Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329, opH5921 de GitthithH1665.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.
KJV
[[To the chief Musician1
upon Gittith,3
A Psalm4
of David.]]5
O LORD
our Lord,
how excellent
is thy name
in all the earth!
who hast set
thy glory
above the heavens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
O HEEREH3068, onze HeereH113! hoeH4100 heerlijkH117 is Uw NaamH8034 op de ganseH3605 aardeH776! Gij, dieH834 Uw majesteitH1935 gesteldH5414 hebt boven de hemelenH8064.
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
KJV
Out of the mouth
of babes
and sucklings
hast thou ordained
strength
because of thine enemies,
that thou mightest still
the enemy
and the avenger.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Uit de mondH6310 der kinderkensH5768 en der zuigelingenH3243 hebt Gij sterkteH5797 gegrondvestH3245, om Uwer tegenpartijenH6887 wil, om den vijand en wraakgierigeH5358 te doen ophoudenH7673.
Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
Ook in dit vers
vijandH341
KJV
When I consider
thy heavens,
the work
of thy fingers,
the moon
and the stars,
which thou hast ordained;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
AlsH3588 ik Uw hemelH8064 aanzieH7200, het werkH4639 Uwer vingerenH676, de maanH3394 en de sterrenH3556, dieH834 Gij bereidH3559 hebt;
Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
KJV
What is man,
that thou art mindful
of him? and the son
of man,
that thou visitest
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WatH4100 is de mens, dat Gij zijner gedenktH2142, en de zoonH1121 des mensen, dat Gij hem bezoektH6485?
Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
Ook in dit vers
mensenH120
mensH582
KJV
For thou hast made him a little
lower
than the angels,
and hast crowned
him with glory
and honour.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En hebt hem een weinigH4592 minderH2637 gemaakt dan de engelenH430, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroondH5849?
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
Ook in dit vers
heerlijkheidH1926
eerH3519
KJV
Thou madest him to have dominion
over the works
of thy hands;
thou hast put
all things under his feet:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gij doet hem heersenH4910 over de werkenH4639 Uwer handenH3027; Gij hebt allesH3605 onderH8478 zijn voetenH7272 gezetH7896;
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
KJV
All sheep
and oxen,
yea, and the beasts
of the field;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
SchapenH6792 en ossenH504, alleH3605 die; ook mede de dierenH929 des veldsH7704.
Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
KJV
The fowl
of the air,
and the fish
of the sea,
and whatsoever passeth through
the paths
of the seas.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Het gevogelteH6833 des hemelsH8064, en de vissenH1709 der zee; hetgeen de padenH734 der zeeen doorwandelt.
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
Ook in dit vers
zeeH3220
zeeenH3220
doorwandeltH5674
KJV
O LORD
our Lord,
how excellent
is thy name
in all the earth!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
O HEEREH113, onze HeereH3068! hoeH4100 heerlijkH117 is Uw NaamH8034 op de ganseH3605 aardeH776!
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
gitthith
Dit houden sommigen ook voor zekeren toon, of een instrument der muziek, tot het spelen en zingen der psalmen gebruikt bij de nakomelingen [gelijk enigen menen] van Obed-Edom, die een Leviet en zanger was, genoemd de Gitthiet; 2 Sam. 6:10 . Het Hebr. woord Gath [waarvan Gitthit schijnt te komen] is de naam van een vermaarde stad der Filistijnen, [waar sommigen menen dit instrument eerst gevonden te zijn, en betekent ook een wijnpers, of oliepers, waarom [alsmede uit den inhoud van dezen psalm] enigem gissen dat deze psalm gemaakt is om gezongen te worden als dankpsalm ten tijde van den wijnoogst.
Hertaald:
gitthith
Dit houden sommigen ook voor een bepaalde toon, of een muziekinstrument, gebruikt voor het spelen en zingen van de psalmen bij de nakomelingen [zoals sommigen menen] van Obed-Edom, die een Leviet en zanger was, de Gitthiet genoemd; 2 Sam. 6:10. Het Hebreeuwse woord Gath [waarvan Gitthith lijkt af te stammen] is de naam van een beroemde stad van de Filistijnen, [waar sommigen menen dat dit instrument voor het eerst gevonden is], en betekent ook een wijnpers, of oliepers, daarom [en ook vanwege de inhoud van deze psalm] vermoeden sommigen dat deze psalm gemaakt is om gezongen te worden als dankpsalm ten tijde van de wijnoogst.
heerlijk
Of, doorluchtig, grootmachtige, overtreffelijk geweldig , wijd vermaard. Alzo Jes. 33:21 ; Jer. 30:21 . Het Hebr. woord wordt ook den groten der aarde toegeschreven; Richt. 5:13 , Richt. 5:25 ; Neh. 3:5 ; Jer. 14:3 , en Jer. 25:34-35 , ook den godzaligen, Ps. 16:3 ; zelfs den bruisenden wateren van de Rode zee, Ex. 15:10 ; betekenende altoos enige zonderlinge uitnemendheid.
Hertaald:
heerlijk
Of: doorluchtig, grootmachtig, uitmuntend krachtig, wijd en zijd vermaard. Zo ook Jes. 33:21; Jer. 30:21. Het Hebreeuwse woord wordt ook toegeschreven aan de groten der aarde; Richt. 5:13, Richt. 5:25; Neh. 3:5; Jer. 14:3, en Jer. 25:34-35, ook aan de godvruchtigen, Ps. 16:3; zelfs aan de bruisende wateren van de Rode Zee, Ex. 15:10; en betekent steeds een bijzondere voortreffelijkheid.
naam op
Dat is, Gij zelf, met den roem van uwe macht, wijsheid en goedheid, die in al uwe werken blijkt.
Hertaald:
naam op
Dat is: Uzelf, met de roem van Uw macht, wijsheid en goedheid, die in al Uw werken blijkt.
boven de
Dat is, wiens majesteit onbegrijpelijk en oneindig is. Verg. 1 Kon. 8:27 . Of, Gij die uwe majesteit boven alle zienlijke hemelen zeer heerlijk openbaart. Verg. Ef. 4:10 .
Hertaald:
boven de
Dat is: Wiens majesteit onbegrijpelijk en oneindig is. Vergelijk 1 Kon. 8:27. Of: U Die Uw majesteit boven alle zichtbare hemelen op zeer heerlijke wijze openbaart. Vergelijk Ef. 4:10.
kinderkens
Versta, zodanige kinderen, die nu spraak en verstand beginnen te gebruiken, die op straat lopen spelen. Verg. Jer. 6:11 , en Jer. 9:21 ; Klaagl. 1:5 ; Matt. 21:16 ; hoewel het Hebr. woord anders gebruikt wordt. Zie Job 3:16 .
Hertaald:
kinderkens
Versta hieronder: zulke kinderen, die nu spraak en verstand beginnen te gebruiken, die op straat lopen te spelen. Vergelijk Jer. 6:11, en Jer. 9:21; Klaagl. 1:5; Matth. 21:16; hoewel het Hebreeuwse woord verder anders gebruikt wordt. Zie Job 3:16.
zuigelingen
Aan wie God zijn wonderlijke macht, goedheid en voorzienigheid alzo bewijst, dat zij daarvan een krachtig en onwedersprekelijk bewijs zijn. Waarop de Heere Christus deze woorden gepast heeft, zie Matt. 21:16 .
Hertaald:
zuigelingen
Aan wie God Zijn wonderlijke macht, goedheid en voorzienigheid zo bewijst, dat zij daarvan een krachtig en onweerlegbaar bewijs zijn. Waarop de Heere Christus deze woorden heeft toegepast, zie Matth. 21:16.
sterkte
Anders, krachtigen, of sterken lof; dat is, lof uwer kracht, of sterkte. Alzo Ps. 29:1 ; Ps. 96:7 en Ps. 118:14 . Verg. Matt. 21:16 .
Hertaald:
sterkte
Anders: krachtige, of sterke lof; dat is: lof van Uw kracht, of sterkte. Zo ook Ps. 29:1; Ps. 96:7 en Ps. 118:14. Vergelijk Matth. 21:16.
gegrondvest,
Dat is, vastelijk geordineerd, besloten en volbracht. Verg. Est. 1:8 , en Ps. 11:3 .
Hertaald:
gegrondvest,
Dat is: vast geordend, besloten en volbracht. Vergelijk Est. 1:8, en Ps. 11:3.
tegenpartijen
Dat is, om de loochenaars en bespotters van uw goddelijke regering en voorzienigheid te beschamen.
Hertaald:
tegenpartijen
Dat is: om de loochenaars en bespotters van Uw goddelijke bestuur en voorzienigheid te beschamen.
wraakgierige
Hebr. dengene, die zich wreekt.
Hertaald:
wraakgierige
Hebreeuws: hem die zich wreekt.
ophouden
Om hem te bedwingen en van zijn lasterlijk voornemen te doen afstaan.
Hertaald:
ophouden
Om hem te bedwingen en van zijn lasterlijke voornemen af te laten.
Als ik
Anders, want ik aanzie, of zal aanzien, enz.
Hertaald:
Als ik
Anders: want ik aanzie, of zal aanzien, enzovoort.
vingeren,
Dat is, die Gij met uw wonderlijke wijsheid zo kunstig gewrocht hebt; ene gelijkenis van mensen, die zeer kunstig met de vingers werken, als stikkers, borduurwerkers, enz.
Hertaald:
vingeren,
Dat is: die U met Uw wonderlijke wijsheid zo kunstig gemaakt hebt; een vergelijking met mensen die zeer kunstig met de vingers werken, zoals borduursters, weefsters, enzovoort.
hebt
Versta hierop: zo gedenk ik bij mijzelven, of roep uit, aldus;
Hertaald:
hebt
Versta hierbij: zo denk ik bij mijzelf, of roep ik uit, als volgt.
mens,
Of, broze ellendige mens. Het Hebr. woord enos komt van een woord, dat zeer zwak, ja dodelijk krank zijn betekent. Zie Job 5:17 .
Hertaald:
mens,
Of: brozen, ellendigen mens. Het Hebreeuwse woord enosj komt van een woord dat zeer zwak, ja doodziek zijn betekent. Zie Job 5:17.
gedenkt
Door dit denken en bezoeken Gods wordt voornamelijk verstaan het ganse genadewerk in den Messias, onzen Heere Christus, den vervallen mens bewezen, waartoe het volgende mede behoort. Verg.wijders Gen. 8:1 , en Gen. 21:1 .
Hertaald:
gedenkt
Door dit denken en bezoeken van God wordt vooral verstaan het hele genadewerk in de Messias, onze Heere Christus, aan de gevallen mens bewezen, waartoe ook het vervolg behoort. Vergelijk verder Gen. 8:1, en Gen. 21:1.
de zoon des mensen,
Of, Adamskind. Zie 1 Kon. 8:39 .
Hertaald:
de zoon des mensen,
Of: Adamskind. Zie 1 Kon. 8:39.
een
Deze woorden worden door den apostel op onze Heere Christus gepast, Hebr. 2:9 .
Hertaald:
een
Deze woorden worden door de apostel toegepast op onze Heere Christus, Hebr. 2:9.
weinig
Dat is, een klein deel, niet veel, of een korte tijd. Zie Ps. 2:12 .
Hertaald:
weinig
Dat is: een klein deel, niet veel, of een korte tijd. Zie Ps. 2:12.
engelen,
Hebr. Elohim; hetwelk hier beduidt engelen. Zie Hebr. 2:9 .
Hertaald:
engelen,
Hebreeuws: Elohim; wat hier engelen betekent. Zie Hebr. 2:9.
alles
Dit wordt in het volgende verklaard.
Hertaald:
alles
Dit wordt in het vervolg uitgelegd.
Schapen
Dat is, klein vee. Zie Gen. 12:16 .
Hertaald:
Schapen
Dat is: kleinvee. Zie Gen. 12:16.
ossen,
Dat is, groot vee.
Hertaald:
ossen,
Dat is: grootvee.
dieren
Versta, de wilde dieren. Zie van het Hebr. woord Gen. 1:26 , en Gen. 6:7 .
Hertaald:
dieren
Versta hieronder: de wilde dieren. Zie over het Hebreeuwse woord Gen. 1:26, en Gen. 6:7.
stadhouders,
Gelijk boven, Est. 3:12 .
Hertaald:
stadhouders,
Zoals hierboven, Est. 3:12.
hoe heerlijk
Gelijk boven vs.2.
Hertaald:
hoe heerlijk
Zoals hierboven vers 2. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!" (Ps. 8:2). Met diezelfde regel eindigt de psalm ook; het geheel staat dus tussen twee gelijke zinnen. Meteen daarna volgt iets onverwachts: God grondvest sterkte "Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen" (Ps. 8:3). Dan kijkt de dichter omhoog naar de maan en de sterren, het werk van Gods vingers (Ps. 8:4), en daar komt de vraag uit voort: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?" (Ps. 8:5). Het antwoord verheft de mens juist: hij is een weinig minder gemaakt dan de engelen en met eer en heerlijkheid gekroond (Ps. 8:6), en alles is onder zijn voeten gezet (Ps. 8:7-9). Bijbelse betekenis: De psalm zet twee dingen naast elkaar die elkaar lijken uit te sluiten. De mens is nietig tegenover de sterrenhemel, en hij is gekroond met eer. Beide zijn waar, en het tweede is niet zijn verdienste maar zijn ambt: God heeft hem aangesteld. Merk op waar de sterkte vandaan komt in Ps. 8:3. Niet van legers maar uit de mond van kleine kinderen; dat is dezelfde omkering die in heel de Schrift terugkeert. Let ten slotte op de vraag zelf. Zij wordt niet gesteld uit moedeloosheid maar uit verwondering, en het antwoord luidt niet dat de mens veel voorstelt maar dat God aan hem denkt. Typologie: De Heere Jezus haalt Ps. 8:3 aan wanneer de kinderen in de tempel roepen (Matt. 21:16). De Hebreeënbrief neemt de hele psalm op en past haar toe op Christus: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt" (Hebr. 2:6), en dan: "wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond" (Hebr. 2:9). Paulus gebruikt Ps. 8:7 voor Zijn heerschappij: "Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen" (1 Kor. 15:27). Ps. 8:2-9; Matt. 21:16; Hebr. 2:6; Hebr. 2:9; 1 Kor. 15:27 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe David kijkt 's nachts omhoog naar de maan en de sterren, het werk van Gods vingeren. En dan komt de vraag die iedereen kent die weleens naar een sterrenhemel heeft gestaan. Bij het zien van de sterren vraagt David wat de mens toch is — en de Hebreeënbrief past het antwoord toe op Christus. De psalm begint en eindigt met dezelfde regel: o HEERE, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde. Daartussen staat alles. Eerst het kleine: uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest. Christus haalt dat vers aan wanneer de kinderen in de tempel roepen en de overpriesters zich eraan ergeren. Dan het grote: als ik Uw hemel aanzie, wat is de mens dat Gij zijner gedenkt? Tegen die achtergrond stelt de vraag zichzelf. En dan het antwoord, dat hoger uitkomt dan de vraag: Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond; Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, Gij hebt alles onder zijn voeten gezet. De kanttekening zegt kort waar dat op uitloopt: deze woorden worden door de apostel toegepast op onze Heere Christus, Hebreeën 2:9. En bij het woord voor engelen tekent zij aan dat er in het Hebreeuws Elohim staat, wat hier engelen betekent. De Hebreeënbrief neemt de psalm in zijn geheel op en zegt er eerlijk bij wat iedereen ziet: nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn. Kijk om u heen en de mens regeert allerminst. Maar dan volgt de omslag: maar wij zien Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond, vanwege het lijden des doods. Daarmee is de vraag van vers 5 tweemaal beantwoord. Wat is de mens? Klein, en gekroond. En het tweede geldt pas ten volle van Eén — Die daarvoor eerst een weinig minder werd dan de engelen. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 2:6-9; Mattheüs 21:16; 1 Korinthe 15:27; Efeze 1:22
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas In het overwinnen van de tegenstand van de machten van het kwaad vertoont God een heerlijkheid die opmerkelijker is dan wat Hij verkrijgt door de grootste daden van scheppende macht. Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren, die U hun plaats gegeven hebt… Psalm 8:4 Spurgeon bracht graag een bezoek… En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Psalm 8:6 Onder ‘heerlijkheid’ versta ik de volmaakte staat van… Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de… 6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? 7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen;… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. 2 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit… Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith. (8:2) O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 8
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Wat is de mens? — 8:2-10
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Sterren
De bedoeling van eeuwige liefde
Wat wij voor God betekenen
Psalm 8:6-10
Psalm 8:1-5
Een lofzang voor de Heere


Psalmen 8
Psalmen 8:2.KruisverwijzingenMattheüs 21:16→1 Korinthe 1:27→Mattheüs 11:25→Psalmen 44:16→Habakuk 2:20→Exodus 15:16→2 Korinthe 12:9→Jesaja 37:36→
— O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.
De hemelen zijn zeer hoog, maar Uw heerlijkheid is hoger dan de hemelen. Zo begint en zo eindigt de psalmdichter deze psalm: met het prijzen van de Naam des Heeren.
Psalmen 8:3.KruisverwijzingenPsalmen 111:2→Psalmen 148:3→Job 25:3→Genesis 1:1→Psalmen 104:19→Exodus 31:18→Romeinen 1:20→Job 22:12→
— Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.
De macht van God wordt vertoond in menselijke zwakheid — sterkte uit de mond van kinderkens — en zo verheerlijkt Hij Zichzelf door het geringste te gebruiken en het Zijn lof te doen verkondigen tot beschaming van Zijn tegenstanders.
Er is een heerlijkheid van God te zien in de schepping, maar in de verlossing zijn er bijzonder heldere openbaringen. In de schepping was er geen tegenstand. Toen God deze wereld formeerde, was er geen tegenwerkende kracht die tegen Hem streed. Hij sprak en het was er. Het volstrekte niets was geen hindernis voor de schepping. Maar in de sfeer van de zedelijke en geestelijke dingen wordt “de vijand” ontmoet, en hier is een arbeid God waardig: deze vijand omver te werpen en de boze stem te stillen die de mensenkinderen vervloekt. In het overwinnen van de tegenstand van de machten van het kwaad vertoont God een heerlijkheid die opmerkelijker is dan wat Hij verkrijgt door de grootste daden van scheppende macht.
Psalmen 8:4-5.KruisverwijzingenPsalmen 144:3→Job 7:17→Hebreeën 2:6→Hebreeën 2:9→Hebreeën 2:7→Genesis 1:26→2 Kronieken 6:18→Psalmen 80:17→
— Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?
Hij, Wiens stem de sterren voortrolt, Die die heldere werelden doet vliegen als vonken van het aambeeld van Zijn almacht — hoe kan Hij Zich zo laag neerbuigen dat Hij acht geeft op Zijn gevallen schepsel, de mens, die zo klein is, zo onbeduidend?
Psalmen 8:6-7.KruisverwijzingenGenesis 1:28→Genesis 1:26→Hebreeën 2:8→Mattheüs 28:18→Efeze 1:22→Genesis 9:2→Psalmen 110:1→1 Petrus 3:22→
— En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
De mens is Gods stadhouder. Hij regeert over Gods werken in Gods Naam. Laat hij zich niet opwerpen als koning en niet trachten de eer van zijn grote Heere aan te randen, de Gebieder, de Regeerder van het heelal.
Psalmen 8:8-9.KruisverwijzingenPsalmen 8:1→Psalmen 148:10→Genesis 1:20→Deuteronomium 33:26→Psalmen 104:24→Job 40:15→Job 38:39→Job 11:7→
— Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
Wat een koning is de mens! Laat hij niet wreed zijn tegen de dieren van het veld; laat hij geen tiran zijn, want God heeft hem daartoe niet gemaakt. Laat zijn heerschappij edelmoedig en vriendelijk zijn; en moeten de dieren lijden, spaar hun dan zoveel lijden als mogelijk is. O mens, wees een edelmoedig stadhouder, want u staat onder een allergoedertierenste Koning, Die Zelf de gelukzalige God is en Die vermaak heeft in het geluk van al Zijn schepselen!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een psalm (Psalm 3: 1) van David, voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1) op de Gitthith, een snareninstrument, of ene zangwijze, die van de Filistijnse stad Gath haren naam had (1 Kronieken 25: 31 ). Wat nu de Psalm zelf betreft en waarop hij doelt is voornamelijk te bezien. David stelt zich wel voor ogen, de verwonderlijke deugd en ere Gods in het scheppen en besturen van de gehele wereld, maar deze zijde slechts even aanroerende, verwijlt hij bij de beschouwing van de hoogste Goedheid jegens ons. En zeker, ofschoon er zeer overvloedige stof is in de gehele ordening der natuur, om God te verheerlijken, dewijl wij echter door eigen ondervinding meer worden opgewekt, vermeldt David niet zonder oorzaak met opzet zijne bijzondere gunst jegens het menselijk geslacht. Dewijl dit toch de meest in het oog vallende spiegel is, waarin wij Zijn glorie kunnen beschouwen. Het is echter verwonderlijk, waarom hij met een uitroep begint, waar de zaak zelf eerder pleegt verhaald te worden, dan dat men terstond hare grootheid verhef. Maar indien wij vasthouden, wat ook elders gezegd wordt, dat hij niet met woorden kan uitdrukken de grootheid der werken Gods, dan zal het ons volstrekt niet verwonderlijk toeschijnen, dat David met dezen vorm van spreken bekent, dat hij tot het verhalen er van onbekwaam is. Dewijl dus David de onschatbare genade, waarmee God het menselijk geslacht verwaardigd heeft, bij zichzelven overweegt, gevoelt hij, dat alle zijne gedachten wegzinken en overstelpt worden, en roept uit, dat het een zaak is, der bewondering waardig, dewijl zij met woorden niet kan worden uitgedrukt.
2. Deze Psalm is niet, gelijk velen aannemen, uit den tijd toen David nog op Bethlehems velden de kudden van zijnen vader Isaï weidde (1 Samuel 18: 13 ). Uit veel latere jaren, toen hij een beproefd man was, en de Geest der profetie zijne woorden steeds meer tot woorden der voorzegging maakte van Hem, die na hem op zijnen troon zitten en Israël tot de beloofde heerlijkheid voeren zou, hebben wij hier een lofpsalm. Hij is in den nacht gedicht, en maakt tot een voorwerp van dank en lof datgene, wat in Genesis 1 gemeld wordt van de waardigheid van den mens, dien God tot Zijnen vertegenwoordiger op aarde geschapen had. Terwijl de heilige zanger daarbij alleen op de genade Gods ziet, die den mens zo hoog geplaatst heeft, zonder er op te letten, hoeveel de mens door de zonde daarvan verloren heeft, past de in den Psalm vervatte schildering, slechts op het begin en het einde van de geschiedenis der mensheid op het midden echter, waarin wij sedert den val tot aan de eindelijke herstelling leven, past zij ten opzichte van den mens zelven slechts zeer onvolkomen, en heeft hare ideale waarheid slechts reëel in datgene, waarin de menselijke natuur de waardigheid, die in den eersten Adam verloren werd, weer bezit in den tweeden Adam. Dit maakt den Psalm tot enen middellijk Messiaansen, gelijk ook in Matth. 21: 16. Hebr. 2: 6 vv. en 1 Kor. 15: 27 op dezen gewezen wordt. Vs. 2 en 3. Gods heerlijkheid openbaart zich op aarde door de pracht des hemels en op zo indrukwekkende wijze, dat zelfs kinderen die waarnemen, en door de bewonderende vreugde, die zij gevoelen, door den lof, dien zij stamelen, de dwaasheid van zijne verblinde lasteraars beschamen.
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam 1) Op de ganse aarde! Gij, die Uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen 2); boven aan den hemel staan de bewijzen Uwer heerlijkheid.
De Naam is naar het spraakgebruik der oude wereld in ‘t algemeen en van de Hebreeën in ‘t bijzonder het beeld en afdruksel van het Wezen, de echo Zijner openbaring. De in Zichzelven verborgen God is zonder naam; openbaring daarentegen en naam zijn van elkaar onafscheidbaar, de naam komt uit de openbaring geheel van zelf voort, en hoe heerlijker de openbaring is, des te heerlijker de naam, des te voller en rijker van betekenis wordt hij.
Hoe heerlijk is de naam van Jezus in de wereld. Zijne vlees wording, Zijne geboorte, Zijn nederig en verborgen leven, Zijne prediking, Zijne wonderen, Zijn lijden en sterven, opstanding en hemelvaart worden door de gehele wereld verheerlijkt. Van Zijnen godsdienst, van de giften en genadegaven des Geestes, van Zijn volk, Zijn Evangelie en van de predikers daarvan wordt overal gesproken. Geen naam is zo algemeen, gene macht of invloed zo alom ervaren, als die van den Redder der mensen.
De blik van den zanger rust ten tijde van den nacht op den sterrenhemel, en hoe meer hij in het aanschouwen van deze heerlijkheid zich verdiept, hoe meer het hem is. of zij in zulk ene majesteit daar is uitgegoten, dat er nauwelijks voor de aarde iets zou kunnen gebleven zijn, des te wondervoller is het hem, wanneer hij den blik naar beneden slaat, diezelfde openbaring van Goddelijke majesteit ook op aarde te ontmoeten.
Uit den mond der kinderkens, der jonge kinderen, en der zuigelingen hebt Gij sterkte 1), ene legermacht tot verdediging Uwer heerlijkheid en eer gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, welke U die eer willen ontroven, om den vijand, die tegen U woedt en den wraakgierige, die door U gekastijd in machteloze wraakzucht tegen U ontstoken is, te doen ophouden.
De bedoeling is, dat God, om Zijne Voorzienigheid groot te maken, niet nodig heeft de grote welsprekendheid der rethoren en zelfs geen geregelden vorm van taal, dewijl hij de stomme tongen der kinderen heeft, om haar juist en welsprekend genoeg te verheerlijken. Men kan echter vragen, in welken zin hij de kinderen maakt tot verkondigers van Gods ere. Dwaas redeneren zij, naar mijn oordeel, die menen, dat dit geschiedt, wanneer de kinderen gearticuleerd beginnen te spreken, dewijl als dan ook de intellectuele kracht der ziel zich openbaart, want toegegeven, dat de kinderen tot het zevende jaar aldus genaamd worden, hoe stellen zij het dan zich voor van hen, die aan de borst hangen, hoe die reeds welsprekend spreken. Niet minder past het, om de kleine kinderen en de zuigelingen allegorisch te houden voor gelovigen, die door Gods Geest worden geboren, geen smaak meer hebben in het vroegere. En waarom nu de woorden van David geweld aangedaan, wanneer de eigenlijke zin zo gemakkelijk kan worden verstaan? Kleine kinderen en zuigelingen nu noemt hij verdedigers, krachtig genoeg, om de Voorzienigheid Gods te verheerlijken. Waarom deelt hij die rol niet toe aan mannen, dan juist om ons te tonen, dat de kinderlijke tongen, vóórdat zij één woord kunnen uitbrengen, eerst door klanken spreken, hoe goedertieren God is jegens het menselijk geslacht. Want vanwaar is er voor hen, die zo pas uit de baarmoeder zijn voortgekomen. terstond voedsel hij de hand, zo God niet op bijzondere wijze het bloed in melk omzette? Van waar ook de takt om te zuigen, indien niet diezelfde God, door een hoger instinct, hun tongen daarvoor passend maakte? Derhalve verkondigt David hier, om een zeer goede reden, dat ofschoon alle mannelijke tongen het zouden verzuimen, de sprakeloze mond der zuigelingen geschikt genoeg is, om Gods lof te verkondigen.
In de uitdrukking “sterkte” ligt ene sterke ironie; tegenover de hevige aanvallen der godloochenaars vormt het stamelen der kinderen als het ware een verdedigingsburg, die volkomen voldoende is. Bij het woord zuigelingen hebben wij te denken, dat de kinderen der Hebreeën drie jaren lang gezoogd werden. Onze Staten-overzetters tekenen hierbij aan: “Aan welke God Zijne wonderlijke macht, goedheid en voorzichtigheid alzo bewijst, dat zij daarvan een krachtig en onwedersprekelijk bewijs zijn. Niet dat de kinderkens en zuigelingen spraken, maar zij verheerlijken God objectief, voorwerpelijk, dat is, zij geven aan de volwassenen stof om God in Zijne werken te verheerlijken, gelijk de hemelen, ‘t uitspansel, dag en nacht het doen (Psalm 19: 2,9). De mond van zuigelingen en kleine kinderen wordt hier gesteld tegenover de macht der vijanden Gods. De heerlijkheid en ere Gods wordt door die monden verhoogd. Die monden maken de tegenstanders beschaamd. Wij hebben hier hetzelfde danklied, wat ook de Apostel uitspreekt dat de Heere het kleine, zwakke en geringe heeft uitverkoren, om het sterke te beschamen. Dat we hier werkelijk met natuurlijke kinderen en niet met geestelijke kinderen Gods te doen hebben, blijkt duidelijk uit de eigen uitspraak des Heeren Jezus Christus op Zijn tocht naar Jeruzalem. 4.
II. Vs. 4-9.KruisverwijzingenPsalmen 144:3→Job 7:17→Hebreeën 2:6→Genesis 1:28→Hebreeën 2:9→Hebreeën 2:7→Genesis 1:26→Hebreeën 2:8→
— Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet; Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt.
Wanneer men deze heerlijkheid en grootheid Gods die zich aan den hemel openbaart, bedenkt, hoe moet het daar met aanbiddende bewondering, met innigen dank vervullen, dat God Zich zo ontfermd heeft over den zwakken mens, die geen blik van Hem waardig is, hem met heerlijkheid begenadigt, tot Zijnen stadhouder op aarde stelt, en hem de heerschappij over de aarde overgegeven heeft.
Als Ik Uwen hemel aanzie, het werk, het borduursel Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:
Zo moet ik uitroepen a): Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt 1), aan hem Uwe bijzondere opmerkzaamheid wijdt? en wat is de zoon des mensen 2), dat Gij hem bezoekt, hem Uwe bijzondere zorg doet ondervinden?
(Job 7: 17. Psalm 144: 3. Hebr. 2: 6).
De profeet wil zeggen: Gods wonderbare goedheid komt daardoor nog te helderder aan den dag, dat Hij, de grote Schepper, wiens almacht aan den hemel glinstert, een zo ellendig en onwaardig schepsel met den hoogsten roem versieren en met ontelbare schatten verrijken wilde.
Wellicht ligt op den achtergrond van Davids voorstelling ook de grootste aller genadegiften Gods, welke in het Nieuwe Verbond geopenbaard is (Hebr. 2: 6); want in Christus heeft ons bezocht de Opgang uit de hoogte, in Hem stijgt de mens tot de oorspronkelijke waarde en heerlijkheid, door welke hij over de wereld zal heersen. Veel minder wondervol is het, dat God zulk ene wereld als deze gemaakt heeft, dan dat hij, die zulk ene wereld maakte, op den mens kan letten in diens gevallen toestand, en de menselijke natuur met Zijne redding bezoeken.
Onder Zoon des mensen hebben we hier niet in de eerste plaats den Zoon des mensen te verstaan, maar den mens, zoals hij uit de hand Gods, naar Zijn beeld geschapen, is voortgekomen. Calvijn tekent dan ook zeer juist hier aan: “Eerst zegt hij, dat Hij hem met zo veel heerlijkheid heeft versierd, dat zijn toestand niet verre beneden de Goddelijke en hemelse ere is. Vervolgens vermeldt hij de uitgestrekte heerschappij en macht over alle creaturen, waaruit blijkt, tot hoe hogen graad van waardigheid God hem heeft verheven. Ik voor mij twijfel niet, of hij vermeldt al de uitstekende genadegaven, welke verklaren, dat de mensen naar het beeld Gods geformeerd zijn en geschapen, in de hope op een gelukkig en onsterfelijk leven.” Want wel beroept men zich op Hebr. 2: 7, maar wat hier de dichter van den mens zegt, zoals hij uit Gods hand voortkwam, dat past de Apostel toe in zijn hoogste volkomenheid op den Zone Gods en des mensen, dewijl Christus Jezus de tweede Adam is.
En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen 1) (Hebr. “Elohim” = God), Gij hebt hem ene bijna goddelijke waarde toegedeeld, door hem tot heer der aarde te stellen (Genesis 1: 26 vv.; 9: 2), en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond 1), tot enen onderkoning gemaakt?
Breng dit loflied terug tot het verhaal der schepping, waaruit het genomen is, dan zult gij gevoelen, met welk ene majesteit de mens voor ‘t eerst ver schijnt. In Hebr. 2: 6-9 worden vs. 5 en 6 van onzen Psalm op de heerlijkheid van Christus toegepast en van Zijne heerschappij over al het geschapene verklaard. Daarom hebben ook de oudere uitleggers dezen Psalm van den Christus verklaard. Het is echter duidelijk, dat David hier van het menselijk geslacht in het algemeen spreekt. Deze heerlijkheid was echter in het paradijs, en de mens bezit haar alleen in den Heere Jezus Christus, voor zo ver hij met Hem gemeenschap heeft.
De Psalmist noemt niet zozeer de oorspronkelijke rechtvaardigheid, als wel de heerschappij der mensen over de aardse schepselen ere en heerlijkheid.
Ook hieruit is het duidelijk, dat David in de eerste plaats denkt aan den mens in zijn rechtstaat vóór den val, want wat wij hier lezen is kennelijk terugslag op het Scheppingsverhaal in Genesis l. De dichter beschouwt den mens in het licht zijner oorspronkelijke bestemming. En vandaar, dat hij in de volgende verzen aangeeft, waarover zijn heerschappij gaat, én over de dieren des velds, én over het gevogelte des hemels, én over de dieren der zee. Het is waar, de dichter weet het, dat door den val die macht is verdonkerd en verduisterd, maar de dichter is een profeet en voor den profeet bestaat er geen afstand of tijd. In den geest ziet hij eenmaal weer, dien tijd aanbreken, dat in Zijn Zoon, naar het vlees, weer hersteld zal worden, wat in het Paradijs was verloren.
Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen, de aardse schepping a); Gij hebt alles onder zijne voeten gezet, alles aan hem onderworpen:
1 Kor. 15: 27.
Schapen en ossen, allen die; ook mede de dieren des velds,
Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt, benevens de vissen al de overige bewoners van het water. (Genesis 1: 21). Terwijl de Psalm enkel en alleen Gods gave en instelling op het oog heeft, beschouwt hij niet, wat de mens daarvan verwoest en vernietigd heeft. Dat echter, hetgeen den mens hier wordt, in ene zekere mate ook na den val hem nog eigen is, blijkt, behalve uit het woord in Genesis 9: 2, uit de dagelijkse ervaring. Geen schepsel is zo sterk, zo verwoed, zo slim, dat niet de mens, die betrekkelijk een der zwakkere schepselen is, op den duur zijn meester wordt (Jak. 3: 7). Desniettemin is er in dit opzicht een groot verschil tussen den toestand vóór en dien na den val. Vóór dien was de gehoorzaamheid jegens den door God gestelden plaatsvervanger een vrijwillige, na dien stonden der mensen onderdanen tegen hem op, als hij tegen zijnen Beheerser. Hij moet tegen hen, even als tegen de weerstrevende aarde, een zwaren strijd ondernemen, moet allerlei listen en kunsten aanwenden, en zo hij al over het algemeen overwinnaar blijft, lijdt hij toch in bijzondere gevallen menige nederlaag.
Van die soort van heerschappij, van welke het heet: “Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er,” is weer enig denkbeeld ontstaan, sedert wij het ware en volkomene evenbeeld Gods op aarde gezien hebben; hoe het door Zijnen heiligen wil alleen de ziekte wegneemt, en over den dood den scepter zwaait, over den storm gebied voert en over de golven der zee wandelt. Door den Zoon, die alleen vrij maakt, kunnen ook wij vrij worden (Joh. 8: 36) en dit is dan de oorzaak, waarom dit woord van den Psalm, dat alles aan zijne voeten onderworpen is in het N.Testament (1 Kor. 15: 27) voornamelijk op Dien toegepast wordt, in Wien de mensheid en Godheid in volkomene eenheid verschenen is.
Het is goed, dat de mens niet vergeet, dat hij tot mens geschapen werd en enen voortreffelijken aanleg en schone vermogens boven het redeloze vee ontving, opdat hij zich niet aan het onvernuftige dier gelijk stelle of daar beneden verlage, en alleen beseffe, dat God hem tot mens gemaakt, en voor de onsterfelijkheid het aanzijn gegeven heeft; maar niet minder goed en noodzakelijk is het, dat hij niet vergete, dat hij een ellendig stof bewoner en schuldig kind van Adam is, opdat hij het wete en gevoele, dat hij al zijne mensenwaarde door de zonde heeft verloren, en hij zich vernedere en verootmoedige voor God; goed zal het bovenal daarom zijn, dat hij zijne herstelling in Christus zoeke, in Hem, die een weinig minder geworden is dan de engelen van wege het lijden des doods, maar die daarom ook de Redder, de Hersteller van Zijne broederen werd. 10.
III. Vs. 10.
— O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!
Met dezelfden jubeltoon, waarmee de Psalm begint eindigt hij ook; het thema, Gods grootheid en des mensen grootheid wordt scherp en bepaald op den voorgrond gesteld: Ja, groot is God niet minder dan in de heerlijkheid des hemels in de waarde, die Hij in de volheid Zijner liefde en neerbuigende genade den mensen gegeven heeft.
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde (vs. 2)!
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel