Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
i
Over deze StudieBijbel
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is.
De Bijbeltekst
De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen.
De kanttekeningen
De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler.
De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders.
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften.
De verklaring van Dächsel
Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is.
Namen, plaatsen en begrippen
De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas.
Christus in dit hoofdstuk
Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd.
Waarom deze uitgave bijzonder is
Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen.
Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten.
1En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1En het geschieddeH1961naH310 den doodH4194 van JozuaH3091, dat de kinderenH1121IsraelsH3478 den HEEREH3068vraagdenH7592, zeggendeH559: WieH4310 zal onder ons het eerstH8462optrekkenH5927naarH413 de KanaanietenH3669, om tegen hen te krijgenH3898?En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?
KJVNow after2the death3of Joshua4it came to pass, that the children6of Israel7asked5the LORD,8saying,9Who shall go up11for us against the Canaanites14first,15to fight
2En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2En de HEEREH3068zeideH559: JudaH3063 zal optrekkenH5927; zietH2009, Ik heb dat landH776 in zijn handH3027gegevenH5414.En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
KJVAnd the LORD2said,1Judah3shall go up:4behold, I have delivered6the land8into his hand.
3Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3Toen zeideH559JudaH3063 tot zijn broederH251SimeonH8095: TrekH5927metH854 mij op in mijn lotH1486, en laat ons tegen de KanaanietenH3669krijgenH3898, zo zal ikH589ookH1571 met u optrekkenH1980 in uw lotH1486. Alzo toogH3212SimeonH8095 op metH854 hem.Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.
KJVAnd Judah2said1unto Simeon3his brother,4Come up5with me into my lot,7that we may fight8against the Canaanites;9and I likewise will go10with thee into thy lot.14So Simeon17went
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2יְהוּדָה֩H3063JudaJudah3לְשִׁמְע֨וֹןH8095Simeon, JudaSimeon4אָחִ֜יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'5עֲלֵ֧הH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work6אִתִּ֣יH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix7בְגוֹרָלִ֗יH1486lot, loten, lotslot8וְנִֽלָּחֲמָה֙H3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)9בַּֽכְּנַעֲנִ֔יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker10וְהָלַכְתִּ֧יH1980wandelt, gewandeld, wandelen(all) along, apace, behave (self), come, (on) continually, be conversant, depart, [phrase] be eased, enter, exercise (self), [phrase] follow, forth, forward, get, go (about, abroad, along, away, forward, on, out, up and down), [phrase] greater, grow, be wont to haunt, lead, march, [idiom] more and more, move (self), needs, on, pass (away), be at the point, quite, run (along), [phrase] send, speedily, spread, still, surely, [phrase] tale-bearer, [phrase] travel(-ler), walk (abroad, on, to and fro, up and down, to places), wander, wax, (way-) faring man, [idiom] be weak, whirl11גַםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea12אֲנִ֛יH589ik, mijI, (as for) me, mine, myself, we, [idiom] which, [idiom] who13אִתְּךָ֖H854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix14בְּגוֹרָלֶ֑ךָH1486lot, loten, lotslot15וַיֵּ֥לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak16אִתּ֖וֹH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix17שִׁמְעֽוֹןH8095Simeon, JudaSimeon
4En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4En JudaH3063toogH5927 op, en de HEEREH3068gafH5414 de KanaanietenH3669 en de FerezietenH6522 in hun handH3027; en zij sloegenH5221 hen bij BezekH966, tienH6235duizendH505manH376.En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.
KJVAnd Judah2went up;1and the LORD4delivered3the Canaanites6and the Perizzites7into their hand:8and they slew9of them in Bezek10ten11thousand12men.
1וַיַּ֣עַלH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah3וַיִּתֵּ֧ןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield4יְהוָ֛הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6הַכְּנַעֲנִ֥יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker7וְהַפְּרִזִּ֖יH6522Ferezieten, FerezietPerizzite8בְּיָדָ֑םH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves9וַיַּכּ֣וּםH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound10בְּבֶ֔זֶקH966BezekBezek11עֲשֶׂ֥רֶתH6235tien, tienen, tienmaalten, (fif-, seven-) teen12אֲלָפִ֖יםH505duizend, duizenden, twee duizendthousand13אִֽישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)
5En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5En zij vondenH4672Adoni-BezekH137 te BezekH966, en stredenH3898 tegen hem; en zij sloegenH5221 de KanaanietenH3669 en de FerezietenH6522.En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten.
KJVAnd they found1Adonibezek3in Bezek:5and they fought6against him, and they slew8the Canaanites10and the Perizzites.
1וַֽ֠יִּמְצְאוּH4672gevonden, vinden, vond[phrase] be able, befall, being, catch, [idiom] certainly, (cause to) come (on, to, to hand), deliver, be enough (cause to) find(-ing, occasion, out), get (hold upon), [idiom] have (here), be here, hit, be left, light (up-) on, meet (with), [idiom] occasion serve, (be) present, ready, speed, suffice, take hold on2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3אֲדֹנִ֥יH137Adoni-bezekAdonibezek4בֶ֨זֶק֙H137Adoni-bezekAdonibezek5בְּבֶ֔זֶקH966BezekBezek6וַיִּֽלָּחֲמ֖וּH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)7בּ֑וֹ8וַיַּכּ֕וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12הַפְּרִזִּֽיH6522Ferezieten, FerezietPerizzite
6Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6Doch Adoni-BezekH137vluchtteH5127; en zij jaagdenH7291 hem naH310, en zij grepenH270 hem, en hieuwenH7112 de duimenH931 zijner handenH3027 en zijner voetenH7272 af.Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.
KJVBut Adonibezek2fled;1and they pursued4after5him, and caught6him, and cut off8his thumbs10and his great toes.
1וַיָּ֨נָס֙H5127vloden, vlieden, vluchtte[idiom] abate, away, be displayed, (make to) flee (away, -ing), put to flight, [idiom] hide, lift up a standard2אֲדֹ֣נִיH137Adoni-bezekAdonibezek3בֶ֔זֶקH137Adoni-bezekAdonibezek4וַֽיִּרְדְּפ֖וּH7291vervolgen, vervolgers, jaagdechase, put to flight, follow (after, on), hunt, (be under) persecute(-ion, -or), pursue(-r)5אַחֲרָ֑יוH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with6וַיֹּאחֲז֣וּH270bevangen, vast, bezitters[phrase] be affrighted, bar, (catch, lay, take) hold (back), come upon, fasten, handle, portion, (get, have or take) possess(-ion)7אֹת֔וֹH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8וַֽיְקַצְּצ֔וּH7112afgekort, afgehouwen, hieuwcut (asunder, in pieces, in sunder, off), [idiom] utmost9אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10בְּהֹנ֥וֹתH931duim, teen, duimenthumb, great toe11יָדָ֖יוH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves12וְרַגְלָֽיוH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time
7Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7Toen zeideH559Adoni-BezekH137: ZeventigH7657koningenH4428, met afgehouwenH7112duimenH931 van hun handenH3027 en van hun voetenH7272, warenH1961onderH8478 mijn tafelH7979, de kruimen oplezendeH3950; gelijk als ik gedaanH6213 heb, alzoH3651 heeft mij GodH430vergoldenH7999! En zij brachtenH935 hem te JeruzalemH3389, en hij stierfH4191aldaarH8033.Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.
KJVAnd Adonibezek2said,1Threescore and ten4kings,5having their thumbs6and their great toes8cut off,9gathered11their meat under my table:13as I have done,15so God19hath requited17me. And they brought20him to Jerusalem,21and there he died.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2אֲדֹֽנִיH137Adoni-bezekAdonibezek3בֶ֗זֶקH137Adoni-bezekAdonibezek4שִׁבְעִ֣יםH7657zeventig, Zeventig, duizend zeventigseventy, threescore and ten ([phrase] -teen)5מְלָכִ֡יםH4428koning, konings, koningenking, royal6בְּֽהֹנוֹת֩H931duim, teen, duimenthumb, great toe7יְדֵיהֶ֨םH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves8וְרַגְלֵיהֶ֜םH7272voeten, voet, voetstappen[idiom] be able to endure, [idiom] according as, [idiom] after, [idiom] coming, [idiom] follow, (broken-)foot(-ed, -stool), [idiom] great toe, [idiom] haunt, [idiom] journey, leg, [phrase] piss, [phrase] possession, time9מְקֻצָּצִ֗יםH7112afgekort, afgehouwen, hieuwcut (asunder, in pieces, in sunder, off), [idiom] utmost10הָי֤וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use11מְלַקְּטִים֙H3950lezen, verzamelen, opgelezengather (up), glean12תַּ֣חַתH8478onder, plaats, vooras, beneath, [idiom] flat, in(-stead), (same) place (where...is), room, for...sake, stead of, under, [idiom] unto, [idiom] when...was mine, whereas, (where-) fore, with13שֻׁלְחָנִ֔יH7979tafel, tafelen, tafelstable14כַּאֲשֶׁ֣רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection15עָשִׂ֔יתִיH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use16כֵּ֥ןH3651daarom, alzo, zo[phrase] after that (this, -ward, -wards), as... as, [phrase] (for-) asmuch as yet, [phrase] be (for which) cause, [phrase] following, howbeit, in (the) like (manner, -wise), [idiom] the more, right, (even) so, state, straightway, such (thing), surely, [phrase] there (where) -fore, this, thus, true, well, [idiom] you17שִׁלַּםH7999vergelden, wedergeven, betalenmake amends, (make an) end, finish, full, give again, make good, (re-) pay (again), (make) (to) (be at) peace(-able), that is perfect, perform, (make) prosper(-ous), recompense, render, requite, make restitution, restore, reward, [idiom] surely18לִ֖י19אֱלֹהִ֑יםH430God, Gods, godenangels, [idiom] exceeding, God (gods) (-dess, -ly), [idiom] (very) great, judges, [idiom] mighty20וַיְבִיאֻ֥הוּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way21יְרוּשָׁלִַ֖םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem22וַיָּ֥מָתH4191sterven, stierf, gedood[idiom] at all, [idiom] crying, (be) dead (body, man, one), (put to, worthy of) death, destroy(-er), (cause to, be like to, must) die, kill, necro(-mancer), [idiom] must needs, slay, [idiom] surely, [idiom] very suddenly, [idiom] in (no) wise23שָֽׁםH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither
8Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8Want de kinderenH1121 van JudaH3063 hadden tegen JeruzalemH3389gestredenH3898, en hadden haar ingenomenH3920, en met de scherpteH6310 des zwaardsH2719geslagenH5221; en zij hadden de stadH5892 in het vuurH784gezetH7971.Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
KJVNow the children2of Judah3had fought1against Jerusalem,4and had taken5it, and smitten7it with the edge8of the sword,9and set12the city11on fire.
1וַיִּלָּחֲמ֤וּH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)2בְנֵֽיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth3יְהוּדָה֙H3063JudaJudah4בִּיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem5וַיִּלְכְּד֣וּH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take6אוֹתָ֔הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7וַיַּכּ֖וּהָH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound8לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word9חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָעִ֖ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town12שִׁלְּח֥וּH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)13בָאֵֽשׁH784vuur, vuurs, vurigeburning, fiery, fire, flaming, hot
9En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9En daarnaH310 waren de kinderenH1121 van JudaH3063afgetogenH3381, om te krijgenH3898 tegen de KanaanietenH3669, wonendeH3427 in het gebergteH2022, en in het zuidenH5045, en in de laagteH8219.En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
KJVAnd afterward1the children3of Judah4went down2to fight5against the Canaanites,6that dwelt7in the mountain,8and in the south,9and in the valley.
1וְאַחַ֗רH310na, achter, daarnaafter (that, -ward), again, at, away from, back (from, -side), behind, beside, by, follow (after, -ing), forasmuch, from, hereafter, hinder end, [phrase] out (over) live, [phrase] persecute, posterity, pursuing, remnant, seeing, since, thence(-forth), when, with2יָֽרְדוּ֙H3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down3בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah5לְהִלָּחֵ֖םH3898strijden, streed, stredendevour, eat, [idiom] ever, fight(-ing), overcome, prevail, (make) war(-ring)6בַּֽכְּנַעֲנִ֑יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker7יוֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry8הָהָ֔רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion9וְהַנֶּ֖גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)10וְהַשְּׁפֵלָֽהH8219laagte, laagtenlow country, (low) plain, vale(-ley)
10En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10En JudaH3063 was heengetogenH3212tegenH413 de KanaanietenH3669, die te HebronH2275woondenH3427 (de naamH8034 nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegenH5221SesaiH8344, en AhimanH289, en ThalmaiH8526.En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
KJVAnd Judah2went1against the Canaanites4that dwelt5in Hebron:6(now the name7of Hebron8before9was Kirjatharba:)10and they slew12Sheshai,14and Ahiman,16and Talmai.
1וַיֵּ֣לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2יְהוּדָ֗הH3063JudaJudah3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4הַֽכְּנַעֲנִי֙H3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker5הַיּוֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6בְּחֶבְר֔וֹןH2275HebronHebron7וְשֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report8חֶבְר֥וֹןH2275HebronHebron9לְפָנִ֖יםH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you10קִרְיַ֣תH7153Kirjath-arba, Kiriath-arbaKirjath-arba11אַרְבַּ֑עH7153Kirjath-arba, Kiriath-arbaKirjath-arba12וַיַּכּ֛וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound13אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14שֵׁשַׁ֥יH8344SesaiSheshai15וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)16אֲחִימַ֖ןH289AhimanAhiman17וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)18תַּלְמָֽיH8526Thalmai, TalmaiTalmai
11En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11En van daarH8033 was hij heengetogenH3212tegenH413 de inwonersH3427 van DebirH1688; de naamH8034 nu van DebirH1688 was te vorenH6440Kirjath-SeferH7158.En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
KJVAnd from thence he went1against the inhabitants4of Debir:5and the name6of Debir7before8was Kirjathsepher:
1וַיֵּ֣לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2מִשָּׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither3אֶלH413tot, naar, aanabout, according to, after, against, among, as for, at, because(-fore, -side), both...and, by, concerning, for, from, [idiom] hath, in(-to), near, (out) of, over, through, to(-ward), under, unto, upon, whether, with(-in)4יוֹשְׁבֵ֖יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry5דְּבִ֑ירH1688DebirDebir6וְשֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report7דְּבִ֥ירH1688DebirDebir8לְפָנִ֖יםH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you9קִרְיַתH7158Kirjath-sefer, Kirjath-sannaKirjath-sannah, Kirjath-sepher10סֵֽפֶרH7158Kirjath-sefer, Kirjath-sannaKirjath-sannah, Kirjath-sepher
12En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12En KalebH3612zeideH559: Wie Kirjath-SeferH7158 zal slaanH5221, en haar innemenH3920, dienH834 zal ik ook mijn dochterH1323AchsaH5915 tot een vrouwH802gevenH5414.En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
KJVAnd Caleb2said,1He that smiteth4Kirjathsepher,6and taketh8it, to him will I give9Achsah12my daughter13to wife.
1וַיֹּ֣אמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet2כָּלֵ֔בH3612KalebCaleb3אֲשֶׁרH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection4יַכֶּ֥הH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound5אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6קִרְיַתH7158Kirjath-sefer, Kirjath-sannaKirjath-sannah, Kirjath-sepher7סֵ֖פֶרH7158Kirjath-sefer, Kirjath-sannaKirjath-sannah, Kirjath-sepher8וּלְכָדָ֑הּH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take9וְנָתַ֥תִּיH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield10ל֛וֹ11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12עַכְסָ֥הH5915AchsaAchsah13בִתִּ֖יH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14לְאִשָּֽׁהH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
13Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13Toen namH3920OthnielH6274 haar in, de zoonH1121 van KenazH7073, broederH251 van KalebH3612, die jongerH6996 was danH4480 hij; en Kaleb gafH5414 hem AchsaH5915, zijn dochterH1323, tot een vrouwH802.Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
KJVAnd Othniel2the son3of Kenaz,4Caleb's6younger7brother,5took1it: and he gave9him Achsah12his daughter13to wife.
1וַֽיִּלְכְּדָהּ֙H3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take2עָתְנִיאֵ֣לH6274OthnielOthniel3בֶּןH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth4קְנַ֔זH7073KenazKenaz5אֲחִ֥יH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'6כָלֵ֖בH3612KalebCaleb7הַקָּטֹ֣ןH6996kleinste, kleine, kleinleast, less(-er), little (one), small(-est, one, quantity, thing), young(-er, -est)8מִמֶּ֑נּוּH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with9וַיִּתֶּןH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield10ל֛וֹ11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12עַכְסָ֥הH5915AchsaAchsah13בִתּ֖וֹH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village14לְאִשָּֽׁהH802vrouw, vrouwen, huisvrouw(adulter) ess, each, every, female, [idiom] many, [phrase] none, one, [phrase] together, wife, woman. Often unexpressed in English
14En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14En het geschiedde, als zij tot hem kwamH935, dat zijH1961 hem aanpordeH5496, om van haar vaderH1 een veldH7704 te begerenH7592; en zij sprongH6795 van den ezelH2543 af; toen zeideH559KalebH3612 tot haar: WatH4100 is u?En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?
KJVAnd it came to pass, when she came2to him, that she moved3him to ask4of her father6a field:7and she lighted8from off her ass;10and Caleb13said
1וַיְהִ֣יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2בְּבוֹאָ֗הּH935komen, kwam, kwamenabide, apply, attain, [idiom] be, befall, [phrase] besiege, bring (forth, in, into, to pass), call, carry, [idiom] certainly, (cause, let, thing for) to come (against, in, out, upon, to pass), depart, [idiom] doubtless again, [phrase] eat, [phrase] employ, (cause to) enter (in, into, -tering, -trance, -try), be fallen, fetch, [phrase] follow, get, give, go (down, in, to war), grant, [phrase] have, [idiom] indeed, (in-) vade, lead, lift (up), mention, pull in, put, resort, run (down), send, set, [idiom] (well) stricken (in age), [idiom] surely, take (in), way3וַתְּסִיתֵ֨הוּ֙H5496porde, hitst, Ruitentice, move, persuade, provoke, remove, set on, stir up, take away4לִשְׁא֤וֹלH7592vraagde, vragen, begeerdask (counsel, on), beg, borrow, lay to charge, consult, demand, desire, [idiom] earnestly, enquire, [phrase] greet, obtain leave, lend, pray, request, require, [phrase] salute, [idiom] straitly, [idiom] surely, wish5מֵֽאֵתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix6אָבִ֨יהָ֙H1vader, vaderen, vaderschief, (fore-) father(-less), [idiom] patrimony, principal. Compare names in 'Abi-'7הַשָּׂדֶ֔הH7704veld, velds, akkercountry, field, ground, land, soil, [idiom] wild8וַתִּצְנַ֖חH6795sprong, vastfasten, light (from off)9מֵעַ֣לH5921op, over, aanabove, according to(-ly), after, (as) against, among, and, [idiom] as, at, because of, beside (the rest of), between, beyond the time, [idiom] both and, by (reason of), [idiom] had the charge of, concerning for, in (that), (forth, out) of, (from) (off), (up-) on, over, than, through(-out), to, touching, [idiom] with10הַחֲמ֑וֹרH2543ezel, ezelen, ezels(he) ass11וַיֹּֽאמֶרH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet12לָ֥הּ13כָּלֵ֖בH3612KalebCaleb14מַהH4100wat, waarom, hoehow (long, oft, (-soever)), (no-) thing, what (end, good, purpose, thing), whereby(-fore, -in, -to, -with), (for) why15לָּֽךְ
15En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15En zij zeideH559 tot hem: Geef mij een zegenH1293; dewijlH3588 gij mij een dorH5045landH776gegevenH5414 hebt, geef mij ook waterwellingenH1543. Toen gaf KalebH3612 haar hogeH5942wellingenH1543 en lageH8482wellingenH1543.En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
Ook in dit vers
GeefH3051
geefH5414
KJVAnd she said1unto him, Give3me a blessing:5for thou hast given9me a south8land;7give10me also springs12of water.13And Caleb16gave14her the upper19springs18and the nether22springs.
16De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16De kinderenH1121 van den KenietH7017, den schoonvaderH2859 van MozesH4872, togenH5927 ook uit de PalmstadH5892 op, metH854 de kinderenH1121 van JudaH3063, naar de woestijnH4057 van JudaH3063, dieH834 tegen het zuidenH5045 van HaradH6166 is; en zij gingenH3212 heen en woondenH3427metH854 het volkH5971.De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
KJVAnd the children1of the Kenite,2Moses'4father in law,3went up5out of the city6of palm trees7with the children9of Judah10into the wilderness11of Judah,12which lieth in the south14of Arad;15and they went16and dwelt17among8the people.
1וּבְנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth2קֵינִי֩H7017Keniet, Kenieten, KainKenite3חֹתֵ֨ןH2859schoonvader, schoonzoon, verzwagerdejoin in affinity, father in law, make marriages, mother in law, son in law4מֹשֶׁ֜הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses5עָל֨וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work6מֵעִ֤ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town7הַתְּמָרִים֙H8558palmboom, palmbomenpalm (tree)8אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix9בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth10יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah11מִדְבַּ֣רH4057woestijn, wildernis, spraakdesert, south, speech, wilderness12יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah13אֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection14בְּנֶ֣גֶבH5045zuiden, zuidwaarts, Zuidensouth (country, side, -ward)15עֲרָ֑דH6166Harad, AradArad16וַיֵּ֖לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak17וַיֵּ֥שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry18אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix19הָעָֽםH5971volk, volks, volkenfolk, men, nation, people
17Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17JudaH3063 dan toogH3212metH854 zijn broederH251SimeonH8095, en zij sloegenH5221 de KanaanietenH3669, wonendeH3427 te ZefatH6857, en zij verbandenH2763 hen; en men noemdeH7121 den naamH8034 dezer stadH5892HormaH2767.Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.
KJVAnd Judah2went1with Simeon4his brother,5and they slew6the Canaanites8that inhabited9Zephath,10and utterly destroyed11it. And the name15of the city16was called13Hormah.
1וַיֵּ֤לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2יְהוּדָה֙H3063JudaJudah3אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4שִׁמְע֣וֹןH8095Simeon, JudaSimeon5אָחִ֔יוH251broederen, broeder, broedersanother, brother(-ly); kindred, like, other. Compare also the proper names beginning with 'Ah-' or 'Ahi-'6וַיַּכּ֕וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound7אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker9יוֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10צְפַ֑תH6857ZefatZephath11וַיַּחֲרִ֣ימוּH2763verbannen, verbande, verbandenmake accursed, consecrate, (utterly) destroy, devote, forfeit, have a flat nose, utterly (slay, make away)12אוֹתָ֔הּH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13וַיִּקְרָ֥אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say14אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15שֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report16הָעִ֖ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town17חָרְמָֽהH2767HormaHormah
18Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18Daartoe namH3920JudaH3063GazaH5804 in, met haar landpaleH1366, en AskelonH831 met haar landpaleH1366, en EkronH6138 met haar landpaleH1366.Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
KJVAlso Judah2took1Gaza4with the coast6thereof, and Askelon8with the coast10thereof, and Ekron12with the coast
1וַיִּלְכֹּ֤דH3920nam, ingenomen, gevangen[idiom] at all, catch (self), be frozen, be holden, stick together, take2יְהוּדָה֙H3063JudaJudah3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4עַזָּ֣הH5804GazaAzzah, Gaza5וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)6גְּבוּלָ֔הּH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space7וְאֶֽתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8אַשְׁקְל֖וֹןH831Askelon, AskelonietenAshkelon, Askalon9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10גְּבוּלָ֑הּH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12עֶקְר֖וֹןH6138EkronEkron13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14גְּבוּלָֽהּH1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space
19En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19En de HEEREH3068wasH1961metH854JudaH3063, dat hij de inwonersH3427 van het gebergteH2022verdreefH3423; maarH3588 hij ging nietH3808 voort om de inwoners des dalsH6010 te verdrijvenH3423, omdatH3588 zij ijzerenH1270wagenenH7393 hadden.En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
KJVAnd the LORD2was with Judah;4and he drave out5the inhabitants of the mountain;7but could not9drive out10the inhabitants12of the valley,13because they had chariots15of iron.
1וַיְהִ֤יH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2יְהוָה֙H3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)3אֶתּH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix4יְהוּדָ֔הH3063JudaJudah5וַיֹּ֖רֶשׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הָהָ֑רH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion8כִּ֣יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet9לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without10לְהוֹרִישׁ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry13הָעֵ֔מֶקH6010dal, dals, dalendale, vale, valley (often used as a part of proper names). See also H1025 (בֵּית הָעֵמֶק)14כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet15רֶ֥כֶבH7393wagenen, wagen, wagenschariot, (upper) millstone, multitude (from the margin), wagon16בַּרְזֶ֖לH1270ijzer, ijzeren, ijzers(ax) head, iron17לָהֶֽם
20En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20En zij gavenH5414HebronH2275 aan KalebH3612, gelijk als MozesH4872gesprokenH1696 had; en hij verdreefH3423 van daarH8033 de drieH7969zonenH1121 van EnakH6061.En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
KJVAnd they gave1Hebron4unto Caleb,2as Moses7said:6and he expelled8thence the three11sons12of Anak.
1וַיִּתְּנ֤וּH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield2לְכָלֵב֙H3612KalebCaleb3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4חֶבְר֔וֹןH2275HebronHebron5כַּֽאֲשֶׁ֖רH834die, dat, wat[idiom] after, [idiom] alike, as (soon as), because, [idiom] every, for, [phrase] forasmuch, [phrase] from whence, [phrase] how(-soever), [idiom] if, (so) that ((thing) which, wherein), [idiom] though, [phrase] until, [phrase] whatsoever, when, where ([phrase] -as, -in, -of, -on, -soever, -with), which, whilst, [phrase] whither(-soever), who(-m, -soever, -se). As it is indeclinable, it is often accompanied by the personal pronoun expletively, used to show the connection6דִּבֶּ֣רH1696gesproken, sprak, sprekenanswer, appoint, bid, command, commune, declare, destroy, give, name, promise, pronounce, rehearse, say, speak, be spokesman, subdue, talk, teach, tell, think, use (entreaties), utter, [idiom] well, [idiom] work7מֹשֶׁ֑הH4872Mozes, Mozes', mozesMoses8וַיּ֣וֹרֶשׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly9מִשָּׁ֔םH8033daar, aldaar, derwaartsin it, [phrase] thence, there (-in, [phrase] of, [phrase] out), [phrase] thither, [phrase] whither10אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11שְׁלֹשָׁ֖הH7969drie, driehonderd, dertien[phrase] fork, [phrase] often(-times), third, thir(-teen, -teenth), three, [phrase] thrice. Compare H7991 (שָׁלִישׁ)12בְּנֵ֥יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13הָעֲנָֽקH6061Enak, AnokAnak
21Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21Doch de kinderenH1121 van BenjaminH1144 hebben de JebusietenH2983, te JeruzalemH3389wonendeH3427, nietH3808verdrevenH3423; maar de JebusietenH2983woondenH3427metH854 de kinderenH1121 van BenjaminH1144 te JeruzalemH3389, tot op dezenH2088dagH3117.Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.
KJVAnd the children7of Benjamin8did not drive out6the Jebusites2that inhabited3Jerusalem;4but the Jebusites10dwell9with the children12of Benjamin13in Jerusalem14unto this day.
1וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)2הַיְבוּסִי֙H2983Jebusieten, Jebusiet, JebusiJebusite(-s)3יֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4יְרֽוּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem5לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without6הוֹרִ֖ישׁוּH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly7בְּנֵ֣יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth8בִנְיָמִ֑ןH1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin9וַיֵּ֨שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10הַיְבוּסִ֜יH2983Jebusieten, Jebusiet, JebusiJebusite(-s)11אֶתH854met, van, bijagainst, among, before, by, for, from, in(-to), (out) of, with. Often with another prepositional prefix12בְּנֵ֤יH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth13בִנְיָמִן֙H1144Benjamin, Benjamins, BenjaminietenBenjamin14בִּיר֣וּשָׁלִַ֔םH3389Jeruzalem, JeruzalemsJerusalem15עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet16הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger17הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
22En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22En het huisH1004 van JozefH3130toogH5927ookH1571 op naar Beth-ElH1008. En de HEEREH3068 was metH5973henH1992.En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
KJVAnd the house2of Joseph,3they also went up1against Bethel:6and the LORD
1וַיַּעֲל֧וּH5927optrekken, toog, opkomenarise (up), (cause to) ascend up, at once, break (the day) (up), bring (up), (cause to) burn, carry up, cast up, [phrase] shew, climb (up), (cause to, make to) come (up), cut off, dawn, depart, exalt, excel, fall, fetch up, get up, (make to) go (away, up); grow (over) increase, lay, leap, levy, lift (self) up, light, (make) up, [idiom] mention, mount up, offer, make to pay, [phrase] perfect, prefer, put (on), raise, recover, restore, (make to) rise (up), scale, set (up), shoot forth (up), (begin to) spring (up), stir up, take away (up), work2בֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)3יוֹסֵ֛ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)4גַּםH1571ook, zelfs, jaagain, alike, also, (so much) as (soon), both (so)...and, but, either...or, even, for all, (in) likewise (manner), moreover, nay...neither, one, then(-refore), though, what, with, yea5הֵ֖םH1992zij, die, hunit, like, [idiom] (how, so) many (soever, more as) they (be), (the) same, [idiom] so, [idiom] such, their, them, these, they, those, which, who, whom, withal, ye6בֵּֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el7אֵ֑לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el8וַֽיהוָ֖הH3068HEEREJehovah, the Lord. Compare H3050 (יָהּ), H3069 (יְהֹוִה)9עִמָּֽםH5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)
23En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23En het huisH1004 van JozefH3130 bestelde verspiedersH8446 bij Beth-ElH1008; de naamH8034 nu dezer stadH5892 was te vorenH6440LuzH3870.En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.
KJVAnd the house2of Joseph3sent to descry1Bethel.4(Now the name6of the city7before8was Luz.)
1וַיָּתִ֥ירוּH8446verspieden, verspied, speurenchap(-man), sent to descry, be excellent, merchant(-man), search (out), seek, (e-) spy (out)2בֵיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)3יוֹסֵ֖ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)4בְּבֵֽיתH1008Beth-el, huis GodsBeth-el5אֵ֑לH1008Beth-el, huis GodsBeth-el6וְשֵׁםH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report7הָעִ֥ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town8לְפָנִ֖יםH6440aangezicht, voor, aangezichten[phrase] accept, a-(be-) fore(-time), against, anger, [idiom] as (long as), at, [phrase] battle, [phrase] because (of), [phrase] beseech, countenance, edge, [phrase] employ, endure, [phrase] enquire, face, favour, fear of, for, forefront(-part), form(-er time, -ward), from, front, heaviness, [idiom] him(-self), [phrase] honourable, [phrase] impudent, [phrase] in, it, look(-eth) (-s), [idiom] me, [phrase] meet, [idiom] more than, mouth, of, off, (of) old (time), [idiom] on, open, [phrase] out of, over against, the partial, person, [phrase] please, presence, propect, was purposed, by reason of, [phrase] regard, right forth, [phrase] serve, [idiom] shewbread, sight, state, straight, [phrase] street, [idiom] thee, [idiom] them(-selves), through ([phrase] -out), till, time(-s) past, (un-) to(-ward), [phrase] upon, upside ([phrase] down), with(-in, [phrase] -stand), [idiom] ye, [idiom] you9לֽוּזH3870LuzLuz
24En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24En de wachtersH8104zagenH7200 een manH376, uitgaandeH3318uitH4480 de stadH5892; en zij zeidenH559 tot hem: WijsH7200 ons tochH4994 den ingangH3996 der stadH5892, en wij zullen weldadigheidH2617bijH5973 u doenH6213.En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
KJVAnd the spies2saw1a man3come forth4out of the city,6and they said7unto him, Shew9us, we pray thee, the entrance12into the city,13and we will shew14thee mercy.
1וַיִּרְאוּ֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2הַשֹּׁ֣מְרִ֔יםH8104houden, bewaren, waarnemenbeward, be circumspect, take heed (to self), keep(-er, self), mark, look narrowly, observe, preserve, regard, reserve, save (self), sure, (that lay) wait (for), watch(-man)3אִ֖ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)4יוֹצֵ֣אH3318uitgaan, uitgegaan, uitgevoerd[idiom] after, appear, [idiom] assuredly, bear out, [idiom] begotten, break out, bring forth (out, up), carry out, come (abroad, out, thereat, without), [phrase] be condemned, depart(-ing, -ure), draw forth, in the end, escape, exact, fail, fall (out), fetch forth (out), get away (forth, hence, out), (able to, cause to, let) go abroad (forth, on, out), going out, grow, have forth (out), issue out, lay (lie) out, lead out, pluck out, proceed, pull out, put away, be risen, [idiom] scarce, send with commandment, shoot forth, spread, spring out, stand out, [idiom] still, [idiom] surely, take forth (out), at any time, [idiom] to (and fro), utter5מִןH4480van, uit, danabove, after, among, at, because of, by (reason of), from (among), in, [idiom] neither, [idiom] nor, (out) of, over, since, [idiom] then, through, [idiom] whether, with6הָעִ֑ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town7וַיֹּ֣אמְרוּH559zeide, zeggende, zegtanswer, appoint, avouch, bid, boast self, call, certify, challenge, charge, [phrase] (at the, give) command(-ment), commune, consider, declare, demand, [idiom] desire, determine, [idiom] expressly, [idiom] indeed, [idiom] intend, name, [idiom] plainly, promise, publish, report, require, say, speak (against, of), [idiom] still, [idiom] suppose, talk, tell, term, [idiom] that is, [idiom] think, use (speech), utter, [idiom] verily, [idiom] yet8ל֗וֹ9הַרְאֵ֤נוּH7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions10נָא֙H4994toch, doch, OchI beseech (pray) thee (you), go to, now, oh11אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12מְב֣וֹאH3996ingang, ondergang, ingangenby which came, as cometh, in coming, as men enter into, entering, entrance into, entry, where goeth, going down, [phrase] westward. Compare H4126 (מוֹבָא)13הָעִ֔ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town14וְעָשִׂ֥ינוּH6213doen, gedaan, maakteaccomplish, advance, appoint, apt, be at, become, bear, bestow, bring forth, bruise, be busy, [idiom] certainly, have the charge of, commit, deal (with), deck, [phrase] displease, do, (ready) dress(-ed), (put in) execute(-ion), exercise, fashion, [phrase] feast, (fight-) ing man, [phrase] finish, fit, fly, follow, fulfill, furnish, gather, get, go about, govern, grant, great, [phrase] hinder, hold (a feast), [idiom] indeed, [phrase] be industrious, [phrase] journey, keep, labour, maintain, make, be meet, observe, be occupied, offer, [phrase] officer, pare, bring (come) to pass, perform, pracise, prepare, procure, provide, put, requite, [idiom] sacrifice, serve, set, shew, [idiom] sin, spend, [idiom] surely, take, [idiom] thoroughly, trim, [idiom] very, [phrase] vex, be (warr-) ior, work(-man), yield, use15עִמְּךָ֖H5973met, bij, tegenaccompanying, against, and, as ([idiom] long as), before, beside, by (reason of), for all, from (among, between), in, like, more than, of, (un-) to, with(-al)16חָֽסֶדH2617goedertierenheid, weldadigheid, goedertierenhedenfavour, good deed(-liness, -ness), kindly, (loving-) kindness, merciful (kindness), mercy, pity, reproach, wicked thing
25En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25En als hij hun den ingangH3996 der stadH5892gewezenH7200 had, zo sloegenH5221 zij de stadH5892 met de scherpteH6310 des zwaardsH2719; maar dien manH376 en zijn ganseH3605huisH4940lietenH7971 zij gaan.En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.
KJVAnd when he shewed1them the entrance3into the city,4they smote5the city7with the edge8of the sword;9but they let go15the man11and all his family.
1וַיַּרְאֵם֙H7200zag, zien, gezienadvise self, appear, approve, behold, [idiom] certainly, consider, discern, (make to) enjoy, have experience, gaze, take heed, [idiom] indeed, [idiom] joyfully, lo, look (on, one another, one on another, one upon another, out, up, upon), mark, meet, [idiom] be near, perceive, present, provide, regard, (have) respect, (fore-, cause to, let) see(-r, -m, one another), shew (self), [idiom] sight of others, (e-) spy, stare, [idiom] surely, [idiom] think, view, visions2אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)3מְב֣וֹאH3996ingang, ondergang, ingangenby which came, as cometh, in coming, as men enter into, entering, entrance into, entry, where goeth, going down, [phrase] westward. Compare H4126 (מוֹבָא)4הָעִ֔ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town5וַיַּכּ֥וּH5221sloeg, slaan, geslagenbeat, cast forth, clap, give (wounds), [idiom] go forward, [idiom] indeed, kill, make (slaughter), murderer, punish, slaughter, slay(-er, -ing), smite(-r, -ing), strike, be stricken, (give) stripes, [idiom] surely, wound6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הָעִ֖ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town8לְפִיH6310mond, monds, scherpteaccord(-ing as, -ing to), after, appointment, assent, collar, command(-ment), [idiom] eat, edge, end, entry, [phrase] file, hole, [idiom] in, mind, mouth, part, portion, [idiom] (should) say(-ing), sentence, skirt, sound, speech, [idiom] spoken, talk, tenor, [idiom] to, [phrase] two-edged, wish, word9חָ֑רֶבH2719zwaard, zwaards, zwaardenaxe, dagger, knife, mattock, sword, tool10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11הָאִ֥ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)12וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13כָּלH3605al, alle, ganse(in) all (manner, (ye)), altogether, any (manner), enough, every (one, place, thing), howsoever, as many as, (no-) thing, ought, whatsoever, (the) whole, whoso(-ever)14מִשְׁפַּחְתּ֖וֹH4940geslacht, geslachten, huisgezinnenfamily, kind(-red)15שִׁלֵּֽחוּH7971zond, gezonden, zenden[idiom] any wise, appoint, bring (on the way), cast (away, out), conduct, [idiom] earnestly, forsake, give (up), grow long, lay, leave, let depart (down, go, loose), push away, put (away, forth, in, out), reach forth, send (away, forth, out), set, shoot (forth, out), sow, spread, stretch forth (out)
26Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26Toen toogH3212 deze manH376 in het landH776 der HethietenH2850, en hij bouwdeH1129 een stadH5892, en noemdeH7121 haar naamH8034LuzH3870; dit is haar naamH8034totH5704 op dezenH2088dagH3117.Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.
KJVAnd the man2went1into the land3of the Hittites,4and built5a city,6and called7the name8thereof Luz:9which is the name11thereof unto this day.
1וַיֵּ֣לֶךְH3212ging, ga, gaan[idiom] again, away, bear, bring, carry (away), come (away), depart, flow, [phrase] follow(-ing), get (away, hence, him), (cause to, made) go (away, -ing, -ne, one's way, out), grow, lead (forth), let down, march, prosper, [phrase] pursue, cause to run, spread, take away (-journey), vanish, (cause to) walk(-ing), wax, [idiom] be weak2הָאִ֔ישׁH376man, mannen, iederalso, another, any (man), a certain, [phrase] champion, consent, each, every (one), fellow, (foot-, husband-) man, (good-, great, mighty) man, he, high (degree), him (that is), husband, man(-kind), [phrase] none, one, people, person, [phrase] steward, what (man) soever, whoso(-ever), worthy. Compare H802 (אִשָּׁה)3אֶ֖רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world4הַחִתִּ֑יםH2850Hethieten, Hethiet, HethietischeHittite, Hittities5וַיִּ֣בֶןH1129bouwen, gebouwd, bouwde(begin to) build(-er), obtain children, make, repair, set (up), [idiom] surely6עִ֗ירH5892stad, steden, vrijstadAi (from margin), city, court (from margin), town7וַיִּקְרָ֤אH7121riep, noemde, roepenbewray (self), that are bidden, call (for, forth, self, upon), cry (unto), (be) famous, guest, invite, mention, (give) name, preach, (make) proclaim(-ation), pronounce, publish, read, renowned, say8שְׁמָהּ֙H8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report9ל֔וּזH3870LuzLuz10ה֣וּאH1931hij, het, zijhe, as for her, him(-self), it, the same, she (herself), such, that (...it), these, they, this, those, which (is), who11שְׁמָ֔הּH8034naam, Naam, namen[phrase] base, (in-) fame(-ous), named(-d), renown, report12עַ֖דH5704tot, totdat, aanagainst, and, as, at, before, by (that), even (to), for(-asmuch as), (hither-) to, [phrase] how long, into, as long (much) as, (so) that, till, toward, until, when, while, ([phrase] as) yet13הַיּ֥וֹםH3117dagen, dag, dageage, [phrase] always, [phrase] chronicals, continually(-ance), daily, ((birth-), each, to) day, (now a, two) days (agone), [phrase] elder, [idiom] end, [phrase] evening, [phrase] (for) ever(-lasting, -more), [idiom] full, life, as (so) long as (... live), (even) now, [phrase] old, [phrase] outlived, [phrase] perpetually, presently, [phrase] remaineth, [idiom] required, season, [idiom] since, space, then, (process of) time, [phrase] as at other times, [phrase] in trouble, weather, (as) when, (a, the, within a) while (that), [idiom] whole ([phrase] age), (full) year(-ly), [phrase] younger14הַזֶּֽהH2088dit, deze, dezenhe, [idiom] hence, [idiom] here, it(-self), [idiom] now, [idiom] of him, the one...the other, [idiom] than the other, ([idiom] out of) the (self) same, such (a one) that, these, this (hath, man), on this side...on that side, [idiom] thus, very, which. Compare H2063 (זֹאת), H2090 (זֹה), H2097 (זוֹ), H2098 (זוּ)
27En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27En ManasseH4519verdreefH3423Beth-SeanH1052 niet, noch haar onderhorige plaatsenH1323, noch ThaanachH8590 met haar onderhorige plaatsenH1323, noch de inwonersH3427 van DorH1756 met haar onderhorige plaatsenH1323, noch de inwonersH3427 van JibleamH2991 met haar onderhorige plaatsenH1323, noch de inwonersH3427 van MegiddoH4023 met haar onderhorige plaatsenH1323; en de KanaanietenH3669wildenH2974wonenH3427 in hetzelve landH776.En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.
KJVNeither did Manasseh3drive out2the inhabitants of Bethshean5and her towns,8nor Taanach10and her towns,12nor the inhabitants14of Dor15and her towns,17nor the inhabitants19of Ibleam20and her towns,22nor the inhabitants24of Megiddo25and her towns:27but the Canaanites29would28dwell30in that land.
1וְלֹאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without2הוֹרִ֣ישׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly3מְנַשֶּׁ֗הH4519ManasseManasseh4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5בֵּיתH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan6שְׁאָ֣ןH1052Beth-sean, Beth-sanBeth-shean, Beth-Shan7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8בְּנוֹתֶיהָ֮H1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village9וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)10תַּעְנַ֣ךְH8590Thaanach, TaanachTaanach, Tanach11וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)12בְּנֹתֶיהָ֒H1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village13וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)14יֹשְׁבֵ֨יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry15ד֜וֹרH1756DorDor16וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17בְּנוֹתֶ֗יהָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village18וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19יוֹשְׁבֵ֤יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry20יִבְלְעָם֙H2991JibleamIbleam21וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)22בְּנֹתֶ֔יהָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village23וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)24יוֹשְׁבֵ֥יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry25מְגִדּ֖וֹH4023Megiddo, MegiddonMegiddo, Megiddon26וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)27בְּנוֹתֶ֑יהָH1323dochter, dochteren, onderhorige plaatsenapple (of the eye), branch, company, daughter, [idiom] first, [idiom] old, [phrase] owl, town, village28וַיּ֨וֹאֶל֙H2974wilden, beliefd, believeassay, begin, be content, please, take upon, [idiom] willingly, would29הַֽכְּנַעֲנִ֔יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker30לָשֶׁ֖בֶתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry31בָּאָ֥רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world32הַזֹּֽאתH2063dit, deze, dathereby (-in, -with), it, likewise, the one (other, same), she, so (much), such (deed), that, therefore, these, this (thing), thus
28En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28En het geschiedde, als IsraelH3478sterkH2388werdH1961, dat hij de KanaanietenH3669 op cijnsH4522steldeH7760; maar hij verdreefH3423 hen nietH3808ganselijkH3423.En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
KJVAnd it came to pass, when Israel4was strong,3that they put5the Canaanites7to tribute,8and did not utterly9drive them out.
1וַֽיְהִי֙H1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use2כִּֽיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet3חָזַ֣קH2388sterk, verbeterde, wees sterkaid, amend, [idiom] calker, catch, cleave, confirm, be constant, constrain, continue, be of good (take) courage(-ous, -ly), encourage (self), be established, fasten, force, fortify, make hard, harden, help, (lay) hold (fast), lean, maintain, play the man, mend, become (wax) mighty, prevail, be recovered, repair, retain, seize, be (wax) sore, strengthen (self), be stout, be (make, shew, wax) strong(-er), be sure, take (hold), be urgent, behave self valiantly, withstand4יִשְׂרָאֵ֔לH3478Israel, Israels, IsraelietenIsrael5וַיָּ֥שֶׂםH7760stellen, gesteld, zetten[idiom] any wise, appoint, bring, call (a name), care, cast in, change, charge, commit, consider, convey, determine, [phrase] disguise, dispose, do, get, give, heap up, hold, impute, lay (down, up), leave, look, make (out), mark, [phrase] name, [idiom] on, ordain, order, [phrase] paint, place, preserve, purpose, put (on), [phrase] regard, rehearse, reward, (cause to) set (on, up), shew, [phrase] stedfastly, take, [idiom] tell, [phrase] tread down, (over-)turn, [idiom] wholly, work6אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)7הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker8לָמַ֑סH4522cijnsbaar, schatting, uitschotdiscomfited, levy, task(-master), tribute(-tary)9וְהוֹרֵ֖ישׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly10לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without11הוֹרִישֽׁוֹH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly
29Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29Ook verdreefH3423EfraimH669 de KanaanietenH3669nietH3808, die te GezerH1507woondenH3427; maar de KanaanietenH3669woondenH3427 in het middenH7130 van hem te GezerH1507.Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer.
KJVNeither did Ephraim1drive out3the Canaanites5that dwelt6in Gezer;7but the Canaanites9dwelt8in Gezer11among
1וְאֶפְרַ֨יִם֙H669Efraim, Efraims, EfraimietenEphraim, Ephraimites2לֹ֣אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3הוֹרִ֔ישׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker6הַיּוֹשֵׁ֣בH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry7בְּגָ֑זֶרH1507Gezer, FilistijnenGazer, Gezer8וַיֵּ֧שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9הַֽכְּנַעֲנִ֛יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker10בְּקִרְבּ֖וֹH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self11בְּגָֽזֶרH1507Gezer, FilistijnenGazer, Gezer
30Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30ZebulonH2074verdreefH3423 de inwonersH3427 van KitronH7003 niet, noch de inwonersH3427 van NahalolH5096; maar de KanaanietenH3669woondenH3427 in het middenH7130 van hem, en warenH1961cijnsbaarH4522.Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.
KJVNeither did Zebulun1drive out3the inhabitants5of Kitron,6nor the inhabitants8of Nahalol;9but the Canaanites11dwelt10among12them, and became tributaries.
1זְבוּלֻ֗ןH2074ZebulonZebulun2לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3הוֹרִישׁ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יוֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6קִטְר֔וֹןH7003KitronKitron7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8יוֹשְׁבֵ֖יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9נַהֲלֹ֑לH5096Nahalal, NahalolNahalal, Nahallal, Nahalol10וַיֵּ֤שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry11הַֽכְּנַעֲנִי֙H3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker12בְּקִרְבּ֔וֹH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self13וַיִּֽהְי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use14לָמַֽסH4522cijnsbaar, schatting, uitschotdiscomfited, levy, task(-master), tribute(-tary)
31Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31AserH836verdreefH3423 de inwonersH3427 van AccoH5910 niet, noch de inwonersH3427 van SidonH6721, noch AchlabH303, noch AchsibH392, noch ChelbaH2462, noch AfikH663, noch RechobH7340;Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
KJVNeither did Asher1drive out3the inhabitants5of Accho,6nor the inhabitants8of Zidon,9nor of Ahlab,11nor of Achzib,13nor of Helbah,15nor of Aphik,17nor of Rehob:
1אָשֵׁ֗רH836AserAsher2לֹ֤אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3הוֹרִישׁ֙H3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6עַכּ֔וֹH5910AccoAccho7וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)8יוֹשְׁבֵ֖יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry9צִיד֑וֹןH6721SidonSidon, Zidon10וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)11אַחְלָ֤בH303AchlabAhlab12וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)13אַכְזִיב֙H392Achzib, AchsibAchzib14וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)15חֶלְבָּ֔הH2462ChelbaHelbah16וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)17אֲפִ֖יקH663Afek, AfikAphek, Aphik18וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)19רְחֹֽבH7340Rechob, RehobRehob
32Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32Maar de AserietenH843woondenH3427 in het middenH7130 der KanaanietenH3669, die in het landH776woondenH3427; wantH3588 zij verdrevenH3423 hen nietH3808.Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.
KJVBut the Asherites2dwelt1among3the Canaanites,4the inhabitants5of the land:6for they did not drive them out.
1וַיֵּ֨שֶׁב֙H3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry2הָאָ֣שֵׁרִ֔יH843AserietenAsherites3בְּקֶ֥רֶבH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self4הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker5יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world7כִּ֖יH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9הוֹרִישֽׁוֹH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly
33Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33NafthaliH5321verdreefH3423 de inwonersH3427 van Beth-SemesH1053 niet, noch de inwonersH3427 van Beth-AnathH1043, maar woondeH3427 in het middenH7130 der KanaanietenH3669, die in het landH776woondenH3427; doch de inwonersH3427 van Beth-SemesH1053 en Beth-AnathH1043werdenH1961 hun cijnsbaarH4522.Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.
KJVNeither did Naphtali1drive out3the inhabitants5of Bethshemesh,6nor the inhabitants9of Bethanath;10but he dwelt12among13the Canaanites,14the inhabitants15of the land:16nevertheless the inhabitants17of Bethshemesh7and of Bethanath11became tributaries
1נַפְתָּלִ֗יH5321NafthaliNaphtali2לֹֽאH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without3הוֹרִ֞ישׁH3423erfelijk, erven, bezittingcast out, consume, destroy, disinherit, dispossess, drive(-ing) out, enjoy, expel, [idiom] without fail, (give to, leave for) inherit(-ance, -or) [phrase] magistrate, be (make) poor, come to poverty, (give to, make to) possess, get (have) in (take) possession, seize upon, succeed, [idiom] utterly4אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)5יֹשְׁבֵ֤יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry6בֵֽיתH1053Beth-semesBeth-shemesh7שֶׁ֨מֶשׁ֙H1053Beth-semesBeth-shemesh8וְאֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)9יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry10בֵיתH1043Beth-anathBeth-anath11עֲנָ֔תH1043Beth-anathBeth-anath12וַיֵּ֕שֶׁבH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry13בְּקֶ֥רֶבH7130midden, binnenste, ingewand[idiom] among, [idiom] before, bowels, [idiom] unto charge, [phrase] eat (up), [idiom] heart, [idiom] him, [idiom] in, inward ([idiom] -ly, part, -s, thought), midst, [phrase] out of, purtenance, [idiom] therein, [idiom] through, [idiom] within self14הַֽכְּנַעֲנִ֖יH3669Kanaanieten, Kanaaniet, KanaanietischeCanaanite, merchant, trafficker15יֹשְׁבֵ֣יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry16הָאָ֑רֶץH776land, aarde, lands[idiom] common, country, earth, field, ground, land, [idiom] natins, way, [phrase] wilderness, world17וְיֹשְׁבֵ֤יH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry18בֵֽיתH1053Beth-semesBeth-shemesh19שֶׁ֨מֶשׁ֙H1053Beth-semesBeth-shemesh20וּבֵ֣יתH1043Beth-anathBeth-anath21עֲנָ֔תH1043Beth-anathBeth-anath22הָי֥וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use23לָהֶ֖ם24לָמַֽסH4522cijnsbaar, schatting, uitschotdiscomfited, levy, task(-master), tribute(-tary)
34En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34En de AmorietenH567drongenH3905 de kinderenH1121 van Dan in het gebergteH2022; wantH3588 zij lietenH5414 hun nietH3808 toe, af te komenH3381 in het dalH6010.En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.
KJVAnd the Amorites2forced1the children4of Dan5into the mountain:6for they would not suffer9them to come down10to the valley:
1וַיִּלְחֲצ֧וּH3905dringt, drongen, klemdeafflict, crush, force, hold fast, oppress(-or), thrust self2הָאֱמֹרִ֛יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite3אֶתH853wijst het lijdend voorwerp aan; niet met een eigen woord vertaald(as such unrepresented in English)4בְּנֵיH1121kinderen, zoon, zonen[phrase] afflicted, age, (Ahoh-) (Ammon-) (Hachmon-) (Lev-) ite, (anoint-) ed one, appointed to, ([phrase]) arrow, (Assyr-) (Babylon-) (Egypt-) (Grec-) ian, one born, bough, branch, breed, [phrase] (young) bullock, [phrase] (young) calf, [idiom] came up in, child, colt, [idiom] common, [idiom] corn, daughter, [idiom] of first, [phrase] firstborn, foal, [phrase] very fruitful, [phrase] postage, [idiom] in, [phrase] kid, [phrase] lamb, ([phrase]) man, meet, [phrase] mighty, [phrase] nephew, old, ([phrase]) people, [phrase] rebel, [phrase] robber, [idiom] servant born, [idiom] soldier, son, [phrase] spark, [phrase] steward, [phrase] stranger, [idiom] surely, them of, [phrase] tumultuous one, [phrase] valiant(-est), whelp, worthy, young (one), youth5דָ֖ןH1835DanDaniel6הָהָ֑רָהH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion7כִּיH3588want, dat, maarand, + (forasmuch, inasmuch, where-) as, assured(-ly), + but, certainly, doubtless, + else, even, + except, for, how, (because, in, so, than) that, + nevertheless, now, rightly, seeing, since, surely, then, therefore, + (al-) though, + till, truly, + until, when, whether, while, whom, yea, yet8לֹ֥אH3808niet, geen, noch[idiom] before, [phrase] or else, ere, [phrase] except, ig(-norant), much, less, nay, neither, never, no((-ne), -r, (-thing)), ([idiom] as though...,(can-), for) not (out of), of nought, otherwise, out of, [phrase] surely, [phrase] as truly as, [phrase] of a truth, [phrase] verily, for want, [phrase] whether, without9נְתָנ֖וֹH5414gegeven, geven, gafadd, apply, appoint, ascribe, assign, [idiom] avenge, [idiom] be (healed), bestow, bring (forth, hither), cast, cause, charge, come, commit, consider, count, [phrase] cry, deliver (up), direct, distribute, do, [idiom] doubtless, [idiom] without fail, fasten, frame, [idiom] get, give (forth, over, up), grant, hang (up), [idiom] have, [idiom] indeed, lay (unto charge, up), (give) leave, lend, let (out), [phrase] lie, lift up, make, [phrase] O that, occupy, offer, ordain, pay, perform, place, pour, print, [idiom] pull, put (forth), recompense, render, requite, restore, send (out), set (forth), shew, shoot forth (up), [phrase] sing, [phrase] slander, strike, (sub-) mit, suffer, [idiom] surely, [idiom] take, thrust, trade, turn, utter, [phrase] weep, [phrase] willingly, [phrase] withdraw, [phrase] would (to) God, yield10לָרֶ֥דֶתH3381nederdalen, neder, nedergedaald[idiom] abundantly, bring down, carry down, cast down, (cause to) come(-ing) down, fall (down), get down, go(-ing) down(-ward), hang down, [idiom] indeed, let down, light (down), put down (off), (cause to, let) run down, sink, subdue, take down11לָעֵֽמֶקH6010dal, dals, dalendale, vale, valley (often used as a part of proper names). See also H1025 (בֵּית הָעֵמֶק)
35Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35Ook wildenH2974 de AmorietenH567wonenH3427 op het gebergteH2022 van HeresH2776, te AjalonH357, en te SaalbimH8169; maar de handH3027 van het huisH1004 van JozefH3130 werd zwaarH3513, zodat zij cijnsbaarH4522 werden.Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.
KJVBut the Amorites2would1dwell3in mount4Heres5in Aijalon,6and in Shaalbim:7yet the hand9of the house10of Joseph11prevailed,8so that they became tributaries.
1וַיּ֤וֹאֶלH2974wilden, beliefd, believeassay, begin, be content, please, take upon, [idiom] willingly, would2הָֽאֱמֹרִי֙H567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite3לָשֶׁ֣בֶתH3427inwoners, wonen, woonden(make to) abide(-ing), continue, (cause to, make to) dwell(-ing), ease self, endure, establish, [idiom] fail, habitation, haunt, (make to) inhabit(-ant), make to keep (house), lurking, [idiom] marry(-ing), (bring again to) place, remain, return, seat, set(-tle), (down-) sit(-down, still, -ting down, -ting (place) -uate), take, tarry4בְּהַרH2022berg, bergen, gebergtehill (country), mount(-ain), [idiom] promotion5חֶ֔רֶסH2776HeresHeres6בְּאַיָּל֖וֹןH357AjalonAijalon, Ajalon7וּבְשַֽׁעַלְבִ֑יםH8169Saalbim, SaalabbinShaalabbin, Shaalbim8וַתִּכְבַּד֙H3513zwaar, eren, verheerlijktabounding with, more grievously afflict, boast, be chargeable, [idiom] be dim, glorify, be (make) glorious (things), glory, (very) great, be grievous, harden, be (make) heavy, be heavier, lay heavily, (bring to, come to, do, get, be had in) honour (self), (be) honourable (man), lade, [idiom] more be laid, make self many, nobles, prevail, promote (to honour), be rich, be (go) sore, stop9יַ֣דH3027hand, handen, dienst([phrase] be) able, [idiom] about, [phrase] armholes, at, axletree, because of, beside, border, [idiom] bounty, [phrase] broad, (broken-) handed, [idiom] by, charge, coast, [phrase] consecrate, [phrase] creditor, custody, debt, dominion, [idiom] enough, [phrase] fellowship, force, [idiom] from, hand(-staves, -y work), [idiom] he, himself, [idiom] in, labour, [phrase] large, ledge, (left-) handed, means, [idiom] mine, ministry, near, [idiom] of, [idiom] order, ordinance, [idiom] our, parts, pain, power, [idiom] presumptuously, service, side, sore, state, stay, draw with strength, stroke, [phrase] swear, terror, [idiom] thee, [idiom] by them, [idiom] themselves, [idiom] thine own, [idiom] thou, through, [idiom] throwing, [phrase] thumb, times, [idiom] to, [idiom] under, [idiom] us, [idiom] wait on, (way-) side, where, [phrase] wide, [idiom] with (him, me, you), work, [phrase] yield, [idiom] yourselves10בֵּיתH1004huis, huizen, huizecourt, daughter, door, [phrase] dungeon, family, [phrase] forth of, [idiom] great as would contain, hangings, home(born), (winter) house(-hold), inside(-ward), palace, place, [phrase] prison, [phrase] steward, [phrase] tablet, temple, web, [phrase] within(-out)11יוֹסֵ֔ףH3130Jozef, JozefsJoseph. Compare H3084 (יְהוֹסֵף)12וַיִּהְי֖וּH1961zijn, geschiedde, wasbeacon, [idiom] altogether, be(-come), accomplished, committed, like), break, cause, come (to pass), do, faint, fall, [phrase] follow, happen, [idiom] have, last, pertain, quit (one-) self, require, [idiom] use13לָמַֽסH4522cijnsbaar, schatting, uitschotdiscomfited, levy, task(-master), tribute(-tary)
36En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
א
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36En de landpaleH1366 der AmorietenH567 was van den opgangH4608 van AkrabbimH4610, van den rotssteenH5553, en opwaartsH4605 heen.En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
KJVAnd the coast1of the Amorites2was from the going upto Akrabbim,3from the rock,5and upward.
1וּגְבוּל֙H1366landpale, landpalen, palenborder, bound, coast, [idiom] great, landmark, limit, quarter, space2הָאֱמֹרִ֔יH567Amorieten, Amoriet, AmorietischenAmorite3מִֽמַּעֲלֵ֖הH4610Akrabbim, opgang AkrabbimMaaleh-accrabim, the ascent (going up) of Akrabbim4עַקְרַבִּ֑יםH4610Akrabbim, opgang AkrabbimMaaleh-accrabim, the ascent (going up) of Akrabbim5מֵהַסֶּ֖לַעH5553steenrots, rotssteen, steenrotsen(ragged) rock, stone(-ny), strong hold6וָמָֽעְלָהH4605opwaarts, hoogste, omhoogabove, exceeding(-ly), forward, on ([idiom] very) high, over, up(-on, -ward), very
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
KruisverwijzingenSchatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Richteren 1:1— En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?Numeri 27:21→Richteren 20:18→Richteren 1:27→Richteren 20:28→Jozua 24:29→Exodus 28:30→1 Samuël 23:9→Richteren 3:1→
Richteren 1:2— En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.Genesis 49:8→Psalmen 78:68→Openbaring 19:11→Numeri 2:3→Numeri 7:12→Hebreeën 7:14→Openbaring 5:5→
Richteren 1:3— Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.Richteren 1:17→2 Samuël 10:11→Jozua 19:1→Genesis 29:33→
Richteren 1:4— En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.1 Samuël 11:8→Deuteronomium 7:2→1 Koningen 22:6→1 Koningen 22:15→Jozua 10:8→Exodus 23:28→Deuteronomium 9:3→1 Samuël 14:6→
Richteren 1:7— Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.1 Samuël 15:33→Openbaring 16:6→Lukas 6:37→Romeinen 2:15→Jakobus 2:13→Openbaring 13:10→Leviticus 24:19→Jesaja 33:1→
Richteren 1:8— Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.Jozua 15:63→Richteren 1:21→
Richteren 1:9— En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.Jozua 15:13→Jozua 11:21→Jozua 10:36→
Richteren 1:10— En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.Numeri 13:22→Jozua 14:15→Richteren 1:20→Numeri 13:33→Jeremia 9:23→Psalmen 33:16→Jozua 15:13→Prediker 9:11→
Richteren 1:11— En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.Jozua 15:15→Jozua 10:38→
Richteren 1:12— En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.1 Samuël 18:23→1 Samuël 17:25→Jozua 15:16→
Richteren 1:13— Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.Richteren 3:9→
Richteren 1:14— En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?Jozua 15:18→
Richteren 1:15— En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.1 Petrus 3:9→Hebreeën 6:7→1 Samuël 25:27→2 Korinthe 9:5→1 Samuël 25:18→Genesis 33:11→
Richteren 1:16— De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.Numeri 10:29→Numeri 21:1→Richteren 4:11→Deuteronomium 34:3→1 Samuël 15:6→Richteren 3:13→Richteren 4:17→Exodus 18:27→
Richteren 1:17— Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.Numeri 21:3→Richteren 1:3→Jozua 19:4→2 Kronieken 14:10→Numeri 14:45→
Richteren 1:18— Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.Jozua 11:22→Richteren 3:3→Richteren 16:21→Exodus 23:31→1 Samuël 6:17→Jozua 15:45→Richteren 16:1→Jozua 13:3→
Richteren 1:19— En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.Richteren 1:2→Richteren 1:27→Exodus 14:7→Jozua 17:16→Jozua 1:9→Genesis 39:2→Jesaja 41:14→Psalmen 46:11→
Richteren 1:20— En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.Richteren 1:10→Jozua 15:13→Deuteronomium 1:36→Numeri 14:24→Numeri 13:22→Jozua 14:9→Jozua 21:11→
Richteren 1:21— Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.Jozua 15:63→Jozua 18:11→Richteren 19:10→2 Samuël 5:6→Richteren 1:8→
Richteren 1:22— En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.Richteren 1:19→Openbaring 7:8→2 Koningen 18:7→Jozua 14:4→Genesis 49:24→Jozua 16:1→Numeri 1:32→Numeri 1:10→
Richteren 1:23— En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.Genesis 28:19→Genesis 48:3→Genesis 35:6→Jozua 2:1→Jozua 7:2→Richteren 18:2→
Richteren 1:24— En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.Jozua 2:12→1 Samuël 30:15→
Richteren 1:25— En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.Jozua 6:22→
Richteren 1:26— Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.2 Kronieken 1:17→2 Koningen 7:6→
Richteren 1:27— En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.Jozua 17:11→Jeremia 48:10→Psalmen 106:34→1 Samuël 15:9→Richteren 5:19→Exodus 23:32→Richteren 1:1→Deuteronomium 7:2→
Richteren 1:29— Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer.Jozua 16:10→1 Koningen 9:16→
Richteren 1:30— Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.Jozua 19:15→
Richteren 1:31— Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;Jozua 19:24→
Richteren 1:32— Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.Psalmen 106:34→
Richteren 1:33— Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.Jozua 19:32→Richteren 1:35→Psalmen 18:24→Richteren 1:30→
Richteren 1:34— En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.Jozua 19:47→Richteren 18:1→
Richteren 1:35— Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.Jozua 19:42→Richteren 12:12→1 Koningen 4:9→Jozua 10:12→
Richteren 1:36— En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.Numeri 34:4→Jozua 15:2→
KanttekeningenDe oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Richteren 1 vers 2— En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
Juda zal optrekken;
Dat is, de stam van Juda. Alzo is het volgende Simeon dat is, de stam Simeons, en zo voorts in de rest.
Hertaald:Juda zal optrekken;
Dat is: de stam van Juda. Zo is het volgende Simeon dat is: de stam Simeons, en zo verder in de rest.
Richteren 1 vers 3— Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.
Simeon
De erfenissen van Juda en Simeon waren voor een deel onder elkander vermengd of gemeen. Zie Joz. 19:1, Joz. 19:9.
Hertaald:Simeon
De erfdelen van Juda en Simeon waren voor een deel onder elkaar vermengd of gemeenschappelijk. Zie Joz. 19:1, Joz. 19:9.
lot,
Dat is, om het land, dat mij door het lot toegevallen is, in te nemen.
Hertaald:lot,
Dat is: om het land dat mij door het lot toegevallen is, in te nemen.
Richteren 1 vers 4— En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.
hun hand;
In de hand van Juda en Simeon.
Hertaald:hun hand;
In de hand van Juda en Simeon.
Bézek,
Niet ver van Jeruzalem gelegen. Zie ook 1 Sam. 11:8.
Hertaald:Bézek,
Niet ver van Jeruzalem gelegen. Zie ook 1 Sam. 11:8.
Richteren 1 vers 6— Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.
hieuwen
De oorzaak hiervan was zijn gruwelijke tirannie verhaald in vs.7.
Hertaald:hieuwen
De oorzaak hiervan was zijn gruwelijke tirannie, verteld in vers 7.
Richteren 1 vers 7— Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.
de kruimen oplezende;
Hetgeen van de tafel afviel, of hun toegeworpen werd.
Hertaald:de kruimen oplezende;
Wat van de tafel afviel, of hun toegeworpen werd.
Richteren 1 vers 8— Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
hadden tegen Jeruzalem gestreden,
Anders, streden; maar het gevoelen van de meesten is, dat alhier bij gelegenheid wat in vs.7 gezegd is, dat zij Adoni-Bezek te Jeruzalem brachten, de inneming van Jeruzalem en enige andere geschiedenissen [tot aan het 17 vs] uit het boek Jozua worden herhaald, gelijk te zien is Jos 15.
Hertaald:hadden tegen Jeruzalem gestreden,
Anders: streden; maar de mening van de meesten is dat hier, naar aanleiding van wat in vers 7 gezegd wordt, dat zij Adoni-Bezek naar Jeruzalem brachten, de inneming van Jeruzalem en enkele andere gebeurtenissen [tot aan vers 17] uit het boek Jozua herhaald worden, zoals te zien is in Joz. 15.
ingenomen,
Versta, dat deel der stad, hetwelk hun ten deel gevallen was, niet het andere deel wat Benjamin mede toekwam, en het slot. Zie Joz. 15:8, Joz. 15:63, en Joz. 18:11, Joz. 18:28. Ook onder, vs.21, met de aantekeningen.
Hertaald:ingenomen,
Versta: dat deel van de stad dat hun ten deel gevallen was, niet het andere deel dat Benjamin toekwam, en het bolwerk. Zie Joz. 15:8, Joz. 15:63, en Joz. 18:11, Joz. 18:28. Ook hieronder, vers 21, met de aantekeningen.
scherpte des zwaards
Hebreeuws, aan den mond des zwaards
Hertaald:scherpte des zwaards
Hebreeuws: aan de mond van het zwaard.
gezet
Hebreeuws, gezonden; dat is, zij hadden het vuur daarin geworpen; alzo onder, Richt. 20:48.
Hertaald:gezet
Hebreeuws: gezonden; dat is: zij hadden het vuur erin geworpen; zo ook hieronder, Richt. 20:48.
Richteren 1 vers 9— En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
daarna
Na de inneming van Jeruzalem.
Hertaald:daarna
Na de inneming van Jeruzalem.
Richteren 1 vers 10— En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
Juda
Onder het beleid van Jozua en Kaleb; Joz. 15:14.
Hertaald:Juda
Onder leiding van Jozua en Kaleb; Joz. 15:14.
Hebron woonden
Zie Joz. 15:13.
Hertaald:Hebron woonden
Zie Joz. 15:13.
Sésai, en Ahiman, en Thalmai
Drie reuzen, kinderen Enaks, gelijk onder vs.20 verhaald wordt.
Hertaald:Sésai, en Ahiman, en Thalmai
Drie reuzen, kinderen van Enak, zoals hieronder in vers 20 verteld wordt.
Richteren 1 vers 11— En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.
hij heengetogen
Juda.
Hertaald:hij heengetogen
Juda.
Debir was te voren Kirjath-séfer
Zie Joz. 12:13.
Hertaald:Debir was te voren Kirjath-séfer
Zie Joz. 12:13.
Richteren 1 vers 13— Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
de zoon van Kenaz,
Dat is, nakomeling van Kenaz, gelijk sommigen dit verstaan.
Hertaald:de zoon van Kenaz,
Dat is: nakomeling van Kenaz, zoals sommigen dit opvatten.
broeder van Kaleb,
Dat is, bloedverwant, nabestaande. Dit verstaan sommigen van Othniël, anderen van Kenaz. Vergelijk Num. 32:12; Joz. 15:17; onder, Richt. 3:9, Richt. 3:11; 1 Kron. 4:13, 1 Kron. 4:15.
Hertaald:broeder van Kaleb,
Dat is: bloedverwant, naaste. Sommigen betrekken dit op Othniël, anderen op Kenaz. Vergelijk Num. 32:12; Joz. 15:17; hieronder, Richt. 3:9, Richt. 3:11; 1 Kron. 4:13, 1 Kron. 4:15.
die jonger was dan hij;
Hebreeuws, kleiner, of, minder dan hij; namelijk, Kenaz. Anders, die [te weten, Othniël] de jongste was van, of, uit hem, namelijk, Kenaz; dat is, de jongste en geringste van aanzien onder alle nakomelingen van Kenaz, en desniettegenstaande vereerd en verheven boven anderen door deze mannelijke daad, het gevolgde huwelijk en richterschap; onder, Richt. 3:9, enz.
Hertaald:die jonger was dan hij;
Hebreeuws: kleiner, of: minder dan hij; namelijk: Kenaz. Anders: die [namelijk Othniël] de jongste was van, of uit hem, namelijk Kenaz; dat is: de jongste en geringste in aanzien onder alle nakomelingen van Kenaz, en desondanks door deze mannelijke daad, het gevolgde huwelijk en het richterschap boven anderen geëerd en verheven; hieronder, Richt. 3:9, enzovoort.
Richteren 1 vers 14— En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?
En het geschiedde,
Zie van dit verhaal Joz. 15:18-19, en de aantekeningen aldaar.
Hertaald:En het geschiedde,
Zie over dit verhaal Joz. 15:18-19, en de aantekeningen daar.
aanporde,
Of, aanzocht.
Hertaald:aanporde,
Of: aanzocht.
Richteren 1 vers 15— En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
zegen;
Zie Gen. 33:11.
Hertaald:zegen;
Zie Gen. 33:11.
dor land gegeven hebt,
Hebreeuws, Zuidland.
Hertaald:dor land gegeven hebt,
Hebreeuws: zuidland.
Richteren 1 vers 16— De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
Harad is;
De naam ener stad, gelegen bij het gebergte Seïr, en misschien ook van een koning van die plaats. Zie Num. 21:1.
Hertaald:Harad is;
De naam van een stad, gelegen bij het gebergte Seïr, en misschien ook van een koning van die plaats. Zie Num. 21:1.
en zij gingen heen
Hebreeuws, en hij ging en woonde, of, bleef met, of, bij het volk. Hij, namelijk, de Keniet; dat is, Jethro's nakomelingen. Sommigen zetten het aldus over: Want hij [de Keniet] was [mede] getogen, en was gebleven, of, had gewoond bij het volk, namelijk Israël. Zie Num. 10:29, en Num. 24:21-22; 1 Sam. 15:6.
Hertaald:en zij gingen heen
Hebreeuws: en hij ging en woonde, of: bleef bij het volk. Hij, namelijk de Keniet; dat is: de nakomelingen van Jethro. Sommigen vertalen het aldus: want hij [de Keniet] was mee opgetrokken en was gebleven, of had gewoond bij het volk, namelijk Israël. Zie Num. 10:29, en Num. 24:21-22; 1 Sam. 15:6.
Richteren 1 vers 17— Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.
Juda dan toog met zijn broeder Simeon,
Hier wordt de historie, boven vs.8 verlaten zijnde, hervat en vervolgd.
Hertaald:Juda dan toog met zijn broeder Simeon,
Hier wordt de geschiedenis, die hierboven in vers 8 verlaten was, hervat en voortgezet.
Zefath,
Deze plaats wordt nergens meer vermeld; alleenlijk vindt men 2 Kron. 14:9-10
Hertaald:Zefath,
Deze plaats wordt nergens meer vermeld; alleen vindt men in 2 Kron. 14:9-10.
verbanden hen
Zie Deut. 2:34.
Hertaald:verbanden hen
Zie Deut. 2:34.
Horma
Dat is, ban, verbanning. Vergelijk Num. 14:45, en Num. 21:3. Sommigen menen dat dit Horma is de koninklijke stad, gelegen aan de zuidelijke grenzen van Kanaän, aan het westelijke einde van het gebergte Seïr. Zie Joz. 12:14, en Joz. 15:30, Joz. 19:4; 1 Sam. 30:30; 1 Kron. 4:30.
Hertaald:Horma
Dat is: ban, verbanning. Vergelijk Num. 14:45, en Num. 21:3. Sommigen menen dat dit Horma dezelfde koninklijke stad is, gelegen aan de zuidelijke grenzen van Kanaän, aan het westelijke einde van het gebergte Seïr. Zie Joz. 12:14, en Joz. 15:30, Joz. 19:4; 1 Sam. 30:30; 1 Kron. 4:30.
Richteren 1 vers 18— Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
Gaza in,
Deze steden waren gelegen in het land der Filistijnen, aan de Middellandse zee, en worden dikwijls in de Heilige Schrift vermeld.
Hertaald:Gaza in,
Deze steden lagen in het land van de Filistijnen, aan de Middellandse Zee, en worden vaak in de Heilige Schrift vermeld.
landpale,
Dat is, het omliggende land; alzo in het volgende.
Hertaald:landpale,
Dat is: het omliggende land; zo ook in het vervolg.
Richteren 1 vers 19— En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
hij ging niet voort
Namelijk, Juda. Anders, maar niet verdrijvende
Hertaald:hij ging niet voort
Namelijk: Juda. Anders: maar niet verdrijvend.
omdat zij ijzeren wagenen hadden
Hoewel de Heere met Juda geweest was in het innemen van het gebergte, zo was hij evenwel niet moedig genoeg om de rest te vervolgen, door menselijke vrees, die hier bij hem meer vermocht dan het bevel en de beloften Gods; Joz. 13:6, en Joz. 17:18. Van de ijzeren wagens in dien tijd in het strijden gebruikelijk, zie Joz. 17:18.
Hertaald:omdat zij ijzeren wagenen hadden
Hoewel de HEERE met Juda geweest was bij het innemen van het bergland, was hij toch niet moedig genoeg om de rest te achtervolgen, door menselijke vrees, die hier meer bij hem gold dan het gebod en de beloften van God; Joz. 13:6, en Joz. 17:18. Over de ijzeren wagens die in die tijd bij het strijden gebruikelijk waren, zie Joz. 17:18.
Richteren 1 vers 20— En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.
Hebron aan Kaleb,
Zie hiervan de historie Joz. 14:6 tot het einde.
Hertaald:Hebron aan Kaleb,
Zie hierover de geschiedenis in Joz. 14:6 tot het einde.
drie zonen van Enak
Van welken boven vermeld is, vs.10. Van Enak en zijn nakomelingen, die reuzen geweest zijn, zie Num. 13:22. Anders, van den reus.
Hertaald:drie zonen van Enak
Van wie hierboven in vers 10 melding is gemaakt. Over Enak en zijn nakomelingen, die reuzen zijn geweest, zie Num. 13:22. Anders: van de reus.
Richteren 1 vers 21— Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.
Jeruzalem wonende,
Versta, in het opperste deel der stad en het slot, hetwelk Benjamin ten deel was gevallen, daar hun erfenissen bij die van Juda voor een deel gelegen waren; Joz. 18:11. Juda had het zijne ingenomen, gelijk boven vs.8; uit het slot zijn de Jebusieten eerst door David verdreven; 2 Sam. 5:6-7.
Hertaald:Jeruzalem wonende,
Versta: in het bovenste deel van de stad en het bolwerk, dat aan Benjamin ten deel gevallen was, omdat hun erfdeel voor een deel bij dat van Juda lag; Joz. 18:11. Juda had het zijne ingenomen, zoals hierboven in vers 8; uit het bolwerk zijn de Jebusieten pas door David verdreven; 2 Sam. 5:6-7.
dezen dag
Toen dit van den auteur van dit boek beschreven werd.
Hertaald:dezen dag
Toen dit door de schrijver van dit boek beschreven werd.
Richteren 1 vers 23— En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.
Luz
Zie Gen. 28:19.
Hertaald:Luz
Zie Gen. 28:19.
Richteren 1 vers 24— En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.
wachters zagen een man,
Die uitgezonden waren, om de gelegenheid der stad te bespieden.
Hertaald:wachters zagen een man,
Die uitgezonden waren om de gesteldheid van de stad te verkennen.
Richteren 1 vers 26— Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.
Hethieten,
Wonende aan de noordzijde van het gebergte Efraïms.
Hertaald:Hethieten,
Wonende aan de noordzijde van het gebergte van Efraïm.
Richteren 1 vers 27— En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.
Manasse
Versta, den halven stam, wonende in Kanaän; niet, die over de Jordaan in Gilead en Basan woonden.
Hertaald:Manasse
Versta: de halve stam, wonende in Kanaän; niet degenen die aan de overkant van de Jordaan in Gilead en Basan woonden.
Beth-sean niet,
Dat is, de inwoners van Beth-Sean; gelijk in het volgende verklaard wordt. Beth-Sean lag bij de Jordaan aan de westzijde. Zie Joz. 17:11.
Hertaald:Beth-sean niet,
Dat is: de inwoners van Beth-Sean; zoals in het vervolg verklaard wordt. Beth-Sean lag bij de Jordaan aan de westzijde. Zie Joz. 17:11.
onderhorige plaatsen,
Dat is, de omliggende plaatsen, onder hetzelve sorterende. Hebreeuws, dochters
Hertaald:onderhorige plaatsen,
Dat is: de omliggende plaatsen, die eronder vielen. Hebreeuws: dochters.
Tháänach
Gelegen aan het gebergte Gilboa. Zie ook Joz. 17:11, en Joz. 21:25.
Hertaald:Tháänach
Gelegen aan het gebergte Gilboa. Zie ook Joz. 17:11, en Joz. 21:25.
Jibleam
Joz. 17:11. Beide deze plaatsen lagen nabij de Middellandse zee.
Hertaald:Jibleam
Joz. 17:11. Beide plaatsen lagen bij de Middellandse Zee.
wilden wonen
Of, vonden goed, bewilligden, of begonnen. [Hebreeuws, de Kanaäniet wilde, enz.] te weten, òf uit moedwil, òf op conditie van tribuut, gelijk sommigen dit uit vs.28verklaren. Alzo onder, vs.35. Zie ook Joz. 17:12.
Hertaald:wilden wonen
Of: vonden goed, stemden toe, of begonnen. [Hebreeuws: de Kanaäniet wilde, enzovoort.] namelijk: hetzij uit eigen wil, hetzij op voorwaarde van schatplicht, zoals sommigen dit uit vers 28 opmaken. Zo ook hieronder, vers 35. Zie ook Joz. 17:12.
Richteren 1 vers 28— En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
verdreef hen niet ganselijk
Hebreeuws, verdrijvende verdreef hij hem niet; te weten, den Kanaäniet.
Hertaald:verdreef hen niet ganselijk
Hebreeuws: verdrijvende verdreef hij hem niet; namelijk: de Kanaäniet.
Richteren 1 vers 29— Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer.
Gezer woonden;
Gelegen bij de beek Gaäs naar de Middellandse zee toe, zijnde mede ene stad der Levieten, Joz. 21:21.
Hertaald:Gezer woonden;
Gelegen bij de beek Gaäs, naar de Middellandse Zee toe, en tevens een stad van de Levieten, Joz. 21:21.
Richteren 1 vers 30— Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.
Kitron niet,
Gelegen bij het gebergte van Zebulon westwaarts, nabij den oorsprong van de beek Jiftahel.
Hertaald:Kitron niet,
Gelegen bij het gebergte van Zebulon, naar het westen, dicht bij de oorsprong van de beek Jiftahel.
Náhalol;
Zie Joz. 19:15.
Hertaald:Náhalol;
Zie Joz. 19:15.
hem,
Zebulon.
Hertaald:hem,
Zebulon.
Richteren 1 vers 31— Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
Acco niet,
Deze plaatsen waren gelegen aan de Middellandse zee, alleenlijk lagen Afik en Achlaz wat landwaarts in. Van Asers lot zie Joz. 19:24, enz. Rechob was ook een stad der Levieten, Joz. 21:31, mede landwaarts in gelegen. Zie Num. 13:21.
Hertaald:Acco niet,
Deze plaatsen lagen aan de Middellandse Zee; alleen Afik en Achlaz lagen wat verder landinwaarts. Over het gebied van Aser, zie Joz. 19:24, enzovoort. Rehob was ook een stad van de Levieten, Joz. 21:31, eveneens landinwaarts gelegen. Zie Num. 13:21.
Achlab,
Dat is, de inwoners van deze steden.
Hertaald:Achlab,
Dat is: de inwoners van deze steden.
Richteren 1 vers 33— Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.
Beth-sémes niet,
Zie van deze beide steden, gelegen in Nafthali, Joz. 19:38.
Hertaald:Beth-sémes niet,
Zie over deze beide steden, gelegen in Naftali, Joz. 19:38.
Richteren 1 vers 34— En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.
het dal
Dat is, in de laagten.
Hertaald:het dal
Dat is: in de laagten.
Richteren 1 vers 35— Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.
wilden de Amorieten
Zie boven, vs.28.
Hertaald:wilden de Amorieten
Zie hierboven, vers 28.
Ajálon,
Zie Joz. 19:42, en Joz. 21:24. Saälbim lag in het dal Eskol, Ajalon vandaar in het noord-westen naar de westzee, op de grenzen van Dan. Andere plaatsen van dezen naam, zie onder Richt. 12:12.
Hertaald:Ajálon,
Zie Joz. 19:42, en Joz. 21:24. Saälbim lag in het dal Eskol, Ajalon vandaar naar het noordwesten in de richting van de westzee, op de grenzen van Dan. Andere plaatsen met deze naam, zie hieronder, Richt. 12:12.
cijnsbaar werden
Hebreeuws, tot cijns werden, of waren. De zin is, die van het huis Jozefs kwamen Dan te hulp, en bedwongen de Amorieten zover, dat zij hun cijnsbaar werden.
Hertaald:cijnsbaar werden
Hebreeuws: tot cijns werden, of waren. De betekenis is dat degenen van het huis van Jozef Dan te hulp kwamen en de Amorieten zover dwongen dat zij hun schatplichtig werden.
Richteren 1 vers 36— En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
Akrábbim,
Gelegen bij het zuidelijke einde van de Zoutzee, en aan het oostelijke einde van het gebergte Seïr, op de uiterste grenzen van Kanaän, tegen het zuiden. Zie Joz. 15:2-3, Joz. 15:5.
Hertaald:Akrábbim,
Gelegen bij het zuidelijke einde van de Zoutzee, en aan het oostelijke einde van het gebergte Seïr, op de uiterste grenzen van Kanaän, naar het zuiden. Zie Joz. 15:2-3, Joz. 15:5.
rotssteen,
Anders, Sela, of Petra Arabioe, een vermaarde stad, op een steenrots gelegen.
Hertaald:rotssteen,
Anders: Sela, of Petra Arabiae, een bekende stad, gelegen op een rots.
Bijbelse NamenPersonen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Adoni-Bezek — heer van Bezek
Een Kanaänitische koning van Bezek, die zelf zeventig koningen onderworpen had en hun de duimen van hun handen en de grote tenen van hun voeten had afgehouwen. Toen Juda en Simeon hem versloegen, werd hem hetzelfde aangedaan: 'gelijk ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden' (Richt. 1:5-7). Hij werd naar Jeruzalem gebracht, waar hij stierf.
Bijbelse PlaatsenPlaatsen die in dit hoofdstuk genoemd worden
Bezek — van onzekere afleiding
Ligging: In het gebied van Juda, precieze locatie onbekend (te onderscheiden van een gelijknamige plaats in het noorden, bij Sichem, waar Saul later zijn leger verzamelde, 1 Sam. 11:8).
Geschiedenis: Hier versloegen Juda en Simeon, kort na Jozua's dood, de Kanaänieten en Ferezieten, en namen Adoni-Bezek gevangen, wiens duimen en grote tenen zij afhieuwen — waarop hij zelf erkende dat de HEERE hem naar zijn eigen wandaad vergold, want ook hij had zeventig koningen op diezelfde wijze verminkt (Richt. 1:4-7).
Bijbelse betekenis: Een aangrijpend voorbeeld van hoe zelfs een heidense koning, buiten enige kennis van de wet, de gerechtigheid van zijn eigen straf moest erkennen: "Gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden" (Richt. 1:7) — een stille getuige van het geweten dat God ook in de heidenen gelegd heeft.
Richteren 1:19.KruisverwijzingenRichteren 1:2→Richteren 1:27→Exodus 14:7→Jozua 17:16→Jozua 1:9→Genesis 39:2→Jesaja 41:14→Psalmen 46:11→ — En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden. De macht van de Kanaänieten was in de dagen van Jozua gebroken. Maar nu hij dood was, begonnen de oude geslachten zich weer op te bouwen — zoals wij vaak bevinden dat onze zonden, die wij voor geheel dood hielden, plotseling nieuwe moed vatten en pogen hun rijk opnieuw op te richten.
De stam Juda werd aangewezen om voor te gaan, en wij zien drie dingen in de wijze waarop zij de onderneming aanpakten. Ten eerste werd de macht des Heeren vertrouwd en groot gemaakt, want “de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef”. Ten tweede werd door deze koninklijke stam de macht des Heeren niet vertrouwd en daarom ook ingehouden.
En toch werd hun, als om hen te bestraffen, een merkwaardige gebeurtenis voorgehouden tot handhaving van Gods macht. Kaleb, die grote oude man die nog altijd leefde — de enige overlevende van allen die uit Egypte gekomen waren — had Hebron tot zijn deel verkregen. Zo trok hij op in zijn ouderdom, toen zijn beenderen stijf en pijnlijk waren, en versloeg de drie zonen van Enak, drie machtige reuzen, en nam hun stad in bezit.
Maar Juda overwon de mannen van de ijzeren wagens niet, omdat God in die zaak niet met hen was. Zover als hun geloof reikte, hield God gelijke tred met hen, en zij konden alles doen. Maar toen zij moedeloos meenden dat zij de inwoners van de wijde valleien niet konden verdrijven, faalden zij volkomen. Zij waren bevreesd om de wagens. Zij zeiden: “Het heeft geen zin; wij kunnen deze verschrikkelijke tuigen niet tegemoet gaan.” Daarom baden zij niet en deden zij geen poging de vijand te ontmoeten.
Hadden zij aangaande de ijzeren wagens hetzelfde geloof betoond als aangaande de mannen van de bergen, dan zouden de ijzeren wagens niet beter geweest zijn dan wagens van stro; want de Heere “doet de oorlogen ophouden tot aan het einde der aarde, verbreekt de boog, en slaat de spies aan twee, en verbrandt de wagenen met vuur” (Ps. 46:10).
I. Vs. 1-21.KruisverwijzingenNumeri 27:21→Jozua 15:63→Richteren 1:17→Richteren 1:21→Richteren 20:18→Genesis 49:8→Psalmen 78:68→1 Samuël 11:8→ — En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen? En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven. Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem. En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man. En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten. Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af. Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar. Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai. Na de dood van Jozua besluiten de kinderen van Israël de strijd tegen de Kanaänieten voort te zetten, en deze uit het hun tot erfgoed gegeven land geheel uit te roeien. Overeenkomstig de aanwijzing die hun op het ondervragen ten deel geworden is, opent de stam van Juda in gemeenschap met Simeon de strijd, slaat eerst de koning van Bezek, verovert hierna Jeruzalem, en reinigt alzo het eigen gebied van de nog aanwezige Kanaänieten; alleen kan de stam de bewoners van de vlakte niet overweldigen vanwege de ijzeren wagens, die zij hebben; evenmin kunnen de kinderen van Benjamin de hun toegedachte stad Jeruzalem in hun macht houden, maar worden door de Jebusieten daaruit verdreven. Zoals de stam van Juda ten opzichte van de verdere verovering van het land volgens de wil van God handelt, zo handelt het ook bij de gemaakte veroveringen Op wettige wijze, daar het niet alleen het door hem veroverde Jeruzalem aan de stam, waaraan het door Jozua toegewezen is, overlaat, maar ook Kaleb in zijn erfenis plaatst, en aan de nakomelingen van Hobab de hem door zijn zwager Mozes gegeven toezegging vervult.
KruisverwijzingenNumeri 27:21→Richteren 20:18→Richteren 1:27→Richteren 20:28→Jozua 24:29→Exodus 28:30→1 Samuël 23:9→Richteren 3:1→— En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?
En het geschiedde na de dood ven Jozua, in het jaar 1435 vóór Chr., dat de kinderen van Israël de HEERE vroegen,
zeggende: a) Wie zal onder ons het eerste optrekken
KruisverwijzingenGenesis 49:8→Psalmen 78:68→Openbaring 19:11→Numeri 2:3→Numeri 7:12→Hebreeën 7:14→Openbaring 5:5→— En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.
naar de Kanaänieten, om tegen hen te strijden? 3) Welke van de twaalf stammen zal de verdelgingsoorlog tegen de nog overgebleven Kanaänieten openen?
Richteren 20: 18
De tijd, dat de Israëlieten dit deden, is niet met zekerheid aan te geven. Hoogstwaarschijnlijk echter nadat zij enige tijd in Kanaän hadden gewoond, en uitbreiding van de landstreek noodzakelijk was geworden door de vermeerdering van het volk.
Ongetwijfeld heeft dit vragen plaatsgevonden door de priester Pinehas, en wel door middel van de Urim en Tummim. Het was toch een volksbelang en de beslissing van die belangen werden aan de hogepriester voorgelegd, opdat deze, op de zo-even genoemde wijze, ze de Heere zou voorleggen.
In het Hebreeuws Jaalèh, optrekken. Duidelijk blijkt hieruit, dat men voornemens was, die Kanaänieten aan te pakken, die in de bergachtige streken van Juda’s stam woonden. Daarom wordt het woord optrekken gebruikt, omdat zij hoger lagen dan de Israëlieten, die tot de stam van Juda behoorden.
KruisverwijzingenRichteren 1:17→2 Samuël 10:11→Jozua 19:1→Genesis 29:33→— Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.
Israël is gelovig en gehoorzaam na de dood van Jozua. Evenals een kind na de dood van de vader, heeft het de beste voornemens. Het is ijverig, om snel en met kracht te doen, wat Jozua bevolen heeft. Zoals de wet gebiedt (Num.27: 21) vraagt het God door zijn priester. Zo is menigeen na het afleggen van zijn belijdenis, na de dood van vrome ouders, ijverig om vroom te zijn. Menigeen verlaat een opwekkende prediking met voornemens van boete. De eerste liefde is vol gloeiende ijver. Goed beginnen is nooit zonder zegen, maar het beste is voortdurend aan God gehoorzaam te zijn.
En de HEERE zei, door middel van de Urim en Tummim (Ex.28: 30 Deuteronomium 33:
KruisverwijzingenJozua 15:63→Richteren 1:21→— Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.
: Juda zal optrekken, 1) en aan de overige stammen een goed voorbeeld geven, zoals deze stem reeds in de zegen van Jakob (Genesis49: 8vv.) als voorvechter van zijn broeders aangewezen is. Ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven, 2) zodat zijn strijd niet alleen hem gelukken zal, maar voor de anderen van grote invloed zal wezen.
KruisverwijzingenJozua 15:13→Jozua 11:21→Jozua 10:36→— En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.
Wanneer Israël gelovig en gehoorzaam is, gaat Juda altijd vooruit, in de woestijn aan de spits van het leger, na de tijd van de richteren, als David op de troon van Israël zit, zo ook in de tijd van de vervulling, als de leeuw van Juda de vijand, de dood, overwint. Wanneer wij tegen onze geestelijke Kanaänieten willen strijden, moet Christus Jezus, de Leeuw uit de stam van Juda (Openb.5: 5), de eerste aanval doen en de strijd leiden.
KruisverwijzingenNumeri 13:22→Jozua 14:15→Richteren 1:20→Numeri 13:33→Jeremia 9:23→Psalmen 33:16→Jozua 15:13→Prediker 9:11→— En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
De stam van Juda was de talrijkste en machtigste van allen, en daarom moest Juda dit het eerst wagen. God eist dienst, naarmate van de sterkte, die Hij gegeven heeft. Van diegenen, die meest bekwaam zijn, wordt het meeste werk verwacht. Juda was eerst verzorgd, het lot voor Juda was allereerst opgekomen, en daarom moest Juda allereerst en ten behoeve van zijn broeders strijden.
De stam van Juda was degene, waaruit de Messias zou voortkomen, waarom Christus, de Leeuw uit de stam van Juda, als het ware zelf voor de andere stammen heentrok (Jud 1: 2).
Uit deze bijvoeging blijkt, dat de Heere bovendien nog door een hoorbare stem heeft geantwoord en aan de priester Pinehas zich op bijzondere wijze heeft geopenbaard. Voorts, dat de roeping van Juda gesterkt wordt door een belofte. Juda wordt geroepen, om de wil van de Heere te volbrengen, maar de Heere belooft hier, dat wanneer Juda Zijn wil volbrengt, hij zeker op een goede uitslag kan hopen. Wat meer zegt, de Heere verzekert hem, dat hij reeds vóór de strijd van de overwinning verzekerd kan zijn, omdat Hij zegt: “Ik heb het gegeven”, en niet: “Ik zal geven”.
Toen zei Juda tot zijn broeder Simeon, wiens toegewezen erfenis binnen de zijn lag (Joz.15: 1vv.; 19: 1-9): Trek met mij op in mijn lot, in de mij ten deel gevallen erfenis, en laat ons tegen deKanaänieten strijden, hen geheel daaruit verdrijven, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot, en u helpen, om het uw geheel in uw macht te brengen. Dit voorstel werd aangenomen en alzo trok Simeon met hem.1)
Merk hier op, dat de sterkste geenzins verachten, maar integendeel verlangen moeten de bijstand zelfs van degenen, die minder sterk zijn. Juda was de aanzienlijkste onder alle stammen, en Simeon daarentegen de geringste, en nochthans verzoekt Juda om Simeons vriendschap en wenst, dat hij hem wilde helpen. Hoe het zij, het hoofd kan niet zeggen tot de voet, ik heb u niet nodig, want wij zijn van één lichaam en dus onderling elkaars leden (Jud 1:
.
Wanneer Israël gelovig is, blijft het ook eensgezind. Juda en Simeon trokken in geloof tezamen, als één stam, één hart en één ziel tot dezelfde strijd. Zo eensgezind zijn kinderen, wanneer zij in geloof van het graf van hen vader komen. Gods kinderen zijn goede broeders en zusters, zij twisten niet met elkaar om de erfenis, zij genieten die in liefde. Zoals de Christenen in het algemeen, zo moeten inhet bijzonder ook broeders en zusters goede buren zijn en in vrede en eensgezindheid naast elkaar wonen. Simeon wordt hier broeder of broederstam van Juda genoemd, niet zozeer, omdat oorspronkelijk Juda en Simeon uit één moeder waren geboren, maar met name omdat Simeons gebied in dat van de stam van Juda lag.
In de grondtekst komt zo duidelijk uit door de verschillende woorden, die voor “optrekken” worden gebruikt, dat het Juda te doen is om alleen zijn verkregen erfenis te bemachtigen, zoals hij dan ook belooft, Simeon de behulpzame hand te bieden, om diens verkregen grondbezit te veroveren uit de handen van de Kanaänieten.
En Juda trok in vereniging met Simeon op, over de noordelijke grenzen van zijn gebied, in de Jordaanvlakte beneden Beth-Sean, waar een leger van vijanden onder de koning van Bezek (1 Samuel .11: 8) zich verzameld had, en de HEERE gaf de Kanaänieten en de Ferezieten (Genesis13: 7 “(De 1: 8) in hun hand; Hij bracht ze in de macht van Juda en Simeon, en zij sloegen hen op het open veld bij Bezek 1) (= bliksemstraal), tienduizend man. 2)
Volgens het Onomastikon (Jos 10: 29) waren er, ten tijde van Eusebius en Hiëronymus, twee dichtbij elkaar gelegen plaatsen met de naam Bezek tussen Sichem en Beth-Sean; volgens 1 Samuel .11: 8 moet echter deze plaats nog enigszins meer oostelijk, niet ver van de rechteroever van de Jordaan, en wel in ongeveer gelijke richting met Jabes, in het oostelijke Jordaanland, gelegen hebben.
Het gelovige, gehoorzame, eensgezinde Israël kan overwinnen.
Dat allen, die de Heer liefhebben, het opmerken!. In deze woorden is de geschiedenis van de gehele strijd kort samengevat, terwijl dan in vs.5-7 nog de gevangenneming en het straffen van de vijandelijke koning Adoni-Bezek als de gewichtigste gebeurtenis verhaald wordt. De vijanden zijn aangeduid onder de naam van Kanaänieten en Ferezieten, die twee volkeren, die reeds vroeger (Genesis13: 7 en 34: 30) de gezamenlijke bevolking van Kanaän vertegenwoordigen, en weliswaar zo, dat onder de Kanaänieten hoofdzakelijk die in de vlakte aan de Jordaan en aan de Middellandse zee (Num.13: 29 Joz.11: 3) en onder de Ferezieten de op het gebergte wonende volksstammen (Joz.15: 9) worden begrepen.
Toen zei Adóni-Bezek, indachtig aan zijn vroegere wreedheden: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten waren eertijds onder mijn tafel, alsof zij honden waren (Matth.15: 27),de kruimen oplezende 1) en ik achtte mij de machtigste en onverwinnelijkste heer in het gehele land, die niemand zou kunnen weerstaan; zoals ik gedaan heb aan hen, die ik overwonnen had, zo heeft mij God, in wiens hand ik gevallen ben, en die aan mijn hoogmoed een einde gemaakt heeft (Jer.13: 11 (Dan.4: 34), vergolden! 2) En zij brachten hem, op hun verderekrijgstocht te Jeruzalem en hij stierf daar, aan de gevolgen van de geleden pijn.
Dit was zonder twijfel vóór de aankomst van de kinderen van Israël in Kanaän voorgevallen. Deze overwonnen in het geheel 31 koningen (Joz.12: 24 ; in die streek, waar Adoni-Bezek regeerde kwamen zij wel, maar nu was de macht van dat volk gebroken en tot een klein gebied beperkt.
Men hieuw de duimen van de handen en de voeten af, opdat de hand niet meer de boog zou kunnen voeren en de voet onzeker in tred zou zijn. Toen in het jaar 456 de inwoners van Aegina overwonnen waren, gaven de Atheners hun overwinnaars bevel hun de rechterduimen af te houwen, zodat zij wel de riemen maar niet de speer konden voeren (Aelian. Var. hist. 2,9). Mohammed beval (soera 8: 12) de vijanden van de Islam te straffen met het afhouwen van het hoofd en de einden van de vingers. Curtius verhaalt, dat de Perzen Griekse gevangenen aan handen, voeten en oren verminkt, tot een lang spel bewaarden (de reb. Alex. 5,5,6). Posidorus verhaalt (bij Athenaëus lib. 4 p. 152, d.), dat de koning van de Parthers bij de maaltijd zijn hoveling spijs toewierp; deze ving ze als een hond op, en werd als een hond bloedig geslagen. Wreed is de geschiedenis van de wreedheid.
In het menselijk leven worden de dingen dikwijls wonderbaar omgekeerd, en wel niet door het toeval, maar door Gods bijzondere leiding (Genesis37: 19vv. vergel. Genesis43: 3). “Wanneer,” zo zegt Homerus (II.4: 160) “de Olympiër niet dadelijk straft, doet hij het toch later. Bij de oude volken was veelvuldig de ethische grondstelling bekend, dat men dezelfde pijn moest lijden, die men anderen aandeed. De latere Grieken noemden dit Neoptolemische Tisis, omdat Neoptolemus eveneens geleden heeft als hij gezondigd heeft (Pausanias 4: 17,3). Hij had aan het altaar vermoord, ook hij viel bij een altaar. Phalaris had mensen in een stierenbeeld verbrand; men deed hem dezelfde straf aan (vgl. gesta Romanorum cap.48). Wat Dionysius aan de vrouwen van zijn volk gedaan had, moesten zijn dochters lijden Vergelijk 2 Samuel .12: 11. De Heidenen hebben wel kunnen erkennen, dat er een levende God is, die kwaad met kwaad vergeldt; daarom is geen mens te verontschuldigen (Rom.1: 19vv.; 2: 14vv.).
Zie hoe veranderlijk en onbestendig deze wereld is en hoe onbestendig haar hoge plaatsen zijn. Laat de hoogste niet trots, noch de matigste zeker zijn; zij weten niet hoe laag zij zullen zinken vóór hun dood.
Het getal 70 is een rond getal. Zoals boven reeds is opgemerkt, had Jozua in het geheel niet meer dan 31 koningen overwonnen. Adoni-Bezek noemt nu het getal 70 èn uit snoeverij èn om daarmee te kennen te geven, tot wat een vernederende behandeling hij vele koningen had veroordeeld.
Want de kinderen van Juda hadden, na de overwinning van de Kanaänieten en Ferezieten bij Bezek, zich weer naar hun gebied gewend, en tegen Jeruzalem gestreden, dat aan de noordelijke grenzen lag, door Jozua aan Benjamin was gegeven, maar door hem nog niet aan de Jebusieten ontnomen was (Joz.15: 63; 18: 11vv.), en zij hadden haar ingenomen, en de inwoners met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. 1)
De koning van Jeruzalem (Joz.10: 3,18-29) was reeds gedood, maar de stad nog niet ingenomen. Dit gebeurt nu, terwijl zij tevens geheel in brand wordt gestoken. Omdat echter Juda en Simeon verder optrekken, om ook andere streken te veroveren, wordt Jeruzalem weer door de Jebusieten opgebouwd, die daarin blijven en zich vooral in de burg versterken, totdat deze door David wordt veroverd (2 Samuel .5: 6). De mening, dat door Juda wel de stad maar niet de burg werd ingenomen, wordt door geen enkel bewijs gestaafd. Er staat hier duidelijk, dat de stad waaronder ook de burg, als die toen reeds bestond, in brand werd gestoken.
Kruisverwijzingen1 Samuël 18:23→1 Samuël 17:25→Jozua 15:16→— En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.
En Kaleb zei, zoals reeds Joz.15: 13vv. voorlopig bericht is, maar hier nogmaals, overeenkomstig de geschiedkundige samenhang, moet verteld worden: Wie Kirjath-Sefer zal slaan en haar innemen, die zal ik ook als prijs van de overwinning, mijn dochter Achsa (= versiersel om de enkel), tot vrouw geven. 1) Tot overwinning vandie stad was een bijzondere aanmoediging tot dapperheid nodig, daar zij zeer steil gelegen en bijzonder moeilijk te overwinnen was.
Kalebs persoonlijke ijver wordt des te meer hier vermeld, omdat het de algemene zaak, de eer van zijn stam gold. Bij de verovering van Hebron heet het: “en zij sloegen”, bij de strijd om Debir “Kaleb zei”. Hij zet het liefste, dat hij heeft, als prijs voor hem, die de sterke bergvesting en de zetel van de afgodendienst bestormt. Het is zijn enige dochter (1 Kronieken 2: 49) Achsa, hem op latere leeftijd geboren. Iets beters kan hij niet geven; meer kan hij zijn ijver voor Israëls zaak niet bewijzen. Door verdienste de dochter des huizes te verkrijgen was een schone zaak, die te allen tijde voor jonge mannen begeerlijk was. Zo verkreeg David de hem liefhebbende Michal. De verovering van Debir is daarom bijzonder vermeld tot verheerlijking van Kaleb en van zijn liefde voor Israël.
KruisverwijzingenRichteren 3:9→— Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.
Toen nam Othniël (= leeuw van God) haar in, de zoon van Kenaz 1) (= jagende) broeder van Kaleb, die jonger was dan hij, en Kaleb gaf hem, overeenkomstig zijn belofte, Achsa, zijn dochter, tot vrouw.
(Jos 15: 17) Volgens een andere verklaring, “de Keniziet”; dan wordt Othniël “broeder van Kaleb” genoemd. Ook het huwelijk van een oom met zijn nicht was door de wet niet verboden.
Kruisverwijzingen1 Petrus 3:9→Hebreeën 6:7→1 Samuël 25:27→2 Korinthe 9:5→1 Samuël 25:18→Genesis 33:11→— En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.
En zij zei tot hem: Geef mij een zegen, geef bij hetgeen gij mij en mijn echtgenoot toegedeeld hebt, nog een bijzondere gave, die ik nodig heb, zal mijn huwelijk mij waarlijk tot een weldaad zijn, omdat gij mij een dor land gegeven hebt, een land, dat wegens gebrek aan water weinig vruchten belooft; geef mij ook waterwellingen, 1) land waar bronnen zijn. Toen gaf haar Kaleb hoge wellingen en lage wellingen, hoger en lager land, beide voldoende van waterbronnen voorzien.
Aan Kaleb was het vruchtbare Hebron met het veld en de dorpen daar rondom gegeven (Joh.21: 11vv.). Othniël was arm. Achsa, aan rijkdom gewoon, is Othniëls vrouw geworden. Hoe zal zij bij het geringe gelukkig zijn? Tevergeefs wordt Othniël door haar aangespoord, dat hij om een rijk veld vraagt; het is de edele held onwaardig zo’n verzoek te doen. Achsa neemt het goede uur waar en verzwijgt niet wat zij wenst. Terecht zegt de Joodse uitlegging van deze mijn, die zich niet liet verleiden door een naar goederen begerige vrouw: “Othniël was arm aan alles, behalve aan de wet”, d.i. aan een vrome gezindheid.
KruisverwijzingenNumeri 10:29→Numeri 21:1→Richteren 4:11→Deuteronomium 34:3→1 Samuël 15:6→Richteren 3:13→Richteren 4:17→Exodus 18:27→— De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.
De kinderen van de Keniet, 1) van de van het volk van de Kenieten afstammende Hobab (4: 11), de schoonvader, liever “de zwager” van Mozes, trokken ook uit de Palmstad (= Jericho; (Deuteronomium 34: 3 “(Jos 6: 1) op, 2) met de kinderen van Juda, die van Debir (vs.11vv.) nu verder naar het zuiden wilden trekken en vergezellen hen naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad (= wilde ezel) is, in dat deel van de woestijn van Juda, (Nu 13: 25) dat ten zuiden van de stad Harad (Num.21: 1) in de steppen van Negebuitloopt: en zij gingen heen en woonden met het volk; zij vestigden zich daar in de oorspronkelijke woonplaatsen van hun stam (De 2: 23), midden onder de kinderen van Juda neer; deze stonden hun dit toe, ter vervulling van de door Mozes aan Hobab gegeven belofte.
Het volk van de Kenieten, alzo naar Kaïn genoemd (Num.24: 22), was niet van Kanaänitische, maar van oud-Semitische afkomst (Deuteronomium 2: 23) en oorspronkelijk in deze streken uitheems, waarin nu de tot hen behorende nakomelingen van Hobab trokken; maar door de in verschillende menigten in Palestina intrekkende Kanaänieten (Ge 14: 18) uit deze woonplaatsen verdreven, had een tak van hen zich met de Midianieten, die aan het zuideinde van het schiereiland van Sinaï zich vestigden (Ex 2: 15), terwijl andere takken eveneens verdwenen, als de in Joz.13: 2vv. genoemde Gesurieten en Avvieten. Hoe verder weer een geslacht van de hier vermelde Hobabieten de woonplaatsen in Negeb verlatende, zich hoog in het noorden van Palestina bij het eikenbos te Zanannim in de landstreek van Kedes (Joz.19: 33) gevestigd heeft, zie daarover 4: 11 ; over de bescherming en de vriendschap, waarin zich de Kenieten van de zijde van Israël te verheugen hadden, zie 1 Samuel .15: 6; 27: 10; 30: 29.
De Kenieten waren gebleven bij Jericho en hadden geen aandeel genomen in de verovering van het land. Op het verzoek van Mozes (Num.10: 29) waren zij mee opgetrokken door de woestijn, maar zij hadden zich niet vereenzelvigd met het volk. Nu echter vestigen zij zich tegen het zuiden van Harad en bleven daar, zonder dat de nakomelingen van Juda zich ertegen verzetten, omwille van Mozes.
KruisverwijzingenNumeri 21:3→Richteren 1:3→Jozua 19:4→2 Kronieken 14:10→Numeri 14:45→— Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.
Juda dan, nadat hij aan de kinderen van de Keniet de zo-even vermelde woonplaatsen had overgegeven, trok met zijn broeder Simeon 1) in diens gebied (Joz.19: 4) om overeenkomstig de gemaakte afspraak (vs.3) ook deze te helpen in het verdrijven van de Kanaänieten en zij, met elkaar verenigd, sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat (= wachttoren), 2 1/2 uur zuidwestelijk van Chesil (Nu 13: 1), en zij verbanden hen, 2) alzo volbrengende de door Israël (Num.21: 1-3) gedane gelofte, die Jozua bij zijn tocht in het zuidelijke Kanaän nog niet had kunnen volbrengen (Joz.12: 14), en mennoemde de naam van deze stad Horma (= verbanning).
Was Simeon met Juda opgetrokken om deze te helpen, op zijn beurt trekt Juda met Simeon op om ook deze te ondersteunen in diens strijd tegen de Kanaänieten.
De uitoefening van de ban over deze stad was volgens het woord van Mozes, die de ban over alle steden van Harad had uitgesproken, omdat deze koning tegen Israël had gestreden, toen het kwam door de weg van de verspieders (Num.13: 1vv.).
KruisverwijzingenJozua 11:22→Richteren 3:3→Richteren 16:21→Exodus 23:31→1 Samuël 6:17→Jozua 15:45→Richteren 16:1→Jozua 13:3→— Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.
Daartoe nam Juda, noordwaarts trekkende, drie van de vijf steden van de Filistijnen (Joz.13: 3). Eerst nam hij Gaza (= vesting) in met haar gebied, de tot haar behorende landschappen, en daarna Askelon (= landverhuizing) met haar gebied, en vervolgens Ekron (= verheuging) met haar gebied; 1) zodat Asdod, tussen Askelon en Ekron, en Gath, ten oosten van Ekron, nog in het bezit van de Filistijnen bleven.
Van het zuiden uit had de verovering plaats, Asdod en Gath zijn niet ingenomen. Echter niet lang bleven deze steden in het bezit van Simeon, omdat wij weten, dat zij in de dagen van Simson weer in het bezit van de Filistijnen waren.
Maar ook de drie veroverde steden kon Juda niet lang verdedigen; in de tijd van Simson waren zij allen weer in het bezit van hun vroegere meesters (14: 19; 16: 1vv.; 1Sam.5: 10
KruisverwijzingenRichteren 1:2→Richteren 1:27→Exodus 14:7→Jozua 17:16→Jozua 1:9→Genesis 39:2→Jesaja 41:14→Psalmen 46:11→— En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
En de HEERE was met Juda, dat hij op deze krijgstochten, evenals eerst de inwoners van het gebergte (vs.10-15), zo ook nu die van het zuidelijk land (vs.16vv.) en de kustvlakte (vs.18) verdreef; toch voldeed hij niet geheel aan zijn plicht, daar het ook hem bij alle moed en alle trouw, toch aan dat volledig vertrouwen op de bijstand van de Heere en aan de nodige volharding ontbrak. Juda deed veel, maar hij ging niet voort, om de inwoners van het dal te verdrijven; de bewoners van de vlakte Sefela, die hij zich voorgenomen had uit te roeien (vs.
, viel hij niet aan, omdat zij ijzeren wagens hadden 1) (Joz.17: 16), en hij voor zo’n krijgsmacht vreesde.
Wordt in het begin van dit vers gezegd, dat de Heere met Juda was, en aan het slot, dat Juda de inwoners van het dal niet kon verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden, dan mag men daaruit niet besluiten, dat dit niet veroveren van het dal was overeenkomstig de wil van de Heere. Integendeel wil de schrijver hiermee zeggen, dat in zoverre Juda de strijd des Heeren streed, hij ook zeker ervaarde, de nabijheid en de sterkte van God, maar tegelijk dat, wanneer hij de inwoners van het dal niet durfde aantasten, omdat zij sterk gewapend in de oorlog kwamen, dit voortkwam uit ongeloof van Juda’s zijde. Juda zag meer op de macht van de vijanden, dan op de Almacht van God. Ter beschaming van die stam wordt dit laatste erbij vermeld.
KruisverwijzingenJozua 15:63→Jozua 18:11→Richteren 19:10→2 Samuël 5:6→Richteren 1:8→— Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.
Maar de kinderen van Benjamin, 1) aan wie men eveneens, volgens de door het lot bepaalde goddelijke beslissing (Joz.18: 16), de (vs.8) gewonnen stad Jeruzalem overgaf, hebben de Jebusieten, nog te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten, die spoedig weer de stad hadden herbouwd, woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag; 2) zij drongen hen zelfs weer zo ver terug, dat zij spoedig (19: 11vv.) voor hen “een vreemde stad” was.
Hierover wordt de opmerking gemaakt, dat de Benjaminieten niet de Jebusieten, die Jeruzalem bewoonden, verdreven, die hier daarom zo passend is, als zij aan de ene zijde toont, dat de kinderen van Juda, door deze overwinning, Jeruzalem niet in het onbestreden bezit van de Israëlieten brachten, en aan de andere zijde, dat zij door deze verovering niet bedoeld hebben, het erfdeel van Benjamin te verkleinen en daarom de stad niet voor zich hebben veroverd.
Tot deze tijd, dat is de eerste 13 jaar na Jozua’s dood behoort ook de geschiedenis van de bijna volledige uitroeing van de stam Benjamin door de overige stammen, ten gevolge van een door de burgers te Gibea bedreven schanddaad, die ons in het 2de aanhangsel van dit boek (19-21) verteld wordt. Hetzelfde dat hun vaders veertig jaar uit Kanaän gehouden had, hield hen uit de volle bezitting daarvan, dat was het ongeloof.
II. Vs. 22-36.KruisverwijzingenGenesis 28:19→Jozua 16:10→Jozua 17:11→1 Koningen 9:16→Jozua 19:24→Richteren 1:19→Genesis 48:3→Genesis 35:6→ — En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen. En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz. En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen. En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan. Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag. En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land. En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk. Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer. Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar. Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob; Terwijl de met Simeon verbonden stam van Juda, zoals in het voorgaande gedeelte is meegedeeld, deels de wil van de Heere nauwkeurig probeert te volbrengen, maar aan de andere zijde gebrek aan volkomen geloofs- en wilskracht aan de dag legt, is van de overige stammen alleen het huis van Jozef geneigd, iets tot verdere uitroeiing van de Kanaänieten aan de grenzen van zijn erfdeel te doen; de andere vergenoegen zich hen tot schatplichtigen te maken, zelfs laat Dan zich bijna geheel door hen uit zijn gebied verdrijven. Daardoor is men overgegaan uit de goede tijd onder Jozua in de treurige toestand, waaronder Israël in de tijd van de richters zucht.
KruisverwijzingenRichteren 1:19→Openbaring 7:8→2 Koningen 18:7→Jozua 14:4→Genesis 49:24→Jozua 16:1→Numeri 1:32→Numeri 1:10→— En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.
En het huis van Jozef, Efraïm en West-Manasse (Joz.16: 1-4), trok ook op, evenals Juda met Simeon opgetrokken was, tot verdelging van de in het land overgebleven Kanaänieten. Zij gingen naar Bethel, dat ten zuiden van hun gebied gelegen was. Dit behoorde wel aan de stam van Benjamin (Joz.18: 22), maar moest toch eerst van de nog voorhanden overblijfsels van de Kanaänitische bevolking gezuiverd worden. En de HEERE was met hen. 1)
Dit wil zeggen, dat de Heere het goedkeurde, dat zij zich opmaakten, om ten strijde te trekken tegen de Kanaänieten, om de oorlogen van de Heere te voeren. Omdat echter de Efraïmieten zich tot list begeven en hun vertrouwen stellen op menselijke uitvindingen, keert de Heere zich van hen af, zodat het alleen blijft bij de verovering van Bethel. Wat nu verder in dit hoofdstuk vermeld wordt, doet ons zien, hoe al de andere stammen het vertrouwen op de Heere hebben laten varen, en hoe het hun daarom tot zonde wordt aangerekend, dat zij de Kanaänieten niet verdrijven. De vermelding toch van elke stam afzonderlijk, dat zij de Kanaänieten slechts schatplichtig maakten, moest dienen, om Israël te bepalen bij zijn grote schuld tegen de Heere, hun Helper en Verlosser.
KruisverwijzingenJozua 6:22→— En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.
En toen hij hun, om zijn familie te redden, ook werkelijk de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij met de door hen geroepen krijgslieden de stad met de scherpte van het zwaard, maar die man en zijn gehele gezinlieten zij volgens de gegeven belofte gaan, 1) waarheen hij zelf wilde.
Konden wij Rachab, in hetgeen zij de verspieders van Jozua omtrent haar volksgenoten meedeelde, van het verraad volkomen vrijspreken (Jos 9: 1), wij kunnen dit niet doen bij dezen man. Wat Stärke in zijn voordeel aanvoert, laat zich van meer dan een zijde wederleggen. Deze zegt: “had hij dit uit winzucht, eergierigheid, wraakgierigheid of iets dergelijks gedaan, zo zou men hem van verraad niet kunnen vrijspreken; daar hij zonder twijfel gezien heeft, dat de stad het tegen een zo machtig volk niet kon uithouden, en er geen hoop meer op ontzet was, en ook wel het raadsbesluit van God omtrent de verdelging van de Kanaänieten en de inneming van het land vernomen heeft, zoals vroeger Rachab, en reeds zulke duidelijke bewijzen van deze goddelijke wil gehoord en gezien heeft, zo heeft hij geen onrecht gedaan, dat hij op deze wijze het verlies, dat de Israëlieten bij een storm en verovering met geweld hadden kunnen lijden, afgewend en zich en de zijnen gered heeft. De gehoorzaamheid aan God kan een eed, waardoor men tegenover mensen verbonden is, opheffen.” Veeleer geeft de Schrift daardoor, dat deze man niet onder het volk van God opgenomen werd, zoals vroeger Rachab, maar onder de Kanaänitische Hethieten trekt (vs.26), voldoende te kennen, dat zijn daad geheel anders te beoordelen is, dan die van die vrouw. Niet alleen was hij niet inwendig van zijn volksgenoten gescheiden, om ook uitwendig zijn zaak van de hun te scheiden, maar wat van nog meer betekenis is, hij verried aan de vijand ook werkelijk de toegang tot zijn vaderstad, terwijl daarentegen Rachab niets geopenbaard heeft dan haar geloof. Van de kinderen van Jozef moeten wij zeggen, dat het van hun zijde even zo min juist was, de man tot verraad te verleiden, als het van hem recht was, het te begaan; hun gedrag, dat uit gebrek aan geloof aan de bijstand van de Heere voortkomt, en alleen zijn grond heeft in menselijk overleg, wordt daardoor gestraft, dat het met deze ene onderneming eindigt, en noch Manasse (vs.28vv.) noch Efraïm (vs.29) iets meer kunnen volbrengen.
Bij het eindigen van de volle gehoorzaamheid eindigt ook de volledige overwinning; Benjamin verdrijft de vijandige Jebusieten niet uit Jeruzalem, omdat hij de eerste liefde heeft verloren. Daarentegen kan de stam van Jozef Bethel veroveren, omdat God met hem is. Benjamin, de dappere stam, is alleen de schuld wanneer zij niet overwonnen, want als Bethel de zonen van Jozef tegenstond, kwam hen een gelukkig toeval te hulp. Benjamin heeft Jeruzalem niet veroverd, daarom woonde ook de koning uit Benjamin (Saul) daarbuiten, maar die uit Juda (David) daarbinnen. Maar het helpt ook niet met geloof te veroveren, wanneer het niet in het geloof bewaard wordt; want Bethel werd later een Bethaven, een huis van de zonde. In waarheid, noch de houding van Israël, noch die van deze man is te verdedigen. Van Israël niet, omdat het daarbij openbaarde, een wantrouwen van de Heere; van die man niet, omdat hij het enkel en alleen deed om lijfsbehoud.
Men mag niet een vergelijking maken tussen hem en Rachab, die ten zijnen gunste uitvalt. Rachab heeft haar vaderstad niet verraden, heeft de verspieders enkel veilig over de muren gebracht, omdat zij geloofde, dat de Heere met hen was en Jericho in de handen van Zijn volk zou geven. Van geloof in de God van Israël lezen wij bij deze man niet, wel integendeel van een verwerpen van het volk en daarom ook van diens God.
Kruisverwijzingen2 Kronieken 1:17→2 Koningen 7:6→— Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.
Toen trok deze man in het land van de Hethieten; 1) en hij bouwde een stad, en noemde haar, naar de naam van zijn vaderstad, Luz; dit is haar naam tot op deze dag, tot op de dag dat dit geschreven werd.
Daar de Hethieten een zich ver uitstrekkend volk in Kanaän uitmaakten (zij woonden deels in de landstreek van Hebron (Genesis23), deels op het gebergte (Num.13: 29), deels boven in het noordoosten aan de grenzen van Syrië (1 Koningen .10: 29), kunnen wij niet nader bepalen, waarheen de man getrokken is, omdat van dit Luz nergens iets meer voorkomt. Hiëronymus en Eusebius in het Onomastikon, (Jos 10: 29) verstaan onder de Hethieten het eiland Cyprus de joodse schrijvers daarentegen berichten van een stad Luz, die op een eiland van de Middellandse Zee aan de kusten van Fenicië gelegen heeft, veel purperververijen had en noch door de Assyriër Sanherib, noch door de Babyloniër Nebukadnezar verwoest kon worden.
Jozefus maakt melding van een stad, Lousea geheten, niet ver van Judea, gelegen is Arabië. (Antiq. Libr. XIV). Duidelijk blijkt hieruit, dat de Israëlieten deze man niet alleen het leven en de vrijheid hebben geschonken, maar ook al zijn goederen hebben laten behouden, zodat hij een stad kon bouwen.
KruisverwijzingenJozua 17:11→Jeremia 48:10→Psalmen 106:34→1 Samuël 15:9→Richteren 5:19→Exodus 23:32→Richteren 1:1→Deuteronomium 7:2→— En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.
En Manasse verdreef de inwoners van Beth-Sean (= huis van rust) niet, noch van haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Thaänach (= zwervende) met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor (= woning) met haaronderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam (= het volkverslindende) met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo (= plaats van menigte) met haar onderhorige plaatsen, 1) welke steden alle, behalve Endor, tot zijn stamgebied waren gesteld (Joz.17: 11); en de onder Jozua teruggedrongen Kanaänieten van die landstreken wilden wonen in hetzelfde land en begonnen zich naar eigen lust weer uit te breiden.
De Kanaänieten hadden er zeer groot belang bij, deze steden te behouden, omdat zij alle lagen in de vlakte van Jericho, aan de grote handelsweg van de kust van de Middellandse Zee naar Damascus. Het is daarom, dat er geschreven staat, dat zij er wilden wonen.
— En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.
En het geschiedde als Israël, en in het bijzonder de tot het volk van God behorende stam West-Manasse, sterk werd, dat hij zich de goddelijke roeping herinnerde, en de Kanaänieten schatplichtig maakte, hen dwong schattingen op te brengen; maar hij verdreef hen niet geheel,
zoals hij toch naar Gods bevel had moeten doen.
Duidelijk blijkt hieruit de onwil van Israël om de Kanaänieten te verdrijven. Zij hadden er wel de macht toe. Een volk toch, dat men schatplichtig maakt, kan men ook geheel verdrijven. Had Israël de macht, om schattingen van de Kanaänieten te vorderen, dan was het ook machtig, om die steden geheel in te nemen. Zij vonden het echter voordeliger, om van hen schatiingen te trekken, maar vergaten daarbij, dat zij God tegen zich kregen.
KruisverwijzingenJozua 19:15→— Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.
Zebulon, wiens erfdeel in Joz.19: 10-16 beschreven is, verdreef de inwoners van Kitron (= verward) niet, noch de inwoners van Nahalol (= weide) beide onbekende plaatsen (Joz.19:
; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem, en waren schatplichtig. 1)
Dat hier de in Joz.19: 17-23 tussen Zebulon en Aser genoemde stam Issaschar wordt voorbijgegaan, heeft daarin zijn reden, dat in diens gebied geen Kanaänieten meer voorhanden zijn.
KruisverwijzingenJozua 19:24→— Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
Aser in zijn stam gebied (Joz.19: 24-31), verdreef de inwoners van Acco 1) (= warm zand) niet, noch de inwoners van Zidon (= overvloed van vis) (Joz.11: 8), noch Achlab (= vetheid), dat hier genoemd wordt, noch Achsib (= leugenaar) (Joz.19: 21), noch Chelba (= vruchtbaarheid), eveneens een onbekende stad, noch Afik (= sterkte) (Joz.13: 4; 19: 20), noch Rechob (= open ruimte) (Jozua 19: 28,30).
Het tegenwoordige Accra, ten tijde van de kruistochten een zeer bloeiende zee- en handelsstad, maar later vervallen.
KruisverwijzingenPsalmen 106:34→— Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.
Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanaänieten, 1) die na de verstrooiing door Jozua zich weer hadden uitgebreid, en in het land woonden, want zij verdreven hen niet.
De Aserieten hadden zich reeds misgrepen, dat zij zelfs een verbond met de Kanaänieten hadden gemaakt. Geen enkele stap hadden zij gedaan, om hun land te zuiveren van de afgodische volken. Wat meer zegt, zij wilden wel in vrede met hen leven, indien de Kanaänieten ook hen maar met rust lieten. Van de 22 steden bleven 7 in het bezit van de Kanaänieten en daaronder de sterke steden Acco en Zidon.
KruisverwijzingenJozua 19:47→Richteren 18:1→— En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.
En nog minder wist de stam Dan het hem toegevallen gebied (Joz.19: 40-48) te bewaren; want de Amorieten die deze streek bezet hadden en door Jozua slechts gedeeltelijk verdelgd waren, drongen de kinderen van Dan in het gebergte van Efraïm, dat aan de oostzijde van hun erfdeel ligt want zij lieten hun niet toe af te dalen in het dal, 1)in de aan de voet van het gebergte zich naar de Middellandse Zee uitbreidende vlakte, om zich daar te vestigen, waar het hoofdgedeelte van hun gebied lag.
Maakte Nafthali de Kanaänieten nog schatplichtig, Dan werd naar het gebergte gedrongen. Bedenken wij nu, dat Dans erfdeel in de vlakte lag (Joz.19: 38), dan blijkt het, dat deze stam nauwelijks iets van zijn erfdeel heeft verkregen. Vandaar, bij uitzetting van de bevolking. een verhuizen naar het noordelijk gedeelte van Palestina.
KruisverwijzingenJozua 19:42→Richteren 12:12→1 Koningen 4:9→Jozua 10:12→— Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.
Ook wilden de Amorieten wonen en zij verstoutten zich om zich te vestigen op het gebergte van Heres, te Har-Heres (= zonnenberg of Irsemes = zonnenstad) ook Beth-Semes (= zonnenhuis) genoemd (Joz.15: 10; 19: 41), te Ajalon (= een groot hert) (Joz.19: 12; 19: 42) en te Saalbim (= plaats van vossen) (Joz.19: 42); maar de hand van het huis van Jozef, de ten noorden van Dan wonende stammen van Efraïm en West-Manasse werd zwaar, zodat zij terwijl de Danieten voor hen terugtrokken en een gedeelte van hen in het noorden van Palestina zich een nieuwe woonplaats stichtte, 1) hun schatplichtig werden. 2)
De nadere omstandigheden van dat heengaan van 500 strijdbare mannen met hun families en kudden naar Laïs of Dan, ten noorden van het meer Merom, wordt ons in het eerste aanhangsel van dit boek verteld (17 en 18); de geschiedenis is naar de tijdorde hier op zijn plaats, voegt echter weinig bij de gang van de gedachten, die de beide eerste hoofdstukken volgen, waarom zij met recht aan het einde als nastuk gevoegd is. Datzelfde geldt voor de geschiedkundige inhoud van 19-20, waaraan wij reeds gedacht hebben (Jud 1: 21).
Wat Dan niet kon, dat hebben Efraïm en West-Manasse gedaan, n.l. de Amorieten schatplichtig gemaakt.
KruisverwijzingenNumeri 34:4→Jozua 15:2→— En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
En dat het zo ver met Dan kwam, dat deze stam zijn erfdeel bijna in het geheel niet kon machtig worden, had een natuurlijke oorzaak in de grote macht van deKanaänitische volken, die juist tegenover hem stonden en de uitgebreidste in het gehele land waren, en daarom slechts bij bijzondere geloofstrouw, waaraan het echter juist ontbrak, door die in zichzelf slechts zwakke stam overwonnen had kunnen worden; want de grenzen van deAmorieten, waarmee Dan te doen had, was ten tijde, dat Israël bezit van het beloofde land nam, van de opgang van Akrabbim (= schorpioenen), dat is de scherp vooruitstekende rij van klippen beneden aan de Dode Zee, die wij reeds in (Num.34: 4 en (Joz.15: 3) als zuidelijke grens van Palestina leerden kennen en danenigszins meer westelijk van de rotssteen, 1) en van deze beide punten in het zuiden, aan de zogenaamde Amorietenberg strekte zich nu hun gebied, opwaarts heen, ver naar het noorden, diep in het land Kanaän (Jos 13: 4).
In het Hebreeuws Mehasela. De meeste uitleggers verstaan hieronder de stad Peta, waarvan de ruïnen in de Wady-Musa nog behouden zijn.
Met Keil zijn echter ook wij van mening, dat hier gedacht moet worden aan de rotssteen in de woestijn Sin, waarvan sprake is in Num.20: 8,10. Deze rotssteen toch lag aan de zuidzijde van Kanaän en aan die zuidzijde strekte zich ook het gebergte van de Amorieten uit (Num.14: 25,44 en Deuteronomium 1: 44).
Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.
Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!
Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]
Over de Auteur
C.H. Spurgeon
1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.
Richteren 1
Richteren 1:19.KruisverwijzingenRichteren 1:2→Richteren 1:27→Exodus 14:7→Jozua 17:16→Jozua 1:9→Genesis 39:2→Jesaja 41:14→Psalmen 46:11→
— En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.
De macht van de Kanaänieten was in de dagen van Jozua gebroken. Maar nu hij dood was, begonnen de oude geslachten zich weer op te bouwen — zoals wij vaak bevinden dat onze zonden, die wij voor geheel dood hielden, plotseling nieuwe moed vatten en pogen hun rijk opnieuw op te richten.
De stam Juda werd aangewezen om voor te gaan, en wij zien drie dingen in de wijze waarop zij de onderneming aanpakten. Ten eerste werd de macht des Heeren vertrouwd en groot gemaakt, want “de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef”. Ten tweede werd door deze koninklijke stam de macht des Heeren niet vertrouwd en daarom ook ingehouden.
En toch werd hun, als om hen te bestraffen, een merkwaardige gebeurtenis voorgehouden tot handhaving van Gods macht. Kaleb, die grote oude man die nog altijd leefde — de enige overlevende van allen die uit Egypte gekomen waren — had Hebron tot zijn deel verkregen. Zo trok hij op in zijn ouderdom, toen zijn beenderen stijf en pijnlijk waren, en versloeg de drie zonen van Enak, drie machtige reuzen, en nam hun stad in bezit.
Maar Juda overwon de mannen van de ijzeren wagens niet, omdat God in die zaak niet met hen was. Zover als hun geloof reikte, hield God gelijke tred met hen, en zij konden alles doen. Maar toen zij moedeloos meenden dat zij de inwoners van de wijde valleien niet konden verdrijven, faalden zij volkomen. Zij waren bevreesd om de wagens. Zij zeiden: “Het heeft geen zin; wij kunnen deze verschrikkelijke tuigen niet tegemoet gaan.” Daarom baden zij niet en deden zij geen poging de vijand te ontmoeten.
Hadden zij aangaande de ijzeren wagens hetzelfde geloof betoond als aangaande de mannen van de bergen, dan zouden de ijzeren wagens niet beter geweest zijn dan wagens van stro; want de Heere “doet de oorlogen ophouden tot aan het einde der aarde, verbreekt de boog, en slaat de spies aan twee, en verbrandt de wagenen met vuur” (Ps. 46:10).
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
I. Vs. 1-21.KruisverwijzingenNumeri 27:21→Jozua 15:63→Richteren 1:17→Richteren 1:21→Richteren 20:18→Genesis 49:8→Psalmen 78:68→1 Samuël 11:8→
— En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen? En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven. Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem. En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man. En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten. Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af. Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar. Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte. En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.
Na de dood van Jozua besluiten de kinderen van Israël de strijd tegen de Kanaänieten voort te zetten, en deze uit het hun tot erfgoed gegeven land geheel uit te roeien. Overeenkomstig de aanwijzing die hun op het ondervragen ten deel geworden is, opent de stam van Juda in gemeenschap met Simeon de strijd, slaat eerst de koning van Bezek, verovert hierna Jeruzalem, en reinigt alzo het eigen gebied van de nog aanwezige Kanaänieten; alleen kan de stam de bewoners van de vlakte niet overweldigen vanwege de ijzeren wagens, die zij hebben; evenmin kunnen de kinderen van Benjamin de hun toegedachte stad Jeruzalem in hun macht houden, maar worden door de Jebusieten daaruit verdreven. Zoals de stam van Juda ten opzichte van de verdere verovering van het land volgens de wil van God handelt, zo handelt het ook bij de gemaakte veroveringen Op wettige wijze, daar het niet alleen het door hem veroverde Jeruzalem aan de stam, waaraan het door Jozua toegewezen is, overlaat, maar ook Kaleb in zijn erfenis plaatst, en aan de nakomelingen van Hobab de hem door zijn zwager Mozes gegeven toezegging vervult.
En het geschiedde na de dood ven Jozua, in het jaar 1435 vóór Chr., dat de kinderen van Israël de HEERE vroegen,
zeggende: a) Wie zal onder ons het eerste optrekken
naar de Kanaänieten, om tegen hen te strijden? 3) Welke van de twaalf stammen zal de verdelgingsoorlog tegen de nog overgebleven Kanaänieten openen?
Richteren 20: 18
De tijd, dat de Israëlieten dit deden, is niet met zekerheid aan te geven. Hoogstwaarschijnlijk echter nadat zij enige tijd in Kanaän hadden gewoond, en uitbreiding van de landstreek noodzakelijk was geworden door de vermeerdering van het volk.
Ongetwijfeld heeft dit vragen plaatsgevonden door de priester Pinehas, en wel door middel van de Urim en Tummim. Het was toch een volksbelang en de beslissing van die belangen werden aan de hogepriester voorgelegd, opdat deze, op de zo-even genoemde wijze, ze de Heere zou voorleggen.
In het Hebreeuws Jaalèh, optrekken. Duidelijk blijkt hieruit, dat men voornemens was, die Kanaänieten aan te pakken, die in de bergachtige streken van Juda’s stam woonden. Daarom wordt het woord optrekken gebruikt, omdat zij hoger lagen dan de Israëlieten, die tot de stam van Juda behoorden.
Israël is gelovig en gehoorzaam na de dood van Jozua. Evenals een kind na de dood van de vader, heeft het de beste voornemens. Het is ijverig, om snel en met kracht te doen, wat Jozua bevolen heeft. Zoals de wet gebiedt (Num.27: 21) vraagt het God door zijn priester. Zo is menigeen na het afleggen van zijn belijdenis, na de dood van vrome ouders, ijverig om vroom te zijn. Menigeen verlaat een opwekkende prediking met voornemens van boete. De eerste liefde is vol gloeiende ijver. Goed beginnen is nooit zonder zegen, maar het beste is voortdurend aan God gehoorzaam te zijn.
En de HEERE zei, door middel van de Urim en Tummim (Ex.28: 30 Deuteronomium 33:
: Juda zal optrekken, 1) en aan de overige stammen een goed voorbeeld geven, zoals deze stem reeds in de zegen van Jakob (Genesis49: 8vv.) als voorvechter van zijn broeders aangewezen is. Ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven, 2) zodat zijn strijd niet alleen hem gelukken zal, maar voor de anderen van grote invloed zal wezen.
Wanneer Israël gelovig en gehoorzaam is, gaat Juda altijd vooruit, in de woestijn aan de spits van het leger, na de tijd van de richteren, als David op de troon van Israël zit, zo ook in de tijd van de vervulling, als de leeuw van Juda de vijand, de dood, overwint. Wanneer wij tegen onze geestelijke Kanaänieten willen strijden, moet Christus Jezus, de Leeuw uit de stam van Juda (Openb.5: 5), de eerste aanval doen en de strijd leiden.
De stam van Juda was de talrijkste en machtigste van allen, en daarom moest Juda dit het eerst wagen. God eist dienst, naarmate van de sterkte, die Hij gegeven heeft. Van diegenen, die meest bekwaam zijn, wordt het meeste werk verwacht. Juda was eerst verzorgd, het lot voor Juda was allereerst opgekomen, en daarom moest Juda allereerst en ten behoeve van zijn broeders strijden.
De stam van Juda was degene, waaruit de Messias zou voortkomen, waarom Christus, de Leeuw uit de stam van Juda, als het ware zelf voor de andere stammen heentrok (Jud 1: 2).
Uit deze bijvoeging blijkt, dat de Heere bovendien nog door een hoorbare stem heeft geantwoord en aan de priester Pinehas zich op bijzondere wijze heeft geopenbaard. Voorts, dat de roeping van Juda gesterkt wordt door een belofte. Juda wordt geroepen, om de wil van de Heere te volbrengen, maar de Heere belooft hier, dat wanneer Juda Zijn wil volbrengt, hij zeker op een goede uitslag kan hopen. Wat meer zegt, de Heere verzekert hem, dat hij reeds vóór de strijd van de overwinning verzekerd kan zijn, omdat Hij zegt: “Ik heb het gegeven”, en niet: “Ik zal geven”.
Toen zei Juda tot zijn broeder Simeon, wiens toegewezen erfenis binnen de zijn lag (Joz.15: 1vv.; 19: 1-9): Trek met mij op in mijn lot, in de mij ten deel gevallen erfenis, en laat ons tegen deKanaänieten strijden, hen geheel daaruit verdrijven, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot, en u helpen, om het uw geheel in uw macht te brengen. Dit voorstel werd aangenomen en alzo trok Simeon met hem.1)
Merk hier op, dat de sterkste geenzins verachten, maar integendeel verlangen moeten de bijstand zelfs van degenen, die minder sterk zijn. Juda was de aanzienlijkste onder alle stammen, en Simeon daarentegen de geringste, en nochthans verzoekt Juda om Simeons vriendschap en wenst, dat hij hem wilde helpen. Hoe het zij, het hoofd kan niet zeggen tot de voet, ik heb u niet nodig, want wij zijn van één lichaam en dus onderling elkaars leden (Jud 1:
.
Wanneer Israël gelovig is, blijft het ook eensgezind. Juda en Simeon trokken in geloof tezamen, als één stam, één hart en één ziel tot dezelfde strijd. Zo eensgezind zijn kinderen, wanneer zij in geloof van het graf van hen vader komen. Gods kinderen zijn goede broeders en zusters, zij twisten niet met elkaar om de erfenis, zij genieten die in liefde. Zoals de Christenen in het algemeen, zo moeten inhet bijzonder ook broeders en zusters goede buren zijn en in vrede en eensgezindheid naast elkaar wonen. Simeon wordt hier broeder of broederstam van Juda genoemd, niet zozeer, omdat oorspronkelijk Juda en Simeon uit één moeder waren geboren, maar met name omdat Simeons gebied in dat van de stam van Juda lag.
In de grondtekst komt zo duidelijk uit door de verschillende woorden, die voor “optrekken” worden gebruikt, dat het Juda te doen is om alleen zijn verkregen erfenis te bemachtigen, zoals hij dan ook belooft, Simeon de behulpzame hand te bieden, om diens verkregen grondbezit te veroveren uit de handen van de Kanaänieten.
En Juda trok in vereniging met Simeon op, over de noordelijke grenzen van zijn gebied, in de Jordaanvlakte beneden Beth-Sean, waar een leger van vijanden onder de koning van Bezek (1 Samuel .11: 8) zich verzameld had, en de HEERE gaf de Kanaänieten en de Ferezieten (Genesis13: 7 “(De 1: 8) in hun hand; Hij bracht ze in de macht van Juda en Simeon, en zij sloegen hen op het open veld bij Bezek 1) (= bliksemstraal), tienduizend man. 2)
Volgens het Onomastikon (Jos 10: 29) waren er, ten tijde van Eusebius en Hiëronymus, twee dichtbij elkaar gelegen plaatsen met de naam Bezek tussen Sichem en Beth-Sean; volgens 1 Samuel .11: 8 moet echter deze plaats nog enigszins meer oostelijk, niet ver van de rechteroever van de Jordaan, en wel in ongeveer gelijke richting met Jabes, in het oostelijke Jordaanland, gelegen hebben.
Het gelovige, gehoorzame, eensgezinde Israël kan overwinnen.
Dat allen, die de Heer liefhebben, het opmerken!. In deze woorden is de geschiedenis van de gehele strijd kort samengevat, terwijl dan in vs.5-7 nog de gevangenneming en het straffen van de vijandelijke koning Adoni-Bezek als de gewichtigste gebeurtenis verhaald wordt. De vijanden zijn aangeduid onder de naam van Kanaänieten en Ferezieten, die twee volkeren, die reeds vroeger (Genesis13: 7 en 34: 30) de gezamenlijke bevolking van Kanaän vertegenwoordigen, en weliswaar zo, dat onder de Kanaänieten hoofdzakelijk die in de vlakte aan de Jordaan en aan de Middellandse zee (Num.13: 29 Joz.11: 3) en onder de Ferezieten de op het gebergte wonende volksstammen (Joz.15: 9) worden begrepen.
Toen zei Adóni-Bezek, indachtig aan zijn vroegere wreedheden: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten waren eertijds onder mijn tafel, alsof zij honden waren (Matth.15: 27),de kruimen oplezende 1) en ik achtte mij de machtigste en onverwinnelijkste heer in het gehele land, die niemand zou kunnen weerstaan; zoals ik gedaan heb aan hen, die ik overwonnen had, zo heeft mij God, in wiens hand ik gevallen ben, en die aan mijn hoogmoed een einde gemaakt heeft (Jer.13: 11 (Dan.4: 34), vergolden! 2) En zij brachten hem, op hun verderekrijgstocht te Jeruzalem en hij stierf daar, aan de gevolgen van de geleden pijn.
Dit was zonder twijfel vóór de aankomst van de kinderen van Israël in Kanaän voorgevallen. Deze overwonnen in het geheel 31 koningen (Joz.12: 24 ; in die streek, waar Adoni-Bezek regeerde kwamen zij wel, maar nu was de macht van dat volk gebroken en tot een klein gebied beperkt.
Men hieuw de duimen van de handen en de voeten af, opdat de hand niet meer de boog zou kunnen voeren en de voet onzeker in tred zou zijn. Toen in het jaar 456 de inwoners van Aegina overwonnen waren, gaven de Atheners hun overwinnaars bevel hun de rechterduimen af te houwen, zodat zij wel de riemen maar niet de speer konden voeren (Aelian. Var. hist. 2,9). Mohammed beval (soera 8: 12) de vijanden van de Islam te straffen met het afhouwen van het hoofd en de einden van de vingers. Curtius verhaalt, dat de Perzen Griekse gevangenen aan handen, voeten en oren verminkt, tot een lang spel bewaarden (de reb. Alex. 5,5,6). Posidorus verhaalt (bij Athenaëus lib. 4 p. 152, d.), dat de koning van de Parthers bij de maaltijd zijn hoveling spijs toewierp; deze ving ze als een hond op, en werd als een hond bloedig geslagen. Wreed is de geschiedenis van de wreedheid.
In het menselijk leven worden de dingen dikwijls wonderbaar omgekeerd, en wel niet door het toeval, maar door Gods bijzondere leiding (Genesis37: 19vv. vergel. Genesis43: 3). “Wanneer,” zo zegt Homerus (II.4: 160) “de Olympiër niet dadelijk straft, doet hij het toch later. Bij de oude volken was veelvuldig de ethische grondstelling bekend, dat men dezelfde pijn moest lijden, die men anderen aandeed. De latere Grieken noemden dit Neoptolemische Tisis, omdat Neoptolemus eveneens geleden heeft als hij gezondigd heeft (Pausanias 4: 17,3). Hij had aan het altaar vermoord, ook hij viel bij een altaar. Phalaris had mensen in een stierenbeeld verbrand; men deed hem dezelfde straf aan (vgl. gesta Romanorum cap.48). Wat Dionysius aan de vrouwen van zijn volk gedaan had, moesten zijn dochters lijden Vergelijk 2 Samuel .12: 11. De Heidenen hebben wel kunnen erkennen, dat er een levende God is, die kwaad met kwaad vergeldt; daarom is geen mens te verontschuldigen (Rom.1: 19vv.; 2: 14vv.).
Zie hoe veranderlijk en onbestendig deze wereld is en hoe onbestendig haar hoge plaatsen zijn. Laat de hoogste niet trots, noch de matigste zeker zijn; zij weten niet hoe laag zij zullen zinken vóór hun dood.
Het getal 70 is een rond getal. Zoals boven reeds is opgemerkt, had Jozua in het geheel niet meer dan 31 koningen overwonnen. Adoni-Bezek noemt nu het getal 70 èn uit snoeverij èn om daarmee te kennen te geven, tot wat een vernederende behandeling hij vele koningen had veroordeeld.
Want de kinderen van Juda hadden, na de overwinning van de Kanaänieten en Ferezieten bij Bezek, zich weer naar hun gebied gewend, en tegen Jeruzalem gestreden, dat aan de noordelijke grenzen lag, door Jozua aan Benjamin was gegeven, maar door hem nog niet aan de Jebusieten ontnomen was (Joz.15: 63; 18: 11vv.), en zij hadden haar ingenomen, en de inwoners met de scherpte van het zwaard geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet. 1)
De koning van Jeruzalem (Joz.10: 3,18-29) was reeds gedood, maar de stad nog niet ingenomen. Dit gebeurt nu, terwijl zij tevens geheel in brand wordt gestoken. Omdat echter Juda en Simeon verder optrekken, om ook andere streken te veroveren, wordt Jeruzalem weer door de Jebusieten opgebouwd, die daarin blijven en zich vooral in de burg versterken, totdat deze door David wordt veroverd (2 Samuel .5: 6). De mening, dat door Juda wel de stad maar niet de burg werd ingenomen, wordt door geen enkel bewijs gestaafd. Er staat hier duidelijk, dat de stad waaronder ook de burg, als die toen reeds bestond, in brand werd gestoken.
En Kaleb zei, zoals reeds Joz.15: 13vv. voorlopig bericht is, maar hier nogmaals, overeenkomstig de geschiedkundige samenhang, moet verteld worden: Wie Kirjath-Sefer zal slaan en haar innemen, die zal ik ook als prijs van de overwinning, mijn dochter Achsa (= versiersel om de enkel), tot vrouw geven. 1) Tot overwinning vandie stad was een bijzondere aanmoediging tot dapperheid nodig, daar zij zeer steil gelegen en bijzonder moeilijk te overwinnen was.
Kalebs persoonlijke ijver wordt des te meer hier vermeld, omdat het de algemene zaak, de eer van zijn stam gold. Bij de verovering van Hebron heet het: “en zij sloegen”, bij de strijd om Debir “Kaleb zei”. Hij zet het liefste, dat hij heeft, als prijs voor hem, die de sterke bergvesting en de zetel van de afgodendienst bestormt. Het is zijn enige dochter (1 Kronieken 2: 49) Achsa, hem op latere leeftijd geboren. Iets beters kan hij niet geven; meer kan hij zijn ijver voor Israëls zaak niet bewijzen. Door verdienste de dochter des huizes te verkrijgen was een schone zaak, die te allen tijde voor jonge mannen begeerlijk was. Zo verkreeg David de hem liefhebbende Michal. De verovering van Debir is daarom bijzonder vermeld tot verheerlijking van Kaleb en van zijn liefde voor Israël.
Toen nam Othniël (= leeuw van God) haar in, de zoon van Kenaz 1) (= jagende) broeder van Kaleb, die jonger was dan hij, en Kaleb gaf hem, overeenkomstig zijn belofte, Achsa, zijn dochter, tot vrouw.
(Jos 15: 17) Volgens een andere verklaring, “de Keniziet”; dan wordt Othniël “broeder van Kaleb” genoemd. Ook het huwelijk van een oom met zijn nicht was door de wet niet verboden.
En zij zei tot hem: Geef mij een zegen, geef bij hetgeen gij mij en mijn echtgenoot toegedeeld hebt, nog een bijzondere gave, die ik nodig heb, zal mijn huwelijk mij waarlijk tot een weldaad zijn, omdat gij mij een dor land gegeven hebt, een land, dat wegens gebrek aan water weinig vruchten belooft; geef mij ook waterwellingen, 1) land waar bronnen zijn. Toen gaf haar Kaleb hoge wellingen en lage wellingen, hoger en lager land, beide voldoende van waterbronnen voorzien.
Aan Kaleb was het vruchtbare Hebron met het veld en de dorpen daar rondom gegeven (Joh.21: 11vv.). Othniël was arm. Achsa, aan rijkdom gewoon, is Othniëls vrouw geworden. Hoe zal zij bij het geringe gelukkig zijn? Tevergeefs wordt Othniël door haar aangespoord, dat hij om een rijk veld vraagt; het is de edele held onwaardig zo’n verzoek te doen. Achsa neemt het goede uur waar en verzwijgt niet wat zij wenst. Terecht zegt de Joodse uitlegging van deze mijn, die zich niet liet verleiden door een naar goederen begerige vrouw: “Othniël was arm aan alles, behalve aan de wet”, d.i. aan een vrome gezindheid.
De kinderen van de Keniet, 1) van de van het volk van de Kenieten afstammende Hobab (4: 11), de schoonvader, liever “de zwager” van Mozes, trokken ook uit de Palmstad (= Jericho; (Deuteronomium 34: 3 “(Jos 6: 1) op, 2) met de kinderen van Juda, die van Debir (vs.11vv.) nu verder naar het zuiden wilden trekken en vergezellen hen naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad (= wilde ezel) is, in dat deel van de woestijn van Juda, (Nu 13: 25) dat ten zuiden van de stad Harad (Num.21: 1) in de steppen van Negebuitloopt: en zij gingen heen en woonden met het volk; zij vestigden zich daar in de oorspronkelijke woonplaatsen van hun stam (De 2: 23), midden onder de kinderen van Juda neer; deze stonden hun dit toe, ter vervulling van de door Mozes aan Hobab gegeven belofte.
Het volk van de Kenieten, alzo naar Kaïn genoemd (Num.24: 22), was niet van Kanaänitische, maar van oud-Semitische afkomst (Deuteronomium 2: 23) en oorspronkelijk in deze streken uitheems, waarin nu de tot hen behorende nakomelingen van Hobab trokken; maar door de in verschillende menigten in Palestina intrekkende Kanaänieten (Ge 14: 18) uit deze woonplaatsen verdreven, had een tak van hen zich met de Midianieten, die aan het zuideinde van het schiereiland van Sinaï zich vestigden (Ex 2: 15), terwijl andere takken eveneens verdwenen, als de in Joz.13: 2vv. genoemde Gesurieten en Avvieten. Hoe verder weer een geslacht van de hier vermelde Hobabieten de woonplaatsen in Negeb verlatende, zich hoog in het noorden van Palestina bij het eikenbos te Zanannim in de landstreek van Kedes (Joz.19: 33) gevestigd heeft, zie daarover 4: 11 ; over de bescherming en de vriendschap, waarin zich de Kenieten van de zijde van Israël te verheugen hadden, zie 1 Samuel .15: 6; 27: 10; 30: 29.
De Kenieten waren gebleven bij Jericho en hadden geen aandeel genomen in de verovering van het land. Op het verzoek van Mozes (Num.10: 29) waren zij mee opgetrokken door de woestijn, maar zij hadden zich niet vereenzelvigd met het volk. Nu echter vestigen zij zich tegen het zuiden van Harad en bleven daar, zonder dat de nakomelingen van Juda zich ertegen verzetten, omwille van Mozes.
Juda dan, nadat hij aan de kinderen van de Keniet de zo-even vermelde woonplaatsen had overgegeven, trok met zijn broeder Simeon 1) in diens gebied (Joz.19: 4) om overeenkomstig de gemaakte afspraak (vs.3) ook deze te helpen in het verdrijven van de Kanaänieten en zij, met elkaar verenigd, sloegen de Kanaänieten, wonende te Zefat (= wachttoren), 2 1/2 uur zuidwestelijk van Chesil (Nu 13: 1), en zij verbanden hen, 2) alzo volbrengende de door Israël (Num.21: 1-3) gedane gelofte, die Jozua bij zijn tocht in het zuidelijke Kanaän nog niet had kunnen volbrengen (Joz.12: 14), en mennoemde de naam van deze stad Horma (= verbanning).
Was Simeon met Juda opgetrokken om deze te helpen, op zijn beurt trekt Juda met Simeon op om ook deze te ondersteunen in diens strijd tegen de Kanaänieten.
De uitoefening van de ban over deze stad was volgens het woord van Mozes, die de ban over alle steden van Harad had uitgesproken, omdat deze koning tegen Israël had gestreden, toen het kwam door de weg van de verspieders (Num.13: 1vv.).
Daartoe nam Juda, noordwaarts trekkende, drie van de vijf steden van de Filistijnen (Joz.13: 3). Eerst nam hij Gaza (= vesting) in met haar gebied, de tot haar behorende landschappen, en daarna Askelon (= landverhuizing) met haar gebied, en vervolgens Ekron (= verheuging) met haar gebied; 1) zodat Asdod, tussen Askelon en Ekron, en Gath, ten oosten van Ekron, nog in het bezit van de Filistijnen bleven.
Van het zuiden uit had de verovering plaats, Asdod en Gath zijn niet ingenomen. Echter niet lang bleven deze steden in het bezit van Simeon, omdat wij weten, dat zij in de dagen van Simson weer in het bezit van de Filistijnen waren.
Maar ook de drie veroverde steden kon Juda niet lang verdedigen; in de tijd van Simson waren zij allen weer in het bezit van hun vroegere meesters (14: 19; 16: 1vv.; 1Sam.5: 10
En de HEERE was met Juda, dat hij op deze krijgstochten, evenals eerst de inwoners van het gebergte (vs.10-15), zo ook nu die van het zuidelijk land (vs.16vv.) en de kustvlakte (vs.18) verdreef; toch voldeed hij niet geheel aan zijn plicht, daar het ook hem bij alle moed en alle trouw, toch aan dat volledig vertrouwen op de bijstand van de Heere en aan de nodige volharding ontbrak. Juda deed veel, maar hij ging niet voort, om de inwoners van het dal te verdrijven; de bewoners van de vlakte Sefela, die hij zich voorgenomen had uit te roeien (vs.
, viel hij niet aan, omdat zij ijzeren wagens hadden 1) (Joz.17: 16), en hij voor zo’n krijgsmacht vreesde.
Wordt in het begin van dit vers gezegd, dat de Heere met Juda was, en aan het slot, dat Juda de inwoners van het dal niet kon verdrijven, omdat zij ijzeren wagens hadden, dan mag men daaruit niet besluiten, dat dit niet veroveren van het dal was overeenkomstig de wil van de Heere. Integendeel wil de schrijver hiermee zeggen, dat in zoverre Juda de strijd des Heeren streed, hij ook zeker ervaarde, de nabijheid en de sterkte van God, maar tegelijk dat, wanneer hij de inwoners van het dal niet durfde aantasten, omdat zij sterk gewapend in de oorlog kwamen, dit voortkwam uit ongeloof van Juda’s zijde. Juda zag meer op de macht van de vijanden, dan op de Almacht van God. Ter beschaming van die stam wordt dit laatste erbij vermeld.
Maar de kinderen van Benjamin, 1) aan wie men eveneens, volgens de door het lot bepaalde goddelijke beslissing (Joz.18: 16), de (vs.8) gewonnen stad Jeruzalem overgaf, hebben de Jebusieten, nog te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten, die spoedig weer de stad hadden herbouwd, woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op deze dag; 2) zij drongen hen zelfs weer zo ver terug, dat zij spoedig (19: 11vv.) voor hen “een vreemde stad” was.
Hierover wordt de opmerking gemaakt, dat de Benjaminieten niet de Jebusieten, die Jeruzalem bewoonden, verdreven, die hier daarom zo passend is, als zij aan de ene zijde toont, dat de kinderen van Juda, door deze overwinning, Jeruzalem niet in het onbestreden bezit van de Israëlieten brachten, en aan de andere zijde, dat zij door deze verovering niet bedoeld hebben, het erfdeel van Benjamin te verkleinen en daarom de stad niet voor zich hebben veroverd.
Tot deze tijd, dat is de eerste 13 jaar na Jozua’s dood behoort ook de geschiedenis van de bijna volledige uitroeing van de stam Benjamin door de overige stammen, ten gevolge van een door de burgers te Gibea bedreven schanddaad, die ons in het 2de aanhangsel van dit boek (19-21) verteld wordt. Hetzelfde dat hun vaders veertig jaar uit Kanaän gehouden had, hield hen uit de volle bezitting daarvan, dat was het ongeloof.
II. Vs. 22-36.KruisverwijzingenGenesis 28:19→Jozua 16:10→Jozua 17:11→1 Koningen 9:16→Jozua 19:24→Richteren 1:19→Genesis 48:3→Genesis 35:6→
— En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen. En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz. En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen. En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan. Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag. En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land. En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk. Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer. Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar. Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;
Terwijl de met Simeon verbonden stam van Juda, zoals in het voorgaande gedeelte is meegedeeld, deels de wil van de Heere nauwkeurig probeert te volbrengen, maar aan de andere zijde gebrek aan volkomen geloofs- en wilskracht aan de dag legt, is van de overige stammen alleen het huis van Jozef geneigd, iets tot verdere uitroeiing van de Kanaänieten aan de grenzen van zijn erfdeel te doen; de andere vergenoegen zich hen tot schatplichtigen te maken, zelfs laat Dan zich bijna geheel door hen uit zijn gebied verdrijven. Daardoor is men overgegaan uit de goede tijd onder Jozua in de treurige toestand, waaronder Israël in de tijd van de richters zucht.
En het huis van Jozef, Efraïm en West-Manasse (Joz.16: 1-4), trok ook op, evenals Juda met Simeon opgetrokken was, tot verdelging van de in het land overgebleven Kanaänieten. Zij gingen naar Bethel, dat ten zuiden van hun gebied gelegen was. Dit behoorde wel aan de stam van Benjamin (Joz.18: 22), maar moest toch eerst van de nog voorhanden overblijfsels van de Kanaänitische bevolking gezuiverd worden. En de HEERE was met hen. 1)
Dit wil zeggen, dat de Heere het goedkeurde, dat zij zich opmaakten, om ten strijde te trekken tegen de Kanaänieten, om de oorlogen van de Heere te voeren. Omdat echter de Efraïmieten zich tot list begeven en hun vertrouwen stellen op menselijke uitvindingen, keert de Heere zich van hen af, zodat het alleen blijft bij de verovering van Bethel. Wat nu verder in dit hoofdstuk vermeld wordt, doet ons zien, hoe al de andere stammen het vertrouwen op de Heere hebben laten varen, en hoe het hun daarom tot zonde wordt aangerekend, dat zij de Kanaänieten niet verdrijven. De vermelding toch van elke stam afzonderlijk, dat zij de Kanaänieten slechts schatplichtig maakten, moest dienen, om Israël te bepalen bij zijn grote schuld tegen de Heere, hun Helper en Verlosser.
En toen hij hun, om zijn familie te redden, ook werkelijk de ingang van de stad gewezen had, zo sloegen zij met de door hen geroepen krijgslieden de stad met de scherpte van het zwaard, maar die man en zijn gehele gezinlieten zij volgens de gegeven belofte gaan, 1) waarheen hij zelf wilde.
Konden wij Rachab, in hetgeen zij de verspieders van Jozua omtrent haar volksgenoten meedeelde, van het verraad volkomen vrijspreken (Jos 9: 1), wij kunnen dit niet doen bij dezen man. Wat Stärke in zijn voordeel aanvoert, laat zich van meer dan een zijde wederleggen. Deze zegt: “had hij dit uit winzucht, eergierigheid, wraakgierigheid of iets dergelijks gedaan, zo zou men hem van verraad niet kunnen vrijspreken; daar hij zonder twijfel gezien heeft, dat de stad het tegen een zo machtig volk niet kon uithouden, en er geen hoop meer op ontzet was, en ook wel het raadsbesluit van God omtrent de verdelging van de Kanaänieten en de inneming van het land vernomen heeft, zoals vroeger Rachab, en reeds zulke duidelijke bewijzen van deze goddelijke wil gehoord en gezien heeft, zo heeft hij geen onrecht gedaan, dat hij op deze wijze het verlies, dat de Israëlieten bij een storm en verovering met geweld hadden kunnen lijden, afgewend en zich en de zijnen gered heeft. De gehoorzaamheid aan God kan een eed, waardoor men tegenover mensen verbonden is, opheffen.” Veeleer geeft de Schrift daardoor, dat deze man niet onder het volk van God opgenomen werd, zoals vroeger Rachab, maar onder de Kanaänitische Hethieten trekt (vs.26), voldoende te kennen, dat zijn daad geheel anders te beoordelen is, dan die van die vrouw. Niet alleen was hij niet inwendig van zijn volksgenoten gescheiden, om ook uitwendig zijn zaak van de hun te scheiden, maar wat van nog meer betekenis is, hij verried aan de vijand ook werkelijk de toegang tot zijn vaderstad, terwijl daarentegen Rachab niets geopenbaard heeft dan haar geloof. Van de kinderen van Jozef moeten wij zeggen, dat het van hun zijde even zo min juist was, de man tot verraad te verleiden, als het van hem recht was, het te begaan; hun gedrag, dat uit gebrek aan geloof aan de bijstand van de Heere voortkomt, en alleen zijn grond heeft in menselijk overleg, wordt daardoor gestraft, dat het met deze ene onderneming eindigt, en noch Manasse (vs.28vv.) noch Efraïm (vs.29) iets meer kunnen volbrengen.
Bij het eindigen van de volle gehoorzaamheid eindigt ook de volledige overwinning; Benjamin verdrijft de vijandige Jebusieten niet uit Jeruzalem, omdat hij de eerste liefde heeft verloren. Daarentegen kan de stam van Jozef Bethel veroveren, omdat God met hem is. Benjamin, de dappere stam, is alleen de schuld wanneer zij niet overwonnen, want als Bethel de zonen van Jozef tegenstond, kwam hen een gelukkig toeval te hulp. Benjamin heeft Jeruzalem niet veroverd, daarom woonde ook de koning uit Benjamin (Saul) daarbuiten, maar die uit Juda (David) daarbinnen. Maar het helpt ook niet met geloof te veroveren, wanneer het niet in het geloof bewaard wordt; want Bethel werd later een Bethaven, een huis van de zonde. In waarheid, noch de houding van Israël, noch die van deze man is te verdedigen. Van Israël niet, omdat het daarbij openbaarde, een wantrouwen van de Heere; van die man niet, omdat hij het enkel en alleen deed om lijfsbehoud.
Men mag niet een vergelijking maken tussen hem en Rachab, die ten zijnen gunste uitvalt. Rachab heeft haar vaderstad niet verraden, heeft de verspieders enkel veilig over de muren gebracht, omdat zij geloofde, dat de Heere met hen was en Jericho in de handen van Zijn volk zou geven. Van geloof in de God van Israël lezen wij bij deze man niet, wel integendeel van een verwerpen van het volk en daarom ook van diens God.
Toen trok deze man in het land van de Hethieten; 1) en hij bouwde een stad, en noemde haar, naar de naam van zijn vaderstad, Luz; dit is haar naam tot op deze dag, tot op de dag dat dit geschreven werd.
Daar de Hethieten een zich ver uitstrekkend volk in Kanaän uitmaakten (zij woonden deels in de landstreek van Hebron (Genesis23), deels op het gebergte (Num.13: 29), deels boven in het noordoosten aan de grenzen van Syrië (1 Koningen .10: 29), kunnen wij niet nader bepalen, waarheen de man getrokken is, omdat van dit Luz nergens iets meer voorkomt. Hiëronymus en Eusebius in het Onomastikon, (Jos 10: 29) verstaan onder de Hethieten het eiland Cyprus de joodse schrijvers daarentegen berichten van een stad Luz, die op een eiland van de Middellandse Zee aan de kusten van Fenicië gelegen heeft, veel purperververijen had en noch door de Assyriër Sanherib, noch door de Babyloniër Nebukadnezar verwoest kon worden.
Jozefus maakt melding van een stad, Lousea geheten, niet ver van Judea, gelegen is Arabië. (Antiq. Libr. XIV). Duidelijk blijkt hieruit, dat de Israëlieten deze man niet alleen het leven en de vrijheid hebben geschonken, maar ook al zijn goederen hebben laten behouden, zodat hij een stad kon bouwen.
En Manasse verdreef de inwoners van Beth-Sean (= huis van rust) niet, noch van haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Thaänach (= zwervende) met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor (= woning) met haaronderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam (= het volkverslindende) met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo (= plaats van menigte) met haar onderhorige plaatsen, 1) welke steden alle, behalve Endor, tot zijn stamgebied waren gesteld (Joz.17: 11); en de onder Jozua teruggedrongen Kanaänieten van die landstreken wilden wonen in hetzelfde land en begonnen zich naar eigen lust weer uit te breiden.
De Kanaänieten hadden er zeer groot belang bij, deze steden te behouden, omdat zij alle lagen in de vlakte van Jericho, aan de grote handelsweg van de kust van de Middellandse Zee naar Damascus. Het is daarom, dat er geschreven staat, dat zij er wilden wonen.
En het geschiedde als Israël, en in het bijzonder de tot het volk van God behorende stam West-Manasse, sterk werd, dat hij zich de goddelijke roeping herinnerde, en de Kanaänieten schatplichtig maakte, hen dwong schattingen op te brengen; maar hij verdreef hen niet geheel,
zoals hij toch naar Gods bevel had moeten doen.
Duidelijk blijkt hieruit de onwil van Israël om de Kanaänieten te verdrijven. Zij hadden er wel de macht toe. Een volk toch, dat men schatplichtig maakt, kan men ook geheel verdrijven. Had Israël de macht, om schattingen van de Kanaänieten te vorderen, dan was het ook machtig, om die steden geheel in te nemen. Zij vonden het echter voordeliger, om van hen schatiingen te trekken, maar vergaten daarbij, dat zij God tegen zich kregen.
Zebulon, wiens erfdeel in Joz.19: 10-16 beschreven is, verdreef de inwoners van Kitron (= verward) niet, noch de inwoners van Nahalol (= weide) beide onbekende plaatsen (Joz.19:
; maar de Kanaänieten woonden in het midden van hem, en waren schatplichtig. 1)
Dat hier de in Joz.19: 17-23 tussen Zebulon en Aser genoemde stam Issaschar wordt voorbijgegaan, heeft daarin zijn reden, dat in diens gebied geen Kanaänieten meer voorhanden zijn.
Aser in zijn stam gebied (Joz.19: 24-31), verdreef de inwoners van Acco 1) (= warm zand) niet, noch de inwoners van Zidon (= overvloed van vis) (Joz.11: 8), noch Achlab (= vetheid), dat hier genoemd wordt, noch Achsib (= leugenaar) (Joz.19: 21), noch Chelba (= vruchtbaarheid), eveneens een onbekende stad, noch Afik (= sterkte) (Joz.13: 4; 19: 20), noch Rechob (= open ruimte) (Jozua 19: 28,30).
Het tegenwoordige Accra, ten tijde van de kruistochten een zeer bloeiende zee- en handelsstad, maar later vervallen.
Maar de Aserieten woonden in het midden van de Kanaänieten, 1) die na de verstrooiing door Jozua zich weer hadden uitgebreid, en in het land woonden, want zij verdreven hen niet.
De Aserieten hadden zich reeds misgrepen, dat zij zelfs een verbond met de Kanaänieten hadden gemaakt. Geen enkele stap hadden zij gedaan, om hun land te zuiveren van de afgodische volken. Wat meer zegt, zij wilden wel in vrede met hen leven, indien de Kanaänieten ook hen maar met rust lieten. Van de 22 steden bleven 7 in het bezit van de Kanaänieten en daaronder de sterke steden Acco en Zidon.
En nog minder wist de stam Dan het hem toegevallen gebied (Joz.19: 40-48) te bewaren; want de Amorieten die deze streek bezet hadden en door Jozua slechts gedeeltelijk verdelgd waren, drongen de kinderen van Dan in het gebergte van Efraïm, dat aan de oostzijde van hun erfdeel ligt want zij lieten hun niet toe af te dalen in het dal, 1)in de aan de voet van het gebergte zich naar de Middellandse Zee uitbreidende vlakte, om zich daar te vestigen, waar het hoofdgedeelte van hun gebied lag.
Maakte Nafthali de Kanaänieten nog schatplichtig, Dan werd naar het gebergte gedrongen. Bedenken wij nu, dat Dans erfdeel in de vlakte lag (Joz.19: 38), dan blijkt het, dat deze stam nauwelijks iets van zijn erfdeel heeft verkregen. Vandaar, bij uitzetting van de bevolking. een verhuizen naar het noordelijk gedeelte van Palestina.
Ook wilden de Amorieten wonen en zij verstoutten zich om zich te vestigen op het gebergte van Heres, te Har-Heres (= zonnenberg of Irsemes = zonnenstad) ook Beth-Semes (= zonnenhuis) genoemd (Joz.15: 10; 19: 41), te Ajalon (= een groot hert) (Joz.19: 12; 19: 42) en te Saalbim (= plaats van vossen) (Joz.19: 42); maar de hand van het huis van Jozef, de ten noorden van Dan wonende stammen van Efraïm en West-Manasse werd zwaar, zodat zij terwijl de Danieten voor hen terugtrokken en een gedeelte van hen in het noorden van Palestina zich een nieuwe woonplaats stichtte, 1) hun schatplichtig werden. 2)
De nadere omstandigheden van dat heengaan van 500 strijdbare mannen met hun families en kudden naar Laïs of Dan, ten noorden van het meer Merom, wordt ons in het eerste aanhangsel van dit boek verteld (17 en 18); de geschiedenis is naar de tijdorde hier op zijn plaats, voegt echter weinig bij de gang van de gedachten, die de beide eerste hoofdstukken volgen, waarom zij met recht aan het einde als nastuk gevoegd is. Datzelfde geldt voor de geschiedkundige inhoud van 19-20, waaraan wij reeds gedacht hebben (Jud 1: 21).
Wat Dan niet kon, dat hebben Efraïm en West-Manasse gedaan, n.l. de Amorieten schatplichtig gemaakt.
En dat het zo ver met Dan kwam, dat deze stam zijn erfdeel bijna in het geheel niet kon machtig worden, had een natuurlijke oorzaak in de grote macht van deKanaänitische volken, die juist tegenover hem stonden en de uitgebreidste in het gehele land waren, en daarom slechts bij bijzondere geloofstrouw, waaraan het echter juist ontbrak, door die in zichzelf slechts zwakke stam overwonnen had kunnen worden; want de grenzen van deAmorieten, waarmee Dan te doen had, was ten tijde, dat Israël bezit van het beloofde land nam, van de opgang van Akrabbim (= schorpioenen), dat is de scherp vooruitstekende rij van klippen beneden aan de Dode Zee, die wij reeds in (Num.34: 4 en (Joz.15: 3) als zuidelijke grens van Palestina leerden kennen en danenigszins meer westelijk van de rotssteen, 1) en van deze beide punten in het zuiden, aan de zogenaamde Amorietenberg strekte zich nu hun gebied, opwaarts heen, ver naar het noorden, diep in het land Kanaän (Jos 13: 4).
In het Hebreeuws Mehasela. De meeste uitleggers verstaan hieronder de stad Peta, waarvan de ruïnen in de Wady-Musa nog behouden zijn.
Met Keil zijn echter ook wij van mening, dat hier gedacht moet worden aan de rotssteen in de woestijn Sin, waarvan sprake is in Num.20: 8,10. Deze rotssteen toch lag aan de zuidzijde van Kanaän en aan die zuidzijde strekte zich ook het gebergte van de Amorieten uit (Num.14: 25,44 en Deuteronomium 1: 44).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel