijze verloren. Landbezit blijf echter en wie zich op de veeteelt toelegt en zijn rijkdom tracht te vermeerderen door het aankopen van landen, zal ervaren, dat dit hem niet teleurstelt.
Als het jonge gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden. Dit vers behelst ene vermaning voor den landman om van de gunstige gelegenheden gebruik te maken en te rechter tijd voor de inzameling van den oogst te zorgen, ten einde in den naderenden winter geen gebrek te moeten lijden. De Duitse tekst geeft het volgende: Het hooi is verbruikt, of liever: het oude gras verdwijnt gedurende elk voorjaar, en spoedig is ook weer het jonge, groene gras daar en het kruid; beter: de saprijke, voedende kruiden worden op de bergen verzameld. Daarom, wie zijn land ijverig bebouwt en nauwkeurig acht geeft op zijne kudden, zal zich door de zich steeds vernieuwende schepping Gods rijkelijk beloond zien voor den aan haar besteden arbeid. (Psalm 65: 10-14).
De welverzorgde lammeren zullen a) zijn tot uwe kleding, en de bokken de prijs des velds; zij zullen u zoveel opbrengen, dat gij daarvoor nieuwe velden zult kunnen kopen.
1 Tim. 6: 8.
Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uwe spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden. (Esther 2: 4 ). In het algemeen zal de schoonheid en rijkdom van het land voor u ene bron van onuitsprekelijke vreugde zijn. De vs. 23-27 bevatten ene schone vermaning, om zorgvuldig acht te geven op den bloei van den landbouw, opdat, bij de onbestendigheid der aardse goederen, voor den vlijtige elk jaar nieuwe, veelvoudige vruchten uit de aarde voortspruiten. Om aan de vermaning enige bekoorlijkheid toe te voegen, ontwerpt de dichter een uitlokkend beeld van de heerlijke gevolgen van den bloeienden landbouw; hij stelt u daarom een bekoorlijk herfstlandschap voor, waarop men, nadat een rijke oogst van hooi binnen de schuren verzameld is, de weiden weer met een fris groen bedekt ziet, waar de vruchten der vruchtbare bergen ingezameld zijn en talrijke kudden, die overvloedig in voeding en kleding voorzien, de dalen bedekken, zodat het ganse huis overvloed heeft.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel