Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
KomtH3212, laat ons den HEEREH3068 vrolijk zingenH7442; laat ons juichenH7321 den RotssteenH6697 onzes heilsH3468.
Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
KJV
O come,1
let us sing2
unto the LORD:3
let us make a joyful noise4
to the rock5
of our salvation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Laat ons Zijn aangezichtH6440 tegemoetH6923 gaan met lofH8426; laat ons Hem juichenH7321 met psalmenH2158.
Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
KJV
Let us come1
before his presence2
with thanksgiving,3
and make a joyful noise5
unto him with psalms.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 de HEEREH3068 is een grootH1419 GodH410; ja, een grootH1419 KoningH4428 bovenH5921 alleH3605 godenH430;
Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
KJV
For the LORD4
is a great3
God,2
and a great6
King5
above all gods.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
In Wiens handH3027 de diepsteH4278 plaatsen der aardeH776 zijn, en de hoogtenH8443 der bergenH2022 zijn Zijne;
In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
KJV
In his hand2
are the deep places3
of the earth:4
the strength5
of the hills
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Wiens ook de zeeH3220 is, want HijH1931 heeft ze gemaaktH6213; en Zijn handenH3027 hebben het drogeH3006 geformeerdH3335.
Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
KJV
The sea3
is his, and he made5
it: and his hands7
formed8
the dry
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
KomtH935, laat ons aanbiddenH7812 en nederbukkenH3766; laat ons knielenH1288 voorH6440 den HEEREH3068, Die ons gemaaktH6213 heeft.
Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
KJV
O come,1
let us worship2
and bow down:3
let us kneel4
before5
the LORD6
our maker.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantH3588 Hij is onze GodH430, en wij zijn het volkH5971 Zijner weideH4830, en de schapenH6629 Zijner handH3027. HedenH3117, zoH518 gij Zijn stemH6963 hoortH8085,
Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
KJV
For he is our God;3
and we are the people5
of his pasture,6
and the sheep7
of his hand.8
To day9
if ye will hear12
his voice,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
VerhardtH7185 uw hartH3824 nietH408, gelijk te MeribaH4808, gelijk ten dageH3117 van MassaH4531 in de woestijnH4057;
Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
KJV
Harden2
not your heart,3
as in the provocation,4
and as in the day5
of temptation6
in the wilderness:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
WaarH834 Mij uw vadersH1 verzochtenH5254, Mij beproefdenH974, ookH1571 Mijn werkH6467 zagenH7200.
Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
KJV
When your fathers3
tempted2
me, proved4
me, and saw6
my work.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VeertigH705 jarenH8141 heb Ik verdrietH6962 gehad aan dit geslachtH1755, en heb gezegdH559: ZijH1992 zijn een volkH5971, dwalendeH8582 van hartH3824, en zijH1992 kennenH3045 Mijn wegenH1870 nietH3808.
Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
KJV
Forty1
years2
long was I grieved3
with this generation,4
and said,5
It is a people6
that do err7
in their heart,8
and they have not known12
my ways:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Daarom heb Ik in Mijn toornH639 gezworenH7650: ZoH518 zij in Mijn rustH4496 zullen ingaanH935!
Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
KJV
Unto whom I sware2
in my wrath3
that they should not enter5
into my rest.
laat ons den HEERE
Hier wordt de naam van David niet bijgevoegd: maar de apostel getuigt Hebr. 4:7 , dat David de auteur van dezen psalm is, en dat hij deze woorden tot de Israëlieten gesproken heeft.
Hertaald:
laat ons den HEERE
Hier wordt de naam van David niet vermeld, maar de apostel getuigt in Hebr. 4:7 dat David de dichter van deze psalm is en dat hij deze woorden tot de Israëlieten gesproken heeft.
boven alle goden;
Dat is, boven alle engelen, prinsen, regenten der wereld; of boven alle valse goden; of, boven al wat God genoemd wordt. Alzo ook Ps. 8:6 , en Ps. 96:4-5 .
Hertaald:
boven alle goden;
Dat is: boven alle engelen, vorsten en heersers van de wereld; of boven alle valse goden; of boven alles wat god genoemd wordt. Zo ook Ps. 8:6, en Ps. 96:4-5.
de hoogten
Of, krachten; dat is, de bergen die krachtig en hoog zijn; of, de zeer hoge spitsen der bergen, waar geen mens terdege bij kan komen.
Hertaald:
de hoogten
Of: krachten; dat is: de bergen die machtig en hoog zijn; of: de zeer hoge toppen van de bergen, waar geen mens goed bij kan komen.
die ons gemaakt
Hebr. die onze Maker is. Alsof hij zeide: onze Schepper naar lichaam en ziel, en die ons ook door zijne Geest wederbaart, gelijk Ps. 100:3 .
Hertaald:
die ons gemaakt
Hebreeuws: Die onze Maker is. Alsof hij zei: onze Schepper naar lichaam en ziel, Die ons ook door Zijn Geest wederbaart, zoals Ps. 100:3.
zijner hand
Dat is, die Hij gelijk met zijne hand geleidt en bestiert.
Hertaald:
zijner hand
Dat is: die Hij als het ware met Zijn hand leidt en bestuurt.
Heden, zo
Dat is, zolang de tijd duurt in welken Hij tot u spreekt.
Hertaald:
Heden, zo
Dat is: zolang de tijd duurt waarin Hij tot u spreekt.
van Massa
Dat is, der verzoeking.
Hertaald:
van Massa
Dat is: van de verzoeking.
Waar mij uw
De apostel, deze woorden verhalende 1 Kor. 10:9 , zegt: zij verzochten Christus.
Hertaald:
Waar mij uw
De apostel zegt, wanneer hij deze woorden aanhaalt in 1 Kor. 10:9: zij verzochten Christus.
mijn werk zagen
Te weten, hoe Ik hen strafte vanwege hunne ongehoorzaamheid, en hun wederom genade bewees toen zij zich tot mij bekeerden.
Hertaald:
mijn werk zagen
Namelijk: hoe Ik hen strafte vanwege hun ongehoorzaamheid en hun opnieuw genade bewees toen zij zich tot Mij bekeerden.
aan dit
Te weten, aan uwe voorvaders, de ongehoorzame Israëlieten, toen zij door de woestijn wandelden.
Hertaald:
aan dit
Namelijk: aan uw voorvaders, de ongehoorzame Israëlieten, toen zij door de woestijn trokken.
dwalende
Dat is, hun hart en gemoed wil al den dwaalweg in.
Hertaald:
dwalende
Dat is: hun hart en gemoed wil steeds de dwaalweg op.
zij kennen
Dat is, zij vragen er niet naar en begeren ze niet te weten.
Hertaald:
zij kennen
Dat is: zij vragen er niet naar en willen ze niet kennen.
mijn wegen
Dat is, mijne geboden om daarin te wandelen.
Hertaald:
mijn wegen
Dat is: Mijn geboden, om daarin te wandelen.
Zo zij
Dat is, zij zullen niet ingaan in mijne rust. Zie van deze manier van spreken Num. 14:23 , en Ps. 89:36 .
Hertaald:
Zo zij
Dat is: zij zullen niet ingaan in Mijn rust. Zie over deze manier van spreken Num. 14:23, en Ps. 89:36.
in mijn rust
Dat is, in het Kanaän, gelijk Deut. 1:34-35 , en Deut. 12:9 , hetwelk de apostel verklaart een voorbeeld te zijn van het eeuwige leven; Hebr. 4:3 , enz.
Hertaald:
in mijn rust
Dat is: in Kanaän, zoals Deut. 1:34-35, en Deut. 12:9; de apostel verklaart dat dit een voorafbeelding is van het eeuwige leven; Hebr. 4:3, enzovoort. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils" (Ps. 95:1). De psalm begint luid. Wat volgt is de reden: de HEERE is een groot Koning boven alle goden, en in Zijn hand zijn de diepste plaatsen van de aarde en de hoogten van de bergen (Ps. 95:3-4). Dan verandert de houding: "Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft" (Ps. 95:6). Drie werkwoorden staan er, en alle drie gaan over het lichaam. En dan volgt de grond: "Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand" (Ps. 95:7). Bijbelse betekenis: De psalm zet twee houdingen naast elkaar: juichen en knielen. Beide horen bij dezelfde eredienst, en de tweede volgt op de eerste. Merk op dat de reden telkens dezelfde is: Hij heeft gemaakt. Eerst de bergen en de zee (Ps. 95:4-5), dan de mens zelf (Ps. 95:6), en ten slotte het volk als kudde (Ps. 95:7). Let ten slotte op de volgorde binnen dat laatste vers. Eerst wordt gezegd wie Hij is, en pas daarna wie wij zijn; de gemeente ontleent haar naam aan haar Herder. Typologie: De Heere Jezus noemt Zich de Herder van diezelfde kudde (reeds behandeld bij Joh. 10:11). Ps. 95:1-7; Joh. 10:11 Midden in het vers over de kudde begint de waarschuwing: "Heden, zo gij Zijn stem hoort, Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn" (Ps. 95:7-8). De aanleiding is dus de geschiedenis van het volk bij het water in de woestijn. God zelf spreekt verder: "Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet" (Ps. 95:10). En dan het slot: "Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!" (Ps. 95:11). Dat is de vaste eedvorm: zij zúllen niet ingaan. Bijbelse betekenis: De psalm doet iets opmerkelijks: zij verandert een oude geschiedenis in een woord voor vandaag. Dat gebeurt met één woord — heden. Wat in de woestijn gebeurde, kan zich in elke generatie herhalen, en daarom is het geen verhaal maar een aanspraak. Merk op wat verharding hier is. Niet vijandschap maar het niet willen horen van een stem die werkelijk klinkt; het volk had Gods werk gezien (Ps. 95:9) en bleef toch verzoeken. Let ten slotte op het woord rust. Voor Israël was dat het land; de Hebreeënbrief laat zien dat er nog een rust overblijft, en dat het heden dus nog altijd duurt. Typologie: De Hebreeënbrief haalt deze verzen aan en past ze rechtstreeks op de gemeente toe: "Heden, indien gij Zijn stem hoort, Zo verhardt uw harten niet" (Hebr. 3:7-8). En de gevolgtrekking daar luidt: "Er blijft dan een rust over voor het volk Gods" (Hebr. 4:9). Ps. 95:7-11; Hebr. 3:7; Hebr. 3:8; Hebr. 4:9 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Een psalm die begint als een uitnodiging tot zingen en eindigt met een eed van God dat een heel geslacht Zijn rust niet zal binnengaan. Tussen die twee uitersten zit één woord dat alles bepaalt: heden. De psalm roept op om vandaag te horen en niet te verharden, en de Hebreeënbrief leest dat woord heden als een dag die nog steeds open staat. Het eerste deel is uitbundig. Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils. De psalm wijst naar de diepten der aarde en de hoogten der bergen, naar de zee die Hij gemaakt heeft en het droge dat Zijn handen geformeerd hebben. En dan wordt het kleiner en warmer: wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand — die Hij als het ware met Zijn hand leidt en bestuurt, zegt de kanttekening. Midden in dat lied breekt de toon. “Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.” De kanttekening legt dat heden uit als: zolang de tijd duurt waarin Hij tot u spreekt. Het is dus geen algemene aansporing maar een zin met een houdbaarheidsdatum. Wat er dan volgt is een waarschuwing die van God Zelf komt, en Hij noemt twee plaatsnamen: Meriba en Massa, twist en verzoeking. Daar had het volk water geëist en getwijfeld of de HEERE in hun midden was. Bij dat verzoeken tekent de kanttekening iets aan dat men niet zou verwachten in een psalm: de apostel zegt, wanneer hij deze woorden aanhaalt, dat zij Christus verzochten. Wie in de woestijn beproefd werd door het gemor van het volk, was volgens Paulus de Christus. De uitkomst is hard. Veertig jaar lang had God verdriet aan dat geslacht, en Hij zwoer in Zijn toorn dat zij Zijn rust niet zouden ingaan. Die rust was Kanaän — maar de kanttekening wijst er meteen op dat de apostel dat een voorafbeelding noemt van het eeuwige leven. De Hebreeënbrief doet met deze psalm iets dat de moeite van het nalezen waard is. Hij haalt haar niet aan om te vertellen wat er ooit misging, maar om te bewijzen dat er nóg iets openstaat. Zijn redenering hangt aan twee woorden. Aan Jozua, want als die het volk werkelijk in de rust gebracht had, dan zou God niet lang daarna nog van een andere dag gesproken hebben. En aan heden: dat woord staat in een psalm van David, eeuwen ná Jozua, en dus was de rust toen nog niet binnen. Zijn slotsom is één zin: er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Zo wordt dit heden een woord dat over de eeuwen heen staat. Het gold in de woestijn, het gold in de dagen van David, en het gold toen de Hebreeënbrief geschreven werd. De schrijver zegt er nadrukkelijk bij dat het geldt zolang het heden genaamd wordt. Wie deze psalm leest, staat dus zelf in de zin die hij leest. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 3:7-19; Hebreeën 4:1-11; 1 Korinthe 10:9; Mattheüs 11:28-29
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Kom, laten wij ons neerbuigen en neerbukken, laten wij knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft. Psalm 95:6 Gebed is echt geen kleinigheid. Het is iets groots,… Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor de HEERE, Die ons gemaakt heeft. Psalm 95:6 O, wedergeboren ziel, die beeft van angst, als u nog… In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne; Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn… 6 Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft. 7 Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner… 1 Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils. 2 Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 95
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Heden, zo gij Zijn stem hoort — 95:1-11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Het voorrecht van gebed
Laat ons aanbidden
Gods gedachten
Psalm 95:6-11
Psalm 95:1-5


Psalmen 95
Psalmen 95:1-2.Kruisverwijzingen2 Samuël 22:47→Psalmen 81:1→Psalmen 89:26→Psalmen 100:4→Ezra 3:11→Psalmen 150:6→Psalmen 148:11→Psalmen 100:1→
— Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
Er móét vreugde zijn in onze eredienst; die is er het sap van, de wijn die uit de getreden druif vloeit. Het is de room van de ziel wanneer het hart zich in God verlustigt en zich in Hem verheugt. Te aanbidden alsof het louter plicht was zou niet meer zijn dan de eerbied van slaven voor iemand die zij vrezen; maar te aanbidden met verlustiging — dat is de verering van kinderen die komen tot wie zij liefhebben. God geve ons die vreugde terwijl wij de HEERE aanbidden. Laten wij echter grote eerbied met de vreugde vermengen.
Psalmen 95:3.KruisverwijzingenPsalmen 96:4→Psalmen 97:9→Psalmen 145:3→Psalmen 135:5→Exodus 18:11→Psalmen 48:1→Jeremia 10:6→Psalmen 47:2→
— Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
Jehova is een groot God, en een groot Koning boven alle goden — boven alles wat ooit god genoemd wordt, of dat nu koningen of overheden zijn of wat ook.
Psalmen 95:4.KruisverwijzingenPsalmen 135:6→Job 9:5→Psalmen 65:6→Nahum 1:5→Habakuk 3:6→Psalmen 97:5→Habakuk 3:10→Psalmen 21:2→
— In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
Laag en hoog, verborgen en verheven: de heerschappij van God omvat heel de natuur.
Psalmen 95:5.KruisverwijzingenGenesis 1:9→Job 38:10→Spreuken 8:29→Spreuken 8:26→Psalmen 33:7→Psalmen 146:6→Jeremia 5:22→Jona 1:9→
— Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
De schepping is de beste grond voor het bezit: wat Hij gemaakt heeft is Zijn eigendom — Hij is de grote eigenaar, de soevereine Heer van alles.
Psalmen 95:6-7.KruisverwijzingenPsalmen 100:3→Daniël 6:10→2 Kronieken 6:13→Filippenzen 2:10→Hebreeën 4:7→Exodus 20:5→Hebreeën 3:7→Hebreeën 3:15→
— Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
“Want Hij is onze God.” O, dat is het zoetste van alles. Laten heerlijkheden en landen hebben welke meesters zij willen; laten wij toch onze eigen God gehoorzamen en aanbidden. Hij is de Herder, die ons elke dag leidt, voedt, beschermt en bewaakt.
Psalmen 95:7-10.KruisverwijzingenExodus 17:7→Hebreeën 3:17→Hebreeën 4:7→1 Korinthe 10:9→Numeri 14:22→Hebreeën 3:7→Hebreeën 3:15→Numeri 20:13→
— Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort, Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn; Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen. Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
Was dat niet genoeg? Is er reden Hem opnieuw te bedroeven? Denk met medegevoel aan wat God van één geslacht verduurde, en laat een volgend geslacht niet in hun boze voetstappen treden.
Deze psalm weergalmt van het blijde geluid van hartelijke dankzegging aan Jehova, en toch hoort u voordat hij eindigt de ernstige tonen van de opwekking aan mensen om naar de stem van hun God te luisteren. De Kanaäniet woont nog altijd te midden van Israël. In elke vergadering van gelovigen is een vermenging van mensen die de wegen van God niet kennen. Toen Israël uit Egypte trok, kwam er een gemengde hoop mee met het volk van God — die hun grote schade deed en hen vaak in grote zonde en de daaruit volgende droefheid bracht; maar zij waren er altijd. En zij zijn hier ook altijd, in de gemeente, en onteren ons door hun kwaad gedrag. Zelfs in kleine vergaderingen van gelovigen komen wij de onwaardigen tegen; er komen nauwelijks twaalf bijeen zonder een Judas in hun midden.
Zo is er in ons luidste loven altijd een zekere wanklank; en wanneer wij de Allerhoogste met onze beste hallelujahs geprezen hebben, worden wij geroepen om in nederig zwijgen te luisteren naar Zijn waarschuwende stem, gericht tot de ongelovigen en ongehoorzamen onder ons. Het is goed voor ons onszelf te onderzoeken of wij tot die groep behoren en of de woorden die voor ons liggen niet tot óns gericht zijn: verhardt uw hart niet.
Maar stel dat wij naar de HEERE geluisterd hebben en daardoor een vrede als een rivier gevonden hebben, dan is het goed te denken aan hen die naast ons zitten en die in ongeloof leven — opdat wij God des te meer zegenen voor de onderscheidende genade die aan ons betoond is, en opdat wij ernstige gebeden voor hen opzenden.
Psalmen 95:10.KruisverwijzingenHebreeën 3:17→Spreuken 1:22→Handelingen 7:36→Spreuken 1:7→Numeri 14:33→Hebreeën 3:9→Numeri 32:13→Romeinen 1:28→
— Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
Niet enkel uit onwetendheid, maar “van hart”. Zij dwaalden niet alleen met hun voeten en hun tong, maar in hun hart. Zij hebben Gods werken gezien maar niet verstaan. Hij zegt: zij zagen Mijn werk — maar u kunt zien en toch niet kennen; want wat enkel met het oog gezien wordt en niet met het hart verstaan, is niet gekend.
Psalmen 95:11.KruisverwijzingenNumeri 14:23→Hebreeën 4:3→Hebreeën 4:5→Hebreeën 3:18→Hebreeën 3:11→Mattheüs 11:28→Deuteronomium 1:34→Numeri 14:28→
— Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
Ach mij!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Werd de Heere in den vorigen Psalm (vs. 22) door de gemeente in geloofsvertrouwen als de steenrots harer toevlucht geprezen, zo kan zij thans, na de intussen opgedane ondervindingen vol dankbare vreugde voor den Rotssteen haars heils (Psalm 95: 1) juichen. Sloot de vorige Psalm met het zeker uitzicht, dat de Heere de vijanden, die zijn volk toen plaagden, om hun boosheid zou verdelgen, nu is dit uitzicht heerlijk vervuld, en Israël staat weer aan het begin van een tijd even rijk in genade, als na de uitleiding uit Egypte (Psalm 95: 3 vv. vgl. Exodus 15: 1 vv.). Nu komt het er op aan, dat met den in genade rijken tijd van ‘s Heren zijde niet weer, gelijk vroeger bij den tocht door de woestijn, van de zijde des volks een tijd van verstoktheid zou gepaard gaan, welke Gods genade vergeefs maakt en Israël’s inleiding in de rust onmogelijk (vs. 7 vv. vgl. Deuteronomium 1: 34 vv.). Wij zullen wel niet mistasten, wanneer wij als feestelijke gelegenheid, voor welke onze Psalm in de eerste plaats vervaardigd is, de inwijding houden van den, na de ballingschap weer opgebouwden, tempel in de maand Adar (Maart) van het jaar 515 v.Chr. (Ezra 6: 18 ) Het “heden,” dat toen voor Israël was aangebroken, wijst op het Nieuwe Testament, op de door Christus volbrachte verlossing en de oprichting van het rijk der genade in de Christelijke kerk, en in zoverre bezit de Psalm zonder twijfel een Messiaans karakter (Hebr. 3 en 4).
I. Vs. 1-5.Kruisverwijzingen2 Samuël 22:47→Psalmen 96:4→Psalmen 97:9→Psalmen 81:1→Psalmen 89:26→Psalmen 145:3→Psalmen 100:4→Psalmen 135:5→
— Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen. Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden; In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne; Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
De Psalm begint met een aansporen tot blijden lof voor God, die boven alle goden verheven is als de enige God en Koning, en boven alle dingen verheven als hun almachtig Schepper en Eigenaar.
Komt gij allen, die tot het volk van God (vs. 7) behoort, tot Zijn heiligdom, laat ons den HEERE vrolijk zingen, laat ons juichen ter ere van den rotssteen onzes heils (Psalm 89: 27).
Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan (liever ijlen 1), met lof; laat ons Hem juichen (Psalm 100: 1 vv.)met psalmen, liederen tot Zijne eer (Exodus 15: 2. 2 Samuel 23: 1).
De heilige zanger verlangt spoed, opdat de gelovigen daardoor betonen, dat zij gaarne en ijverig hunnen plicht vervullen. Deze opwekking onderstelt grote traagheid, die ons aangeboren is, wanneer God ons tot dankzegging roept.
Want de HEERE is een groot God, gelijk Hij door den val der Babylonische afgoden (Jes. 46: 1 vv.), en door het bewegen der harten van aardse koningen op nieuw gewezen heeft: Ja, Hij is een groot Koning boven alle goden. (Psalm 96: 4, 10). De woorden worden verklaard uit de tegenstelling tegen den waan der wereld, die Jehova nog slechts de betekenis van enen kleinen God liet, en Hem ver beneden hare goden plaatste. Evenals in vs. 4 en 5 wordt niet slechts de hoogste rang, maar het aanzijn der laatsten ontkend. Is de Heere alles, zo hebben zij niets, en een god, die niets heeft, kan ook niet bestaan.
De Heere alleen mag God worden genoemd, Hij, in wiens hand, onder wiens bestuur de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne (Job 26: 6).
En niet alleen zijn de diepste en de hoogste plaatsen Zijn eigendom, maar het heelal in al zijne lengte en breedte. Hij is die God, Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijne handen hebben het droge, het vasteland (Genesis 1: 9 vv.) geformeerd. Het is een even zo duidelijk getuigenis van de diepte van den afgrond, waarin wij gevallen zijn, als van de, ondoorgrondelijke barmhartigheid onzes Gods, dat Hij Zich in Zijn Woord zo dikwijls in Zijne heerlijkheid tegenover de afgoden stelt; en wanneer dus deze plaatsen bij den eersten oogopslag dikwijls minder toegankelijk voorkomen, zo willen wij toch niet vergeten, dat nog heden met elke natuurlijken mens een afgodendienaar wordt geboren, en dat de schandelijke afgoderij met den Mammom enz. nog heden geheel dezelfde is.
De dichter ontvouwt hier het geloofsinzicht in de Majesteit en de heerlijkheid Gods. Hij vermeldt Hem als den Schepper, maar ook als den Regeerder van al wat bestaat. Hij belijdt het hier, dat alles aan die machtige God behoort en daarom roept hij in het volgende vers uit, om voor Hem neer te knielen en Hem te aanbidden6.
II. Vs. 6-11.KruisverwijzingenPsalmen 100:3→Exodus 17:7→Hebreeën 3:17→Numeri 14:23→Hebreeën 4:3→Daniël 6:10→2 Kronieken 6:13→Hebreeën 4:5→
— Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft. Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort, Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn; Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen. Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!
De aansporingen om God te loven en te aanbidden wordt herhaald. Deze als tot Israël, ‘s Heren eigen en door Hem hoog begenadigd volk, gericht, wordt nog aangedrongen met ene derde bijzondere beweegreden. Deze is gelegen in des zulks roeping en verkiezing, waarmee ene daaraan overeenkomstige verzorging en leiding gepaard gaan. Wat eens door de redding uit Egypte en de leiding door de woestijn naar het beloofde land tot stand werd gebracht, dat was onlangs herhaald door de bevrijding uit de ballingschap, door de terugvoering in het land der vaderen en de teruggave van een heiligdom. Een nieuwe heerlijke toekomst wordt voor Israël geopend, en alsdan mogen zich de harten niet tegen Gods stem verstokken, gelijk vroeger het volk in de woestijn gedaan heeft, opdat zij Gods genade niet gelijk dit verdartelen.
Komt, laat ons aanbidden en neder bukken, laat ons knielen voor den HEERE, die ons gemaakt heeft, niet alleen tot mensen, maar tot Het volk Zijner verkiezende genade (Deuteronomium 32: 6. Psalm 100: 3). Wij hebben hier het toppunt van den Psalm, het plechtig ogenblik der aanbidding voor ons. Datgene, waar het hart vol van is, zoekt zich ook door den vorm uit te drukken.
Het is hier niet alleen te doen om de dankbaarheid van het hart, maar tevens wordt de uiterlijke betoning van vroomheid gevorderd; want dat ligt in de drie woorden: aanbidden, knielen, neervallen,” dat de gelovigen dan alleen hun plicht volbrengen, wanneer zij openlijk, zowel door kniebuiging als door andere tekenen zich Gode ten offer geven.
Want Hij is onze God, terwijl Hij de heidenen hun eigene wegen heeft laten gaan, (Hand. 14: 16), en wij zijn het volk Zijner weide, het volk, waaraan Hij een zo heerlijk land ter bezitting heeft gegeven (Psalm 74: 1; 79: 13. (Jer. 23: 1; 25: 36, 38), en de schapen Zijner hand 1), die Hij onder Zijne eigene leiding en bescherming genomen heeft (Psalm 23: 3 vv.; 100: 3). Heden, zo gij Zijne stem hoort 2), die u met zo sterken aandrang, met zo veel liefde dringt.
In dit vers gaat de dichter van het algemene tot het bijzondere over. Niet alleen deelde Israël in het algemeen regeren Gods, maar ook in het bijzonder. Hij was Israëls God in de geheel enige betekenis van het woord. Zij waren Zijn eigendom, de schapen Zijner weide.
De aanhaling en toepassing van dit woord door Paulus (Hebr. 4) bewijst, dat dit “heden” ziet op de aankondiging van de betere en volmaakte rust door den Messias te bereiden, en die er overblijft voor het volk van God. Want noch de rust van den Sabbat, noch die van het hand Kanaän, waarin Jozua het volk gebracht had, was de ware rust; beide waren slechts voorbeelden van de ware en eeuwige rust, en van die rust had de Heere door David gesproken, het was de rust, hier in het geloof en namaals in dadelijk genot in het hemelse Kanaän.
Verhardt uw hart niet, gelijk in het veertigste jaar van de woestijnreis geschiedde, te Meriba (Numeri 20: 2 vv.), gelijk als toen de uittocht uit Egypte eerst onlangs had plaats gehad, ten dage van Massa in de woestijn (Exodus 17: 1 vv.). Het is de vraag of met Meriba en Massa ene en dezelfde geschiedenis bedoeld is, welke Exodus 17: 1 vv. verhaald wordt (want die plaats in Rafidim ontving den dubbelen naam Massa en Meriba, d.i. verzoeking en twist), of dat tevens (gelijk Deuteronomium 33: 8) aan het twistwater te Kades Barnea (Meriba Psalm 106: 32) gedacht wordt. De Septuaginta vertaalt naar de eerste opvatting, terwijl zij tevens de beide eigennamen niet als zodanig maar naar hun betekenis (vgl. Hebr. 3: 7) opneemt; wij trekken de tweede opvatting voor, omdat dan het dubbele “gelijk” meer tot zijn recht komt, maar ook, omdat Meriba vooraan staat. Dit staat, gelijk uit het volgende blijkt, op den voorgrond van de rede des Heeren, en kan wegens de 40 jaren in vs. 10 slechts op het twistwater in Kades doelen; terugziende wordt dan echter bij de latere verzoeking van God de vroegere herinnerd, om te doen opmerken, dat de weerspannigheid van het volk gedurende de gehele reis in de woestijn geduurd heeft.
Waar Mij uwe vaders verzochten a), Mij beproefden, onderzochten (Luk. 24: 39) hoe ver zich Mijn vermogen uitstrekte, ook Mijn werk zagen (hoewel zij zo duidelijk Mijn werk zagen) (Psalm 78: 19 vv. (Numeri 14: 22).
Hebr. 3: 9.
a) Veertig jaren, want zo land hebben zij volhard, zodat het niet ogenblikkelijke zwakheden waren of overrompelingen, veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijne wegen niet (Deuteronomium 29: 4).
Hebr. 3: 17.
Daarom heb Ik in Mijnen toorn (Numeri 24: 23) gezworen: Zo zij in Mijne rust, in de door Mij hun toegedachte plaats der rust (Deuteronomium 12: 9) zullen ingaan! Het einde van den Psalm is ernstig en treurig; de heilige zanger voorziet dat het treurige schouwspel van het verledene in de toekomst nog eens zal herhaald worden, dat Israël weer den tijd der genade niet zal opmerken. Zijn voorgevoel is ten tijde van het Nieuwe Testament op ontzettende wijze vervuld. Even als Salomo bij de inwijding van den eersten tempel reeds de geschiedenis van zijne verwoesting en van Israëls wegvoering in de ballingschap voorziet door ingeving des Heiligen Geestes (1 Koningen 8: 46 vv.), zo kan het nauwelijks aan enigen twijfel onderhevig zijn, dat het juist de dag der inwijding van den tweeden tempel, dien van Zerubbabel is, op welken de Geest der profetie de ziel van den profeet met hetzelfde treurige uitzicht vervult, dat later onzen Heere Jezus Christus tot tranen beweegt (Luk. 19: 41 vv. 19.41) De tempel, dien Jezus voor ogen had (Mark. 13: 1 vv.), is wel is waar de Herodiaanse, doch deze tempel kan niet de derde genoemd worden, hoewel de ombouw van Herodes werkelijk een nieuw gebouw geworden was, maar hij zou volgens de uitspraak van Herodes zelven slechts ene vergroting en verfraaiing van dien van Zerubbabel zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel