Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1Toen zeidenH559 de mannenH376 van EfraimH669 tot hem: WatH4100stukH1697 is ditH2088, dat gij ons gedaanH6213 hebt, dat gij ons nietH1115rieptH7121, toen gij heentoogtH1980 om te strijdenH3898tegenH413 de MidianietenH4080? En zij twisttenH7378sterkH2394metH854 hem.Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
KJVAnd the men3of Ephraim4said1unto him, Why hast thou5served8us thus,6that thou calledst11us not, when thou wentest14to fight15with the Midianites?16And they did chide17with him sharply.
1וַיֹּאמְר֨וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֵלָ֜יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3אִ֣ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4אֶפְרַ֗יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites5מָֽהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why6הַדָּבָ֤רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work7הַזֶּה֙H2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)8עָשִׂ֣יתָH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use9לָּ֔נוּ10לְבִלְתִּי֙H1115niet, niemand, tenzijbecause un(satiable), beside, but, [phrase] continual, except, from, lest, neither, no more, none, not, nothing, save, that no, without11קְרֹ֣אותH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say12לָ֔נוּ13כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14הָלַ֖כְתָּH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl15לְהִלָּחֵ֣םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)16בְּמִדְיָ֑ןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite17וַיְרִיב֥וּןH7378twisten, twist, getwistadversary, chide, complain, contend, debate, [idiom] ever, [idiom] lay wait, plead, rebuke, strive, [idiom] thoroughly18אִתּ֖וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix19בְּחָזְקָֽהH2394geweld, sterk, beterenforce, mightily, repair, sharply
2Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2Hij daarentegen zeideH559totH413 hen: WatH4100 heb ik nu gedaanH6213, gelijk gijlieden; zijn nietH3808 de nalezingenH5955 van EfraimH669beterH2896 dan de wijnoogstH1210 van Abi-ezerH44?Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
KJVAnd he said1unto them, What have I done4now in comparison of you? Is not the gleaning9of the grapes of Ephraim10better8than the vintage11of Abiezer?
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲלֵיהֶ֔םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3מֶהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why4עָשִׂ֥יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use5עַתָּ֖הH6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas6כָּכֶ֑ם7הֲל֗וֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8ט֛וֹבH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)9עֹלְל֥וֹתH5955nalezing, nalezingen(gleaning) (of the) grapes, grapegleanings10אֶפְרַ֖יִםH669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites11מִבְצִ֥ירH1210wijnoogstvintage12אֲבִיעֶֽזֶרH44Abiezer, Abi-ezer, Abi-ezrietenAbiezer
3God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3GodH430 heeft de vorstenH8269 der MidianietenH4080, OrebH6159 en ZeebH2062, in uw handH3027gegevenH5414; watH4100 heb ik dan kunnen doenH6213, gelijk gijlieden? Toen lietH7503 hun toornH7307 van hem af, als hij ditH2088woordH1697sprakH1696.God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
KJVGod3hath delivered2into your hands1the princes5of Midian,6Oreb8and Zeeb:10and what was I able12to do13in comparison of you? Then their anger17was abated16toward him, when he had said20that.
1בְּיֶדְכֶם֩H3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves2נָתַ֨ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield3אֱלֹהִ֜יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5שָׂרֵ֤יH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward6מִדְיָן֙H4080Midianieten, MidianMidian, Midianite7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8עֹרֵ֣בH6159OrebOreb9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10זְאֵ֔בH2062ZeebZeeb11וּמַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why12יָּכֹ֖לְתִּיH3201konden, kan, konbe able, any at all (ways), attain, can (away with, (-not)), could, endure, might, overcome, have power, prevail, still, suffer13עֲשׂ֣וֹתH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use14כָּכֶ֑ם15אָ֗זH227toen, alsdanbeginning, for, from, hitherto, now, of old, once, since, then, at which time, yet16רָפְתָ֤הH7503slap, begeven, ledigabate, cease, consume, draw (toward evening), fail, (be) faint, be (wax) feeble, forsake, idle, leave, let alone (go, down), (be) slack, stay, be still, be slothful, (be) weak(-en). See H7495 (רָפָא)17רוּחָם֙H7307geest, Geest, windair, anger, blast, breath, [idiom] cool, courage, mind, [idiom] quarter, [idiom] side, spirit(-ual), tempest, [idiom] vain, (whirl-) wind(-y)18מֵֽעָלָ֔יוH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with19בְּדַבְּר֖וֹH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work20הַדָּבָ֥רH1697woord, woorden, zaakact, advice, affair, answer, [idiom] any such (thing), because of, book, business, care, case, cause, certain rate, [phrase] chronicles, commandment, [idiom] commune(-ication), [phrase] concern(-ing), [phrase] confer, counsel, [phrase] dearth, decree, deed, [idiom] disease, due, duty, effect, [phrase] eloquent, errand, (evil favoured-) ness, [phrase] glory, [phrase] harm, hurt, [phrase] iniquity, [phrase] judgment, language, [phrase] lying, manner, matter, message, (no) thing, oracle, [idiom] ought, [idiom] parts, [phrase] pertaining, [phrase] please, portion, [phrase] power, promise, provision, purpose, question, rate, reason, report, request, [idiom] (as hast) said, sake, saying, sentence, [phrase] sign, [phrase] so, some (uncleanness), somewhat to say, [phrase] song, speech, [idiom] spoken, talk, task, [phrase] that, [idiom] there done, thing (concerning), thought, [phrase] thus, tidings, what(-soever), [phrase] wherewith, which, word, work21הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4Als nu GideonH1439gekomenH935 was aan de JordaanH3383, gingH5674hijH1931 over, met de driehonderdH7969mannenH376, die bijH854 hem waren, zijnde moedeH5889, nochtans vervolgendeH7291.Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
KJVAnd Gideon2came1to Jordan,3and passed over,4he, and the three6hundred7men8that were with him, faint,11yet pursuing
1וַיָּבֹ֥אH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2גִדְע֖וֹןH1439GideonGideon3הַיַּרְדֵּ֑נָהH3383JordaanJordan4עֹבֵ֣רH5674doorgaan, voorbij, gegaanalienate, alter, [idiom] at all, beyond, bring (over, through), carry over, (over-) come (on, over), conduct (over), convey over, current, deliver, do away, enter, escape, fail, gender, get over, (make) go (away, beyond, by, forth, his way, in, on, over, through), have away (more), lay, meddle, overrun, make partition, (cause to, give, make to, over) pass(-age, along, away, beyond, by, -enger, on, out, over, through), (cause to, make) [phrase] proclaim(-amation), perish, provoke to anger, put away, rage, [phrase] raiser of taxes, remove, send over, set apart, [phrase] shave, cause to (make) sound, [idiom] speedily, [idiom] sweet smelling, take (away), (make to) transgress(-or), translate, turn away, (way-) faring man, be wrath5ה֗וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who6וּשְׁלֹשׁH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)7מֵא֤וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore8הָאִישׁ֙H376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)9אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10אִתּ֔וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix11עֲיֵפִ֖יםH5889moede, vermoeide, dorstigfaint, thirsty, weary12וְרֹדְפִֽיםH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)
5En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En hij zeideH559 tot de liedenH582 van SukkothH5523: GeeftH5414tochH4994enigeH376bollenH3603broodsH3899 aan het volkH5971, dat mijn voetstappenH7272 volgt, wantH3588zijH1992 zijn moedeH5889; en ikH595jaagH7291ZebahH2078 en TsalmunaH6759, de koningenH4428 der MidianietenH4080, achternaH310.En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.
KJVAnd he said1unto the menof Succoth,3Give,4I pray you, loaves6of bread7unto the people8that follow10me; for they be faint,12and I am pursuing15after16Zebah17and Zalmunna,18kings19of Midian.
1וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לְאַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3סֻכּ֔וֹתH5523SukkothSuccoth4תְּנוּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield5נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh6כִּכְּר֣וֹתH3603talenten, talent, vlakteloaf, morsel, piece, plain, talent7לֶ֔חֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals8לָעָ֖םH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people9אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10בְּרַגְלָ֑יH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time11כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12עֲיֵפִ֣יםH5889moede, vermoeide, dorstigfaint, thirsty, weary13הֵ֔םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye14וְאָנֹכִ֗יH595ik, mijI, me, [idiom] which15רֹדֵ֛ףH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)16אַחֲרֵ֛יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with17זֶ֥בַחH2078ZebahZebah18וְצַלְמֻנָּ֖עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna19מַלְכֵ֥יH4428koning, konings, koningenking, royal20מִדְיָֽןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
6Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Maar de overstenH8269 van SukkothH5523zeidenH559: Is dan de handpalmH3709 van ZebahH2078 en TsalmunaH6759alredeH6258 in uw handH3027, datH3588 wij aan uw heirH6635broodH3899 zouden gevenH5414?Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
KJVAnd the princes2of Succoth3said,1Are the hands4of Zebah5and Zalmunna6now in thine hand,8that we should give10bread12unto thine army?
7Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Toen zeideH559GideonH1439: Daarom, als de HEEREH3068ZebahH2078 en TsalmunaH6759 in mijn handH3027geeftH5414, zo zal ik uw vleesH1320dorsenH1758metH854doornenH6975 der woestijnH4057, en metH854distelenH1303.Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
KJVAnd Gideon2said,1Therefore when the LORD5hath delivered4Zebah7and Zalmunna9into mine hand,10then I will tear11your flesh13with the thorns15of the wilderness16and with briers.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2גִּדְע֔וֹןH1439GideonGideon3לָכֵ֗ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you4בְּתֵ֧תH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield5יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7זֶ֥בַחH2078ZebahZebah8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9צַלְמֻנָּ֖עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna10בְּיָדִ֑יH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11וְדַשְׁתִּי֙H1758dorsen, dorst, verdorstbreak, tear, thresh, tread out (down), at grass (Jeremiah 50:11, by mistake for H1877 (דֶּשֶׁא))12אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13בְּשַׂרְכֶ֔םH1320vlees, vleses, vleselijkebody, (fat, lean) flesh(-ed), kin, (man-) kind, [phrase] nakedness, self, skin14אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix15קוֹצֵ֥יH6975doornen, distel, doornthorn16הַמִּדְבָּ֖רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness17וְאֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix18הַֽבַּרְקֳנִֽיםH1303distelenbrier
8En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8En hij toogH5927 van daarH8033 op naar PnuelH6439, en sprakH1696 tot hen desgelijks. En de liedenH582 van PnuelH6439antwoorddenH6030 hem, gelijk als de liedenH582 van SukkothH5523geantwoordH6030 hadden.En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.
KJVAnd he went up1thence to Penuel,3and spake4unto them likewise:6and the menof Penuel10answered7him as the menof Succoth14had answered
1וַיַּ֤עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2מִשָּׁם֙H8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3פְּנוּאֵ֔לH6439Pnuel, Pniel, PenuelPeniel, Penuel4וַיְדַבֵּ֥רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work5אֲלֵיהֶ֖םH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)6כָּזֹ֑אתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus7וַיַּעֲנ֤וּH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)8אוֹתוֹ֙H853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9אַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10פְנוּאֵ֔לH6439Pnuel, Pniel, PenuelPeniel, Penuel11כַּאֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection12עָנ֖וּH6030antwoordde, antwoorden, antwoorddengive account, afflict (by mistake for H6031 (עָנָה)), (cause to, give) answer, bring low (by mistake for H6031 (עָנָה)), cry, hear, Leannoth, lift up, say, [idiom] scholar, (give a) shout, sing (together by course), speak, testify, utter, (bear) witness. See also H1042 (בֵּית עֲנוֹת), H1043 (בֵּית עֲנָת)13אַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14סֻכּֽוֹתH5523SukkothSuccoth
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
9Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9Daarom sprakH559 hij ookH1571 tot de liedenH582 van PnuelH6439, zeggendeH559: Als ik met vredeH7965wederkomeH7725, zal ik dezeH2088torenH4026afwerpenH5422.Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.
KJVAnd he spake1also unto the menof Penuel,4saying,5When I come again6in peace,7I will break down8this tower.
1וַיֹּ֛אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea3לְאַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4פְנוּאֵ֖לH6439Pnuel, Pniel, PenuelPeniel, Penuel5לֵאמֹ֑רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6בְּשׁוּבִ֣יH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw7בְשָׁל֔וֹםH7965vrede, welstand, vredes[idiom] do, familiar, [idiom] fare, favour, [phrase] friend, [idiom] great, (good) health, ([idiom] perfect, such as be at) peace(-able, -ably), prosper(-ity, -ous), rest, safe(-ty), salute, welfare, ([idiom] all is, be) well, [idiom] wholly8אֶתֹּ֖ץH5422brak, afbreken, brakenbeat down, break down (out), cast down, destroy, overthrow, pull down, throw down9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַמִּגְדָּ֥לH4026toren, torens, Bakoventorencastle, flower, tower. Compare the names following11הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10ZebahH2078 nu en TsalmunaH6759 waren te KarkorH7174, en hun legersH4264metH5973 hen, omtrent vijftienH2568duizendH505, alH3605 de overgeblevenenH3498 van het ganseH3605legerH4264 der kinderenH1121 van het oostenH6924; en de gevallenenH5307 waren honderdH3967 en twintigH6242duizendH505mannenH376, die het zwaardH2719uittrokkenH8025.Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
KJVNow Zebah1and Zalmunna2were in Karkor,3and their hosts4with them, about fifteen6thousand8men, all that were left10of all the hosts12of the children13of the east:14for there fell15an hundred16and twenty17thousand18men19that drew20sword.
1וְזֶ֨בַחH2078ZebahZebah2וְצַלְמֻנָּ֜עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna3בַּקַּרְקֹ֗רH7174KarkorKarkor4וּמַחֲנֵיהֶ֤םH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents5עִמָּם֙H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)6כַּחֲמֵ֤שֶׁתH2568vijf, vijfhonderd, vijftienfif(-teen), fifth, five ([idiom] apiece)7עָשָׂר֙H6240-tien (in samenstellingen)(eigh-, fif-, four-, nine-, seven-, six-, thir-) teen(-th), [phrase] eleven(-th), [phrase] sixscore thousand, [phrase] twelve(-th)8אֶ֔לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand9כֹּ֚לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)10הַנּ֣וֹתָרִ֔יםH3498overgebleven, overgelaten, overigeexcel, leave (a remnant), left behind, too much, make plenteous, preserve, (be, let) remain(-der, -ing, -nant), reserve, residue, rest11מִכֹּ֖לH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12מַחֲנֵ֣הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents13בְנֵיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14קֶ֑דֶםH6924oosten, ouds, oostwaartsaforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)15וְהַנֹּ֣פְלִ֔יםH5307vallen, viel, gevallenbe accepted, cast (down, self, (lots), out), cease, die, divide (by lot), (let) fail, (cause to, let, make, ready to) fall (away, down, -en, -ing), fell(-ing), fugitive, have (inheritance), inferior, be judged (by mistake for H6419 (פָּלַל)), lay (along), (cause to) lie down, light (down), be ([idiom] hast) lost, lying, overthrow, overwhelm, perish, present(-ed, -ing), (make to) rot, slay, smite out, [idiom] surely, throw down16מֵאָ֨הH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore17וְעֶשְׂרִ֥יםH6242twintig, twintigste, twintigsten(six-) score, twenty(-ieth)18אֶ֛לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand19אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)20שֹׁ֥לֵֽףH8025uittrokken, trok, Trekdraw (off), grow up, pluck off21חָֽרֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool
11En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En GideonH1439toog opwaartsH5927, den wegH1870 dergenen, die in tentenH168wonenH7931, tegen het oostenH6924 van NobahH5025 en JogbehaH3011; en hij sloegH5221 dat legerH4264, want het legerH4264wasH1961zorgeloosH983.En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
KJVAnd Gideon2went up1by the way3of them that dwelt4in tents5on the east6of Nobah7and Jogbehah,8and smote9the host:11for the host12was secure.
1וַיַּ֣עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2גִּדְע֗וֹןH1439GideonGideon3דֶּ֚רֶךְH1870weg, wegen, weegsalong, away, because of, [phrase] by, conversation, custom, (east-) ward, journey, manner, passenger, through, toward, (high-) (path-) way(-side), whither(-soever)4הַשְּׁכוּנֵ֣יH7931wonen, woont, woneabide, continue, (cause to, make to) dwell(-er), have habitation, inhabit, lay, place, (cause to) remain, rest, set (up)5בָֽאֳהָלִ֔יםH168tent, tenten, huttencovering, (dwelling) (place), home, tabernacle, tent6מִקֶּ֥דֶםH6924oosten, ouds, oostwaartsaforetime, ancient (time), before, east (end, part, side, -ward), eternal, [idiom] ever(-lasting), forward, old, past. Compare H6926 (קִדְמָה)7לְנֹ֖בַחH5025NobahNobah8וְיָגְבֳּהָ֑הH3011JogbehaJogbehah9וַיַּךְ֙H5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הַֽמַּחֲנֶ֔הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents12וְהַֽמַּחֲנֶ֖הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents13הָ֥יָהH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14בֶֽטַחH983zeker, zekerheid, ekerassurance, boldly, (without) care(-less), confidence, hope, safe(-ly, -ty), secure, surely
12En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En ZebahH2078 en TsalmunaH6759vlodenH5127; doch hij jaagdeH7291 hen naH310; en hij vingH3920 de beideH8147koningenH4428 der MidianietenH4080, ZebahH2078 en TsalmunaH6759, en verschrikteH2729 het ganseH3605legerH4264.En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.
KJVAnd when Zebah2and Zalmunna3fled,1he pursued4after5them, and took6the two8kings9of Midian,10Zebah12and Zalmunna,14and discomfited17all the host.
1וַיָּנ֗וּסוּH5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard2זֶ֚בַחH2078ZebahZebah3וְצַלְמֻנָּ֔עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna4וַיִּרְדֹּ֖ףH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)5אַחֲרֵיהֶ֑םH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with6וַיִּלְכֹּ֞דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8שְׁנֵ֣יH8147twee, twaalf, beideboth, couple, double, second, twain, [phrase] twelfth, [phrase] twelve, [phrase] twenty (sixscore) thousand, twice, two9מַלְכֵ֣יH4428koning, konings, koningenking, royal10מִדְיָ֗ןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12זֶ֨בַח֙H2078ZebahZebah13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14צַלְמֻנָּ֔עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna15וְכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)16הַֽמַּחֲנֶ֖הH4264leger, legers, heirlegerarmy, band, battle, camp, company, drove, host, tents17הֶחֱרִֽידH2729verschrikken, verschrikte, bevendebe (make) afraid, be careful, discomfit, fray (away), quake, tremble
13Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Toen nu GideonH1439, de zoonH1121 van JoasH3101, vanH4480 den strijdH4421wederkwamH7725, voor den opgangH4608 der zonH2775,Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,
KJVAnd Gideon2the son3of Joash4returned1from battle6before7the sun
1וַיָּ֛שָׁבH7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw2גִּדְע֥וֹןH1439GideonGideon3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יוֹאָ֖שׁH3101JoasJoash5מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with6הַמִּלְחָמָ֑הH4421strijd, krijg, strijdebattle, fight(-ing), war(-rior)7מִֽלְמַעֲלֵ֖הH4608opgang, opgangen, hoge gestoelteascent, before, chiefest, cliff, that goeth up, going up, hill, mounting up, stairs8הֶחָֽרֶסH2775zon, krauwselitch, sun
14Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14Zo vingH3920 hij een jongenH5288 van de liedenH582 te SukkothH5523, en ondervraagdeH7592 hem; die schreefH413 hem op de overstenH8269 van SukkothH5523, en hun oudstenH2205, zevenH7651 en zeventigH7657mannenH376.Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.
KJVAnd caught1a young man2of the menof Succoth,4and enquired5of him: and he described6unto him the princes9of Succoth,10and the elders12thereof, even threescore and seventeen13men.
1וַיִּלְכָּדH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take2נַ֛עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)3מֵאַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4סֻכּ֖וֹתH5523SukkothSuccoth5וַיִּשְׁאָלֵ֑הוּH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish6וַיִּכְתֹּ֨בH3789geschreven, schreef, beschrevendescribe, record, prescribe, subscribe, write(-ing, -ten)7אֵלָ֜יוH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)8אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9שָׂרֵ֤יH8269vorsten, oversten, overstecaptain (that had rule), chief (captain), general, governor, keeper, lord,(-task-)master, prince(-ipal), ruler, steward10סֻכּוֹת֙H5523SukkothSuccoth11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12זְקֵנֶ֔יהָH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator13שִׁבְעִ֥יםH7657zeventig, Zeventig, duizend zeventigseventy, threescore and ten ([phrase] -teen)14וְשִׁבְעָ֖הH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)15אִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
15Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15Toen kwamH935 hij totH413 de liedenH582 van SukkothH5523, en zeideH559: ZietH2009 daar ZebahH2078 en TsalmunaH6759, van dewelkeH834 gij mij smadelijkH2778 verweten hebt, zeggendeH559: Is de handpalmH3709 van ZebahH2078 en TsalmunaH6759alredeH6258 in uw handH3027, dat wij aan uw mannenH582, die moedeH3287 zijn, broodH3899 zouden gevenH5414?Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?
KJVAnd he came1unto the menof Succoth,4and said,5Behold Zebah7and Zalmunna,8with whom ye did upbraid10me, saying,12Are the hands13of Zebah14and Zalmunna15now in thine hand,17that we should give19bread22unto thy menthat are weary?
1וַיָּבֹא֙H935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3אַנְשֵׁ֣יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4סֻכּ֔וֹתH5523SukkothSuccoth5וַיֹּ֕אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet6הִנֵּ֖הH2009ziet, ziebehold, lo, see7זֶ֣בַחH2078ZebahZebah8וְצַלְמֻנָּ֑עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna9אֲשֶׁר֩H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection10חֵרַפְתֶּ֨םH2778honen, gehoond, smadenbetroth, blaspheme, defy, jeopard, rail, reproach, upbraid11אוֹתִ֜יH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12לֵאמֹ֗רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet13הֲ֠כַףH3709handen, hand, reukschaalbranch, [phrase] foot, hand((-ful), -dle, (-led)), hollow, middle, palm, paw, power, sole, spoon14זֶ֣בַחH2078ZebahZebah15וְצַלְמֻנָּ֤עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna16עַתָּה֙H6258nu, danhenceforth, now, straightway, this time, whereas17בְּיָדֶ֔ךָH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves18כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet19נִתֵּ֛ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield20לַאֲנָשֶׁ֥יךָH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)21הַיְּעֵפִ֖יםH3286mat, moede, amechtigfaint, cause to fly, (be) weary (self)22לָֽחֶםH3899brood, broods, spijze(shew-) bread, [idiom] eat, food, fruit, loaf, meat, victuals
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
16En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16En hij namH3947 de oudstenH2205 dier stadH5892, en doornenH6975 der woestijnH4057, en distelenH1303, en deed het den liedenH582 van SukkothH5523 door dezelve verstaanH3045.En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.
KJVAnd he took1the elders3of the city,4and thorns6of the wilderness7and briers,9and with them he taught10the menof Succoth.
1וַיִּקַּח֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3זִקְנֵ֣יH2205oudsten, ouden, oudeaged, ancient (man), elder(-est), old (man, men and...women), senator4הָעִ֔ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6קוֹצֵ֥יH6975doornen, distel, doornthorn7הַמִּדְבָּ֖רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9הַֽבַּרְקֳנִ֑יםH1303distelenbrier10וַיֹּ֣דַעH3045weten, weet, bekendacknowledge, acquaintance(-ted with), advise, answer, appoint, assuredly, be aware, (un-) awares, can(-not), certainly, comprehend, consider, [idiom] could they, cunning, declare, be diligent, (can, cause to) discern, discover, endued with, familiar friend, famous, feel, can have, be (ig-) norant, instruct, kinsfolk, kinsman, (cause to let, make) know, (come to give, have, take) knowledge, have (knowledge), (be, make, make to be, make self) known, [phrase] be learned, [phrase] lie by man, mark, perceive, privy to, [idiom] prognosticator, regard, have respect, skilful, shew, can (man of) skill, be sure, of a surety, teach, (can) tell, understand, have (understanding), [idiom] will be, wist, wit, wot11בָּהֶ֔ם12אֵ֖תH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)14סֻכּֽוֹתH5523SukkothSuccoth
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
17En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17En de torenH4026 van PnuelH6439wierpH5422 hij af, en dooddeH2026 de liedenH582 der stadH5892.En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.
KJVAnd he beat down4the tower2of Penuel,3and slew5the menof the city.
1וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2מִגְדַּ֥לH4026toren, torens, Bakoventorencastle, flower, tower. Compare the names following3פְּנוּאֵ֖לH6439Pnuel, Pniel, PenuelPeniel, Penuel4נָתָ֑ץH5422brak, afbreken, brakenbeat down, break down (out), cast down, destroy, overthrow, pull down, throw down5וַֽיַּהֲרֹ֖גH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7אַנְשֵׁ֥יH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8הָעִֽירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
18Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Daarna zeideH559 hij totH413ZebahH2078 en TsalmunaH6759: Wat waren het voor mannenH582, dieH834 gij te ThaborH8396doodsloegtH2026? En zij zeidenH559: Gelijk gij, alzo waren zij, enerleiH259, van gedaanteH8389 als koningszonenH1121.Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
KJVThen said1he unto Zebah3and Zalmunna,5What6manner of menwere they whom ye slew9at Tabor?10And they answered,11As thou12art, so were they; each one14resembled15the children16of a king.
1וַיֹּ֗אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3זֶ֨בַח֙H2078ZebahZebah4וְאֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5צַלְמֻנָּ֔עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna6אֵיפֹה֙H375waarwhat manner, where7הָאֲנָשִׁ֔יםH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)8אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection9הֲרַגְתֶּ֖םH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely10בְּתָב֑וֹרH8396ThaborTabor11וַֽיֹּאמרוּ֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet12כָּמ֣וֹךָH3644gelijk, alsaccording to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth13כְמוֹהֶ֔םH3644gelijk, alsaccording to, (such) as (it were, well as), in comparison of, like (as, to, unto), thus, when, worth14אֶחָ֕דH259een, ene, enerleia, alike, alone, altogether, and, any(-thing), apiece, a certain, (dai-) ly, each (one), [phrase] eleven, every, few, first, [phrase] highway, a man, once, one, only, other, some, together,15כְּתֹ֖אַרH8389gedaante, liefelijke, schoon[phrase] beautiful, [idiom] comely, countenance, [phrase] fair, [idiom] favoured, form, [idiom] goodly, [idiom] resemble, visage16בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth17הַמֶּֽלֶךְH4428koning, konings, koningenking, royal
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
19Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19Toen zeideH559 hij: Het waren mijn broedersH251, zonenH1121 mijner moederH517; zo waarlijk als de HEEREH3068leeftH2416, zo gij henH1992 hadt laten levenH2421, ik zou ulieden nietH3808dodenH2026!Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!
KJVAnd he said,1They were my brethren,2even the sons3of my mother:4as the LORD7liveth,6if8ye had saved them alive,9I would not slay
1וַיֹּאמַ֕רH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אַחַ֥יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'3בְּנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4אִמִּ֖יH517moeder, moedersdam, mother, [idiom] parting5הֵ֑םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye6חַיH2416leven, leeft, levens[phrase] age, alive, appetite, (wild) beast, company, congregation, life(-time), live(-ly), living (creature, thing), maintenance, [phrase] merry, multitude, [phrase] (be) old, quick, raw, running, springing, troop7יְהוָ֗הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)8ל֚וּH3863Och, och, lieveif (haply), peradventure, I pray thee, though, I would, would God (that)9הַחֲיִתֶ֣םH2421leven, leefde, levendkeep (leave, make) alive, [idiom] certainly, give (promise) life, (let, suffer to) live, nourish up, preserve (alive), quicken, recover, repair, restore (to life), revive, ([idiom] God) save (alive, life, lives), [idiom] surely, be whole10אוֹתָ֔םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without12הָרַ֖גְתִּיH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely13אֶתְכֶֽםH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)
20En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En hij zeideH559 tot JetherH3500, zijn eerstgeboreneH1060: StaH6965 op, doodH2026 hen; maar de jongelingH5288trokH8025 zijn zwaardH2719nietH3808 uit, wantH3588 hij vreesdeH3372, dewijlH3588 hij nogH5750 een jongelingH5288 was.En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.
KJVAnd he said1unto Jether2his firstborn,3Up,4and slay5them. But the youth9drew8not his sword:10for he feared,12because he was yet a youth.
1וַיֹּ֨אמֶר֙H559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2לְיֶ֣תֶרH3500Jether, JethroJether, Jethro. Compare H3503 (יִתְרוֹ)3בְּכוֹר֔וֹH1060eerstgeborene, eerstgeborenen, eerstgeboreneldest (son), firstborn(-ling)4ק֖וּםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)5הֲרֹ֣גH2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely6אוֹתָ֑םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without8שָׁלַ֨ףH8025uittrokken, trok, Trekdraw (off), grow up, pluck off9הַנַּ֤עַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)10חַרְבּוֹ֙H2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool11כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet12יָרֵ֔אH3372vrezen, vreesde, Vreesaffright, be (make) afraid, dread(-ful), (put in) fear(-ful, -fully, -ing), (be had in) reverence(-end), [idiom] see, terrible (act, -ness, thing)13כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet14עוֹדֶ֖נּוּH5750meer, nog, wederomagain, [idiom] all life long, at all, besides, but, else, further(-more), henceforth, (any) longer, (any) more(-over), [idiom] once, since, (be) still, when, (good, the) while (having being), (as, because, whether, while) yet (within)15נָֽעַרH5288jongen, jongeling, jongensbabe, boy, child, damsel (from the margin), lad, servant, young (man)
21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Toen zeidenH559ZebahH2078 en TsalmunaH6759: StaH859 gij op, en valH6293 op ons aan, wantH3588 naar dat de manH376 is, zo is zijn machtH1369. Zo stondH6965GideonH1439 op, en dooddeH2026ZebahH2078 en TsalmunaH6759, en namH3947 de maantjesH7720, dieH834 aan de halzenH6677 hunner kemelenH1581 waren.Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.
KJVThen Zebah2and Zalmunna3said,1Rise4thou, and fall6upon us: for as the man9is, so is his strength.10And Gideon12arose,11and slew13Zebah15and Zalmunna,17and took away18the ornaments20that were on their camels'23necks.
1וַיֹּ֜אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2זֶ֣בַחH2078ZebahZebah3וְצַלְמֻנָּ֗עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna4ק֤וּםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)5אַתָּה֙H859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you6וּפְגַעH6293reikt, val, ontmoetcome (betwixt), cause to entreat, fall (upon), make intercession, intercessor, intreat, lay, light (upon), meet (together), pray, reach, run7בָּ֔נוּ8כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9כָאִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)10גְּבוּרָת֑וֹH1369macht, mogendheden, sterkteforce, mastery, might, mighty (act, power), power, strength11וַיָּ֣קָםH6965opstaan, stond, Staabide, accomplish, [idiom] be clearer, confirm, continue, decree, [idiom] be dim, endure, [idiom] enemy, enjoin, get up, make good, help, hold, (help to) lift up (again), make, [idiom] but newly, ordain, perform, pitch, raise (up), rear (up), remain, (a-) rise (up) (again, against), rouse up, set (up), (e-) stablish, (make to) stand (up), stir up, strengthen, succeed, (as-, make) sure(-ly), (be) up(-hold, -rising)12גִּדְע֗וֹןH1439GideonGideon13וַֽיַּהֲרֹג֙H2026doden, gedood, dooddedestroy, out of hand, kill, murder(-er), put to (death), make (slaughter), slay(-er), [idiom] surely14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15זֶ֣בַחH2078ZebahZebah16וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17צַלְמֻנָּ֔עH6759Tsalmuna, ZalmunaZalmunna18וַיִּקַּח֙H3947nam, nemen, genomenaccept, bring, buy, carry away, drawn, fetch, get, infold, [idiom] many, mingle, place, receive(-ing), reserve, seize, send for, take (away, -ing, up), use, win19אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)20הַשַּׂ֣הֲרֹנִ֔יםH7720maantjesornament, round tire like the moon21אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection22בְּצַוְּארֵ֥יH6677hals, halzen, buithalzenneck23גְמַלֵּיהֶֽםH1581kemelen, kemels, kemelcamel
22Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22Toen zeidenH559 de mannenH376 van IsraelH3478totH413GideonH1439: HeersH4910 over ons, zo gijH859 als uw zoonH1121 en uws zoonsH1121zoonH1121, dewijl gij ons van der MidianietenH4080handH3027verlostH3467 hebt.Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.
KJVThen the men2of Israel3said1unto Gideon,5Rule6thou over us, both thou, and thy son,11and thy son's13son14also: for thou hast delivered16us from the hand17of Midian.
1וַיֹּאמְר֤וּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3יִשְׂרָאֵל֙H3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael4אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)5גִּדְע֔וֹןH1439GideonGideon6מְשָׁלH4910heersen, heerst, heerser(have, make to have) dominion, governor, [idiom] indeed, reign, (bear, cause to, have) rule(-ing, -r), have power7בָּ֨נוּ֙8גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea9אַתָּ֔הH859gij, gijlieden, uthee, thou, ye, you10גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea11בִּנְךָ֖H1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth12גַּ֣םH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea13בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth14בְּנֶ֑ךָH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth15כִּ֥יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet16הוֹשַׁעְתָּ֖נוּH3467verlossen, verlost, behouden[idiom] at all, avenging, defend, deliver(-er), help, preserve, rescue, be safe, bring (having) salvation, save(-iour), get victory17מִיַּ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves18מִדְיָֽןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite
23Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23Maar GideonH1439zeideH559totH413 hen: IkH589 zal over u nietH3808heersenH4910; ook zal mijn zoonH1121 over u nietH3808heersenH4910; de HEEREH3068 zal over u heersenH4910.Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.
KJVAnd Gideon3said1unto them, I will not rule5over you, neither shall my son10rule9over you: the LORD12shall rule
1וַיֹּ֤אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲלֵהֶם֙H413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)3גִּדְע֔וֹןH1439GideonGideon4לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without5אֶמְשֹׁ֤לH4910heersen, heerst, heerser(have, make to have) dominion, governor, [idiom] indeed, reign, (bear, cause to, have) rule(-ing, -r), have power6אֲנִי֙H589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who7בָּכֶ֔ם8וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9יִמְשֹׁ֥לH4910heersen, heerst, heerser(have, make to have) dominion, governor, [idiom] indeed, reign, (bear, cause to, have) rule(-ing, -r), have power10בְּנִ֖יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth11בָּכֶ֑ם12יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)13יִמְשֹׁ֥לH4910heersen, heerst, heerser(have, make to have) dominion, governor, [idiom] indeed, reign, (bear, cause to, have) rule(-ing, -r), have power14בָּכֶֽם
24Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24Voorts zeideH559GideonH1439totH413 hen: Een begeerteH7596 zal ik vanH4480 u begerenH7592: geeftH5414 mij maar een iegelijkH376 een voorhoofdsierselH5141 van zijn roofH7998; wantH3588 zij hadden goudenH2091voorhoofdsierselenH5141 gehad, dewijlH3588zijH1992IsmaelietenH3459 waren.Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.
KJVAnd Gideon3said1unto them, I would desire4a request6of you, that ye would give7me every man9the earrings10of his prey.11(For they had golden14earrings,13because they were Ishmaelites.)
25En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En zij zeidenH559: Wij zullen ze gaarneH5414 geven; en zij spreiddenH6566 een kleedH8071 uit, en wierpenH7993 daarop een iegelijkH376 een voorhoofdsierselH5141 van zijn roofH7998.En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.
KJVAnd they answered,1We will willingly2give3them. And they spread4a garment,6and did cast7therein every man9the earrings10of his prey.
26En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26En het gewichtH4948 der goudenH2091voorhoofdsierselenH5141, dieH834 hij begeerdH7592 had, wasH1961duizendH505 en zevenhonderdH7651 sikkelen goudsH2091, zonder de maantjesH7720, en ketenenH5188, en purperenH713klederenH899, die de koningenH4428 der MidianietenH4080aangehadH909 hadden, en zonder de halsbandenH6060, dieH834aanH5921 de halzenH6677 hunner kemelenH1581 geweest waren.En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.
KJVAnd the weight2of the golden4earrings3that he requested6was a thousand7and seven8hundred9shekels of gold;10beside ornaments,13and collars,14and purple16raiment15that was on the kings18of Midian,19and beside the chains22that were about their camels'25necks.
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2מִשְׁקַ֞לH4948gewicht, goudgewicht(full) weight3נִזְמֵ֤יH5141voorhoofdsiersel, oorsierselen, voorhoofdsierselenearring, jewel4הַזָּהָב֙H2091goud, gouden, goudsgold(-en), fair weather5אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6שָׁאָ֔לH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish7אֶ֥לֶףH505duizend, duizenden, twee duizendthousand8וּשְׁבַעH7651zeven, zevenhonderd, zevenmaal([phrase] by) seven(-fold),-s, (-teen, -teenth), -th, times). Compare H7658 (שִׁבְעָנָה)9מֵא֖וֹתH3967honderd, tweehonderd, honderdenhundred((-fold), -th), [phrase] sixscore10זָהָ֑בH2091goud, gouden, goudsgold(-en), fair weather11לְ֠בַדH905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength12מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with13הַשַּׂהֲרֹנִ֨יםH7720maantjesornament, round tire like the moon14וְהַנְּטִפ֜וֹתH5188ketenen, reukdoosjeschain, collar15וּבִגְדֵ֣יH899klederen, kleed, ambtsklederenapparel, cloth(-es, ing), garment, lap, rag, raiment, robe, [idiom] very (treacherously), vesture, wardrobe16הָאַרְגָּמָ֗ןH713purper, purperenpurple17שֶׁעַל֙H5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with18מַלְכֵ֣יH4428koning, konings, koningenking, royal19מִדְיָ֔ןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite20וּלְבַד֙H905handbomen, bijzonder, grendelenalone, apart, bar, besides, branch, by self, of each alike, except, only, part, staff, strength21מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with22הָ֣עֲנָק֔וֹתH6060halsbanden, keten, ketenenchain23אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection24בְּצַוְּארֵ֥יH6677hals, halzen, buithalzenneck25גְמַלֵּיהֶֽםH1581kemelen, kemels, kemelcamel
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
27En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En GideonH1439maakteH6213 daarvan een efodH646, en steldeH3322 die in zijn stadH5892, te OfraH6084; en gansH3605IsraelH3478hoereerdeH2181aldaarH8033 denzelven naH310; en het werdH1961GideonH1439 en zijn huisH1004 tot een valstrikH4170.En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
KJVAnd Gideon3made1an ephod4thereof, and put5it in his city,7even in Ophrah:8and all Israel11went thither a whoring9after12it: which thing became a snare17unto Gideon,15and to his house.
1וַיַּעַשׂ֩H6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use2אוֹת֨וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3גִדְע֜וֹןH1439GideonGideon4לְאֵפ֗וֹדH646efod, efods, lijfrokephod5וַיַּצֵּ֨גH3322stelden, gesteld, steldeestablish, leave, make, present, put, set, stay6אוֹת֤וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7בְעִירוֹ֙H5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town8בְּעָפְרָ֔הH6084OfraOphrah9וַיִּזְנ֧וּH2181hoer, hoereren, gehoereerd(cause to) commit fornication, [idiom] continually, [idiom] great, (be an, play the) harlot, (cause to be, play the) whore, (commit, fall to) whoredom, (cause to) go a-whoring, whorish10כָֽלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)11יִשְׂרָאֵ֛לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael12אַחֲרָ֖יוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with13שָׁ֑םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither14וַיְהִ֛יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use15לְגִדְע֥וֹןH1439GideonGideon16וּלְבֵית֖וֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)17לְמוֹקֵֽשׁH4170strik, strikken, valstrikbe ensnared, gin, (is) snare(-d), trap
28Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28Alzo werden de MidianietenH4080 ten onder gebracht voor het aangezichtH6440 der kinderenH1121IsraelsH3478, en hievenH5375 hun hoofdH7218 niet meer op. En het landH776 was stilH8252veertigH705jarenH8141, in de dagenH3117 van GideonH1439.Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
Ook in dit vers
ondergebrachtH3665
KJVThus was Midian2subdued1before3the children4of Israel,5so that they lifted up8their heads9no more.7And the country11was in quietness10forty12years13in the days14of Gideon.
1וַיִּכָּנַ֣עH3665vernederd, ondergebracht, vernederdebring down (low), into subjection, under, humble (self), subdue2מִדְיָ֗ןH4080Midianieten, MidianMidian, Midianite3לִפְנֵי֙H6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you4בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael6וְלֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without7יָסְפ֖וּH3254voortaan, toedoen, voortadd, [idiom] again, [idiom] any more, [idiom] cease, [idiom] come more, [phrase] conceive again, continue, exceed, [idiom] further, [idiom] gather together, get more, give more-over, [idiom] henceforth, increase (more and more), join, [idiom] longer (bring, do, make, much, put), [idiom] (the, much, yet) more (and more), proceed (further), prolong, put, be (strong-) er, [idiom] yet, yield8לָשֵׂ֣אתH5375dragen, hief, droegenaccept, advance, arise, (able to, (armor), suffer to) bear(-er, up), bring (forth), burn, carry (away), cast, contain, desire, ease, exact, exalt (self), extol, fetch, forgive, furnish, further, give, go on, help, high, hold up, honorable ([phrase] man), lade, lay, lift (self) up, lofty, marry, magnify, [idiom] needs, obtain, pardon, raise (up), receive, regard, respect, set (up), spare, stir up, [phrase] swear, take (away, up), [idiom] utterly, wear, yield9רֹאשָׁ֑םH7218hoofd, hoofden, hoogteband, beginning, captain, chapiter, chief(-est place, man, things), company, end, [idiom] every (man), excellent, first, forefront, (be-)head, height, (on) high(-est part, (priest)), [idiom] lead, [idiom] poor, principal, ruler, sum, top10וַתִּשְׁקֹ֥טH8252stil, rusten, rustappease, idleness, (at, be at, be in, give) quiet(-ness), (be at, be in, give, have, take) rest, settle, be still11הָאָ֛רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world12אַרְבָּעִ֥יםH705veertig, veertigste, Veertig-forty13שָׁנָ֖הH8141jaren, jaar, jaars[phrase] whole age, [idiom] long, [phrase] old, year([idiom] -ly)14בִּימֵ֥יH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger15גִדְעֽוֹןH1439GideonGideon
29En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29En JerubbaalH3378, de zoonH1121 van JoasH3101, gingH3212 henen en woondeH3427 in zijn huisH1004.En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.
KJVAnd Jerubbaal2the son3of Joash4went1and dwelt5in his own house.
1וַיֵּ֛לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2יְרֻבַּ֥עַלH3378JerubbaalJerubbaal3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יוֹאָ֖שׁH3101JoasJoash5וַיֵּ֥שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6בְּבֵיתֽוֹH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)
30Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30GideonH1439 nu had zeventigH7657zonenH1121, die uit zijn heupeH3409voortgekomenH3318 waren; wantH3588 hij had veleH7227vrouwenH802.Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.
KJVAnd Gideon1had threescore and ten3sons4of his body6begotten:5for he had many9wives.
1וּלְגִדְע֗וֹןH1439GideonGideon2הָיוּ֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use3שִׁבְעִ֣יםH7657zeventig, Zeventig, duizend zeventigseventy, threescore and ten ([phrase] -teen)4בָּנִ֔יםH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5יֹצְאֵ֖יH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter6יְרֵכ֑וֹH3409heup, schacht, dij[idiom] body, loins, shaft, side, thigh7כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8נָשִׁ֥יםH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English9רַבּ֖וֹתH7227vele, veel, grote(in) abound(-undance, -ant, -antly), captain, elder, enough, exceedingly, full, great(-ly, man, one), increase, long (enough, (time)), (do, have) many(-ifold, things, a time), (ship-)master, mighty, more, (too, very) much, multiply(-tude), officer, often(-times), plenteous, populous, prince, process (of time), suffice(-lent)10הָ֥יוּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11לֽוֹ
31En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31En zijn bijwijfH6370, hetwelkH834 te SichemH7927 was, baardeH3205 hem ookH1571 een zoonH1121; en hij noemdeH7760 zijn naamH8034AbimelechH40.En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
KJVAnd his concubine1that was in Shechem,3she also bare4him a son,8whose name11he called9Abimelech.
1וּפִֽילַגְשׁוֹ֙H6370bijwijf, bijwijvenconcubine, paramour2אֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3בִּשְׁכֶ֔םH7927Sichem, SichemsShechem4יָֽלְדָהH3205gewon, baarde, geborenbear, beget, birth(-day), born, (make to) bring forth (children, young), bring up, calve, child, come, be delivered (of a child), time of delivery, gender, hatch, labour, (do the office of a) midwife, declare pedigrees, be the son of, (woman in, woman that) travail(-eth, -ing woman)5לּ֥וֹ6גַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea7הִ֖יאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who8בֵּ֑ןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth9וַיָּ֥שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11שְׁמ֖וֹH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report12אֲבִימֶֽלֶךְH40Abimelech, AbimelechsAbimelech
32En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32En GideonH1439, de zoonH1121 van JoasH3101, stierfH4191 in goedenH2896ouderdomH7872; en hij werd begravenH6912 in het grafH6913 van zijn vaderH1JoasH3101, te OfraH6084, des Abi-ezrietsH33.En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.
KJVAnd Gideon2the son3of Joash4died1in a good6old age,5and was buried7in the sepulchre8of Joash9his father,10in Ophrah11of the Abiezrites.
1וַיָּ֛מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise2גִּדְע֥וֹןH1439GideonGideon3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יוֹאָ֖שׁH3101JoasJoash5בְּשֵׂיבָ֣הH7872ouderdom, grijsheid, grauwe(be) gray (grey hoar,-y) hairs (head,-ed), old age6טוֹבָ֑הH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)7וַיִּקָּבֵ֗רH6912begraven, begroeven, begraaf[idiom] in any wise, bury(-ier)8בְּקֶ֨בֶר֙H6913graf, graven, begrafenissenburying place, grave, sepulchre9יוֹאָ֣שׁH3101JoasJoash10אָבִ֔יוH1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'11בְּעָפְרָ֖הH6084OfraOphrah12אֲבִ֥יH33Abi-ezriet, Abi-ezrieten, Abi-ezrietsAbiezrite13הָֽעֶזְרִֽיH33Abi-ezriet, Abi-ezrieten, Abi-ezrietsAbiezrite
33En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33En het geschiedde, als GideonH1439gestorvenH4191wasH1961, datH834 de kinderenH1121IsraelsH3478 zich omkeerdenH7725, en de BaalsH1168nahoereerdenH2181; en zij steldenH7760 zich Baal-BerithH1170 tot een GodH430.En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.
KJVAnd it came to pass, as soon as Gideon4was dead,3that the children6of Israel7turned again,5and went a whoring8after9Baalim,10and made11Baalberith13their god.
1וַיְהִ֗יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כַּֽאֲשֶׁר֙H834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection3מֵ֣תH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise4גִּדְע֔וֹןH1439GideonGideon5וַיָּשׁ֨וּבוּ֙H7725wederkeren, keerde, keren((break, build, circumcise, dig, do anything, do evil, feed, lay down, lie down, lodge, make, rejoice, send, take, weep)) [idiom] again, (cause to) answer ([phrase] again), [idiom] in any case (wise), [idiom] at all, averse, bring (again, back, home again), call (to mind), carry again (back), cease, [idiom] certainly, come again (back), [idiom] consider, [phrase] continually, convert, deliver (again), [phrase] deny, draw back, fetch home again, [idiom] fro, get (oneself) (back) again, [idiom] give (again), go again (back, home), (go) out, hinder, let, (see) more, [idiom] needs, be past, [idiom] pay, pervert, pull in again, put (again, up again), recall, recompense, recover, refresh, relieve, render (again), requite, rescue, restore, retrieve, (cause to, make to) return, reverse, reward, [phrase] say nay, send back, set again, slide back, still, [idiom] surely, take back (off), (cause to, make to) turn (again, self again, away, back, back again, backward, from, off), withdraw6בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth7יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael8וַיִּזְנ֖וּH2181hoer, hoereren, gehoereerd(cause to) commit fornication, [idiom] continually, [idiom] great, (be an, play the) harlot, (cause to be, play the) whore, (commit, fall to) whoredom, (cause to) go a-whoring, whorish9אַחֲרֵ֣יH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with10הַבְּעָלִ֑יםH1168Baal, BaalsBaal, (plural) Baalim11וַיָּשִׂ֧ימוּH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work12לָהֶ֛ם13בַּ֥עַלH1170Baal-berithBaal-berith14בְּרִ֖יתH1170Baal-berithBaal-berith15לֵאלֹהִֽיםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty
34En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En de kinderenH1121IsraelsH3478dachtenH2142nietH3808 aan den HEEREH3068, hun GodH430, Die hen geredH5337 had van de handH3027 van alH3605 hun vijandenH341 van rondomH5439.En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.
KJVAnd the children3of Israel4remembered2not the LORD6their God,7who had delivered8them out of the hands10of all their enemies12on every side:
1וְלֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2זָֽכְרוּ֙H2142gedenken, gedacht, Gedenk[idiom] burn (incense), [idiom] earnestly, be male, (make) mention (of), be mindful, recount, record(-er), remember, make to be remembered, bring (call, come, keep, put) to (in) remembrance, [idiom] still, think on, [idiom] well3בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6יְהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)7אֱלֹהֵיהֶ֑םH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty8הַמַּצִּ֥ילH5337redden, gered, red[idiom] at all, defend, deliver (self), escape, [idiom] without fail, part, pluck, preserve, recover, rescue, rid, save, spoil, strip, [idiom] surely, take (out)9אוֹתָ֛םH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10מִיַּ֥דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves11כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)12אֹיְבֵיהֶ֖םH341vijanden, vijand, vijandsenemy, foe13מִסָּבִֽיבH5439rondom, Rondom, omgangen(place, round) about, circuit, compass, on every side
35En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35En zij dedenH6213geenH3808weldadigheidH2617bijH5973 het huisH1004 van JerubbaalH3378, dat is GideonH1439, naar alH3605 het goedeH2896, datH834 hij bijH5973IsraelH3478gedaanH6213 had.En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
KJVNeither shewed2they kindness3to the house5of Jerubbaal,6namely, Gideon,7according to all the goodness9which he had shewed11unto Israel.
1וְלֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2עָשׂ֣וּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use3חֶ֔סֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing4עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)5בֵּ֥יתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)6יְרֻבַּ֖עַלH3378JerubbaalJerubbaal7גִּדְע֑וֹןH1439GideonGideon8כְּכָלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)9הַטּוֹבָ֔הH2896goed, goede, beterbeautiful, best, better, bountiful, cheerful, at ease, [idiom] fair (word), (be in) favour, fine, glad, good (deed, -lier, -liest, -ly, -ness, -s), graciously, joyful, kindly, kindness, liketh (best), loving, merry, [idiom] most, pleasant, [phrase] pleaseth, pleasure, precious, prosperity, ready, sweet, wealth, welfare, (be) well(-favoured)10אֲשֶׁ֥רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection11עָשָׂ֖הH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use12עִםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)13יִשְׂרָאֵֽלH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Richteren 8:1— Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.2 Samuël 19:41→Richteren 12:1→Prediker 4:4→Job 5:2→Jakobus 4:5→
Richteren 8:2— Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?Richteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→Richteren 6:34→Galaten 5:14→Jakobus 1:19→
Richteren 8:3— God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.Spreuken 15:1→Richteren 7:24→Psalmen 44:3→Romeinen 15:18→Spreuken 25:15→Psalmen 118:14→Romeinen 12:6→Spreuken 25:11→
Richteren 8:4— Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.1 Samuël 30:10→Galaten 6:9→Hebreeën 12:1→Richteren 7:25→1 Samuël 14:31→1 Samuël 14:28→2 Korinthe 4:16→2 Korinthe 4:8→
Richteren 8:5— En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.Genesis 33:17→Psalmen 60:6→3 Johannes 1:6→Deuteronomium 23:4→Genesis 14:18→1 Samuël 25:18→2 Samuël 17:28→
Richteren 8:6— Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?1 Koningen 20:11→2 Koningen 14:9→Genesis 37:25→Richteren 8:15→Filippenzen 2:21→Richteren 5:23→1 Samuël 25:10→Genesis 37:28→
Richteren 8:7— Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.Richteren 7:15→
Richteren 8:8— En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.1 Koningen 12:25→Genesis 32:30→
Richteren 8:9— Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.1 Koningen 22:27→Richteren 8:17→
Richteren 8:10— Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.Richteren 7:12→Richteren 20:35→Richteren 20:15→Richteren 20:17→Richteren 20:2→2 Koningen 3:26→Richteren 20:25→Richteren 20:46→
Richteren 8:11— En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.Numeri 32:35→Numeri 32:42→Richteren 18:27→1 Samuël 15:32→1 Samuël 30:16→1 Thessalonicenzen 5:3→
Richteren 8:12— En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.Psalmen 83:11→Openbaring 19:19→Job 12:16→Openbaring 6:15→Amos 2:14→Jozua 10:16→Jozua 10:22→Job 34:19→
Richteren 8:14— Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.Richteren 1:24→1 Samuël 30:11→
Richteren 8:15— Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?Richteren 8:6→
Richteren 8:16— En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.Richteren 8:7→Spreuken 19:29→Ezra 2:6→Spreuken 10:13→Micha 7:4→
Richteren 8:17— En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.Richteren 8:9→1 Koningen 12:25→
Richteren 8:18— Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.Richteren 4:6→Judas 1:16→Psalmen 89:12→Psalmen 12:2→
Richteren 8:20— En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.Jozua 10:24→1 Samuël 15:33→Psalmen 149:9→
Richteren 8:21— Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.Psalmen 83:11→Jesaja 3:18→Richteren 8:26→1 Samuël 31:3→Openbaring 9:6→Richteren 9:54→Psalmen 83:1→1 Samuël 31:5→
Richteren 8:22— Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.Johannes 6:15→1 Samuël 8:5→1 Samuël 12:12→Richteren 9:8→
Richteren 8:23— Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.1 Samuël 12:12→1 Samuël 10:19→Richteren 11:9→2 Korinthe 1:24→Richteren 10:18→Jesaja 33:22→Lukas 22:24→1 Petrus 5:3→
Richteren 8:24— Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.Genesis 25:13→Genesis 37:28→Genesis 37:25→1 Koningen 20:11→Genesis 24:53→Genesis 24:22→Exodus 32:3→1 Petrus 3:3→
Richteren 8:26— En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.Ezechiël 27:7→Johannes 19:2→Johannes 19:5→Esther 8:15→Jeremia 10:9→Lukas 16:19→Openbaring 18:16→Openbaring 18:12→
Richteren 8:27— En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.Richteren 17:5→Richteren 18:14→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→Exodus 23:33→Richteren 6:24→Exodus 28:6→
Richteren 8:28— Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.Richteren 5:31→Richteren 3:11→Richteren 3:30→Psalmen 83:9→Jesaja 9:4→Jesaja 10:26→
Richteren 8:29— En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.Richteren 6:32→Richteren 7:1→1 Samuël 12:11→Nehemia 5:14→
Richteren 8:30— Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.Richteren 9:5→Richteren 9:2→Mattheüs 19:5→Richteren 10:4→2 Koningen 10:1→Genesis 2:24→Genesis 46:26→Maleachi 2:15→
Richteren 8:31— En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.Genesis 16:15→Genesis 20:2→Richteren 9:18→Richteren 9:1→Genesis 22:24→
Richteren 8:32— En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.Genesis 25:8→Genesis 15:15→Richteren 6:24→Job 5:26→Job 42:17→Jozua 24:29→Richteren 8:27→
Richteren 8:33— En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.Richteren 9:4→Richteren 9:46→Richteren 2:17→Richteren 2:19→Richteren 8:27→Exodus 34:15→2 Koningen 12:2→2 Kronieken 24:17→
Richteren 8:34— En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.Psalmen 78:42→Psalmen 78:11→Psalmen 106:21→Deuteronomium 4:9→Jeremia 2:32→Prediker 12:1→Richteren 3:7→Psalmen 106:18→
Richteren 8:35— En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.Richteren 9:16→Prediker 9:14→Richteren 9:5→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Richteren 8 vers 1— Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
de mannen van Efraïm
Zie de aantekeningen Richt. 7:25.
Hertaald:de mannen van Efraïm
Zie de aantekeningen bij Richt. 7:25.
stuk is dit,
Hebreeuws, ding, zaak.
Hertaald:stuk is dit,
Hebreeuws: ding, zaak.
Richteren 8 vers 2— Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
gelijk gijlieden;
Dat is, hetwelk met uw daad te vergelijken is.
Hertaald:gelijk gijlieden;
Dat is: wat met uw daad te vergelijken is.
nalezingen van Efraïm
Hij verstaat het vervolgen des vluchtenden heirlegers van de Midianieten en het vangen der twee vorsten; dit vergelijkt hij met het nalezen der druiven, die in den wijnoogst overgelaten zijn, en zijn eigen doen bij den wijnoogst zelf.
Hertaald:nalezingen van Efraïm
Hij bedoelt het achtervolgen van het vluchtende leger van de Midianieten en het vangen van de twee vorsten; dit vergelijkt hij met het nalezen van de druiven die bij de wijnoogst blijven liggen, tegenover zijn eigen aandeel bij de wijnoogst zelf.
Abi-ezer?
Dat is, het ganse werk van mij en mijn huis. Want hij was een Abiëzriet. Zie boven, Richt. 6:11.
Hertaald:Abi-ezer?
Dat is: het hele werk van mij en mijn huis. Want hij was een Abiëzriet. Zie hierboven, Richt. 6:11.
Richteren 8 vers 3— God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
wat heb ik dan kunnen doen,
Het schijnt dat Gideon in dezen tijd de twee koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, nog niet geslagen had.
Hertaald:wat heb ik dan kunnen doen,
Het lijkt erop dat Gideon op dat moment de twee koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmuna, nog niet verslagen had.
toorn van hem af,
Hebreeuws, geest, moed.
Hertaald:toorn van hem af,
Hebreeuws: geest, moed.
Richteren 8 vers 4— Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
vervolgende
Te weten, den vijand.
Hertaald:vervolgende
Namelijk: de vijand.
Richteren 8 vers 5— En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.
Sukkoth
Naast gelegen over de Jordaan, in Gads erfdeel, bij de beek of rivier Jabbok. Zie hiervan Gen. 33:17; Ps. 60:8, en Ps. 108:8, en van een ander Sukkoth Ex. 12:37; Num. 33:5.
Hertaald:Sukkoth
Vlak aan de overkant van de Jordaan gelegen, in het erfdeel van Gad, bij de beek of rivier Jabbok. Zie hierover Gen. 33:17; Ps. 60:8, en Ps. 108:8, en over een ander Sukkoth Ex. 12:37; Num. 33:5.
bollen broods aan het volk,
Anders, stukken.
Hertaald:bollen broods aan het volk,
Anders: stukken.
volgt,
Hebreeuws, dat bij, of, aan zijn voeten is; dat is, mijn voetstappen volgt, of in mijn dienst, onder mijn beleid is. Vergelijk Ex. 11:8.
Hertaald:volgt,
Hebreeuws: dat bij, of aan zijn voeten is; dat is: mijn voetstappen volgt, of in mijn dienst, onder mijn leiding is. Vergelijk Ex. 11:8.
Richteren 8 vers 6— Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
zeiden
Hebreeuws, zeide; te weten, een ieder van hen, of een, als president, uit aller naam.
Hertaald:zeiden
Hebreeuws: zei; namelijk: ieder van hen, of één, als woordvoerder, namens allen.
Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna
Dat is, hebt gij reeds hun macht in uw geweld? Zij weigeren niet alleen Gideons verzoek, maar verachten en bespotten hem daarenboven, als een, die zich te vroeg als victorieus gedraagt, roepende haring [zoals men zegt] eer hij gevangen is. Zij menen dat het anders zal uitvallen, en willen daarom met Gideon niet te doen hebben.
Hertaald:Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna
Dat is: hebt u hun macht al in uw greep? Zij weigeren niet alleen Gideons verzoek, maar bespotten en verachten hem daarenboven, als iemand die zich te vroeg als overwinnaar gedraagt, en de haring roept [zoals men zegt] voordat hij gevangen is. Zij denken dat het anders zal aflopen en willen daarom niets met Gideon te maken hebben.
Richteren 8 vers 7— Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
vlees dorsen
Dat is, uw lichamen; straffende uw ontrouw en bespotting op een bijzondere wijze, die u tot smaad en spot zal strekken.
Hertaald:vlees dorsen
Dat is: uw lichamen; en straft uw ontrouw en spot op een bijzondere manier, die u tot smaad en spot zal strekken.
woestijn,
Die tussen Sukkoth en Pnuel gelegen was, bij de beek Jabbok, die Jakob passeerde toen hij met God geworsteld en tevoren de heirlegers der engelen gezien, en van die plaats gezegd had: dit is Gods veld, noemende de plaats Mahanaïm; dat is, twee heiren; Gen. 32:1-2, Gen. 32:22, Gen. 32:24. Hiervan wordt deze woestijn [als dichtbij gelegen] genoemd de woestijn van Mahanaïm, uit 2 Sam. 17:27, 2 Sam. 17:29.
Hertaald:woestijn,
Die tussen Sukkoth en Pnuel lag, bij de beek Jabbok, die Jakob overstak toen hij met God geworsteld had en eerder de legers van de engelen gezien had, en van die plaats had gezegd: dit is Gods leger, en de plaats Mahanaïm noemde; dat is: twee legers; Gen. 32:1-2, Gen. 32:22, Gen. 32:24. Hiervan wordt deze woestijn [omdat zij dichtbij lag] de woestijn van Mahanaïm genoemd, zoals blijkt uit 2 Sam. 17:27, 2 Sam. 17:29.
Richteren 8 vers 8— En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.
Pnuël,
Zie Gen. 32:30, en 1 Kon. 12:25.
Hertaald:Pnuël,
Zie Gen. 32:30, en 1 Kon. 12:25.
hen desgelijks
Die van Pnuel.
Hertaald:hen desgelijks
Die van Pnuel.
Richteren 8 vers 9— Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.
toren afwerpen
Op welken zij zich, als een vastigheid, mogen hebben verlaten, en daarom te trotser gesproken.
Hertaald:toren afwerpen
Waarop zij mogelijk vertrouwd hadden als op een vast bezit, en waarom zij des te trotser spraken.
Richteren 8 vers 10— Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.
gevallenen
Die tevoren omgekomen waren.
Hertaald:gevallenen
Die eerder omgekomen waren.
uittrokken
Hebreeuws, uittrok; dat is, ieder van hen was tot den krijg bekwaam geweest. Dit dient tot merkelijke vergroting van Gideons victorie. Zie ook deze manier van spreken van het uittrekken des zwaards, onder, Richt. 20:15, Richt. 20:17, Richt. 20:25, Richt. 20:46; 2 Sam. 24:9; 2 Kon. 3:26, enz.
Hertaald:uittrokken
Hebreeuws: uittrok; dat is: ieder van hen was tot de strijd in staat geweest. Dit dient om de overwinning van Gideon nog groter te doen lijken. Zie ook deze manier van spreken over het trekken van het zwaard, hieronder, Richt. 20:15, Richt. 20:17, Richt. 20:25, Richt. 20:46; 2 Sam. 24:9; 2 Kon. 3:26, enzovoort.
Richteren 8 vers 11— En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
tenten wonen,
Te weten, der Arabieren, die daarvan Scenitae genoemd zijn, alsof men zeide Tentenaars
Hertaald:tenten wonen,
Namelijk: van de Arabieren, die daarnaar Scenitae genoemd zijn, alsof men zei: Tentenaars.
Nobah en Jógbeha;
Deze twee plaatsen waren ook aldaar over de Jordaan gelegen, tegen het oosten.
Hertaald:Nobah en Jógbeha;
Deze twee plaatsen lagen ook aan de overkant van de Jordaan, naar het oosten.
zorgeloos
Of, zeker, gerust, niet denkende dat Gideon met zijn volk, van najagen vermoeid zijnde, zo haast over de Jordaan en voorts dezen weg naar het oosten hen zou kunnen achterhalen.
Hertaald:zorgeloos
Of: zeker, gerust, niet vermoedend dat Gideon met zijn volk, vermoeid van het achtervolgen, hen zo snel over de Jordaan en verder deze weg naar het oosten zou kunnen inhalen.
Richteren 8 vers 12— En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.
verschrikte het ganse leger
Omdat hij hen onvoorziens overviel, werden zij verbaasd en vluchtende verslagen, of immers gans en ten enenmale verstrooid en machteloos gemaakt.
Hertaald:verschrikte het ganse leger
Omdat hij hen onverwachts overviel, raakten zij verbijsterd en werden zij op de vlucht verslagen, of veeleer geheel en al verstrooid en machteloos gemaakt.
Richteren 8 vers 13— Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,
voor den opgang der zon,
Of, van [dat is, kort na, of tegen ] het opgaan der zon. Want hij had, zonder te rusten [hoewel vermoeid zijnde] met zijn volk den vijand vervolgd. Anders, van bij den opgang van Heres. Of, van den opgang der zon; dat is, van het oosten, waarheen hij de Midianieten vervolgd had. Anders, na de opklimming der zon; dat is, tegen dat zij begon te dalen.
Hertaald:voor den opgang der zon,
Of: van [dat is: kort na, of tegen] het opgaan van de zon. Want hij had, zonder te rusten [hoewel vermoeid], met zijn volk de vijand achtervolgd. Anders: van bij de opgang van Heres. Of: van het opgaan van de zon; dat is: vanuit het oosten, waarheen hij de Midianieten achtervolgd had. Anders: na het klimmen van de zon; dat is: toen zij begon te dalen.
Richteren 8 vers 14— Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.
schreef hem op de oversten van Sukkoth,
Dat is, hij gaf Gideon de namen der oversten in geschrift, opdat hij niemand dan de schuldigen mocht straffen.
Hertaald:schreef hem op de oversten van Sukkoth,
Dat is: hij gaf Gideon de namen van de oversten op schrift, zodat hij alleen de schuldigen zou straffen.
Richteren 8 vers 16— En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.
verstaan
Te weten, wat zij hadden misdaan, dat is, hij stelde een exempel door deze straf of bijzondere kastijding, om die van Sukkoth dezen hoogmoed af te leren. Of zij gedood zijn, gelijk die van Pnuel, dan of zij met deze smadelijke kastijding bij het leven zijn gelaten, staat er niet.
Hertaald:verstaan
Namelijk: wat zij misdaan hadden, dat is: hij stelde met deze straf of bijzondere kastijding een voorbeeld, om die van Sukkoth deze hoogmoed af te leren. Of zij gedood zijn, zoals die van Pnuel, of dat zij met deze vernederende straf in leven gelaten zijn, staat er niet.
Richteren 8 vers 17— En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.
lieden der stad
Versta, de oversten der stad, of alle schuldigen, gelijk uit het voorgaande exempel kan afgenomen worden.
Hertaald:lieden der stad
Versta: de oversten van de stad, of alle schuldigen, zoals uit het voorgaande voorbeeld af te leiden is.
Richteren 8 vers 18— Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
Thabor doodsloegt?
Een berg, gelegen in Zebulon naar de zee toe, dicht aan de beek Kison, aan de zuidzijde van het gebergte, tegenover het dal Jizreël, waar de Midianieten hunlieder leger hadden gehad. Wanneer dit geschied is, wordt hier niet gezegd. Het is te vermoeden dat zij het in dezen tocht gedaan hebben, zo om de ligging der plaats, als omdat Gideon nog niet zeker schijnt geweten te hebben wat eigenlijk van deze zaak was; alhoewel hij schijnt geweten te hebben dat deze zijn broeders gedood waren, en dat deze koningen op dezen berg enige notabele personen hadden omgebracht, zonder te weten wie, alhoewel vermoeden hebbende van zijn broeders.
Hertaald:Thabor doodsloegt?
Een berg, gelegen in Zebulon, naar de zee toe, dicht bij de beek Kison, aan de zuidzijde van het gebergte, tegenover het dal Jizreël, waar de Midianieten hun leger gehad hadden. Wanneer dit gebeurd is, wordt hier niet gezegd. Men vermoedt dat zij het tijdens deze tocht gedaan hebben, zowel vanwege de ligging van de plaats als omdat Gideon nog niet zeker schijnt geweten te hebben hoe deze zaak precies zat; hoewel hij wel schijnt geweten te hebben dat zijn broers gedood waren, en dat deze koningen op deze berg enkele belangrijke personen hadden omgebracht, zonder te weten wie, ook al vermoedde hij dat het zijn broers waren.
Richteren 8 vers 21— Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.
maantjes,
Die gouden halssiersels, die in het Hebreeuws hun naam hebben van de maan, omdat zij rond waren gelijk de volle maan.
Hertaald:maantjes,
Die gouden halssieraden, die in het Hebreeuws hun naam ontlenen aan de maan, omdat zij rond waren zoals de volle maan.
Richteren 8 vers 22— Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.
mannen van Israël
Hebreeuws, de man; dat is, een iegelijk onder het volk.
Hertaald:mannen van Israël
Hebreeuws: de man; dat is: ieder onder het volk.
zo gij als uw zoon en uws zoons zoon,
Hebreeuws, ook gij, ook uw zoon, ook uws zoons zoon.
Hertaald:zo gij als uw zoon en uws zoons zoon,
Hebreeuws: ook u, ook uw zoon, ook de zoon van uw zoon.
Richteren 8 vers 23— Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.
Ik zal over u niet heersen;
Uit deze woorden en onder, vs.29, blijkt klaarlijk dat degenen, die in dit boek richters genoemd worden, geen koningen, landsheren, of ook ordinaire richters des volks geweest zijn, maar bijzonderlijk geroepen tot verlossing, berscherming, hulp en dienst van Israël, behoudens de vrijheid en de orde van hun republiek. Zie boven, Richt. 2:16.
Hertaald:Ik zal over u niet heersen;
Uit deze woorden en hieronder, vers 29, blijkt duidelijk dat degenen die in dit boek rechters genoemd worden geen koningen, landsheren, of ook gewone rechters van het volk zijn geweest, maar bijzonder geroepen tot verlossing, bescherming, hulp en dienst van Israël, met behoud van de vrijheid en de orde van hun staatsvorm. Zie hierboven, Richt. 2:16.
Richteren 8 vers 24— Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.
voorhoofdsiersel van zijn roof;
Of, de voorhoofdsiersels, die hij geroofd heeft. Hebreeuws, Een voorhoofdsiersel, of, oorsiersel van zijn roof. Het Hebreeuwse woord wordt gebruikt van beiden, zo van gouden sieraad aan het voorhoofd als aan de oren. Zie Gen. 24:22, Gen. 24:47, en Gen. 35:4.
Hertaald:voorhoofdsiersel van zijn roof;
Of: de voorhoofdsieraden die hij geroofd heeft. Hebreeuws: een voorhoofdsieraad, of oorsieraad van zijn buit. Het Hebreeuwse woord wordt voor beide gebruikt, zowel voor gouden sieraad aan het voorhoofd als aan de oren. Zie Gen. 24:22, Gen. 24:47, en Gen. 35:4.
zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad,
De vijanden.
Hertaald:zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad,
De vijanden.
Ismaëlieten waren
Zie Gen. 37:25, en Gen. 25:13, enz.
Hertaald:Ismaëlieten waren
Zie Gen. 37:25, en Gen. 25:13, enzovoort.
Richteren 8 vers 25— En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.
Richteren 8 vers 26— En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.
sikkelen gouds,
Zie Gen. 24:22; Num. 7:14.
Hertaald:sikkelen gouds,
Zie Gen. 24:22; Num. 7:14.
ketenen,
Anders, gouden busjes, doosjes, kasjes, waarin zij welriekende specerijen of kostelijke zalven medevoerden, om die in flauwten, krankten, of ook voor wonden en kwetsuren te gebruiken.
Hertaald:ketenen,
Anders: gouden busjes, doosjes, kastjes, waarin zij welriekende specerijen of kostbare zalven meedroegen, om die bij flauwtes, ziekten of ook bij wonden en verwondingen te gebruiken.
Richteren 8 vers 27— En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
efod,
Zie Ex. 28:4.
Hertaald:efod,
Zie Ex. 28:4.
stelde dien in zijn stad,
Te weten, op een hogen stok, stang of iets dergelijks, tot een gedenkteken dezer victorie, maar het werd na zijn dood [gelijk sommigen uit vs.33, afnemen] grotelijks misbruikt.
Hertaald:stelde dien in zijn stad,
Namelijk: op een hoge stok, staaf of iets dergelijks, tot een gedenkteken van deze overwinning, maar het werd na zijn dood [zoals sommigen uit vers 33 afleiden] ernstig misbruikt.
hoereerde aldaar denzelven na;
Bedrijvende met dien efod geestelijke hoererij; dat is, afgoderij en superstitie. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5, gelijk zij gedaan hebben met de koperen slang door Mozes opgericht; 2 Kon. 18:4.
Hertaald:hoereerde aldaar denzelven na;
Zij bedreven met die efod geestelijke hoererij; dat is: afgoderij en bijgeloof. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5, zoals zij ook gedaan hebben met de koperen slang die Mozes had opgericht; 2 Kon. 18:4.
valstrik
Vergelijk Ex. 23:33, en Ex. 34:12; Deut. 7:16. De zin is dat het Gideon [als hebbende onbedachtelijk het volk, tot afgoderij zeer genegen zijnde, de gelegenheid gegeven] tot zonde is gerekend, en zijn huis ten verderve gestrekt heeft. Zie Jdg 9.
Hertaald:valstrik
Vergelijk Ex. 23:33, en Ex. 34:12; Deut. 7:16. De betekenis is dat het Gideon [omdat hij onbedoeld het volk, dat sterk tot afgoderij geneigd was, de gelegenheid had gegeven] als zonde is aangerekend, en zijn huis tot verderf heeft gestrekt. Zie Richt. 9.
Richteren 8 vers 28— Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
hieven hun hoofd niet meer op
Hebreeuws, deden niet toe, of, voeren niet voort hun hoofd op te heffen
Hertaald:hieven hun hoofd niet meer op
Hebreeuws: gingen niet door, of gingen niet voort hun hoofd op te heffen.
in de dagen van Gideon
Dat is, zolang Gideon leefde.
Hertaald:in de dagen van Gideon
Dat is: zolang Gideon leefde.
Richteren 8 vers 29— En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.
Jerubbaäl,
Dat is, Gideon. Zie boven, Richt. 7:1.
Hertaald:Jerubbaäl,
Dat is: Gideon. Zie hierboven, Richt. 7:1.
woonde in zijn huis
De regering des volks, die hem was aangeboden, niet aannemende, henlieden nochtans met zijn autoriteit en aanzien dienende, tot onderhouding van den reinen godsdienst en bescherming hunner vrijheid, gelijk uit vs.28, 33 is af te nemen. Geheel anders deed zijn onechte zoon Abimelich, Jdg 9.
Hertaald:woonde in zijn huis
Hij nam het bestuur van het volk, dat hem aangeboden was, niet aan, maar diende hen toch met zijn gezag en aanzien, ter bewaring van de zuivere godsdienst en ter bescherming van hun vrijheid, zoals uit vers 28 en 33 af te leiden is. Heel anders deed zijn onwettige zoon Abimelech, Richt. 9.
Richteren 8 vers 30— Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.
heupe voortgekomen waren;
Zie Gen. 46:26.
Hertaald:heupe voortgekomen waren;
Zie Gen. 46:26.
Richteren 8 vers 31— En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.
bijwijf,
Zie van bijwijven, Gen. 22:24.
Hertaald:bijwijf,
Zie over bijvrouwen Gen. 22:24.
Sichem was,
Gelegen op een berg in Efraïm, niet ver van Samaria, ten westen van Ofra, waar Gideon woonde. Zie Gen. 12:6, en Gen. 33:18. Het was een van de vrijsteden; Joz. 20:7. Hieromtrent zijn ook Jozefs beenderen begraven; Joz. 24:32.
Hertaald:Sichem was,
Gelegen op een berg in Efraïm, niet ver van Samaria, ten westen van Ofra, waar Gideon woonde. Zie Gen. 12:6, en Gen. 33:18. Het was een van de vrijsteden; Joz. 20:7. Hier zijn ook de beenderen van Jozef begraven; Joz. 24:32.
noemde zijn naam
Hebreeuws, stelde, zette.
Hertaald:noemde zijn naam
Hebreeuws: stelde, gaf.
Abimélech
Dien de Sichemieten, na Gideons dood, tot een koning maakten, voorbijgaande, ja dodende al de echte zonen van Gideon, behalve Jotham, die zich verborg. Zie Jdg 9.
Hertaald:Abimélech
Die de Sichemieten na de dood van Gideon tot koning maakten, waarbij zij alle wettige zonen van Gideon voorbijgingen, ja doodden, behalve Jotham, die zich verborg. Zie Richt. 9.
Richteren 8 vers 32— En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.
ouderdom;
Hebreeuws, grauwigheid, grijzigheid. Zie Gen. 15:15.
Hertaald:ouderdom;
Hebreeuws: grijsheid, ouderdom. Zie Gen. 15:15.
Abi-ezriets
Zie boven, Richt. 6:11.
Hertaald:Abi-ezriets
Zie hierboven, Richt. 6:11.
Richteren 8 vers 33— En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.
Baäl-berith tot een God
Dat is, de heer des verbonds. Verlatende alzo en verbrekende het verbond des waren Gods, die hen zulks menigmalen klaarlijk en op het hoogst verboden had, hoewel zij zich wijsmaakten dat dit wel bestaan mocht, wanneer zij Gods verbond en naam daarin betrokken en voorgaven dit tot zijn dienst en eer te geschieden. Zie ook van dezen afgod onder, Richt. 9:4, en van de Baäls, Richt. 2:11.
Hertaald:Baäl-berith tot een God
Dat is: de heer van het verbond. Zo verlieten en verbraken zij het verbond met de ware God, Die hun dit vaak heel duidelijk en op het strengst verboden had, hoewel zij zichzelf wijsmaakten dat dit wel kon, wanneer zij Gods verbond en naam daarbij betrokken en beweerden dat dit tot Zijn dienst en eer gebeurde. Zie ook over deze afgod hieronder, Richt. 9:4, en over de Baäls, Richt. 2:11.
Richteren 8 vers 35— En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
geen weldadigheid bij het huis van JerubBaäl,
Zie onder, Richt. 9:5, Richt. 9:16-17, Richt. 9:24, Richt. 9:56-57.
Hertaald:geen weldadigheid bij het huis van JerubBaäl,
Zie hieronder, Richt. 9:5, Richt. 9:16-17, Richt. 9:24, Richt. 9:56-57.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Gideon — hij die afhouwt, of: strijder
De jongste zoon van Joas, uit het geslacht der Abiëzrieten, die door de Engel des HEEREN geroepen werd om Israël van de Midianieten te verlossen (Richt. 6:11-16). Na tekenen van bevestiging gevraagd te hebben (het vlies, nat en droog), verwoestte hij het altaar van Baäl, waarna hij ook Jerubbaäl genoemd werd ('laat Baäl daarover twisten', Richt. 6:32). Met slechts driehonderd man versloeg hij op wonderlijke wijze het geweldige leger van Midian (Richt. 7).
Joas — de HEERE heeft gegeven
De vader van Gideon, uit het geslacht der Abiëzrieten, wonend te Ofra. Toen de mannen van de stad zijn zoon Gideon wilden doden omdat deze het altaar van Baäl had afgebroken, verdedigde Joas hem: 'zal ulieden voor Baäl twisten? [...] indien hij een god is, hij twiste voor zichzelf' (Richt. 6:28-32).
Oreb — raaf
Een vorst van Midian, die na de nederlaag van het Midianitische leger door de Efraïmieten gevangen werd genomen en gedood bij de rots die naar hem Oreb genoemd werd (Richt. 7:24-25).
Zeëb — wolf
Een vorst van Midian, samen met Oreb gevangen en gedood door de Efraïmieten bij de perskuip die naar hem Zeëb genoemd werd (Richt. 7:24-25). Hun beider hoofden werden naar Gideon gebracht.
Zebah — offer
Een van de twee koningen van Midian die door Gideon achtervolgd en bij Karkor gevangengenomen werden. Toen bleek dat zij Gideons broers bij Thabor gedood hadden, liet Gideon hen doden (Richt. 8:4-21).
Zalmuna — aan wie bescherming geweigerd is
De tweede koning van Midian, samen met Zebah door Gideon gevangengenomen en gedood, nadat zij beleden Gideons broers gedood te hebben (Richt. 8:4-21). Toen Gideons jonge zoon Jether, op wie de eer gelegd was hen te doden, uit angst aarzelde, doodde Gideon hen zelf.
Jether — overvloed, of: voortreffelijkheid
De eerstgeboren zoon van Gideon, die door zijn vader de opdracht kreeg de gevangen koningen Zebah en Zalmuna te doden, opdat de eer aan een van Gideons eigen zonen zou toekomen. Omdat hij nog een jongen was en bang, deed hij het niet, waarna Gideon het zelf deed (Richt. 8:20-21).
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Sukkoth — zie voor naam, ligging en de volledige geschiedenis het artikel bij Genesis 33, waar de plaats voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Genesis 33.
Geschiedenis: Toen Gideon, tijdens zijn achtervolging van de koningen Zebah en Zalmuna, de oversten van Sukkoth om brood voor zijn vermoeide mannen vroeg, weigerden zij uit vrees voor Midian, met de spottende vraag of Zebah en Zalmuna al in Gideons hand waren. Na zijn overwinning keerde Gideon terug en tuchtigde de oudsten van de stad met doornen en distelen van de woestijn, precies zoals hij gezworen had (Richt. 8:4-16).
Bijbelse betekenis: Een ernstige waarschuwing tegen kleingelovige, berekenende onwil om Gods knechten in nood bij te staan, zelfs wanneer de overwinning nog niet zeker lijkt — en een teken dat wie zich zo onttrekt aan de strijd van Gods volk, uiteindelijk zelf rekenschap moet afleggen.
Richt. 8:4-16
Pniël (Pnuël) — zie voor naam, ligging en de volledige geschiedenis het artikel bij Genesis 32, waar de plaats voor het eerst in de Schrift genoemd wordt
Ligging: Zie het artikel bij Genesis 32.
Geschiedenis: Net als de mannen van Sukkoth weigerden ook de mannen van Pniël Gideon en zijn vermoeide leger brood te geven. Bij zijn terugkeer brak Gideon de toren van Pniël af en doodde de mannen van de stad (Richt. 8:8-9, 17).
Bijbelse betekenis: Dat juist de plaats waar Jakob eeuwen eerder Gods aangezicht zag en gezegend werd (Gen. 32:30) nu het toneel wordt van harteloze onwil en Gods oordeel daarover, onderstreept hoe ver een plaats — en een volk — van zijn eigen geestelijke erfenis kan afdwalen.
Bijbelse BegrippenBegrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Baäl (en Astharoth) — Hebreeuws: ba'al, "heer, eigenaar" — de titel van de Kanaänitische weer- en vruchtbaarheidsgod; Astharoth (Asjtoret) is de bijbehorende vrouwelijke godheid. Het woord dat de Statenvertaling met "bos" of "haag" weergeeft (asjera) duidt het houten cultusvoorwerp aan dat bij het altaar stond
Zodra het geslacht van Jozua weggevallen is, staat er: "zij dienden de Baals" — en even verder: "zij verlieten den HEERE, en dienden de Baal en Astharoth" (Richt. 2:11-13; vgl. 3:7, waar "de Baals en de bossen" staan). De naam is geen eigennaam maar een titel, en werd plaatselijk toegepast; vandaar samenstellingen als Baäl-Peor, waaraan Israël zich al in de woestijn gekoppeld had (Num. 25:3), en Baäl-Berith te Sichem (Richt. 8:33). Baäl gold als de heer van de regen en van de vruchtbaarheid van akker en vee, en juist daarin lag de verleiding voor een boerenvolk dat pas in het land gekomen was. De dienst was gebonden aan altaren op hoogten, met het houten cultusvoorwerp ernaast: Gideon moest het altaar van Baäl van zijn eigen vader afbreken en kreeg daarom de bijnaam Jerubbaäl, "Baäl twiste tegen hem" (Richt. 6:25-32). Op de Karmel bracht Elia de zaak op de spits: "Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baal is, volgt hem na!" (1 Kon. 18:21). En waar de dienst uiteindelijk op uitliep, zegt Jeremia: hoogten van Baäl waarop men zonen in het vuur verbrandde, "hetwelk Ik niet geboden, noch gesproken heb" (Jer. 19:5).
Bijbelse betekenis: Het opmerkelijke in Richteren is dat Israël de HEERE niet ruilt voor Baäl maar hem ernáást dient; daarom gebruikt het boek het woord "nahoereren" (Richt. 2:17; 8:33). Baäl belooft precies wat de HEERE al gegeven had: regen, oogst en nakomelingschap. Afgoderij is hier dus niet in de eerste plaats onwetendheid maar ontrouw — men wil de gaven zonder de Gever en de zekerheid zonder het gebod. Vandaar dat het antwoord van Joas aan de mannen van Ofra alles al zegt: als Baäl een god is, laat hij dan voor zichzelf twisten (Richt. 6:31).
Typologie: Paulus grijpt in Romeinen 11 juist naar Baäl terug om het overblijfsel te tekenen. Op Elia's klacht dat hij alleen overgebleven is, luidt het Goddelijk antwoord: "Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben" — en Paulus voegt toe: "Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade" (Rom. 11:4-5; vgl. 1 Kon. 19:18). Dat God er zevenduizend overhield lag dus niet in hun standvastigheid maar in Zijn verkiezing, geheel in de lijn van wat dit register bij *Verkiezing* (Deut. 7) aantekent. En op de gemeente past Paulus dezelfde zaak toe: een afgod is uit zichzelf niets, maar wat de heidenen offeren, offeren zij de duivelen. Men kan dus niet aan de tafel des Heeren én aan de tafel der duivelen deelachtig zijn (1 Kor. 10:19-21).
De HEERE zal over u heersen (Gideons weigering van het koningschap) — op het aanbod van de mannen van Israël om over hen te heersen, antwoordt Gideon: "Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen" (Richt. 8:23)
Na de overwinning op Midian bieden de mannen van Israël Gideon een erfelijk koningschap aan: "Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon" (Richt. 8:22). Gideon wijst dit ondubbelzinnig af: "Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen" (Richt. 8:23). Toch vraagt hij daarna wél de gouden voorhoofdsierselen van de buit, en maakt daarvan een efod, die opgesteld wordt in zijn stad Ofra — "en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik" (Richt. 8:24-27). Na Gideons dood valt Israël terug in Baälsdienst, en zijn bijvrouw baart hem een zoon, Abimelech, wiens naam ('mijn vader is koning') al vooruitwijst naar wat in het volgende hoofdstuk gebeurt (Richt. 8:31,33).
Bijbelse betekenis: Gideons woorden zijn een van de duidelijkste theocratische belijdenissen in het boek Richteren. Het koningschap over Israël behoort de HEERE Zelf toe, en geen enkele richter — hoe verdienstelijk ook — mag dat ambt voor zich of zijn nageslacht opeisen. Juist daarom is het schrijnend dat Gideons eigen efod een valstrik wordt, en dat zijn zoon Abimelech in het volgende hoofdstuk zich juist wél tot koning laat maken. De belijdenis met de mond weerhoudt het hart niet altijd van een sluipend zoeken naar eer.
Typologie: Eeuwen later zal Israël ditzelfde weer vragen, en de HEERE zegt dan tot Samuël: "zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn" (1 Sam. 8:7). De wet had een koningschap al voorzien, maar dan een koning die zich naar Gods wet zou richten (Deut. 17:14-20, reeds behandeld bij Koning/de koningswet). Gideons weigering hier bewaart precies dat: geen menselijke heerschappij die de plaats van de HEERE inneemt.
Richteren 8:1.Kruisverwijzingen2 Samuël 19:41→Richteren 12:1→Prediker 4:4→Job 5:2→Jakobus 4:5→ — Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. Wij hebben sommige vrienden, gelijk deze mannen van Efraïm, die het niet prettig vinden buiten de strijd voor de Heere gelaten te worden. Zij zeggen: “Waarom wordt ons niet om onze hulp gevraagd? Waarom wordt ons niet toegestaan ons deel te nemen?” Dat zijn heel goede mensen; maar wij hebben er sommigen van gekend die deze vragen wat laat op de dag stelden. Deze Efraïmieten wisten alles van de oorlog, en zij hadden zich vrijwillig kunnen aanbieden om Gideon te helpen; en wij zouden verheugd geweest zijn met de vroegere hulp van sommigen die wachtten tot de overwinning gewonnen was.
Richteren 8:2.KruisverwijzingenRichteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→Richteren 6:34→Galaten 5:14→Jakobus 1:19→ — Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? Gideon antwoordde hen heel vriendelijk en zeer wijs. Hij vleide hen, hij hechtte groot gewicht aan wat zij gedaan hadden, en nam voor zijn eigen dappere dienst weinig eer op zich. Hierin toonde hij zijn zelfbeheersing en zijn beleid. Wanneer mensen scherp bestraffen, is het jammer terug te bestraffen; de beste wijze om met hen om te gaan is met een zacht antwoord hun toorn af te keren.
Richteren 8:2-5.KruisverwijzingenGenesis 33:17→Spreuken 15:1→Richteren 7:24→Psalmen 60:6→Richteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→ — Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende. En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna. Dit was een heel natuurlijk en een heel redelijk verzoek. Gideon vroeg de mannen van Sukkoth niet met hem mee te gaan, en zelfs niet zijn soldaten onderdak te geven. De vrees voor Midian lag op Israël, en het volk was bang iets tegen hun verdrukker te doen; maar zij hadden toch zeker de honger van hun landgenoten kunnen verzachten. In plaats daarvan antwoordden zij Gideon met hoogmoedige en harde woorden.
Richteren 8:4.Kruisverwijzingen1 Samuël 30:10→Galaten 6:9→Hebreeën 12:1→Richteren 7:25→1 Samuël 14:31→1 Samuël 14:28→2 Korinthe 4:16→2 Korinthe 4:8→ — Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende. Deze mannen hadden grote kracht ingespannen. Het was niet enkel geestelijke slijtage die zij te verduren hadden, maar er was veel werkelijke strijd met de vijand. Eerst doodden de Midianieten elkander, maar nadat zij de vlucht genomen hadden, joegen Gideons mannen hen berg op berg af na en doodden hen waar zij konden.
Het was een zwaar dagwerk, en zij hadden vele daden van moed verricht. Nu zijn zij mat, al vervolgen zij de vluchtende vijand nog. Als wij ons geheel aan het werk van God zullen geven, dan zullen wij het nooit móe worden, maar wij zullen er vaak mát ín worden. Als iemand zich nooit vermoeid heeft met werken voor God, dan denk ik dat hij nooit werk gedaan heeft dat het doen waard was. Als een zuster zich nooit uitgeput heeft in het pogen zielen te winnen, dan veronderstel ik dat het aantal zielen dat zij winnen zal, klein zal zijn.
Wij mogen nooit Gods zegen op ons werk verwachten voordat elk vermogen van ons wezen opgewekt is en heel onze kracht in de dienst des Heeren ingespannen wordt. Is dat het geval, dan is het geen wonder dat wij soms mat worden en gereed zijn om te bezwijken.
Richteren 8:6.Kruisverwijzingen1 Koningen 20:11→2 Koningen 14:9→Genesis 37:25→Richteren 8:15→Filippenzen 2:21→Richteren 5:23→1 Samuël 25:10→Genesis 37:28→ — Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven? Alsof zij wilden zeggen: “Wat hebt u tenslotte gedaan? Er zijn vijftienduizend man bij Zebah en Zalmuna, en u bent maar driehonderd. U hebt de leiders zelfs nog niet gevangen.” Zij vergaten dat Gideons bende er al honderdtwintigduizend gedood had; zij onderschatten en bespotten hem, en wilden hem de hulp niet geven die hij vroeg.
Richteren 8:7.KruisverwijzingenRichteren 7:15→ — Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen. Sommigen hebben gezegd dat dit wraakzucht en hardheid toonde; maar wanneer een man in oorlog is, is hij niet gewoon zijn tegenstanders met rozenwater te besprenkelen. De oorlog is in zichzelf zo’n groot kwaad dat er noodzakelijk vele andere kwaden mee verbonden zijn. Het schijnt mij toe dat zij, toen Gideon trachtte zijn eigen landgenoten te verlossen en zij hem bespotten en zijn soldaten brood weigerden op de dag van hun honger, verdienden met grote strengheid gestraft te worden.
Richteren 8:8-9.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:25→Genesis 32:30→1 Koningen 22:27→Richteren 8:17→ — En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen. Zij namen de vrijheid onbeschaamd te spreken omdat hun stad een vesting was, bewaakt door een sterke toren; en Gideon, er niet aan twijfelend dat hij langs die weg zou terugkomen omdat God hem de overwinning gegeven had, zei: “Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.”
Richteren 8:10-11.KruisverwijzingenRichteren 7:12→Numeri 32:35→Numeri 32:42→Richteren 20:35→Richteren 20:15→Richteren 20:17→Richteren 20:2→2 Koningen 3:26→ — Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos. Hij ging langs een ongewone weg en overviel hen weer bij nacht toen zij zich volkomen veilig gevoelden en vast in slaap waren: “want het leger was zorgeloos”. Wanneer ik deze woorden lees, denk ik: wat is het jammer ons ooit veilig te wanen terwijl wij werkelijk in gevaar zijn! Vleselijke gerustheid is een groot gevaar. Veilig te zijn in de armen van Jezus is een allergezegendste toestand; maar zeker te zijn in zelfvertrouwen is een zaak waarop een vloek rust.
Richteren 8:12.KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Openbaring 19:19→Job 12:16→Openbaring 6:15→Amos 2:14→Jozua 10:16→Jozua 10:22→Job 34:19→ — En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger. Daar was een einde aan de tirannie van de Midianieten. Gideon doodde grote aantallen van hen, en dreef weg wat er nog levend overbleef.
Richteren 8:13-17.KruisverwijzingenRichteren 8:9→Richteren 8:7→1 Koningen 12:25→Richteren 1:24→1 Samuël 30:11→Richteren 8:6→Spreuken 19:29→Ezra 2:6→ — Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon, Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven? En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad. Hij doodde waarschijnlijk de meest openbare smaders, de voormannen van Pnuël, zoals hij ook de vorsten en oudsten van Sukkoth met doornen en distelen getuchtigd had. Ik heb vaak opgemerkt dat u en ik heel veel dingen geleerd hebben “met doornen der woestijn en met distelen”. Weigeren wij Gods vermoeide en beproefde volk te helpen, dan is het hoogst waarschijnlijk dat wij eerlang veel zullen moeten leren van de doornen der woestijn en van de distelen. Leren wij ooit veel buiten de doornen der woestijn om? Zeker zijn beproevingen en moeiten van de eerste dag tot nu toe onze grote leermeesters geweest.
Richteren 8:18-19.KruisverwijzingenRichteren 4:6→Judas 1:16→Psalmen 89:12→Psalmen 12:2→ — Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen. Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden! In het Oosten is er veel groter liefde tussen hen die zonen van één moeder zijn dan tussen hen die alleen zonen van één vader zijn. Maar nu kwam het hem toe een bloedwreker te zijn naar de oosterse wet, en hen ter dood te brengen die zijn broeders gedood hadden.
Richteren 8:20-22.KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Jesaja 3:18→Richteren 8:26→Jozua 10:24→1 Samuël 15:33→Psalmen 149:9→1 Samuël 31:3→Openbaring 9:6→ — En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren. Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt. Er was onder de Israëlieten altijd een gejeuk om een koning te hebben, een aardse vorst om over hen te heersen; maar God had het zo niet beschikt. Het was gebrek aan trouw en liefde tot God dat hen tot dit verzoek bracht.
Richteren 8:23-27.Kruisverwijzingen1 Samuël 12:12→1 Samuël 10:19→Richteren 17:5→Richteren 18:14→Genesis 25:13→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→ — Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren. En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof. En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. Hij richtte geen afgod op, maar hij maakte een efod, een navolging van dat wonderlijke kleed dat de hogepriester droeg. Misschien maakte hij het van zuiver goud, niet om gedragen maar om aangezien te worden, enkel om het volk aan de dienst van God te herinneren en niet om zelf aangebeden te worden.
Maar ach, geliefden, u ziet hier dat wij, als wij een halve duim verder gaan dan Gods Woord toelaat, altijd in het onheil terechtkomen! U hoort mensen zeggen: “Wij hebben zulke en zulke zinnebeelden, niet om aan te bidden, maar om ons in de eredienst te helpen.” Ach ja; maar de neiging van het zinnebeeld is te werken als een dam voor de stroom van de godsvrucht, en die daar te doen eindigen!
God verhoede dat wij ooit de regels zouden schenden die Christus ons voorgeschreven heeft! De geringste afwijking van de eenvoudigheid van het evangelie kan ons wegleiden in volslagen afval. Waar zijn alle dwalingen van Rome vandaan gekomen dan uit kleine aangroeiingen en veranderingen? Een klein sieraad hier, een klein zinnebeeld daar, en een kleine verandering van de waarheid ginds — en zo is het reusachtige stelsel van het roomse wezen ontstaan. Gideon bedoelde het waarschijnlijk goed, en wij kunnen verkeerd doen zelfs wanneer wij het goed bedoelen. Moge de Heere ons bewaren van de kleinste afwijking van de weg die Hij ons in Zijn heilig Woord afgetekend heeft. Amen.
Kruisverwijzingen2 Samuël 19:41→Richteren 12:1→Prediker 4:4→Job 5:2→Jakobus 4:5→— Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
Toen zeiden de mannen van a) Efraïm tot hem, tot Gideon, toen zij hem aan de overzijde van de Jordaan ontmoetten: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riep, evenals gij die van Manasse, Aser, Zebulon en Nafthali (6: 35) geroepen hebt, toen gij heentrok, om te strijden tegen de Midianieten? en zij twistten sterk met hem; zij gaven hem met hevige en harde woorden hun ontevredenheid te kennen, die des te groter was, omdat zij op de eerste rang onder dekinderen van Israël aanspraak maakten, en daarom meenden, dat zo’n onderneming niet zonder hen plaats had mogen hebben.
Richteren 12: 1
KruisverwijzingenRichteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→Richteren 6:34→Galaten 5:14→Jakobus 1:19→— Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
Hij daarentegen, tegenover hun eerzucht des te grotere bescheidenheid stellende, zei tot hen: Wat heb ik nu tot verlossing gedaan, zoals gij? zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst 1) van Abi-ezer? Is hetgeen gij tenslotte verricht hebt niet meer, dan hetgeen ik met het geslacht van Abi-ezer deed.
Met de wijnoogst bedoelt hij de eerste aanval, die niets anders ten gevolge had, dan dat de vijanden op de vlucht gingen; met de nalezing de door de Efraïmieten behaalde overwinning. Tegenover deze overwinning had zijn onderneming niets te betekenen; de roem van de dag behoorde hen alleen.
KruisverwijzingenSpreuken 15:1→Richteren 7:24→Psalmen 44:3→Romeinen 15:18→Spreuken 25:15→Psalmen 118:14→Romeinen 12:6→Spreuken 25:11→— God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.
God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, zoals gij gedaan hebt? 1) Toen liet hun toorn 2) van hem af, toen hij dit woord sprak, en alzo hun gekrenkte eerzucht tevreden stelde.
De door de Efraïmieten bevochten overwinning moet inderdaad van grote betekenis zijn geweest, omdat deze nog door Jesaja (10: 26) als een grote slag van de Heere tegen Midian vermeld wordt.
Aan de ene zijde wendt Gideon, die hier waarlijk groot is, de toorn af van Efraïm maar geeft toch ook aan de andere zijde en doet dit zijn bedillers goed voelen al de eer aan de Heere God. Eigen eer geeft hij prijs, opdat de vrede bewaard zou blijven onder de stammen, maar duldt ook niet, dat het hoogmoedige Efraïm zelf zal roemen op zijn overwinning. Inderdaad was de overwinning van Gideon veel groter dan die van Efraïm, omdat deze slechte een reeds verschrokken vijand had verslagen.
Zelfs in zijn overwinningen is Gideon niet zo groot als hier; in zijn ootmoed is hij verstandiger, dan de verblinde stamgenoten in hun hoogmoed. De verdienste van Efraïm was zeker groot, daar nog door Jesaja (10: 26) deze een grote slag van de Heer tegen Midian genoemd wordt, maar toch slechts een mindere. Zij hadden slechts de verschrokken vijand verslagen, die hij in hun handen gejaagd had. Gideon had hen met weinig woorden kunnen doden bij hun twist en vragen, waarom het hoogmoedig Efraïm niet zelf de Midianiet had aangevallen of Israël daartoe opgeroepen had; maar het is de ootmoed, die eigen daden klein, andere daden groot acht. Door die ootmoed sticht hij vrede en bewaart hij de eenheid onder Israëls stammen (Spreuken 15: 1; 25: 15 laat hij zijn tegenstanders voelen, wie al de eer toekomt, namelijk de HEERE, deze gaf Oreb en Zeëb in hun hand.
Eigenlijk staat er: hun snuiven. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat hun toorn heftig was het was de toorn van de gekrenkte eerzucht zij snoven, zoals een woedende os, van boosheid.
Kruisverwijzingen1 Samuël 30:10→Galaten 6:9→Hebreeën 12:1→Richteren 7:25→1 Samuël 14:31→1 Samuël 14:28→2 Korinthe 4:16→2 Korinthe 4:8→— Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
Toen nu Gideon, na de Midianieten op de vlucht gedreven en de Efraïmieten te hulp geroepen te hebben (7: 19-24a), gekomen was aan de Jordaan, in de nabijheid van Beth-sean om de naar deze zijde vluchtenden (7: 22) te vervolgen, terwijl de anderen die zich naar het zuiden gewend hadden, door de Efraïmieten gevangen werden (7: 24b-25) ging hij over met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe en uitgeput van gebrek, nochtans vervolgende. 1)
In het Hebreeuws Ajeefim weroodfim. Afgemat en vervolgende, d.w.z. afgemat van het vervolgen of letterlijk: afgemat, omdat zij vervolgende waren. Dit is zeer goed te begrijpen, omdat zij minstens een dag en nacht reeds zonder slaap waren geweest en, zoals duidelijk uit het volgende vers blijkt, de voedselvoorraad reeds was verbruikt.
Kruisverwijzingen1 Koningen 20:11→2 Koningen 14:9→Genesis 37:25→Richteren 8:15→Filippenzen 2:21→Richteren 5:23→1 Samuël 25:10→Genesis 37:28→— Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
Maar de oversten Van Sukkoth zeiden: 1) Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmûna reeds in uw hand? Hebt gij deze vorsten reeds in uw macht, en hun de handen gebonden, dat wij aan uw leger brood zouden geven2) en ons zo de wraak van die vorsten op de hals zouden halen?
Eigenlijk staat er zei, omdat één van de oversten van Sukkoth hoogstwaarschijnlijk het woord voerde. De inwoners van Sukkoth schijnen met vrees voor de Midianieten zozeer bevangen te zijn, dat zij zelfs aan de overwinnende Gideon niet de geringste hulp durfden bieden uit bezorgdheid, dat zij later door de Midianieten daarvoor zouden worden gestraft.
Het ongeloof in de hulp en redding van de Heere had hen zo verblind, dat zij zelfs niet aan de overwinning van Gideon op een vluchtende vijand geloven. Het ongeloof verblindt geheel en al.
In deze rede ligt niet alleen laffe vrees, maar ook honende verachting van Gideons geringe krijgsmacht, waarmee hij toch niets tegen de vijand kon verrichten, als wilden zij zeggen: Het is nog verre van hetgeen gij u inbeeldt; Zebah en Tsalmûna zullen die paar mannen spoedig neerslaan.” Zo gebeurt het nog altijd, dat mannen die de beste bedoelingen hebben, bij hun gewichtigste en heilzaamste ondernemingen, wanneer zij met gevaar van hun leven de eer van God en het algemeen welzijn zoeken, geen hulp, maar velerlei tegenstand hebben.
De inwoners van Sukkoth geloofden niet en zagen daarom ook in Gideons overwinning de hand van de Heere niet. Het materialisme, dat liever een knecht van een vreemde tiran is, eer het iets op het spel zet, kan niet beter dan hier getekend zijn.
KruisverwijzingenRichteren 7:15→— Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
Toen zei Gideon: Dit antwoord, waarmee gij tot verraders van uw volk wordt, en niet zozeer mij als de Heere, onze God, bespot, zal niet ongestraft blijven; daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmûna in mijn hand geeft, en dit zal zeker gebeuren, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen uit de woestijn 1) en met distels; 2) op gevoelige wijze zal ik u straffen.
Deze woestijn tussen Sukkoth en Pnuël was degene, die Jakob doortrok, toen hij met God geworsteld en te voren de legers van de Engelen gezien had. Hiernaar wordt zij de woestijn van Mahanaïm genoemd (Jud 8: 7). Doornen uit de woestijn, niet alleen van doornen, maar van doornen uit de woestijn spreekt Gideon, omdat deze krachtiger en sterker waren. Zonder twijfel dreigt hij hier met een geduchte strafoefening, omdat zij niet hem behulpzaam wilden zijn in het verdelgen van de vijanden en de onderdrukkers van het volk.
Sommigen menen, dat hij voornemens was om als hun naakte lichamen met doornen en distels bedekt waren, over hen een zwaar wiel te laten gaan, om die diep in hun vlees te drukken, en dood te pletteren. Zo’n straf heeft David aan de Amorieten voltrokken; zie 2 Samuel .12: 31.
Verschillende meningen bestaan er, waarom Gideon juist met deze straf dreigde. Kimchi meent, dat het een zinspeling is op de naam Sukkoth (Sikkim = doornen). Waarschijnlijker is dat, omdat de mannen van de stad de hongerige helden naar de woestijn verwezen, waar slechts doornen en distels te vinden waren, hun antwoord was: “Wij zullen ze halen voor u.”.
Kruisverwijzingen1 Koningen 22:27→Richteren 8:17→— Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.
Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede, als overwinnaar wederkom, zal ik deze toren, deze burg, waarop gij u meer dan op de Heere verlaat, afwerpen, en in een puinhoop veranderen. 1)
Men heeft gevraagd, van waar nu Gideon voor zijn mannen iets verkregen heeft, om hun honger te stillen, die nu tot het hoogste moet gestegen zijn; waarschijnlijk heeft Gideon hier de Efraïmieten ontmoet (7: 25), die, na tevreden gesteld te zijn (8: 1-3) zich zijn nood zonder twijfel zullen aangetrokken hebben.
Hij waarschuwde hen, hoe hij hen straffen zou, om daarmee te betogen het vaste vertrouwen, dat hij op de toezegging van God had; om daardoor aan te duiden, hoe weinig hij om die reden aan de goede uitslag van zijn krijgstocht wanhoopte en om hen gerechtigheid te geven, ten einde indien zelfs maar het geringste greintje of vonkje van genade en overdenking in hen was overgebleven, zij bij nadere betrachting en overlegging berouw moesten krijgen over hun dwaasheid, zich moesten vernederen en middelen mochten uitdenken, om daarvoor boete te doen, en zonder twijfel zou Gideon, indien zij dit gedaan hadden, hen hun dwaasheden hebben vergeven (Jud 8: 9).
KruisverwijzingenNumeri 32:35→Numeri 32:42→Richteren 18:27→1 Samuël 15:32→1 Samuël 30:16→1 Thessalonicenzen 5:3→— En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
En Gideon trok opwaarts van Pnuël, de weg van de Skeniters d.i. van hen, die in tenten wonen, 1) van de in de woestijn wonende nomaden, tegen het oosten van Nobah (= luide stem) en Jogbeha 2) (= verheven), aan de beide oostelijke grenspunten van de stam Gad, en hij sloeg dat leger, hij overwon het met zijn 300 mannen, want het leger was zorgeloos, 3)het vermoedde hier, nu het weer in zijn eigen land was, geen aanval meer.
Gideon trok dus door de woestijn en viel de vijand in de achterhoede aan. Natuurlijk vermoedde hij hier geen aanval meer en had hij zich ter ruste begeven. Vandaar dat er ook staat, want het leger was zorgeloos. Het had op geen strijd meer gerekend.
J.L.Burkhardt uit Basel, aan wie wij naast Seetzen het meest de kennis van het Oost-Jordaanland en van Steenachtig Arabië te danken hebben (overl. 1817 te Caïro) vond op de weg van Ramoth in Gilead naar Rabbath-Ammon ter linkerzijde de drie verwoeste plaatsen Dschebeiha, Nowakis en Karkagheisch. De eerste is zonder twijfel het Bijbelse Jogbeha. De tweede is waarschijnlijk het in Num.21: 30, bedoelde Nafat, dat hier Nobah heet, en niet met een tweede Noba (vroeger Kedath, Num.32: 42) mag verwisseld worden. De derde plaats, ongeveer 1 1/2 uur noordwestelijk van Rabbath-Ammon is wellicht het in vs.10 genoemde Karkor; want het kasteel Carcaria, dat anderen voor ons Karkor houden, ligt, zoals Gesenius terecht opmerkt, veel te zuidelijk, een dagreis van Petra in het Edomietengebergte.
De zorgeloosheid en zekere gerustheid van de zondaren valt altoos uit tot hun verderf, en de gevaren zijn meest noodlottig en vreselijk, wanneer zij het minst geacht en gevreesd worden (Jud 8: 11).
KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Openbaring 19:19→Job 12:16→Openbaring 6:15→Amos 2:14→Jozua 10:16→Jozua 10:22→Job 34:19→— En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.
En Zebah en Tsalmûna vloden; maar hij jaagde hen na; en hij a) ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmûna, en verschrikte het gehele leger, dat overal zijn behoud in de vlucht zocht.
Psalm 83: 12
— Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,
Toen nu Gideon, de zoon van Joas, zegerijk de beide vorsten met zich voerende, van de strijd terugkwam, nadat hij eerst zijn bedreiging (vs.8) aan Pnuël volbracht had (vs.17) en de stad Sukkothnaderde, vóór de opgang van de zon. 1)
In het Hebreeuws Milmaàleh hachares. De LXX: apo epanwyen thv parataxewv. Arev. De Septuaginta vertaalt, van bij de opgang van Hares. Zo hebben ook de oudste vertalingen weergegeven. Ons inziens is dit ook de beste vertaling.
De woorden van de grondtekst zijn zeer moeilijk te verklaren. Sommigen vertalen “eer de zon ondergegaan was”, anderen “van bij de opgang van de Heer” (Jud 8: 13).
KruisverwijzingenRichteren 8:9→1 Koningen 12:25→— En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.
En de toren van Pnuël wierp hij, zoals hij eveneens bedreigd had, af, 1) en doodde de mensen van de stad, daar zij zich tegen hem verzetten en tot belegering dwongen.
Dit gebeurde waarschijnlijk vroeger dan de wraak te Sukkoth, omdat de terugkeer van Karkor over Pnuël naar Sukkoth was, en naar tijdorde bij vs.13 verteld had moeten worden. Het hoofddoel was echter te verhalen wat met Sukkoth gebeurd was. Bij deze strafoefening moet men bedenken, dat de misdaad niet gering was, en een ernstige tuchtiging verdiende. Gideon vraagde niet veel van hen, slechts enige broden tot verkwikking van het afgematte lichaam; dat weigerden hem de inwoners van deze steden niet alleen, maar zij voegden er nog bittere spotredenen bij. Daarmee betoonden zij openbare verraders en vijanden van hun vaderland te zijn; want zij zochten de overwinning van de vijanden, zoveel mogelijk was, te verhinderen. Daarbij kwam een onverantwoordelijk ongeloof. Het verschrikte leger van de Midianieten was door een geheel wonderbare nederlaag zo versmolten, dat de vluchtende koningen slechts 15.000 man meer over hadden; toch kwam het de mensen van Sukkoth en Pnuël onmogelijk voor, dat Gideon dit overschot zou kunnen bedwingen, alsof God geen aandeel in deze overwinning had. Daarom was het billijk, dat zij als verraders van God en als vijanden van het vaderland, anderen ten voorbeeld, zo gevoelig gestraft werden. Wij moeten niet vergeten, dat Gideon uit kracht van zijn ambt niet alleen verlosser van het volk was, maar ook handhaver van de gerechtigheid van God. De inwoners van Sukkoth en Pnuël hadden de eer van God aangetast, de legerscharen van de levende God gehoond, en daarom moesten zij door Gideon voor deze aantasting van de eer van God gestraft en gekastijd worden. Het was het voltrekken van het geschonden recht van God aan hen, opdat zij aldus zouden leren met waarachtige boete en berouw tot God terug te keren, en berouw te hebben over hun liefdeloosheid jegens hun broeders.
Wellicht dat de inwoners van Pnuël op hun toren hadden betrouwd als een zeker en vast bolwerk tegen de vijanden, de Midianieten. Daarom wordt eerst die toren omgeworpen en worden daarna de verachters van God gedood.
KruisverwijzingenRichteren 4:6→Judas 1:16→Psalmen 89:12→Psalmen 12:2→— Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmûna, toen hij met hen in zijn woonplaats Ofra aangekomen was: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor 1) (steengroeve) dood sloeg? En zij zeiden: Zoals gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
Of in de stad van deze naam, de grensplaats tussen Zebulon en Issaschar (Joz.19: 22), of op een plaats van de berg (4: 6,12). Van deze moord van de lichamelijke broeders van Gideon is te voren geen melding gemaakt. De Heilige Schrift deelt dan ook nergens de geschiedenis van de bloedverwanten van de geloofshelden mee, maar stelt overal het rijk van God en zijn geschiedenis op de voorgrond; hier wordt deze gebeurtenis alleen meegedeeld, omdat zij in de gang van de geschiedenis intreedt en van betekenis wordt.
KruisverwijzingenJozua 10:24→1 Samuël 15:33→Psalmen 149:9→— En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.
En hij zei tot Jether 1) (= voortreffelijkheid), zijn eerstgeborene (vs.30): Sta op, dood hen, opdat zij tot des te grotere smaad door de hand van een knaap sterven; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde het bevel van zijn vader te volbrengen, omdat hij nog een jongeling was.
Omdat ook Jether als Gideons zoon een van de naaste bloedverwanten was en daarom het recht van de bloedwraak mocht uitoefenen, werd hij door zijn vader vermaand, om deze koningen te doden.
KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Jesaja 3:18→Richteren 8:26→1 Samuël 31:3→Openbaring 9:6→Richteren 9:54→Psalmen 83:1→1 Samuël 31:5→— Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.
Toen zeiden Zebah en Tsalmûna tot Gideon: Sta gij zelf op, en val op ons aan, om ons te doden, want zo de man is, zo is zijne macht, niet de zwakke knaap, maar een man, wiens kracht toereikend is komt zo’n strafoefening toe.a) Zo stond Gideon op van zijn rechterstoel, en doodde Zebah en Tsalmûna met eigen hand, en nam de maantjes, maanvormige sieraden van zilver en goud, die aan de halzen van hun kamelen waren en hem als buit ten deel vielen.
Psalm 83: 12
Ook de laatste handeling met deze roverkoningen is een held als Gideon waardig. Zijn vijanden, voornamelijk zo wilde en gruwelijke, het leven te schenken, was in de oudheid, en vooral in het oosten, niet gewoon. Pyrphus spreekt bij Seneca (vergel. Grotius, de Jure pacis et belli III: 4,10: “Lex nulla capto parcit aut poenam impedit” geen wet spaart de gevangene, of verhindert de straf); zelfs Josephus legt Elsa het woord in de mond, dat men de in een rechtmatige strijd gevangen doden kon, wat hij echter niet gezegd heeft (Aschaeol 9,4. 4). Maar Gideon, die ondanks hun vijandschap de koninklijke stand van de gevangenen acht; mocht hen sparen, en voelt zich genoodzaakt hun aan te wijzen, waarom hij hen niet sparen mag; daardoor vernemen wij een gebeurtenis, die overigens onbekend is en ons slechts doet beklagen, dat zo veel niet tot onze kennis gekomen is. Alzo hadden de koningen de lichamelijke broeders van vader en moeders zijde op de berg Thabor gevangen en verslagen, misschien na een gevecht dat daar de stam van Manasse eerst, maar zonder Gods hulp, had ondernomen. Zij werden gedood, hoewel zij hun vaderland verdedigden, en hoewel zij, zoals Zebah en Tsalmûna vleiend zeggen, evenals Gideon, dezelfde koningszonen waren. Hun koninklijke houding, hun ridderlijke dapperheid is dus niet geëerd. En zou Gideon hen dan sparen, die zeven jaar lang geroofd en gemoord hadden? Dat is onmogelijk; het zwaard van Gideon is een straffende macht, maar voor een rechtvaardige zaak gewet. Toen Turnus Aeneas om zijn leven bad, herinnerde zich deze dat geen Pallas de zoon van Evander verslagen had; toen riep hij: “furiis accensus et ira terribilis” (in woede ontstoken en ontzaglijk door zijn wraak) uit: “Pallas te immolat etc.” (Pallas offert
(Virgil. Aen. 12: 949). En toch streed Turnus tegen vreemden en Pallas was van Aeneas noch zoon, noch broeder. Het bericht, dat het geslacht van Joas reeds vroeger voor Israël gebloed heeft, laat ons de reden vinden, waarom juist Gideon tot overwinnaar verkoren was. Ondanks dit handelt hij niet wreed, of ten spot of met het doel om te pralen. Hij handelt niet smadelijk, zoals Sapor tegen de Romeinse keizer Valerianus, of volgens de legende bij Eutychius, als Galerius tegen Sapor, en natuurlijk niet als Timur tegen Bajazet gedaan zal hebben. Het was nog eer genoeg, wanneer hij zijn oudste zoon tot volvoerder van het oordeel wilde maken. Deze, een knaap, en zoals het schijnt vreesachtig, vreest tegen de machtige nog met koningskleren getooide vijanden het zwaard te trekken. Het zijn werkelijk gruwzame krijgers geweest; zij bidden niet om hun leven zoals Turnus en de Homerische krijgslieden doen, maar zij willen door hun gelijken verslagen zijn, niet door de handen van een knaap gewond en afgemaakt; zij hebben geen andere bede aan Gideon, dan dat hij zelf hen dode en hij doet het; zij vallen door zijn zwaard, en de maantjes, die tot hiertoe op hun kamelen als tooisel gehangen hebben, neemt hij nu af, waaruit blijkt; dat zij tot zo lang als koninklijke gevangenen behandeld zijn. Daardoor dat Gideon eerst na de dood van de koningen de spangen afneemt, weet men, dat deze bijzondere tekenen van de koninklijke waardigheid zijn, en wel in de vorm van manen. Zo had Apollonius van Tyana van de koning van de Perzen ten geleide een kameel verkregen, dat de tocht opende en in de gouden spang aan het voorhoofd het koninklijk teken had (Philostr. lib. II, c. 1). Het paard van Parthenopeus, de fabelachtige bestormer van Thebe, draagt in het gedicht van Statius (cf. Bochart, Hier. I, 17) een maanvormig tooisel (lunata monilia). Er wordt een Arabische spreekwijze aangevoerd: een kameeltooisel aan de maan gelijk (Ritter 12: 486). Het was een wapen van de Ismaëlieten, die vereerders van de maan waren (Herod. 3: 8), zoals een zoon van Joktan in de Schrift (Genesis1: 26) Jerach = maan, heet. Van daar het teken van de halve maan bij de tegenwoordige Arabische Osmannen, want ook de lunulae, die bij de oude Romeinen de schoenen van de senatoren en edelen versierde, en wier betekenis in de oudheid duister was (Plut. Quest. Rom. 73), hadden de vorm van een halve maan.
IV. Vs. 22-27.Kruisverwijzingen1 Samuël 10:19→Richteren 17:5→Richteren 18:14→Genesis 25:13→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→Genesis 37:28→ — Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt. Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren. En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof. En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. Na zijn terugkeren in zijn vaderstad wordt aan Gideon door de hoofden van de noordelijke stammen de waardigheid van erfelijk koning aangeboden. Uit waarachtige trouw jegens de Heere weerstaat hij de verzoeking, om zichzelf en zijn huis groot te maken, wel bezwijkt hij bij een andere, die zijn gedachten hem bereiden, terwijl hij zijn verhouding tot de Heere voor de toekomst meent te moeten verzekeren. Hij laat van de gemaakte buit zich goud en versierselen maken en daarvan een hogepriesterlijke lijfrok vervaardigen, om door middel van deze ook verder goddelijke openbaringen in gewichtige belangen van het volk te verkrijgen; hij vervreemdt daardoor Israël van zijn rechtmatig heiligdom en van de wettige godsdienst, en bereidt zo de afval van de eerstvolgende tijd voor.
KruisverwijzingenJohannes 6:15→1 Samuël 8:5→1 Samuël 12:12→Richteren 9:8→— Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.
Toen de overwinning zo schitterend bevochten was, zeiden de mannen van Israël, waarschijnlijk de in 6: 35 genoemde noordelijke stammen, die het meest van de Midianieten had moeten lijden, tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon (vs.20)en uw zoons zoon; wij bieden u de waardigheid van erfelijk koning aan, omdat gij ons van de hand van de Midianieten verlost hebt. 1)
Verwonderingwekkend was het, dat hij een groot leger tot in de woestijn van de rotsen had vervolgd en de vijand uit zijn holen had gerukt. Wie zou zich als Gideon in de vreselijke Harra gewaagd hebben vs.11vv.), om daar zijn koninklijke buit te halen! Wat een indruk maakte zijn beslistheid, zijn dapperheid, zijn matiging en kracht! Bewonderde men zijn bescheidenheid in het antwoord aan Efraïm, zo verschrikte men voor de kastijding aan Pnuël gegeven, voor de vergelding aan de koningen. Bij het volk beslist altijd de uitslag. Hoe verblindend groots en verrassend was deze! Israël voelt, het begeeft zich onder een man, niet naar het lichaam, maar naar de geest een hoofd lengte boven hen. Het is geen wonder, dat Israël, samengestroomd om de zegen en zijn buit te zien, bij hem aandringt en spreekt: “Heers over ons”.
Kruisverwijzingen1 Samuël 12:12→1 Samuël 10:19→Richteren 11:9→2 Korinthe 1:24→Richteren 10:18→Jesaja 33:22→Lukas 22:24→1 Petrus 5:3→— Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.
Maar Gideon, met onwankelbare trouw zich vasthoudende aan de goddelijke ordening, volgens welke Jehova zelf de Koning over Israël wilde zijn, zei tot hen: Ik zal over u niet heersen, ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE, die opnieuw getoond heeft dat Hij u zonder zichtbare koning kan verzorgen en beschermen, zal ook voortaan over u heersen. 1)
Onze held heeft ook hier, zoals wij reeds boven (Jud 6: 32: ) opmerkten, een navolger in de geschiedenis. In de 11de eeuw na Christus ondernam de hertog van Lotharingen, Godfried van Bouillon, een kruistocht naar het beloofde land, om de heilige stad aan de handen van de ongelovigen te ontrukken. Na onbeschrijfelijke moeilijkheden bereikte hij het begeerde doel, overwon de vijanden en veroverde Jeruzalem. Toen hij door de verbonden vorsten éénstemmig tot koning van Jeruzalem verkozen werd, wees hij de hem aangeboden waardigheid af met de woorden: “Ik wil geen gouden kroon dragen, waar de Heiland van de wereld een doornenkroon droeg”.
Gideon wijst de koningskroon af, niet omdat hij van mening is, dat er volstrekt geen koning over Israël mocht heersen, maar omdat hij zich niet tot dat ambt door God geroepen acht. Alleen tot richter is hij van God geroepen. De Heere zelf moest door Israël als zijn wettige koning vereerd worden. Gideon beseft, dat het nog niet de tijd is, wanneer over Israël zichtbare koningen zullen heersen.
KruisverwijzingenGenesis 25:13→Genesis 37:28→Genesis 37:25→1 Koningen 20:11→Genesis 24:53→Genesis 24:22→Exodus 32:3→1 Petrus 3:3→— Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.
Voorts zei Gideon tot hen, omdat hij meende de priesterlijk-profetische plaats, die de Heere hem gegeven had, te moeten bewaren; Eén begeerte zal ik van u begeren; geeft mij maar een ieder een voorhoofdsiersel 1) vanzijn roof, die hij van de Midianieten geroofd heeft, opdat ik mij een hogepriesterlijke lijfrok laat maken, en voortaan de godsdienst in onze stam zelf verrichten kan. Want zij, de Midianieten, hadden gouden voorhoofdsierselen
gehad, omdat zij Ismaëlieten, 2) Nomadische volken van noordelijk Arabië waren, die zich allen met vele gouden en zilveren sieraden pleegden te omhangen.
Het Hebreeuws woord hier voorhoofdsiersel vertaald, betekent of: een oorring, of: een neusring, zoals de oosterse vrouwen nog heden dragen. Wellsted bericht in zijn “Reizen in Arabië”: “de vrouwen in Oman besteden aanzienlijke sommen tot aankoop van zilveren versiersels, en haar kinderen zijn er letterlijk mee beladen. Ik heb soms 15 oorringen aan iedere zijde geteld, en hoofd, borst, armen en vingers zijn op dezelfde overdadige wijze versierd.”.
Ismaëlieten is de algemenen naam voor de nomadische volken, die in de woestijn van Arabië woonden. Tot hen behoorden ook de Midianieten.
KruisverwijzingenEzechiël 27:7→Johannes 19:2→Johannes 19:5→Esther 8:15→Jeremia 10:9→Lukas 16:19→Openbaring 18:16→Openbaring 18:12→— En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.
En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkels goud,
ongeveer 50 pond, zonder de maantjes en ketenen en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden die aan de halzen van hun kamelen geweest waren.
Als men rekening houdt met hetgeen Wellsted (zie boven) meedeelt en dan berekent, dat er vóór dat Gideon Zebah en Tsalmûna gevangen nam, reeds 120.000 man waren verslagen met behulp van Efraïm, dan behoeft het ons niet te verwonderen, dat een ontelbare menigte van gouden sieraden in het bezit van Gideon en zijn soldaten was gekomen.
KruisverwijzingenRichteren 17:5→Richteren 18:14→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→Exodus 23:33→Richteren 6:24→Exodus 28:6→— En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
En Gideon maakte daarvan een efod, een lijfrok met de borstlap en de Urim en Tummim daarin, zoals de hogepriester die droeg (Exod.28: 6-30),en stelde die 1) in zijn stad, te Ofra, hij bewaarde die daar, om daarin priesterlijke werkzaamheden te verrichten, en de Heere naar Zijn wil te vragen: en geheel Israël hoereerde aldaar dezelfde lijfrok na, 2) omdat het zich van het heiligdom te Silo en van de wettige hogepriester afkeerde, Gideon als zijn priester beschouwde en alzo het verbond van de Heere verbrak; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik, 3) een oorzaak ten val, zoals het volgende hoofdstuk zal meedelen.
Ook kan men vertalen door, bewaarde die. Gideon richt die efod niet op als een soort afgodsbeeld, om zich daarvoor neer te buigen, maar bewaart die én als een herinnering aan zijn overwinning, én met het doel, om met deze gekleed, priesterlijk ambtsbezigheden te verrichten.
Wij mogen geloven, dat Gideon geheel te goeder trouw is geweest, en het volstrekt niet gedaan heeft uit eerzucht. Als een eerzuchtige doet hij zich hoegenaamd niet kennen. Hij heeft gemeend, dat hij werkelijk door God geroepen is, om ook in te treden in de priesterlijke werkzaamheden, maar bedacht daarbij niet, dat dit niet alleen in strijd was met de Levitische wetten, maar ook met de theocratische eenheid van Israël hierin zich openbarende, dat Israël bij één Heiligdom moest vragen naar de wil van de Heere, en op één altaar de offeranden ter verzoening moest brengen. Ongetwijfeld heeft hij de bekende rotssteen tot altaar gebruikt.
Wellicht dat de afkeer voor de hogepriester, zoals hieronder wordt opgemerkt, daarvan de oorzaak is geweest, maar ook kan het zijn reden hebben in het feit, dat Silo in Efraïm lag, en de overige stammen zich niet konden verenigen met het overmoedige en naar de voorrang strevende Efraïm.
De hogepriester van die tijd uit de lijn Eleazar was zonder twijfel een man, die zijn ambt onwaardig was; dit kunnen wij reeds daaruit besluiten, dat 54 jaar later het hogepriesterlijk ambt vervuld wordt (1 Samuel .3: 3,12) door Eli, die niet meer uit deze lijn, maar uit die van Ithamar was, hetgeen tegen Gods oorspronkelijke instelling was (Nu 25: 13). Bovendien maakte de stam van Efraïm door zijn streven naar de voorrang, zich zeer onbemind (vs.1-3); het kon dus wel wenselijk schijnen, deze stam, die er zich veel op liet voorstaan, dat het heiligdom zich in zijn midden bevond (Joz.18: 1), daardoor te verootmoedigen, dat men elders de godsdienst verrichtte. Nu had de Heere Gideon met een zichtbare verschijning in Zijn Engel verwaardigd, had diens gave als een Hem welgevallig offer aangenomen, hem een altaar laten bouwen en door een daar aangebracht brandoffer de ware godsdienst in Israël weer laten herstellen, ook herhaaldelijk hem Zijn wil bekend gemaakt en door de glorierijke overwinning over de Midianieten, hem als Zijn tot redder en richter van het volk verkoren knecht, plechtig bevestigd. Dientengevolge is het wel te verklaren, hoe Gideon ertoe kwam, bij dat altaar te Ofra (6: 24vv.) een geregelde godsdienst in te richten, zelf de priesterlijke dienst op zich te nemen en door middel van de lijfrok de openbaring van de Heere aan zijn persoon te verbinden. Toch deed hij daarin grote zonde, want, wanneer iets ook nog zo goed en heilzaam schijnt naar menselijke gedachten, zo is het toch niets dan dwaasheid en vermetelheid, zodra het met het woord en de wil van God in strijd is. De vloek bleef ook niet uit. Zoals Israël, nadat het eens van het rechtmatig heiligdom afgevallen was, des te gemakkelijker in de Baäldienst wegzonk (vs.33vv.), zo hing over Gideons familie thans een beklagenswaardig lot, dat met deze zonde in verband stond. Op dezelfde plaats, waar Gideon de onwettige godsdienst instelde, werden later zijn zonen door de hand van hun halve broeder omgebracht (5).
Gideon slaat koningen op de vlucht, vindt hen als leeuwen in hun holen, verslaat ze met eigen hand, maar hij wil geen koning worden. Van God is de heerschappij, zo spreekt hij, want God was de overwinning. In Israël wordt men niet door grootheid koning, maar door roeping van God. Wie zou de titel van God aannemen, aan wie alles in Israël toekomt. Zo lang wij God geven wat God is, zullen wij ook hebben wat ons goed is. Maar toen Gideon de Efod stelde, wilde hij een eer hebben voor zijn huis. En deze enige eer, die hij voor zich zocht, boven die, die hij bezat, heeft zijn huis verwoest. Zo laat ons boven alles naar het rijk van God trachten. Het andere wordt u toegeworpen. Zodra wij echter ons zelf naast God proberen te eren en te vereeuwigen vallen roem en arbeid in het stof.
V. Vs. 28-35.KruisverwijzingenRichteren 9:5→Richteren 9:2→Richteren 9:4→Richteren 9:46→Richteren 5:31→Genesis 25:8→Richteren 2:17→Richteren 2:19→ — Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets. En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God. En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had. Terwijl nu Gideons eigen geschiedenis met berichten over zijn verder leven gesloten wordt, wordt tevens die van zijn huis en van de kinderen van Israël na hem ingeleid. Uit zijn ontrouw aan de Heere komt een gericht voort over zijn huis en over zijn volk, niet weer door buitenlandse vijanden maar door binnenlandse strijd. Zo zoekt de Heere de ondankbaarheid van Israël jegens Hem.
KruisverwijzingenRichteren 5:31→Richteren 3:11→Richteren 3:30→Psalmen 83:9→Jesaja 9:4→Jesaja 10:26→— Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.
Alzo, zoals (6: 33-8: 12) verteld is, werden de Midianieten ten ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en hieven hun hoofd niet meer op; zij beproefden niet meer, om hen te overvallen en te verdrukken. En het land was stil veertig jaar (van 1209-1169 voor Christus) in de dagen van Gideon, zo lang hij leefde.
KruisverwijzingenRichteren 6:32→Richteren 7:1→1 Samuël 12:11→Nehemia 5:14→— En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.
En zijn bijvrouw, een dienstmaagd, die hij tot bijvrouw (9: 18) aangenomen had (volgens Josefus heette zij Duma), dat te Sichem was, in het huis van haar vader, baarde hem ook een zoon boven de genoemde 70 zonen uit zijn wettige vrouwen; en hij noemde zijn naam Abimelech1) (= koningsvader of “mijn vader is koning) (Genesis20: 2).
Men kan ook vertalen: “men noemde enz”. De moeder is waarschijnlijk de naamgeefster geweest. Wellicht heeft deze ontevreden over het weigeren van de koninklijke waardigheid door Gideon (vs.22vv.), vroegtijdig in haar zoon de gedachte gevoed, om na zijn vaders dood de dynastie te stichten.
De namen van de zonen worden niet genoemd, wel die van Abimelech, met het oog op hetgeen in het volgende hoofdstuk wordt bericht.
KruisverwijzingenGenesis 25:8→Genesis 15:15→Richteren 6:24→Job 5:26→Job 42:17→Jozua 24:29→Richteren 8:27→— En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.
En Gideon, de zoon van Joas stierf, na verloop van die 40 jaar (vs.28) in goede ouderdom,
zonder het gericht over zijn huis te beleven: en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, de stad van de Abi-ezriet (van de vader van de Ezrieten, 6: 11).
D.w.z. in vrede, zonder dat over hem het gericht kwam, dat later over zijn zonen kwam. Als een held van het geloof had hij gestreden, als een gelovige stierf hij in de hoop van het eeuwige leven.
KruisverwijzingenRichteren 9:4→Richteren 9:46→Richteren 2:17→Richteren 2:19→Richteren 8:27→Exodus 34:15→2 Koningen 12:2→2 Kronieken 24:17→— En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.
En het geschiedde, toen Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich van de ware godsdienst, die Gideon door zijn aanzien steeds in stand gehouden had, omkeerden en, evenals voorheen, de Baäls navolgden: en zij stelden zich Baäl Berith 1) (= heer van het verbond), de afgod van de Kanaänieten, die vooral te Sichem vereerd werd (9: 4,46), tot een god.
Baäl wordt hier Baäl-Berith, d.i.Verbonds-Baäl genoemd, omdat hij in de plaats kwam van Jehova, aan wie het volk zich plechtig verbonden had. De verering van Baäl werd nu geheel een navolging van de verering van de HEERE. Israël bedacht niet, dat het daardoor de Heere, zijn Verbondsgod, bespotte.
KruisverwijzingenRichteren 9:16→Prediker 9:14→Richteren 9:5→— En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
En, zoals zij hun hoogste weldoener vergaten, zo deden zij ook geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had, 1) door reiniging van de ingedronge Baälsdienst en redding van de vijanden; zij lieten zijn zonen ongehinderd door Abimelech ombrengen, en ondersteunden hem zelfs door geld (9: 1vv.).
Opzettelijk wordt hier Gideon bij zijn naam Jerubbaäl, d.i. Baäl-bestrijder genoemd, omdat Israël, in plaats van zijn nagedachtenis te eren, door de Baäls tegen te staan, zich nu weer aan die volle afgodendienst overgaven.
Wanneer men aan satan eenmaal ruimte geeft, zo rust hij niet, voordat hij ons van de ene zonde in de andere en steeds in grotere stoot (2 Samuel .11: 2-27).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel
Spurgeon Citaten
Als iemand zich nooit vermoeid heeft met werken voor God, dan denk ik dat hij nooit werk gedaan heeft dat het doen waard was.
Maar als wij een halve duim verder gaan dan Gods Woord toelaat, komen wij altijd in het onheil terecht. De neiging van het zinnebeeld is te werken als een dam voor de stroom van de godsvrucht, en die daar te doen eindigen.
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Richteren 8
Richteren 8:1.Kruisverwijzingen2 Samuël 19:41→Richteren 12:1→Prediker 4:4→Job 5:2→Jakobus 4:5→
— Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.
Wij hebben sommige vrienden, gelijk deze mannen van Efraïm, die het niet prettig vinden buiten de strijd voor de Heere gelaten te worden. Zij zeggen: “Waarom wordt ons niet om onze hulp gevraagd? Waarom wordt ons niet toegestaan ons deel te nemen?” Dat zijn heel goede mensen; maar wij hebben er sommigen van gekend die deze vragen wat laat op de dag stelden. Deze Efraïmieten wisten alles van de oorlog, en zij hadden zich vrijwillig kunnen aanbieden om Gideon te helpen; en wij zouden verheugd geweest zijn met de vroegere hulp van sommigen die wachtten tot de overwinning gewonnen was.
Richteren 8:2.KruisverwijzingenRichteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→Richteren 6:34→Galaten 5:14→Jakobus 1:19→
— Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?
Gideon antwoordde hen heel vriendelijk en zeer wijs. Hij vleide hen, hij hechtte groot gewicht aan wat zij gedaan hadden, en nam voor zijn eigen dappere dienst weinig eer op zich. Hierin toonde hij zijn zelfbeheersing en zijn beleid. Wanneer mensen scherp bestraffen, is het jammer terug te bestraffen; de beste wijze om met hen om te gaan is met een zacht antwoord hun toorn af te keren.
Richteren 8:2-5.KruisverwijzingenGenesis 33:17→Spreuken 15:1→Richteren 7:24→Psalmen 60:6→Richteren 6:11→Filippenzen 2:2→Jakobus 3:13→1 Korinthe 13:4→
— Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer? God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak. Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende. En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.
Dit was een heel natuurlijk en een heel redelijk verzoek. Gideon vroeg de mannen van Sukkoth niet met hem mee te gaan, en zelfs niet zijn soldaten onderdak te geven. De vrees voor Midian lag op Israël, en het volk was bang iets tegen hun verdrukker te doen; maar zij hadden toch zeker de honger van hun landgenoten kunnen verzachten. In plaats daarvan antwoordden zij Gideon met hoogmoedige en harde woorden.
Richteren 8:4.Kruisverwijzingen1 Samuël 30:10→Galaten 6:9→Hebreeën 12:1→Richteren 7:25→1 Samuël 14:31→1 Samuël 14:28→2 Korinthe 4:16→2 Korinthe 4:8→
— Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.
Deze mannen hadden grote kracht ingespannen. Het was niet enkel geestelijke slijtage die zij te verduren hadden, maar er was veel werkelijke strijd met de vijand. Eerst doodden de Midianieten elkander, maar nadat zij de vlucht genomen hadden, joegen Gideons mannen hen berg op berg af na en doodden hen waar zij konden.
Het was een zwaar dagwerk, en zij hadden vele daden van moed verricht. Nu zijn zij mat, al vervolgen zij de vluchtende vijand nog. Als wij ons geheel aan het werk van God zullen geven, dan zullen wij het nooit móe worden, maar wij zullen er vaak mát ín worden. Als iemand zich nooit vermoeid heeft met werken voor God, dan denk ik dat hij nooit werk gedaan heeft dat het doen waard was. Als een zuster zich nooit uitgeput heeft in het pogen zielen te winnen, dan veronderstel ik dat het aantal zielen dat zij winnen zal, klein zal zijn.
Wij mogen nooit Gods zegen op ons werk verwachten voordat elk vermogen van ons wezen opgewekt is en heel onze kracht in de dienst des Heeren ingespannen wordt. Is dat het geval, dan is het geen wonder dat wij soms mat worden en gereed zijn om te bezwijken.
Richteren 8:6.Kruisverwijzingen1 Koningen 20:11→2 Koningen 14:9→Genesis 37:25→Richteren 8:15→Filippenzen 2:21→Richteren 5:23→1 Samuël 25:10→Genesis 37:28→
— Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?
Alsof zij wilden zeggen: “Wat hebt u tenslotte gedaan? Er zijn vijftienduizend man bij Zebah en Zalmuna, en u bent maar driehonderd. U hebt de leiders zelfs nog niet gevangen.” Zij vergaten dat Gideons bende er al honderdtwintigduizend gedood had; zij onderschatten en bespotten hem, en wilden hem de hulp niet geven die hij vroeg.
Richteren 8:7.KruisverwijzingenRichteren 7:15→
— Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.
Sommigen hebben gezegd dat dit wraakzucht en hardheid toonde; maar wanneer een man in oorlog is, is hij niet gewoon zijn tegenstanders met rozenwater te besprenkelen. De oorlog is in zichzelf zo’n groot kwaad dat er noodzakelijk vele andere kwaden mee verbonden zijn. Het schijnt mij toe dat zij, toen Gideon trachtte zijn eigen landgenoten te verlossen en zij hem bespotten en zijn soldaten brood weigerden op de dag van hun honger, verdienden met grote strengheid gestraft te worden.
Richteren 8:8-9.Kruisverwijzingen1 Koningen 12:25→Genesis 32:30→1 Koningen 22:27→Richteren 8:17→
— En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden. Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.
Zij namen de vrijheid onbeschaamd te spreken omdat hun stad een vesting was, bewaakt door een sterke toren; en Gideon, er niet aan twijfelend dat hij langs die weg zou terugkomen omdat God hem de overwinning gegeven had, zei: “Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.”
Richteren 8:10-11.KruisverwijzingenRichteren 7:12→Numeri 32:35→Numeri 32:42→Richteren 20:35→Richteren 20:15→Richteren 20:17→Richteren 20:2→2 Koningen 3:26→
— Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken. En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.
Hij ging langs een ongewone weg en overviel hen weer bij nacht toen zij zich volkomen veilig gevoelden en vast in slaap waren: “want het leger was zorgeloos”. Wanneer ik deze woorden lees, denk ik: wat is het jammer ons ooit veilig te wanen terwijl wij werkelijk in gevaar zijn! Vleselijke gerustheid is een groot gevaar. Veilig te zijn in de armen van Jezus is een allergezegendste toestand; maar zeker te zijn in zelfvertrouwen is een zaak waarop een vloek rust.
Richteren 8:12.KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Openbaring 19:19→Job 12:16→Openbaring 6:15→Amos 2:14→Jozua 10:16→Jozua 10:22→Job 34:19→
— En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.
Daar was een einde aan de tirannie van de Midianieten. Gideon doodde grote aantallen van hen, en dreef weg wat er nog levend overbleef.
Richteren 8:13-17.KruisverwijzingenRichteren 8:9→Richteren 8:7→1 Koningen 12:25→Richteren 1:24→1 Samuël 30:11→Richteren 8:6→Spreuken 19:29→Ezra 2:6→
— Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon, Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven? En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan. En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.
Hij doodde waarschijnlijk de meest openbare smaders, de voormannen van Pnuël, zoals hij ook de vorsten en oudsten van Sukkoth met doornen en distelen getuchtigd had. Ik heb vaak opgemerkt dat u en ik heel veel dingen geleerd hebben “met doornen der woestijn en met distelen”. Weigeren wij Gods vermoeide en beproefde volk te helpen, dan is het hoogst waarschijnlijk dat wij eerlang veel zullen moeten leren van de doornen der woestijn en van de distelen. Leren wij ooit veel buiten de doornen der woestijn om? Zeker zijn beproevingen en moeiten van de eerste dag tot nu toe onze grote leermeesters geweest.
Richteren 8:18-19.KruisverwijzingenRichteren 4:6→Judas 1:16→Psalmen 89:12→Psalmen 12:2→
— Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen. Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!
In het Oosten is er veel groter liefde tussen hen die zonen van één moeder zijn dan tussen hen die alleen zonen van één vader zijn. Maar nu kwam het hem toe een bloedwreker te zijn naar de oosterse wet, en hen ter dood te brengen die zijn broeders gedood hadden.
Richteren 8:20-22.KruisverwijzingenPsalmen 83:11→Jesaja 3:18→Richteren 8:26→Jozua 10:24→1 Samuël 15:33→Psalmen 149:9→1 Samuël 31:3→Openbaring 9:6→
— En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was. Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren. Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.
Er was onder de Israëlieten altijd een gejeuk om een koning te hebben, een aardse vorst om over hen te heersen; maar God had het zo niet beschikt. Het was gebrek aan trouw en liefde tot God dat hen tot dit verzoek bracht.
Richteren 8:23-27.Kruisverwijzingen1 Samuël 12:12→1 Samuël 10:19→Richteren 17:5→Richteren 18:14→Genesis 25:13→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→
— Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren. En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof. En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
Hij richtte geen afgod op, maar hij maakte een efod, een navolging van dat wonderlijke kleed dat de hogepriester droeg. Misschien maakte hij het van zuiver goud, niet om gedragen maar om aangezien te worden, enkel om het volk aan de dienst van God te herinneren en niet om zelf aangebeden te worden.
Maar ach, geliefden, u ziet hier dat wij, als wij een halve duim verder gaan dan Gods Woord toelaat, altijd in het onheil terechtkomen! U hoort mensen zeggen: “Wij hebben zulke en zulke zinnebeelden, niet om aan te bidden, maar om ons in de eredienst te helpen.” Ach ja; maar de neiging van het zinnebeeld is te werken als een dam voor de stroom van de godsvrucht, en die daar te doen eindigen!
God verhoede dat wij ooit de regels zouden schenden die Christus ons voorgeschreven heeft! De geringste afwijking van de eenvoudigheid van het evangelie kan ons wegleiden in volslagen afval. Waar zijn alle dwalingen van Rome vandaan gekomen dan uit kleine aangroeiingen en veranderingen? Een klein sieraad hier, een klein zinnebeeld daar, en een kleine verandering van de waarheid ginds — en zo is het reusachtige stelsel van het roomse wezen ontstaan. Gideon bedoelde het waarschijnlijk goed, en wij kunnen verkeerd doen zelfs wanneer wij het goed bedoelen. Moge de Heere ons bewaren van de kleinste afwijking van de weg die Hij ons in Zijn heilig Woord afgetekend heeft. Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Toen zeiden de mannen van a) Efraïm tot hem, tot Gideon, toen zij hem aan de overzijde van de Jordaan ontmoetten: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riep, evenals gij die van Manasse, Aser, Zebulon en Nafthali (6: 35) geroepen hebt, toen gij heentrok, om te strijden tegen de Midianieten? en zij twistten sterk met hem; zij gaven hem met hevige en harde woorden hun ontevredenheid te kennen, die des te groter was, omdat zij op de eerste rang onder dekinderen van Israël aanspraak maakten, en daarom meenden, dat zo’n onderneming niet zonder hen plaats had mogen hebben.
Richteren 12: 1
Hij daarentegen, tegenover hun eerzucht des te grotere bescheidenheid stellende, zei tot hen: Wat heb ik nu tot verlossing gedaan, zoals gij? zijn niet de nalezingen van Efraïm beter dan de wijnoogst 1) van Abi-ezer? Is hetgeen gij tenslotte verricht hebt niet meer, dan hetgeen ik met het geslacht van Abi-ezer deed.
Met de wijnoogst bedoelt hij de eerste aanval, die niets anders ten gevolge had, dan dat de vijanden op de vlucht gingen; met de nalezing de door de Efraïmieten behaalde overwinning. Tegenover deze overwinning had zijn onderneming niets te betekenen; de roem van de dag behoorde hen alleen.
God heeft de vorsten van de Midianieten, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, zoals gij gedaan hebt? 1) Toen liet hun toorn 2) van hem af, toen hij dit woord sprak, en alzo hun gekrenkte eerzucht tevreden stelde.
De door de Efraïmieten bevochten overwinning moet inderdaad van grote betekenis zijn geweest, omdat deze nog door Jesaja (10: 26) als een grote slag van de Heere tegen Midian vermeld wordt.
Aan de ene zijde wendt Gideon, die hier waarlijk groot is, de toorn af van Efraïm maar geeft toch ook aan de andere zijde en doet dit zijn bedillers goed voelen al de eer aan de Heere God. Eigen eer geeft hij prijs, opdat de vrede bewaard zou blijven onder de stammen, maar duldt ook niet, dat het hoogmoedige Efraïm zelf zal roemen op zijn overwinning. Inderdaad was de overwinning van Gideon veel groter dan die van Efraïm, omdat deze slechte een reeds verschrokken vijand had verslagen.
Zelfs in zijn overwinningen is Gideon niet zo groot als hier; in zijn ootmoed is hij verstandiger, dan de verblinde stamgenoten in hun hoogmoed. De verdienste van Efraïm was zeker groot, daar nog door Jesaja (10: 26) deze een grote slag van de Heer tegen Midian genoemd wordt, maar toch slechts een mindere. Zij hadden slechts de verschrokken vijand verslagen, die hij in hun handen gejaagd had. Gideon had hen met weinig woorden kunnen doden bij hun twist en vragen, waarom het hoogmoedig Efraïm niet zelf de Midianiet had aangevallen of Israël daartoe opgeroepen had; maar het is de ootmoed, die eigen daden klein, andere daden groot acht. Door die ootmoed sticht hij vrede en bewaart hij de eenheid onder Israëls stammen (Spreuken 15: 1; 25: 15 laat hij zijn tegenstanders voelen, wie al de eer toekomt, namelijk de HEERE, deze gaf Oreb en Zeëb in hun hand.
Eigenlijk staat er: hun snuiven. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat hun toorn heftig was het was de toorn van de gekrenkte eerzucht zij snoven, zoals een woedende os, van boosheid.
Toen nu Gideon, na de Midianieten op de vlucht gedreven en de Efraïmieten te hulp geroepen te hebben (7: 19-24a), gekomen was aan de Jordaan, in de nabijheid van Beth-sean om de naar deze zijde vluchtenden (7: 22) te vervolgen, terwijl de anderen die zich naar het zuiden gewend hadden, door de Efraïmieten gevangen werden (7: 24b-25) ging hij over met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moe en uitgeput van gebrek, nochtans vervolgende. 1)
In het Hebreeuws Ajeefim weroodfim. Afgemat en vervolgende, d.w.z. afgemat van het vervolgen of letterlijk: afgemat, omdat zij vervolgende waren. Dit is zeer goed te begrijpen, omdat zij minstens een dag en nacht reeds zonder slaap waren geweest en, zoals duidelijk uit het volgende vers blijkt, de voedselvoorraad reeds was verbruikt.
Maar de oversten Van Sukkoth zeiden: 1) Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmûna reeds in uw hand? Hebt gij deze vorsten reeds in uw macht, en hun de handen gebonden, dat wij aan uw leger brood zouden geven2) en ons zo de wraak van die vorsten op de hals zouden halen?
Eigenlijk staat er zei, omdat één van de oversten van Sukkoth hoogstwaarschijnlijk het woord voerde. De inwoners van Sukkoth schijnen met vrees voor de Midianieten zozeer bevangen te zijn, dat zij zelfs aan de overwinnende Gideon niet de geringste hulp durfden bieden uit bezorgdheid, dat zij later door de Midianieten daarvoor zouden worden gestraft.
Het ongeloof in de hulp en redding van de Heere had hen zo verblind, dat zij zelfs niet aan de overwinning van Gideon op een vluchtende vijand geloven. Het ongeloof verblindt geheel en al.
In deze rede ligt niet alleen laffe vrees, maar ook honende verachting van Gideons geringe krijgsmacht, waarmee hij toch niets tegen de vijand kon verrichten, als wilden zij zeggen: Het is nog verre van hetgeen gij u inbeeldt; Zebah en Tsalmûna zullen die paar mannen spoedig neerslaan.” Zo gebeurt het nog altijd, dat mannen die de beste bedoelingen hebben, bij hun gewichtigste en heilzaamste ondernemingen, wanneer zij met gevaar van hun leven de eer van God en het algemeen welzijn zoeken, geen hulp, maar velerlei tegenstand hebben.
De inwoners van Sukkoth geloofden niet en zagen daarom ook in Gideons overwinning de hand van de Heere niet. Het materialisme, dat liever een knecht van een vreemde tiran is, eer het iets op het spel zet, kan niet beter dan hier getekend zijn.
Toen zei Gideon: Dit antwoord, waarmee gij tot verraders van uw volk wordt, en niet zozeer mij als de Heere, onze God, bespot, zal niet ongestraft blijven; daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmûna in mijn hand geeft, en dit zal zeker gebeuren, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen uit de woestijn 1) en met distels; 2) op gevoelige wijze zal ik u straffen.
Deze woestijn tussen Sukkoth en Pnuël was degene, die Jakob doortrok, toen hij met God geworsteld en te voren de legers van de Engelen gezien had. Hiernaar wordt zij de woestijn van Mahanaïm genoemd (Jud 8: 7). Doornen uit de woestijn, niet alleen van doornen, maar van doornen uit de woestijn spreekt Gideon, omdat deze krachtiger en sterker waren. Zonder twijfel dreigt hij hier met een geduchte strafoefening, omdat zij niet hem behulpzaam wilden zijn in het verdelgen van de vijanden en de onderdrukkers van het volk.
Sommigen menen, dat hij voornemens was om als hun naakte lichamen met doornen en distels bedekt waren, over hen een zwaar wiel te laten gaan, om die diep in hun vlees te drukken, en dood te pletteren. Zo’n straf heeft David aan de Amorieten voltrokken; zie 2 Samuel .12: 31.
Verschillende meningen bestaan er, waarom Gideon juist met deze straf dreigde. Kimchi meent, dat het een zinspeling is op de naam Sukkoth (Sikkim = doornen). Waarschijnlijker is dat, omdat de mannen van de stad de hongerige helden naar de woestijn verwezen, waar slechts doornen en distels te vinden waren, hun antwoord was: “Wij zullen ze halen voor u.”.
Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende: Als ik met vrede, als overwinnaar wederkom, zal ik deze toren, deze burg, waarop gij u meer dan op de Heere verlaat, afwerpen, en in een puinhoop veranderen. 1)
Men heeft gevraagd, van waar nu Gideon voor zijn mannen iets verkregen heeft, om hun honger te stillen, die nu tot het hoogste moet gestegen zijn; waarschijnlijk heeft Gideon hier de Efraïmieten ontmoet (7: 25), die, na tevreden gesteld te zijn (8: 1-3) zich zijn nood zonder twijfel zullen aangetrokken hebben.
Hij waarschuwde hen, hoe hij hen straffen zou, om daarmee te betogen het vaste vertrouwen, dat hij op de toezegging van God had; om daardoor aan te duiden, hoe weinig hij om die reden aan de goede uitslag van zijn krijgstocht wanhoopte en om hen gerechtigheid te geven, ten einde indien zelfs maar het geringste greintje of vonkje van genade en overdenking in hen was overgebleven, zij bij nadere betrachting en overlegging berouw moesten krijgen over hun dwaasheid, zich moesten vernederen en middelen mochten uitdenken, om daarvoor boete te doen, en zonder twijfel zou Gideon, indien zij dit gedaan hadden, hen hun dwaasheden hebben vergeven (Jud 8: 9).
En Gideon trok opwaarts van Pnuël, de weg van de Skeniters d.i. van hen, die in tenten wonen, 1) van de in de woestijn wonende nomaden, tegen het oosten van Nobah (= luide stem) en Jogbeha 2) (= verheven), aan de beide oostelijke grenspunten van de stam Gad, en hij sloeg dat leger, hij overwon het met zijn 300 mannen, want het leger was zorgeloos, 3)het vermoedde hier, nu het weer in zijn eigen land was, geen aanval meer.
Gideon trok dus door de woestijn en viel de vijand in de achterhoede aan. Natuurlijk vermoedde hij hier geen aanval meer en had hij zich ter ruste begeven. Vandaar dat er ook staat, want het leger was zorgeloos. Het had op geen strijd meer gerekend.
J.L.Burkhardt uit Basel, aan wie wij naast Seetzen het meest de kennis van het Oost-Jordaanland en van Steenachtig Arabië te danken hebben (overl. 1817 te Caïro) vond op de weg van Ramoth in Gilead naar Rabbath-Ammon ter linkerzijde de drie verwoeste plaatsen Dschebeiha, Nowakis en Karkagheisch. De eerste is zonder twijfel het Bijbelse Jogbeha. De tweede is waarschijnlijk het in Num.21: 30, bedoelde Nafat, dat hier Nobah heet, en niet met een tweede Noba (vroeger Kedath, Num.32: 42) mag verwisseld worden. De derde plaats, ongeveer 1 1/2 uur noordwestelijk van Rabbath-Ammon is wellicht het in vs.10 genoemde Karkor; want het kasteel Carcaria, dat anderen voor ons Karkor houden, ligt, zoals Gesenius terecht opmerkt, veel te zuidelijk, een dagreis van Petra in het Edomietengebergte.
De zorgeloosheid en zekere gerustheid van de zondaren valt altoos uit tot hun verderf, en de gevaren zijn meest noodlottig en vreselijk, wanneer zij het minst geacht en gevreesd worden (Jud 8: 11).
En Zebah en Tsalmûna vloden; maar hij jaagde hen na; en hij a) ving de beide koningen van de Midianieten, Zebah en Tsalmûna, en verschrikte het gehele leger, dat overal zijn behoud in de vlucht zocht.
Psalm 83: 12
Toen nu Gideon, de zoon van Joas, zegerijk de beide vorsten met zich voerende, van de strijd terugkwam, nadat hij eerst zijn bedreiging (vs.8) aan Pnuël volbracht had (vs.17) en de stad Sukkothnaderde, vóór de opgang van de zon. 1)
In het Hebreeuws Milmaàleh hachares. De LXX: apo epanwyen thv parataxewv. Arev. De Septuaginta vertaalt, van bij de opgang van Hares. Zo hebben ook de oudste vertalingen weergegeven. Ons inziens is dit ook de beste vertaling.
De woorden van de grondtekst zijn zeer moeilijk te verklaren. Sommigen vertalen “eer de zon ondergegaan was”, anderen “van bij de opgang van de Heer” (Jud 8: 13).
En de toren van Pnuël wierp hij, zoals hij eveneens bedreigd had, af, 1) en doodde de mensen van de stad, daar zij zich tegen hem verzetten en tot belegering dwongen.
Dit gebeurde waarschijnlijk vroeger dan de wraak te Sukkoth, omdat de terugkeer van Karkor over Pnuël naar Sukkoth was, en naar tijdorde bij vs.13 verteld had moeten worden. Het hoofddoel was echter te verhalen wat met Sukkoth gebeurd was. Bij deze strafoefening moet men bedenken, dat de misdaad niet gering was, en een ernstige tuchtiging verdiende. Gideon vraagde niet veel van hen, slechts enige broden tot verkwikking van het afgematte lichaam; dat weigerden hem de inwoners van deze steden niet alleen, maar zij voegden er nog bittere spotredenen bij. Daarmee betoonden zij openbare verraders en vijanden van hun vaderland te zijn; want zij zochten de overwinning van de vijanden, zoveel mogelijk was, te verhinderen. Daarbij kwam een onverantwoordelijk ongeloof. Het verschrikte leger van de Midianieten was door een geheel wonderbare nederlaag zo versmolten, dat de vluchtende koningen slechts 15.000 man meer over hadden; toch kwam het de mensen van Sukkoth en Pnuël onmogelijk voor, dat Gideon dit overschot zou kunnen bedwingen, alsof God geen aandeel in deze overwinning had. Daarom was het billijk, dat zij als verraders van God en als vijanden van het vaderland, anderen ten voorbeeld, zo gevoelig gestraft werden. Wij moeten niet vergeten, dat Gideon uit kracht van zijn ambt niet alleen verlosser van het volk was, maar ook handhaver van de gerechtigheid van God. De inwoners van Sukkoth en Pnuël hadden de eer van God aangetast, de legerscharen van de levende God gehoond, en daarom moesten zij door Gideon voor deze aantasting van de eer van God gestraft en gekastijd worden. Het was het voltrekken van het geschonden recht van God aan hen, opdat zij aldus zouden leren met waarachtige boete en berouw tot God terug te keren, en berouw te hebben over hun liefdeloosheid jegens hun broeders.
Wellicht dat de inwoners van Pnuël op hun toren hadden betrouwd als een zeker en vast bolwerk tegen de vijanden, de Midianieten. Daarom wordt eerst die toren omgeworpen en worden daarna de verachters van God gedood.
Daarna zei hij tot Zebah en Tsalmûna, toen hij met hen in zijn woonplaats Ofra aangekomen was: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor 1) (steengroeve) dood sloeg? En zij zeiden: Zoals gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.
Of in de stad van deze naam, de grensplaats tussen Zebulon en Issaschar (Joz.19: 22), of op een plaats van de berg (4: 6,12). Van deze moord van de lichamelijke broeders van Gideon is te voren geen melding gemaakt. De Heilige Schrift deelt dan ook nergens de geschiedenis van de bloedverwanten van de geloofshelden mee, maar stelt overal het rijk van God en zijn geschiedenis op de voorgrond; hier wordt deze gebeurtenis alleen meegedeeld, omdat zij in de gang van de geschiedenis intreedt en van betekenis wordt.
En hij zei tot Jether 1) (= voortreffelijkheid), zijn eerstgeborene (vs.30): Sta op, dood hen, opdat zij tot des te grotere smaad door de hand van een knaap sterven; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde het bevel van zijn vader te volbrengen, omdat hij nog een jongeling was.
Omdat ook Jether als Gideons zoon een van de naaste bloedverwanten was en daarom het recht van de bloedwraak mocht uitoefenen, werd hij door zijn vader vermaand, om deze koningen te doden.
Toen zeiden Zebah en Tsalmûna tot Gideon: Sta gij zelf op, en val op ons aan, om ons te doden, want zo de man is, zo is zijne macht, niet de zwakke knaap, maar een man, wiens kracht toereikend is komt zo’n strafoefening toe.a) Zo stond Gideon op van zijn rechterstoel, en doodde Zebah en Tsalmûna met eigen hand, en nam de maantjes, maanvormige sieraden van zilver en goud, die aan de halzen van hun kamelen waren en hem als buit ten deel vielen.
Psalm 83: 12
Ook de laatste handeling met deze roverkoningen is een held als Gideon waardig. Zijn vijanden, voornamelijk zo wilde en gruwelijke, het leven te schenken, was in de oudheid, en vooral in het oosten, niet gewoon. Pyrphus spreekt bij Seneca (vergel. Grotius, de Jure pacis et belli III: 4,10: “Lex nulla capto parcit aut poenam impedit” geen wet spaart de gevangene, of verhindert de straf); zelfs Josephus legt Elsa het woord in de mond, dat men de in een rechtmatige strijd gevangen doden kon, wat hij echter niet gezegd heeft (Aschaeol 9,4. 4). Maar Gideon, die ondanks hun vijandschap de koninklijke stand van de gevangenen acht; mocht hen sparen, en voelt zich genoodzaakt hun aan te wijzen, waarom hij hen niet sparen mag; daardoor vernemen wij een gebeurtenis, die overigens onbekend is en ons slechts doet beklagen, dat zo veel niet tot onze kennis gekomen is. Alzo hadden de koningen de lichamelijke broeders van vader en moeders zijde op de berg Thabor gevangen en verslagen, misschien na een gevecht dat daar de stam van Manasse eerst, maar zonder Gods hulp, had ondernomen. Zij werden gedood, hoewel zij hun vaderland verdedigden, en hoewel zij, zoals Zebah en Tsalmûna vleiend zeggen, evenals Gideon, dezelfde koningszonen waren. Hun koninklijke houding, hun ridderlijke dapperheid is dus niet geëerd. En zou Gideon hen dan sparen, die zeven jaar lang geroofd en gemoord hadden? Dat is onmogelijk; het zwaard van Gideon is een straffende macht, maar voor een rechtvaardige zaak gewet. Toen Turnus Aeneas om zijn leven bad, herinnerde zich deze dat geen Pallas de zoon van Evander verslagen had; toen riep hij: “furiis accensus et ira terribilis” (in woede ontstoken en ontzaglijk door zijn wraak) uit: “Pallas te immolat etc.” (Pallas offert
(Virgil. Aen. 12: 949). En toch streed Turnus tegen vreemden en Pallas was van Aeneas noch zoon, noch broeder. Het bericht, dat het geslacht van Joas reeds vroeger voor Israël gebloed heeft, laat ons de reden vinden, waarom juist Gideon tot overwinnaar verkoren was. Ondanks dit handelt hij niet wreed, of ten spot of met het doel om te pralen. Hij handelt niet smadelijk, zoals Sapor tegen de Romeinse keizer Valerianus, of volgens de legende bij Eutychius, als Galerius tegen Sapor, en natuurlijk niet als Timur tegen Bajazet gedaan zal hebben. Het was nog eer genoeg, wanneer hij zijn oudste zoon tot volvoerder van het oordeel wilde maken. Deze, een knaap, en zoals het schijnt vreesachtig, vreest tegen de machtige nog met koningskleren getooide vijanden het zwaard te trekken. Het zijn werkelijk gruwzame krijgers geweest; zij bidden niet om hun leven zoals Turnus en de Homerische krijgslieden doen, maar zij willen door hun gelijken verslagen zijn, niet door de handen van een knaap gewond en afgemaakt; zij hebben geen andere bede aan Gideon, dan dat hij zelf hen dode en hij doet het; zij vallen door zijn zwaard, en de maantjes, die tot hiertoe op hun kamelen als tooisel gehangen hebben, neemt hij nu af, waaruit blijkt; dat zij tot zo lang als koninklijke gevangenen behandeld zijn. Daardoor dat Gideon eerst na de dood van de koningen de spangen afneemt, weet men, dat deze bijzondere tekenen van de koninklijke waardigheid zijn, en wel in de vorm van manen. Zo had Apollonius van Tyana van de koning van de Perzen ten geleide een kameel verkregen, dat de tocht opende en in de gouden spang aan het voorhoofd het koninklijk teken had (Philostr. lib. II, c. 1). Het paard van Parthenopeus, de fabelachtige bestormer van Thebe, draagt in het gedicht van Statius (cf. Bochart, Hier. I, 17) een maanvormig tooisel (lunata monilia). Er wordt een Arabische spreekwijze aangevoerd: een kameeltooisel aan de maan gelijk (Ritter 12: 486). Het was een wapen van de Ismaëlieten, die vereerders van de maan waren (Herod. 3: 8), zoals een zoon van Joktan in de Schrift (Genesis1: 26) Jerach = maan, heet. Van daar het teken van de halve maan bij de tegenwoordige Arabische Osmannen, want ook de lunulae, die bij de oude Romeinen de schoenen van de senatoren en edelen versierde, en wier betekenis in de oudheid duister was (Plut. Quest. Rom. 73), hadden de vorm van een halve maan.
IV. Vs. 22-27.Kruisverwijzingen1 Samuël 10:19→Richteren 17:5→Richteren 18:14→Genesis 25:13→Psalmen 106:39→Richteren 18:17→Deuteronomium 7:16→Genesis 37:28→
— Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt. Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen. Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren. En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof. En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren. En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.
Na zijn terugkeren in zijn vaderstad wordt aan Gideon door de hoofden van de noordelijke stammen de waardigheid van erfelijk koning aangeboden. Uit waarachtige trouw jegens de Heere weerstaat hij de verzoeking, om zichzelf en zijn huis groot te maken, wel bezwijkt hij bij een andere, die zijn gedachten hem bereiden, terwijl hij zijn verhouding tot de Heere voor de toekomst meent te moeten verzekeren. Hij laat van de gemaakte buit zich goud en versierselen maken en daarvan een hogepriesterlijke lijfrok vervaardigen, om door middel van deze ook verder goddelijke openbaringen in gewichtige belangen van het volk te verkrijgen; hij vervreemdt daardoor Israël van zijn rechtmatig heiligdom en van de wettige godsdienst, en bereidt zo de afval van de eerstvolgende tijd voor.
Toen de overwinning zo schitterend bevochten was, zeiden de mannen van Israël, waarschijnlijk de in 6: 35 genoemde noordelijke stammen, die het meest van de Midianieten had moeten lijden, tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon (vs.20)en uw zoons zoon; wij bieden u de waardigheid van erfelijk koning aan, omdat gij ons van de hand van de Midianieten verlost hebt. 1)
Verwonderingwekkend was het, dat hij een groot leger tot in de woestijn van de rotsen had vervolgd en de vijand uit zijn holen had gerukt. Wie zou zich als Gideon in de vreselijke Harra gewaagd hebben vs.11vv.), om daar zijn koninklijke buit te halen! Wat een indruk maakte zijn beslistheid, zijn dapperheid, zijn matiging en kracht! Bewonderde men zijn bescheidenheid in het antwoord aan Efraïm, zo verschrikte men voor de kastijding aan Pnuël gegeven, voor de vergelding aan de koningen. Bij het volk beslist altijd de uitslag. Hoe verblindend groots en verrassend was deze! Israël voelt, het begeeft zich onder een man, niet naar het lichaam, maar naar de geest een hoofd lengte boven hen. Het is geen wonder, dat Israël, samengestroomd om de zegen en zijn buit te zien, bij hem aandringt en spreekt: “Heers over ons”.
Maar Gideon, met onwankelbare trouw zich vasthoudende aan de goddelijke ordening, volgens welke Jehova zelf de Koning over Israël wilde zijn, zei tot hen: Ik zal over u niet heersen, ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE, die opnieuw getoond heeft dat Hij u zonder zichtbare koning kan verzorgen en beschermen, zal ook voortaan over u heersen. 1)
Onze held heeft ook hier, zoals wij reeds boven (Jud 6: 32: ) opmerkten, een navolger in de geschiedenis. In de 11de eeuw na Christus ondernam de hertog van Lotharingen, Godfried van Bouillon, een kruistocht naar het beloofde land, om de heilige stad aan de handen van de ongelovigen te ontrukken. Na onbeschrijfelijke moeilijkheden bereikte hij het begeerde doel, overwon de vijanden en veroverde Jeruzalem. Toen hij door de verbonden vorsten éénstemmig tot koning van Jeruzalem verkozen werd, wees hij de hem aangeboden waardigheid af met de woorden: “Ik wil geen gouden kroon dragen, waar de Heiland van de wereld een doornenkroon droeg”.
Gideon wijst de koningskroon af, niet omdat hij van mening is, dat er volstrekt geen koning over Israël mocht heersen, maar omdat hij zich niet tot dat ambt door God geroepen acht. Alleen tot richter is hij van God geroepen. De Heere zelf moest door Israël als zijn wettige koning vereerd worden. Gideon beseft, dat het nog niet de tijd is, wanneer over Israël zichtbare koningen zullen heersen.
Voorts zei Gideon tot hen, omdat hij meende de priesterlijk-profetische plaats, die de Heere hem gegeven had, te moeten bewaren; Eén begeerte zal ik van u begeren; geeft mij maar een ieder een voorhoofdsiersel 1) vanzijn roof, die hij van de Midianieten geroofd heeft, opdat ik mij een hogepriesterlijke lijfrok laat maken, en voortaan de godsdienst in onze stam zelf verrichten kan. Want zij, de Midianieten, hadden gouden voorhoofdsierselen
gehad, omdat zij Ismaëlieten, 2) Nomadische volken van noordelijk Arabië waren, die zich allen met vele gouden en zilveren sieraden pleegden te omhangen.
Het Hebreeuws woord hier voorhoofdsiersel vertaald, betekent of: een oorring, of: een neusring, zoals de oosterse vrouwen nog heden dragen. Wellsted bericht in zijn “Reizen in Arabië”: “de vrouwen in Oman besteden aanzienlijke sommen tot aankoop van zilveren versiersels, en haar kinderen zijn er letterlijk mee beladen. Ik heb soms 15 oorringen aan iedere zijde geteld, en hoofd, borst, armen en vingers zijn op dezelfde overdadige wijze versierd.”.
Ismaëlieten is de algemenen naam voor de nomadische volken, die in de woestijn van Arabië woonden. Tot hen behoorden ook de Midianieten.
En het gewicht van de gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkels goud,
ongeveer 50 pond, zonder de maantjes en ketenen en purperen kleren, die de koningen van de Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden die aan de halzen van hun kamelen geweest waren.
Als men rekening houdt met hetgeen Wellsted (zie boven) meedeelt en dan berekent, dat er vóór dat Gideon Zebah en Tsalmûna gevangen nam, reeds 120.000 man waren verslagen met behulp van Efraïm, dan behoeft het ons niet te verwonderen, dat een ontelbare menigte van gouden sieraden in het bezit van Gideon en zijn soldaten was gekomen.
En Gideon maakte daarvan een efod, een lijfrok met de borstlap en de Urim en Tummim daarin, zoals de hogepriester die droeg (Exod.28: 6-30),en stelde die 1) in zijn stad, te Ofra, hij bewaarde die daar, om daarin priesterlijke werkzaamheden te verrichten, en de Heere naar Zijn wil te vragen: en geheel Israël hoereerde aldaar dezelfde lijfrok na, 2) omdat het zich van het heiligdom te Silo en van de wettige hogepriester afkeerde, Gideon als zijn priester beschouwde en alzo het verbond van de Heere verbrak; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik, 3) een oorzaak ten val, zoals het volgende hoofdstuk zal meedelen.
Ook kan men vertalen door, bewaarde die. Gideon richt die efod niet op als een soort afgodsbeeld, om zich daarvoor neer te buigen, maar bewaart die én als een herinnering aan zijn overwinning, én met het doel, om met deze gekleed, priesterlijk ambtsbezigheden te verrichten.
Wij mogen geloven, dat Gideon geheel te goeder trouw is geweest, en het volstrekt niet gedaan heeft uit eerzucht. Als een eerzuchtige doet hij zich hoegenaamd niet kennen. Hij heeft gemeend, dat hij werkelijk door God geroepen is, om ook in te treden in de priesterlijke werkzaamheden, maar bedacht daarbij niet, dat dit niet alleen in strijd was met de Levitische wetten, maar ook met de theocratische eenheid van Israël hierin zich openbarende, dat Israël bij één Heiligdom moest vragen naar de wil van de Heere, en op één altaar de offeranden ter verzoening moest brengen. Ongetwijfeld heeft hij de bekende rotssteen tot altaar gebruikt.
Wellicht dat de afkeer voor de hogepriester, zoals hieronder wordt opgemerkt, daarvan de oorzaak is geweest, maar ook kan het zijn reden hebben in het feit, dat Silo in Efraïm lag, en de overige stammen zich niet konden verenigen met het overmoedige en naar de voorrang strevende Efraïm.
De hogepriester van die tijd uit de lijn Eleazar was zonder twijfel een man, die zijn ambt onwaardig was; dit kunnen wij reeds daaruit besluiten, dat 54 jaar later het hogepriesterlijk ambt vervuld wordt (1 Samuel .3: 3,12) door Eli, die niet meer uit deze lijn, maar uit die van Ithamar was, hetgeen tegen Gods oorspronkelijke instelling was (Nu 25: 13). Bovendien maakte de stam van Efraïm door zijn streven naar de voorrang, zich zeer onbemind (vs.1-3); het kon dus wel wenselijk schijnen, deze stam, die er zich veel op liet voorstaan, dat het heiligdom zich in zijn midden bevond (Joz.18: 1), daardoor te verootmoedigen, dat men elders de godsdienst verrichtte. Nu had de Heere Gideon met een zichtbare verschijning in Zijn Engel verwaardigd, had diens gave als een Hem welgevallig offer aangenomen, hem een altaar laten bouwen en door een daar aangebracht brandoffer de ware godsdienst in Israël weer laten herstellen, ook herhaaldelijk hem Zijn wil bekend gemaakt en door de glorierijke overwinning over de Midianieten, hem als Zijn tot redder en richter van het volk verkoren knecht, plechtig bevestigd. Dientengevolge is het wel te verklaren, hoe Gideon ertoe kwam, bij dat altaar te Ofra (6: 24vv.) een geregelde godsdienst in te richten, zelf de priesterlijke dienst op zich te nemen en door middel van de lijfrok de openbaring van de Heere aan zijn persoon te verbinden. Toch deed hij daarin grote zonde, want, wanneer iets ook nog zo goed en heilzaam schijnt naar menselijke gedachten, zo is het toch niets dan dwaasheid en vermetelheid, zodra het met het woord en de wil van God in strijd is. De vloek bleef ook niet uit. Zoals Israël, nadat het eens van het rechtmatig heiligdom afgevallen was, des te gemakkelijker in de Baäldienst wegzonk (vs.33vv.), zo hing over Gideons familie thans een beklagenswaardig lot, dat met deze zonde in verband stond. Op dezelfde plaats, waar Gideon de onwettige godsdienst instelde, werden later zijn zonen door de hand van hun halve broeder omgebracht (5).
Gideon slaat koningen op de vlucht, vindt hen als leeuwen in hun holen, verslaat ze met eigen hand, maar hij wil geen koning worden. Van God is de heerschappij, zo spreekt hij, want God was de overwinning. In Israël wordt men niet door grootheid koning, maar door roeping van God. Wie zou de titel van God aannemen, aan wie alles in Israël toekomt. Zo lang wij God geven wat God is, zullen wij ook hebben wat ons goed is. Maar toen Gideon de Efod stelde, wilde hij een eer hebben voor zijn huis. En deze enige eer, die hij voor zich zocht, boven die, die hij bezat, heeft zijn huis verwoest. Zo laat ons boven alles naar het rijk van God trachten. Het andere wordt u toegeworpen. Zodra wij echter ons zelf naast God proberen te eren en te vereeuwigen vallen roem en arbeid in het stof.
V. Vs. 28-35.KruisverwijzingenRichteren 9:5→Richteren 9:2→Richteren 9:4→Richteren 9:46→Richteren 5:31→Genesis 25:8→Richteren 2:17→Richteren 2:19→
— Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon. En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis. Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen. En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech. En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets. En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God. En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.
Terwijl nu Gideons eigen geschiedenis met berichten over zijn verder leven gesloten wordt, wordt tevens die van zijn huis en van de kinderen van Israël na hem ingeleid. Uit zijn ontrouw aan de Heere komt een gericht voort over zijn huis en over zijn volk, niet weer door buitenlandse vijanden maar door binnenlandse strijd. Zo zoekt de Heere de ondankbaarheid van Israël jegens Hem.
Alzo, zoals (6: 33-8: 12) verteld is, werden de Midianieten ten ondergebracht voor het aangezicht van de kinderen van Israël, en hieven hun hoofd niet meer op; zij beproefden niet meer, om hen te overvallen en te verdrukken. En het land was stil veertig jaar (van 1209-1169 voor Christus) in de dagen van Gideon, zo lang hij leefde.
En zijn bijvrouw, een dienstmaagd, die hij tot bijvrouw (9: 18) aangenomen had (volgens Josefus heette zij Duma), dat te Sichem was, in het huis van haar vader, baarde hem ook een zoon boven de genoemde 70 zonen uit zijn wettige vrouwen; en hij noemde zijn naam Abimelech1) (= koningsvader of “mijn vader is koning) (Genesis20: 2).
Men kan ook vertalen: “men noemde enz”. De moeder is waarschijnlijk de naamgeefster geweest. Wellicht heeft deze ontevreden over het weigeren van de koninklijke waardigheid door Gideon (vs.22vv.), vroegtijdig in haar zoon de gedachte gevoed, om na zijn vaders dood de dynastie te stichten.
De namen van de zonen worden niet genoemd, wel die van Abimelech, met het oog op hetgeen in het volgende hoofdstuk wordt bericht.
En Gideon, de zoon van Joas stierf, na verloop van die 40 jaar (vs.28) in goede ouderdom,
zonder het gericht over zijn huis te beleven: en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, de stad van de Abi-ezriet (van de vader van de Ezrieten, 6: 11).
D.w.z. in vrede, zonder dat over hem het gericht kwam, dat later over zijn zonen kwam. Als een held van het geloof had hij gestreden, als een gelovige stierf hij in de hoop van het eeuwige leven.
En het geschiedde, toen Gideon gestorven was, dat de kinderen van Israël zich van de ware godsdienst, die Gideon door zijn aanzien steeds in stand gehouden had, omkeerden en, evenals voorheen, de Baäls navolgden: en zij stelden zich Baäl Berith 1) (= heer van het verbond), de afgod van de Kanaänieten, die vooral te Sichem vereerd werd (9: 4,46), tot een god.
Baäl wordt hier Baäl-Berith, d.i.Verbonds-Baäl genoemd, omdat hij in de plaats kwam van Jehova, aan wie het volk zich plechtig verbonden had. De verering van Baäl werd nu geheel een navolging van de verering van de HEERE. Israël bedacht niet, dat het daardoor de Heere, zijn Verbondsgod, bespotte.
En, zoals zij hun hoogste weldoener vergaten, zo deden zij ook geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaäl, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israël gedaan had, 1) door reiniging van de ingedronge Baälsdienst en redding van de vijanden; zij lieten zijn zonen ongehinderd door Abimelech ombrengen, en ondersteunden hem zelfs door geld (9: 1vv.).
Opzettelijk wordt hier Gideon bij zijn naam Jerubbaäl, d.i. Baäl-bestrijder genoemd, omdat Israël, in plaats van zijn nagedachtenis te eren, door de Baäls tegen te staan, zich nu weer aan die volle afgodendienst overgaven.
Wanneer men aan satan eenmaal ruimte geeft, zo rust hij niet, voordat hij ons van de ene zonde in de andere en steeds in grotere stoot (2 Samuel .11: 2-27).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel