Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Voorts zongH7891 DeboraH1683, en BarakH1301, de zoonH1121 van AbinoamH42, ten zelvenH1931 dageH3117, zeggendeH559:
Voorts zong Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, ten zelven dage, zeggende:
KJV
Then sang1
Deborah2
and Barak3
the son4
of Abinoam5
on that day,6
saying,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
LooftH1288 den HEEREH3068, van het wrekenH6544 der wrakenH6546 in IsraelH3478, van dat het volkH5971 zich gewillig heeft aangeboden.
Looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israel, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden.
Ook in dit vers
gewillig aangebodenH5068
KJV
Praise6
ye the LORD7
for the avenging1
of Israel,3
when the people5
willingly offered
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HoortH8085, gij koningenH4428, neemt ter oren, gij vorstenH7336! IkH595, den HEEREH3068 zal ikH595 zingenH7891, ik zal den HEEREH3068, den GodH430 IsraelsH3478, psalmzingenH2167.
Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.
Ook in dit vers
neemt orenH238
KJV
Hear,1
O ye kings;2
give ear,3
O ye princes;4
I, even I, will sing8
unto the LORD;6
I will sing9
praise to the LORD10
God11
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
HEEREH3068! toen Gij voorttoogtH3318 van SeirH8165, toen Gij daarheen traadtH6805 van het veldH7704 van EdomH123, beefdeH7493 de aardeH776, ookH1571 droopH5197 de hemelH8064, ookH1571 dropenH5197 de wolkenH5645 van waterH4325.
HEERE! toen Gij voorttoogt van Seir, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.
KJV
LORD,1
when thou wentest out2
of Seir,3
when thou marchedst out4
of the field5
of Edom,6
the earth7
trembled,8
and the heavens10
dropped,11
the clouds13
also dropped14
water.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De bergenH2022 vervlotenH5140 van het aangezichtH6440 des HEERENH3068; zelfsH2088 SinaiH5514 van het aangezichtH6440 des HEERENH3068, des GodsH430 van IsraelH3478.
De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinai van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israel.
KJV
The mountains1
melted2
from before3
the LORD,4
even that Sinai6
from before7
the LORD8
God9
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
In de dagenH3117 van SamgarH8044, den zoonH1121 van AnathH6067, in de dagenH3117 van JaelH3278, hieldenH2308 de wegenH734 op, en die op padenH5410 wandeldenH1980, gingenH3212 kromme wegenH6128.
In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jael, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.
KJV
In the days1
of Shamgar2
the son3
of Anath,4
in the days5
of Jael,6
the highways8
were unoccupied,7
and the travellers9
walked11
through byways.13
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De dorpenH6520 hieldenH2308 op in IsraelH3478, zij hieldenH2308 op; totdatH5704 ik, DeboraH1683, opstondH6965, dat ik opstondH6965, een moederH517 in IsraelH3478.
De dorpen hielden op in Israel, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israel.
KJV
The inhabitants of the villages2
ceased,1
they ceased4
in Israel,3
until that I Deborah7
arose,6
that I arose8
a mother9
in Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
VerkoosH977 hij nieuweH2319 godenH430, dan was er krijgH3901 in de poortenH8179; werd er ook een schildH4043 gezienH7200, ofH518 een spiesH7420, onder veertigH705 duizendH505 in IsraelH3478?
Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israel?
KJV
They chose1
new3
gods;2
then was war5
in the gates:6
was there a shield7
or spear10
seen9
among forty11
thousand12
in Israel?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Mijn hartH3820 is tot wetgeversH2710 van IsraelH3478, die zich gewillig aangebodenH5068 hebben onder het volkH5971; looftH1288 den HEEREH3068!
Mijn hart is tot wetgevers van Israel, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE!
KJV
My heart1
is toward the governors2
of Israel,3
that offered themselves willingly4
among the people.5
Bless6
ye the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Gij, die op witteH6715 ezelinnenH860 rijdtH7392, gij, die aan het gerichteH4055 zitH3427, en gij, die overH5921 wegH1870 wandeltH1980, spreektH7878 er van!
Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!
KJV
Speak,10
ye that ride1
on white3
asses,2
ye that sit4
in judgment,6
and walk7
by the way.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Van het gedruisH6963 der schuttersH2686, tussenH996 de plaatsen, waar men waterH4857 schept, spreektH8567 aldaar te zamen van de gerechtigheidH6666 des HEERENH3068, van de gerechtighedenH6666, bewezen aan zijn dorpenH6520 in IsraelH3478; toen ging des HEERENH3068 volkH5971 af tot de poortenH8179.
Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheid des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israel; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten.
KJV
They that are delivered from the noise1
of archers2
in the places of drawing water,4
there shall they rehearse6
the righteous acts7
of the LORD,8
even the righteous acts9
toward the inhabitants of his villages10
in Israel:11
then shall the people15
of the LORD16
go down13
to the gates.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WaakH5782 op, waakH5782 op, DeboraH1683, waakH5782 op, waakH5782 op, spreekH1696 een liedH7892! maakH6965 u op, BarakH1301! en leidH7617 uw gevangenenH7628 gevangenH7617, gij zoonH1121 van AbinoamH42.
Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam.
KJV
Awake,1
awake,2
Deborah:3
awake,4
awake,5
utter6
a song:7
arise,8
Barak,9
and lead thy captivity11
captive,10
thou son12
of Abinoam.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Toen deed Hij de overgeblevenenH8300 heersenH7287 over de heerlijkenH117 onder het volkH5971; de HEEREH3068 doet mij heersenH7287 over de geweldigenH1368.
Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.
KJV
Then he made him that remaineth3
have dominion2
over the nobles4
among the people:5
the LORD6
made me have dominion7
over the mighty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
UitH4480 EfraimH669 was hun wortelH8328 tegen AmalekH6002. AchterH310 u was BenjaminH1144 onder uw volkenH5971. UitH4480 MachirH4353 zijn de wetgeversH2710 afgetogenH3381, en uit ZebulonH2074, trekkendeH4900 door den stafH7626 des schrijversH5608.
Uit Efraim was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.
KJV
Out of Ephraim2
was there a root3
of them against Amalek;4
after5
thee, Benjamin,6
among thy people;7
out of Machir9
came down10
governors,11
and out of Zebulun12
they that handle13
the pen14
of the writer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ook waren de vorstenH8269 in IssascharH3485 metH5973 DeboraH1683; en gelijk IssascharH3485, alzoH3651 was BarakH1301; op zijn voetenH7272 werd hij gezondenH7971 in het dalH6010. In RubensH7205 gedeeltenH6390 waren de inbeeldingenH2711 des hartenH3820 grootH1419.
Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.
KJV
And the princes1
of Issachar2
were with Deborah;4
even Issachar,5
and also Barak:7
he was sent9
on foot10
into the valley.8
For the divisions
of Reuben12
there were great13
thoughts14
of heart.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
WaaromH4100 bleeft gij zittenH3427 tussenH996 de stallingenH4942, om te horenH8085 het geblaatH8292 der kuddenH5739? De gedeeltenH6390 van RubenH7205 hadden groteH1419 onderzoekingenH2714 des hartenH3820.
Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.
KJV
Why abodest2
thou among3
the sheepfolds,4
to hear5
the bleatings6
of the flocks?7
For the divisions
of Reuben9
there were great10
searchings11
of heart.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
GileadH1568 bleefH7931 aan geneH5676 zijde der JordaanH3383; en Dan, waaromH4100 onthieldH1481 hij zich in schepenH591! AserH836 zat aanH5921 de zeehavenH3220, en bleefH7931 in zijn gescheurde plaatsenH4664.
Gilead bleef aan gene zijde der Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen.
KJV
Gilead1
abode4
beyond2
Jordan:3
and why did Dan5
remain7
in ships?8
Asher9
continued10
on the sea12
shore,11
and abode15
in his breaches.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
ZebulonH2074, het is een volkH5971, dat zijn zielH5315 versmaadH2778 heeft, insgelijks NafthaliH5321, opH5921 de hoogtenH4791 des veldsH7704.
Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.
Ook in dit vers
doodH4191
KJV
Zebulun1
and Naphtali6
were a people2
that jeoparded3
their lives4
unto the death5
in the high places8
of the field.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De koningenH4428 kwamenH935, zij stredenH3898; toen stredenH3898 de koningenH4428 van KanaanH3667, te ThaanachH8590 aanH5921 de waterenH4325 van MegiddoH4023; zij brachtenH3947 geenH3808 gewinH1215 des zilversH3701 daarvan.
De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaan, te Thaanach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.
KJV
The kings2
came1
and fought,3
then fought5
the kings6
of Canaan7
in Taanach8
by the waters10
of Megiddo;11
they took15
no gain12
of money.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
VanH4480 den hemelH8064 stredenH3898 zij, de sterrenH3556 uit haar loopplaatsenH4546 stredenH3898 tegenH5973 SiseraH5516.
Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.
KJV
They fought3
from heaven;2
the stars4
in their courses5
fought6
against Sisera.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
De beekH5158 KisonH7028 wentelde hen weg, de beekH5158 KeduminH6917, de beekH5158 KisonH7028; vertreedH1869, o mijn zielH5315! de sterkenH5797.
De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.
Ook in dit vers
wentelde wegH1640
KJV
The river1
of Kishon2
swept them away,3
that ancient5
river,4
the river6
Kishon.7
O my soul,9
thou hast trodden down8
strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Toen werden de paardenhoevenH6119 verpletterdH1986, van het rennenH1726, het rennenH1726 zijner machtigenH47.
Toen werden de paardenhoeven verpletterd, van het rennen, het rennen zijner machtigen.
KJV
Then were the horsehoofs3
broken2
by the means of the pransings,5
the pransings6
of their mighty ones.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
VloektH779 MerozH4789, zegtH559 de EngelH4397 des HEERENH3068, vloektH779 haar inwonersH3427 geduriglijkH779; omdatH3588 zij nietH3808 gekomenH935 zijn tot de hulpH5833 des HEERENH3068, tot de hulpH5833 des HEERENH3068, met de heldenH1368.
Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.
KJV
Curse1
ye Meroz,2
said3
the angel4
of the LORD,5
curse6
ye bitterly7
the inhabitants8
thereof; because they came11
not to the help12
of the LORD,13
to the help14
of the LORD15
against the mighty.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
GezegendH1288 zij boven de vrouwenH802 JaelH3278, de huisvrouwH802 van HeberH2268, den KenietH7017; gezegendH1288 zij ze boven de vrouwenH802 in de tentH168!
Gezegend zij boven de vrouwen Jael, de huisvrouw van Heber, den Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent!
KJV
Blessed1
above women2
shall Jael3
the wife4
of Heber5
the Kenite6
be, blessed9
shall she be above women7
in the tent.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WaterH4325 eisteH7592 hij, melkH2461 gafH5414 zij; in een herenschaalH117 brachtH7126 zij boterH2529.
Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter.
KJV
He asked2
water,1
and she gave4
him milk;3
she brought forth7
butter8
in a lordly6
dish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Haar handH3027 sloegH7971 zij aan den nagelH3489, en haar rechterhandH3225 aan den hamerH1989 der arbeidsliedenH6001; en zij klopteH1986 SiseraH5516; zij streekH4277 zijn hoofdH7218 af, als zij zijn slaapH7541 had doornageld en doorgedrongenH2498.
Haar hand sloeg zij aan den nagel, en haar rechterhand aan den hamer der arbeidslieden; en zij klopte Sisera; zij streek zijn hoofd af, als zij zijn slaap had doornageld en doorgedrongen.
Ook in dit vers
doorgenageldH4272
KJV
She put3
her hand1
to the nail,2
and her right hand4
to the workmen's6
hammer;5
and with the hammer she smote7
Sisera,8
she smote off9
his head,10
when she had pierced11
and stricken through12
his temples.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
TussenH996 haar voetenH7272 kromdeH3766 hij zich, vielH5307 henen, lagH5307 daar nederH7901; tussenH996 haar voetenH7272 kromdeH3766 hij zich; hij vielH5307; alwaar hij zich kromdeH3766, daarH8033 lag hij geheel geschondenH7703!
Tussen haar voeten kromde hij zich, viel henen, lag daar neder; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden!
KJV
At her feet2
he bowed,3
he fell,4
he lay down:5
at her feet7
he bowed,8
he fell:9
where10
he bowed,11
there he fell down13
dead.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
De moederH517 van SiseraH5516 keekH8259 uit door het vensterH2474, en schreeuwdeH2980 door de tralienH822: Waarom vertoeftH954 zijn wagenH7393 te komenH935! Waarom blijven de gangenH6471 zijner wagenenH4818 achterH309?
De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de tralien: Waarom vertoeft zijn wagen te komen! Waarom blijven de gangen zijner wagenen achter?
KJV
The mother5
of Sisera6
looked3
out at a window,2
and cried4
through the lattice,8
Why is his chariot11
so long10
in coming?12
why tarry14
the wheels15
of his chariots?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
De wijstenH2450 harer staatsvrouwenH8282 antwoorddenH6030; ook beantwoorddeH7725 zijH1931 haar redenenH561 aan zichzelve:
De wijsten harer staatsvrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij haar redenen aan zichzelve:
KJV
Her wise1
ladies2
answered3
her, yea, she returned6
answer
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Zouden zij dan de buitH7998 nietH3808 vindenH4672 en delenH2505? een liefjeH7356, of twee liefjesH7361, voor iegelijkenH7218 manH1397? Voor SiseraH5516, een buitH7998 van verscheidene vervenH6648, een buitH7998 van verscheidene vervenH6648, gestiktH7553; van verscheiden verfH6648 aan beide zijden gestiktH7553, voor de buithalzenH6677?
Zouden zij dan de buit niet vinden en delen? een liefje, of twee liefjes, voor iegelijken man? Voor Sisera, een buit van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt; van verscheiden verf aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen?
KJV
Have they not sped?2
have they not divided3
the prey;4
to every7
man8
a damsel5
or two;6
to Sisera11
a prey9
of divers colours,10
a prey12
of divers colours13
of needlework,14
of divers colours15
of needlework on both sides,16
meet for the necks17
of them that take the spoil?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
AlzoH3651 moeten omkomenH6 alH3605 Uw vijandenH341, o HEEREH3068! die Hem daarentegen liefhebbenH157, moeten zijn, als wanneer de zonH8121 opgaatH3318 in haar krachtH1369. En het landH776 was stilH8252, veertigH705 jarenH8141.
Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht. En het land was stil, veertig jaren.
KJV
So let all thine enemies4
perish,2
O LORD:5
but let them that love6
him be as the sun8
when he goeth forth7
in his might.9
And the land11
had rest10
forty12
years.
wreken der wraken
Omdat Hij zich en zijn volk volkomenlijk gewroken heeft aan zijne en zijns volks vijanden.
Hertaald:
wreken der wraken
Omdat Hij Zich en Zijn volk volkomen gewroken heeft op Zijn en hun vijanden.
in Israël,
Anders, voor, of door Israël.
Hertaald:
in Israël,
Anders: voor, of door Israël.
volk zich gewillig heeft aangeboden
Zebulon en Nafthali. Zie boven, Richt. 4:10, en onder, vs.18. Met nog enige andere stammen. Zie onder, vs.14,15.
Hertaald:
volk zich gewillig heeft aangeboden
Zebulon en Naftali. Zie hierboven, Richt. 4:10, en hieronder, vers 18. Met nog enkele andere stammen. Zie hieronder, vers 14, 15.
voorttoogt
Uw volk voorgaande en leidende door de wolkkolom.
Hertaald:
voorttoogt
Uw volk voorgaand en leidend door de wolkkolom.
Seïr,
Voerende uw volk van den berg Hor [na de overwinning des Kanaänietischen konings van Harad] langs de grenzen der Edomieten, die hun den doortocht weigerden, naar het land der koningen Sihon en Og, om die te verdelgen en Israël in het beloofde land te brengen. Zie Num. 20:21, en Num. 21:24, enz.
Hertaald:
Seïr,
Terwijl U Uw volk leidde van de berg Hor [na de overwinning op de Kanaänitische koning van Harad] langs de grenzen van de Edomieten, die hun de doortocht weigerden, naar het land van de koningen Sihon en Og, om die te verdelgen en Israël in het beloofde land te brengen. Zie Num. 20:21, en Num. 21:24, enzovoort.
beefde de aarde,
Het was alsof zich alle creaturen van onderen en van boven over uw aankomst en tegenwoordigheid ontzetten. Vergelijk Ps. 68:8-9.
Hertaald:
beefde de aarde,
Het was alsof alle schepselen, boven en beneden, zich ontzetten over Uw komst en tegenwoordigheid. Vergelijk Ps. 68:8-9.
bergen vervloten
Het was, of scheen niet anders dan of zulks geschiedde. Vergelijk Ps. 68:15, Ps. 68:17, en Ps. 97:5. Men kan dit ook duiden op de heidense volken, Amorieten en Kanaänieten, aan de bergen wonende, die vanwege Israëls aankomst en de grote daden Gods die zij gehoord hadden, sidderden en beefden. Vergelijk Deut. 2:25; Joz. 5:1.
Hertaald:
bergen vervloten
Het was, of leek niet anders dan dat dit gebeurde. Vergelijk Ps. 68:15, Ps. 68:17, en Ps. 97:5. Men kan dit ook uitleggen op de heidense volken, de Amorieten en Kanaänieten, wonend bij de bergen, die vanwege de komst van Israël en de grote daden van God waarover zij gehoord hadden, sidderden en beefden. Vergelijk Deut. 2:25; Joz. 5:1.
zelfs Sinaï
Alles, wat zij achter zich lieten, als Sinaï, en waar zij naar toe trokken ontstelde zich. Of, [gelijk] als Sinaï gedaan had ten tijde toen God zijn wet gaf. Vergelijk Ps. 68:9.
Hertaald:
zelfs Sinaï
Alles wat zij achterlieten, zoals de Sinaï, en waar zij naartoe trokken, raakte in beroering. Of: zoals de Sinaï gedaan had toen God Zijn wet gaf. Vergelijk Ps. 68:9.
Samgar,
Zie boven, Richt. 3:31.
Hertaald:
Samgar,
Zie hierboven, Richt. 3:31.
Jaël,
Zie Richt. 4:21, enz.
Hertaald:
Jaël,
Zie Richt. 4:21, enzovoort.
hielden de wegen op,
Dat is, de gemene- of herenwegen waren niet te gebruiken, vanwege rovers en straatschenders.
Hertaald:
hielden de wegen op,
Dat is: de gewone wegen waren niet te gebruiken vanwege rovers en struikrovers.
die op paden wandelden,
Hebreeuws, de wandelaars der paden; dat is, die de gemene wegen plachten te gebruiken, zochten moeilijke omwegen, om de stropers en vijanden te ontgaan.
Hertaald:
die op paden wandelden,
Hebreeuws: de wandelaars van de paden; dat is: wie de gewone wegen placht te gebruiken, zochten moeilijke omwegen om de rovers en vijanden te ontlopen.
dorpen hielden op
Ongemuurde plaatsen, als vlekken, dorpen, kleine steden, omdat er niemand veilig wonen kon, zo vervielen die en lagen woest en onbewoond. Anders, de landman, of, het landvolk, inwoners der dorpen, dorpslieden
Hertaald:
dorpen hielden op
Onbemuurde plaatsen, zoals gehuchten, dorpen, kleine steden, raakten in verval en lagen woest en onbewoond omdat er niemand veilig kon wonen. Anders: de landbewoners, of het landvolk, inwoners van de dorpen, dorpelingen.
een moeder in Israël
Die, als een profetes, het volk, zijnde mijn discipelen [die in de Schrift kinderen der profeten genoemd worden] van Gods wil heeft onderwezen, en als een richteres, de ellende der onderdanen met moederlijk medelijden ter harte genomen en afgewend heeft.
Hertaald:
een moeder in Israël
Die, als profetes, het volk — mijn discipelen [die in de Schrift kinderen van de profeten genoemd worden] — van Gods wil onderwezen heeft, en als rechteres de ellende van de onderdanen met moederlijk medeleven ter harte genomen en afgewend heeft.
hij
Namelijk, Israël.
Hertaald:
hij
Namelijk: Israël.
nieuwe goden,
De afgoden der heidenen; zo strafte God hen telkens met overlast van krijg en oorlog.
Hertaald:
nieuwe goden,
De afgoden van de heidenen; zo strafte God hen telkens met de last van strijd en oorlog.
schild gezien,
Zij waren zo moedeloos en verslagen dat men geen tegenweer zag.
Hertaald:
schild gezien,
Zij waren zo moedeloos en verslagen dat er geen tegenweer te zien was.
wetgevers van Israël,
De oversten des volks of der stammen, die het volk door bevelen en hun exempelen gewillig en hartig hebben gemaakt.
Hertaald:
wetgevers van Israël,
De oversten van het volk of van de stammen, die het volk door bevelen en hun voorbeeld gewillig en vastberaden gemaakt hebben.
gewillig aangeboden hebben
Zie boven, vs.2, en Richt. 4:6, Richt. 4:10.
Hertaald:
gewillig aangeboden hebben
Zie hierboven, vers 2, en Richt. 4:6, Richt. 4:10.
ezelinnen rijdt,
Gelijk grote en aanzienlijke lieden gewoon waren te doen. Zie onder, Richt. 10:4, en Richt. 12:14.
Hertaald:
ezelinnen rijdt,
Zoals grote en aanzienlijke mensen gewoon waren te doen. Zie hieronder, Richt. 10:4, en Richt. 12:14.
aan het gerichte zit,
Anders, die gij aan Middin woont; verstaande een plaats, waar des vijands aanstoot meest gevallen is. Zie Joz. 15:61.
Hertaald:
aan het gerichte zit,
Anders: die u bij Middin woont; waarmee een plaats bedoeld wordt waar de aanval van de vijand het meest gevallen is. Zie Joz. 15:61.
weg wandelt,
Zie vs.6.
Hertaald:
weg wandelt,
Zie vers 6.
spreekt er van
Anders, denkt, peinst er aan.
Hertaald:
spreekt er van
Anders: denkt, peinst erover.
Van het gedruis
Anders, vanwege.
Hertaald:
Van het gedruis
Anders: vanwege.
schutters,
Dat is, krijgslieden, die met gedruis aankwamen om de waterscheppers te storen en overlast aan te doen, met plunderen, roven en anderszins.
Hertaald:
schutters,
Dat is: krijgslieden, die met lawaai aankwamen om de waterscheppers te storen en overlast aan te doen, met plunderen, roven en dergelijke.
spreekt aldaar te zamen
Het Hebreeuwse woord wordt ook gevonden onder, Richt. 11:40.
Hertaald:
spreekt aldaar te zamen
Het Hebreeuwse woord wordt ook gevonden hieronder, Richt. 11:40.
gerechtigheid des HEEREN,
Dat is, de rechtvaardige daden des Heeren, door welke Hij zijn volk gewroken en van des vijands overlast bevrijd heeft. Vergelijk 1 Sam. 12:7; Mi. 6:5, met de aantekeningen.
Hertaald:
gerechtigheid des HEEREN,
Dat is: de rechtvaardige daden van de HEERE, waarmee Hij Zijn volk gewroken en van de overlast van de vijand bevrijd heeft. Vergelijk 1 Sam. 12:7; Micha 6:5, met de aantekeningen.
gerechtigheden,
Hebreeuws, gerechtigheden zijns dorps; dat is, bewezen aan de dorpen of landlieden. Vergelijk boven, vs.6.
Hertaald:
gerechtigheden,
Hebreeuws: gerechtigheden van Zijn dorp; dat is: bewezen aan de dorpen of landbewoners. Vergelijk hierboven, vers 6.
ging des HEEREN volk af
Zij mochten weder vrijelijk of onbeschroomd de poorten uit en ingaan.
Hertaald:
ging des HEEREN volk af
Zij mochten weer vrij en onbevreesd de poorten uit en in gaan.
uw gevangenen gevangen,
Hebreeuws, uw gevangenis.
Hertaald:
uw gevangenen gevangen,
Hebreeuws: uw gevangenis.
Hij
Dat is, de Heere gaf aan het overblijfsel van Israël de heerschappij over de groten en aanzienlijken des Kanaänietischen volks. Anders, Hij gaf de heerschappij des overgeblevenen [vijands] den heerlijken, of machtigen, groten des volks [Israëls]. Of, Hij deed het overgebleven volk heersen over de heerlijken
Hertaald:
Hij
Dat is: de HEERE gaf aan het overblijfsel van Israël de heerschappij over de groten en aanzienlijken van het Kanaänitische volk. Anders: Hij gaf de heerschappij van het overgebleven [vijandelijke volk] aan de heerlijken, of machtigen, groten van het volk [Israël]. Of: Hij liet het overgebleven volk heersen over de heerlijken.
doet mij heersen
Of, geeft mij heerschappij.
Hertaald:
doet mij heersen
Of: geeft mij heerschappij.
Efraïm
Hier verhaalt Debora hoe de stammen zich in deze hebben gekweten; toeschrijvende lof en schande naar ieders verdienste.
Hertaald:
Efraïm
Hier vertelt Debora hoe de stammen zich hierin gedragen hebben, en geeft zij lof of schande naar ieders verdienste.
wortel tegen Amalek
Dit verstaan sommigen van Debora, wonende op het gebergte Efraïms, boven, Richt. 4:5; die door Gods genade als de wortel en oorsprong was van dit ganse werk tegen de Kanaänieten, die ten aanzien hunner vijandschap en uitroeiing met Amalek mogen worden vergeleken. Anderen duiden het op Jozua, die ook uit Efraïm was en Amalek overwon, Ex. 17:13. Anders, welker wortel is bij Amalek; dat is, Juda en Simeon, welker begin zich van Efraïms gebergte uitstrekte tot aan Amalek, gelijk te zien is uit vergelijking van boven, Richt. 1:16, met 1 Sam. 15:6.
Hertaald:
wortel tegen Amalek
Dit betrekken sommigen op Debora, wonend op het gebergte van Efraïm, hierboven, Richt. 4:5, die door Gods genade als wortel en oorsprong was van heel dit werk tegen de Kanaänieten, die vanwege hun vijandschap en de uitroeiing ervan met Amalek vergeleken mogen worden. Anderen betrekken het op Jozua, die ook uit Efraïm was en Amalek overwon, Ex. 17:13. Anders: van wie de wortel bij Amalek is; dat is: Juda en Simeon, wier gebied zich vanaf het gebergte van Efraïm uitstrekte tot aan Amalek, zoals te zien is bij vergelijking van hierboven, Richt. 1:16, met 1 Sam. 15:6.
Achter u was Benjamin
Dat is, de stam van Benjamin volgde U, o Heere, mede na, onder uw ander volk. Sommigen duiden het op Efraïm, dien Benjamin gevolgd heeft.
Hertaald:
Achter u was Benjamin
Dat is: de stam van Benjamin volgde U, o HEERE, mee na, onder Uw andere volk. Sommigen betrekken het op Efraïm, dat Benjamin gevolgd heeft.
Machir
Dat is, de stam van Manasse, wiens eerstgeboren zoon Machir was, Joz. 17:1.
Hertaald:
Machir
Dat is: de stam van Manasse, wiens eerstgeboren zoon Machir was, Joz. 17:1.
wetgevers afgetogen,
Dat is, oudsten en richters des volks.
Hertaald:
wetgevers afgetogen,
Dat is: oudsten en rechters van het volk.
trekkende
Te weten, het volk tot haar. Zie boven, Richt. 4:6. Anders, die met den straf, of de pen des schrijvers trokken; dat is, met de schrijfpen omgingen, of door middel van brieven of missieven het volk bijeentrokken of deden vergaderen. Vergelijk boven, Richt. 4:6.
Hertaald:
trekkende
Namelijk: het volk tot haar. Zie hierboven, Richt. 4:6. Anders: die met de staf, of de pen van de schrijver trokken; dat is: die met de schrijfpen omgingen, of door middel van brieven het volk bijeenbrachten of lieten samenkomen. Vergelijk hierboven, Richt. 4:6.
de vorsten
Anders, mijn vorsten.
Hertaald:
de vorsten
Anders: mijn vorsten.
op zijn voeten
Zie boven, Richt. 4:10, Richt. 4:14.
Hertaald:
op zijn voeten
Zie hierboven, Richt. 4:10, Richt. 4:14.
gedeelten
Ruben, wonende aan de andere zijde der Jordaan, zich houdende als afgezonderd van zijn broeders.
Hertaald:
gedeelten
Ruben, wonend aan de andere kant van de Jordaan, hield zich als afgezonderd van zijn broeders.
inbeeldingen des harten groot
Of, inzettingen, opzetten, besluitingen; dat is, zij waren zeer traag, zwaarmoedig, hebbende [zoals men zegt] grote wijsheid in het hoofd, en voorwendende veel zwarigheden, die hen ophielden en verhinderden, dat zij hun broeders niet te hulp kwamen, maar zich tussen beiden, als neutraal hielden, hun particulier belang meer achtende dan het algemene. Anders, over, of van Rubens afzonderingen zijne grote gedachten des harten, dat is, daarover valt veel na te denken en te verwonderen; alzo in vs.16. Sommigen menen dat hier geroemd wordt de grote vromigheid die zij tevoren bewezen hadden in het trekken over de Jordaan voor hun broeders, waarmede deze hun slapheid niet overeenkwam.
Hertaald:
inbeeldingen des harten groot
Of: inzettingen, voornemens, besluiten; dat is: zij waren zeer traag, zwaarmoedig, hadden [zoals men zegt] veel wijsheid in het hoofd, en voerden veel bezwaren aan die hen ophielden en verhinderden hun broeders te hulp te komen, maar hielden zich ertussenin, als neutraal, en achtten hun eigen belang meer dan het algemene. Anders: over, of van Rubens afzonderingen zijn grote overwegingen van het hart, dat is: daarover valt veel na te denken en te verwonderen; zo ook in vers 16. Sommigen menen dat hier de grote vroomheid geroemd wordt die zij eerder getoond hadden bij het oversteken van de Jordaan voor hun broeders, waarmee deze traagheid van hen niet overeenkwam.
gij zitten
Of, Ruben. Deze stam was rijk aan vee. Zie Num. 32:1, enz.
Hertaald:
gij zitten
Of: Ruben. Deze stam was rijk aan vee. Zie Num. 32:1, enzovoort.
stallingen,
Of, twee rijen kooien, of stallen. Het Hebreeuwse woord schijnt daarop te zien, dat de stallen en kooien in twee rijen tegenover elkander [gelijk men nu ook gemeenlijk doet] gemaakt waren, tussen welke men doorging, en elk zijn voeder bekwamelijk kon geven. Anders, tussen twee lasten, gelijk een ezel, die, aan beide zijden beladen zijnde, zich nederlegt om te rusten. Vergelijk Gen. 49:14.
Hertaald:
stallingen,
Of: twee rijen kooien, of stallen. Het Hebreeuwse woord lijkt erop te wijzen dat de stallen en kooien in twee rijen tegenover elkaar [zoals men nu ook meestal doet] gemaakt waren, waartussen men doorging en ieder gemakkelijk zijn voer kon geven. Anders: tussen twee lasten, zoals een ezel die, aan beide kanten beladen, gaat liggen om te rusten. Vergelijk Gen. 49:14.
het geblaat der kudden?
Of, schuifelingen, sijfelingen, pijpingen, sissingen.
Hertaald:
het geblaat der kudden?
Of: geblaat, gefluit, gepiep, gesis.
onderzoekingen des harten
Zie op vs.15.
Hertaald:
onderzoekingen des harten
Zie bij vers 15.
Gilead
Dat is, de Gileadieten, waardoor verstaan wordt de halve stam van Manasse, wonende aan gene zijde der Jordaan. Gilead was een zoon van Machir. Zie Joz. 17:1, Joz. 17:3. Anders kan men ook door Gilead tezamen verstaan Ruben, Gad en den voornoemden halven stam van Manasse, als wonende in Gilead. Zie Num. 32:5, Num. 32:29, Num. 32:33.
Hertaald:
Gilead
Dat is: de Gileadieten, waarmee de halve stam van Manasse bedoeld wordt, wonend aan de overkant van de Jordaan. Gilead was een zoon van Machir. Zie Joz. 17:1, Joz. 17:3. Anders kan men onder Gilead ook samen Ruben, Gad en de eerder genoemde halve stam van Manasse verstaan, als wonend in Gilead. Zie Num. 32:5, Num. 32:29, Num. 32:33.
schepen
De erfenissen van Dan en Aser waren merendeels gelegen aan de zee. Zie van Dan Joz. 19:40, Joz. 19:46, en van Aser ook aldaar Joz. 19:24, Joz. 19:26. Deze stammen waren in dezen krijg ook tehuis gebleven, om het gevaar te ontgaan, of zich met hun have in schepe, of op hoge rotsen te redden.
Hertaald:
schepen
De erfdelen van Dan en Aser lagen grotendeels aan de zee. Zie over Dan Joz. 19:40, Joz. 19:46, en over Aser ook daar Joz. 19:24, Joz. 19:26. Deze stammen waren in deze strijd ook thuisgebleven, om het gevaar te ontlopen, of om zich met hun bezit in schepen of op hoge rotsen in veiligheid te brengen.
gescheurde plaatsen
Dat is, in steden en vlekken, die vervallen en niet wel bemuurd waren, of in kreken, die door den vloed der zee in het land scheuren. Anders, op zijn kloven of hoge rotsen.
Hertaald:
gescheurde plaatsen
Dat is: in steden en gehuchten die vervallen en niet goed ommuurd waren, of in kreken die door de vloed van de zee inhammen in het land maken. Anders: op zijn kloven of hoge rotsen.
zijn ziel
Dat is, zijn leven, hun personen, alzo ter dood gewaagd hebben, dat zij het leven schenen te verachten, en gewilliglijk zich daarheen te begeven, tot Israëls verlossing. Zie van het woord versmaden Job 27:6.
Hertaald:
zijn ziel
Dat is: zij hebben hun leven, hun persoon, zo aan de dood gewaagd dat zij het leven schenen te verachten en zich gewillig daarheen begaven, tot verlossing van Israël. Zie over het woord versmaden Job 27:6.
ter dood,
Hebreeuws, tot sterven.
Hertaald:
ter dood,
Hebreeuws: tot sterven.
op de hoogten des velds
Dat is, op den berg Thabor zich houdende bij Barak, en met hem ten strijde moediglijk aftrekkende. Zie boven, Richt. 4:10, Richt. 4:14.
Hertaald:
op de hoogten des velds
Dat is: zich ophoudend bij Barak op de berg Thabor, en met hem moedig ten strijde trekkend. Zie hierboven, Richt. 4:10, Richt. 4:14.
Tháänach
Plaatsen, behorende tot den halven stam van Manasse. Zie boven, Richt. 1:27, en vergelijk Joz. 17:11.
Hertaald:
Tháänach
Plaatsen die tot de halve stam van Manasse behoorden. Zie hierboven, Richt. 1:27, en vergelijk Joz. 17:11.
zilvers daarvan
Of, gelds. Anders, zij brachten niet een stukje zilver daarvan, daar zij groten buit meenden te halen.
Hertaald:
zilvers daarvan
Of: geld. Anders: zij brachten er geen stukje zilver vandaan, terwijl zij grote buit meenden te halen.
Van den hemel streden zij,
Met deze manieren van spreken wordt te kennen gegeven, dat God van boven en beneden, door velerlei creaturen en middelen tegen Sisera en zijn heirleger gestreden heeft.
Hertaald:
Van den hemel streden zij,
Met deze manieren van spreken wordt te kennen gegeven dat God van boven en van beneden, door velerlei schepselen en middelen, tegen Sisera en zijn leger gestreden heeft.
wentelde hen weg,
Of, veegde hen, keerde hen weg, door verbolgenheid van den stroom, die van boven door storm en onweder was verwekt.
Hertaald:
wentelde hen weg,
Of: veegde hen weg, keerde hen weg, door de woede van de stroom, die van boven door storm en onweer opgewekt was.
beek Kedumin,
Lopende van het gebergte in de beek Kison, naar uitwijzen van de kaart. Anders, beek der oudheden; dat is, zeer oude beek, die vanouds, van den beginne af geweest, en van God daartoe gemaakt en behouden is.
Hertaald:
beek Kedumin,
Lopend van het gebergte naar de beek Kison, zoals de kaart uitwijst. Anders: beek der oudheden; dat is: een zeer oude beek, die vanouds, vanaf het begin, bestaan heeft en door God daartoe gemaakt en bewaard is.
vertreed,
Dat is, veracht de macht des vijands. Anders, mijn ziel trad op de sterken; door het gebed en Gods ingeven vertrouwende, dat zij als vertreden en onder de voeten gelegd zouden worden.
Hertaald:
vertreed,
Dat is: veracht de macht van de vijand. Anders: mijn ziel trad op de sterken; in het vertrouwen, door het gebed en Gods ingeving, dat zij vertrapt en onder de voeten gelegd zouden worden.
de sterken
Hebreeuws, de sterkte; te weten des machtigen vijands, die nu onder onze voeten gelegd is.
Hertaald:
de sterken
Hebreeuws: de sterkte; namelijk: van de machtige vijand, die nu onder onze voeten ligt.
rennen
Of, stampen, draven, trotteren, klateren; dat is, van het veel en haastig lopen en rennen.
Hertaald:
rennen
Of: stampen, draven, trappelen, kletteren; dat is: van het vele en snelle lopen en rennen.
machtigen
Die, de vlucht nemende, door snelheid hunner paarden meenden te ontkomen, doch tevergeefs.
Hertaald:
machtigen
Die, op de vlucht, door de snelheid van hun paarden dachten te ontkomen, maar tevergeefs.
Meroz,
Een stad of landstreek, nabij de beek Kison, niet ver van de plaats, waar de slag geschied is, aan de zuidelijke grenzen van Issaschar.
Hertaald:
Meroz,
Een stad of landstreek nabij de beek Kison, niet ver van de plaats waar de slag plaatsvond, aan de zuidelijke grenzen van Issaschar.
Engel des HEEREN,
Vergelijk onder, Richt. 6:11, enz.
Hertaald:
Engel des HEEREN,
Vergelijk hieronder, Richt. 6:11, enzovoort.
vloekt haar inwoners geduriglijk;
Hebreeuws, vloekt vloekende.
Hertaald:
vloekt haar inwoners geduriglijk;
Hebreeuws: vloekt vloekende.
des HEEREN, tot de hulp des HEEREN,
Dat is, tot Israëls hulp, die de Heere bevolen en beschikt heeft. Of, tot de hulp van des Heeren volk. Anders is het menselijkerwijze gesproken van God, die eigenlijk niemands hulp van doen heeft.
Hertaald:
des HEEREN, tot de hulp des HEEREN,
Dat is: tot hulp van Israël, die de HEERE bevolen en beschikt heeft. Of: tot hulp van het volk van de HEERE. Anders is het op menselijke wijze van God gesproken, Die eigenlijk niemands hulp nodig heeft.
de helden
Die Barak en Debora gevolgd zijn.
Hertaald:
de helden
Die Barak en Debora gevolgd zijn.
Gezegend
Zie Gen. 14:19.
Hertaald:
Gezegend
Zie Gen. 14:19.
de vrouwen Jaël,
Te weten, andere vrouwen; alzo in het volgende.
Hertaald:
de vrouwen Jaël,
Namelijk: andere vrouwen; zo ook in het vervolg.
in de tent
Dat is, in haar tent, waar zij dat loffelijk werk gedaan had. Of [die] in tenten [wonen].
Hertaald:
in de tent
Dat is: in haar tent, waar zij dat lofwaardige werk gedaan had. Of [die] in tenten [wonen].
herenschaal
Hebreeuws, in een schaal der heerlijken; dat is, in een zulke grote schaal, als doorluchtige, grootmachtige heren en vorsten wel plegen te gebruiken.
Hertaald:
herenschaal
Hebreeuws: in een schaal van de heerlijken; dat is: in zo'n grote schaal als doorluchtige, machtige heren en vorsten gewoonlijk gebruiken.
boter
Anders, botermelk, melk waar de boter nog in was.
Hertaald:
boter
Anders: botermelk, melk waar de boter nog in was.
hand sloeg zij aan den nagel,
Te weten, de linkerhand; of aldus: haar handen strekten zich uit, de ene aan de nagel, de rechter aan den hamer der arbeidslieden
Hertaald:
hand sloeg zij aan den nagel,
Namelijk: de linkerhand; of aldus: haar handen strekten zich uit, de ene naar de pin, de rechter naar de hamer van de arbeiders.
zij streek zijn hoofd af,
Het Hebreeuwse woord wordt bij de Hebreën eigenlijk gebruikt van het afstrijken der maten, die te vol of opgehoopt zijn. De zin is: dat zij hem het hoofd heeft afgesneden.
Hertaald:
zij streek zijn hoofd af,
Het Hebreeuwse woord wordt bij de Hebreeën eigenlijk gebruikt voor het afstrijken van maten die te vol of opgehoopt zijn. De betekenis is: dat zij hem het hoofd heeft afgehakt.
doordrongen
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk veranderen, ten goede of ten kwade; en voorts doorgaan, doordringen, van het ene tot het andere, idem, verderven.
Hertaald:
doordrongen
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk veranderen, ten goede of ten kwade; en verder: doorgaan, doordringen, van het ene naar het andere, ook: verderven.
kromde hij zich,
Vanwege de pijn; of pogende zich op te richten, doch terstond daarheen vallende, enz.
Hertaald:
kromde hij zich,
Vanwege de pijn; of terwijl hij probeerde overeind te komen, maar meteen daarheen viel, enzovoort.
geheel geschonden
Hebreeuws eigenlijk, verwoest; dat is, gans beroofd en ten enenmale verdorven. Want zulk een machtig en trots krijgsoverste, te voet gevlucht, verbaasd, vermoeid en door een vrouw verstoken en toegedekt zijnde, lag daar doornageld, gekromd, bebloed en dood.
Hertaald:
geheel geschonden
Hebreeuws eigenlijk: verwoest; dat is: geheel beroofd en volledig verdorven. Want zo'n machtige en trotse legeraanvoerder, te voet gevlucht, verbijsterd, vermoeid en door een vrouw ontkleed en overdekt, lag daar doorboord, gekromd, bebloed en dood.
traliën
Of, door een kijkvenstertje.
Hertaald:
traliën
Of: door een kijkvenstertje.
wagenen achter?
Hebreeuws, de gangen, de voeten, of, voetstappen zijner wagens.
Hertaald:
wagenen achter?
Hebreeuws: de gangen, de voeten, of voetstappen van zijn wagens.
De wijsten
Anders, een iegelijk van haar wijze staatsvrouwen antwoordde haar.
Hertaald:
De wijsten
Anders: elk van haar wijze staatsvrouwen antwoordde haar.
staatsvrouwen
Anders, vorstinnen.
Hertaald:
staatsvrouwen
Anders: vorstinnen.
Zouden zij
Alsof zij zeide: Ik heb ongelijk, dat ik die zo haast tegemoet zie; want zij moeten toch eerst den buit uitvinden en delen, enz.
Hertaald:
Zouden zij
Alsof zij zei: ik heb ongelijk dat ik hem zo snel verwacht; want zij moeten toch eerst de buit vinden en verdelen, enzovoort.
vinden en delen?
Dat is, aantreffen, bekomen.
Hertaald:
vinden en delen?
Dat is: aantreffen, verkrijgen.
liefje,
Of, boelke, meisje.
Hertaald:
liefje,
Of: liefje, meisje.
voor iegelijken man?
Hebreeuws, voor het hoofd eens mans; dat is, voor elk hoofd, voor elken man.
Hertaald:
voor iegelijken man?
Hebreeuws: voor het hoofd van een man; dat is: voor elk hoofd, voor elke man.
voor de buithalzen?
Hebreeuws, voor de halzen des buits; dat is, dergenen wien de beste buit toekomt, als krijgsoversten, of die in den strijd zich wel gekweten en goeden buit bekomen hebben, zodat hun een goed gedeelte toebehoort; of, die den buit op den hals nadroegen, of met gevaar van hun halzen gehaald hadden.
Hertaald:
voor de buithalzen?
Hebreeuws: voor de halzen van de buit; dat is: voor hen aan wie de beste buit toekomt, zoals legeroversten, of wie zich in de strijd goed geweerd hebben en goede buit verkregen hebben, zodat hun een goed deel toekomt; of die de buit op hun nek droegen, of met gevaar voor hun leven gehaald hadden.
Hem daarentegen liefhebben,
Den Heere.
Hertaald:
Hem daarentegen liefhebben,
De HEERE.
als wanneer
Dat is, zij moeten in krachten en glans voortgaan, en toenemen, gelijk de zon oprijst en voortgaat. Vergelijk Jes. 40:31.
Hertaald:
als wanneer
Dat is: zij moeten in kracht en glans voortgaan en toenemen, zoals de zon opkomt en voortgaat. Vergelijk Jes. 40:31.
opgaat in haar kracht
Of, voortgaat.
Hertaald:
opgaat in haar kracht
Of: voortgaat. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De zoon van Anath, die na Ehud Israël verloste door zeshonderd Filistijnen te doden met een ossenstok (Richt. 3:31). Een profetes, de vrouw van Lappidoth, die Israël richtte en onder een palmboom in het gebergte Efraïm recht sprak. Op Gods bevel riep zij Barak op om tegen Sisera, de legeroverste van koning Jabin, ten strijde te trekken; toen Barak weigerde zonder haar te gaan, ging zij met hem mee, met de aankondiging dat de eer van de overwinning dan aan een vrouw zou toevallen (Richt. 4:4-9). Samen met Barak zong zij na de overwinning het loflied van Richt. 5. De zoon van Abinoam, uit Kedes-Naftali, die op bevel van Debora tienduizend man uit Zebulon en Naftali verzamelde om tegen Sisera te strijden bij de berg Thabor. Uit vrees weigerde hij zonder Debora te gaan, waarmee hij de eer van de overwinning aan een vrouw overliet (Richt. 4:6-9). De HEERE gaf hem de overwinning op het leger van Jabin; hij wordt later in Hebr. 11:32 onder de geloofshelden genoemd. De legeroverste van koning Jabin van Hazor, die met negenhonderd ijzeren strijdwagens Israël twintig jaar onderdrukte. Bij de berg Thabor werd zijn leger door Barak volledig verslagen; hij vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van Heber de Keniet, waar hij, terwijl hij sliep, door haar gedood werd (Richt. 4:2-3, 15-21). Een Keniet, afgescheiden van de overige Kenieten, die met koning Jabin in vrede leefde en zijn tent had opgeslagen bij Zaänaïm. Naar zijn tent, waar zijn vrouw Jaël verbleef, vluchtte Sisera na zijn nederlaag (Richt. 4:11, 17). De vrouw van Heber de Keniet, die de vluchtende Sisera gastvrij in haar tent ontving, hem melk gaf in plaats van het gevraagde water, en hem, toen hij van vermoeidheid in slaap gevallen was, met een tentpin door de slaap doodde (Richt. 4:17-22). Debora prijst haar hierom in haar loflied als 'de gezegendste onder de vrouwen' (Richt. 5:24-27). Easton’s Bible Dictionary, © hertaald naar het Nederlands door Teun van der Plas Ligging: Vermoedelijk in de nabijheid van de vlakte van Jizreël; de precieze locatie is onbekend. Geschiedenis: In Debora's overwinningslied vervloekt door de Engel des HEEREN, "omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden" (Richt. 5:23) — kennelijk een stad die, ondanks de nabijheid van de strijd, geweigerd had Barak bij te staan. Bijbelse betekenis: Een aangrijpende, kort maar krachtig geformuleerde waarschuwing dat onthouding van hulp aan Gods volk in tijden van nood, zelfs zonder actieve vijandschap, door de HEERE als ernstige zonde gerekend wordt — een vaste tekst door de eeuwen heen gebruikt om gemakzuchtige onverschilligheid tegenover Gods zaak aan de kaak te stellen. Richt. 5:23 © Vertaling ISB Encyclopedia en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Sisera is verslagen. Een leger met negenhonderd ijzeren wagens is weggevaagd door een handvol stammen die te voet kwamen. De dag erna zingen Debora en Barak een lied over wat er gebeurd is, en dat lied vertelt de slag anders dan een verslaggever het zou doen. Het overwinningslied schrijft de slag niet toe aan het leger maar aan de hemel: de sterren streden mee, en een beek deed het werk van de wagens teniet. Het lied begint niet bij de overwinning maar bij een dankwoord dat twee dingen naast elkaar zet: looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israël, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden. Er is dus iets van God en iets van mensen, en de volgorde ligt vast. Dan volgt een lange opsomming van de stammen, en die is genadeloos eerlijk. Zebulon en Naftali waagden hun leven ten dode. Maar Ruben bleef bij zijn schaapskooien zitten om het geblaat van de kudden te horen. Gilead bleef aan de overkant van de Jordaan, Dan hield zich bij de schepen, en Aser bleef aan de zeehavens. Een overwinningslied dat de namen noemt van wie er niet waren. Het hart van het lied is een regel die alles omkeert: “Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.” De kanttekening legt uit wat dat wil zeggen: dat God van boven en van beneden, door velerlei schepselen en middelen, tegen Sisera en zijn leger gestreden heeft. Het volgende vers noemt het middel bij name: de beek Kison wentelde hen weg. Die was gezwollen, zegt de kanttekening, door de woede van de stroom die van boven door storm en onweer opgewekt was. De negenhonderd ijzeren wagens waren op vlak, droog land onverslaanbaar; in de modder waren zij een blok aan het been. Wat de kracht van de vijand was, werd zijn ondergang. En dan wordt er één stad vervloekt, en het is geen vijandige stad: “Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN.” Zij hebben niets gedaan. Dat is genoeg. Hier ligt de lijn die dit hoofdstuk in dit register zet, en zij loopt over de manier waarop God verlost. Hij gebruikt mensen die zich gewillig aanbieden, en tegelijk komt de beslissing van boven, uit een richting waar niemand naar keek. Later schrijft Paulus dat het zwakke de sterken beschaamt. En elders: het is niet van hem die wil of die loopt, maar van God Die Zich ontfermt. Dat is dezelfde vorm. Het lied sluit met twee helften die de Schrift nooit meer loslaat: “Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE! die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon opgaat in haar kracht.” De kanttekening legt dat laatste uit als toenemen in kracht en glans, zoals de zon opkomt en voortgaat. Christus gebruikt datzelfde beeld aan het eind van een gelijkenis over het onkruid en de tarwe: dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk huns Vaders. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 13:43; 1 Korinthe 1:27-29; Romeinen 9:16; Openbaring 19:11-14; 2 Korinthe 10:4 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Richteren 5 niet aan, en Debora en Barak worden nergens als afbeelding van Christus gebruikt; Barak staat alleen in de rij van de geloofsgetuigen in Hebreeën 11. Wat hier gelegd wordt gaat dan ook niet over personen maar over de manier waarop God verlost: van boven, met middelen die niemand meetelde. Dat Christus in Mattheüs 13 hetzelfde beeld van de opgaande zon gebruikt als vers 31, is een overeenkomst van beeldspraak en geen aanhaling.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Richteren 5
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Namen
Personen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bijbelse Plaatsen
Plaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Van den hemel streden zij — 5:1-3, 19-23, 31
Wat betekenen de niveaus?


Richteren 5
Richteren 5:11.Kruisverwijzingen1 Samuël 12:7→Micha 6:5→Genesis 26:20→Klaagliederen 5:4→Exodus 2:17→Jesaja 28:6→Job 29:7→Jeremia 7:2→
— Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheid des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israel; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten.
Debora zong over de nederlaag van Israëls vijanden en over de verlossing die de stammen gegeven werd. Wij hebben een veel rijker onderwerp voor de muziek. Wij zijn van erger vijanden verlost en door een grotere zaligheid behouden. Laat onze dankbaarheid dieper zijn; laat ons lied meer juichend zijn.
Wij kunnen zeggen dat onze zonden, die als machtige legers waren, weggevaagd zijn — niet door de beek Kison, maar door stromen die uit Jezus’ zijde vloeiden. Onze grote vijand is overwonnen en zijn kop is verbrijzeld. Niet Sisera, maar de satan is neergeworpen — het Zaad van de vrouw heeft de kop van de slang voor eeuwig verbrijzeld. Wij zijn nu losgekocht van het drukkende juk; wij wandelen in vrijheid door de kracht van de grote Verlosser, de Heere Jezus.
De uitkomsten die volgden op de overwinning die Barak verkreeg, zijn op kleine schaal in vergelijking met die welke tot ons komen door de verlossing die de Heere Jezus Christus uitgewerkt heeft. Wie na Baraks overwinning water gingen scheppen bij de putten, werden niet meer verontrust door de rovers die bij de fonteinen op de loer lagen om te plunderen. In plaats van het water heimelijk en in haastige vrees te scheppen, zongen de vrouwen van de machtige daden van God; en de burgers die binnen de stadsmuren opgesloten hadden gezeten, waagden zich buiten de poorten in het open veld en deden hun zaken in veiligheid.
Dit is een leerrijk beeld van de toestand waarin onze Heere Jezus Christus ons gebracht heeft door de vernietiging van onze zonden en de neerwerping van de machten der duisternis.
Richteren 5:12.KruisverwijzingenPsalmen 68:18→Psalmen 57:8→Efeze 4:8→2 Timotheüs 2:26→Jeremia 31:26→Jesaja 51:9→Efeze 5:14→1 Korinthe 15:34→
— Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam.
Vele van Gods kinderen leven alsof hun God dood was. Hun gedrag zou samenhangend zijn als God een ontrouw God was, als Christus geen volkomen Verlosser was, als het Woord van God onwaar mocht blijken, als Hij niet macht of liefde genoeg had om Zijn volk zelfs tot het einde toe vast te houden. Dan zouden zij zich aan rouw en aan vertwijfeling mogen overgeven.
Maar zolang God Jehova is, rechtvaardig en waarachtig; zolang Zijn beloften zo vast staan als de eeuwige bergen; zolang het hart van Jezus getrouw is aan Zijn bruid; zolang de arm van God niet verlamd is en Zijn ogen niet verduisterd zijn; zolang Zijn verbond en Zijn eed ongebroken en onveranderd zijn — zolang past het de oprechten niet al hun dagen rouwend voort te gaan. Kinderen van God, houdt op met wenen en maakt een vrolijk geluid voor de Steenrots van onze zaligheid.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-31.KruisverwijzingenExodus 19:18→Exodus 15:1→Richteren 5:9→Deuteronomium 33:2→Richteren 3:31→Richteren 5:2→Richteren 12:14→2 Kronieken 17:16→
— Voorts zong Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, ten zelven dage, zeggende: Looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israel, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden. Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen. HEERE! toen Gij voorttoogt van Seir, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water. De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinai van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israel. In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jael, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen. De dorpen hielden op in Israel, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israel. Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israel? Mijn hart is tot wetgevers van Israel, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE! Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!
Nadat de veldtocht geëindigd is, zingen Debora en Barak gemeenschappelijk een door de profetes vervaardigd lied, vol van de meest verheven poëzie. Dit lied ademt de machtige gloed van de geestdrift, die door Israëls verheffing en zijn overwinning over Sisera in het land teweeg is gebracht. Na een lofzegging aan de Heere voor de overwinning, die Hij gegeven heeft (vs.2-5), volgt een terugzien op de verlopen tijden van de dienstbaarheid en een oproep tot lof van Hem, die daaraan een einde gemaakt heeft (vs.6-11); hierop volgt een roemrijke vermelding van de stammen, die de strijd ondernomen hadden, en een verwijt tegen hen, die daaraan geen deel hadden genomen (vs.12-18); dan volgt een schildering van de slag en van Jaëls daad (vs.19-27), en tenslotte worden de moeder van Sisera en haar staatsvrouwen sprekende ingevoerd (vs.28-30); een zegenwens besluit het lied en een kort woord over de rust van de volgende tijd, het hoofdstuk.
Voorts, na de gelukkig geëindigde strijd tegen Sisera en Jabin, zongen Debora en Barak,
de zoon van Abinoam, op dezelfde dag, 2) om de overwinning voor al het volk te vieren, en de gemoederen tot dankbaarheid jegens deHeere te ontsteken, een lied, zeggende:
Dit beduidt niet, dat Debora en Barak het lied tezamen hebben gemaakt, maar is als een opschrift van de zegezang aan te merken, en verder, dat het door beiden is gezongen. De dichteres is Debora alleen, zoals blijkt uit vs.3,7 en 12.
D.w.z. onmiddellijk, na de overwinning op Jabin en Sisera.
Looft de HEERE vanwege het wreken van de wraken in Israël, 1) looft Hem, die onze twistzaak getwist heeft, die ons heeft vrijgemaakt van een twintigjarige druk (4: 2vv.), en vanwege dat het volk, de stammen van Zebulon en Nafthali (4: 12vv.) zich gewillig heeft aangeboden, 2) om te strijden tegen een zo overmachtige vijand (4: 10).
Van het wreken van de wraken in Israël. Zo heeft onze Statenvertaling, zoals ook de Engelse, de woorden in de grondtekst overzet, in navolging van de Peschito, de Syrische vertaling, van het Oude Testament. In het Hebreeuws staat er twerp erpb (Biphroa pheraoth). De LXX geeft en tw arxasyai archgouv en Israhl.
In verband met het stamverwante Arabisch kan men dit vertalen: Vanwege dat de voornaamsten in Israël vooraantrokken.
Deze vertaling is wel zo overeenkomstig de inhoud van het lied, als die van onze Statenvertaling, omdat wij dan in het een lid hebben, het zich aan het hoofd stellen van de voornaamsten onder Israël, en in het tweede, het zich gewillig aanbieden, dus het gewillig volgen van het volk.
De profetes-dichter wil daarom de Heere prijzen en loven, omdat Hij zowel de hoofdleiders van Israël als het volk bewerkt heeft, om ten strijde te trekken tegen de vijanden van het volk.
Duidelijk wijst dus de inhoud van dit vers op de tijd, toen er nog geen koning was, geen éénhoofdige macht over Israël, waardoor des te meer de trouw en genade van Israëls God uitkwam, die toch het volk één deed zijn in het ten strijde trekken tegen de verdrukkers.
Luther vertaalt: Looft de Heere, dat Israël weer vrij is geworden.
Des te meer hechten wij aan de vertaling van: gebieders, of voornaamsten, omdat ook in vs.9 dezelfde tegenstelling voorkomt, tussen hen en het volk. Ook in Deuteronomium 32: 42 wordt het door “hoofd” vertaald.
In de grondtekst staan ook de woorden: Looft de Heere, achteraan, waardoor het dichterlijke van het lied nog meer uitkomt.
In de grondtekst is de plaatsing van de woorden anders, waardoor het dichterlijke van het lied nog meer uitkomt: “Dat (Israël weer vrij is geworden), dat het volk zich gewillig betoond heeft; daarom prijst de Here.” De woorden in het eerste lid van de zin kunnen nog anders geplaatst worden, daar de uitdrukking twerb in dit lid tegenover het hoofdwoord Me (volk) in het tweede lid staat. Ook op andere plaatsen in dit lied (vs.9) worden tegenover de vrijwilligen onder het volk de gebieders gesteld; het is dus meer dan waarschijnlijk, dat ook hier vorsten of aanvoerders moet verstaan worden, zoals wij ook in Deuteronomium 32: 42 het daar eveneens voorkomende duistere woord verklaard hebben. Dientengevolge zouden wij moeten vertalen: “Omdat de vorsten in Israël het bestuurden (of “zich vorstelijk gedroegen), omdat het volk zich vrijwillig aanbood, enz.” Het vers verplaatst ons aanstonds in de tijd van de richters, toen Israël nog geen koning had, die het gehele volk ten strijd kon oproepen, maar veelmeer, bij de afwerping van het vreemde juk, alles aankwam op de moed van de hoofden, die zich aan de spits van de onderneming stelden en het vrijwillig besluit van diegenen, die daaraan wilden deelnemen. Onze vertaling, evenals de Engelse en de oude Weimarse of zogenoemde Keurvorstenbijbel, zijn in de vertaling de Pesjito gevolgd. Deze Pesjito, waarschijnlijk in het midden van de tweede eeuw na Christus, door de Christenen van Edessa vervaardigd, is een vertaling van het Oude Testament in het Syrisch, die in tegenstelling tot de allegorische verklaringen zich aan de eenvoudige getrouwe zin van de tekst hield (hetgeen ook de uitdrukking Pesjito aanduidt) en bij de gehele Syrische kerk in gebruik was. Luther heeft: “Looft de Here, dat Israël weer vrij geworden is; ” anderen: “omdat Israël zich streng gewroken heeft.”.
Hoort gij koningen in de omliggende landen, die Israëls God voor een God zonder macht hebt aangezien, gedurende de lange tijd van ons ongeluk en van onze zwakheid; neemt ter oren, gij vorsten, 1) wat ik zingen en vermelden zal, opdat gij leert kennen, dat deze God nog altijd dezelfde is, die in vroegere dagen zo grote wonderen door Zijn volk heeft verricht aan de vijanden, die het benauwden en verdrukten. Ik zal juichen en zingen, want het hart is mij te vol van de grote daden, die Hij nu gedaan heeft, dan dat ik zou kunnen zwijgen, de HEERE zal ik zingen; ik zal de HEERE, de God van Israël psalmzingen tot lof en prijs van Zijn heilige naam.
Koningen en vorsten. Deze zijn natuurlijk niet de hoofdmannen van Israël, maar de koningen en vorsten van de heidenen. Zij, die koningen, moeten het vernemen, wat een machtige God, de God van Israël is.
Als de dichter spreekt van zingen en psalmzingen, dan moet onder het laatste verstaan worden, het zingen met muzikale begeleiding.
HEERE! toen Gij in de dagen van onze vaderen voortging van Seïr, toen Gij daarheen trad van het veld van Edom, om hen, die van het westen van Egypte kwamen, in majesteit tegemoet te gaan (Deuteronomium 33: 2) en van de Sinaï uw wet te openbaren (Exod.19vv.), toena) beefde de aarde onder de tred van Uw voeten, ook droop de hemel, terwijl de geweldige onweren zich ontlastten; ook dropen de wolken van water. 1)
Psalm 68: 8,9
Opdat de vijanden van Israël een juist begrip zouden verkrijgen van de Majesteit van Israëls God, gaat Debora terug naar hetgeen vroeger is gebeurd, toen de Heere in majesteit en heerlijkheid neerdaalde op de berg Sinaï, en majestieus verscheen aan Zijn volk Israël. Maar ook ten behoeve van Israël doet zij het, opdat ook dit volk weer in het geheugen werd teruggeroepen, Gods wondere goedheid en genade aan Zijn volk bewezen. Ja, aan Israël moest het weer bij vernieuwing bekend gemaakt worden, wat een geduchte God zijn Verbondsgod was.
Dit gedeelte herinnert aan het lied van Mozes (Deuteronomium 33) en toont, dat Debora dit lied ongetwijfeld heeft gekend.
Dat de wolken van water dropen, is een poëtische uitdrukking, voor het zich ontlasten van water, zoals bij een hevig onweer plaatsvindt.
a) De bergen vluchtten van of voor het aangezicht van de HEERE, zij dreigden onder Zijn voeten ineen te storten, toen Hij daarop, als op Zijn troon neerdaalde; zelfs of deze Sinaï, 1) dat machtige rotsgebergte, wankelde van of voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël, als wist het wat een God het als plaats van openbaring dienen moest.
(Psalm 68: 15,16,17; 97: 5 b) Ex.19: 18
In het Hebreeuws Zèh Sinai. Beter, deze Sinaï. In heilige vervoering van de Geest ziet Debora die geduchte berg als van nabij, wijst hem als met de vinger aan, en aanschouwt als het ware, hoe die machtige berg beeft, als de HEERE Heere erop neerdaalt.
In 1) de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, van de dagen van Samgar af, die 600 Filistijnen met een ossenstok (3: 31) versloeg, maar het niet kon verhinderen, dat intussen inhet noorden de heerschappij van Jabin zich steeds meer uitbreidde en bevestigde, tot op de laatste tijd dat Jaël aan de redding de laatste hand legde (4: 9, 17vv.) hielden de wegen op; de gewone rechte wegen in het land, vroeger door vele mensen betreden, waren verlaten, omdat men vreesde voor uitplundering en moord, en die op paden wandelden, die genoodzaakt waren te reizen, gingen kromme wegen, kozen van de openbare straten verwijderde zijpaden en omwegen.
Met dit vers geeft de profetes de keerzijde van de medaille te zien. Hoog, zeer hoog heeft Israël gestaan. De HEERE is tot Zijn volk op Sinaï’s gebergte neergedaald. Als een eigen volk van God is het de Heere geheiligd, als een verkregen volk, door Hem met de heerlijkste openbaringen begiftigd, maar ach! voorbij zijn een tijdlang geweest de ervaringen van die verbondsbetrekking. Israël heeft zijn God de rug toegekeerd, zijn God verlaten, en dientengevolge is het verlaten van God en overgegeven in de handen van de vijanden. De wegen hielden op wegen te zijn, waarop de mensen konden wandelen.
De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op, 1) omdat de bewoners van het open land uit vrees naar de steden vluchtten, totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, om aan de zware tijd een einde te maken, om als een moeder in Israël, 2) het uitgeputte volk weer moed in te spreken.
De dorpen zijn hier die plaatsen, die niet met muren waren omgeven. Even zo leeg en woest als de landwegen waren, zo leeg werden ook de dorpen, vanwege de vrees voor de vijanden.
Debora noemt zich een moeder in Israël, omdat haar hart met moederlijk erbarmen had geklopt voor haar volk, en zij in de naam van de Heere de oproep had gedaan, om het volk te verlossen.
Verkoos hij1) nieuwe goden, en offerde hij niet aan God, maar aan de duivels, aan de goden, die zij niet kenden, nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor wie zijn vaders niet geschrikt hebben (Deuteronomium 32: 17), dan was er strijd in de poorten, dan liet de Heere tot aan de poorten van de steden de vijand doortrekken en strijd voeren; werd er ook een schild gezien, of een spies onder veertigduizend in Israël? 2) Durfde iemand naar de wapens grijpen onder zovelen? Zó wasalle moed uitgedoofd, omdat de Heere de harten verslagen had.
Of hij, n.l. Israël, verkoos nieuwe goden, daarom was erstrijd in de poorten. Hiermee daalt Debora af tot de grote oorzaak. Niet God had Israël het eerst verlaten, of Zijn belofte niet vervuld, maar Israël had in plaats van de enige ware God te dienen, zich neergebogen voor nieuwe goden.
Dit betekent niet, dat er geen spies of schild meer was onder Israël, omdat de vijanden alle wapens hadden veroverd, maar dat er geen enkel soldaat durfde opstaan om tegen de vijand te strijden. Hadden in vroeger dagen 40.000 man zich opgemaakt, alleen uit de stammen aan de overzijde van de Jordaan, nu was het zo treurig gesteld geweest, dat onder geheel Israël geen enkel man naar de wapens durfde grijpen. Moedeloosheid was het gevolg van de zonde geworden.
Mijn hart is tot de wetgevers, 1) de legerhoofden van Israël, het voelt zich tot hen heen getrokken, evenals tot degenen, die zich gewillig aangeboden hebben (vs.2) onder het volk; op die aanvoerders en vrijwilligers richten zich het eerst mijn gedachten, als ik omzie in de kring van hen, die zoveel reden hebben omde HEERE voor Zijn grote daden te prijzen. De verheffing van de eersten en de geestdrift van de anderen was een genadegave van de Heere: looft daarom ook gij de HEERE!
Mijn hart is tot de wetgevers, of, mijn hart is tot, d.i. voelt zich aangetrokken tot de gebieders, de aanvoerders. Onder wetgevers, of zoals er letterlijk staat, bestemmende, moeten de aanvoerders verstaan worden in tegenstelling van het volk, in het tweede lid van dit vers genoemd.
Gij rijken en voornamen onder het volk, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gericht zijt, 1) rechters en ambtlieden, en gij die over weg wandelt, spreekt ervan, God tot lof, want gij allen geniet de zegen van de vrede, die de aanvoerders en de vrijwilligen (vs.9) bevochten hebben!
In het Hebreeuws Joschbee al-Middin. De Statenvertaling heeft gij, die aan het gericht zijt, in navolging van de Septuaginta. Dan moest echter in elk geval het woord in de grondtekst anders gevocaliseerd zijn (niet middin, maar midjan). Letterlijk betekent het: die op kleden of tapijten zit. Nu worden hiermee bedoeld, zij die thuis een rustig rijk leven leiden, in tegenstelling tot degenen, die in de volgende woorden worden genoemd, die over weg wandelt, n.l. degenen, aan wie het niet gebeuren mocht te rijden, maar die vanwege hun geringer stand, moesten lopen.
Zowel rijken als armen, voornamen en geringen moesten de Heere prijzen vanwege Zijn genade en trouw.
Van 1) of met het gedruis of de stemmen van de schutters, tussen de plaatsen, de bronnen, waar men water schept, spreekt nu aldaar op dezelfde plaatsen tezamen van de gerechtigheden van de HEERE, van Zijn grote daden, waardoor Hij gericht hield over de verdrukkers, van de gerechtigheden, bewezen aan Zijn dorpen in Israël, van Zijn grote daden, waardoor Hij Zijn verbondstrouw aan Israël verheerlijkte, en de landlieden in staat stelde, om nu weer de kudden aan de waterputten en de fonteinen te leiden; toen deze grote dingen gebeurden, ging het volk van de HEERE van de bergen en uit de schuilplaatsen, waarheen het uit vrees gevlucht was (vs.6), af tot de poorten van de steden en tot de dorpen, om daar als voorheen vreedzaam te wonen.
Het eerste gedeelte van het vers is niet gemakkelijk te vertalen. Onder de schutters hebben wij meer dan hoogstwaarschijnlijk te verstaan, degenen, die uit de strijd terugkeerden, wellicht de boogschutters van Benjamin, en tussen de plaatsen, waar men water schept, de bronnen. Debora bezingt de vrede. Tengevolge van de vrede na zo’n langdurige verdrukking, kunnen de schutters weer tot hun landelijk bedrijf terugkeren en nu bij de bronnen met de vrouwen, die het vee drenken, tezamen spreken over de heerlijke daden van de Heere, over de gerechtigheden van de Heere.
Ja, Debora wekt hen daartoe op, opdat alle gesprekken zich daarheen richten, dat de trouw van God groots wordt geprezen.
Deze plaats is moeilijk te vertalen en is daarom verschillend verklaard. De bedoeling is deze: In tijden van oorlog was er alleen vijandigheid binnen de poorten; de herderinnen konden dan niet, evenals Rebekka deed (Genesis24: 11) buiten de steden gaan naar de waterfonteinen. Dat was een te gevaarlijke bezigheid, dan ontbrak het niet aan twist en geschreeuw. Nu echter was er een wonderbare verandering gekomen, daar men niet meer jaagde en vervolgde, maar alles, ook buiten de stadsmuren, rustig en vrij was.
Waak op, waak op, Debora, die zo-even anderen tot een lied gedrongen hebt, en breng eerst zelf uw lof! Waak op, waak op, wek de gave op, die in u is, spreek een lied, dat in bijzonderheden beschrijft, hoe de Heere aan ons grote dingen gedaan heeft! Maak u op, Barak, en leid uw gevangenen gevangen voor u heen, gij zoon van Abinoam! 1)
Nadat zij eerst zichzelf heeft opgewekt, spreekt zij Barak aan en roept hem toe, terwijl zij zich verplaatst in het ogenblik van de strijd om zijn gevangenen weg te voeren, om tot de overwinning voort te gaan.
1) Toen deed hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk: de HEERE doet mij heersen over de geweldigen. 2)
In vs.13-21 wordt nu het verloop van de strijd geschilderd. Eerst tot en met vs.18 de deelname van de verschillende stammen aan de strijd.
De vertaling rust op de rabbijnse opvatting van de passage en de daarmee overeenstemmende mazoretische vocalisatie van het eerste woord dry als fut. apoc. van hdr beheersen, waardoor de zin zou worden, dat de tot hiertoe onderdrukte Israëlieten nu over hun machtige opperheren heersten. Ja, de Heere zelf door hetgeen hij door Debora had verricht weer de overhand bekomen had in Zijn, door de Kanaänieten onderdrukt land. De meeste uitleggers lezen, en worden door de oude vertalingen gesteund: dry, waardoor de zin deze wordt: Toen ik die oproep (vs.12) gedaan had, vertrok van de Thabor een overblijfsel van edelen, een overblijfsel van het volk, terwijl een groter deel verkoos in trage rust en dienstbaarheid te volharden en zich niet bij het Israëlitische leger aansloot (vs.14-17); de Heere trok tot mijn vreugde en tot bevestiging van mijn profetisch woord (H4: 14) af onder de helden, die in gehoorzaamheid aan Zijn woord en in vertrouwen op Zijn belofte de strijd ondernamen.
De dichteres verplaatst zich dus in de geest in het begin van de slag, op het ogenblik, dat in de tweede helft van 4: 14 beschreven wordt, met de woorden: zo trok Barak van de berg Thabor af, en tienduizend man achter hem; ” zij ziet de Heere onder deze schaar van edele aanvoerders en vrijwillige strijders (vs.2,9); vervolgens telt zij die stammen met name op, die in de strijd gegaan waren en maakt ook tot hun beschaming met name de andere bekend, waaruit niemand tot de heiligen strijd opgegaan was.
Men kan echter de lezing van dry (Jerad) behouden en dan aldus vertalen: Alsnu trek af tot de strijd, o, gij overblijfsel van de edelen. O, Heere, trek af, tot mijn vreugde, onder de helden! In het tweede lid kan mij niet iets anders betekenen dan, tot mijn blijdschap, in de zin van, zoals ik het zo gaarne wenste. Het overblijfsel van de edelen of heersers zijn diegenen onder de stammen, die wel mee optrokken, in tegenstelling tot hen, die thuis bleven. De betekenis is dezelfde.
Debora verplaatst zich in het ogenblik toen de strijd begon en ziet voor haar geest voorbijgaan, die schaar van helden, waarvan de Opperste Veldheer de Heere zelf is.
Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. 1) Achter u, o Efraïm, was Benjamin onder uw volken. 2) Uit Machir 3) (= verkocht), de halve stam West-Manasse, zijn eveneens de wetgevers of aanvoerders vertrokken, 4) en uit Zebulon, trekkende door of met de staf van deschrijver. 5)
De samenhang met het voorgaande en de volgende verzen pleit voor een andere vertaling. Zij is deze: Van Efraïm trokken mede enige dapperen uit en wel die, wier wortel in Amalek is, die op het vroeger door de Amalekieten bewoonde gebergte, ten westen van Sichem (12:
zich gevestigd hadden; achter u, o Efraïm! trok allereerst Benjamin en verscheen onder uw volken, waaraan zich deze stam zo snel had aangesloten, op dezelfde tijd op de strijdplaats. Van Machir vertrokken eveneens enige aanvoerders met hun strijders, en van Zebulon trekkende, aan de spits van de krijgslieden, met de aanvoerderstaf in de hand.
Volgens de aanmerking “Nu 36: 4” hadden wij eigenlijk de Oost-Manassieten onder Machir te verstaan; het schijnt echter, dat deze naam hierin het algemeen verstaan moet worden, zodat hij Manassieten betekent (Manasse had ook slechts één zoon, Machir (Genesis50: 23); en welk deel van de Manassieten nu bedoeld wordt, of die oostelijk, of die westelijk van de Jordaan woonden, blijkt uit het volgende, omdat in vs.17 de Oost-Manassieten onder de naam Gilead mede begrepen zijn.
Volken, dichterlijke vorm voor volksgenoten, of volksstammen.
Machir was de enige zoon van Manasse, van wie alle nakomelingen van Manasse afstammen. Omdat straks Gilead genoemd wordt, is onder Machir te verstaan, West-Manasse en straks onder Gilead Oost-Manasse.
Wie deze wetgevers geweest zijn blijkt niet.
In het Hebreeuws Sopher. Schrijver, hier in de zin van, de militaire beambte, die moest zorgen voor de aanwerving van het leger, en de aangeworvenen op de monsterrol moest aantekenen.
Ook waren de vorsten in Issaschar, vergezeld van hun onderhorigen, met Debora op de berg Thabor, waarheen ik, de profetes, de vorsten en vrijwilligers samengeroepen had, en mijzelf had begeven om de onderneming te leiden, en snel en dapper, zoals Issaschar, alzo was, toen de aanval op het vijandelijk leger van de berg plaatsvond, Barak, de held van de dag; op zijn voeten 1) werd hij gezonden in het dal. 2) In Rubens gedeelten, aan de overzijde van de Jordaan, waren de inbeeldingen of besluiten van hart groot, hij nam grote besluiten, alsof hij ietsbuitengewoons tot redding van het land wilde doen, maar verder kwam het niet; hij bleef rustig thuis.
Op zijn voeten is hier weer in de zin van hem, n.l. Barak, op de voet volgen.
Luther heeft: “gezonden met zijn voetvolk,” anders: “door hem (Barak) aangevoerd, vloog hij (Issaschar) naar de vlakte.” Werd hij gevonden in het dal, of, werd het gevonden in het dal. Onder het is dan te verstaan het leger, waarvan Barak de aanvoerder was.
Het dal is hier het dal van Jizreël, de vlakte van Kison. Daarheen trok Barak met zijn leger en daar vond de slag plaats. Zeer aanschouwelijk en op hoogverheven wijze beschrijft Debora, onder de leiding van de Geest. Zij ziet hoe, onder leiding van Barak, het gehele leger zich van de Thabor stort op het vijandelijk leger, onder aanvoering van Sisera.
In het Hebreeuws Biphlaggooth Reoebeen. De Statenvertaling geeft in Rubens gedeelten. Ook is de vertaling geoorloofd in verband met Job 20: 17: Aan de beken van Ruben. Het is bekend, dat het stamgebied van Ruben rijk was aan beken en daarom ook aan vruchtbare weiden.
Waarom bleef gij, Ruben, zitten tussen de stallingen, in zoete rust, om te horen het blaten van de kudden 1) en u te verheugen in de klank van de schalmeien van deherders, in plaats van de krijgstrompet te volgen? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen van hart
(vs.15), en toen het tot uitvoering zou komen, zonderden zij zich af.
Het blaten van de kudden. Ook kan men vertalen: naar de fluiten van de herders. De uitkomst van beide is hetzelfde. Ruben wilde niet, had geen zin in de strijd, bekommerde zich liever om eigen dingen, dan om de zaak van de Heere.
Of: aan Rubens beken waren de onderzoekingen van hart groot.
Vroom zelfs was Ruben dus. Ruben zal die onderzoekingen van zijn hart zelfs wel in het gebed en op de knieën voor de Heere hebben gebracht. O, Ruben onderzocht zoveel. Hij had zo diepe worstelingen van hart. Maar ondertussen liet Ruben zijn broeders alleen de strijd strijden en ondertussen had Ruben in zijn stallingen zich vermaakt.
Ontzettend zelfbedrog! Die vrome Ruben, die in zijn ziel de zaak om en om woelt, en intussen zijn vee liever dan Gods volk heeft.
Op deze wijze worden velen weerhouden van het betrachten van hun plicht, door de angst voor moeite en gevaar, door de liefde voor gemak en door een onbehoorlijke genegenheid voor hun wereldse bezigheden en voordelen. Bekrompen geesten, waarin de eigenliefde de overhand heeft, bekommeren zich weinig, hoe het met de belangen en zaken van Gods Kerk gaat, als zij maar geld winnen, behouden en besparen kunnen, zoals de apostel zegt: zij zoeken allen het hunne (Philip.2: 21).
Gilead1) dat is Gad en Oost-Manasse, bleef eveneens aan de overzijde van de Jordaan, en kwam niet eens tot een besluit; zo weinig kon de grote beweging in Israël hem opwekken, alsof het hem niet aanging; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen, in zijn havenstad Joppe (2 Kronieken 16; (Joz.19: 46), alleen bedacht op handel en winst, terwijl er toch zulke gewichtige dingen voorvielen en het hier te doen was om de bevrijding van het land van een machtige onderdrukker? Aser zat aan de zeehaven (Joz.19: 24vv.),eveneens om handelsbelang het algemeen belang vergetende, en bleef in zijn gescheurde plaatsen, 2) bleef stil in zijn havensteden.
Noch Gilead, noch Dan, noch Aser lieten zich in met de nationale strijd. Dan en Aser hadden te veel te doen met hun handel, en waren te veel verwend door de geriefelijkheden van het leven, door de rijkdom aan aardse goederen, dan dat zij warm konden worden voor een strijd voor de Heere en Zijn volk.
Hieruit zien wij, hoe weelde verwijft en hoe ook door Dans en Asers handelingen het wordt bevestigd dat, wie zich door de wereld en wat van de wereld is laat verleiden, onbekwaam is tot het koninkrijk van God.
Gescheurde plaatsen, d.w.z. de inhammen, de bochten van de zee, een dichterlijke uitdrukking voor, zeehavens.
De LXX vertaalt het Hebreeuws woord mifratsim breuken door diëksodoi = kleine havens; anderen menen, dat Aser in die tijd de breuken van zijn bemuurde steden hersteld zal hebben.
Zebulon, het is een volk, dat zich het verhevenst en het krachtigst bewezen heeft, een volk, dat zijn ziel versmaad heeft ter dood, het heeft zijn leven aan debevrijding van het land gewaagd; insgelijks Nafthali, die op de hoogte van het veld, in een bergachtig land woont. Deze beide stammen vormden de kern van het Israëlitische leger en zijn daarom in 4: 10 alleen genoemd; zoals uit ons lied blijkt, hadden echter ook Benjamin, Efraïm, West-Manasse en Issaschar aanvoerders en manschappen geleverd, terwijl de 2 1/2 Oost-Jordaanse stammen, en van de West-Jordaanse de beide stammen Dan en Aser, die in handelsverkeer met de Phoeniciërs waren, geen deel aan de strijd hadden genomen. Nu ontbreken nog Juda en Simeon. Het is opmerkelijk, dat deze in het geheel niet genoemd worden. Indien zoals velen aannemen, een reeds toen bestaande vervreemding van deze stammen de oorzaak ware geweest, zou Debora niet hebben nagelaten, daarvan melding te maken. Wellicht zal de herinnering aan vroegere diensten, die Juda en Simeon aan het land betoond hadden (1 vv.; 3: 9 vv.), of de eigen droevige toestand van beide stammen, die veel met de Filistijnen te doen hadden (3: 31; 5: 6), de dichteres bewogen hebben, van hun wegblijven geen melding te maken.
1) De met Jabin verbonden en onder het opperbevel van zijn veldoverste staande koningen kwamen, zij streden; toen de slag aanving streden de koningen van Kanaän, te Thaänach aan de wateren van Megiddo, in de vlakte van Jizreël, maar hadden zij op een schitterende overwinning en rijke buit gerekend, zij brachten geen gewin van zilver daarvan; 2) zij namen niet één stuk als buit mee.
Met dit vers begint de eigenlijke schildering van de strijd.
Men verklaart dit gewoonlijk voor de buit, die de vijanden hoopten te maken en niet verkregen. Maar de buit van het Zebulonitische en Nafthalitische leger kan niet zo rijk aan geld zijn voorgekomen. Het is daarom waarschijnlijk, dat de mening van de profetes nog een andere insluit. Het is bekend, nog uit latere tijden, dat men een dreigend leger van vijanden tegemoet ging en de aanval door geld zocht af te kopen. Zo nam Sisak, koning van Egypte onder Rehabeam alle schatten van de tempel met zich (1 Koningen .14: 27); Asa gaf al het overige zilver en goud aan Benhadad van Damascus (1 Koningen .15: 18), Menahem bracht veel geld op om de koning van Assyrië daardoor tot terugkeren te bewegen (2 Koningen .15:
. Aan Sisera viel dit niet te beurt.
Van de hemel streden zij, de sterren uit hun loopplaatsen streden tegen Sisera, 1)zodat hun grote krijgsmacht en de krijgskunst van de aanvoerders hun niet baatte.
Uit de uitslag van de strijd, uit de beslissende overwinning is het zeker, dat God met de Israëlieten was en in hun midden streed, dat Hij zelf het vijandelijke leger in verwarring bracht en een hogere macht met krachtige hand in de slag werkzaam was. Dat alles staat de zangeres duidelijk en levendig voor ogen; overmeesterd door de gedachte aan Gods wonderbare hulp, en in verrukking beproevende aan een zo duidelijk gezien en toch zo raadselachtig werken op aarde in het midden van de mensen, een bepaalde uitdrukking te geven, is het haar, als had de hemel de woonstede van de heilige God, zich naar de aarde neergebogen, alsof de sterren haar gewone banen hadden verlaten en tegen Sisera gestreden. Van dezelfde aard is het, wanneer David in Psalm 18 de hem reddende en beschermende God voorstelt als Hem, die in het onweer neerdalende, de hand uitstrekt, om uit de diepten van de gevaren uit te trekken. Zo moet de beeldspraak worden opgevat; dan alleen geeft zij ons een volledig getuigenis van het Godsbewustzijn, waaruit zij is voortgekomen, van het geloof in een bovennatuurlijke God, wiens wonderbaar machtig werken overal in Israël ondervonden werd, niet met gewone woorden te beschrijven is, maar zelfs in de verhevenste uitdrukkingen als in een spiegel slechts in beeldrijke redenen verschijnt. Ook ligt de gedachte voor de hand, dat de sterren hier voor de de Heere dienende geesten, de engelen staan, die naar Zijn alles regerende wil de natuurkrachten in beweging brachten en door een onweer, dat ook de beek buiten zijn oevers liet treden (vs.21), het vijandelijk leger verschrikten. Het poëtisch verhevene van deze plaats had dan een parallel aan de schone plaats van Schillers “Maagd van Orleans” (II 10): “zijn engelen, gij ziet ze niet, zij strijden voor de koning”.
Niet met het zwakke Israël had Jabin alleen te doen, maar o, de Heere streed voor Israël. De Heere bracht zelfs de hemel in beweging, om Zijn volk te hulp te komen. Wellicht, dat de Heere een vreselijk onweer verwekte en de waterstromen in hevige mate op hen deed neervallen.
De beek Kison, die met haar water over haar oevers ging, wentelde hen weg en sleepte de lijken van de vele duizenden, die door de scherpte van Baraks zwaard vielen (4: 15), naar de zee, de beek Kedûmim, dat is, van de voortijd, de oude beroemde beek, of, volgens een andere verklaring: de beek van de slagen, dat is, die de slag mede besliste en aan welke later nog menige slag geleverd zou worden (De 27: 3), de beek Kison; 1) vertreed, o mijn ziel! de sterke,
de vroeger zo machtige vijanden, die nu in Israëls handen gegeven zijn, opdat gij, wat van hen nog niet in de golven van de Kison is omgekomen, geheel vernietigen kunt.
In de herhaling van “Nachal Kison” ligt de nadere bepaling, van hetgeen de beek Kison voor de Israëlieten op die dag geweest is. Zij was niet alleen een schouwplaats van de strijd, maar een instrument van hulp. Dit bericht maakt het duidelijk, dat de wateren van de beek gezwollen waren. De Kison heeft alleen na de regentijd volle oevers, waarom de LXX haar “cheimarroes” noemen. In de zomer is zij meestal uitgedroogd, maar in de lente heeft zij een sterke stroom. Ritter (16: 704) voert aan dat op 16 april 1799 in de oorlog van de Fransen en Turken, velen van de laatsten omkwamen in de woedende golven. Men kan daarom de slag op het einde van april tot mei stellen. In die tijd viel het feest van de weken onder Israël in. Een joodse hymne, uit de Middeleeuwen van R. Mair, die nog heden op het Pascha in de synagogen gezongen wordt (Lel Schimuron) plaatst de slag in de Pascha-nacht, maar heeft daarvoor geen chronologische, maar alleen een theologische reden: dat alle daden van de vrijheid in de paasnacht geschied zouden zijn. Reeds naar het verhaal in Exodus is de aanwijzing gegeven, dat de openbaring op Sinaï in het begin van de derde maand plaats had, en daar met het feest van de weken samen viel. De slag, die op zo’n herinneringsdag viel, laat de aanhef over de almacht van God op de Sinai, “toen de aarde beefde” (vs.5) verklaren. Om de 68ste Psalm voor een lied van het feest van de weken te houden, hebben de ouden geen ongegronde overlevering gehad. Het is juist deze, die het Deboralied in de aanvang overnam.
Volgens een andere verklaring betekent de laatste woorden: “treedt in, mijn ziel, met kracht!” en zijn zij een zelfopwekking van de dichteres, waarmee zij zichzelf aanspoort, nog het vuur van de geestdrift niet te laten uitdoven, maar een nieuwe dichterlijke vlucht te nemen, om, wat nog ontbreekt met gelijk, ja zo mogelijk nog hoger vuur voor te stellen (Genesis49: 18).
Toen het vijandige leger geheel verslagen wegvluchtte, werden de paardenhoeven verpletterd van het rennen, te midden van de steenachtige wegen, het rennen van zijn of van hun machtigen, 1) die in ontzettende angst hen steeds totsnellere loop aandreven.
De bedoeling volgens deze vertaling is, dat het de Kanaänieten niet mogelijk was te vluchten, omdat de hoeven van de paarden verbroken werden door het rennen.
Een betere vertaling is: “toen stampten de paarden”, het hoevengekletter werd gehoord, van het aandrijven van hun machtigen, die nu in schandelijke vlucht zich probeerden te redden (het Hebreeuws is “snel lopen” zoals het sanskritische “dru” het Griekse dranai).
Echter staat er in het Hebreeuws Chalmoe. En dit betekent niet verpletterd worden, maar kletteren of stampen. De bedoeling is, dat het gestamp van de paarden werd gehoord vanwege het rennen, het aandrijven van de vijandelijke vorsten, die in een ordeloze vlucht heil en behoud zochten.
Vervloekt de stad Meroz 1) (= wijkplaats), zegt de Engel des HEEREN, die ons te hulp gezonden, de vijanden heeft verslagen en verdreven, en hun aanvoerder naar die streek heendreef (4: 15); vervloekt haar inwoners gedurig, omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp van de HEERE, maar Sisera, die in hun handen gegeven was, lieten ontsnappen, omdat zij zich niet hebben opgemaakt tot de hulp van de HEERE, door zich met of onder de helden 2) te verenigen die het land bevrijdden; vervloekt hen, want zij hebben hun God verloochend en schandelijke ontrouw jegens zijn volk bewezen.
Waarschijnlijk het tegenwoordige Keïr Musr, ten zuiden van de Thabor, halverwege de weg naar Endor (vgl. Ritter 15,339).
De Heere had hun hulp niet nodig. Hij gaf blijken, dat Hij Zijn werk zonder hen kon doen, maar dit had men echter aan hen niet te danken, want zij wisten immers niet of de onderneming door het minste van hun bijstand zou mislukken, dan wel niet, en daarom worden zij gevloekt, omdat zij niet gekomen waren tot de hulp van de Heere, omdat er openlijk was uitgeroepen, wie genegen was, het met de Heere te houden en Zijn zijde te kiezen. De zaak tussen God en de mogendheden, de machten en de vorsten van het rijk van de duisternis kan geen onzijdigheid dulden. God merkt degenen, die niet met Hem zijn, als tegen Hem (Jud 5: 23).
De juiste vertaling is tegen (b) de helden, daardoor was de schuld groter, dat zij Israël niet geholpen hadden, hoewel het door helden bedreigd was. De vloek zal evenals Joz.6 verwoesting van die plaats en verbanning van de bewoners betekend hebben, hoewel niets naders bedreigd wordt. In latere tijden werd dit vers een locus classicus voor de talmoedische uitlegging van de ban tegen personen en zaken (Mond Katan 16a; Sjebuoth 36a; Selden de Synedriis 84).
Gezegend zij, daarentegen boven (onder) de vrouwen Jaël, de vrouw van Heber, de Keniet; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent, 1) want hoewel zij niet dadelijk tot het volk van God behoorde, zelfs met Jabins huis door vriendschap verbonden was (4: 17), zo heeft zij toch, die vriendschap verloochenende, de zaak van de Heere zich aangetrokken en aan Sisera gedaan, wat de burgers van Meroz uit zwakheid en onverschilligheid verzuimd hadden.
Tegenover Meroz wordt Jaël gesteld. Hadden de inwoners van Meroz Sisera in zijn vlucht laten ontsnappen, Jaël had hem in haar tent genomen en bij nadere overweging gedood.
Zij wordt hier geprezen boven de vrouwen in de tenten, d.w.z. boven de tentbewoonsters, boven de andere vrouwen van de herders.
Water eiste hij, 1) de door haar ingenomen vluchteling (4: 17vv.), tot lessing van de dorst; melk gaf zij in een herenschaal, 2) in een kostbare schaal bracht zij, om hem gerust te maken, dat hij hier geen gevaar te vrezen had, boter 3) of geronnen melk of room.
De naam van Sisera wordt niet genoemd, zo bekend veronderstelt Debora de geschiedenis. Voor haar geest ziet zij het, hoe Jaël met de vluchteling handelt.
Letterlijk: in een schaal van de edelen, daarom in een schaal, waaruit edelen plegen te drinken.
Boter is hier hetzelfde als melk, in het eerste gedeelte van dit vers. De dubbele uitdrukking dient om aan te duiden, dat zij van het beste gaf, wat zij had.
Haar linkerhand sloeg zij, toen hij in diepe slaap gezonken was, aan de nagel van haar tent, en haar rechterhand aan de hamer van de arbeidslieden; en zij klopte Sisera, zij streek zijn hoofd af, 1) zij sloeg door zijn hoofdheen, als zij zijn slaap had doornageld en doorgedrongen. 2)
In het Hebreeuws Machakah, streek zijn hoofd af, of liever verpletterde zijn hoofd. Of, zij doornagelde zijn slaap en doorboorde die. Alles dient, om de heldendaad van Jaël breed uit te meten, om het te bewijzen, hoe zij, de zwakke vrouw, een heldendaad heeft verricht, door een man als Sisera het hoofd te doornagelen.
Tussen1) of aan haar voeten kromde hij zich, viel heen, lag daar neer, hij, die jaren lang de schrik van Israël geweest was, door een slag verpletterd; tussen haar voeten kromde hij zich; hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden! 2)
Ook vs.27 dient, om het onderscheid tussen Jaël en Sisera goed uiteen te zetten, om de heerlijkheid van Jaël tegenover de kleinheid van Sisera in het licht te stellen. De held Sisera aan de voeten van de zwakke Jaël!.
Daar lag nu uitgestrekt de levenloze romp van die hoogmoedige, niet op het bed van eer, niet op de hoogte van het veld, niet kunnende een edele wond vertonen, hem door een glinsterend zwaard, of door een stalen boog toegebracht, maar in de hoek van een tent, aan de voeten van een vrouw met een schandelijke wond van een stompe nagel of spijker, die zij door de slaap had heengedreven (Jud 5: 27).
Wat een vreselijke voorstelling! Voor de krijgsman de ontvlamde vrouw, met de zware hamer in de rechterhand. De getroffen vorst kromt zich, wil zich opheffen, en zinkt inéén. Tweemaal nog valt hij neer en sterft. Daar ligt hij, de overmoedige veldheer, die Gods volk vernietigen wilde, door een vrouw verslagen, op een schandelijke vlucht, alleen, ver van de zijnen, onbeweend, als een voorbeeld voor de overwinnaars, van menselijke val en goddelijke kracht. Het verwondere ons niet, dat de profetes, door de Geest van God vervuld, toch geen afschrik van het wrede, dat in Jaëls daad ligt, te kennen geeft, integendeel met grote toestemming en hartelijke vreugde de toedracht haar toehoorders voor ogen stelt; haar vreugde is over het geloof aan de God van Israël, dat Jaël tot die daad gedreven heeft. Verder ziet zij niet, meer wil zij ook niet prijzen en zegenen en zo is haar lied geheel overeenkomstig de bedoeling van God in het Oude Testament, volgens welke het boven alles op geloof aankwam (Jos 6: 5), terwijl de opvoeding tot volkomen zedelijkheid nog voor de nieuwtestamentische bedeling bewaard bleef (Ex 21: 11). Zolang Christus nog niet op aarde was, nog niet het beeld van een volkomen man in woord en wandel had voorgesteld, de mensen met God verzoend en door Zijn heengaan tot de Vader de poorten van de hemel geopend had, zodat de Geest zich onbeperkt over de gelovigen kon uitstorten, zolang heeft de Heere, die niet maait, waar Hij niet gezaaid heeft, de tijden van de onwetendheid overzien. Bij alle bewondering voor de rijke genadegiften, die Hij aan Zijn volk onder het Oude Verbond verleend heeft, moeten wij toch altijd als zeker stellen, dat ook de minste in het koninkrijk der hemelen groter is dan de meeste onder allen, die onder de Oude bedeling van vrouwen geboren zijn (Matth.11: 11).
De moeder van Sisera keek uit door het venster, of haar zoon niet spoedig uit de slag zou terugkeren, en schreeuwde in angstig vermoeden van hetgeen gebeurd was, door de tralies: 1) Waarom vertrekt (vertoeft) zijn wagen, waarop hij ten strijde gegaan is, te komen? waarom blijven de gangen van zijn wagens achter? Nog altijd verneem ik het geraas niet, dat de vrolijke boodschap van zijn aankomst meldt.
Men had toen, zoals meestal heden nog in het oosten, geen glasvensters, maar de openingen, die licht in de kamer moesten geven, waren van tralies, bij wijze van jaloezieën, voorzien, die tevens het voordeel gaven, dat zij het sterke daglicht verzachtten en frisse lucht in de kamer gaven.
Wie zou eerder zorgen dan een moeder? Van een van de vrouwen spreekt Debora niet; in de harem van een vorst is geen liefde. De grote held is de trots van zijn moeder. Wat zij in hem bezit, in hem verliest, treft geen andere vrouw. Nu troosten haar de vrouwen, die de hooggeplaatste moeder van de machtige veldheer omringen. De overwinnaar, zeggen zij, heeft ook zijn bezigheden. Wanneer hij nog niet hier is, is hij door deze teruggehouden. Een andere reden is niet mogelijk, want een Sisera moet overwinnen. Deze gevleide moeder stemt met haar in. De profetes noemt met haar fijne ironie de vrouwen, die zo spreken, wijs. Dat is de wijsheid van de hoogmoed die het onmogelijk acht, dat Sisera zou overwonnen zijn. Wat is haar Israëls God? Buit is het, die hem verhinderd te komen. De overwinnaar wordt opgehouden, want hij moet die verdelen. De vrouwen denken natuurlijk het eerst aan die buit. Dat is haar de kern van elke overwinning. Haar fantasie schildert haar nu de veroverde schatten voor. Wat een tijd is er nodig, vóór iedere krijger de twee maagden zijn toegedeeld! En nu de buit van kostbare kleren! Voor Sisera zijn natuurlijk de purperen. Maar ook aan de anderen komen kleren toe. Zo praten zij voort en woelen reeds in de geest in de have, die Sisera meebrengt. En opeens komt de boodschap: “geen buit, geen overwinning, de held is dood, het leger verwoest, alles is verloren, de teerling is gevallen.”.
De wijste van haar staatsvrouwen, zij die zich voor de verstandigste onder Sisera’s vrouwen hielden, die zich in de omgeving van zijn moeder bevonden, antwoordden en zochten haar met bang voorgevoel vervuld hart te troosten; ook 1)beantwoordde 2) zij haar redenen aan zichzelf.
In het Hebreeuws Aph-Hi. Ook zij, of liever, maar zij, want het eerste woord dient om een tegenstelling aan te geven. Het gehele tweede gedeelte is een tussenzin.
In het Hebreeuws Thaschib niet zo zeer, beantwoorde, als wel, herhaalde; letterlijk: zij voerde terug haar redenen (of woorden) aan zichzelf, d.i. niettegenstaande de wijste, die in dit geval echter zeer dwaas waren, haar trachtten te troosten met de veronderstelling, dat Sisera de buit deelde, blijft zij bij zichzelf de woorden herhalen: waarom vertrekt zijn wagen? Een bang gevoel doorkruist haar boezem, dat hij niet overwinnaar is, maar overwonnen. Juist hierdoor blijkt het, wat een diepe blik Debora in het moederhart heeft geslagen. De moeder van Sisera voelt het wel, dat haar zoon, die anders de eerste uit de strijd is en haar terstond opzoekt, nu is verslagen.
a) Zouden zij, die in de strijd tegen Israël zijn uitgetrokken na de overwinning, dan de buit niet vinden en delen? Ook daartoe is tijd nodig. Zij zullen wellicht een liefje of twee liefjes roven voor iedere man? Voor Sisera, die een bijzonder aandeel van de buit toekomt, een buit kleren van verscheidene verven, een buit van verscheidene verven, gestikt, van verscheidene verven aan beide zijden gestikt, voor de buithalzen? 1)Daaraan is het lang uitblijven wellicht toe te schrijven.
Deuteronomium 21: 10vv.
Woordelijk staat in het Hebreeuws halzen van de buit. Sommigen willen het slotwoord Schalal liever veranderen in Schegal = gemalin, zodat de laatste regel zou zijn: “een doek van verscheidene verven, aan beide zijden gestikt, voor de halzen van de gemalin,” namelijk van Sisera. Naar de mening van anderen zijn hier de bevelhebbers gemeend, de halzen, de mannen van de buit, namelijk aan wie de buit toekwam (zie de verklaring in de tekst). Het is veel beter, dat ons, als wij afwezig zijn, iets overkomt, dat door de vrouwen, dan dat door de ouders vermoed wordt.
Dan moest er echter staan de hals en niet de halzen, hoewel een enkele maal halzen voor hals staat.
Anderen verstaan onder buit, de buitgemaakte meisjes, die dan die bonte kleren moesten dragen om hun hals; nog anderen, degenen, die de buit hebben gemaakt, n.l. de soldaten. Wij voor ons verenigen ons het liefst met de laatste mening, omdat dan aan Sisera werd toegedacht, en dus ook aan de bevelhebbers, de meisjes, de slavinnen met verschillende sierlijk geverfde kleren, en aan de gewone soldaten de overige kleren, die werden buitgemaakt.
Alzo, zoals Sisera, moeten omkomen al uw vijanden, o HEERE! Die Hem daarentegen liefhebben, moeten zijn, als wanneer de zon a) opgaat in haar kracht 1) envervolgens steeds hoger stijgt en altijd heerlijker wordt! En het land, nadat het op de 4 beschreven wijze van zijn onderdrukkers was bevrijd, was stil, gedurende veertig jaar, (van 1256-1216 voor Chr.)
Psalm 19: 6
In deze toestand van zwakheid hebben de gelovigen medelijden en bidden zij voor de goddelozen en wenden al hun invloed aan om hen te overreden, medelijden met zichzelf te hebben en de kwade wegen te verlaten, opdat zij leven. Maar in de grote en vreselijke dag, wanneer de goddelozen in de hel geworpen worden, zal de rechtvaardige zo volkomen overtuigd zijn van de gerechtigheid van het oordeel van de verdoemende, dat hij even als Barak en Debora gereed zal zijn om uit te roepen: “Zo moeten omkomen al uw vijanden, o Heere.” Debora zingt na de overwinning een lied. Daaraan herkent men de profetische geest. De andere richters overwinnen ook, maar zegezangen hebben wij van hen niet. Zij waren ook geen profeten. Zingen kan slechts een profetische mond. Alle profetie is daarom een verheven lied van het gericht en van de verlossing van God. Wat de profeet ziet en verkondigt, gebeurt op de Godsharp van het geloof.
Hoewel het gewone predikambt niet aan vrouwen is opgedragen, zo heeft God toch menigmaal de profetische geest ook aan vrouwen toegedeeld en door vrouwen grote dingen gesproken.
Dat een Homerus of Virgilius nu ga, en, indien hij het vermag, zijn gedichten vergelijke met het lied van deze vrouw, dat iemand, die in geleerdheid en welsprekendheid uitmunt, de lof, het vernuft en de kunst van dat danklied uitvoerig inhet licht stelle!. Als wanneer de zon opgaat in haar kracht. Dit bidt Debora tevens in haar zegezang Israël toe. Israël heeft het nu weer ervaren, hoe sterk het is, als het in de naam van de Heere tegen zijn vijanden optrekt. Zo moge het steeds zijn deel zijn, in stijgende mate!. Helaas, spoedig vertoont Israël weer het beeld van de zwakke, van de zon, die ten ondergegaan is.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel