Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
MaarG1161 wij, die sterkG1415 zijn, zijn schuldigG3784 de zwakhedenG771 der onsterkenG102 te dragenG941, en nietG3361 onszelvenG1438 te behagenG700.
Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.
KJV
We
then2
that are strong5
ought1
to bear10
the infirmities7
of the weak,9
and11
not12
to please14
ourselves.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Dat dan een iegelijkG1538 van ons zijn naasteG4139 behageG700 ten goede, totG4314 stichtingG18.
Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.
KJV
Let6
every one1
of us
please
his neighbour5
for7
his good9
to10
edification.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 ookG2532 ChristusG5547 heeft ZichzelvenG1438 nietG3756 behaagdG700, maarG235 gelijk geschrevenG1125 is: De smadingenG3680 dergenen, die UG4771 smadenG3679, zijn opG1909 MijG1473 gevallenG1968.
Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.
KJV
For2
even1
Christ4
pleased7
not5
himself;6
but,8
as9
it is written,10
The reproaches12
of them that reproached14
thee
fell16
on17
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 al wat te voren geschreven is, dat is totG1519 onze leringG1319 te voren geschreven, opdatG2443 wij, doorG1223 lijdzaamheidG5281 enG2532 vertroostingG3874 der SchriftenG1124, hoopG1680 hebbenG2192 zouden.
Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.
Ook in dit vers
tevoren geschrevenG4270
tevoren geschrevenG4270
KJV
For2
whatsoever things1
were written aforetime3
were written8
for4
our6
learning,7
that9
we20
through10
patience12
and13
comfort15
of the scriptures17
might have
hope.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
DochG1161 de GodG2316 der lijdzaamheidG5281 en der vertroostingG3874 geveG1325 u, dat gij eensgezindG846 zijt onderG1722 elkanderG240 naarG2596 ChristusG5547 JezusG2424;
Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;
KJV
Now2
the God3
of patience5
and6
consolation8
grant9
you
to be12
likeminded13
one15
toward another14
according16
to Christ17
Jesus:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
OpdatG2443 gij eendrachtelijkG3661, metG1722 eenG1520 mondG4750, moogt verheerlijkenG1392 den GodG2316 enG2532 VaderG3962 van onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
KJV
That1
ye may6
with one mind2
and3
one4
mouth5
glorify
God,8
even9
the Father10
of our
Lord12
Jesus14
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Daarom neemtG4355 elkanderG240 aan, gelijk ookG2532 ChristusG5547 ons aangenomenG4355 heeft, totG1519 de heerlijkheidG1391 GodsG2316.
Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.
KJV
Wherefore1
receive ye2
one another,3
as4
Christ7
also
received8
us
to10
the glory11
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
EnG1161 ik zegG3004, dat JezusG2424 ChristusG5547 een dienaarG1249 gewordenG1096 is der besnijdenisG4061, vanwege de waarheidG225 GodsG2316, opdat Hij bevestigenG950 zou de beloftenissenG1860 der vaderenG3962;
En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen;
KJV
Now2
I say1
that Jesus3
Christ4
was6
a minister5
of the circumcision7
for8
the truth9
of God,10
to11
confirm13
the promises15
made unto the fathers:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En de heidenenG1484 GodG2316 vanwegeG1223 de barmhartigheidG1656 zouden verheerlijkenG1392; gelijk geschrevenG1125 is: Daarom zal ik UG4771 belijdenG1843 onderG1722 de heidenenG1484, en Uw NaamG3686 lofzingenG5567.
En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.
KJV
And2
that the Gentiles3
might glorify6
God8
for4
his mercy;5
as9
it is written,10
For11
this
cause
I will confess13
to thee
among15
the Gentiles,16
and17
sing21
unto thy
name.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
EnG2532 wederomG3825 zegtG3004 HijG846: Weest vrolijkG2165, gij heidenenG1484 metG3326 Zijn volkG2992!
En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk!
KJV
And1
again2
he saith,3
Rejoice, ye4
Gentiles,5
with6
his9
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
EnG2532 wederomG3825: LooftG134 den HeereG2962, alG3956 gij heidenenG1484, enG2532 prijstG1867 HemG846, alG3956 gij volkenG2992!
En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!
KJV
And1
again,2
Praise3
the Lord,5
all6
ye
Gentiles;8
and9
laud10
him,11
all ye12
people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
EnG2532 wederomG3825 zegtG3004 JesajaG2268: Er zal zijnG1510 de wortelG4491 van JessaiG2421, enG2532 Die opstaatG450, om over de heidenenG1484 te gebiedenG757; opG1909 HemG846 zullen de heidenenG1484 hopenG1679.
En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
KJV
And1
again,2
Esaias3
saith,4
There shall be
a root7
of Jesse,9
and10
he that shall rise12
to reign over13
the Gentiles;14
in15
him16
shall18
the Gentiles17
trust.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
De GodG2316 nuG1161 der hoopG1680 vervulleG4137 ulieden metG1722 alleG3956 blijdschapG5479 en vredeG1515 in het gelovenG4100, opdat gijG4771 overvloedigG4052 moogt zijn in de hoopG1680, doorG1722 de krachtG1411 des HeiligenG40 GeestesG4151.
De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.
KJV
Now2
the God3
of hope5
fill6
you
with all8
joy9
and10
peace11
in12
believing,14
that15
ye
may abound17
in19
hope,21
through22
the power23
of the Holy25
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
DochG1161, mijn broedersG80, ookG2532 ikG1473 zelfG846 ben verzekerdG3982 vanG4012 uG4771, datG3754 gij ookG2532 zelvenG846 volG3324 zijtG1510 van goedheidG19, vervuldG4137 met alleG3956 kennisG1108, machtigG1410 om ookG2532 elkanderG240 te vermanenG3560.
Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen.
KJV
And2
I4
myself6
also5
am persuaded1
of8
you,
my
brethren,3
that10
ye12
also11
are
full13
of goodness,15
filled16
with all17
knowledge,18
able19
also20
to admonish22
one another.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
MaarG1161 ik heb uG4771 eensdeelsG575 te stoutelijkerG5112 geschrevenG1125, broedersG80, uG4771 alsG5613 wederom dit indachtigG1878 makende, omG1223 de genadeG5485, die mijG1473 vanG5259 GodG2316 gegevenG1325 is;
Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;
Ook in dit vers
Joh. 21:06;G3313
KJV
Nevertheless,2
brethren,5
I have written3
the more boldly1
unto you
in6
some sort,7
as8
putting9
you
in mind,
because11
of the grace13
that is given15
to me
of17
God,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Opdat ikG1473 een dienaarG3011 van JezusG2424 ChristusG5547 zijG1510 onder de heidenenG1484, het EvangelieG2098 van GodG2316 bedienendeG2418, opdatG2443 de offerandeG4376 der heidenenG1484 aangenaamG2144 wordeG1096, geheiligdG37 doorG1722 den HeiligenG40 GeestG4151.
Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.
KJV
That I
should be1
the minister5
of Jesus6
Christ7
to8
the Gentiles,10
ministering11
the gospel13
of God,15
that16
the offering up19
of the Gentiles21
might be17
acceptable,22
being sanctified23
by24
the Holy26
Ghost.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zo hebG2192 ik danG3767 roemG2746 in ChristusG2424 JezusG5547 in die dingen, die GodG2316 aangaanG4314.
Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.
KJV
I have1
therefore whereof2
I may glory3
through4
Jesus6
Christ5
in those things which pertain to8
God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
WantG1063 ik zou nietG3756 durvenG5111 ietsG5100 zeggenG2980, hetwelkG3739 ChristusG5547 doorG1223 mijG1473 nietG3756 gewrochtG2716 heeft, totG1519 gehoorzaamheidG5218 der heidenenG1484, met woordenG3056 enG2532 werkenG2041;
Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken;
KJV
For2
I will3
not1
dare
to speak4
of any5
of those things which6
Christ9
hath8
not7
wrought
by10
me,
to make12
the Gentiles14
obedient,13
by word15
and16
deed,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
DoorG1722 krachtG1411 van tekenenG4592 enG2532 wonderhedenG5059, en doorG1722 de krachtG1411 van den GeestG4151 GodsG2316, zodat ikG1473, vanG575 JeruzalemG2419 af, enG2532 rondomG2945, tot IllyrikumG2437 toe, het EvangelieG2098 van ChristusG5547 vervuldG4137 heb.
Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.
KJV
Through1
mighty2
signs3
and4
wonders,5
by6
the power7
of the Spirit8
of God;9
so10
that from12
Jerusalem,13
and14
round about15
unto16
Illyricum,18
I
have fully preached19
the gospel21
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
EnG1161 alzoG3779 zeer begerigG5389 geweest ben om het EvangelieG2097 te verkondigen, niet waar ChristusG5547 genoemdG3687 was, opdatG2443 ik niet opG1909 eens andersG245 fondamentG2310 zou bouwenG3618;
En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen;
KJV
Yea,2
so1
have I strived3
to preach the gospel,4
not5
where6
Christ8
was named,7
lest
I should build14
upon11
another man's12
foundation:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
MaarG235 gelijk geschrevenG1125 is: Denwelken vanG4012 HemG846 nietG3756 was geboodschaptG312, die zullen het zienG3700; enG2532 dewelke het nietG3756 gehoordG191 hebben, die zullen het verstaanG4920.
Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.
KJV
But1
as2
it is written,3
To whom4
he8
was6
not5
spoken
of,7
they shall see:
and10
they11
that have13
not12
heard
shall understand.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Waarom ik ookG2532 menigmaalG4183 verhinderdG1465 geweest ben totG4314 uG4771 te komenG2064.
Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen.
KJV
For which cause1
also2
I have been3
much5
hindered
from coming7
to8
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Maar nu geen plaatsG5117 meer hebbendeG2192 inG1722 dezeG3778 gewestenG2824, en vanG575 over veleG4183 jarenG2094 groot verlangenG1974 hebbendeG2192, om totG4314 uG4771 te komenG2064,
Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,
KJV
But2
now1
having5
no more3
place4
in6
these17
parts,8
and11
having12
a great desire10
these many18
years19
to come14
unto15
you;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Zo zal ik, wanneer ik naarG1519 SpanjeG4681 reisG4198, totG4314 uG4771 komenG2064; wantG1063 ik hoopG1679 in het doorreizenG1279 u te zienG2300, enG2532 van u derwaarts geleidG4311 te worden, alsG5613 ik eerstG4412 van ulieder tegenwoordigheid eensdeelsG3313 verzadigdG1705 zal zijn.
Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn.
KJV
Whensoever1
I take my journey3
into4
Spain,6
I will come7
to8
you:
for11
I trust10
to see13
you
in my journey,12
and15
to be brought on my way18
thitherward19
by16
you,
if2
first22
I be25
somewhat24
filled
with23
your
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Maar nu reisG4198 ik naarG1519 JeruzalemG2419, dienendeG1247 de heiligenG40.
Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.
KJV
But2
now1
I go3
unto4
Jerusalem5
to minister6
unto the saints.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
WantG1063 het heeft dien van MacedonieG3109 enG2532 AchajeG882 goed gedachtG2106 een gemene handreikingG2842 te doenG4160 aanG1519 de armenG4434 onderG1722 de heiligenG40, die te JeruzalemG2419 zijn.
Want het heeft dien van Macedonie en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.
KJV
For2
it hath pleased them1
of Macedonia3
and4
Achaia5
to make8
a certain7
contribution6
for9
the poor11
saints13
which10
are at15
Jerusalem.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Want het heeft hun zo goed gedachtG2106; ookG2532 zijn zij hunG846 schuldenaarsG3781; wantG1063 indienG1487 de heidenenG1484 hunner geestelijkeG4152 goederen deelachtigG2841 zijn geworden, zo zijn zij ookG2532 schuldigG3784 henG846 van lichamelijkeG4559 goederen te dienenG3008.
Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.
KJV
It hath pleased them1
verily;2
and3
their5
debtors4
they are.
For8
if7
the Gentiles14
have been made partakers12
of their11
spiritual things,10
their duty is15
also16
to minister20
unto them21
in17
carnal things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Als ik danG3767 dit volbrachtG2005, enG2532 hunG846 deze vruchtG2590 verzegeldG4972 zal hebben, zo zal ik doorG1223 ulieder stad naarG1519 SpanjeG4681 afkomenG565.
Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.
KJV
When therefore2
I have performed3
this,
and4
have sealed5
to them6
this
fruit,8
I will come10
by11
you
into13
Spain.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
EnG1161 ik weetG1492, datG3754 ik, totG4314 uG4771 komendeG2064, metG1722 vollenG4138 zegenG2129 des EvangeliesG2098 van ChristusG5547 komenG2064 zal.
En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.
KJV
And2
I am sure1
that,3
when I come4
unto5
you,
I shall come14
in7
the fulness8
of the blessing9
of the gospel11
of Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
En ik bidG3870 uG4771, broedersG80, door onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547, en door de liefdeG26 des GeestesG4151, dat gij met mijG1473 strijdtG4865 inG1722 de gebedenG4335 totG4314 GodG2316 voor mijG1473;
En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;
KJV
Now2
I beseech1
you,
brethren,4
for5
the Lord7
Jesus9
Christ's10
sake,
and11
for12
the love14
of the Spirit,16
that ye strive together17
with me
in19
your prayers21
to24
God26
for22
me;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
OpdatG2443 ik mag bevrijdG4506 wordenG1096 vanG575 de ongehoorzamenG544 in JudeaG2449, enG2532 datG2443 deze mijn dienstG1248, dien ikG1473 aanG1519 JeruzalemG2419 doe, aangenaamG2144 zij den heiligenG40;
Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;
KJV
That1
I may be delivered2
from3
them that do not believe5
in6
Judaea;8
and9
that10
my
service12
which4
I have for15
Jerusalem16
may be18
accepted17
of the saints;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
OpdatG2443 ik metG1722 blijdschapG5479, door den wilG2307 van GodG2316, totG4314 uG4771 mag komenG2064, enG2532 met uG4771 verkwiktG4875 worden.
Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden.
KJV
That1
I may come4
unto5
you
with2
joy3
by7
the will8
of God,9
and10
may11
with you
be refreshed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
EnG1161 de GodG2316 des vredesG1515 zij metG3326 uG4771 allenG3956. AmenG281.
En de God des vredes zij met u allen. Amen.
KJV
Now2
the God3
of peace5
be with6
you
all.7
Amen.
wij,
De apostel begrijpt zichzelven mede, opdat de vermaning te krachtiger zij.
Hertaald:
wij,
De apostel rekent zichzelf erbij, opdat de vermaning des te krachtiger zou zijn.
die sterk zijn,
Namelijk in het geloof en de kennis der Christelijke leer, voornamelijk van de Christelijke vrijheid.
Hertaald:
die sterk zijn,
Namelijk in het geloof en in de kennis van de christelijke leer, en vooral van de christelijke vrijheid.
zijn schuldig
Of, zijn verplicht, gehouden; namelijk om de redenen, die Paulus hierna zal verklaren.
Hertaald:
zijn schuldig
Of: zijn verplicht, gehouden; namelijk om de redenen die Paulus hierna zal uiteenzetten.
de zwakheden
Dat is de onwetendheden en dwalingen, die uit zwakheid nog bij hen zijn, voornamelijk in dit stuk der leer.
Hertaald:
de zwakheden
Dat is: de onwetendheid en de dwalingen die uit zwakheid nog bij hen zijn, vooral in dit onderdeel van de leer.
der onsterken
Dat is, der zwakken. Zie Rom. 14:1 .
Hertaald:
der onsterken
Dat is: van de zwakken. Zie Rom. 14:1.
te dragen,
Dat is, verdragen, als een last van hen nemen, en hen helpen dragen. Zie Gal. 6:1-2 .
Hertaald:
te dragen,
Dat is: verdragen, hun last op ons nemen en hen helpen dragen. Zie Gal. 6:1-2.
onszelven te behagen
Dat is, onze zinnelijkheden volgen, of ons gemak en voordeel zoeken, onszelven toegeven.
Hertaald:
onszelven te behagen
Dat is: onze eigen zin volgen, of ons gemak en voordeel zoeken en aan onszelf toegeven.
een iegelijk van ons
Namelijk wie hij zij. Niemand wordt hier uitgenomen.
Hertaald:
een iegelijk van ons
Namelijk wie hij ook is. Niemand wordt hier uitgezonderd.
zijn naaste behage
Veel meer, dan zijn zwakken broeder.
Hertaald:
zijn naaste behage
En dat des te meer wanneer het zijn zwakke broeder betreft.
ten goede,
Of, in het goede; dat is, in zaken die niet kwaad zijn of tot goed voordeel en zaligheid des naasten.
Hertaald:
ten goede,
Of: in het goede; dat is: in zaken die niet verkeerd zijn, of tot het ware voordeel en de zaligheid van de naaste.
tot stichting
Zie Rom. 14:19 .
Hertaald:
tot stichting
Zie Rom. 14:19.
Christus heeft
Het voorbeeld van Christus behoort veel te gelden bij de Christenen, als zijnde een regel, naar welken zij hun leven moeten aanstellen, Joh. 13:15 , Joh. 13:34 ; Fil. 2:5 , en het grote schande voor hen zou zijn, dat zij anders zouden doen dan Hij hun voor gedaan en geleerd heeft.
Hertaald:
Christus heeft
Het voorbeeld van Christus behoort bij de christenen veel te gelden, omdat het de regel is waarnaar zij hun leven moeten inrichten, Joh. 13:15, Joh. 13:34; Filipp. 2:5. Het zou een grote schande voor hen zijn als zij anders zouden doen dan Hij hun voorgedaan en geleerd heeft.
Zichzelven niet behaagd,
Dat is, niet gezocht zijn gemak, eer of voordeel; Matt. 20:28 .
Hertaald:
Zichzelven niet behaagd,
Dat is: Hij heeft niet Zijn eigen gemak, eer of voordeel gezocht; Matth. 20:28.
maar gelijk geschreven is
Namelijk Hij heeft Zich alzo gedragen; of, Hem is geschied.
Hertaald:
maar gelijk geschreven is
Namelijk: zo heeft Hij Zich gedragen; of: zo is Hem gebeurd.
De smadingen dergenen,
Dat is, de zonden, door welke de mensen God smaadheid aandoen, of allerlei verachting en ongelijk der goddelozen.
Hertaald:
De smadingen dergenen,
Dat is: de zonden waarmee de mensen God smaadheid aandoen; of: allerlei verachting en onrecht van de goddelozen.
zijn op Mij gevallen
Dat is, heb Ik op mij genomen, of zijn mij opgelegd, om die te boeten. David spreekt hier als een voorbeeld van den Messias en van Hem profeterende, die onze zonden op Zich genomen heeft om voor dezelve te betalen; Jes. 53:4-5 ; 2 Kor. 5:21 . Dewijl dan daaruit blijkt dat Christus niet Zijn gemak en voordeel heeft gezocht, maar het onze, en zoveel om onzentwil gedaan heeft, zo behoren wij insgelijks te zoeken het beste van onzen naaste, en alles te doen wat tot zijne zaligheid dienstig is. Zie Fil. 2:5-8 ; 1 Joh. 3:16 .
Hertaald:
zijn op Mij gevallen
Dat is: heb Ik op Mij genomen, of: zijn Mij opgelegd om die te boeten. David spreekt hier als een voorafbeelding van de Messias en profeteert over Hem, Die onze zonden op Zich genomen heeft om ervoor te betalen; Jes. 53:4-5; 2 Kor. 5:21. Aangezien daaruit blijkt dat Christus niet Zijn eigen gemak en voordeel gezocht heeft maar het onze, en zoveel om onzentwil gedaan heeft, behoren ook wij het beste van onze naaste te zoeken en alles te doen wat dienstig is voor zijn zaligheid. Zie Filipp. 2:5-8; 1 Joh. 3:16.
te voren geschreven is,
Namelijk in de Schriften des Ouden Testaments; hetwelk nu ook gezegd kan worden van de Schriften des Nieuwen.
Hertaald:
te voren geschreven is,
Namelijk in de Schriften van het Oude Testament; wat nu ook gezegd kan worden van de Schriften van het Nieuwe.
lering te voren geschreven,
Of, onderwijzing; namelijk in zaken, die onze eeuwige zaligheid aangaan. Zie Joh. 5:39 ; 2 Tim. 3:15-16 .
Hertaald:
lering te voren geschreven,
Of: onderwijzing; namelijk in zaken die onze eeuwige zaligheid betreffen. Zie Joh. 5:39; 2 Tim. 3:15-16.
der Schriften,
Dat is, die uit het lezen, aanhoren en overleggen der Schriften verkregen worden.
Hertaald:
der Schriften,
Dat is: de vertroosting die verkregen wordt uit het lezen, aanhoren en overdenken van de Schriften.
hoop hebben zouden
Namelijk van de zaligheid door Christus zekerlijk te zullen verkrijgen.
Hertaald:
hoop hebben zouden
Namelijk de hoop dat wij de zaligheid door Christus zeker zullen verkrijgen.
der lijdzaamheid
Die dezelve in ons werkt, door het middel van de Heilige Schrift, vs.4.
Hertaald:
der lijdzaamheid
God, Die de lijdzaamheid in ons werkt door middel van de Heilige Schrift, vers 4.
eensgezind zijt onder elkander
Namelijk in gevoelen aangaande de rechte leer en in goede genegenheden der harten tot elkander. Zie Rom. 12:16 .
Hertaald:
eensgezind zijt onder elkander
Namelijk in de opvatting over de juiste leer, en in goede genegenheid van het hart tegenover elkaar. Zie Rom. 12:16.
naar Christus Jezus;
Dat is, naar de rechtzinnige leer van Christus. Of, naar Christus Jezus' voorbeeld.
Hertaald:
naar Christus Jezus;
Dat is: naar de rechtzinnige leer van Christus. Of: naar het voorbeeld van Christus Jezus.
eendrachtelijk,
Grieks, eenmoediglijk; dat is, met een hart en ziel; Hand. 4:32 .
Hertaald:
eendrachtelijk,
Grieks: eenmoedig; dat is: met één hart en één ziel; Hand. 4:32.
en Vader van onzen Heere Jezus Christus
Dat is, God, die daar is de Vader onzes Heeren Jezus Christus; Ef. 1:3 , Ef. 1:17 .
Hertaald:
en Vader van onzen Heere Jezus Christus
Dat is: God, Die de Vader is van onze Heere Jezus Christus; Ef. 1:3, Ef. 1:17.
neemt
Zie Rom. 14:1 , Rom. 14:3 .
Hertaald:
neemt
Zie Rom. 14:1, Rom. 14:3.
elkander aan,
Dat is, zowel de sterken de zwakken, als de zwakken de sterken; houdende elkander voor broeders en broederlijk elkander bejegenende in liefde en vrede.
Hertaald:
elkander aan,
Dat is: zowel de sterken de zwakken als de zwakken de sterken, terwijl zij elkaar voor broeders houden en elkaar broederlijk bejegenen in liefde en vrede.
gelijk ook Christus
Dat is, naar het voorbeeld van Christus.
Hertaald:
gelijk ook Christus
Dat is: naar het voorbeeld van Christus.
aangenomen heeft,
Namelijk alzo dat Hij voor ons ook de dood is gestorven.
Hertaald:
aangenomen heeft,
Namelijk zozeer dat Hij ook voor ons de dood gestorven is.
tot de heerlijkheid Gods
Dat is, om ons de heerlijkheid Gods deelachtig te maken. Of, opdat daardoor de heerlijkheid Gods zou verklaard worden.
Hertaald:
tot de heerlijkheid Gods
Dat is: om ons deel te geven aan de heerlijkheid van God. Of: opdat daardoor de heerlijkheid van God bekendgemaakt zou worden.
En ik zeg,
Hier verklaart hij breder hoe Christus aangenomen heeft beiden Joden en heidenen, om daardoor beiden te vermanen, dat zij ook alzo elkander moeten aannemen.
Hertaald:
En ik zeg,
Hier zet hij uitvoeriger uiteen hoe Christus zowel Joden als heidenen aangenomen heeft, om daarmee beiden te vermanen dat ook zij elkaar zo moeten aannemen.
een dienaar geworden is
Dat is, der Joden, die besneden zijn, Rom. 4:12 , dien Hij, zijnde de Heere over allen, als een dienaar, den weg der zaligheid heeft verkondigd, en onder hen alleen zijn dienst bedient; Matt. 15:24 , en Matt. 20:28 .
Hertaald:
een dienaar geworden is
Dat is: van de Joden, die besneden zijn, Rom. 4:12. Hoewel Hij de Heere over allen is, heeft Hij hun als een dienaar de weg van de zaligheid verkondigd en heeft Hij Zijn dienst alleen onder hen bediend; Matth. 15:24 en Matth. 20:28.
vanwege de waarheid Gods,
Namelijk opdat die niet zou gekrenkt worden; maar dat God waarachtig zou worden bevonden in Zijne beloften.
Hertaald:
vanwege de waarheid Gods,
Namelijk opdat die niet gekrenkt zou worden, maar opdat God waarachtig bevonden zou worden in Zijn beloften.
der vaderen;
Dat is, die den vaderen eertijds in het Oude Testament zijn gedaan. Zie 2 Kor. 1:20 .
Hertaald:
der vaderen;
Dat is: de beloften die vroeger in het Oude Testament aan de vaderen gedaan zijn. Zie 2 Kor. 1:20.
de heidenen God
Hier bewijst hij het tweede deel, namelijk dat Christus ook de heidenen heeft aangenomen; volgens de beloften en toezeggingen Gods in het Oude Testament.
Hertaald:
de heidenen God
Hier bewijst hij het tweede deel, namelijk dat Christus ook de heidenen aangenomen heeft, overeenkomstig de beloften en toezeggingen van God in het Oude Testament.
vanwege de barmhartigheid
Of, over de barmhartigheid; namelijk die uit enkele genade ook aan hen betoond is, gelijk den Joden geschied was; Deut. 7:7-8 .
Hertaald:
vanwege de barmhartigheid
Of: over de barmhartigheid; namelijk die uit louter genade ook aan hen betoond is, zoals dat aan de Joden gebeurd was; Deut. 7:7-8.
verheerlijken;
Dat is, tot de kennis van den waren God en tot het geloof gebracht zijnde, Hem zouden danken, eren en dienen, en eindelijk Zijne heerlijkheid mede deelachtig worden.
Hertaald:
verheerlijken;
Dat is: dat zij, wanneer zij tot de kennis van de ware God en tot het geloof gebracht zijn, Hem zouden danken, eren en dienen, en uiteindelijk ook deel zouden krijgen aan Zijn heerlijkheid.
gelijk geschreven is
In al deze plaatsen, die hier uit het Oude Testament tot bewijs worden voortgebracht, moet voornamelijk gelet worden op het woord heidenen. De verklaringen, zie op elke plaats.
Hertaald:
gelijk geschreven is
Bij al deze plaatsen die hier als bewijs uit het Oude Testament aangevoerd worden, moet vooral op het woord heidenen gelet worden. Zie de verklaringen bij elke plaats afzonderlijk.
der hoop vervulle ulieden
Dat is, op wien men hopen moet; 1 Tim. 6:17 , en die de hoop in ons werkt door Zijne beloften en geest; 1 Petr. 1:3 .
Hertaald:
der hoop vervulle ulieden
Dat is: God, op Wie men hopen moet, 1 Tim. 6:17, en Die de hoop in ons werkt door Zijn beloften en Zijn Geest; 1 Petr. 1:3.
met alle blijdschap en vrede
Dat is, met een rechte en gedurige geestelijke blijdschap; Fil. 4:4 .
Hertaald:
met alle blijdschap en vrede
Dat is: met een echte en blijvende geestelijke blijdschap; Filipp. 4:4.
in het geloven,
Dat is, terwijl gij gelooft in dit leven. Of, benevens uw geloof, met hetwelk altijd vergezelschapt is blijdschap en vrede.
Hertaald:
in het geloven,
Dat is: terwijl u in dit leven gelooft. Of: naast uw geloof, waarmee altijd blijdschap en vrede gepaard gaan.
door de kracht des Heiligen Geestes
Grieks, in de kracht des Heiligen Geestes; die nu deze geestelijke gaven en deugden door Zijne kracht in de mensen werkt; 1 Kor. 12:6 , 1 Kor. 12:11 .
Hertaald:
door de kracht des Heiligen Geestes
Grieks: in de kracht van de Heilige Geest, Die deze geestelijke gaven en deugden door Zijn kracht in de mensen werkt; 1 Kor. 12:6, 1 Kor. 12:11.
Doch, mijn broeders,
Hier begint de apostel dezen brief te besluiten, zich ontschuldigende, dat hij zo breed en zo vrijmoedig aan hen had geschreven, en belovende dat hij zelf tot hen zou komen.
Hertaald:
Doch, mijn broeders,
Hier begint de apostel deze brief af te sluiten, terwijl hij zich verontschuldigt dat hij zo uitvoerig en zo vrijmoedig aan hen geschreven heeft, en belooft dat hij zelf naar hen toe zal komen.
ben verzekerd van u,
Dat is, ik vertrouw of verzeker mij vastelijk, naar het oordeel der liefde, die alles gelooft, 1 Kor. 13:7 , dewijl ik weet dat gij zulks metterdaad betoont.
Hertaald:
ben verzekerd van u,
Dat is: ik vertrouw of ben er vast van overtuigd, naar het oordeel van de liefde, die alles gelooft, 1 Kor. 13:7, aangezien ik weet dat u dat metterdaad toont.
goedheid,
En dat derhalve die onenigheid, onder u ontstaan over het gebruik der middelmatige dingen, niet uit boosheid of haat tegen elkander, maar uit zwakheid voortkomt.
Hertaald:
goedheid,
En dat daarom de onenigheid die onder u ontstaan is over het gebruik van de middelmatige dingen niet uit boosheid of haat tegen elkaar voortkomt, maar uit zwakheid.
alle kennis,
Dat is, allerlei kennis, namelijk van geestelijke zaken ter zaligheid nodig. Want hoewel onder hen vele zwakken en onverstandigen waren, zo waren er ook vele godzaligen, verstandigen en welgeoefenden in de Christelijke leer, te wier aanzien hij dit zegt. Zie dergelijke 1 Kor. 1:5 .
Hertaald:
alle kennis,
Dat is: allerlei kennis, namelijk van de geestelijke zaken die voor de zaligheid nodig zijn. Want hoewel er onder hen veel zwakken en onverstandigen waren, waren er ook veel godzaligen, verstandigen en welgeoefenden in de christelijke leer, met het oog op wie hij dit zegt. Zie iets dergelijks in 1 Kor. 1:5.
eensdeels
Dat is, enigszins; of ten dele te stoutelijker.
Hertaald:
eensdeels
Dat is: enigszins, of: ten dele wat vrijmoediger.
te stoutelijker geschreven,
Namelijk met hier en daar uwe gebreken vrijmoedig aan te wijzen en te bestraffen.
Hertaald:
te stoutelijker geschreven,
Namelijk doordat ik hier en daar uw gebreken vrijmoedig aanwijs en bestraf.
indachtig makende,
Dat is, opdat gij op deze dingen, die gijzelf wel weet, en niet wel in het werk stelt, met ernst zoudt denken en dezelve betrachten.
Hertaald:
indachtig makende,
Dat is: opdat u met ernst zou nadenken over deze dingen die u zelf wel weet maar niet goed in praktijk brengt, en ze zou betrachten.
om de genade,
Namelijk des apostelschaps, Rom. 1:5 , dat is, omdat ik van God daartoe gesteld en geroepen ben, en ik mij in mijn ambt getrouw moet kwijten; zie vs.16. Of, door de genade.
Hertaald:
om de genade,
Namelijk de genade van het apostelschap, Rom. 1:5; dat is: omdat ik door God daartoe aangesteld en geroepen ben en mij trouw van mijn ambt moet kwijten; zie vers 16. Of: door de genade.
een dienaar van Jezus Christus
Grieks, leitourgos. Zie van dit woord Hand. 13:2 ; Rom. 13:6 ; Hebr. 8:2 .
Hertaald:
een dienaar van Jezus Christus
Grieks: leitourgos. Zie over dit woord Hand. 13:2; Rom. 13:6; Hebr. 8:2.
onder de heidenen,
Zie Hand. 9:15 , en Hand. 13:2 ; Rom. 11:13 .
Hertaald:
onder de heidenen,
Zie Hand. 9:15 en Hand. 13:2; Rom. 11:13.
van God
Dat is, dat God mij toevertrouwd heeft en belast te leren met prediken en schrijven.
Hertaald:
van God
Dat is: dat God mij toevertrouwd en opgedragen heeft te onderwijzen door prediking en door schrijven.
bedienende,
Of, opofferende; dat is, als een heilig werk bedienende; gelijk der priesteren werk was.
Hertaald:
bedienende,
Of: opofferende; dat is: terwijl ik het als een heilig werk verricht, zoals het werk van de priesters was.
de offerande der heidenen
Dat is, niet die de heidenen zullen opofferen, gelijk Rom. 12:1 , maar die ik uit de heidenen tot God zal bekeren, en alzo Gode zal opofferen door mijn dienst. Zie dergelijke Mal. 1:11 .
Hertaald:
de offerande der heidenen
Dat is: niet de offerande die de heidenen zullen brengen, zoals Rom. 12:1, maar zij die ik uit de heidenen tot God zal bekeren en zo door mijn dienst aan God zal offeren. Zie iets dergelijks in Mal. 1:11.
aangenaam worde,
Zie Rom. 12:1 .
Hertaald:
aangenaam worde,
Zie Rom. 12:1.
geheiligd door den Heiligen Geest
Zie ook aldaar.
Hertaald:
geheiligd door den Heiligen Geest
Zie ook daar.
roem
Namelijk doordien ik zoveel heidenen door mijn dienst tot het geloof gebracht heb.
Hertaald:
roem
Namelijk doordat ik zoveel heidenen door mijn dienst tot het geloof gebracht heb.
in Christus Jezus
Die mijn dienst gezegend heeft, en die als de enige auteur van hunne bekering, door mijn als zijn instrument gewrocht heeft.
Hertaald:
in Christus Jezus
Die mijn dienst gezegend heeft en Die als de enige Bewerker van hun bekering door mij als Zijn instrument gewerkt heeft.
die God aangaan
Grieks, die tot God; namelijk als den enigen auteur van den zegen en bevordering van mijn dienst behoren.
Hertaald:
die God aangaan
Grieks: die tot God; namelijk die aan Hem toebehoren als de enige Bewerker van de zegen op mijn dienst en van de voortgang daarvan.
niet durven iets zeggen,
Dat is, niet met goede conscientie iets kunnen voortbrengen.
Hertaald:
niet durven iets zeggen,
Dat is: met een goed geweten niets kunnen aanvoeren.
hetwelk Christus
Dat is, dat Christus niet zowel door mij als door iemand van de andere apostelen krachtig gewrocht heeft; Gal. 2:8 .
Hertaald:
hetwelk Christus
Dat is: wat Christus niet even krachtig door mij als door een van de andere apostelen gewerkt heeft; Gal. 2:8.
tot gehoorzaamheid der heidenen,
Dat is, om de heidenen, wiens apostel ik voornamelijk ben, tot de gehoorzaamheid des geloofs en des Evangelies te brengen.
Hertaald:
tot gehoorzaamheid der heidenen,
Dat is: om de heidenen, van wie ik vooral de apostel ben, te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof en van het Evangelie.
met woorden
Grieks, met woord en met werk; dat is, met de predikatie des Evangelies.
Hertaald:
met woorden
Grieks: met woord en met werk; dat is: met de prediking van het Evangelie.
werken;
Dat is, met veel arbeid, zwarigheid en moeite. Of, met wonderwerken en tekenen; gelijk in het volgende vs. verklaard wordt.
Hertaald:
werken;
Dat is: met veel arbeid, moeite en inspanning. Of: met wonderwerken en tekenen, zoals in het volgende vers verklaard wordt.
de kracht van den Geest Gods,
De krachtige werkingen des Heiligen Geestes in de harten der mensen.
Hertaald:
de kracht van den Geest Gods,
De krachtige werkingen van de Heilige Geest in de harten van de mensen.
rondom,
Dat is, in de omliggende landen, als namelijk in Arabië, Gal. 1:17 ; te Damaskus, Gal. 1:17 ; te Antiochië, Hand. 13:1 ; te Seleucië, Hand. 13:4 ; in Cyprus, Hand. 13:4 ; in Pamfylië, Hand. 13:13 ; in Pisidië, Hand. 13:14 ; in Lycaonië, Hand. 14:6 ; in Cilicië, Hand. 15:41 ; in Frygië, Hand. 16:6 ; in Galatië, Hand. 16:6 ; te Troas, Hand. 16:8 ; te Athene, Hand. 17:15 ; te Efeze, Hand. 19:1 ; in Achaja, Hand. 18:27 ; in Macedonië, Hand. 16:10 , en andere. Of, in het rond, van het ene land reizende in het andere, herwaarts en derwaarts.
Hertaald:
rondom,
Dat is: in de omliggende landen, zoals in Arabië, Gal. 1:17; in Damascus, Gal. 1:17; in Antiochië, Hand. 13:1; in Seleucië, Hand. 13:4; op Cyprus, Hand. 13:4; in Pamfylië, Hand. 13:13; in Pisidië, Hand. 13:14; in Lycaonië, Hand. 14:6; in Cilicië, Hand. 15:41; in Frygië, Hand. 16:6; in Galatië, Hand. 16:6; in Troas, Hand. 16:8; in Athene, Hand. 17:15; in Efeze, Hand. 19:1; in Achaje, Hand. 18:27; in Macedonië, Hand. 16:10, en elders. Of: in het rond, terwijl hij van het ene land naar het andere reisde, heen en weer.
Illyricum toe,
Een land, gelegen aan de Adriatische zee, en grenzende aan Macedonië, nu genaamd Slavonië.
Hertaald:
Illyricum toe,
Een land aan de Adriatische Zee, grenzend aan Macedonië, dat nu Slavonië heet.
het Evangelie van Christus vervuld heb
Dat is, al die landen met de predikatie en kennis des Evangelies van Christus vervuld heb.
Hertaald:
het Evangelie van Christus vervuld heb
Dat is: al die landen vervuld heb met de prediking en de kennis van het Evangelie van Christus.
zeer begerig geweest ben
Namelijk met een heilige en loffelijke eergierigheid, mij bevlijtigende boven anderen, om alom eerst te prediken.
Hertaald:
zeer begerig geweest ben
Namelijk met een heilige en loffelijke eerzucht, waarbij ik mij meer dan anderen inspande om overal het eerst te prediken.
Christus
Dat is, de kennis en leer van Christus.
Hertaald:
Christus
Dat is: de kennis en de leer van Christus.
genoemd was,
Dat is, verkondig, of beken.
Hertaald:
genoemd was,
Dat is: verkondigd of beleden was.
eens anders fondament zou bouwen;
Dat is, dat van een ander aldaar eerst gelegd was. Zie 1 Kor. 3:10 .
Hertaald:
eens anders fondament zou bouwen;
Dat is: op een fundament dat daar door een ander al gelegd was. Zie 1 Kor. 3:10.
Waarom ik ook menigmaal
Namelijk om het Evangelie in die landen te verbreiden, waar het nog niet verkondigd was geweest, en om aldaar nieuwe kerken te planten. Zie Rom. 1:13 .
Hertaald:
Waarom ik ook menigmaal
Namelijk om het Evangelie te verbreiden in die landen waar het nog niet verkondigd was, en om daar nieuwe gemeenten te stichten. Zie Rom. 1:13.
geen plaats meer hebbende
Namelijk waar het Evangelie opnieuw behoeft gepredikt te worden.
Hertaald:
geen plaats meer hebbende
Namelijk geen plaats meer waar het Evangelie voor het eerst gepredikt moet worden.
gewesten,
Namelijk van Syrië, Griekenland en Azië. Grieks, climasi; waarmede betekend worden landstreken, die op verscheidene hoogten liggen.
Hertaald:
gewesten,
Namelijk van Syrië, Griekenland en Azië. Grieks: klimasi, waarmee landstreken aangeduid worden die op verschillende hoogten liggen.
naar Spanje reis,
Namelijk hetwelk ik voorgenomen heb te doen, omdat aldaar het Evangelie nog niet is verkondigd geweest.
Hertaald:
naar Spanje reis,
Namelijk de reis die ik mij voorgenomen heb te maken, omdat het Evangelie daar nog niet verkondigd is.
zo zal ik tot u komen;
Namelijk door Gods wil, of zo het God zal believen, vs.32; Rom. 1:10 .
Hertaald:
zo zal ik tot u komen;
Namelijk door Gods wil, of: als het God zal behagen, vers 32; Rom. 1:10.
ik hoop
Dat is, ik ben daarvan wel nog niet verzekerd door enige openbaring, maar heb evenwel hoop daarvan, gelijk blijkt Rom. 1:10 .
Hertaald:
ik hoop
Dat is: ik ben daarvan nog niet verzekerd door enige openbaring, maar ik heb er toch hoop op, zoals blijkt uit Rom. 1:10.
in het doorreizen u te zien,
Dat is, mijne reis alzo te nemen dat ik over Italië en door Rome zal gaan. Want anderszins het naaste en rechtste, om te varen uit Syrië of ook Griekenland naar Spanje, is niet over Italië, maar tussen Afrika en Silicië door, latende Silicië met Italië aan de rechterHand.
Hertaald:
in het doorreizen u te zien,
Dat is: mijn reis zo te nemen dat ik over Italië en door Rome zal gaan. Want anders is de kortste en meest rechtstreekse route om van Syrië of ook van Griekenland naar Spanje te varen niet over Italië, maar tussen Afrika en Sicilië door, waarbij men Sicilië en Italië aan de rechterhand laat liggen.
van u derwaarts geleid te worden,
Dat is, van enigen van uwe gemeente, om mij te vergezelschappen en ook in den dienst bij te staan.
Hertaald:
van u derwaarts geleid te worden,
Dat is: door enkelen uit uw gemeente, om mij te vergezellen en mij ook in de dienst bij te staan.
eensdeels
Dat is, een weinig, gelijk vs.15.
Hertaald:
eensdeels
Dat is: een weinig, zoals vers 15.
verzadigd zal zijn
Grieks, vervuld.
Hertaald:
verzadigd zal zijn
Grieks: vervuld.
reis ik naar Jeruzalem,
Dat is, dat ik niet terstond mij op reis begeef om tot u te komen, is omdat ik eerst noodzakelijk van hier naar Jeruzalem moet reizen.
Hertaald:
reis ik naar Jeruzalem,
Dat is: dat ik mij niet meteen op reis begeef om naar u toe te komen, komt doordat ik eerst noodzakelijk van hier naar Jeruzalem moet reizen.
dienende de heiligen
Dat is, om den armen en verdrukten gelovigen binnen Jeruzalem de aalmoezen te brengen, die voor hen vergaderd zijn, gelijk in het volgende vs. verklaard wordt.
Hertaald:
dienende de heiligen
Dat is: om aan de arme en verdrukte gelovigen in Jeruzalem de aalmoezen te brengen die voor hen ingezameld zijn, zoals in het volgende vers verklaard wordt.
dien van Macedónië
Dat is, de gemeenten in Macedonië.
Hertaald:
dien van Macedónië
Dat is: de gemeenten in Macedonië.
goed gedacht
Namelijk uit eigen en vrijwillige beweging en medelijden.
Hertaald:
goed gedacht
Namelijk uit eigen, vrijwillige beweging en uit medelijden.
een gemene handreiking te doen
Grieks, een zekere gemeenschap, of mededeling.
Hertaald:
een gemene handreiking te doen
Grieks: een zekere gemeenschap of mededeling.
de heiligen,
Dat is, gelovigen, vs.25.
Hertaald:
de heiligen,
Dat is: de gelovigen, vers 25.
het heeft hun zo goed gedacht;
Dit verhaalt hij wederom om deze hunne vrijwilligheid te prijzen, en daarmede de Romeinen stilzwijgende te vermanen, dat zij hun voorbeeld behoorden na te volgen, alzo zij niet minder in goeden voorspoed waren als die van Griekenland.
Hertaald:
het heeft hun zo goed gedacht;
Dit vermeldt hij opnieuw om hun vrijwilligheid te prijzen, en om de Romeinen daarmee stilzwijgend te vermanen dat zij hun voorbeeld behoorden na te volgen, aangezien zij het niet minder goed hadden dan de Grieken.
hun schuldenaars;
Dat is, zijn verplicht om hun bijstand te doen. Dit zegt hij niet om hunne vrijwilligheid te verminderen, maar om de Romeinen daarmede heuselijk te vermanen, dat zij ook daartoe verplicht zijn om dezelfde reden die volgt.
Hertaald:
hun schuldenaars;
Dat is: zij zijn verplicht hun bijstand te verlenen. Dit zegt hij niet om hun vrijwilligheid te verminderen, maar om de Romeinen daarmee op vriendelijke wijze te vermanen dat ook zij daartoe verplicht zijn om dezelfde reden die volgt.
hunner geestelijke goederen
Dat is, de leer des Evangelies van Christus, in welke alle schatten der geestelijke goederen verborgen zijn, welke goederen der Joden, of der gemeente te Jeruzalem genaamd worden, omdat Christus den Joden voornamelijk is beloofd, en omdat het Evangelie uit de gemeente van Jeruzalem door de gehele wereld onder de heidenen verbreid is; Jes. 2:3 ; Hand. 1:4 , Hand. 1:8 .
Hertaald:
hunner geestelijke goederen
Dat is: de leer van het Evangelie van Christus, waarin alle schatten van de geestelijke goederen verborgen zijn. Die goederen worden goederen van de Joden of van de gemeente te Jeruzalem genoemd, omdat Christus vooral aan de Joden beloofd is en omdat het Evangelie vanuit de gemeente van Jeruzalem over de hele wereld onder de heidenen verbreid is; Jes. 2:3; Hand. 1:4, Hand. 1:8.
schuldig
Dat is, door de grote weldaad van hen ontvangen verplicht, om hetzelve enigszins te vergelden. Zie 1 Kor. 9:11 ; Gal. 6:6 .
Hertaald:
schuldig
Dat is: door de grote weldaad die zij van hen ontvangen hebben verplicht om die enigszins te vergelden. Zie 1 Kor. 9:11; Gal. 6:6.
lichamelijke goederen te dienen
Grieks, vleselijke; dat is, nodig tot onderhoud des vleesches, dat is des lichaams.
Hertaald:
lichamelijke goederen te dienen
Grieks: vleselijke; dat is: goederen die nodig zijn voor het onderhoud van het vlees, dat is: van het lichaam.
dit volbracht,
Dat is, deze reis en dezen dienst.
Hertaald:
dit volbracht,
Dat is: deze reis en deze dienst.
deze vrucht
Namelijk des geloofs en der liefde, die de voorzegde gemeenten voortgebracht hebben. Zo wordt genaamd hunne milddadigheid, omdat het ware geloof zulke vruchten moet voortbrengen, en door de werken der liefde dadig zijn; Gal. 5:6 , Gal. 5:22 .
Hertaald:
deze vrucht
Namelijk de vrucht van het geloof en van de liefde, die de genoemde gemeenten voortgebracht hebben. Zo wordt hun mildheid genoemd, omdat het ware geloof zulke vruchten moet voortbrengen en door de werken van de liefde werkzaam moet zijn; Gal. 5:6, Gal. 5:22.
verzegeld zal hebben,
Dat is, getrouw zal overgebracht hebben, alzo het in mijne handen vertrouwd en als verzegeld is, gelijk een schat in een kist verzegeld wordt, opdat daarvan niets afgenomen worde.
Hertaald:
verzegeld zal hebben,
Dat is: trouw zal hebben overgebracht, aangezien het aan mij toevertrouwd en als het ware verzegeld is — zoals een schat in een kist verzegeld wordt, opdat er niets van weggenomen wordt.
door ulieder stad
Grieks, door u; dat is, door uwent, of door uwe stad.
Hertaald:
door ulieder stad
Grieks: door u; dat is: langs u, of door uw stad.
ik weet,
Zie hiervan vs.24.
Hertaald:
ik weet,
Zie hierover vers 24.
met vollen zegen
Grieks, in volheid des zegens; dat is ik zal met mij brengen een volle, overvloedige zegening, om u te versterken door mijne predikatiën in de Christelijke leer, door welke ons de eeuwige zegening Gods verkondigd wordt.
Hertaald:
met vollen zegen
Grieks: in volheid van zegen; dat is: ik zal een volle, overvloedige zegen meebrengen om u door mijn prediking te versterken in de christelijke leer, waardoor ons de eeuwige zegen van God verkondigd wordt.
ik bid u,
Of, ik vermaan.
Hertaald:
ik bid u,
Of: ik vermaan.
door onzen Heere Jezus Christus,
Dat is, zo lief als gij den Heere Jezus Christus hebt; of, doet het niet zozeer of alleen om mijnent, als voornamelijk om Christus' wil.
Hertaald:
door onzen Heere Jezus Christus,
Dat is: zo lief als u de Heere Jezus Christus hebt. Of: doe het niet zozeer of alleen om mij, maar vooral om Christus' wil.
de liefde
Namelijk òf waarmede God u liefheeft, Rom. 5:5 ; òf, waarmede gij God en uwen naaste liefhebt.
Hertaald:
de liefde
Namelijk óf de liefde waarmee God u liefheeft, Rom. 5:5, óf de liefde waarmee u God en uw naaste liefhebt.
des Geestes,
Dat is, die de Heilige Geest in onze harten werkt en ontsteekt. Of, waarmede Hij ons liefheeft.
Hertaald:
des Geestes,
Dat is: de liefde die de Heilige Geest in onze harten werkt en ontsteekt. Of: de liefde waarmee Hij ons liefheeft.
strijdt
Dat is, ernstig, heftig en gedurig aanhoudt, gelijk doen degenen die strijden, die elkander bijstaan en met strijden aanhouden, totdat zij de overwinning verkrijgen. Zie Gen. 32:26 .
Hertaald:
strijdt
Dat is: ernstig, krachtig en voortdurend aanhoudt, zoals mensen doen die strijden, die elkaar bijstaan en met strijden volhouden totdat zij de overwinning behalen. Zie Gen. 32:26.
in de gebeden tot God voor mij
Namelijk die de wapenen zijn, met welke de gelovigen hunne vijanden bestrijden.
Hertaald:
in de gebeden tot God voor mij
Namelijk de gebeden, die de wapens zijn waarmee de gelovigen hun vijanden bestrijden.
van de ongehoorzamen in Judea,
Namelijk die de leer des Evangelies verwerpen en tegenstaan, en mij om dezelve haten. Deze hebben den apostel te Jeruzalem gezocht te doden, doch hij is uit hunne handen verlost. Zie Hand. 21:27 , Hand. 21:33 . Dit wist Paulus tevoren dat hem wedervaren zou; Hand. 20:22 . Zie 2 Thess. 3:2 .
Hertaald:
van de ongehoorzamen in Judea,
Namelijk zij die de leer van het Evangelie verwerpen en weerstaan en mij daarom haten. Dezen hebben geprobeerd de apostel in Jeruzalem te doden, maar hij is uit hun handen verlost. Zie Hand. 21:27, Hand. 21:33. Paulus wist van tevoren dat hem dat zou overkomen; Hand. 20:22. Zie 2 Thess. 3:2.
deze mijn dienst,
Namelijk van de vergaderde aalmoezen getrouwelijk over te brengen.
Hertaald:
deze mijn dienst,
Namelijk de dienst om de ingezamelde aalmoezen trouw over te brengen.
aan Jeruzalem doe,
Dat is, aan de arme gelovigen binnen Jeruzalem.
Hertaald:
aan Jeruzalem doe,
Dat is: aan de arme gelovigen in Jeruzalem.
den heiligen;
Zie vs.25,26.
Hertaald:
den heiligen;
Zie vers 25 en 26.
door den wil van God,
Dat is, zo het Gods wil zal zijn. Zie Rom. 1:10 , en Jak. 4:13-15 .
Hertaald:
door den wil van God,
Dat is: als het Gods wil zal zijn. Zie Rom. 1:10 en Jak. 4:13-15.
verkwikt worden
Grieks, mag rust nemen. Zie Matt. 11:28 . Namelijk door onze onderlinge tegenwoordigheid en samensprekingen.
Hertaald:
verkwikt worden
Grieks: mag rust nemen. Zie Matth. 11:28. Namelijk door onze onderlinge aanwezigheid en gesprekken.
God des vredes zij met u allen
Dat is, die de auteur is van alle zegening, goed en voorspoed; en die wil dat onder Zijne kinderen altijd vrede gehouden worde; Rom. 16:20 ; 1 Kor. 14:33 ; 2 Kor. 13:11 , 2 Kor. 13:13 ; Fil. 4:9 ; 1 Thess. 5:23 ; 2 Thess. 3:16 ; Hebr. 13:20 .
Hertaald:
God des vredes zij met u allen
Dat is: God, Die de Bewerker is van alle zegen, goed en voorspoed, en Die wil dat er onder Zijn kinderen altijd vrede bewaard wordt; Rom. 16:20; 1 Kor. 14:33; 2 Kor. 13:11, 2 Kor. 13:13; Filipp. 4:9; 1 Thess. 5:23; 2 Thess. 3:16; Hebr. 13:20. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Ligging: Het Iberisch schiereiland, het meest westelijke, welvarende deel van het Romeinse rijk. Geschiedenis: Paulus schrijft aan de Romeinen zijn voornemen, na een bezoek aan Rome, door te reizen naar Spanje, en hoopt door de gemeente aldaar op weg daarheen "geleid" (van reisbenodigdheden voorzien) te worden (Rom. 15:24, 28) — het verst gelegen zendingsdoel dat in het Nieuwe Testament genoemd wordt. Bijbelse betekenis: Of Paulus' voornemen om Spanje te bereiken werkelijk is vervuld, wordt in de Schrift zelf niet vermeld; vroege kerkelijke overlevering (o.a. Clemens van Rome) suggereert dat hij, na zijn eerste Romeinse gevangenschap, mogelijk inderdaad tot "de grens van het westen" reisde — een blijvend voorbeeld van een hart dat nooit ophield te verlangen naar het verst gelegen, nog onbereikte zendingsveld. Recente inzichten: Het huidige Spanje en Portugal. Rom. 15:24, 28 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Geloof in God brengt blijdschap en vrede; wie vertrouwt op Jezus, heeft alle reden om dankbaar en gelukkig te zijn. Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd. 2 Tim. 4:17 Niemand van Gods kinderen zal ooit tegen de Heere kunnen zeggen: ‘Ik ben in de gevangenis… Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven; opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting van de Schriften, hoop zouden hebben. Rom. 15:4… Ja kom, koop zonder geld en zonder prijs, wijn en melk! Jesaja 55:1 Verder lezen: Romeinen 15:13-16 Hij Die een gepaste Schepper is zal ook een gepaste Zaligmaker zijn;… Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend… En de God des vredes zij met u allen. Romeinen 15:33 En de God des vredes.’ Wat een gezegende naam! In het Oude Testament is Hij de ‘Heere… En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij. Romeinen… Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen. Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede,… De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes. Romeinen 15:13 De… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Romeinen 15
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Verdiepende artikelen
Blij of ongelukkig?
Gods tegenwoordigheid
Rom. 15:4 - Lijdzaamheid, vertroosting en hoop uit de Schriften
Een kosteloze zaligheid
Boodschappers gezocht
De God des vredes
Onderscheidenlijk bidden
Zorg voor de jonge bekeerlingen
Vertrouw en gehoorzaam


Romeinen 15
Romeinen 15:1
KruisverwijzingenRomeinen 14:1→1 Thessalonicenzen 5:14→Galaten 6:1→1 Korinthe 12:22→1 Korinthe 9:22→2 Timotheüs 2:1→Efeze 6:10→1 Johannes 2:14→— Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.
Zijn wij vrij van bedenkingen op een bepaald punt, en voelen wij dat er dingen zijn die wij mogen doen omdat wij sterk zijn? Laten wij ze dan toch niet doen als wij daardoor anderen zouden bedroeven die zwak zijn. Laten wij aan hun zwakheden denken. En welke vrijheid wij ook voor onszelf menen te mogen opeisen, laten wij de zaak ook bezien vanuit het standpunt van anderen, zodat wij de zwakheden van de zwakken dragen, en niet enkel onszelf zoeken te behagen.
Romeinen 15:2-3
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:24→Psalmen 69:9→Romeinen 14:19→Johannes 5:30→Johannes 6:38→Filippenzen 2:8→1 Korinthe 13:5→Filippenzen 2:4→— Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting. Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.
Onze Meester en Heere, ons grote Voorbeeld: “Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd” — Hij nam de moeilijkste plaats op het hele slagveld; Hij stond waar de strijd het felst was. Hij zocht niet om te midden van Zijn discipelen te zijn zoals een koning te midden van zijn troepen, bewaakt en beschermd in de tijd van strijd. Hij stelde Zichzelf juist bloot aan het heetst van heel de strijd. Wat Jezus deed, dat behoren wij, Zijn volgelingen, ook te doen. Niemand van ons moet aan zichzelf en zijn eigen belangen denken, maar allen aan onze broeders en aan de zaak van Christus in het algemeen.
Romeinen 15:4
Kruisverwijzingen1 Korinthe 10:11→2 Timotheüs 3:16→Romeinen 4:23→2 Petrus 1:20→1 Korinthe 9:9→— Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.
Het is alsof iemand tegenwierp dat het toch David was die dit zei, en niet Paulus zelf. Paulus erkent dat hij inderdaad David aanhaalde, maar wijst erop dat David sprak over zijn eigen Heere, en dat geldt evengoed voor ons: “Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.”
Romeinen 15:5
KruisverwijzingenRomeinen 12:16→1 Petrus 3:8→Efeze 5:2→Filippenzen 2:4→1 Korinthe 1:10→Ezechiël 11:19→Psalmen 86:5→Filippenzen 4:2→— Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;
“Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus.” Hij bidt dat God ons eensgezind maakt, niet in wat kwaad is, maar in gelijkvormigheid aan Christus Jezus. Wat een gezegende harmonie zou het zijn als niet alleen alle leden van één gemeente, maar alle gemeenten samen eensgezind waren naar Christus Jezus! Dat zal zo zijn wanneer Hij hen die nu verstrooid zijn, verzamelt. Mogen wij dat hier op aarde ooit verwachten? Dat weet ik niet; maar in elk geval moeten wij er allen naar streven. Wij zullen eensgezind zijn met elkaar wanneer wij eensgezind worden met Christus, maar niet eerder.
Romeinen 15:6-7
Kruisverwijzingen2 Korinthe 11:31→Johannes 20:17→Efeze 1:3→1 Petrus 1:3→Johannes 13:34→Handelingen 4:24→Romeinen 15:9→2 Korinthe 1:3→— Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.
Christus heeft ons niet aangenomen omdat wij volmaakt waren, omdat Hij geen fout in ons kon zien, of omdat Hij er iets van ons voor terugverwachtte. Nee! Maar in liefdevolle nederbuiging bedekte Hij onze gebreken en zocht Hij ons welzijn; Hij verwelkomde ons in Zijn hart. Zo moeten ook wij, op dezelfde manier en met hetzelfde doel, elkander aannemen, “gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.”
Romeinen 15:8
KruisverwijzingenMattheüs 15:24→2 Korinthe 1:20→Handelingen 3:25→Johannes 1:11→Galaten 4:4→Romeinen 11:30→Johannes 10:16→1 Petrus 2:9→— En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen;
Aan Abraham en zijn nageslacht was de belofte gedaan dat in hem, en in zijn zaad, alle volken van de aarde gezegend zouden worden. Daarom zegt Paulus dat Jezus Christus “een dienaar geworden is der besnijdenis,” vanwege de waarheid Gods. Laten wij nooit vergeten dat Hij kwam tot hen die wij zo makkelijk vergeten, en zelfs geneigd zijn te verachten, opdat Hij “bevestigen zou de beloftenissen der vaderen.”
Romeinen 15:9-12
Kruisverwijzingen2 Samuël 22:50→Psalmen 18:49→Deuteronomium 32:43→Psalmen 117:1→Jesaja 11:10→Mattheüs 12:21→Romeinen 3:29→Jesaja 11:1→— En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen. En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk! En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken! En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
Er waren in het Oude Testament al duidelijke aanwijzingen dat de zegen ook voor de heidenen bestemd was. Toch werd hij eerst aan de Joden bekendgemaakt, en dat mogen wij nooit vergeten.
Romeinen 15:13
KruisverwijzingenRomeinen 14:17→2 Thessalonicenzen 2:16→Romeinen 12:12→1 Petrus 1:8→Romeinen 5:4→Hebreeën 6:11→1 Korinthe 2:4→Jeremia 14:8→— De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.
Ga terug naar vers vier, en let op de uitdrukking “opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden”; lees dan in vers vijf “de God der lijdzaamheid en der vertroosting”; en zie hoe Paulus hier teruggrijpt op dat laatste woord uit vers vier: “De God nu der hoop” —
Romeinen 15:13-16
KruisverwijzingenRomeinen 14:17→2 Thessalonicenzen 2:16→Filippenzen 2:17→Romeinen 12:3→Romeinen 11:13→Romeinen 12:12→2 Petrus 1:12→1 Korinthe 8:1→— De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes. Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen. Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is; Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.
Nu zou het moment geweest zijn voor Paulus om te zeggen dat hij was aangesteld om het onbloedige offer van de mis te brengen, of om dagelijks een offer op te dragen zoals sommigen beweren nu te doen. Dat zou het geval zijn geweest, als het juist was. Maar hij zegt daar niets van; en zelfs waar hij de heidenen voorstelt als een offerande, spreekt hij niet van een offer dat daarbij hoort, maar zegt hij dat “de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.”
Romeinen 15:17-27
KruisverwijzingenJesaja 52:15→Handelingen 24:17→1 Korinthe 9:11→Handelingen 15:12→Romeinen 1:5→Handelingen 21:19→2 Korinthe 12:12→Jesaja 65:1→— Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan. Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken; Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb. En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen; Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan. Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen. Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen, Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn. Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen. Want het heeft dien van Macedonie en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn. Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.
Deze Achaiërs en Macedoniërs hadden het Evangelie ontvangen van de heiligen te Jeruzalem. De heidenen waren deelgenoot geworden van hun geestelijke goederen, en daarom waren zij ook verplicht hen met stoffelijke goederen te dienen: “want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.”
Romeinen 15:27-28
Kruisverwijzingen1 Korinthe 9:11→Galaten 6:6→Romeinen 15:24→Romeinen 11:17→Filemon 1:19→Filippenzen 4:17→Kolossenzen 1:6→Klaagliederen 3:37→— Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen. Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.
Dat wil zeggen: wanneer Paulus het geld heeft afgeleverd, en er een volledige kwitantie voor heeft ontvangen; wanneer hij zijn plicht in deze zaak heeft volbracht — “als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.”
Romeinen 15:28-29
KruisverwijzingenRomeinen 15:24→Psalmen 16:11→Romeinen 1:10→Efeze 4:13→Filippenzen 4:17→Kolossenzen 1:6→Klaagliederen 3:37→Jakobus 4:13→— Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen. En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.
Daarvan was hij zeker, maar hoe het verder zou gaan wist hij niet. Hij wist niet dat hij als gevangene naar Rome zou gaan. Hij kon niet voorzien dat hij daarheen gezonden zou worden als een gezant in boeien. Het kon hem, denk ik, weinig schelen op welke manier hij zou gaan, zolang hij de volstrekte zekerheid had dat hij zou komen “met vollen zegen des Evangelies van Christus.”
Romeinen 15:30-31
KruisverwijzingenKolossenzen 4:12→2 Korinthe 1:11→2 Thessalonicenzen 3:2→2 Korinthe 8:4→2 Korinthe 4:11→Psalmen 143:10→2 Korinthe 12:10→Filippenzen 2:1→— En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;
Er waren in Jeruzalem sommige heiligen die zeer bekrompen waren, en die het nauwelijks juist achtten iets van heidenen aan te nemen. Zij waren nog niet vrij van hun Joodse gebondenheid. Paulus was er een beetje bevreesd voor dat wat hij hun bracht wellicht niet aanvaard zou worden, en daarom vroeg hij de Romeinen daarvoor te bidden. Is er iets waarover gelovigen niet mogen bidden? Zo ja, dan hebben wij er ook niets mee te maken. Breng alles voor God in het gebed, want alles wat behoorlijk is, mag men gerust bidden. Zo vroeg Paulus de christenen te Rome te bidden over die reis naar Jeruzalem, en ook voor zijn behouden terugkeer.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
WAAROM DE ZWAKKEN IN HET GELOOF MET GEDULD MOETEN WORDEN GEDRAGEN en HOE MEN TOT EEN CHRISTELIJK LEVEN KAN KOMEN
Maar wij, die sterk zijn (vgl. Hoofdstuk 14: 14 en 20) zijn schuldig om, in plaats van hen, die het niet zijn, tot daden te verleiden, die tegen hun geweten zijn, de zwakheden van de onsterken te dragen, doordat wij ons zoveel oorbaar is naar hun standpunt schikken (Hoofdstuk 14: 21 v. Gal. 6: 2. 1 Kor. 9: 22). Wij moeten naar de aard van de liefde handelen en niet onszelf behagen, niet denken dat wij ons eigen standpunt tot iedere prijs moeten doordrijven. (1 Kor. 10: 33).
In het dagelijks leven wordt het zwakke door het sterke veelal onderdrukt, overweldigd. In het rijk van de Geest daarentegen is roeping en plicht voor de sterke de zwakheden van de zwakkeren te dragen. Deze zwakheden zijn zeker een last en een hinder voor de vooruitgang van de sterken, maar om de zwakken mee te nemen, moeten zij hun zwakheden op zich nemen, zoals dat regel is bij een reisgezelschap. Het dragen bestaat echter niet slechts in verdragen, maar veelmeer in een verschonen.
Terwijl hier het vermanen van de sterken wordt voortgezet, gebeurt dit met uitbreiding van hetgeen, waarop het betrekking heeft; het doelt toch niet meer alleen op het ene of andere bepaalde voorwerp van de Christelijke vrijheid, maar op alles wat in dit opzicht verschoning en zelfverloochening jegens de zwakken vordert en waarin de zorg voor hun zaligheid zich kan betonen.
Niemand mag zoeken zichzelf te behagen. Dat dan een ieder van ons zich gedraagt als de sterkere, die alles kan door Christus (Fil. 4: 13) en in geheel zijn gedrag, in al zijn doen en laten zijn naaste behage ten goede, tot stichting, dus tot dat doel en met dat gevolg, dat deze in het goede toeneme en in zijn geloofsleven voortgaat en zo tot een sterke opgroeit (1 Kor. 9: 19).
Zoekt u de wil van God en niet uw mening, dan zal uw naaste ook vertrouwen in u leren stellen en u zult ook invloed op hem krijgen; zolang hij de tegenovergestelde mening heeft, dat u uzelf behaagt, zal hij zich daarentegen van u wenden.
Want, wat het gezegde aan het einde van vs. 1 aangaat, ook Christus, die toch in alle dingen en voor alle omstandigheden ons voorbeeld is (2 Kor. 8: 9. Efez. 5: 25. Fil. 2: 5. 1 Petrus 2: 21. heeft Zichzelf niet behaagd, dat Hij in enig opzicht Zijn eigen eer zou hebben gezocht, maar met Zijn hele leven is het zo gesteld, zoals in Ps. 69: 10 profetisch van Hem en uit Zijn hele ziel geschreven is: a) “De smadingen van degenen, die U smaden, o God, zijn op Mij gevallen.”
Jes. 58: 4, 5.
Nam Christus om voor God te behagen in zelfverloochenende overgave aan de zaak van God de ergste versmadingen van de vijanden van God op Zich, dan blijkt daaruit dat Hij niet leefde om Zichzelf te behagen. Zo zou alleen het negatieve “Hij heeft Zichzelf niet behaagd”, maar niet tevens het positieve: “de naaste behagen ten goede, tot stichting” zijn genoemd. Het eerste is echter voldoende. Want die niet leeft om zichzelf, maar om God te behagen, die smaad verdraagt, die zal ook, omdat de dienst van God altijd ook het dienen van de broeders insluit, en ipso, de naaste behagen ten goede, tot stichting.
Een verwachting, die ik zelf heb opgewekt, kan ik zelf intrekken; en ik trok ze in, zo snel een grotere wijsheid dan de mijne, zo snel een grotere ontroering, dan die ik tot hiertoe gekend heb, haar aantal, zo snel een mij te machtige stem er zich tegen verheft; slechts een verwachting, die mij is toegebracht, die mij is gegeven en verzekerd door het Woord van God, door een stem, krachtiger dan die van mijn hart, verstand en geweten; slechts zo’n verwachting kan in alle nood en dood en aanvechting bestaan. Het mag geen hoop heten, het samenraapsel van pijnstillende denkbeelden, waar achter de mens buiten de Schrift, zich tegen de vrees van de dood en van het oordeel, die wegens zijn kwaad geweten in hem is, verschuilt en verschanst. Maar dit is de hoop, die niet beschaamt: “God is geen mens, dat Hij zou liegen. God zegt in de Schrift de zaligheid toe aan iedere zondaar, die in de Zoon gelooft; ik geloof in de Zoon; mijn zaligheid is in Hem zeker. ” De Schrift, die met deze hoop vertroost, versterkt haar, doet daarin volharden. Dit is de lijdzaamheid en de vertroosting van de schriften. De Schrift, alleen de Schrift, zij is het, die mij in al mijn benauwdheden, in al mijn verdrukkingen, bij alle twijfelingen, bij alle aanvechtingen en bij de gedurige beschuldiging van mijn geweten, weer en weer en terwijl het mij van dag tot dag helderder wordt, dat ik een zondaar ben, niets dan dood en verdoemenis waardig; de Schrift alleen is het, die mij onder dat alles dezelfde verzekering van God herhalen blijft; mij meer en meer doet inzien dat de zaligheid van boetvaardige en in Christus gelovige zondaren bij Hem een van eeuwigheid besloten, op Golgotha volbrachte, onberouwelijke en onverstaanbare zake is; de Schrift, die mij meer en meer de volheid van de betekenis en de ruimte van de toepassing doet verstaan van die grote zaak tussen God en de zondaar: Genade, genade in Christus; genade tot verlossing; genade ook tot heiligmaking en liefde; genade voor genade.
EPISTEL OP DE TWEEDE ZONDAG VAN ADVENT
Zeer overeenstemmende met de advent, ja eigenlijk geheel van de wederkomst van de Heere Jezus spreekt dit Evangelie (Luk. 21: 25 vv.). Maar het epistel, die wij hier lezen, past deze bij het Evangelie en bij de adventsgedachten? Schijnbaar spreekt zij van geheel iets anders, van het verdragen van de zwakken, van de behandeling van degenen, die niet in de Christelijke vrijheid zich kunnen vinden en de vrijgemaakten van de Heere oponthoud, moeite en bezwaren veroorzaken! Maar toch wordt de hoofdinhoud van het epistel, zoals die in de laatste woorden daarvan is aangegeven, door de wijze, waarop de apostel die behandelt en door de verklaring, die die door hem verkrijgt, geheel in overeenstemming met de advent. Hij slaat een snaar aan uit de openbaring van God van het einde van de wereld en de wederkomst van Christus, die wel niet behoort onder die, die veelal worden aangeslagen, maar die naast de sterken donder van ons Evangelie een zoete, heldere melodie van de laatste tijd doet horen. Onze tekst toch wil dat wij in de kracht van de Heilige Geest volkomen hoop hebben of overvloeien van hoop, d. i. van een zeker en blij uitzicht op het einde van de periode van de wereld, waarin wij leven en het begin van een eeuwig rijk van de heerlijkheid.
Ook is de tijd van de heidenen, waarvan onze Heere onmiddellijk vóór het begin van dit Evangelie spreekt (Luk. 21: 24), dus het aannemen van de heidenen, de bekering van de volken tot Christus een juiste adventsgedachte. Christus houdt Zijn advent niet alleen onder het volk, waaraan Hij beloofd is (MATTHEUS. 21: 4 v.), maar ook onder de heidenen onder alle volken. Het is nog altijd adventstijd op aarde, want de Heere neemt de heidenen nog altijd aan en de heidenen hopen steeds meer op Hem. De zon, die op de eerste Advents-Zondag is opgegaan, neigt nog lang niet ten ondergang. Zij stijgt aan de hemel van de genade altijd hoger en zendt haar licht in steeds wijdere kring en meer afgelegen landen. De dag van de zaligheid, die aangebroken is (2 Kor. 6: 2; vgl. Rom. 13: 11 vv.) is steeds blij om de weg te lopen (Ps. 19: 6).
Over de zegen van de komst van onze Heere Jezus Christus in de wereld: 1) welke zegen Zijn aankomst van de wereld reeds heeft aangebracht, 2) hoe wij er toe kunnen medewerken, dat deze zegen voor de wereld steeds meer en meer ten goede komt.
De vermaning tot liefde en tot hoop als een vermaning van de advent: 1) de aanmaning tot liefde en wel a) tot eendrachtige gezindheid, b) eendrachtig spreken en c) eendrachtig werken; 2) de vermaning tot hoop; van deze hoop lezen wij aan het begin en aan het einde van de tekst en zo is er ook a) een beginnende en b) een volkomen hoop.
De enige liefde van God verwekt de éne gemeente; 1) zij vertroost Joden en heidenen met de éne belofte; 2) zij schenkt aan beide ten tijde van de vervulling de ene zaligheid; 3) zij bouwt de éne gemeente in het éne heil op.
Waartoe de Heiland, die komt, ons oproept: 1) tot geduld temidden van het lijden van deze tijd; 2) tot eensgezindheid omtrent de broeders; 3) tot volkomen hoop in de kracht van de Heilige Geest.
Het geloofsleven in de liefde van Christus: het wijst de Christenen aan als 1) verbonden onder elkaar; 2) gebonden aan Christus.
De eenheid van de Christenen bij alle verschil 1) zij zijn onder elkaar eensgezind omtrent Christus, 2) eendrachtig prijzen zij met één mond God en de Vader van onze Heere Jezus Christus.
De Heiland is gekomen: 1) bij deze waarheid willen wij blijven, 2) met deze waarheid willen wij ons troosten, 3) uit deze waarheid willen wij onder elkaar leven en wandelen.
Wat is het leven van een ernstig Christen? 1) een leven in de Heilige Schrift, opdat hij toeneemt in heilzame kennis; 2) een leven in navolging van God en Christus, dat hij voortgaat op de weg van heiligmaking, 3) een leven in de hoop, dat hij geduld betoont en troost geniet in de nood en de strijd van deze wereld.
Want, om tenslotte bij het woord van het Oude Testament, waarop ik zo-even wees, uw gedachten nog enigszins langer te bepalen, al wat te voren geschreven is, dat is alles tezamen voor ons, tot wie het einde van de eeuwen gekomen is (1Kor. 10: 11. 1 Petrus 1: 12 en tot onze lering te voren geschreven (Hoofdstuk 4: 23 v. 2 Tim. 3: 16 Het zegt ons dat de zaligheid van God zich altijd eerst door grote moeilijkheden heeft moeten doorwerken en grote strijd moest doorstaan, maar toch zeker een heerlijk zijn doel bereikt. En dit is voor ons geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting van de schriften, die zij ons overvloedig aanbiedt, hoop hebben zouden en vertrouwen, dat wij de voltooiing van de zaligheid, waarom het voor ons te doen is, zeker nog zullen zien, nadat het toebrengen van deze reeds is gebeurd, hoe moeilijke weg vol van doornen ook daarheen moet worden afgelegd (Hoofdstuk 5: 2 vv.).
Voor de kerk van God, waarin de prediking van het Evangelie klinkt tot opwekking en onderhouding van het geloof, wordt alles wat God gesproken heeft (Hoofdstuk 3: 2) tot een heilzame lering; want de Bijbel is het boek van diezelfde Geest, die van Christus, op de manier van het pinksterfeest uitstromend, de Christenen met licht en leven vervult en alles tot stand brengt, wat in de geschiedenis van de voorbereiding van de zaligheid is afgeschaduwd en door de heilige mannen van God is verkondigd (Hand. 3: 24). Niet alleen de woordelijke voorspelling van de toekomstige Christus en van de zaligheid in Zijn rijk (1 Petrus 1: 10 vv.), maar ook de levensbeschrijving van de heilige en de optekening van de volks-geschiedenis, alle schriftuur omtrent het besturen en werken van de Geest van Christus in het volk van de verkiezing, in zijn zeden en rechten, liederen en gebeden, spreuken en wijsheidslessen, het is alles tot lering geschreven van ons, tot wie de einden gekomen zijn van dat begin, waarvan Samuel zegt (1 Sam. 12: 22): “De Heere zal Zijn volk niet verlaten omwille van Zijn grote naam, omdat het de Heere belieft heeft, jullie tot een volk te maken”
Maar de God van de lijdzaamheid en van de vertroosting, God, van wie als bron alle goede gaven (Jak. 1: 17), geduld en troost komen en die ze in ons werkt door Zijn woord, geeft u als een verdere gave, welke alleen daar een plaats vindt, waar de eerste reeds aanwezig zijn, a) dat u eensgezind bent onder elkaar (Fil. 3: 16) naar Christus Jezus, naardat het overeenkomstig is met Zijn geest en Zijn voorbeeld, alsook met Zijn uitdrukkelijke wil, die Hij bijvoorbeeld in Zijn hogepriesterlijk gebed openbaart (Joh. 17: 20 v.).
Rom. 12: 16. 1 Kor. 1: 10. 1 Petrus 3: 8.
Dat niemand mag denken uit eigen krachten lijdzaamheid en vertroosting van de Schrift te kunnen bezitten, wijst Paulus in deze bede aan, maar dat het Gods gaven zijn, die men met gebed moet verkrijgen. Veel minder is het echter in onze macht dat iemand de gebreken van anderen zou kunnen dragen en eensgezind met anderen omtrent het geloof zou zijn.
De lijdzaamheid groeit niet in de tuin van de natuur, maar zij is Gods gave en genade. God is de ware Meester, die ze teweeg brengt. Zo kan ook een troostwoord niet in het harte post vatten, als Gods vinger het niet daarin drukt.
God trekt Zich echter onze ziel aan (Jes. 38: 17), als God van de lijdzaamheid, als die God, die lankmoedig is over de zondaar en medelijden met hem heeft, zoals de vader met zijn ziek kind en die tegelijk tot vertrouwend wachten op hem, het geduld in het lijden en in de omgang met de zwakke broeders werkt. God trekt Zich verder ons aan als God van de vertroosting, als die God, die de volkomen volheid van vertroosting in Zich sluit en de Zijnen meedeelt, om ze onder alle wederwaardigheden en droefenissen rustig en gemoedigd te houden en hen in staat te stellen al wat bitter is te genieten, terwijl Hij het voor hen verzoet. De ervaring van de goddelijke verdraagzaamheid en vertroosting uit God verandert nu het hart. Zodra de mens begint te voelen, hoe het alleen de liefde en de barmhartigheid van God is, die hem verdraagt en vertroost, zal hij ook beginnen zijn zwakke naaste te dragen en te troosten. Daar is dan reeds het begin gemaakt tot het bewaren van de eendrachtige gezindheid, die God als nadere gave aan de gelovigen wil schenken.
Bij de Romeinen was geen eensgezindheid onder elkaar; zij vormden wel een gemeente, maar dit was meer uitwendige vorm, het wezen ontbrak. Er bestond toch een verbittering tussen de gemoederen een grote scheiding was er door de gehele gemeente; aan de ene kant stonden de sterke geesten, die zich van hun Christelijke vrijheid bedienden, zonder broederlijke liefde en de zwakken aanstoot en ergernis veroorzakend; en aan de andere kant zwakke zielen met vreesachtige gewetens en angstvallig geloof, die, zoals zij door de sterken veracht werden, zich aan deze wreekten door een liefdeloos oordelen en verdoemen. Zo dreigde de gemeente, die de Heere uit beide volken, uit Joden en heidenen had vergaderd, uit elkaar te gaan, zich in een Judaïstische en in een heiden-Christelijke sekte te verdelen. De apostel nu heeft werkelijk het zijne gedaan om de scheur te helen; nu beveelt hij de zaak aan God en bidt Hem, ook het Zijne te doen en de afgeweken vijandige broeders de ware broederzin te schenken.
Gemeenschappelijke lijdzaamheid en gemeenschappelijke vertroosting in gemeenschappelijk lijden is bron van en middel tot eendracht, vooral als de smart bestaat in het smaden en vervolgen van de kant van de vijanden van God, dat de vrienden van God tot des te sterker verenigen dringt. Evenals de Christenen ten allen tijde, zo was zeker ook de gemeente te Rome reeds voor het uitbreken van de eigenlijke, bloedige vervolging door dit ongeluk getroffen. Zo is er van de lijdzaamheid en vertroosting tot de eendracht geen toevallige overgang, maar zoals alle goede gaven van boven afdalen, zo ook de eendracht en zij moet evenzeer als lijdzaamheid en vertroosting van God worden verleend en daarom ook van Hem worden toegewenst en afgebeden.
De Christenen moeten gezindheid hebben naar Jezus Christus. Hij is niet alleen de regel, waarnaar de gezindheid moet worden beproefd, maar ook de oorzaak van de nieuwe gezindheid. Onder het kruis van Christus sterft eigen wil; daar zijn wel vele leden, maar slechts één Hoofd en één gezindheid.
Opdat u door zo’n liefdevolle gezindheid eendrachtig met één mond mag verheerlijken de God en Vader van onze Heere Jezus Christus (2 Kor. 1: 3; 11: 31. Efez. 1: 3 Kol. 1: 3), zoals dat plicht is van een gemeente, die in de daad en in waarheid wil beantwoorden aan de naam, die zij draagt (Hand. 2: 46 v. Efeze. 5: 19. Kol. 3: 16 v.).
Op onze plaats staat “van onze Heere Jezus Christus”, terwijl aan het einde van vs. 5 staat: “naar Christus Jezus. ” De verwisseling van de beide uitdrukkingen is hier van bijzondere fijnheid en juistheid. De gemeenschappelijke, onuitputtelijke bron van alle lijdzaamheid onder het Nieuwe Testament gekweekt en van alle vertroosting door het Oude Testament voorbereid, is God. Van Hem moet de gave komen voor de gelovigen, zodat zij over hetgeen hun gemeenschappelijk deel is, denken, zoals dat met de Heere Christus Jezus overeenstemt. Op deze weg van zelfvernedering alleen moeten en kunnen zij op de glorierijke weg komen, dat zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheerlijken, die die Jezus als de Christus verheerlijkt heeft, nadat de Christus de Jezus-weg van de vernedering is gegaan en die zij verheerlijken in het voorgevoel, dat Hij hen ook met Hem zal verheerlijken, zoals Hij hen reeds in Hem verheerlijkt heeft.
Het “eendrachtig” wil zeggen, dat allen God met één gemoed moeten prijzen – allen moeten de liefde en barmhartigheid van God bedenken, die hen zonder hun verdienste en waardigheid ten deel geworden is en zulke overweging moet in allen hetzelfde dankgevoel opwekken, dat hen tot prijs van de genade dringt. Waarvan het hart vol is, daarvan vloeit de mond over; hebben nu allen hetzelfde gemoed en dezelfde drang van de Geest, dan zal ook de uiting als een zodanige te voorschijn treden, die als uit één mond komt – dan zal alle letten op ouderdom en geslacht, op stand en beroep verre van ons blijven en alle partijdigheid zal plaats maken voor heilige eendracht.
Daarom, opdat het aan zo’n eensgezindheid en aan eenparig loven van God bij u niet ontbreekt, neem elkaar aan; er moet een wederkerige gemeenschap van de sterken met de zwakken en van de zwakken met de sterken zijn, zoals ook Christus ons, de ene zowel als de andere in Zijn genade aangenomen heeft, zonder de ene voor te trekken boven de andere, of de ene achter de andere te stellen en dat wel tot de heerlijkheid van God, tot het genieten en prijzen van die heerlijkheid beide.
Christus vond in u nog veelmeer te overwinnen en heeft uw zwakheid alleen als een reden laten gelden, om u te meer in liefde na te gaan. Neem daaraan niet alleen een voorbeeld, maar bedenkt ook dat, als de Heere Christus niet zo jegens u gehandeld had, niemand van u gered zou zijn. Betaal dus de schuld, die u Hem verschuldigd bent, door een gelijk gedrag jegens de broeders; daarmee prijst u God het meest.
Zie, dat noemt Paulus de eer van God, door Christus teweeggebracht, dat Hij ons heeft aangenomen en onze zonde gedragen en teniet gedaan heeft. Zo moeten wij de zonde, verkeerdheid en gebrekkigheid van onze naaste op ons laden, die dragen, verbeteren en helpen. Als dat dan de gebrekkigen horen of ervaren, dan wordt hun hart welgemoed voor God en het moet zeggen: “O, dat is een heerlijk, genadig God, een waar Vader, die zo’n volk heeft en van hen wil, dat zij ons arme zondaars vol gebreken, niet veroordelen, niet verdoemen, niet verachten, maar aannemen, helpen en met ons omgaan, als waren onze zonden en gebreken de hunne. Wie zou zo’n God niet liefhebben, loven, prijzen en een en Hem uit de grond van zijn hart vertrouwen? Wat moet Hij zelf zijn, als Hij Zijn volk zo wil hebben.
Ook wij hebben allerlei tegenstellingen onder ons; ook onder ons zijn zwakken en sterken, ja, wij hebben nog een derde, huichelachtige en geveinsde partij, die noch zwak noch sterk is, maar wel werelds en slecht genoeg, om hun vleselijke vrijheid voor een Christelijke vrijheid en sterkte uit te geven. Echt, dan is het moeilijk om te verdragen om lankmoedig te zijn ter rechter- en ter linkerzijde, te bidden en te werken en niet moe te worden, totdat of het doel bereikt is, of de arbeid ten einde is, tot de verschillende partijen tot een worden, of de tegenstand van de bozen hen uit de poorten van de kerk heeft uitgevoerd, of wij door de dood ontheven zijn van de taak, vol tranen en smart om de vijanden tot Christus te brengen. Broeders, wij, die door God zijn gedrongen, heilige handen zonder toorn en twisting aan alle plaatsen of te heffen, laat ons ten allen tijde God aanroepen, dat wij de moed niet laten zakken en in het werk van de lijdzaamheid niet vertragen! Laat ons toch niemand loslaten, zolang het dag is, laat ons elkaar niet loslaten, ons niet overgeven aan het verachten van de broeder, aan die veroordelingsgeest, die anderen zijn boos “Raka” en “u dwaas” toeroept. Laat ons in oprechte trouwe liefde arbeiden, of wij misschien nog eensgezind worden, om met één stem de God en Vader van onze Heere Jezus Christus te prijzen.
En ik zeg, om mijn woorden “zoals ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid van God” (vs. 7) nader te verklaren, dat Jezus Christus een dienaar geworden is van de besnijdenis. Hij was een dienaar van de Joden geworden, zoals Hij zelf in Matth. 15: 24 betuigt, dat Hij alleen tot deze gezonden was en dit vanwege de waarheid, de waarachtigheid en getrouwheid (Hoofdstuk 3: 4) van God, opdat wij bevestigen zouden de beloftenissen van de vaderen (Hand. 3: 25 v. 2 Kor. 1: 20).
De aanneming voor ogen stellend, waarmee Christus ons allen heeft aangenomen, wil de apostel ervan spreken, hoe uit Joden en heidenen de ene heilige kerk is vergaderd; dus in de eerste plaats daarvan, dat Jezus Christus een dienaar van de besnijdenis geworden is. Als Jezus Zoon van Maria, is Christus, de Koning van Israël tot het Zijne gekomen, als een dienaar van het volk van de besnijdenis, zo’n dienaar, die zelf de besnijdenis aannam en Zich onder de wet stelde om door overgave van Zijn leven te verlossen, die onder de vloek van de wet waren. Hij deelde in de scheiding, die God door de besnijdenis tussen Joden en heidenen had gesteld. Hij achtte Zich gezonden om de verloren schapen van het huis Israël te zoeken, Hij sloot Zich aan de Joden aan tot het ene volk, waarvan de zaligheid komt tot alle geslachten op aarde. En wel vanwege de waarheid van God is Hij geworden, wat Hij moest worden, naar de belofte de vaderen geschied. Deze belofte heeft Hij bevestigd door vervulling, opdat het profetische woord zou vaststaan, een woord van de waarachtige God, van de Held in Israël, die niet liegt en die Zijn toezegging niet berouwt.
Is nu Christus ter wille van de Joden gekomen, dan mogen ook de zwakken niet worden veracht, die uit de inzettingen van dit volk nog niet geheel tot de Christelijke vrijheid zijn doorgedrongen.
En verder is deze vernedering van Christus geschied, opdat de heidenen God vanwege de barmhartigheid (vgl. Hoofdstuk 11: 30) zouden verheerlijken (Hand. 10: 46; 11: 18), zoals geschreven is in Ps. 18: 50 en 2 Sam. 22: 50 : “Daarom zal Ik, Christus, die door David ben voor afgebeeld, U belijden onder de heidenen en onder hen Uw naam lofzingen. Ik zal deze eveneens inlijven in Mijn rijk. “
De heidenen, zegt de apostel, loven God vanwege de barmhartigheid; welke uitdrukking terugslaat op de voorgaande “vanwege de waarheid van God”. God had tegenover de heidenen geen verplichtingen op Zich genomen; want heeft Hij ook in het Oude Testament van de roeping van de heidenen gesproken en hun bekering voorspeld, zo heeft Hij toch alleen tot Israël zo gesproken en de heidenen kunnen Hem geen woord van Zijn mond voorhouden. Als Hij ze aanneemt, dan is Hij tegenover hen daartoe niet verplicht, dan is Zijn aannemen het werk van Zijn vrije genade.
De heidenen is niets beloofd, waarom zij ook niets konden eisen, alhoewel ook de Joden de heidenen daarin gelijk zijn, dat Christus de Joden uit enkel genade beloofd is, zoals Hij de heidenen gegeven is. Maar nadat Hij beloofd is, hebben zij ook reden gehad om Hem te verwachten als die hen zou worden gegeven. Daarom hebben de Joden Christus niet alleen uit de genade van de belofte, maar ook uit de waarheid van God, die Zijn belofte moest vervullen. Maar de heidenen hebben noch de genade van de belofte, noch de waarheid van de vervulling, maar de enkele, ongehouden, ongedachte, onvoorziene barmhartigheid, die Christus hen geeft, zonder dat een plicht van de waarheid van God wordt vervuld.
En weer op een andere plaats, namelijk in Deut. 32: 43 zegt hij (liever “zij” namelijk de Schrift, Hoofdstuk 9: 17): “Wees vrolijk, u heidenen met Zijn volk”, zoals de woorden anders dan in de Hebreeuwse bijbel in de Griekse vertaling luiden (vgl. de aanmerkingen bij de plaats zelf).
En weer in Ps. 117: 1 : “Looft de Heere, al u heidenen en prijst Hem, al u volken! U die vroeger heidenen was, maar nu tot volken Deze 30: 3 bent geworden (1 Petrus 2: 10).
En weer zegt Jesaja in Hoofdstuk 11: 10 en wel weer naar de Griekse vertaling, de Septuaginta: “Er zal zijn de wortel van Jessai (Jes. 11: 1; 53: 2. Openbaring 5: 5; 22: 16. Re 5. 5 Sir. 47: 25) en die opstaat, die zich verheffen zal, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.
De vier plaatsen van het Oude Testament, die Paulus aanhaalt, hebben in het algemeen dezelfde inhoud; zij spreken van de vereniging van Joden en heidenen tot één kerk. Met elkaar vergeleken spreken zij van een voortgaan, een trapsgewijs toenemen van het grote werk. In de eerste plaats ziet men de Verlosser van de wereld naar Zijn profetisch ambt onder het volk werkzaam, zoals Hij de grote daden van God (door Zijn apostelen) onder hen verkondigt, de Heere looft en Zijn naam lofzingt; de tweede plaats geeft de volken de toestemming om het Evangelie aan te nemen, evenals de Joden; en wat deze tweede plaats zegt als van een begin, dat wijst de derde aan als een krachtige voortgang; die voortgang stijgt in de vierde plaats tot het hoogste toppunt. De lofzingende Messias, Wiens zang het vol klinkende slotwoord heeft gevonden, zet de kroon op en wordt tot de heersende Messias. Jezus van Nazareth, de Koning van de Joden, openbaart Zich als aangebeden Heerser en vertrouwen van alle volken.
Evenals in de drie eerste plaatsen de lof van de heidenen in het algemeen, zo is in de vierde de grond en inhoud van de hoop van de heidenen en daarmee tevens van de lof van de heidenen genoemd.
Voor de Christenen uit de Joden bevatten deze citaten uit de Bijbel de vermaning: “Veracht de Christenen uit de heidenen niet, die toch geenszins tot u in zo’n verhouding staan, als was de genade vanouds aan u alleen beloofd, terwijl de heiden die niet mocht ontvangen. Deze hebben integendeel eveneens in de schriften van de profeten de belofte van genade, met dit onderscheid, dat niet tot henzelf gesproken is, evenals tot Israël, zodat zij het zouden hebben geweten en zij God bij Zijn verbondstrouw zouden hebben kunnen aangrijpen, maar wel is van hen gesproken.
De Christenen uit de Joden moeten niet trots zijn op hun roeping en zich niet boven de Christenen uit de heidenen verheffen, want ook deze zijn geroepen. De Christenen uit de heidenen moeten echter bescheiden zijn, doordat zij gedenken aan de onverdiende genade van God, die hen heeft geroepen.
De God nu van de hoop (vgl. vs. 5) vervulle jullie met alle mogelijke blijdschap en met alle mogelijke vrede (Hoofdstuk 14: 17) in het geloven, in de toestand van het gelovig zijn, opdat u overvloedig mag zijn in de hoop, waarin u reeds rijk bent, door de kracht van de Heilige Geest, die ze in u werkt. Die bede heb ik voor u, opdat die hoop niet temidden van de druk van de tijden wordt uitgeblust, maar integendeel door de nevelen van het natuurlijk kleingeloof steeds heerlijker en schitterender heen breekt.
Evenals vs. 1-4 in een zegenwens (vs. 5 en 6) overgingen, zo gaat ook nu de vermaning, die met vs. 7 begon, in een zegenwens over, die tegelijk het slot van de gehele afdeling van Hoofdstuk 14 af vormt.
De zegenwens sluit zich aan de woorden in vs. 12 aan: “Op Hem zullen de heidenen, (tot welke u naar uw afkomst meestal behoort) hopen. ” God is de werker van de hoop, evenals van lijdzaamheid en vertroosting en evenals volgens vs. 4 lijdzaamheid en vertroosting hoop werken en toch ook uit de reeds aanwezige hoop voortkomen, zo moet hier God als de God van de hoop de vreugde en de vrede verlenen, in zoverre beide uit de hoop voortvloeien, die zij toch ook weer zelf in hogere mate als gevolg hebben.
God is de bron van alle goede gaven en omdat Hij deze niet alleen heeft, maar zij ook Zijn eigenlijk wezen zijn, omdat Hij de liefde en de almacht niet maar bezit, maar liefde en almacht zelf is, kan Hij naar elke heerlijke eigenschap en naar elke heerlijke gave ook worden genoemd. Wat de heidenen meenden te hebben gewonnen, wanneer zij een godin, bijvoorbeeld de trouw of de hoop vereerden, dat bezit de Christen te zekerder en te krachtiger, wanneer hij levendig inziet dat de waarachtige God de persoonlijke trouw, hoop, liefde zelf is en Hij al deze eigenschappen zó bezit, als had Hij niets dan deze. (V.).
De God van de hoop nu zal de Romeinen met alle vreugde en vrede vervullen. Blijdschap is die heilige vreugde van de Christen, die voortvloeit uit het bezitten van de zaligheid, die blijdschap heeft in zijn grote God en Heiland Jezus Christus (vs. 10). Vervult deze blijdschap alle harten, dan is er ook vrede in. Als het eigen hart blij is, dan wil het niet alleen deelgenoten van zijn vreugde hebben, de vreugde in die God, die ons in genade heeft aangenomen, maakt ons ook gewillig en werkzaam om genade te bewijzen, elke zwakheid van de broeder als een zacht juk te dragen, eendracht te betonen, de eenheid van de Geest door de liefde, de band van de volmaaktheid, te bewaren, vrede te maken en vrede te houden met iedereen. Die zich in zijn God verheugt en in deze vreugde leeft, dat nu alle strijd een einde heeft, dat er nu vrede met God is gesloten, die is een kind van de vrede, een tot vrede bereide.
Al wat in dit leven ware vreugde is, is een voorsmaak van de vreugde van het eeuwige leven; blijdschap in de Heere en Zijn woord, blijdschap in al Zijn weldaden, die lichaam en ziel blij maken, blijdschap in de werkzaamheden voor Zijn rijk overal in de wereld, blijdschap van de broeders in elkaar, van de sterken in de zwakken, die Christus niet veracht, van de zwakken en de sterken, die Christus zo sterk gemaakt heeft, aller gemeenschappelijke vreugde Jeruzalem daarboven en hier beneden. Alle ware vrede in deze wereld van onvrede en angst is een voorsmaak van de vrede in het rijk van de heerlijkheid; vrede met God door het bloed van de verzoening; vrede in tevredenheid met al Zijn wegen, die eindigen in enkel zegen, vrede in gelatenheid onder het lijden van deze tijd, dat niet te waarderen is bij de toekomstige heerlijkheid, vrede in vreedzaamheid met allen, die geroepen zijn tot dezelfde hoop van hun Christelijke roeping, aller gemeenschappelijke en diepste vrede, Hij zelf, Jezus! Met alle blijdschap en vrede vervult ons de God van de hoop in het geloven. Te geloven met ons hart de Heere Jezus Christus, in het geloof te blijven en hoe te nemen, dat éne geeft ons God in genade; zo zijn onze harten vaten en kruiken, die Hij vervult met alle blijdschap en vrede naar de mate van Zijn welbehagen.
Het vervullen van de Romeinen met blijdschap en vrede in het geloven moet hun daartoe dienen, dat zij overvloedig mogen zijn in de hoop en dat moet in hun plaats hebben door de kracht van de Heilige Geest. Door middel van deze kracht, die in hen werkt, moeten zij de Christelijke hoop, de zekerheid van de volmaking van hun zaligheid in de rijkste mate hebben. Het is de kracht van de Heilige Geest, die de hoop opwekt, onder strijd en zwakheid bewaart en sterkt en tot zekerheid brengt dat Hij, die allen geroepen heeft tot Zijn rijk en tot Zijn heerlijkheid, de Getrouwe is, die daartoe ook zal brengen.
De apostel begint hier zijn brief te sluiten, dat hij gewoonlijk deed met een zegenbede over de gemeente uit te spreken; hij bidt hun alles van God toe, wat tot versterking van hun geloof, hoop, liefde, blijdschap en vrede kan strekken en wel door de kracht van de Heilige Geest, die hij nu gedurig noemt, om de gelovigen te herinneren dat deze in de gemeente is en door Hem al de genadegaven van God de gelovigen toevloeien. De God van de hoop. De heidenen waren gewoon om voor velerlei zaken velerlei goden te hebben, maar Paulus verenigt met geestelijke wijsheid alles in God. God is de zelfstandigheid van al het goede en heerlijke; in Hem alleen is het goede en van Hem vloeit het uit. Daarom is ook onze toekomst niet buiten God, maar God zelf is onze toekomst. Hij zelf geeft, onthoudt of neemt ons, wat Zijn wijsheid en liefde goeddunkt en buiten Hemzelf bestaat er geen toekomst.
IV. Vs. 14Kruisverwijzingen2 Petrus 1:12→1 Korinthe 8:1→1 Korinthe 8:7→1 Korinthe 8:10→1 Johannes 2:21→1 Thessalonicenzen 5:11→Filemon 1:21→Hebreeën 6:9→
— Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen.
-Hoofdstuk 16:27.. Het slot van de brief. De apostel is nu aan het einde van zijn lessen en vermaningen, die hij zich had voorgenomen, aan de Romeinen te geven. Hij voegt daarom nu aan zijn brief iets toe, waarmee bij tegenover de inleiding in Hoofdstuk 1: 8 vv. een slot geeft. Aan de ene kant verontschuldigt hij zich, dat hij het gewaagd heeft aan de Romeinen te schrijven, aan de andere kant geeft hij mededelingen over het reisplan, dat hij nu heeft (vs. 14-33). Op de eerste laat hij nog een tweede slotwoord volgen tot aanbeveling van de overbrengster van de brief, met groeten van zijn kant, waarmee hij een waarschuwing verenigt en groeten van de personen, die hem te Corinthiërs omgeven. Daarna herhaalt hij de reeds vroeger uitgesproken zegenwens (Hoofdstuk 16: 1-24). Het komt eindelijk nog tot een derde slotwoord, door een rijke diepbewogene lofzegging van God, waarin zowel de eerste begroeting in Hoofdstuk 1: 1 vv. als de in Hoofdstuk 1: 16 v. genoemde hoofdgedachte van de zendbrief evenzeer opnieuw wordt gehoord, als de inhoud van het eerste slotwoord in betrekking stond tot de inhoud van het begin in Hoofdstuk 1: 8 vv. (16: 25-27). Over dit slotwoord van onze brief, dat uit verschillende delen bestaat, merkt Bengel op: de uitgang uit een hoofdstad gaat gewoonlijk door poorten met meer dan één portaal.
Maar, mijn broeders, ook ik zelf ben, als ik mij zo lerend en vermanend tot u wend, zoals ik in deze brief heb gedaan, verzekerd van u, dat u ook zelf vol bent van goedheid, van godsdienstig zedelijke voortreffelijkheid (Gal. 5: 22. Efeze. 5: 9), vervuld met alle kennis van de goddelijke waarheid en inzicht in de plichten, die zij u oplegt, machtig om ook elkaar te vermanen, zonder eerst nog een anderen daarvoor nodig te hebben als ik ben (2 Petrus 1: 12. 1 Joh. 2: 21).
Dat niet enkel kennis, maar naast liefdevolle tederheid ook oprechte ootmoed en werkelijk goed vertrouwen voor de gemeente te Rome in haar geheel de apostel deze woorden heeft ingegeven, blijkt zowel uit Hoofdstuk 1: 3 en 12 als uit de zaak zelf, terwijl hij in het tegengestelde geval het verwijt van onwaarachtigheid niet zou hebben kunnen ontgaan; zeker moeten de woorden tevens beschouwd worden als uitvloeisel van pedagogische wijsheid, die de mens gemakkelijker maakt tot hetgeen zij van hem zegt en dat in hem bevestigt.
Met schone bescheidenheid en oprechte ootmoed spreekt de apostel de naam “broeders” uit; de broedernaam is in zijn mond geen ijdele naam, maar met eerbied erkent hij in Christelijke broeders mannen, die men hem overeenkomen in adel door de Heilige Geest, over wier geloof ook een apostel geen meester is, maar wel een medewerker van hun blijdschap (2 Kor. 1: 24). Nadat hij zo ter ere van Christus en tot bevestiging van de broeders de hun verleende genade erkend heeft, verzwijgt hij ook de genade niet, hem voor de Romeinen en voor alle heidenen gegeven, wier werk en werktuig deze brief is.
Maar ik heb U ondanks de voortreffelijkheid en kennis u eigen, eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, doordat ik als leraar en vermaner tegenover u optrad, als u weer dit bekende indachtig makend om de genade van het apostelambt (Hoofdstuk 1: 5; 12: 3), die mij door God gegeven is, opdat ik namelijk handel volgens de plicht, mij door deze genade opgelegd.
De reden, waarom de apostel, ondanks de overtuiging die hij over de gemeente te Rome heeft uitgesproken, toch ernstige vermaningen tot haar gericht heeft, ligt, zo zegt hij hier, in zijn apostolische roeping, die hem daartoe dringt en verplicht.
Gevoel van roeping en plicht maakt stout; zo heeft dat gevoel van zijn hoge roeping de apostel gedrongen datgene te doen, wat op zichzelf als een waagstuk zou kunnen voorkomen.
Hij heeft aan een gemeente geschreven, die zonder zijn toedoen was ontstaan en waarvan hij in Hoofdstuk 1: 8 heeft gezegd, dat men van haar geloof in de hele wereld vertelde; nu laat hij zich aan het slot daarover uit, hoe hij ertoe gekomen is, haar zo’n brief te schrijven.
Opdat ik een dienaar van Jezus Christus ben onder, voor en ten behoeve van de heidenen (Hoofdstuk 11: 13), het Evangelie van God bedienend op priesterlijke wijze, opdat de offerande van de heidenen aangenaam wordt, geheiligd door de Heilige Geest (Hand. 26: 18), opdat zij dat Evangelie in geloof aannemen, door de Geest van God wedergeboren.
Paulus stelt zijn apostolisch ambt in het bewustzijn van de grote waarde daarvan niet slechts voor als een openbare bediening, maar als een priesterlijke offerdienst. Daarbij is het Evangelie wel niet, zoals de vertaling van Luther dit ten onrechte uitdrukt, het offer, dat wordt gebracht, maar wel het goddelijk instituut, dat door het offer wordt waargenomen of priesterlijk bediend. Het offer, dat Paulus als priester van Jezus Christus aan God aanbiedt, bestaat uit de heidenen, die door het Evangelie bekeerd zijn en door de Geest tot Gods eigendom geheiligd.
Zoals Hoofdstuk 12: 1 een hoofdplaats is voor de Nieuw-Testamentische leer van het algemene priesterschap van de gelovigen, zo is dat ons vers voor het recht, om het dienen in het woord als een priesterlijk ambt voor te stellen.
Zo heb ik dan, omdat ik de genade van God heb ontvangen om de apostel van de heidenen te zijn, om ze Hem door priesterlijke bediening van het Evangelies ten offer te brengen (vs. 15 v.), – zo heb ik dan roem in Christus Jezus, in die dingen, die God aangaan, als een, die zijn bepaalde plaats in de goddelijke huishouding heeft en een hem opgedragene taak moet volbrengen, wanneer ik doe, zoals ik met mijn brief gewaagd heb.
Want ik zou niet durven iets zeggen, niet wagen Ro 5: 7 in enig voorkomend geval iets te spreken, dat Christus door mij niet gedaan heeft, maar Hij doet dat werkelijk naar de aard en de omvang van mijn roeping tot gehoorzaamheid van de heidenen aan het geloof in Zijn naam met woord en werk.
Door kracht van tekenen en wonderen betoont U zich aan mij, waardoor mijn werken een opwekkende indruk teweeg brengen bij hen, die zich moeten bekeren (Hand. 13: 9 vv. ; 14: 8 vv. ; 19: 11 vv. ; 28: 3 vv. en door de kracht van de Geest van God, terwijl ook mijn woord geschiedt in betoning van de Geest en van de kracht (1 Kor. 2: 4), zodat ik van Jeruzalem af en rondom Ac 9: 30 tot Illyricum. toe, de grensscheiding tussen Oosten en Westen, het gehele land met het Evangelie van Christus vervuld heb.
U ziet hieruit, dat mij een heerlijke roeping gegeven is en ik zo ook zeer begerig geweest ben om overal het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus reeds door de prediking van anderen genoemd was, opdat ik niet op een andermans fundament, op een grond door andere arbeiders gelegd, zou bouwen (2 Kor. 10: 15 vv.).
Het was dan ook bij Paulus geen zwakke wens om naar Rome te komen, maar een vurige begeerte. Uit alles blijkt, dat hij een man was van kracht, die niets flauw kon doen. Paulus was ook eerzuchtig; hij koos vooral die plaatsen uit onder de Heidenen, waar nog niemand vóór Hem geweest was, om zodoende het zaad van het Evangelie in een nieuwe akker te strooien. Tot zijn eer? Immers niet, maar tot die van zijn Heer. Hij wilde aan het Evangelie de meest mogelijke uitbreiding geven. Daarin bestond zijn eerzucht en ook nog in andere dingen, zoals in zijn ongehuwden staat en in zijn onafhankelijkheid van de gemeente door zijn eigen handenwerk. Dit alles moet strekken tot bevordering van het Evangelie en toch bleef het Paulus’ eerzucht. Maar er is een heilige eerzucht, zoals er een onheilige is. Voor God te ijveren, zoals Mozes en Elia deden en Paulus deed, is een eerzucht, die uit God is en die wat meer onder de Christenen moest zijn. Waar is die wedijver onder hen, die ook in het kleine kan zeggen, wat van de Heer in het oneindige gezegd kan worden: de ijver van uw huis heeft mij verteerd. Ps. 69: 10.
Maar ik wilde arbeiden zoals geschreven is in Jes. 52: 15 : “Die door Hem, de knecht van God, niet was geboodschapt, die zullen het heil door Hem teweeggebracht zien en die het Evangelie van Christus niet gehoord hebben, die zullen het verstaan, die zullen het zich toe-eigenen door het in geloof aan te nemen.
Met het woord “Jeruzalem en rondom” (vs. 19) beschrijft Paulus de sfeer van het begin van Zijn werkzaamheid (Gal. 1: 15 vv. Hand. 9: 20 vv. ; 11: 25 vv.), niet, zoals men zich vaker uitdrukt, het oostelijke punt daarvan, want dit was Lycaonië, Cappadocië en Galatië (Hand. 14: 6 vv. ; 16: 6; 18: 23); in parallel daarmee staat dan Illyrië, het land langs de oostelijke kusten van de Adriatische zee, of het tegenwoordige Kroatië en Dalmatië met Bosnië, Herzogewina en Montenegro, benevens het noordelijk gedeelte van Albanië, als het einde van zijn werkzaamheid, die hij nu in het begin van het jaar 58 na Christus ten einde had gebracht. Juist om zo’n parallel moet nu Illyrië een wezenlijke, mee in te sluiten plaats van deze werkzaamheid zijn geweest en zij was dat ook volgens de uiteenzettingen in het overzicht van de gebeurtenissen van de apostolische tijd (Aanh. 2) omtrent het einde van het jaar 57. Nadat de apostel de intensiviteit van zijn werken gekarakteriseerd heeft met het woord “door kracht van tekenen en wonderen en door de kracht van de Geest van God” begint hij nu te spreken over de extensiviteit. Met het woord “tot Illyricum toe” kan niet gezegd zijn: “tot aan de grenzen van dit land, zodat het laatste niet kan gedacht worden als ook ingesloten, want anders kon in vs. 23 niet worden gezegd: “maar nu geen plaats meer hebbend in deze gewesten. ” In Hand. 20: 2 moeten integendeel onder “die delen” ook Illyrië worden verstaan, hoewel vele uitleggers deze opvatting proberen te bestrijden. Onze verklaring van: “ik heb het Evangelie van Christus vervuld”, in de zin van “met het Evangelie vervuld. ” is dus overeenkomstig de woorden en de zaak. Paulus wil niet zeggen, dat in het beschreven gebied van het Oosten het Evangelie ook reeds overal was aangenomen, maar alleen, dat de klank daarvan overal door zijn dienst was doorgedrongen (Hoofdstuk 10: 18. Kol. 1: 25). Terwijl intussen de Schriftverklaarders het nog zeer oneens zijn, die de betekenis van de Griekse uitdrukking: “ik heb het Evangelie vervuld” eigenlijk is, brengen zij met hun onderscheiden verklaringen eigenlijk toch dezelfde zin voort. De apostel verklaart dat hij zijn priesterlijke dienst jegens het Evangelie, waarvan hij in vs. 16 de landen van het Oosten nu zover had volbracht, als dit zijn roeping was. De roeping van de apostel was namelijk overal een fundament te leggen; niet een van die aard, dat er voor het Evangelie in die landen niets meer te doen was, integendeel had hij slechts op zekere centraalplaatsen de Christelijke kerk te vestigen, waarvan het zich dan als vanzelf in steeds ruimere kringen zou verbreiden. In hoeverre de stelling, door Paulus in vs. 20 v. uitgesproken, daarop wijst, dat de gemeente te Rome niet door een andere apostel, bijvoorbeeld Petrus, zoals de Katholieke traditie beweert, gesticht zou kunnen zijn, werd reeds bij Hoofdstuk 1: 7 te kennen gegeven; ook wordt door nauwgezette Katholieke geleerden daarom ook die traditie opgegeven. Die grondregel sluit echter niet uit dat Paulus nu aan de Romeinse gemeente schrijft en het doel heeft om tot haar te komen en ook onder haar vrucht voort te brengen, alsook onder andere heidenen (Hoofdstuk 1: 13 vv.); want juist omdat nog geen van de andere apostelen daar geweest was, de gemeente zich als vanzelf had gevormd en dit op een manier gebeurd was dat hij Rome als een arbeidsveld mocht beschouwen, dat bepaald tot zijn werkkring als apostel van de heidenen behoorde, schrijft hij aan haar met hetzelfde recht als later aan de gemeente te Kolosse, wier stichting toch ook niet onmiddellijk op zijn rekening komt, maar door Epafras tot stand was gebracht (Kol. 4: 12 v.). Wat zijn bezoek aan haar aangaat, wil hij dit ook slechts bij zijn doorreizen doen, terwijl zijn eigenlijk doel Spanje is (vs. 24).
Waarom ik ook menigmaal a) verhinderd ben geweest tot u te komen, zoals ik mij had voorgesteld te doen. (Hoofdstuk 1: 13).
1 Thessalonicenzen. 2: 18.
Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten van het Oosten, niet zo’n centraal punt meer, waarvan ik mij eerst nog meester zou moeten maken, wanneer ik mijnapostolisch ambt in alle opzichten wilde volvoeren en van over vele jaren, vooral sinds ik het gezicht in Hand. 16: 9 heb gehad, groot verlangen hebbend om tot u te komen, die het centraalpunt van de westerse volken uitmaakt, denk ik mijn voornemen snel te volbrengen.
Rom. 1: 10; 15: 32. 1 Thessalonicenzen. 3: 10. 2 Tim. 1: 4. 2Ti
Zo zal ik wanneer ik naar Spanje reis (1 Makk. 8: 3, hetgeen snel zal plaats hebben (vs. 25 en 28), tot u komen; want ik hoop bij die gelegenheid in het doorreizen bij u te Rome te vertoeven en u te zien en van u daarheen, namelijk naar Spanje, geleid te worden (Hand. 15: 3; 17: 14 vv. ; 20: 38; 21: 5. 2 Kor. 1: 16 2Co) als ik eerst, voordat ik weer naar Rome reis, van jullie tegenwoordigheid eensdeels (enigszins) verzadigd zal zijn Ro 1: 11.
De Evangelieverkondiging van de apostel bewoog zich met regelmatige stappen voorwaarts. Evenals een stoutmoedig en verstandig veldheer heeft hij zich een vast en consequent plan van aanval gevormd, waarvan hij niet willekeurig en naar zijn luimen afspringt. Eerst nu hij van Jeruzalem en de omtrek daarvan het gehele Oosten tot Illyrië door het Evangelie veroverd, of minstens de hoofdplaatsen en bolwerken van het heidendom daarvoor in bezit heeft genomen, gaat hij over naar het westen, om nu van het meest westelijke punt van Spanje uit in tegengestelde richting te opereren. Rome blijft dan zeker weer slechts een plaats van doorgang, juist omdat daar reeds een grondslag gelegd was. Hij kon echter tot dit bezoek in het voorbijgaan en dit korte oponthoud te Rome tot hiertoe daarom niet komen, omdat zijn apostolisch plan voor het Oosten nog niet zo ver was volbracht.
Opmerkelijk is het, hoe Paulus kan zeggen: “nu geen plaats meer hebbend in deze gewesten”, omdat hij toch nog op verre na niet overal in Griekenland en Klein-Azië had gepredikt. Wij zien hem echter steeds in de grote hoofdsteden van de provincies werken en vervolgens de verdere uitbreiding van het Evangelie van die plaatsen uit overlaten aan zijn helpers, die daar werden gevestigd. Zijn doel scheen hem daarom toe, overal een baan te breken en het Evangelie te prediken aan alle volken tot een getuigenis over hen (Luk. 24: 46. v. MATTHEUS. 24: 14) en dit plan kon hij in de oostelijke provincies als volvoerd beschouwen.
De reden, waarom Paulus niet op een andermans fundament wilde bouwen (vs. 20. 1 Kor. 3: 10), lag in het verheven bewustzijn van zijn apostolische bestemming (Hand. 26: 17 v.), volgens welke hij het grootste en moeilijkste, de grondlegging van de kerk, als van de taak van de apostel beschouwde en in het volvoeren van die taak zijn apostolische eer vond.
Maar nu, wat de weg aangaat, die ik nu zal volgen, reis ik naar Jeruzalem, om daar de heilige, de Christelijke gemeente te dienen (Hand. 19: 21; 20: 3 vv.).
Want het heeft die van Macedonië en Achaje, de gemeenten in deze landen goed gedacht, zonder door enige dwang van mijn kant daartoe gedrongen te zijn, alhoewel ik daartoe aanleiding heb gegeven een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heilige, die te Jeruzalem zijn (Hand. 24: 17. Gal. 2: 10. 1 Kor. 16: 1 vv. 2 Kor. 8 en 9 Ga 2. 10 1Co).
Want het heeft hun zo goed gedacht; zij hebben dat vrijwillig gedaan, ook zijn zij, zoals ik hun van mijn kant heb voorgehouden, hun schuldenaars; a) want als de heidenen hun geestelijke goederen, de in Hoofdstuk 14: 17 genoemde goederen van het koninkrijk van de hemelen, deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen uit dankbaarheid voor die hogere goederen, van lichamelijke, stoffelijke goederen te dienen (1 Kor. 9: 11).
Gal. 6: 6.
De pinksterreis van Paulus naar Jeruzalem is de vijfde en laatste reis daarheen (Hand. 9: 26 vv. ; 11: 29 v. ; 15: 2 v. ; 18: 22; 21: 17 v. Aan het verzorgen (Hoofdstuk 12: 7) van de heilige liet hij zeven mannen deelnemen, eerstelingen uit de oogst van de heidenen, uit het drievoudig hoofdgebied van zijn apostolische arbeid. Deze zeven waren een teken, dat aan de heilige eerstelingen te Jeruzalem (Hoofdstuk 11: 16), een heilig deeg in de heidenwereld gelijk geworden was en de apostel van de heidenen wilde niet verder reizen ten dienste van de heidenen, voordat hij met zo’n pinksteroffer de eenheid had verzegeld van de heiligen, van die op de plaats van de duizendjarige heiligheid en die op de plaatsen van de pas geheiligde heidenen.
Niet weinige uitleggers nemen aan, dat Paulus door het gezegde in vs. 26 v. indirect en bedekt de Christenen te Rome heeft willen opwekken om de arme Christenen uit de Joden te Jeruzalem eveneens te ondersteunen; wanneer dit echter zijn doel was geweest, zou hij het wel direct en openlijk hebben gedaan en vervolgens beschouwde hij ook de collecte als gesloten. Eerder zou men hieruit kunnen afleiden, dat de apostel een herhaalde algemene herinnering wilde geven aan de Christenen uit de heidenen omtrent hun prijzenswaardig gedrag jegens hun Joodse broeders.
Als ik dan dit, het dienstwerk, dat ik nu in de eerste plaats moet verrichten, volbracht en hun, de Christenen daar, deze vrucht van de liefde van hun broeders en de heidenwereld (2 Kor. 8: 8. Fil. 4: 17) verzegeld zal hebben, dan zal ik door jullie stad mijn weg nemen (2 Kor. 1: 16) en naar Spanje afkomen.
a) En ik weet, dat ik zo op de doorreis tot u komend, met volle zegen van het Evangelie van Christus komen zal en ook u zal het aan de juiste vatbaarheid tot het aannemen van deze zegen niet ontbreken.
Rom. 1: 11.
Het zuivere overbrengen van de verzamelde gelden was nog de hoofdzaak niet. Als echter de apostel daarenboven vertelde, met welke liefde en bereidwilligheid zij was opgebracht, dan was eerst het zegel op de gave gedrukt en de broederlijke band juist samengeknoopt (Hand. 21: 19 vv.). En dat hij nu, als hij daarna naar Rome kwam, met een volle zegen van Christus (het daarbij staande “van het Evangelie” is zeker een onechte toevoeging) zou komen, daarvan kon hij zich reeds van het begin aan verzekerd houden. Een rijke ervaring had het hem toch bevestigd, dat het niet zonder de rijkste zegen kon blijven, waar heilbegerige Christenen waren, als de apostel, die met de genade-goederen voor de kerk van God rijkelijk was toegerust, tot hen kwam.
Van Rome naar Spanje, zo dacht de apostel volgens onze plaats aan het begin van het jaar 58. Intussen werd het hem reeds in april van dat zelfde jaar duidelijk, dat te Jeruzalem ketenen en boeien hem wachtten (Hand. 20: 22 vv.). De Heere heeft andere gedachten over hem. De Schrift maakt het zeker, dat hij ten minste tot aan de lente van het jaar 63 deels te Cesarea, deels te Rome gevangen was en dat hij dus ook niet naar Rome kwam, omdat hij zich had voorgenomen daarheen te gaan, maar omdat de Heere de omstandigheden zo schikte, dat hij daarheen kwam. Volgens de algemene aanwijzing, die Paulus in Hand. 22: 21 bij zijn roeping had ontvangen, had hij het volle subjectieve recht aan de reis naar Spanje te denken. Toen hem echter de Heere in de nacht, die op het verhoor voor het Sanhedrin in het jaar 58 volgde, mededeelde (Hand. 23: 11): “zoals u van Mij te Jeruzalem getuigd heeft, zo moet u ook te Rome getuigen; ” was de laatste stad het doel van zijn reis en met de prediking van het Evangelie daar zijn zending ten einde – de reis naar Spanje, die tot zijn vroegere mening behoorde, verviel vanzelf, zodat in Hand. 19: 21 niet eens aan het voornemen, dat daarop betrekking had, wordt gedacht.
Ook in alle brieven, die Paulus uit de gevangenschap te Rome heeft geschreven, is elk spoor van het vroegere reisplan naar Spanje verdwenen. In Fil. 1: 25 v. ; 2: 24 hij voor het geval van zijn bevrijding als het verdere doel niet het verre Westen, maar Macedonië, dus het terugkeren naar het Oosten, op het oog.
En ik bid u, broeders, door onze Heere Jezus Christus (vgl. Hoofdstuk 12: 1. 2 Kor. 10: 1) en door de liefde van de Geest, die Hij toch zeker in uw harten jegens mij als uw broeder en van de apostel van de Heereheeft gewerkt (Gal. 5: 22) dat u met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij (Kol. 4: 12. 2 Kor. 1: 11. en 27. 2 Thessalonicenzen. 3: 1. Filem. 1: 22.).
Het bekend zijn met de goddelijke plannen, waarop Paulus in vs. 29 heeft gewezen, was bij hem niet iets fatalistisch. Hij zegt niet, ik weet, ik moet toch te Rome komen; ik heb daarom geen voorzichtigheid, geen voorbede nodig. Het was integendeel een levendig, vrij kiezen van de plannen van de vrije persoonlijken van God, die vervuld worden door samenwerking van vrije daden van vrije wezens.
In menig opzicht kan het gebed een strijd worden genoemd. Gedeeltelijk zijn het inwendige, geestelijke vijanden, waartegen moet worden gestreden – het vlees met zijn lusten en vrees, de wereld met haar verleiding en bedreiging, de duivel, die de ziel bestormt. Gedeeltelijk zijn het uitwendige vijanden, bepaald lijden en gevaar, waartegen de gebedsstrijd moet worden gericht. Maar het gebed is niet alleen een strijd in zo verre het de vijanden van de ziel wil terugslaan, maar ook in zo verre het de vriend van de ziel wil winnen, die toeft met de verhoring en tot beproeving zich als een vijand houdt (Gen. 32: 24 vv.).
a) Opdat ik bevrijd mag worden van de ongehoorzamen in Judea, die mij zelfs naar het leven staan (Hand. 20: 22 vv. ; 21: 11, 27 vv. ; 22: 22; 23: 12 vv. ; 25: 3 en dat mijn dienst, die ik aan Jeruzalem doe door overbrenging van de collecte (vs. 25 vv.), aangenaam zal zijn voor de heilige, die nog zeer tegen mij zijn ingenomen (Hand. 21: 20 vv.).
2 Thessalonicenzen. 3: 2.
Driemaal achter elkaar (vs. 25, 26 en 31) noemt Paulus de gelovige Joden van Jeruzalem “heiligen. ” In deze was overig het heilige volk, tot hetwelk God medeburgers uit de heidenen aanneemt, terwijl daarentegen de ongelovigen in Judea, die zich verhieven op hun heilig land en hun heilige plaatsen, het heilige Israël van God, waren afgestorven. Dat hij mocht gered worden van deze kinderen van Israël, die een Ismaëlieten- en Edomieten-aard hadden, die in onverstand en ongeloof het laatste middel van hun redding, de boodschap van de zegen van het Evangelie onder de heidenen van zich stootten, daartoe moesten de Romeinen in hun gebeden hun apostel helpen strijden. Daartoe moest de geest van de liefde hen des te meer dringen, naarmate omwille van hen Paulus om zijn toewijding aan de heidenen, tot een vloek en een voetwis van zijn verblinde broeders naar het vlees geworden was. Maar ook daarom moesten zij met hem bidden, dat de dienst van de heilige gemeenschap, waarin hij naar Jeruzalem reisde, voor de heiligen aangenaam zou zijn. De geschiedenis van de apostelen (Hand. 21), wijst ons aan wat de bedoeling van deze bede is. De bevestiging van eendracht tussen de Christenen uit de Joden en die uit de heidenen, was Paulus’ begeerte en de zwakke broeders te Jeruzalem, die het leven van de gelovig geworden Joden, dat met het Jodendom in strijd was, met wantrouwen en bevreemding aanzagen, te winnen en te versterken, was zijn apostolisch verlangen.
En de God van de vrede, die de vrede voor ons en in ons teweegbrengt (Hoofdstuk 16: 20. 2 Kor. 13: 11. Fil. 4: 9. 1 Thessalonicenzen. 5: 23. 2 Thessalonicenzen. 3: 16. Hebr. 13: 20) zij met u allen (vgl. vs. 20 en 21). Amen (Hoofdstuk 1: 25; 9: 5; 11: 36. 1 Tim. 1: 17).
Wat de apostel met Hoofdstuk 1: 8 begonnen is, is op die manier ten einde gebracht, dat het einde zich aan het begin aansluit. Want evenals hij in Hoofdstuk 1: 8-15 heeft verzekerd, dat het de wens van zijn hart is om de gemeente te bezoeken en dat hij sinds lang voornemens is geweest en altijd verhinderd was geworden om ook te Rome de boodschap van de zaligheid uit te breiden, zo heeft hij zich nu in vs. 14-32 daarover uitgesproken, krachtens welke roeping hij een brief als deze schrijft aan een gemeente, die zich in een ware Christelijke toestand bevindt en waarom hij na zijn vroegere verhinderingen ook nu liever niet zelf tot haar komt, maar eerst na een bezoek te Jeruzalem zijn voorgenomen reis naar Spanje zo zal inrichten, dat die hem over Rome leidt. Als hij nu aan het einde gekomen is met hetgeen hij aan de gemeente zakelijks had te schrijven, eindigt hij met een zegenwens en gaat vervolgens over tot hetgeen bijzondere personen aangaat.
Dat hij nu God de “God van de vrede” noemt, daartoe verkrijgt hij aanleiding door zijn strijd en hun verschilpunten.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel