Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
EnG1161 ikG1473 beveelG4921 uG4771 FebeG5402, onze zusterG79, die een dienaresG1249 isG1510 der GemeenteG1577, die te KenchreenG2747 is;
En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is;
KJV
I commend1
unto you
Phebe4
our
sister,6
which is
a servant9
of the church11
which5
is at13
Cenchrea:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
OpdatG2443 gij haarG846 ontvangtG4327 inG1722 den HeereG2962, gelijk het den heiligenG40 betaamtG516, enG2532 haar bijstaatG3936, inG1722 watG3739 zaakG4229 zij uG4771 zou mogenG5535 van doen hebben; wantG1063 zij is een voorstandsterG4368 geweestG1096 van velenG4183, ookG2532 van mijzelven.
Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven.
KJV
That1
ye receive3
her2
in4
the Lord,5
as becometh6
saints,8
and9
that ye assist10
her11
in12
whatsoever13
business17
she hath need16
of you:
for19
she20
hath been23
a succourer21
of many,22
and18
of myself25
also.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
GroetG782 PriscillaG4252 enG2532 AquilaG207, mijn medewerkersG4904 inG1722 ChristusG5547 JezusG2424;
Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;
KJV
Greet1
Priscilla2
and3
Aquila4
my
helpers6
in8
Christ9
Jesus:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
DieG3739 voor mijn levenG5590 hun halsG5137 gesteldG5294 hebben; denwelken nietG3756 alleen ikG1473 dankeG2168, maarG235 ookG2532 alG3956 de GemeentenG1577 der heidenenG1484.
Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen.
KJV
Who1
have9
for2
my
life4
laid down
their own7
necks:8
unto whom10
not11
only13
I5
give thanks,14
but15
also16
all17
the churches19
of the Gentiles.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
GroetG782 ookG2532 de GemeenteG1577 in hunG846 huisG3624. Groet EpenetusG1866, mijn bemindeG27, dieG3739 de eerstelingG536 isG1510 van AchajeG882 inG1519 ChristusG5547.
Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.
KJV
Likewise1
greet the church6
that is in3
their5
house.4
Salute7
my
wellbeloved10
Epaenetus,8
who12
is
the firstfruits14
of Achaia16
unto17
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
GroetG782 MariaG3137, die veelG4183 voor ons gearbeidG2872 heeft.
Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.
KJV
Greet1
Mary,2
who3
bestowed5
much4
labour
on6
us.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
GroetG782 AndronikusG408 enG2532 JuniasG2458, mijn magenG4773, enG2532 mijn medegevangenenG4869, welke vermaardG1978 zijnG1510 onderG1722 de apostelenG652, dieG3739 ookG2532 voor mijG1473 inG1722 ChristusG5547 geweestG1096 zijn.
Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.
KJV
Salute1
Andronicus2
and3
Junia,4
my
kinsmen,6
and8
my
fellowprisoners,9
who11
are
of note13
among14
the apostles,16
who17
also18
were21
in22
Christ23
before19
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
GroetG782 AmpliasG291, mijn bemindeG27 inG1722 den HeereG2962.
Groet Amplias, mijn beminde in den Heere.
KJV
Greet1
Amplias2
my
beloved4
in6
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
GroetG782 UrbanusG3773, onzen medearbeiderG4904 inG1722 ChristusG5547, enG2532 StachysG4720, mijn bemindeG27.
Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde.
KJV
Salute1
Urbane,2
our
helper4
in6
Christ,7
and8
Stachys9
my
beloved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
GroetG782 ApellesG559, die beproefdG1384 is inG1722 ChristusG5547. GroetG782 hen, die van het huisgezin van AristobulusG711 zijn.
Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristobulus zijn.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
Salute1
Apelles2
approved4
in5
Christ.6
Salute7
them3
which are of9
Aristobulus'
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
GroetG782 HerodionG2267, die van mijn maagschapG4773 is. GroetG782 hen, die van het huisgezin van NarcissusG3488 zijn, degenen namelijk, die inG1722 den HeereG2962 zijn.
Groet Herodion, die van mijn maagschap is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn.
Ook in dit vers
uit/metG1537
KJV
Salute1
Herodion2
my
kinsman.4
Greet6
them3
that be of8
the household of Narcissus,10
which7
are
in13
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
GroetG782 TryfenaG5170 enG2532 TryfosaG5173, vrouwen die inG1722 den HeereG2962 arbeidenG2872. GroetG782 PersisG4069, de bemindeG27 zuster, die veelG4183 gearbeidG2872 heeft inG1722 den HeereG2962.
Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere.
Ook in dit vers
[zuster]G3748
KJV
Salute1
Tryphena2
and3
Tryphosa,4
who labour6
in7
the Lord.8
Salute9
the beloved12
Persis,10
which13
laboured15
much14
in16
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
GroetG782 RufusG4504, den uitverkoreneG1588 inG1722 den HeereG2962, enG2532 zijn moederG3384 enG2532 de mijne.
Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne.
KJV
Salute1
Rufus2
chosen4
in5
the Lord,6
and7
his10
mother9
and11
mine.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
GroetG782 AsynkritusG799, FlegonG5393, HermasG2057, PatrobasG3969, HermesG2060, enG2532 de broedersG80, die met henG846 zijn.
Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn.
KJV
Salute1
Asyncritus,2
Phlegon,3
Hermas,4
Patrobas,5
Hermes,6
and7
the brethren11
which are with9
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
GroetG782 FilologusG5378 enG2532 JuliaG2456, NereusG3517 enG2532 zijn zusterG79, enG2532 OlympasG3652, enG2532 alG3956 de heiligenG40, die met henlieden zijn.
Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn.
KJV
Salute1
Philologus,2
and3
Julia,4
Nereus,5
and6
his9
sister,8
and10
Olympas,11
and12
all16
the saints17
which are with14
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
GroetG782 elkanderG240 metG1722 een heiligenG40 kusG5370. De GemeentenG1577 van ChristusG5547 groetenG782 ulieden.
Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.
KJV
Salute1
one another2
with3
an holy5
kiss.4
The churches9
of Christ11
salute6
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En ik bidG3870 uG4771, broedersG80, neemt achtG4648 op degenen, die tweedrachtG1370 en ergernissenG4625 aanrichtenG4160 tegen de leerG1322, dieG3739 gijG4771 van ons geleerdG3129 hebt; en wijktG1578 af van dezelveG846.
En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.
KJV
Now2
I beseech1
you,
brethren,4
mark5
them which cause18
divisions8
and9
offences11
contrary12
to the doctrine14
which15
ye
have learned;17
and19
avoid20
them.21
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 dezulkenG5108 dienenG1398 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 nietG3756, maarG235 hun buikG2836; enG2532 verleidenG1818 doorG1223 schoonsprekenG5542 enG2532 prijzenG2129 de hartenG2588 der eenvoudigenG172.
Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.
KJV
For2
they that are such3
serve10
not9
our
Lord5
Jesus7
Christ,8
but11
their own13
belly;14
and15
by16
good words18
and19
fair speeches20
deceive21
the hearts23
of the simple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
WantG1063 uw gehoorzaamheidG5218 is totG1519 kennis van allen gekomen. Ik verblijdeG5463 mij dan uwenthalveG1909; enG1161 ik wilG2309, dat gijG4771 wijsG3303 zijtG1510 inG1519 het goedeG18, dochG1161 onnozelG185 inG1519 het kwadeG2556.
Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade.
Ook in dit vers
[kennis]G3956
KJV
For2
your
obedience4
is come abroad7
unto5
all6
men. I am glad8
therefore9
on11
your
behalf:
but yet14
I would have13
you
wise16
unto19
that which is
good,17
and23
simple22
concerning24
evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 de GodG2316 des vredesG1515 zal den satanG4567 haastG1722 onder uw voetenG4228 verpletterenG4937. De genadeG5485 vanG5259 onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 ulieden. AmenG281.
En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.
KJV
And2
the God3
of peace5
shall bruise6
Satan8
under9
your
feet11
shortly.13
The grace16
of our
Lord18
Jesus20
Christ21
be with22
you.
Amen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
UG4771 groetenG782, TimotheusG5095, mijn medearbeiderG4904, enG2532 LuciusG3066, enG2532 JasonG2394, enG2532 SocipaterG4989, mijn bloedverwantenG4773.
U groeten, Timotheus, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten.
KJV
Timotheus3
my
workfellow,5
and7
Lucius,8
and9
Jason,10
and11
Sosipater,12
my
kinsmen,14
salute1
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
IkG1473, TertiusG5060, die den briefG1992 geschrevenG1125 heb, groetG782 uG4771 inG1722 den HeereG2962.
Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.
KJV
I3
Tertius,4
who wrote6
this epistle,8
salute1
you
in9
the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
UG4771 groetG782 GajusG1050, de huiswaardG3581 van mijG1473 enG2532 van de gehele GemeenteG1577. UG4771 groetG782 ErastusG2037, de rentmeesterG3623 der stadG4172, enG2532 de broederG80 QuartusG2890.
U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester der stad, en de broeder Quartus.
KJV
Gaius3
mine
host,5
and7
of the whole10
church,9
saluteth1
you.
Erastus13
the chamberlain15
of the city17
saluteth11
you,
and18
Quartus19
a brother.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
De genadeG5485 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 zij metG3326 uG4771 allenG3956. AmenG281.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.
KJV
The grace2
of our
Lord4
Jesus6
Christ7
be with8
you
all.9
Amen.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Hem nuG1161, Die machtigG1410 is uG4771 te bevestigenG4741, naarG2596 mijn EvangelieG2098 en de predikingG2782 van JezusG2424 ChristusG5547, naarG2596 de openbaringG602 der verborgenheidG3466, die van de tijdenG5550 der eeuwenG166 verzwegenG4601 is geweest;
Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest;
KJV
Now2
to him that is of power3
to stablish5
you
according6
to my
gospel,8
and10
the preaching12
of Jesus13
Christ,14
according15
to the revelation16
of the mystery,17
which was kept secret20
since the world began,18
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Maar nu geopenbaardG5319 is, enG1161 door de profetischeG4397 SchriftenG1124, naar het bevelG2003 des eeuwigenG166 GodsG2316, totG1519 gehoorzaamheidG5218 des geloofsG4102, onder alG3956 de heidenenG1484 bekendG1107 is gemaakt;
Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt;
KJV
But2
now3
is made manifest,1
and5
by4
the scriptures6
of the prophets,7
according8
to the commandment9
of the everlasting11
God,12
made known20
to13
all17
nations19
for16
the obedience14
of faith:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Den zelven alleen wijzenG4680 GodG2316 zij door JezusG2424 ChristusG5547 de heerlijkheidG1391 in der eeuwigheidG165. AmenG281.
Den zelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
Ook in dit vers
[zelven]G3441
KJV
To God3
only1
wise,2
be glory12
through4
Jesus5
Christ6
for13
ever.15
Amen.
De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
beveel u Febe,
Dat is, recommandeer.
Hertaald:
beveel u Febe,
Dat is: beveel haar bij u aan.
zuster,
Namelijk in Christus.
Hertaald:
zuster,
Namelijk in Christus.
een dienares is der Gemeente,
Namelijk niet in den dienst van prediken; want die wordt aan de vrouwen verboden, 1 Kor. 14:34 , en 1 Tim. 2:12 , maar òf een diakones, die de kranken verzorgde, 1 Tim. 5:9-10 , òf, hetwelk waarschijnlijker is, die de gemeente diende in het ontvangen en herbergen van de verjaagde Christenen, en ook van de apostelen en leraars, gelijk blijkt uit vs.2.
Hertaald:
een dienares is der Gemeente,
Namelijk niet in de dienst van de prediking, want die is de vrouwen verboden, 1 Kor. 14:34 en 1 Tim. 2:12. Maar óf een diacones die de zieken verzorgde, 1 Tim. 5:9-10, óf — wat waarschijnlijker is — iemand die de gemeente diende door de verjaagde christenen en ook de apostelen en leraars te ontvangen en te herbergen, zoals blijkt uit vers 2.
Kenchreën is;
Eene haven van Corinthe; zie van deze plaats Hand. 18:18 .
Hertaald:
Kenchreën is;
Een haven van Korinthe; zie over deze plaats Hand. 18:18.
ontvangt
Dat is, herbergt en vriendelijk bejegent.
Hertaald:
ontvangt
Dat is: herbergt haar en bejegent haar vriendelijk.
in den Heere,
Dat is, om des Heeren wil, of in des Heeren naam.
Hertaald:
in den Heere,
Dat is: om de Heere, of: in de naam van de Heere.
gelijk het den heiligen betaamt,
Dat is, gelijk haar, die een heilige en godzalige vrouw is, en ook ulieden, die vrome Christenen zijt, betaamt. Grieks, waardiglijk den heiligen.
Hertaald:
gelijk het den heiligen betaamt,
Dat is: zoals het haar betaamt, die een heilige en godzalige vrouw is, en ook u, die vrome christenen bent. Grieks: op een wijze die de heiligen waardig is.
bijstaat,
Namelijk met raad en daad, om haar hare zaken te helpen verrichten, die zij te Rome te doen heeft.
Hertaald:
bijstaat,
Namelijk met raad en daad, om haar te helpen bij het afhandelen van de zaken die zij in Rome te doen heeft.
een voorstandster geweest van velen,
Of, herbergster; namelijk die vele verjaagde Christenen in haar huis heeft ontvangen. Zie 1 Tim. 5:10 . Het schijnt dan dat zij een welgestelde vrouw geweest is.
Hertaald:
een voorstandster geweest van velen,
Of: herbergierster; namelijk iemand die veel verjaagde christenen in haar huis opgenomen heeft. Zie 1 Tim. 5:10. Het lijkt er dus op dat zij een welgestelde vrouw geweest is.
Priscilla
De huisvrouw van Aquila, die een zeer kloeke en godzalige vrouw was.
Hertaald:
Priscilla
De vrouw van Aquila, die een zeer kordate en godzalige vrouw was.
Aquila,
De man van Priscilla, een tentenmaker uit Pontus. Zie van beiden Hand. 18:2 , enz.; 1 Kor. 16:19 ; 2 Tim. 4:19 . Deze waren tevoren uit Rome verdreven door het gebod van den keizer Claudius, en waren te Corinthe, toen Paulus daar kwam, Hand. 18:2 ; en alzo hier blijkt dat zij nu wederom te Rome waren, zo schijnt wel dat de apostel tweemaal te Corinthe is geweest, want deze zendbrief is uit Corinthe geschreven.
Hertaald:
Aquila,
De man van Priscilla, een tentenmaker uit Pontus. Zie over hen beiden Hand. 18:2, enzovoort; 1 Kor. 16:19; 2 Tim. 4:19. Zij waren eerder uit Rome verdreven door het bevel van keizer Claudius en waren in Korinthe toen Paulus daar kwam, Hand. 18:2. Aangezien hier blijkt dat zij nu weer in Rome waren, lijkt het erop dat de apostel tweemaal in Korinthe geweest is, want deze brief is vanuit Korinthe geschreven.
medewerkers in Christus Jezus;
Namelijk in het verbreiden der Evangelische leer, waarin zij naar hunne gelegenheid en beroeping het beste deden.
Hertaald:
medewerkers in Christus Jezus;
Namelijk in het verbreiden van de evangelieleer, waarin zij naar hun mogelijkheden en roeping hun uiterste best deden.
leven
Grieks, ziel. Zie Matt. 2:20 .
Hertaald:
leven
Grieks: ziel. Zie Matth. 2:20.
hun hals gesteld hebben;
Grieks, hun hals onder gesteld heeft; dat is, hun leven gewaagd hebben. Dit is geschied, òf in den oploop te Corinthe tegen Paulus, Hand. 18:12 , òf in den oploop te Efeze, Hand. 19:23 , alwaar zij toen met Paulus waren; Hand. 18:18 .
Hertaald:
hun hals gesteld hebben;
Grieks: hun hals eronder gelegd hebben; dat is: hun leven gewaagd hebben. Dat is gebeurd óf bij het oproer tegen Paulus in Korinthe, Hand. 18:12, óf bij het oproer in Efeze, Hand. 19:23, waar zij toen samen met Paulus waren; Hand. 18:18.
al de Gemeenten der heidenen
Overmits dezelve daardoor verkregen hebben die weldaad, dat ik nog in het leven ben gebleven om dezelve te leren en te versterken.
Hertaald:
al de Gemeenten der heidenen
Omdat zij daardoor de weldaad ontvangen hebben dat ik in leven gebleven ben om hen te onderwijzen en te versterken.
de Gemeente in hun huis
Dat is, de gelovigen, die òf tot hun huisgezin behoorden, òf die in hun huis vergaderden. Zie Kol. 4:15 ; Filem. 1:2 .
Hertaald:
de Gemeente in hun huis
Dat is: de gelovigen die óf tot hun huisgezin behoorden, óf die in hun huis samenkwamen. Zie Kol. 4:15; Filem. 1:2.
beminde,
Namelijk om zijn bijzondere godzaligheid.
Hertaald:
beminde,
Namelijk vanwege zijn bijzondere godzaligheid.
de eersteling is
Dat is, die een van de eersten is, die ik door mijne predikatie tot het geloof gebracht heb. Zie Rom. 11:16 ; 1 Kor. 15:20 , en 1 Kor. 16:15 .
Hertaald:
de eersteling is
Dat is: een van de eersten die ik door mijn prediking tot het geloof gebracht heb. Zie Rom. 11:16; 1 Kor. 15:20 en 1 Kor. 16:15.
van Acháje in Christus
Dat is, van al de gelovigen, diein Achaje zijn.
Hertaald:
van Acháje in Christus
Dat is: van alle gelovigen die in Achaje zijn.
ons
Dat is, voor de gelovigen, en voornamelijk voor de leraars.
Hertaald:
ons
Dat is: voor de gelovigen, en vooral voor de leraars.
gearbeid heeft
Namelijk met hen te herbergen, en andere diensten te doen.
Hertaald:
gearbeid heeft
Namelijk door hen te herbergen en hun andere diensten te bewijzen.
mijn magen,
Dat is, Joden van mijne maagschap.
Hertaald:
mijn magen,
Dat is: Joden die tot mijn verwantschap behoren.
medegevangenen,
Dat is, die ook mede, gelijk als ik, om des Evangelies wil gevangen zijn geweest; Kol. 4:10 ; Filem. 1:23 .
Hertaald:
medegevangenen,
Dat is: zij die evenals ik om het Evangelie gevangen geweest zijn; Kol. 4:10; Filem. 1:23.
de apostelen,
Dat is, onder degenen, die het Evangelie hier en daar prediken. Want dit woord wordt niet alleen den twaalf apostelen bijzonder toegeschreven, maar ook somwijlen anderen leraars; zie 2 Kor. 8:23 . Of, wel bekend, bij de apostelen.
Hertaald:
de apostelen,
Dat is: onder hen die hier en daar het Evangelie prediken. Want dit woord wordt niet alleen in het bijzonder aan de twaalf apostelen toegekend, maar soms ook aan andere leraars; zie 2 Kor. 8:23. Of: goed bekend bij de apostelen.
voor mij
Dat is, eer ik bekeerd ben geweest.
Hertaald:
voor mij
Dat is: voordat ik bekeerd was.
in Christus geweest zijn
Dat is, tot den Christelijken godsdienst zijn bekeerd geweest.
Hertaald:
in Christus geweest zijn
Dat is: tot de christelijke godsdienst bekeerd zijn.
in den Heere
Dat is, omdat hij ook in den Heere gelooft.
Hertaald:
in den Heere
Dat is: omdat ook hij in de Heere gelooft.
beproefd is in Christus
Dat is, die door vele gevaren en zwarigheden geoefend zijnde, oprecht is bevonden.
Hertaald:
beproefd is in Christus
Dat is: wie door veel gevaren en moeilijkheden beproefd is en oprecht bevonden is.
Aristobúlus
Het schijnt dat deze Aristobulus nog zelf geen Christen was, omdat de Apostel hem niet doet groeten; doch het blijkt evenwel dat hij een bescheiden man is geweest, die de Christenen in zijn huisgezin duldde.
Hertaald:
Aristobúlus
Het lijkt erop dat deze Aristobulus zelf nog geen christen was, omdat de apostel hem niet laat groeten. Toch blijkt dat hij een verdraagzaam man geweest is, die de christenen in zijn huisgezin toeliet.
die van mijn maagschap is
Zie vs.7.
Hertaald:
die van mijn maagschap is
Zie vers 7.
die in den Heere zijn
Dat is, die Christenen zijn. Want die nog heidenen waren in dat huisgezin, die groet hij niet.
Hertaald:
die in den Heere zijn
Dat is: zij die christenen zijn. Want hen die in dat huisgezin nog heidenen waren, groet hij niet.
die in den Heere arbeiden
Zie vs.5.
Hertaald:
die in den Heere arbeiden
Zie vers 5.
den uitverkorene in den Heere,
Dat is, die een uitgelezen en bijzonder man is.
Hertaald:
den uitverkorene in den Heere,
Dat is: iemand die een uitgelezen en bijzonder man is.
zijn moeder
Namelijk naar de natuur.
Hertaald:
zijn moeder
Namelijk naar de natuur.
de mijne
Namelijk naar de liefde en toegenegenheid. Zie 1 Tim. 5:2 .
Hertaald:
de mijne
Namelijk naar de liefde en genegenheid. Zie 1 Tim. 5:2.
met een heiligen kus
Dat is, met een kus van vrede en broederschap, met welken de gelovigen, naar het gebruik van die landen en tijden, elkander plachten te groeten. En wordt heilig genaamd, omdat zij niet uit vleselijke maar geestelijke liefde en zonder geveinsdheid gegeven worden; Gen. 29:11 .
Hertaald:
met een heiligen kus
Dat is: met een kus van vrede en broederschap, waarmee de gelovigen elkaar naar de gewoonte van die landen en tijden plachten te begroeten. Hij wordt heilig genoemd omdat die kussen niet uit vleselijke maar uit geestelijke liefde gegeven werden, en zonder huichelarij; Gen. 29:11.
degenen,
Hij verstaat door dezulken zo andere ketters als degenen, die, den Christelijken godsdienst aangenomen hebbende, leerden dat de ceremoniën der wet nog noodzakelijk moesten onderhouden worden ter zaligheid. Zie Gal. 1:7 ; Fil. 3:2 ; 1 Tim. 4:1 ; 2 Tim. 3:1 , enz.; Tit. 3:10 .
Hertaald:
degenen,
Daarmee bedoelt hij zowel andere ketters als hen die, hoewel zij de christelijke godsdienst aangenomen hadden, leerden dat de ceremoniën van de wet nog noodzakelijk onderhouden moesten worden voor de zaligheid. Zie Gal. 1:7; Filipp. 3:2; 1 Tim. 4:1; 2 Tim. 3:1, enzovoort; Tit. 3:10.
Want dezulken
Hij beschrijft hen, opdat zij mogen bekend en te beter gemeden worden.
Hertaald:
Want dezulken
Hij beschrijft hen, opdat zij herkend en des te beter gemeden kunnen worden.
dienen onzen Heere Jezus Christus niet,
Namelijk hoewel zij zich voor dienaars des Heeren uitgeven.
Hertaald:
dienen onzen Heere Jezus Christus niet,
Namelijk hoewel zij zich voor dienaars van de Heere uitgeven.
hun buik;
Dat is, leren om vuil gewins wil, en om hunnen buik te verzadigen; 1 Tim. 6:5 ; Tit. 1:11 .
Hertaald:
hun buik;
Dat is: zij onderwijzen ter wille van vuil gewin en om hun buik te vullen; 1 Tim. 6:5; Tit. 1:11.
der eenvoudigen
Grieks, dergenen, die niet kwaad zijn.
Hertaald:
der eenvoudigen
Grieks: van hen die niet kwaad zijn.
uw gehoorzaamheid
Namelijk welke gij betoont in het aannemen der leer van het Evangelie, die hij geloof noemt; Rom. 1:8 . Zie 1 Thess. 1:8 .
Hertaald:
uw gehoorzaamheid
Namelijk de gehoorzaamheid die u betoont door de leer van het Evangelie aan te nemen, die hij geloof noemt; Rom. 1:8. Zie 1 Thess. 1:8.
de God des vredes
Zie Rom. 15:33 .
Hertaald:
de God des vredes
Zie Rom. 15:33.
den satan
Namelijk die door zijne middelen u zoekt te verleiden.
Hertaald:
den satan
Namelijk de satan, die door zijn werktuigen probeert u te verleiden.
haast
Hetwelk hier wel begint, maar in het einde van deze wereld, hetwelk aanstaande is, Openb. 22:12 , volkomen zal geschieden.
Hertaald:
haast
Dat begint hier al, maar het zal volkomen gebeuren aan het einde van deze wereld, dat aanstaande is; Openb. 22:12.
onder uw voeten verpletteren
Dat is, doen, dat gij hem door Christus volkomen zult overwinnen. De apostel schijnt hier te zien op de eerste belofte des Evangelies; Gen. 3:15 . Zie ook Openb. 12:11 .
Hertaald:
onder uw voeten verpletteren
Dat is: Hij zal maken dat u hem door Christus volkomen zult overwinnen. De apostel lijkt hier te zien op de eerste belofte van het Evangelie; Gen. 3:15. Zie ook Openb. 12:11.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden
Dezen wens gebruikt de apostel in al zijne zendbrieven. Zie 2 Thess. 3:17 .
Hertaald:
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden
Deze wens gebruikt de apostel in al zijn brieven. Zie 2 Thess. 3:17.
die den brief geschreven heb,
Namelijk uit den mond van Paulus.
Hertaald:
die den brief geschreven heb,
Namelijk uit de mond van Paulus.
Gajus,
Zie van hem Hand. 20:4 ; 1 Kor. 1:14 .
Hertaald:
Gajus,
Zie over hem Hand. 20:4; 1 Kor. 1:14.
huiswaard van mij
Dat is, die in zijn huis den apostel herbergde en andere gelovigen, die daar niet woonachtig waren. Zie vs.1.
Hertaald:
huiswaard van mij
Dat is: die de apostel in zijn huis herbergde, en ook andere gelovigen die daar niet woonden. Zie vers 1.
de rentmeester
Of, bezorger, ontvanger. Zie Luc. 16:1 .
Hertaald:
de rentmeester
Of: beheerder, ontvanger. Zie Luk. 16:1.
der stad,
Dat is, van Corinthe, vanwaar de apostel dezen brief geschreven heeft.
Hertaald:
der stad,
Dat is: van Korinthe, vanwaar de apostel deze brief geschreven heeft.
De genade van onzen Heere Jezus Christus
Zie vs.20. De apostel herhaalt dezen wens wederom, om te tonen hoe nodig dezelve is, en dat deze brief uit grote toegenegenheid van hem is geschreven.
Hertaald:
De genade van onzen Heere Jezus Christus
Zie vers 20. De apostel herhaalt deze wens opnieuw, om te laten zien hoe nodig die is en dat deze brief uit grote genegenheid door hem geschreven is.
mijn Evangelie
Dat is, dat door mij gepredikt is. Zie Rom. 2:16 .
Hertaald:
mijn Evangelie
Dat is: het Evangelie dat door mij gepredikt is. Zie Rom. 2:16.
en de prediking van Jezus Christus,
Dat is, hetwelk is de prediking, namelijk òf die de Heere Christus zelf gepredikt heeft; Hebr. 1:1-2 , òf wiens inhoud is de Heere Christus; 1 Kor. 2:2 .
Hertaald:
en de prediking van Jezus Christus,
Dat is: het Evangelie, dat de prediking is die óf de Heere Christus Zelf gepredikt heeft, Hebr. 1:1-2, óf waarvan de inhoud de Heere Christus is; 1 Kor. 2:2.
der verborgenheid,
Dat is, van de leer des Evangelies van Christus nu in het vlees gekomen zijnde, welke vóór dezen alzo niet is bekend geweest, en in welke leer zodanig ene wijsheid Gods geopenbaard wordt, die door gener creaturen verstand kon doorgrond worden; 1 Petr. 1:12 .
Hertaald:
der verborgenheid,
Dat is: van de leer van het Evangelie van Christus, Die nu in het vlees gekomen is. Die leer is voordien niet op deze wijze bekend geweest, en daarin wordt zo'n wijsheid van God geopenbaard dat geen schepsel die met zijn verstand kon doorgronden; 1 Petr. 1:12.
van de tijden der eeuwen
Grieks, eeuwige tijden; of van de tijden der wereld; dat is, nadat de wereld geschapen is geweest.
Hertaald:
van de tijden der eeuwen
Grieks: eeuwige tijden; of: van de tijden van de wereld; dat is: sinds de wereld geschapen is.
verzwegen is geweest;
Dit is te verstaan, niet alzo, dat men in het Oude Testament van de Evangelische leer niet zou hebben geweten; want in vs.26 wordt verklaard, dat de openbaring dezer leer ook geschied is door de profetische schriften; maar ten aanzien van die klare openbaring en verkondiging nu in het Nieuwe Testament geschied, alzo Christus toen nog niet was gekomen; en de heidenen daarvan ganselijk niet wisten; Ps. 147:20 ; Ef. 2:12 .
Hertaald:
verzwegen is geweest;
Dit moet niet zo opgevat worden alsof men in het Oude Testament niets van de evangelieleer geweten zou hebben, want in vers 26 wordt verklaard dat de openbaring van deze leer ook door de profetische geschriften gebeurd is. Het gaat om die heldere openbaring en verkondiging die nu in het Nieuwe Testament gebeurd is, aangezien Christus toen nog niet gekomen was en de heidenen daarvan helemaal niets wisten; Ps. 147:20; Ef. 2:12.
nu geopenbaard is,
Namelijk in de tijden des Nieuwen Testaments.
Hertaald:
nu geopenbaard is,
Namelijk in de tijd van het Nieuwe Testament.
de profetische Schriften,
Namelijk in welke de Messias beloofd en beschreven wordt, met al zijne omstandigheden en weldaden; Hand. 26:22 ; Rom. 1:2 , en Rom. 3:21 ; 1 Petr. 1:10 , wanneer dezelve worden vergeleken met hetgeen in het Nieuwe Testament wordt beschreven in Christus vervuld te zijn.
Hertaald:
de profetische Schriften,
Namelijk de geschriften waarin de Messias beloofd en beschreven wordt, met al Zijn omstandigheden en weldaden, Hand. 26:22; Rom. 1:2 en Rom. 3:21; 1 Petr. 1:10 — wanneer die vergeleken worden met wat in het Nieuwe Testament beschreven wordt als in Christus vervuld.
naar het bevel
Of, ordonnantie Gods, die goedgevonden heeft alzo der mensen zaligheid teweeg te brengen, en die niet is gehouden daarvan iemand rekenschap te geven.
Hertaald:
naar het bevel
Of: de beschikking van God, Die het goedgevonden heeft de zaligheid van de mensen op deze wijze tot stand te brengen, en Die aan niemand daarvan rekenschap hoeft te geven.
bekend is gemaakt;
Namelijk daar het tevoren onder hen verzwegen was, vs.25.
Hertaald:
bekend is gemaakt;
Namelijk aan de heidenen, terwijl het voordien onder hen verzwegen was, vers 25.
Den zelven
Of, den eeuwigen wijzen God, of, den alleen wijzen God, door Jezus Christus, wien zij de heerlijkheid in der eeuwigheid.
Hertaald:
Den zelven
Of: aan de eeuwige, wijze God; of: aan de alleen wijze God, door Jezus Christus, aan Wie de heerlijkheid zij in eeuwigheid.
een geroepen
Van den van Paulus en hetgeen volgt, zie de aantekeningen Hand. 13:9 ; Rom. 1:1 .
Hertaald:
een geroepen
Zie over de naam Paulus en wat daarop volgt de aantekeningen bij Hand. 13:9; Rom. 1:1. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Een dienares (diakones) van de gemeente te Kenchreen, de havenplaats van Korinthe. Zij bracht vermoedelijk de brief aan de Romeinen zelf naar Rome, en Paulus beveelt haar bij de gemeente aan als iemand die velen, ook hemzelf, tot steun is geweest (Rom. 16:1-2). De eersteling (eerste bekeerling) van Achaje voor Christus, door Paulus zijn 'beminde' genoemd (Rom. 16:5). Een gelovige te Rome, door Paulus geprezen omdat zij veel voor de gemeente gearbeid heeft (Rom. 16:6); een andere persoon dan de Maria's uit de Evangeliën. Een bloedverwant en medegevangene van Paulus, 'vermaard onder de apostelen', die al vóór Paulus zelf een gelovige was (Rom. 16:7). Samen met Andronikus genoemd als bloedverwant en medegevangene van Paulus, eveneens 'vermaard onder de apostelen' (Rom. 16:7). Een gelovige te Rome, door Paulus zijn 'beminde in den Heere' genoemd (Rom. 16:8). Een medearbeider van Paulus in Christus, gegroet in Romeinen 16:9. Een beminde gelovige van Paulus te Rome (Rom. 16:9). Een gelovige die door Paulus 'beproefd in Christus' genoemd wordt, dat wil zeggen: iemand wiens trouw op de proef is gesteld en gebleken (Rom. 16:10). Zijn naam wordt genoemd omdat leden van 'zijn huisgezin' tot de gelovigen te Rome behoorden (Rom. 16:10); of hijzelf toen nog leefde, is onbekend. Een bloedverwant van Paulus te Rome, mogelijk een vrijgelatene uit het huis van Herodes (Rom. 16:11). Zijn naam wordt genoemd omdat leden van 'zijn huisgezin, die in den Heere zijn' gegroet worden (Rom. 16:11); mogelijk dezelfde bekende vrijgelatene van keizer Claudius met deze naam. Een vrouw die 'arbeidt in den Heere', samen met Tryfosa gegroet, mogelijk haar zuster of een naaste medewerkster (Rom. 16:12). Samen met Tryfena gegroet als een vrouw die arbeidt in den Heere (Rom. 16:12). Een 'beminde zuster' die veel gearbeid heeft in den Heere (Rom. 16:12). Door Paulus 'de uitverkorene in den Heere' genoemd; zijn moeder had ook voor Paulus als een moeder gezorgd (Rom. 16:13). Wel eens vereenzelvigd met de Rufus die in Markus 15:21 als zoon van Simon van Cyrene genoemd wordt, al is dat niet zeker. Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:14. Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:14. Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:14. Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:14. Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:14; een andere persoon dan Hermas. Een gelovige te Rome, samen met Julia, Nereus en diens zuster en Olympas gegroet (Rom. 16:15). Een gelovige te Rome, mogelijk de vrouw van Filologus, gegroet in Romeinen 16:15. Een gelovige te Rome, samen met zijn zuster gegroet (Rom. 16:15). Een gelovige te Rome, gegroet in Romeinen 16:15. Een bloedverwant van Paulus die vanuit Korinthe meegroet met deze brief (Rom. 16:21); wel eens vereenzelvigd met Lucius van Cyrene (Hand. 13), maar dat is onzeker. De secretaris die de brief aan de Romeinen naar Paulus' dictaat opschreef, en die zelf ook een korte groet toevoegt (Rom. 16:22). De gastheer bij wie Paulus in Korinthe verbleef en bij wie de gehele gemeente samenkwam (Rom. 16:23); een andere persoon dan Gajus van Macedonië (Hand. 19). Mogelijk dezelfde Gajus die Paulus in 1 Korinthe 1:14 noemt als een van de weinigen die hij zelf gedoopt heeft. Een gelovige te Korinthe, 'de broeder' genoemd, die met Paulus meegroet (Rom. 16:23). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Het beloofde Zaad niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het slot van de brief aan Rome bestaat uit groeten: achtentwintig namen, mensen die Paulus kent uit een stad waar hij nooit geweest is. Middenin die lijst staat één zin die uit een heel andere toonaard komt. Tussen de groeten door valt de oudste belofte van de Bijbel, met de gemeente als plaats waar zij vervuld wordt. **De zin.** “En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren.” Dat is de eerste belofte uit de hof, bijna woordelijk: het zaad der vrouw zal de slang de kop vermorzelen. Paulus haalt haar niet aan als bewijsplaats; hij gebruikt haar als afscheidsgroet. **Onder úw voeten.** Daar zit het bijzondere. In Genesis gaat het over Eén — dat werkt Paulus in Galaten uit: er staat niet den zaden, als van velen, maar als van één, en dat is Christus. Hier staat het meervoud. Wat aan het Hoofd beloofd is, komt uit bij de leden. De overwinning is niet van hen, maar zij vindt bij hen plaats. **Dat woordje haast.** De kanttekening houdt het eerlijk in tweeën: dit begint hier wel, maar zal aan het einde van deze wereld volkomen geschieden. Dus geen belofte van een rustig leven, en ook geen uitstel tot later — beide tegelijk. **Het slot van de brief.** Wat er dan volgt sluit de cirkel met het begin: het Evangelie is naar de openbaring van de verborgenheid die van eeuwen her verzwegen is geweest, maar nu geopenbaard is en door de profetische Schriften onder alle heidenen bekendgemaakt. In hoofdstuk één opende hij met: tevoren beloofd door Zijn profeten in de heilige Schriften. In hoofdstuk zestien sluit hij ermee. Alles wat ertussen staat, is de uitleg van die ene lijn. **Waarom dit bij het zaad hoort.** De zaadlijn begint bij een zin tegen een slang en loopt door tot bij een gemeente in Rome die groeten uitwisselt. Tussen die twee ligt de hele Schrift — en Paulus zet het einde van de brief precies terug bij het begin van het boek. In het Nieuwe Testament: Genesis 3:15; Galaten 3:16; Romeinen 1:2; Openbaring 12:9; Openbaring 20:10; Kolossenzen 2:15 Hoever dit reikt: Paulus haalt Genesis 3 niet met zoveel woorden aan; de bewoording — verpletteren onder de voeten — komt er zo dicht bij dat de verbinding vaststaat, en de uitleggers zijn daarover eenstemmig. Dat de vervulling nu begint en aan het einde voltooid wordt, is de uitleg van de kanttekening bij het woord haast.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Romeinen 16
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
De satan haast onder uw voeten — 16:20, 25-27
Wat betekenen de niveaus?


Romeinen 16
Romeinen 16:1-16
KruisverwijzingenFilippenzen 2:29→Filemon 1:2→Kolossenzen 4:15→1 Korinthe 16:15→Romeinen 16:11→Romeinen 16:21→1 Korinthe 16:20→2 Korinthe 13:12→— En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is; Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven. Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus; Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen. Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus. Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft. Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn. Groet Amplias, mijn beminde in den Heere. Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde. Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristobulus zijn. Groet Herodion, die van mijn maagschap is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn. Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere. Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne. Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn. Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn. Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.
“Ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreën is.” Dit hoofdstuk bevat Paulus’ liefdevolle groet aan de verschillende christenen die te Rome woonden. Al lijkt het op het eerste gezicht weinig leerzaam, er moet stichtelijke inhoud onder de oppervlakte zitten. Heel de Schrift is immers van God ingegeven en op de een of andere manier tot ons nut bedoeld. In elk geval laat het ons dit zien: Paulus was van een zeer liefdevolle aard; God koos als apostel voor de heidenen geen man van een grove, ongevoelige, zelfzuchtige inborst. Zijn geheugen moet, evenals zijn hart, in goede conditie zijn geweest om zoveel namen te onthouden. Dat waren nog maar enkele van zijn vele geliefde broeders en geestelijke kinderen over de hele wereld. Hij noemde hen bij name in deze brief, zoals hij ook in andere brieven deed, zij het in mindere mate. Zijn warme hart moet zijn geheugen verlicht hebben en hem het beeld, de omstandigheden, de geschiedenis, het karakter en de naam van elk van zijn vrienden hebben doen onthouden. Hij had hen te lief om hen te vergeten.
Christenen behoren elkaar lief te hebben, en zij behoren elkaars namen op hun hart te dragen, zoals hun grote Hogepriester de namen van al Zijn heiligen op Zijn kostbare borstlap draagt. Een christen is, vanwege de liefde die hij voor anderen koestert, altijd bedacht om door hoffelijkheid te behagen, en verlangt er nooit naar door onbeleefdheid te kwetsen. De genade maakt de dienstknecht van God in de hoogste zin tot iemand van waarachtig en godvruchtig karakter. “Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.” Leren wij niets méér uit dit hoofdstuk dan de plicht om liefdevol en hoffelijk met elkaar om te gaan, dan zullen wij er al beter aan toe zijn. Want er is onder de belijders van Christus in deze tijd niet genoeg tere bezorgdheid en vriendelijk woord.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
En ik beveel u de overbrengster van mijn brief, Febe, onze zuster in Christus, die een dienares of diacones is van de gemeente, die te Kenchreën is;
Met deze woorden begint de apostel een naschrift (post-scriptum) tot zijn brief, dat zo kostbaar als klein is. Het is een prediking van de gemeenschap van de heilige met de daad in aanbevelingen en groeten, zoals de liefde van de Heilige Geest ze alleen kan ingeven. Men heeft weleens gezegd: Aanbevelingen en groeten kan ieder doen uit zijn eigen hart en verstand, zonder de Heilige Geest. Zeker kan dit ieder, maar ik ontken dat ieder zulke aanbevelingen en groeten kan neerschrijven als wij hier lezen. Aan de geest, die ons uit een geschrift toeademt, erkent men de geest, waaruit het geschreven is, en zo ook hier. Uit ieder woord waait ons die zuivere frisse, hoge berglucht tegen, die ons verkwikt, verlevendigt, zoals geen andere luchtstroom ons doen kan. Nee, de Heilige Geest heeft hier de pen niet neergelegd om door Paulus opgenomen te worden, maar Hij schreef met de mond van Paulus en de hand van Tertius.
Opdat u haar, terwijl zij nu op haar reis tot u komt, ontvangt in de Heere (Fil. 2: 29), zoals het de heilige betaamt, dat zij hun broeders en zusters in Christus omwille van Hem graag en met alle vriendschap opnemen en hun niet alleen de gewone gastvriendschap betonen. Ik bid u, dat u haar bijstaat in welke zaak zij van u nodig zou mogen hebben, in de bijzondere aangelegenheden, die haar naar Rome hebben gevoerd. Doe dat, want zij is een voorstandster, een gewenste hulpe geweest van velen, ook van mijzelf en zo is het betamelijk haar weer hulp te verlenen.
De mannelijke eigennaam Febus en de vrouwelijke Febe, die beide bij ongewijde schrijvers van de oudheid gevonden worden, zou aan de heidense God Apollo kunnen herinneren, die veelal de bijnaam Phoebus d. i. de reine, heldere glinsterende draagt en niet zelden eenvoudig met dat woord zo wordt genoemd. Bij het veelvuldig gebruik van namen is zeker de betrekking tot de godenleer geheel vergeten, of het woord heeft van het begin aan willen uitdrukken wat de eigenlijke betekenis ervan is, waarom het aan geen bedenking onderhevig was, als die naam door Christenen werd behouden. Volgens de zeer waarschijnlijke mening van de meeste uitleggers is de hier bedoelde Febe de overbrengster van de brief aan de Romeinen geweest. Zij was, zoals de apostel uitdrukkelijk te kennen geeft, diacones van de dochtergemeente van de Corinthische, die te Kenchreën. Wij vinden namelijk naast het ambt van diaken (Hoofdstuk 12: 7) in de apostolische kerk ook de instelling van vrouwelijke helpsters, die het eerste als aanvulling terzijde staat, en in de Griekse kerk tot in de 13de eeuw bewaard is gebleven. Men leidt haar gewoonlijk af van de Christelijke gemeenten uit de heidenen, waarin de vrouwen zeer teruggetrokken leefden en haar verkeer met de mannen binnen engere grenzen was gesloten dan onder de Joden. Niet alleen de wet van de welvoeglijkheid, maar de algemene behoefte bracht het mee om voor de bijzondere zielzorg, de armen- en ziekenverpleging onder het vrouwelijk deel van de gemeente een gepast ambt in te stellen. Hier was van de vrouwen, aan wie de apostel het openlijk optreden in de vergaderingen had verboden, een schone en uitgebreide werkkring geopend tot ontwikkeling van haar eigenaardige gaven, tot uitoefening van haar rijke liefde en opoffering, zonder dat zij uit haar natuurlijke sfeer hoefden te treden. Door dit ambt konden zij de zegeningen van het Evangelie in de geheimste en tederste samenvoegselen van het huiselijke leven invoeren en, ongezien door de wereld, in alle stilte en bescheidenheid ontzaglijk veel goeds stichten. Aan deze verpleging van de weduwen, van de armen en zieken sloten zich, evenals bij de mannelijke diakenen, zeker nog wel vele andere dienstbetoningen aan, hoewel wij daarover geen uitdrukkelijke berichten bezitten. Daartoe zou men kunnen rekenen de opvoeding van de wezen, de verpleging van vreemdelingen, het beoefenen van gastvrijheid (1 Tim. 5: 10) en waarschijnlijk ook de nodige hulp bij de doop van personen van het vrouwelijk geslacht, vooral wanneer die in de vorm van gehele onderdompeling plaats had. Hoogst waarschijnlijk dienden de vrouwen Tryfena, Tryfosa en Persis, die de apostel in vs. 12 om haar arbeid in de Heere prijst, in dezelfde eigenschap van de gemeente te Rome. Op welke manier Febe hen heeft bijgestaan, daarvan kan geen geschiedkundige aanwijzing worden gegeven; toch ligt het vermoeden voor de hand, dat hij eens bij zijn verblijf te Kenchreae ziek geweest is en daar verpleging nodig had, of dat hij handreiking van haar ontvangen heeft op dezelfde manier als de vrouwen die in Luk. 8: 2 v. de Heere gaven.
Groet Priscilla (Prisca 2 Tim. 4: 19) en Aquila, mijn medewerkers (Hand. 18: 26) in Christus Jezus, die nu weer bij u te Rome zijn (Hand. 18: 2 en “Ac 18: 2″en “Ac 28: 16.).
Die in vroegere tijd te Efeze voor mijn leven hun hals gesteld hebben, die om mij te redden zich aan het ergste doodsgevaar hebben bloot gesteld, die niet alleen ik dank, maar ook al de gemeenten van heidenen voor deze mij betoonde liefdedienst.
Geen brief van Paulus bevat zoveel groeten, met name (veertig) als de brief aan de Romeinen. Aan deze vele groeten konden de broeders opmerken hoe innig en ernstig de apostel het meende, als hij altijd in zijn gebed smeekte, of het nog eens mocht gebeuren, dat hij door de wil van God tot hen kwam (Hoofdstuk 1: 10), hoe sterk hij de gemeente, die hij van aangezicht nog niet had gezien, in zijn hart droeg en temidden van de overdadigen arbeid en van zijn lijden geen broeder en geen zuster in de verte vergat, die hij in de Heere kende. In de eerste plaats nu groet hij het heilige echtpaar, dat hem te Corinthiërs heeft opgenomen, toen hij voor de eerste maal van Athene daarheen in neergeslagenheid kwam. Hij had deze beide helpers in Christus Jezus later mee naar Efeze gebracht. Te Efeze, waar Priscilla en Aquila Apollos tot zich namen en hem de weg van God uitlegden, zal het ook zijn geweest, dat zij voor het leven van de apostel hun hals gesteld hebben. Verborgen zij hem misschien bij het volksoproer in hun woning (Hand. 19: 30), dan stelden zij daarmee hun halzen onder de bijl, zoals de uitdrukking “gesteld hebben” eigenlijk wil zeggen; want deze kon op een wenk van de stadsschrijver hen treffen (vgl. Fil. 2: 30). Om deze zelfopofferende liefde wordt met dankbaarheid aan hen gedacht, niet alleen door Paulus zelf, maar ook door alle gemeenten onder de heidenen, die toch de beide redders van hun apostel nooit konden vergeten en de Romeinen bezaten in dit echtpaar, dat uit de ballingschap naar Rome had mogen terugkeren, een levendige band van gemeenschap met alle gemeenten onder de heidenen. Ook wij, zegt Bengel, moeten nog heden Priscilla en Aquila danken en eens zullen wij hun dank betuigen.
Groet ook de gemeente, die in hun huis regelmatig godsdienstige samenkomsten houdt (1 Kor. 16: 19) Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje (volgens betere lezing Azië – naar 1 Kor. 16: 15 was de eersteling van Achaje Stefanus met diens huisgezin) in Christus, de eerste, die in Klein-Azië in Christus gelovig geworden is.
Wat de lokalen voor de godsdienstige bijeenkomsten in de apostolische tijd aangaat, was aan de oprichting van bijzondere kerkgebouwen in deze periode natuurlijk nog niet te denken; gedeeltelijk vanwege de armoede van de Christenen, deels en wel vooral omdat zij als zodanig nog geen wettig bestaan in het Romeinse rijk hadden en zij door openbare huizen van godsdienst nog meer de vervolgingsijver van de Joden zouden hebben opgewekt. Hun bleef dus niets anders over dan of een openbaar lokaal te huren, zoals bijvoorbeeld de gehoorzaal van de heidensen rhetor Tyrannus te Efeze (Hand. 19: 9), of om elkaar in de bijzondere huizen van de meer aanzienlijke broeders te stichten, zoals in het huis van Lydia te Filippi (Hand. 16: 16, 40), van Jason te Thessalonika (Hand. 17: 5, 7), van Justus te Corinthiërs (Hand. 18: 7), van Aquila en Priscilla te Efeze (1 Kor. 16: 19). In grotere steden en in talrijker gemeenten waren er verscheidene van zulke vergaderplaatsen en de kleine gemeenten van Christenen, die in deze hun gewone godsdienstoefeningen hielden, worden daarom door Paulus huiskerken genoemd (vgl. Kol. 4: 15. Fil. 2). Onder deze kerken in de huizen, of huisgemeenten moeten wij verstaan, dat de Christenen, waar zij reeds zeer talrijk waren geworden en ver van elkaar leefden, zoals vooral te Rome, waarvan de bevolking die van het tegenwoordige Parijs overtrof, in verschillende lokalen tot onderlinge stichting vergaderden. Hierbij is een organische verbintenis tot een geheel en hun leiding door een gemeenschappelijk presbyterium geenszins uitgesloten. Vandaar zijn ook de apostolische brieven nooit aan een afzonderlijk deel een ecclesiola in ecclesia of een conventikel, maar altijd aan alle Christenen te Rome, Corinthiërs, Efeze enz. gericht en spreken zij tot deze als tot een zedelijk lichaam.
Hebben zich ook bijzondere vergaderingen van enkele delen van de gemeente gevormd in bijzondere huizen van degenen, die een daartoe geschikt lokaal hadden, of die bijzondere bekwaamheid hadden om door voordrachten degenen, die zich bij hen verzamelden, te stichten, dan was dat toch zeker iets, dat pas later plaats had, als de reeds regelmatig georganiseerde gemeente talrijker werd. Zij, die tot zodanige vergaderingen samenkwamen, scheidden zich daardoor niet van het grote geheel van de gemeente af, die onder de leidende senaat of het presbyterium stond.
Groet Maria, die veel voor ons gewerkt heeft, toen zij gedurende een ziekte de verpleging op zich heeft genomen.
Groet Amplias of Ampliatus, mijn beminde in de Heere.
Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus en Stachys, mijn beminde.
Groet Apelles, die beproefd is in Christus (de bevestigde, beproefde Christen). Groet hen die van het huisgezin van Aristobulus zijn, de Christenen onder zijndienstknechten.
Groet Herodion, die van mijn familie is (vs. 7). Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in de Heere zijn, die onze medegelovigen in Christus zijn.
Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die in de Heere, in Zijn zaak als diakonessen (vgl. bij vs. 2) arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster in Christus, die niet slechts, zoals Tryfena en Tryfosa arbeidt, maar veel gearbeid heeft in de Heere.
De naam Apelles of Apella is gewoon bij Joodse vrijgelatenen. Naast de beproefde Christen, die allerlei bewijzen in het openbaar van zijn Christendom heeft geven, groet Paulus die van Aristobulus zijn, diens slaven, evenals naast zijn bloedverwant Herodion, die van Narcissus, Aristobulus en Narcissus schijnen voorname mensen geweest te zijn, de laatste misschien de bekende gunsteling van de keizer Claudius. Het had Paulus vooral getroffen, dat van de dienstbaren van deze beide aanzienlijken enigen bekeerd waren (vgl. Fil. 4: 22), vroeger slaven, maar nu vrijen in de Heere.
Evenals de ootmoed van de apostels daaruit blijkt, dat voor hem in den Heere elk onderscheid, ook dat van slaven en vrijen verdwijnt (1 Kor. 12: 13. Gal. 3: 28) zo ook naast zijn ootmoed de wonderbare tederheid en de rijkdom van zijn liefde daarin, dat hij aan ieder zijn onderscheidend bijwoord ten dele laat worden en de erkenning, die hem naar de mate van zijn gaven en van zijn werk toekomt. Daarin volgt hij het voorschrift door hemzelf in Hoofdstuk 12: 3 vv. en 16 gegeven.
Het geloof maakt geen onaangename maar verstandige mensen.
Groet Rufus, de uitverkorene in de Heere (vgl. 1 Joh. 1 en 3) en zijn moeder en de mijne.
Welke geschiedkundige grond deze aanwijzing “en de mijn” heeft, laat zich denken, als Rufus dezelfde is, die in Mark. 15: 21 de zoon van Simon van Cyrene wordt genoemd. Hij is zeker wel dezelfde, omdat de schrijver van het tweede evangelie voor niet-Joodse lezers (vgl. Mark. 7: 2 vv.), voor wie hij het Grieks door het Latijn verklaart (Markus 12: 42; 15: 16, 39, 44) dus waarschijnlijk te Rome heeft geschreven, waar hij de nadere omstandigheden van Simon van Cyrene, dat hij de vader van Alexander en Rufus was, alleen dan voor doelmatig kon houden, als deze beide broers daar bekend waren. Heeft Rufus met zijn moeder te Jeruzalem geleefd, voordat hij met haar naar Rome verhuisde, dan kan Paulus, toen hij zich te Jeruzalem ophield, in het huis van de moeder hebben gewoond en haar moederlijke verzorging hebben genoten (vgl. Joh. 19: 26 v.). Evenals tot de moeder, zal hij ook tot de zoon van die tijd in een persoonlijke betrekking hebben gestaan, waarop hij zeker wel het woord “de uitverkorene in de Heere” wijst; want hij kan hen niet met dat woord aanwijzen als een Christen, dat te algemeen, noch ook als een uitgezochte Christen, dat zeer on-apostolisch zou zijn, maar alleen als een, die voor hem een in de Heere verkoren, een uitgelezen Christelijke broeder is.
Groet Asyneritus, Flegon, Hermas, Pratrobas, Hermes en de broeders die met hen zijn, die tot uitoefening van maatschappelijke zaken als van handel of van gelijk handwerk (Hand. 18: 3) met hen samenwonen.
Groet Filologus en Julia, zijn gade, Nereus en zijn zuster en Olympas en al de heilige die met hen zijn.
Velen van degenen, die Paulus in vs. 14 laat groeten, wisten zeker nauwelijks dat zij de apostel met name bekend waren; maar hij richtte zich ook bij zijn groeten tot de nederigen (Hoofdstuk 12: 16). Een geringe broeder een vreugde te verschaffen door vermelding van zijn naam, die in het boek des levens geschreven was (Fil. 4: 3) was voor zijn liefde een genot.
Misschien hebben wij in degenen, die in vs. 15 genoemd zijn, het eerste gezelschap van Christelijke geleerden en afschrijvers. De naam Filologus doet ten minste denken aan een man, die graag geleerde onderzoekingen doet, een vriend van de wetenschappen en het “al de heilige, die met hen zijn” wijst (vgl. “de broeders, die met hen zijn” in vs. 14), op een vereniging van drie mannen, die voor gelijke studie samen verbonden zijn.
Groet elkaar met een heilige kus (vgl. 1 Petrus 5: 14). De gemeenten van Christus groeten jullie (1 Kor. 16: 20. 2 Kor. 13: 12).
1 Thessalonicenzen. 5: 26.
Bij al de bijzondere groeten is de gehele gemeente aangesproken, die de groeten aan de genoemde personen moet doen. Zo is het geheel natuurlijk, dat de apostel ten slotte de aansporing er aan toevoegt tot een algemene wederkerige begroeting van de leden van de gemeente. De kus gaat bij bijna alle oude volken met de begroeting gepaard (Luk. 7: 45; 22: 48). Deze wordt reeds door de daarvoor gebruikelijke Griekse uitdrukking a) voorgesteld als een daad van vriendschap en liefde en moet bij de Christenen, als die ook bij de godsdienst, bijzonder bij de viering van het heilig avondmaal gebruikelijk werd, een teken zijn van de broederliefde, die hen allen verbond, een teken dat de vrucht is van de Heilige Geest. Daarom wordt hij genoemd “de heilige kus”.
De kus, die lichamelijk verbindt, is beeld en tevens uitdrukking van inwendig verbonden zijn.
Van vele gemeenten waren de apostel zonder twijfel groeten aan de Romeinen opgedragen, omdat hij hen zijn plan om naar Rome te reizen en ook om vooraf hun te schrijven zeker niet had verborgen gehouden. Van de overigen is het waar, zoals reeds Erasmus zegt, dat Paulus in hun aller naam groet, omdat hij hun belangstelling in de gemeente te Rome kende.
a) En ik bid u, broeders, neemt acht op, hoed u zorgvuldig voor degenen (Fil. 3: 2. MATTHEUS. 7: 15), die tweedracht en ergernissen aanrichten door tot enige mening of stelling, die zij u voorhouden, te verleiden een stelling, die indruist tegen de leer, die u van ons geleerd heeft (Hoofdstuk 6: 17. Kol. 1: 23) b) en wijkt af van deze; mijd hun omgang, als zij van buiten tot u komen, om ook bij u als bij andere gemeenten ingang te vinden (2 Joh. 1: 10).
Kol. 2: 8. Tit. 3: 10. MATTHEUS. 18: 17. 2 Thessalonicenzen. 3: 6. 2 Tim. 3: 5
De Christelijke liefde is geen zwakheid maar kracht, ook bij Paulus; zij sluit de tegenstand tegen het verkeerde uit, maar de gemeenschap van de heilige heeft met die van de onheilige niets te doen. De dwaling kan met de waarheid niet samengaan, men kan ze niet beide onder een mantel van liefde bedekken. Want juist de dwaling, de valse leer verstoort de liefde en brengt het tegenovergestelde teweeg: de tweedracht, de ergernis. Om van de broederlijke liefde wil moeten dus valse leraars worden geschuwd. Zeker kan de dwaling niet bestraft worden door uitwendig geweld, maar daarom moet ze te meer bestreden worden door geestelijk geweld, door de Geest van God. Zoals er een heilige liefde is zo is er ook een heilige haat. Vergeten wij niet dat alle onkruid zich op een ontzettende manier vermenigvuldigt. Zo ook de dwaling; uit een dwaling komen snel een menigte andere dwalingen te voorschijn, die het Christendom vernielen. Daarom geen dwaling, hoe gering ook, toegegeven. Ook de kleine tijgertjes en leeuwtjes zijn lieve diertjes, maar pas op, zij worden groot en dan verscheuren zij u, als u hun niet onschadelijk heeft gemaakt. Het is dan ook zeer opmerkelijk dat de apostel zijn brief niet besluit zonder nog een woord en wel een zo krachtig woord te zeggen, tegen de valse leraren, die, zoals uit de overige brieven blijkt, bijna altijd in de gemeenschap aanwezig waren. De apostel ijverde ten allen tijde met hoge ernst voor een zuivere leer en tegen een valse, omdat de leugen de mens doet verloren gaan en alleen de waarheid hem redt.
Want zulke dienen onze Heere Jezus Christus niet, dat zij de zaak van diens rijk zouden bevorderen, zoals het hun plicht zou zijn, maar zij dienen hun buik, omdat zij bij hun werken alleen hun winzucht op het oog hebben, om dan een goed leven te hebben (Fil. 3: 19); en zij verleiden door schoonspreken en prijzen a) de harten van de eenvoudigen, die, evenals zij zelf geen kwaad denken, ook bij anderen altijd alleen veronderstellen wat goed, oprecht en waar is.
Ezechiël. 13: 18.
De apostel besloot eerst de lange rij van groeten met een oproeping aan allen, om elkaar te groeten met de kus van de heilige broederliefde en groette ze vervolgens namens alle gemeenten van Christus, omdat hij toch wist welk belang zij allen in de gemeente van de hoofdstad van de wereld stelden. Terwijl hij ze echter op deze manier met de hele Christenheid in verbintenis bracht, komt hem voor de geest het gevaar, dat de Christelijke eendracht bedreigt vanwege hen, die de splitsingen veroorzaken, waar die komen en dingen leren en voorstellen, die tegen de algemene leer van de Christenen strijden en sommigen ten val zouden kunnen brengen. De apostel noemt deze zo geheel algemeen, dat men niet kan zeggen wie hij daarbij in het bijzonder op het oog had. Maar van welke kant ook zulke verstoorders van de Christelijke eenheid en waarheid mochten komen, van allen mocht gezegd worden dat zij van het leren een werk maakten, waarvan zij aards voordeel wilden trekken en dat zij hun bedrog in schone woorden kleedden, waardoor zij argeloze gemoederen misleidden.
Deze waarschuwing staat in de brief aan de Romeinen, als een getuigenis voor volgende tijden, evenals het lied van Mozes (Deut. 32: 1-43) voor het volk van Israël.
Ik vertrouw nu op u, dat alleen de vermaning in vs. 17 uitgesproken nodig is, om u tegen dergelijke indringers, als ik die hier heb voorgesteld, voorzichtig en op uw hoede te maken. Want uw gehoorzaamheid, waarmee u zo gewillig en zo snel het Evangelie van Christus heeft aangenomen, is tot kennis van allen gekomen. (Hoofdstuk 1: 8). Ik verblijd mij dan over u en heb een goed vertrouwen, dat u uw geloofstaat zult bewaren. a) En ik wil, wanneer ik desalniettemin met een vermaning tot u kom, dat u wijs bent in het goede, maar onnozel in het kwade (1 Kor. 4: 20); weest net zo onvatbaar en ontoegankelijk voor de verleiders, als zij tot u komen, als u zich omtrent de predikers en leraars van de gerechtigheid ontvankelijk en toegankelijk betoond heeft, toen zij kwamen.
MATTHEUS. 10: 16.
En de God van de vrede, die met u zijn zal (Hoofdstuk 15: 33) zal de satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met jullie. Amen.
De gemeente te Rome onderscheidde zich door kinderlijk geloof en gelovig volgen van de apostolische leer. De apostel versterkt haar in die gezindheid, maar wenst haar evenwel meerdere rijpheid toe, opdat zij het goede met wijsheid kiezen zal, van het kwade echter zo onaangeroerd moge blijven in haar eenvoudigheid als onnozele kinderen. (V.).
Juist om de gehoorzaamheid, die de apostel met roem bij de Romeinen erkent, waren ze makkelijk aan het gevaar blootgesteld in hun argeloosheid ook valse leraars te volgen. Evenzo zijn ook tegenwoordig juist de ontwaakte en opgewekte Christenen in het bijzonder de voorwerpen van de verleidende kunsten van sektarische dwaalleraars.
Zij moeten vatbare onderzoekers zijn voor het goede, maar voor het boze daarentegen zo onvatbaar en zo onleerzaam, alsof zij onnozele mensen waren.
Ter vertroosting voegt de apostel bij zijn vermaning en aanwijzing de verzekering dat de satan, die hen verleidt, als zij op hun hoede zijn, het niet lang zal maken. God zal hem in korte tijd onder hun voeten verpletteren, doordat Hij hen een overwinning boven hem laat betalen als die, die in Gen. 3: 15 aan het vrouwenzaad beloofd is.
De God van de vrede vormt de tegenstelling tot de bewerker van alle kwaad, die hier beneden door zijn werktuigen werkt. De kracht van God werkt in de gelovigen; Christus in hen vertreedt de slang de kop.
Slechts eens in deze helen brief noemt de apostel de vijand, in alle brieven tezamen negen maal de satan, zes keer de duivel.
Het “haast” is nog een zeer ernstige wens van Paulus, want soms duurt het, alhoewel de satan ten slotte wordt vertreden, toch een geruime tijd, waarin hij veel verderf kan aanrichten. Paulus wenst deze tijd voor de Romeinen verkort.
De zegenwens aan het slot behoort evenals in vs. 24 in de tekst. De apostel verkrijgt echter nog nader aanleiding om er enige groeten aan toe te voegen, na welke hij de zegenwens herhaalt.
Deze zegenbede is het gewone besluit van Paulus’ brieven, zijn gewoon ondertekeningsformulier. Het bewijst de Godheid van Christus volkomen, want hoe zou Paulus zo’n zegening hebben durven gebruiken als Christus een mindere persoon was geweest dan de Vader en de Heilige Geest? Immers treedt Christus hier ook op als God van de vrede, want wat is de genade anders dan de vrede. Trouwens, Christus is God en mens niet alleen in ieder woord, dat Hij spreekt en in iedere daad, die Hij doet, maar ook in zijn persoon. Nooit zien wij in Hem de mens of wij zien ook God in Hem en nooit zien wij God in Hem, of wij zien ook de mens in Hem.
U groeten a) Timotheus, mijn medearbeider (“Ac 16: 3” en “Ac 19: 20” en “Ac 20: 2 en Lucius (wellicht de profeet van de gemeente te Antiochië, die in Hoofdstuk 13: 1 genoemd is) en Jason (waarschijnlijk dezelfde als de Joodse Christen van Thessalonika, van wie in Hand. 17: 5 vv. wordt gesproken) en Sosipater (een ander dan Sopater van Berea in Hand. 20: 4, die een Christen uit de heidenen was), mijn bloedverwanten (vs. 7 en 11).
Filippenzen 2: 19. Kol. 1: 1. 1 Thessalonicenzen. 3: 2. 1 Tim. 1: 2
Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, zoals de schrijver die dicteerde, groet u in de Heere (1 Kor. 16: 19).
U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele gemeente Ac 19: 34. U groet Erastus, de rentmeester van de stad Corinthiërs (2 Tim. 4: 20. en “Ac 19: 20 en de broeder in Christus, Quartus.
Het zou kunnen bevreemden, dat Timotheus niet aan het hoofd van de brief (vgl. 2 Kor. 1: 1. Fil. 1: 1. Kol. 1: 1. 1 Thessalonicenzen. 1: 1. 2 Thessalonicenzen. 1: 1 wordt aangevoerd als die de brief mee zou hebben gezonden. Mogelijk is de reden daarvan dat Paulus het gepast vond zich voor de gemeente te Rome te stellen in zijn geheel enige en ongedeelde apostolische autoriteit.
Naast Timotheus, aan wie de naam van helper van de apostel in bijzondere zin toekomt, groeten drie bloedverwanten of neven van Paulus. Omdat er zulke ook te Rome waren, is de familie van Paulus van Tarsen wel een familie geworden zeer gezegend in ware Israëlieten (vgl. ook Hand. 23: 16 vv.).
Zonder twijfel had Paulus de brief aan Tertius gedicteerd, zoals de apostel gewoon was zijn brieven te dicteren (1 Kor. 16: 21. Kol. 4: 18. 2 Thessalonicenzen. 3: 17. vgl. 1 Petrus 5: 12 zo vloeide het meest vrij bij wijze van een prediking, de stroom van de Geest voort (alleen bij de Galaten maakte hij een uitzondering (Gal. 6: 11). Nu zou het minder gepast geweest zijn, als de apostel de groet van hem als van een derde had overgebracht, terwijl deze toch zelf de groet neer schreef. Hij liet daarom aan hem zelf over de groet neer te schrijven en ging daarop in vs. 23 weer voort te dicteren. Evenals nu Paulus in vs. 13 de moeder van Rufus ook zijn moeder noemt, maar in oneigenlijke zin, zo noemt hij hier in gelijke zin Gajus zijn huiswaard, bij wie hij thuis was, tevens huiswaard van de gehele gemeente. Of werden in diens huis de samenkomsten van de gemeente regelmatig gehouden, of, wat nog meer met de uitdrukking zou overeenkomen, zijn huis stond gastvrij voor alle leden van de gemeente open, van welke dagelijks enigen de apostel bezochten (2 Kor. 11: 28).
Ook de groet van Erastus betekende voor de Romeinen veel. Niet vele edelen gaven de roepstem van het Evangelie gehoor (1 Kor. 1: 26), maar toch evenals te Corinthiërs, overal enkelen. Tot deze behoorde de rentmeester van de stad. Tevens bevat deze aanwijzing een werk, dat Christenen in het ambt van overheid, als bestuurder van stads- of staatskas, in een roeping van God staan en die met alle getrouwheid moeten waarnemen (Hoofdstuk 13: 6). De huiswaard van de gemeente Gajus was niet heiliger dan Erastus, de rentmeester van de stad. Eindelijk groet nog Quartus, een Romein of ten minste een Italiaan evenals Tertius. Deze was noch huiswaard van de gemeente, maar stads-rentmeester, maar hij had die waardigheid, die aan alle deze groeten sap en kracht geeft en daarom wordt de lange rij gesloten door “de broeder. ” Met deze erenaam is zijn naam versierd.
De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u allen (vs. 20). Amen (vgl. 2 Thessalonicenzen. 3: 16 en 18).
Tot hiertoe had Tertius de brief geschreven; nu schrijft Paulus eigenhandig eronder (2 Thessalonicenzen. 3: 17), vandaar dat de zegenwens voor de derde maal (Hoofdstuk 15: 33; 16: 20 Ro 15. 33) terugkeert.
De gewoonte van de apostel brengt het zo mee, dat hij dezelfde groet enige keren herhaalt. Op dezelfde manier doen soms wij, als een brief reeds gesloten is met een “vaarwel” en plaatsen er onder: “en nu nogmaals vaarwel!”
Om het nu geheel te sluiten komt in de volgende verzen een loven van God, rijk van inhoud en diep van gevoel (waarschijnlijk door de apostel eigenhandig eraan toegevoegd evenals de voorafgaande groet). In deze is de leidende gedachte van de hele brief uitgedrukt. Evenals in het begin van de brief een voorspel werd gevonden, in Hoofdstuk 11: 33 vv. die gedachte reeds haar voorlopige doxologische uitdrukking had gevonden, zo vinden wij hier een naspel in het volste akkoord van verhevene piëteit tot juiste wijding van het geheel.
De apostel richt van de broeders, die hij gegroet en gezegend heeft, met aanbidding het oog op tot God met lof en dank voor Zijn genade, welker lof en heerlijkheid hij hier heeft bekend gemaakt bij het volbrengen van zijn apostolisch ambt.
Deze lof heeft iets opmerkelijks in haar afgezonderde plaats aan het einde van het hoofdstuk en na de zegenwensen, die als slot zijn uitgesproken. Dit moet hieruit worden verklaard, dat Paulus na het eindigen van de brief die weer heeft doorgelezen en van de inhoud daarvan zozeer werd getroffen, dat hij zich bewogen voelde om deze verheerlijking van God er aan toe te voegen.
a) Hem nu, die machtig is u te bevestigen in het geloof, tot alle goede werk (1 Thessalonicenzen. 3: 2. 2 Thessalonicenzen. 2: 17, naar mijn Evangelie (Hoofdstuk 2: 16) en de prediking van Jezus Christus, b) naar de openbaring van de verborgenheid, die van de tijden van de eeuwen verzwegen is geweest.
Efeze. 3: 20. b) Efez. 1: 9; 3: 9. 2 Tim. 1: 10. 1 Petrus 1: 20.
Maar nu geopenbaard is en ook te voren, ten minste gedeeltelijk, door de profetische schriften, hoewel deze vaak weinig werden begrepen (Hoofdstuk 1: 2; Hand. 15: 15 vv.) is verkondigd, maar u naar het bevel van de eeuwigen van God, tot gehoorzaamheid van het geloof, door daartoe een apostel in het bijzonder te roepen, onder alle heidenen bekend is gemaakt (Efeze 3: 3 vv. Kol. 1: 25 vv.).
De bevestiging, die de apostel volgens Hoofdstuk 1: 11 bij zijn persoonlijke tegenwoordigheid de Romeinen wilde aanbrengen, moest door zijn schrijven worden voorbereid. De passieve vorm, waarvan hij zich bedient “ten einde u versterkt zou worden” geeft te kennen dat hij het sterken niet aan zichzelf maar aan God toeschreef. Hier zegt hij het uitdrukkelijk, dat het God is, die bevestigt. Naardien het nu God alleen is, die hem versterken en bevestigen kan en zijn brief dat doel heeft nagestreefd, kan hij deze niet gepaster besluiten dan met een woord van lof aan God, van wie alle versterking eigenlijk uitgaat. Het is echter in het bijzonder zijn Evangelie, zijn prediking van Jezus Christus, die zo’n versterking juist van die gemeente, die hij hier voor zich heeft, met vertrouwen doet verwachten. Deze gemeente toch, die voornamelijk uit vroegere heidenen bestond een gemeente uit de heidense hoofdstad van de wereld, te Rome drukt reeds door haar bestaan alleen het zegel van de waarheid op zijn verkondiging, dat de heidenen ook bestemd zijn om als leden deelgenootschap te hebben aan het lichaam van Christus. Evenals hen nu tegenover deze gemeente van het begin de gedachte aan zijn apostolaat voor de heidenen en aan het ook geroepen zijn van de heidenen tot het Evangelie levendig gedrongen heeft (Hoofdstuk 1: 5 v. ; 13 vv.), zoals hij ook in de loop van zijn schrijven altijd weer daarop is terug gekomen (Hoofdstuk 3: 29; 4: 10 v. ; 9: 24 vv., 30; 10: 11 vv. ; 11: 11, 13, 30; 15: 9 vv., 15 vv. zodat op de duur hij het dicteren de gedachte zich weer openbaart, zo keert hij nu ook weer aan het einde van de brief meteen tot dit begin terug en geeft daaraan zo een slot, zodat het geheel afgerond is. Tegenover dwaalleraars, die zouden komen (vs 17 vv.) hadden de Romeinen voor alle dingen nodig de versterking in zijn Evangelie, in de prediking van Jezus Christus, waarin noch Jood noch Griek, noch besnijdenis noch voorhuid iets betekent. Daarom looft hij die God, die hen in dit Evangelie kan versterken, waardoor hij hun tevens deze versterking toewenst.
De klok staat niet stil, maar gaat rustig voort. U wordt wakker, maar weet niet hoe laat het is. Alles zwijgt behalve de klok, die rusteloos tikt. Maar daar slaat opeens de klok en nu weet u hoe laat het is. Zo was het ook onder het Oude Testament. Daar tikte wel de klok altijd voort, maar sloeg niet, omdat de grote wijzer nog niet op het juiste cijfer stond. Het Oude Testament zweeg, het Nieuwe spreekt met betrekking tot de volken, tot de Heidenen, tot de wereld. Evenzo zal het ook met Israël gaan op de klokslag. Voor de tijd zal er niets te zien en te horen zijn, evenals de jongen van Elia op de Karmel niets zag. Maar hield Elia daarom op te bidden? Nee, hij hield aan tot zolang het afgebedene en door God beloofde kwam en zo moeten wij ook doen. Na zes malen uitgezonden te zijn om te zien en niets gezien te hebben ziet de jongen van Elia een wolk uit zee opkomen ter grootte van de hand van een man en al die tijd hoorde Elia reeds in de geest het ruisen van de naderende plasregen en nu zond hij ijlings de jongen naar Achab heen met het woord: “Span aan en kom af, dat u de regen niet ophoud! ” De klok van de Heere had geslagen.
De alleen wijze God (1 Tim. 1: 17) zij door Jezus Christus, in wie Hij door Zijn allen omvattende genade als de alleen manier Zich openbaart (Hoofdstuk 11: 33. Efeze 3: 10), de heerlijkheid in de eeuwigheid. Amen. (vgl. Judas 1: 24 en 25).
Zo legt Paulus ten slotte al zijn vleselijke wijsheid, volgens welke hij vroeger tegen God streed, met al de wijsheid van de verstandigen van deze wereld onder de voeten van de Majesteit van de alleen wijze God.
De lofzegging van God in vs. 25-27 wordt in verscheidene handschriften gevonden achter Hoofdstuk 14: 23; in andere zowel daar als hier, dus tweemaal. Haar staan hier en wel alleen hier ter plaatse, heeft de meeste handschriften voor zich en is ook wel de oorspronkelijke. Alleen door verplaatsing zijn de verzen aan het einde van Hoofdstuk 14 komen staan, omdat men aanstoot nam aan een doxologie ten besluite van de brief. Er was toch geen andere brief van Paulus met zo’n slot, terwijl men het gewone reeds in vs. 24 vindt en daarentegen het “bevestigen” of “versterken” in vs. 25 op de zwakke in het geloof scheen te slaan, waarover Hoofdstuk 14 handelt. Afschrijvers, die de beide plaatsingen, zowel aan het einde van Hoofdstuk 14, als aan het einde van Hoofdstuk 16 kenden, maar geen beslissing durfden doen, stelden beide in de handschriften door hen gegeven.
SLOTWOORD OP de BRIEF AAN DE ROMEINEN
De brieven van Paulus hebben hun ontstaan te danken aan zijn apostolische levensontwikkeling over het geheel, als ook in bijzondere tijdelijke omstandigheden. De apostel, zo onvermoeid werkzaam, vergenoegde zich niet met de leiding van de door hem direct of indirect gestichte gemeenten, terwijl hij bij haar was; ook afwezig wilde hij met haar de geestelijke gemeenschap onderhouden en behoeften, die zich openbaarden, bevredigen als was hij tegenwoordig.
Ook wilde hij, afwezig zijnde, voor vrienden en leerlingen raadsman en vader zijn en ieder naar roeping en gaven dienen. De stijl van al zijn brieven nu is een getrouw afdruksel van zijn persoonlijkheid. Karakteristiek daarin is een rijkdom van taal en een volheid en levendigheid van uitdrukking bij evenveel volheid en diepte van gedachten, die een zeker gebrek aan klassieke correctheid en retorische afronding meer dan vergoedt. Het gedrongene van de constructie, de betrekkelijk grote menigte van afgebroken zinnen, ellipsen, parenthesen, maar daarbij ook levendige antithesen, opklimmingen, vragen enz., dit alles is een karakteristiek deel van dit gebrek en van die rijkdom.
De volgorde van de Paulinische brieven in onze kanon rust niet op de chronologie of de tijd, waarin zij geschreven zijn, maar deels op het gewicht en de omvang van de inhoud, deels op de rangschikking van degenen tot wie zij gericht zijn. De brieven aan hele gemeenten staan vooraan, vervolgens die aan bijzondere personen. Volgens de tijdsorde moest echter naar de mening, die wij hebben over de tijd, waarin de verschillende brieven geschreven zijn, de op elkaar volging de volgende zijn: 1) De beide brieven aan de Thessalonicenzen in het jaar 52-53 uit Corinthiërs geschreven. 2) Brief aan de Galaten, 55 uit Efeze. 3) 1 Brief aan Timotheus, 56 uit Corinthiërs. 4) Brief aan Titus, 57 uit Efeze. 5) 1 Brief aan de Corinthiërs, omstreeks Pasen 57 uit Efeze. 6) 2 Brief aan de Corinthiërs, in het jaar 57 uit Macedonië. 7) Brief aan de Romeinen, 58 uit Corinthiërs. 8) 2 Brief aan Timotheus, 61 uit Rome. 9) Brief aan de Efeziërs, 61 uit Rome. 10) Brief aan Filemon, 61 uit Rome. 11) Brief aan de Kolossensen. 61 uit Rome. 12) Brief aan de Filippensen, 62 uit Rome.
In onze bijbels zijn onder alle Paulinische brieven, alsmede onder de brief aan de Hebreeën, de naschriften behouden, die reeds in oude tijd zijn ontstaan en vooral door de Diaken Euthalius (omstreeks 450 na Christus) verder zijn ontwikkeld en welke traditionele vermoedens bevatten over de tijd en de plaats van de vervaardiging. Die opgaven zijn meestal, zoals kan worden bewezen, onjuist. Bij onze brief is echter terecht gezegd: “De zendbrief aan de Romeinen, geschreven van Corinthiërs, is gezonden door Febe, de dienaresse van de gemeente, die te Kenchreae is. ” Was echter, zoals vroeger is aangemerkt, niet de tijdsorde maar de betekenis van de inhoud en van degenen, die ze ontvangen, beslissend voor de bijeenvoeging van de brieven van de apostel in de kanon, dan is het geheel juist, dat de brief aan de Romeinen de eerste plaats inneemt. Rome toch, het einde van de oude heidenwereld, is volgens Gods raad ook het begin, de universele haard en bakermat van de nieuwe katholieke Christenwereld geworden en voor de tijden van de heidenen (Luk. 21: 24) in de plaats van Jeruzalem gekomen, dat gedurende deze tijden moet vertreden liggen (vgl. de aanmerkingen op de Handelingen van de Apostelen). En evenals zo de gemeente te Rome voor de werkzaamheid van de apostel van de heidenen de hoogste sport betekent, die hij moest opklimmen, zo is nu ook de inhoud van zijn aan deze gemeente geschreven brief, als het ware een Paulinische dogmatiek, terwijl alle werkelijke momenten, die de apostel in zijn voorstelling van het Evangelie voornamelijk op de voorgrond pleegde te plaatsen, hier uitvoerig ontwikkeld zijn geworden. De brief moest de persoonlijke prediking van Paulus tijdelijk, tot deze zelf zou volgen, te Rome vergoeden; daarom bevat zij een samenhangende ontwikkeling van de leer van het specifiek Paulinische Evangelie, zoals geen andere. Evenals de brieven aan de Kolossensen en Efeziërs voornamelijk van christologische, de beide brieven aan de Corinthiërs van ecclesiastische, de beide brieven aan de Thessalonicenzen, van eschatologische, de zogenaamde pastoraalbrieven, benevens de brief aan Filemon, van pastoralen en de brief aan de Filippensen in het bijzonder van ethische aard zijn, zo zijn de brieven aan de Galaten en de Romeinen soteriologisch. Terwijl echter de eerste voornamelijk spreekt over de tegenstelling van de gerechtigheid van het geloof tegenover de Judaistische gerechtigheid uit de werken, handelt de tweede over de meer universele tegenstelling van genade en gerechtigheid van het geloof tot het algemeen menselijke verderf, zowel van de Joden als van de heidenwereld. Welke betekenis nu onze brief heeft, voornamelijk, de ontwikkelingsgeschiedenis van de Christelijke kerk, daarover werd reeds bij Hand. 20: 2 het nodige opgemerkt.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel