Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
DavidsH1732 psalmH4210, voor den opperzangmeesterH5329.
Davids psalm, voor den opperzangmeester.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm3
of David.]]2
I waited
patiently
for the LORD;
and he inclined
unto me, and heard
my cry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik heb den HEEREH3068 lang verwacht; en Hij heeft Zich totH413 mij geneigdH5186, en mijn geroepH7775 gehoordH8085.
Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
Ook in dit vers
langH6960
verwachtH6960
KJV
He brought me up
also out of an horrible
pit,
out of the miry
clay,
and set
my feet
upon a rock,
and established
my goings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
En Hij heeft mij uit een ruisendenH7588 kuilH953, uit modderigH3121 slijkH2916 opgehaald, en heeft mijn voetenH7272 opH5921 een rotssteenH5553 gesteldH6965, Hij heeft mijn gangenH838 vastgemaaktH3559.
En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
Ook in dit vers
opgehaaldH5927
KJV
And he hath put
a new
song
in my mouth,
even praise
unto our God:
many
shall see
it, and fear,
and shall trust
in the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
En Hij heeft een nieuwH2319 liedH7892 in mijn mondH6310 gegevenH5414, een lofzang onzen GodeH430; velenH7227 zullen het zienH7200, en vrezenH3372, en op den HEEREH3068 vertrouwenH4009.
En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
Ook in dit vers
vertrouwenH982
lofzangH8416
KJV
Blessed
is that man
that maketh
the LORD11
his trust,
and respecteth
not the proud,
nor such as turn aside
to lies.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WelgelukzaligH835 is de manH1397, dieH834 den HEEREH3068 totH413 zijn vertrouwenH4009 steltH7760, en nietH3808 omziet naar de hovaardigenH7295, en die tot leugenH3577 afwijkenH7750.
Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
Ook in dit vers
omzietH6437
KJV
Many,
O LORD5
my God,
are thy wonderful
works which thou hast done,
and thy thoughts
which are to us-ward: they cannot be reckoned up in order
unto thee: if I would declare
and speak
of them, they are more
than can be numbered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
GijH859, o HEEREH3068, mijn GodH430! hebt Uw wonderenH6381 en Uw gedachtenH4284 aanH413 ons veleH7227 gemaaktH6213, men kan ze nietH369 in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigenH5046 en uitsprekenH1696, zo zijn zij menigvuldigerH6105 dan dat ik ze zou kunnen vertellenH5608.
Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
Ook in dit vers
bijverhalenH6186
KJV
Sacrifice
and offering
thou didst not desire;
mine ears
hast thou opened:
burnt offering
and sin offering
hast thou not required.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gij hebt geen lustH2654 gehad aan slachtofferH2077 en spijsofferH4503; Gij hebt mij de orenH241 doorboordH3738; brandofferH5930 en zondofferH2401 hebt Gij niet geeistH7592.
Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.
KJV
Then said
I, Lo, I come:
in the volume
of the book
it is written
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Toen zeideH559 ik: ZieH2009, ik komH935; in de rolH4039 des boeksH5612 is van mij geschrevenH3789.
Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.
KJV
I delight
to do
thy will,
O my God:
yea, thy law
is within
my heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Ik heb lustH2654, o mijn GodH430! om Uw welbehagen te doenH6213; en Uw wetH8451 is in het middenH8432 mijns ingewandsH4578.
Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
Ook in dit vers
welbehagenH7522
KJV
I have preached
righteousness
in the great
congregation:
lo, I have not refrained
my lips,
O LORD,
thou knowest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ik boodschapH1319 de gerechtigheidH6666 in de groteH7227 gemeenteH6951; zieH2009, mijn lippenH8193 bedwingH3607 ik nietH3808; HEEREH3068! GijH859 weetH3045 het.
Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
Ook in dit vers
gerechtigheidH6664
KJV
I have not hid
thy righteousness
within
my heart;
I have declared
thy faithfulness
and thy salvation:
I have not concealed
thy lovingkindness
and thy truth
from the great4
congregation.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Uw gerechtigheidH6666 bedekH3680 ik niet in het midden mijns hartenH3820; Uw waarheidH530 en Uw heilH8668 spreekH559 ik uit; Uw weldadigheidH2617 en Uw trouwH571 verheelH3582 ik niet in de groteH7227 gemeenteH6951.
Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
Ook in dit vers
middenH8432
KJV
Withhold
not thou thy tender mercies
from me, O LORD:
let thy lovingkindness11
and thy truth12
continually
preserve
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
GijH859, o HEEREH3068! zult Uw barmhartighedenH7356 vanH4480 mij nietH3808 onthoudenH3607; laat Uw weldadigheidH2617 en Uw trouwH571 mij geduriglijkH8548 behoedenH5341.
Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
KJV
For innumerable
evils
have compassed
me about: mine iniquities
have taken hold
upon me, so that I am not able
to look up;
they are more
than the hairs
of mine head:
therefore my heart
faileth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Want kwadenH7451, tot zonder getalH4557 toe, hebben mij omgevenH661; mijn ongerechtighedenH5771 hebben mij aangegrepenH5381, dat ik niet heb kunnen zienH7200; zij zijn menigvuldigerH6105 dan de harenH8185 mijns hoofdsH7218, en mijn hartH3820 heeft mij verlatenH5800.
Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
KJV
Be pleased,
O LORD,
to deliver
me: O LORD,
make haste
to help
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Het behageH7521 U, HEEREH3068! mij te verlossenH5337; HEEREH3068! haastH2363 U tot mijn hulpH5833.
Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
KJV
Let them be ashamed
and confounded
together
that seek
after my soul
to destroy
it; let them be driven
backward
and put to shame
that wish
me evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn zielH5315 zoekenH1245, om die te vernielenH5595; laat hen achterwaartsH268 gedrevenH5472 worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaadH7451.
Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Ook in dit vers
beschaamdH954
lustH2655
schaamroodH2659
zamenH3162
schandeH3637
KJV
Let them be desolate
for a reward
of their shame
that say
unto me, Aha,
aha.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Laat hen verwoestH8074 worden tot loonH6118 hunner beschamingH1322, die van mij zeggenH559: Ha, ha!
Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!
Ook in dit vers
HaH1889
haH1889
KJV
Let all those that seek
thee rejoice
and be glad
in thee: let such as love
thy salvation
say5
continually,
The LORD
be magnified.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Laat in U vrolijk en verblijd zijn allenH3605, die U zoekenH1245; laat de liefhebbersH157 Uws heilsH8668 geduriglijkH8548 zeggenH559: De HEEREH136 zij grootH1431 gemaakt!
Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!
Ook in dit vers
vrolijkH7797
verblijdH8055
KJV
But I am poor
and needy;
yet the Lord
thinketh
upon me: thou art my help
and my deliverer;
make no tarrying,
O my God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
IkH589 ben wel ellendigH6041 en nooddruftigH34, maar de HEEREH3068 denktH2803 aan mij; GijH859 zijt mijn HulpH5833 en mijn BevrijderH6403; o mijn GodH430! vertoefH309 nietH408.
Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
opperzangmeester
Zie Job 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Job 4:1.
lang
Hebr. verwachtende verwacht.
Hertaald:
lang
Hebreeuws: verwachtende verwacht.
zich tot
Of, [het oor] tot mij geneigd; gelijk Ps. 17:6 .
Hertaald:
zich tot
Of: [het oor] tot mij geneigd; zoals Ps. 17:6.
ruisenden
Hebr. kuil, of, put van het geruisch; waar de wateren steeds opwellene en opbobbelende bruisen en groot en vele waren, dat er menselijk geen uitkomen was.
Hertaald:
ruisenden
Hebreeuws: kuil, of: put van het geruis; waar de wateren steeds opwellend en opborrelend bruisten en zo groot en zo veel waren dat er menselijk gesproken geen uitkomst was.
modderig
Hebr. uit slijk der modder. Verg. Ps. 69:3 . Jer. 38:6 , Jer. 38:10 . idem Job 30:19 .
Hertaald:
modderig
Hebreeuws: uit het slijk van de modder. Vergelijk Ps. 69:3; Jer. 38:6, Jer. 38:10; en ook Job 30:19.
nieuw
Zie Ps. 33:3 .
Hertaald:
nieuw
Zie Ps. 33:3.
mond
Mij een nieuw lied als zelf geleerd, en daartoe door zijn Geest aangedreven. Verg. Ex. 4:15 . Deut. 18:18 . idem Ps. 51:17 .
Hertaald:
mond
Mij een nieuw lied als het ware Zelf geleerd, en mij daartoe door Zijn Geest aangedreven. Vergelijk Ex. 4:15; Deut. 18:18; en ook Ps. 51:17.
tot zijn
Alzo dat hij op Hem alleen vertrouwt.
Hertaald:
tot zijn
Zó dat hij op Hem alleen vertrouwt.
leugen
Dat is, valse, afgodische, ijdele, bedriegelijke hulp, troost en toeverlaat.
Hertaald:
leugen
Dat is: valse, afgodische, ijdele en bedrieglijke hulp, troost en toevlucht.
gedachten
Versta, gedachten des vredes: gelijk Jer. 29:11 . Dat is, uwen raad van ons wel te doen hebt Gij door vele wonderlijke weldaden geopenbaard.
Hertaald:
gedachten
Versta: gedachten van vrede, zoals Jer. 29:11. Dat is: Uw raad om ons goed te doen hebt U door vele wonderlijke weldaden geopenbaard.
vele
Of, groot.
Hertaald:
vele
Of: groot.
menigvuldiger
Hebr. sterker. Te weten, in getal; alzo vs.13.
Hertaald:
menigvuldiger
Hebreeuws: sterker. Namelijk: in aantal; zo ook vers 13.
Gij
Dat zijn de woorden des Heeren Christus; die David door den profetischen geest hier, aldus tot zijnen Vader sprekende, invoert. Zie Hebr. 10:5-7 .
Hertaald:
Gij
Dit zijn de woorden van de Heere Christus, Die David hier door de profetische Geest sprekend invoert tot Zijn Vader. Zie Hebr. 10:5-7.
lust
Te weten, alzo, dat Gij door die offeranden uwe gerechtigheid zoudt laten genoeg geschieden en U met den zondigen mens verzoenen, want zulks onmogelijk; Hebr. 10:4 .
Hertaald:
lust
Namelijk zó, dat U door die offers aan Uw gerechtigheid genoeg zou laten geschieden en Uzelf met de zondige mens zou verzoenen; want dat is onmogelijk, Hebr. 10:4.
oren
Dat is, mij tot uw dienst verplicht om het middelaarsambt op mij te nemen en uw volk van zonden te verlossen; waartoe Gij mij een lichaam bereid hebt, om dat voor des volks zonden op te offeren [gelijk de apostel dit verklaart met de woorden der Griekse overzetting, Hebr. 10:5 , Hebr. 10:10 ] . De manier van spreken in genomen van de wijze onder de Joden naar Gods wet gebruikt in het verplichten van dienstknechten. Zie Ex. 21:6 . Deut. 15:17 .
Hertaald:
oren
Dat is: U hebt Mij tot Uw dienst verplicht om het middelaarsambt op Mij te nemen en Uw volk van zonden te verlossen; daartoe hebt U Mij een lichaam bereid, om dat voor de zonden van het volk op te offeren [zoals de apostel dit uitlegt met de woorden van de Griekse vertaling, Hebr. 10:5, Hebr. 10:10]. Deze manier van spreken is ontleend aan de wijze die onder de Joden naar Gods wet gebruikt werd bij het verplichten van dienstknechten. Zie Ex. 21:6; Deut. 15:17.
ik kom
Of, ben gekomen. Met deze en de volgende woorden verklaart de Heere Christus zijn gewillige gehoorzaamheid om het middelaarsambt, Hem van zijnen Vader opgelegd, aan te nemen en uit te voeren. Zie Hebr. 10:10 .
Hertaald:
ik kom
Of: ben gekomen. Met deze en de volgende woorden verklaart de Heere Christus Zijn gewillige gehoorzaamheid om het middelaarsambt, dat Zijn Vader Hem oplegde, aan te nemen en uit te voeren. Zie Hebr. 10:10.
rol
Van het woord rol, zie Ezra 6:2 . Jer. 36:2 . en versta hierdoor de boeken van Mozes, in welke verscheidene zeer heerlijke profetieën van Christus gevonden worden, waarvan de eerste gegeven is in het Paradijs, Gen. 3:15 . en vervolgens aan de patriarchen, en voorts zijn de sacramenten en al de offeranden voorbeeldingen op Christus geweest. Zie Luc. 24:27 . Hebr. 8:5-6 ; Hebr. 9:8-9 ; Hebr. 10:1 . enz.
Hertaald:
rol
Over het woord rol, zie Ezra 6:2; Jer. 36:2. Versta hieronder de boeken van Mozes, waarin verschillende zeer heerlijke profetieën over Christus te vinden zijn. De eerste daarvan is in het paradijs gegeven, Gen. 3:15, en daarna aan de aartsvaders; en verder zijn de sacramenten en al de offers voorafbeeldingen van Christus geweest. Zie Luk. 24:27; Hebr. 8:5-6; Hebr. 9:8-9; Hebr. 10:1, enzovoort.
welbehagen
Dat is, hetgeen U welbehaaglijk is. Zie Spr. 10:32 . Ps. 143:10 .
Hertaald:
welbehagen
Dat is: wat U welbehaaglijk is. Zie Spr. 10:32; Ps. 143:10.
midden
Dat is, ik betracht haar in mijn hart, en ben gans vuriglijk genegen om die te volbrengen. Verg. Ps. 37:31 . en onder vs.11.
Hertaald:
midden
Dat is: ik overdenk haar in mijn hart en ben er van harte vurig toe geneigd die te volbrengen. Vergelijk Ps. 37:31, en hieronder vers 11.
boodschap
Of, Evangeliseer, heb geëvangeliseerd, en zo in het volgende.
Hertaald:
boodschap
Of: verkondig het Evangelie, heb het Evangelie verkondigd; en zo ook in het vervolg.
gerechtigheid
Zie Rom. 3:21-22 .
Hertaald:
gerechtigheid
Zie Rom. 3:21-22.
gemeente
Verg. Ps. 22:23 .
Hertaald:
gemeente
Vergelijk Ps. 22:23.
kwaden
Dat is, zwarigheden, ellenden; alzo vs.15.
Hertaald:
kwaden
Dat is: zwarigheden, ellenden; zo ook vers 15.
ongerechtigheden
Indien men dit van de zonden verstaat, zo spreekt David dit voor zichzelven en niet van den Heere Christus, die het onbevlekte Lam Gods en zonder zonde geweest is; hoewel hij anderzins voor onze zonden als borg heeft willen betalen, 2 Kor. 5:21 . en hare straf dragen, Jes. 53:5-6 , Jes. 53:8 , Jes. 53:10-11 . gelijk men het woord ongerechtigheden hier ook kan nemen voor straffen der ongerechtigheden. Zie Ps. 31:11 . Alzo is het voorgaande woord kwaden ook genomen voor het kwaad der straf, dat is lijden, ellende, enz.
Hertaald:
ongerechtigheden
Als men dit van de zonden verstaat, dan spreekt David dit over zichzelf en niet over de Heere Christus, Die het onbevlekte Lam van God en zonder zonde geweest is. Wel heeft Hij overigens als Borg voor onze zonden willen betalen, 2 Kor. 5:21, en de straf daarop willen dragen, Jes. 53:5-6, Jes. 53:8, Jes. 53:10-11. Men kan het woord ongerechtigheden hier ook opvatten als de straffen op de ongerechtigheden. Zie Ps. 31:11. Zo is ook het voorgaande woord kwaden genomen voor het kwaad van de straf, dat is: lijden, ellende, enzovoort.
dat ik
Anders, en ik heb haar niet kunnen overzien; te weten, vanwege de menigte.
Hertaald:
dat ik
Anders: en ik heb ze niet kunnen overzien, namelijk vanwege de menigte.
verlaten
Verg. Ps. 38:11 .
Hertaald:
verlaten
Vergelijk Ps. 38:11.
Het
Verg. de volgende verzen met Psa 70 .
Hertaald:
Het
Vergelijk de volgende verzen met Ps. 70.
ziel zoeken
Zie 2 Sam. 4:8 .
Hertaald:
ziel zoeken
Zie 2 Sam. 4:8.
kwaad
Gelijk boven, vs.13.
Hertaald:
kwaad
Zoals hierboven, vers 13.
verwoest
Of, verbaasd.
Hertaald:
verwoest
Of: verbijsterd.
hunner
Dat is, tot een loon der beschaamdheid, die zij mij zoeken aan te doen. Of, om der beschaamdheid wil, of vanwege de schaamte, die zij mij zoeken aan te doen. Anders, ten einde dat zij beschaamd worden. Zie van het Hebr. woord, dat hier loon is overgezet, Ps. 19:12 .
Hertaald:
hunner
Dat is: tot een loon voor de beschaming die zij mij proberen aan te doen. Of: om de beschaming, of vanwege de schande die zij mij proberen aan te doen. Anders: opdat zij beschaamd worden. Zie over het Hebreeuwse woord dat hier met loon vertaald is, Ps. 19:12.
Ha, ha!
Gelijk boven, Ps. 35:21 , Ps. 35:25 .
Hertaald:
Ha, ha!
Zoals hierboven, Ps. 35:21, Ps. 35:25.
grootgemaakt
Gelijk Ps. 35:27 .
Hertaald:
grootgemaakt
Zoals Ps. 35:27.
denkt
Om mij ter rechter tijd te helpen. Zie Gen. 8:1 .
Hertaald:
denkt
Om mij op de juiste tijd te helpen. Zie Gen. 8:1.
vertoef
Hebr. wees niet achter.
Hertaald:
vertoef
Hebreeuws: wees niet achter. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord" (Ps. 40:2). Het wachten wordt dus eerst genoemd, en pas daarna de redding. Die wordt in twee beelden verteld: "Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt" (Ps. 40:3). Slijk waarin men wegzakt, tegenover een rots waarop men staat. En het gevolg: "Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen" (Ps. 40:4). Bijbelse betekenis: Let op wat er in dit gedeelte allemaal door God gedaan wordt. Hij neigt Zich, hoort, haalt op, stelt de voeten, maakt de gangen vast en geeft zelfs het lied; de dichter zelf doet één ding, en dat is verwachten. Merk op dat het wachten niet wordt weggepoetst. Er staat dat hij lang verwacht heeft, en dat woord blijft staan naast de verlossing. Let ten slotte op Ps. 40:4. Het lied blijft niet bij hem: velen zullen het zien en gaan vertrouwen. Zo wordt één mens die uit de put komt tot een prediking voor anderen. Typologie: De psalm noemt het een nieuw lied; Openbaring laat datzelfde nieuwe lied klinken voor het Lam, omdat Het geslacht is en de Zijnen Gode gekocht heeft (Op. 5:9). Ps. 40:2-6; Op. 5:9 "Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist" (Ps. 40:7). Dat is een sterke uitspraak van iemand die onder de wet leefde, waarin die offers juist geboden waren. Het doorboren van het oor herinnert aan de knecht die vrijwillig bij zijn heer bleef. Dan volgt het antwoord: "Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven" (Ps. 40:8). En daarbij de gezindheid: "Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands" (Ps. 40:9). Het gedeelte eindigt bij het spreken in de gemeente: de gerechtigheid wordt geboodschapt en niet verzwegen (Ps. 40:10-11). Bijbelse betekenis: Het gaat hier niet om afschaffing van de offerdienst maar om haar plaats. God had die offers zelf geboden; wat Hij er niet in vond, was de gehoorzaamheid van het hart, en zonder die is het offer leeg. Dat is dezelfde lijn die Samuël tegen Saul volgde (reeds behandeld bij 1 Sam. 15:22). Merk op wat er in de plaats van het offer komt: een persoon die zegt: zie, ik kom. Niet iets wat gebracht wordt maar iemand die zichzelf aanbiedt. De Hebreeënbrief legt juist daarom deze woorden in de mond van Christus bij Zijn komst in de wereld. Let ten slotte op Ps. 40:9. De wet zit niet op een tafel maar in het binnenste; dat is precies wat het nieuwe verbond belooft. Typologie: De Hebreeënbrief haalt deze verzen aan als woorden van Christus: "Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid" (Hebr. 10:5), en: "Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!" (Hebr. 10:7). Ps. 40:7-11; 1 Sam. 15:22; Hebr. 10:5; Hebr. 10:7 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het offer en de plaatsvervanging niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe ambt David is uit een ruisende kuil getrokken en zingt een nieuw lied. Midden in dat danklied staat een zin die de hele offerdienst relativeert — en die de Hebreeënbrief later Christus zelf in de mond legt. God heeft geen lust aan slachtoffer en spijsoffer; wat Hij wil is Iemand Die zegt: zie, ik kom. Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer. Dat staat er, in een boek vol offerdienst, van dezelfde God Die de offerdienst zelf had voorgeschreven. Het is geen afschaffing maar een rangorde: de offers waren nooit het doel. Dan komt een merkwaardige uitdrukking: Gij hebt mij de oren doorboord. In Exodus 21 staat wat dat betekende — de slaaf die na zes jaar vrij mocht gaan maar zei dat hij zijn heer liefhad en niet vrij wilde uitgaan, werd aan de deurpost gebracht en zijn oor werd doorboord met een els. Hij bleef dienen, uit liefde, voor altijd. En daarop volgt: toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. De kanttekening zegt onomwonden wie hier spreekt: met deze en de volgende woorden verklaart de Heere Christus Zijn gewillige gehoorzaamheid om het middelaarsambt, dat Zijn Vader Hem oplegde, aan te nemen en uit te voeren. En bij de rol des boeks: versta daaronder de boeken van Mozes, waarin verschillende zeer heerlijke profetieën over Christus te vinden zijn — de eerste in het paradijs gegeven, daarna aan de aartsvaders, en verder in de sacramenten en de offers. Dan het slot: ik heb lust, o mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Niet op stenen tafelen maar binnenin — precies wat Jeremia van het nieuwe verbond belooft. De Hebreeënbrief citeert dit gedeelte woordelijk als de woorden waarmee Christus in de wereld komt, en trekt er de gevolgtrekking uit die het hele betoog draagt: Hij neemt het eerste weg om het tweede te stellen — en in dien wil zijn wij geheiligd door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 10:5-10; Johannes 4:34; Johannes 6:38; Filippenzen 2:8
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God, vertoef niet. Psalm 40:18 Gods alwetendheid is voor de… Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet. Psalm 40:18 Gods alwetendheid… Ik heb de HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. Psalm 40:2 U hebt geen plaats waar u uw moeilijkheden kwijt kunt… 12 Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden. 13 Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij… 7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist. 8 Toen zeide ik: Zie, ik… 1 Davids psalm, voor den opperzangmeester. 2 Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. 3 En Hij heeft mij uit… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 40
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Zie, ik kom — 40:7-11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een grote troost
De eeuwige Wachter
Tegenspoed is nodig
Psalm 40:12-18
Psalm 40:7-11
Psalm 40:1-6


Psalmen 40
Psalmen 40:2.KruisverwijzingenPsalmen 27:5→Psalmen 37:23→Psalmen 69:2→Handelingen 2:27→Mattheüs 13:50→Jeremia 38:6→Jesaja 24:22→Psalmen 18:16→
— Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.
“Ik heb den HEERE lang verwacht.” Wachten bedelaars niet lang aan de deur van een medemens om een armzalige aalmoes? En zou ik dan niet tevreden zijn bij de poort der Barmhartigheid te wachten op zulke grote weldaden als ik afsmeek? Wij mogen gerust in geduld toeven tot Jehova’s tijd om te helpen, want wij weten dat, “gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, de HEERE Zich ontfermt over degenen die Hem vrezen”. Is Híj vol ontferming, dan kunnen wij het geduld wel opbrengen.
Zij die het machtigst waren in het gebed hebben soms op het antwoord op hun smekingen moeten wachten. Verwacht niet dat de HEERE u vandaag of morgen verhoort. Hij mag u horen voordat u spreekt, naar Zijn belofte — “eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden” — maar Hij mag u ook laten wachten, tot beproeving van uw geloof. Kunt u wachten? Dan is het zeker dat u een grote zegen ontvangen zult. Hij neigde Zich tot mij: Hij boog Zich neder uit de hemel, Hij bukte tot mij, Hij dacht wel van mij en ook van mijn gebed, en Hij hoorde mijn geroep.
Psalmen 40:3.KruisverwijzingenPsalmen 33:3→Psalmen 52:6→Openbaring 14:3→Psalmen 35:27→Psalmen 144:9→Jesaja 12:1→Psalmen 103:1→Psalmen 142:7→
— En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.
Dit is een wonderlijk lied, vol verrukkelijke blijdschap. U weet hoe men in het oosten gewoon was gevangenen in kuilen te werpen, en die kuilen waren vaak afgrijselijk diep en donker en vochtig, en de modder op de bodem was zo dat een mens erin wegzonk. Wat een wonderlijk uithalen was dit! En omdat God nooit iets ten halve doet, liet Hij Zijn knecht niet weer terugglijden.
“Hij heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld.” Wanneer God iemands voeten stelt, dan stáan die voeten ook; dan is er geen glijden en geen wegzakken meer. En meer dan dat: Hij bevestigde zijn gangen, maakte ze vast, zodat hij niet struikelde wanneer hij zich bewoog.
Psalmen 40:4.KruisverwijzingenPsalmen 125:5→Psalmen 34:8→Psalmen 118:8→Psalmen 2:12→Jeremia 10:14→Psalmen 15:4→Jona 2:8→Psalmen 101:3→
— En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.
Zing dan, gelovige! U hebt in de kuil genoeg gezucht; zing nu u op de rotssteen staat. U was verlaten genoeg in de kerker; laat nu uw dankzeggingen luid klinken, nu uw gangen bevestigd zijn.
Daar hebt u een tafereel van de bekering van een zondaar en de gevolgen daarvan. De man ziet ‘s HEEREN goedheid aan een kind van God in benauwdheid. Hij vreest — dat wil zeggen: hij staat in ontzag voor den groten God — en dan gelooft hij ook, hij vertrouwt op den HEERE. Eén heilige maakt er velen; één kind van God dat uit de ruisende kuil opgehaald wordt, leidt ertoe dat er nog vele anderen op diezelfde wijze uit opgehaald worden.
Psalmen 40:5.KruisverwijzingenPsalmen 139:17→Psalmen 71:15→Psalmen 136:4→Exodus 15:11→Jeremia 29:11→Psalmen 92:5→Job 5:9→Job 26:14→
— Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.
Vertrouwt u op God, dan zult u geen eerbied hebben voor de hovaardigen, noch voor hen die van Gods Woord afwijken en leugen leren. Vreest u God werkelijk, dan zult u geen vrees hebben voor mensen.
Psalmen 40:6.Kruisverwijzingen1 Samuël 15:22→Psalmen 51:16→Hebreeën 10:5→Jesaja 1:11→Job 33:16→Amos 5:22→Jeremia 7:21→Exodus 21:6→
— Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.
Het kind van God, dat ‘s HEEREN grote goedheid overziet, gevoelt dat hij Gods barmhartigheden jegens hem nooit tellen kan; en ze uit te spreken, dat kan al helemaal niet. Het zal misschien een deel van onze eeuwige bezigheid zijn om aan engelen en overheden en machten in de hemelse plaatsen de geschiedenis te vertellen van de goedertierenheid des HEEREN die wij hier beneden ondervonden hebben.
Hadden wij geen moeiten, dan zouden wij niets te vertellen hebben; maar nu wij langs een vreemde weg geleid worden en in heel moeilijke plaatsen, kunnen wij weer een bladzijde in ons dagboek schrijven die het lezen waard zal zijn in die dagen wanneer alle verdichtselen in het vuur verteerd zullen zijn, maar de grote feiten uit het leven van ‘s HEEREN volk God wonderlijk zullen doen zijn in Zijn heiligen tot in alle eeuwigheid.
Psalmen 40:7-9.KruisverwijzingenJohannes 4:34→Hebreeën 10:7→Jeremia 31:33→Psalmen 119:24→Psalmen 119:92→Jeremia 15:16→Romeinen 7:22→Psalmen 119:47→
— Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
Sprak ik niet naar waarheid toen ik zei dat de Christus Gods hier is? Op wie is deze plaats ook maar voor een honderdste deel zo toepasselijk als op den Heere Jezus Zelf? Staat Paulus niet uitvoerig bij deze plaats stil, als lerende het terzijde stellen van de wet van het oude verbond en het invoeren van iets beters: de gehoorzaamheid van Christus, onzen Zaligmaker?
Toch wil ik de Schrift vanavond ook lezen met het oog op de heiligen, ‘s HEEREN eigen volk. Ik vertrouw dat velen van ons — ziende dat God geen behagen heeft in plechtige verrichtingen en in het uitwendige van de godsdienst zozeer als in de gehoorzaamheid van het hart — tot Hem kunnen komen en met David verklaren: “Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen.”
Geliefde vrienden, u bent niet wat u behoorde te zijn; u bent niet wat u wilt zijn; u bent niet wat u zult zijn. Maar zeg mij: bent u ooit gelukkiger dan wanneer u met bewustzijn den wil van God doet? Vindt u geen ellende in de zonde en verlustiging in de heiligheid? Kunt u zeggen dat het zo met u gesteld is, dan bent u op weg naar het koninkrijk; u bent op weg naar de volkomen overwinning over de zonde. Wees goedsmoeds: Hij Die dit juist in u gewrocht heeft — het verlustigen in het doen van Gods wil — zal u ook de genade geven om het te dóén.
Psalmen 40:10.KruisverwijzingenRomeinen 10:3→1 Thessalonicenzen 1:8→Romeinen 1:16→Romeinen 15:8→Openbaring 22:17→Psalmen 89:1→Jesaja 49:6→Filippenzen 3:9→
— Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
Dit is wat Jezus zeggen kan. Hij was de Vorst van de predikers in de open lucht, de grote Rondtrekkende, het Hoofd van heel het gezelschap van evangelieverkondigers. En ik vertrouw dat velen van ons hier ook zeggen kunnen dat wij, naar ons vermogen en onze gelegenheid, getracht hebben van Christus te vertellen aan hen die om ons heen zijn.
Psalmen 40:11.KruisverwijzingenPsalmen 43:3→Psalmen 57:3→Psalmen 61:7→Psalmen 23:6→Spreuken 20:28→Hebreeën 5:7→Psalmen 69:13→Psalmen 69:16→
— Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
Heeft iemand van u gezwegen waar hij spreken moest — is er een zondige geslotenheid geweest over de dingen van God, of hebt u, terwijl u geroepen was om te prediken, toch niet het volle evangelie van Gods genade gepredikt — de HEERE vergeve het u, en brenge u tot een heldere openbaring van wat Hij in uw hart geschreven heeft!
Wij kunnen niet vertellen wat wij niet weten, en wij behoren dat ook niet te beproeven; maar wat door den Heiligen Geest in ons hart gegrift is, zijn wij verplicht aan anderen te vertellen. Dit gas is aangestoken opdat het schijnen zou, en u hebt het goddelijke vuur ontvangen opdat u schijnen zou tot eer van God.
Psalmen 40:12.KruisverwijzingenPsalmen 73:26→Psalmen 69:4→Psalmen 38:4→Psalmen 19:12→Psalmen 116:3→Hebreeën 4:15→Jesaja 53:6→Genesis 42:28→
— Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.
Reken erop: God zal voor ons zorgen als wij voor Zijn waarheid zorgen. Houden wij uit lafhartige overwegingen een deel van het evangelie terug, dan mag God ons aan onszelf overlaten om ons te verdedigen; maar verbergen wij niets van wat Hij ons geopenbaard heeft, en zijn wij getrouw aan de waarheid die ons toevertrouwd is, dan zal die waarheid ons zelf bewaren, en zullen wij hoe langer hoe meer van de goedertierenheid des HEEREN leren kennen.
Psalmen 40:13.KruisverwijzingenPsalmen 38:22→Psalmen 70:1→Psalmen 71:12→Psalmen 22:19→Psalmen 25:17→Mattheüs 26:36→
— Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
Maar wat een droevig vers is dit, als het de ondervinding van iemand van u beschrijft die den HEERE gekend heeft! Is dat de toestand van iemand tot wie ik spreek, laat u dan vertroosten door de herinnering dat een Ander die donkere weg gegaan is waarop u zich nu bevindt; en volg Zijn voorbeeld door tot den HEERE te bidden of Hij u verlossen wil.
Psalmen 40:14.KruisverwijzingenPsalmen 35:4→Psalmen 35:26→Psalmen 71:13→Psalmen 31:17→Jesaja 45:24→Handelingen 9:4→Mattheüs 21:38→Jesaja 41:11→
— Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
Zo riep David tot den HEERE uit de diepten. Volg zijn voorbeeld als u in gelijke omstandigheden verkeert.
Psalmen 40:15-17.KruisverwijzingenPsalmen 35:27→Jesaja 41:17→Psalmen 70:5→Psalmen 35:21→Psalmen 34:6→Psalmen 40:5→Hebreeën 13:6→1 Petrus 5:7→
— Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha! Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt!
Hier is troost voor alle arme bevende zoekers. Zij zijn nog maar zoekers — maar laten wij God danken dát zij zoekers zijn, en laten wij met de psalmist zeggen: “Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken.” Alle ware christenen, zij die Christus gevonden hebben, zijn nog altijd zoekers; want nadat zij Christus gevonden hebben, ontbrandt hun ziel juist om Hem meer en meer te zoeken. Zodat ook ons gebed is: laat allen die U zoeken in U vrolijk en verblijd zijn. De HEERE zegene ons het lezen van dit dierbare gedeelte van Zijn Woord, om Zijns Naams wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
David’s Psalm (Psalm 3: 1) voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1). “En nu, wat verwacht ik, o Heere! mijne hoop, die is op U. Verlos mij van al mijne overtredingen, en stel mij niet tot enen smaad der dwazen.” Zo hoorden wij in Psalm 39: 8 vv. David op zijne voor Absalom zeggen, nu kan hij nadat hij met het aanbreken van den volgenden morgen den anderen oever van den Jordaan met zijne getrouwen gelukkig bereikt heeft (2 Samuel 17: 22) in dezen Psalm tot ere van zijnen God bekennen: “Ik heb den Heere lang gewacht en hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.” Toch wacht hem nog, zonder dat hij weet hoe lang en hoe zwaar, de tijd van zijn eigenlijk lijden, waarvan hij om zo te zeggen nog slechts het voorportaal achter zich heeft; daarom komt bij het eerste gedeelte van den Psalm dat over de ondervondene hulp handelt, nog een tweede, dat van Gods verdere redding spreekt, en het danken wordt tot bidden.
I. Vs. 2-11.KruisverwijzingenJohannes 4:34→Psalmen 27:5→Psalmen 33:3→Hebreeën 10:7→Jeremia 31:33→Psalmen 37:23→Psalmen 69:2→Psalmen 139:17→
— Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord. En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen. Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken. Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen. Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist. Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands. Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het. Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.
Beginnende met de heerlijke redding, welke de Heere hem tot versterking des geloofs ook voor anderen heeft laten ondervinden, prijst David eerst degene gelukkig, die zijn vertrouwen op den Heere stelt, en zich noch tot de hovaardigen wendt, die op hun eigene kracht, nog tot den gewekenen, die op vreemde goden vertrouwen. Terwijl hij zich dan in de talloze wonderen verdiept, waardoor de Heere Zich reeds bij Israël verheerlijkt heeft, ontwaakt bij hem het brandend verlangen, zijnen God op waardige wijze te danken, maar ook het levendige bewustzijn, dat offeranden op zich zelve niet genoegzaam zijn. Hij belooft daarom zijnen God het volkomen offer van zich zelven, het offer zijner gehoorzaamheid aan de eisen der wet en bovendien een vrolijk getuigenis van Gods gerechtigheid, goedheid en trouw voor de ganse gemeente.
Ik heb, toen de poort des lijdens zich voor mij opende, alle vertrouwen op mij zelven afleggende (2 (Samuel 15: 16), den HEERE lang verwacht 1), en Hij heeft Zich tot mij geneigd in de diepte, waarin ik mij bevond, en Hij heeft mijn geroep, dat ik van daar tot Hem richtte (Psalm 18: 7), gehoord.
Nauwkeuriger: “Wachtende wachtte ik den Heere.” Deze sterke uitdrukking heeft ene paraenetische betekenis; zij wijst den lijder daarop, dat alles op wachten aankomt.
Men behoeft God slechts in geduld te wachten, zo zal Hij zich openbaren. Te kunnen wachten is de grootste en ware Christelijke kunst, te leren wachten is de oefening van het gehele leven des Christens, want het is geenszins iets lijdelijks, iets passiefs, maar de grootste betoning van geloofskracht, wanneer alles schijnt tegen te staan en God vertoeft te komen.
En Hij heeft mij uit enen ruisenden kuil, waarin mij een gewis verderf dreigde (2 (Samuel 17: 1 vv.), uit modderig slijk, waarin ik had moeten wegzinken, zo Hij Zich niet mijner ontfermd had, opgehaald 1), en heeft mijne voeten op enen rotssteen gesteld; Hij heeft mijne gangen vastgemaakt, mij vasten grond onder de voeten gegeven.
Men heeft gemeend dezen Psalm, even als den met dezen verwanten 69sten Psalm, om deze uitdrukkingen aan den profeet Jeremia te moeten toeschrijven. Deze was werkelijk in een kuil vol modderig slijk geworpen (Jer. 38: 1 vv. Klaagt. 3: 53 vv.), Jeremia is wel in ene zekere mate een voorbeeld van Christus, even als aan de eerste verwachting van Jeruzalem de tweede beantwoordt, zo aan den profeet van de eerste verwoesting, die van de tweede (MATTHEUS. 23: 29 vv. Luk. 13: 34 vv.; 19: 41 vv.; 23: 27 vv.); de Joden, ten tijde van Jezus, daar zij niet erkenden, wat tot hunnen vrede diende, maar den Heere haatten, vervolgden en kruisigden, hebben de mate hunner vaderen vervuld (MATTHEUS. 23: 32), en de profetenhaat hunner vaderen bereikte zijn toppunt in hetgeen aan Jeremia geschied is. Intussen hebben de gronden, waarop men de vervaardiging van die beide en van enige andere Psalmen (Psalm 22 en 31), aan Jeremia heeft toegeschreven, te weinig bewijskracht, dan dat wij daarom de juistheid der opschriften, die alle deze Psalmen aan David toeschrijven, zonden betwijfelen; die uitdrukkingen zijn integendeel als beelden op te vatten.
David wijst hier op een schijnbaar hopeloos doodsgevaar, waarin hij verkeerd heeft, en waaruit zijn God hem heeft gered, op bijzondere wijze heeft gered. Dat zijn toestand ongewoon en de redding evenzeer in het oog lopend was geweest, blijkt wel duidelijk uit het volgende vers, waarin hij zegt, dat de Heere hem een nieuw lied in zijn mond gegeven heeft. Want dit nieuw staat in de plaats van iets buitengewoons, van iets bijzonders een bijzonder lied, hetwelk past bij een bijzondere uitredding uit bijzondere gevaren.
En Hij heeft een nieuw lied (Psalm 33: 3)in mijnen mond gegeven, enen lofzang onzen Gode, die zich aan Israël’s koning tot welzijn van Zijn volk op nieuw verheerlijkt heeft. Velen, die in dezen tijd van algemene verwarring zich laten verleiden, zullen het zien, hoe ik gered ben, en vrezen en zich weer tot hunnen rechtmatigen koning wenden, en op den HEERE vertrouwen (2 Samuel 17: 27 vv.; 18: 3 ).
Welgelukzalig, zo roep ik uit op grond der ervaring (vs. 2 v.), is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet, gelijk velen nu doen, die zich aan Absaloms zijde geplaatst hebben, omziet naar de hovaardigen, die in hoogmoed in de plaats van den eeuwigen God de grote werken van hun eigene gedachten en handen plaatsten, en die tot leugen afwijken, die in plaats van op God te vertrouwen, zich keren tot de afgoden (Jer. 16: 19). Men moge zo arm zijn als Lazarus, zo gehaat als Mordechai, zo ziek als Hizkia, zo alleen als Elia maar wanneer de hand des geloofs zich aan God kan vasthouden, kunnen gene uitwendige droefenissen verhinderen, en dat men onder de gezegenden geteld wordt. De rijkste en voorspoedigste man daarentegen is vervloekt, waar hij ook zij.
Gij, o HEERE! zo moet ik nog verder uitroepen, en ik geef daarmee de reden aan, waarom ik welgelukzalig prees dien, die op U Zijne hoop stelt, Gij, mijn God, hebt Uwe wonderen en Uwe gedachten aan ons vele gemaakt; wonderbaar rijk en heerlijk zijn de daden en de plannen van genade, die Gij voor Uw volk hebt gemaakt, en die Gij door de redding van den Koning, aan wie Gij Uwe belofte gaaft (2 (Samuel 7: 12 vv.) op nieuw nader tot het doel hebt gebracht; men kan ze niet in orde bij U verhalen, niet naar waarde vermelden; zal ik ze verkondigen en uitspreken, gelijk ik zo gaarne wilde doen, zo word ik te midden daarvan verlegen over de oneindige volheid, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen 1); neen, zij zijn veel te rijk, dan dat een mens de proef zou mogen wagen om ze op te sommen.
De dichter spreekt het hier uit, dat wat hem overkwam, dat de uitredding, die hij genoot alle aardse macht verre te boven ging, dat het een wonder was van Gods Alvermogen, en dat dit wonder in verband stond, ja, uitvloeisel was van de gedachten Gods, die uit Zijn Wezen voortvloeiden. En daarom nu, David kan ze niet in orde verhalen, hij kan ze niet tellen. Hij zinkt weg bij het gevoel en het besef van alle Gods goedertierenheden en weldaden.
En hoe zal ik nu voor de nieuwe bevestiging Uwer genade mijne dankbaarheid betonen? a) Gij hebt genen lust gehad aan slachtoffer, offeranden van dieren en spijsoffer, offeranden van meel, die ik U in deze woestijn ook niet zou kunnen brengen, en ik weet hoe een Saul te vergeefs door offeranden U ten Zijnen gunste zocht over te halen. ‘t Is alleen Uwe genade, die mij aan U verbond, waarop ik bouw en die ik aanschouwen en roemen kan. Gij hebt mij de oren doorboord 1); brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geëist 1) om hun zelfs wil, maar alleen in zoverre zij uitdrukking en zinnebeeld zijn van ene in oprechte vroomheid en in getrouwe gehoorzaamheid U overgeblevene gezindheid des harten (1 (Samuel 15: 22).
Hebr. 10: 8.
De gevoelens over deze plaats zijn niet eensluidend. Menen sommigen, dat hier gedoeld wordt op het voorschrift van Mozes (Exodus 2: 6 en Deuteronomium 15: 17), wat bepaalde, dat een slaaf, die vrijwillig verkoos te blijven in het huis, met een priem het oor doorboord werd, waardoor hij voor altijd in de macht zijns meesters kwam; anderen menen, dat hier gedoeld wordt op het gehoorzaam maken, dewijl van nature de oren zwaar zijn om te horen. Met het laatste gevoelen verenigen we ons het liefst, dewijl het voor ons uitgemaakt is dat hier door David de Christus Gods spreekt, die niet slaaf maar wel dienstknecht des Vaders was, vrijwillig Zich gesteld heeft onder de gehoorzaamheid der Wet hoewel wij ook toegeven, dat beide verklaringen éénzelfden zin hebben, dezen zin: Gij hebt mij gewillig gemaakt, om Uwen wil te doen, o God!
Dit is gene verachting van de offeranden, evenmin als in Jer. 7: 22, of Amos 5: 21-23 5.21-23 gelijk sommigen willen, maar een betuigen, dat de offeranden op zich zelf niet voldoende zijn, zo zij niet in het geloof worden gebracht. Alle de offeranden hadden voor God geen waarde, indien zij niet gebracht werden in gehoorzaamheid des geloofs, met een hart vol schuldgevoel, of in het geloof in den Messias, die komen zou.
Toen ik dit verstond, dat Gij geen offer wilde maar gehoorzaamheid. zei ik, mij U, mijnen Heer, ten dienaar stellende: Zie, ik kom op Uw bevel; ik behoef niet eerst te vragen, wat Uw wil omtrent mij is; in de rol des boeks 1), in de wet (Jozua 1: 8), die Uwen geopenbaarden wil duidelijk bevat, is van mij geschreven, is ook voor Israël’s Koning de weg aangewezen, dien hij te bewandelen heeft (Deuteronomium 17: 14 vv.).
De rol des Boeks is de Wet, de vijf Boeken van Mozes, beschreven op perkamenten bladen en samengerold. Het is duidelijk, dat hier gewezen wordt op de belofte, omtrent den Messias, zoals nader gestand wordt uit Hebr. 10: 5-10. David treedt hier op als type en als profeet van den Christus Gods en het is volkomen waar, dat we hier hebben “die wonderbare samenvloeiing, ineensmelting van het voor- en het tegenbeeld van den Messias waarbij het van God gegeven voorbeeld alzo in het tegenbeeld opgaat, dat het een enkelvoudig “Ik” wordt, onderscheiden, maar niet te scheiden.” David is hier slechts een zwak schaduwbeeld, maar de Messias spreekt door Zijn Geest in hem.
Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; wat Gij aan Israël’s koning voorschreef wil ik als mijn, vade mecumm, mijn bestendigen leidsman bij mij behouden (Deuteronomium 17: 18 v.); en Uwe wet is niet slechts in mijne hand maar ook in mijn hart, in het midden mijns ingewands (Deut 6: 6. Psalm 37: 31. Spreuken 3: 3; 7: 3. Jes. 51: 7 51.7), ik geef mij aan U als een levend offer (Rom. 12: 1). Deze Psalmwoorden, hoe duidelijk men ze ook maakt, behouden een geheimvol karakter; zij herinneren, ook afgezien van de plaats Hebr. 10: 5 vv. aan woorden van Christus, als Joh. 8: 29; 17: 6 enz., terwijl David’s woorden door Gods Geest zo zijn gesproken, dat zij tevens als woorden van den tweeden David klinken, wiens offer van zich zelven het einde van de offeranden, en wiens persoon en werk de hoofdinhoud, de kern van de rol der wet is. In de Septuaginta, die toch ook een Oud Testamentisch gedenkteken is en ook niet zonder God ontstaan is (ene overtuiging, van welke de Nieuw Testamentische schrijvers zonde; twijfel doordrongen waren) is dat profetisch karakter van deze onvergelijkelijke plaats nog sterker geworden, want 1) daar is wat vertaald is door “gij hebt mij de oren doorboord,” vertaal door Gij hebt mij het lichaam toebereid, 2) de overzetting en in de rol des boeks, is van mij geschreven, begunstigde vooral de opvatting, dat hier diegene spreekt, van wie Mozes en de Profeten getuigd hebben en op wiens komst naar Gods Raadsbesluit het Oude Testament voorbereidt. David stelt zich God voor, volbrengende Zijnen wil in zoverre die op Hem, den Koning van Israël, betrekking heeft, en hij doet dit, omdat hij zich en pneumati (in den geest, (MATTHEUS. 22: 43) bevindt, in typisch samengevoegde woorden, welke uit de ziel van zijn verheven tegenbeeld, den toekomstigen Christus, die niet slechts Koning van Israël, maar gever der zaligheid aan Israël en aan de ganse mensheid is, gesproken zijn in woorden, die Zijne zelfovergave in ene zo uitsluitende tegenstelling tegenover alle soorten van offers naar de wet stellen, als hij eerst in de zelfovergave van Christus als de vervulling en het einde van alle offers, zijne volle waarheid gevonden heeft. Het is niet alleen zo, alsof Christus en niet David sprak, maar de Eéne, die van Zich kon zeggen: “Ik doe altijd wat Hem behaagt (Joh. 8:
, de alleen volmaakte Rechtvaardige, in wiens vrij zedelijk werken en lijden alle offers eindigen, deze Ene, die het doel der wet en der profetie is, kondigt zich hier werkelijk als den komende aan, dewijl in David niet alleen het bloed van dien Verwachte stroomde, maar ook Zijn Geest woonde.
Met zulk ene dankzegging door de daad, moet ook het woord, het lofoffer der lippen, die Uwen naam belijden (Hebr. 13: 15) verbonden zijn. Ik boodschap de gerechtigheid, die Gij aan mij reeds bewezen hebt in de tot hiertoe ondervonden hulp, in de a) grote gemeente, wanneer ik weer in mijn ambt als Israël’s koning zal geplaatst zijn; zie, mijne lippen bedwing ik niet, gene valse schaamte en vleselijke traagheid of mensenvrees zullen mij terughouden. HEERE! Gij weet het, ik ben bereid Uwe gerechtigheid te verkondigen.
Psalm 3: 18; 111: 1.
Uwe gerechtigheid, die zich den enen als wrekende, den anderen als helpende openbaart, bedek ik niet als een dood, onvruchtbaar weten in het midden mijns harten; Uwe waarheid en Uw heil, dat Gij mij gegeven hebt, spreek ik uit, het in Psalmen en lofzangen luide erkennende en openlijk prijzende; Uwe weldadigheden en Uwe trouw, die Gij aan mij steeds door nieuwe bewijzen bevestigt (Psalm 57: 4)verheel ik niet in de grote gemeente (Psalm 35:
. Volgens ene oppervlakkige beschouwing zou het kunnen schijnen, dat David hier te vele woorden bezigde; geheel anders zal hij oordelen, die de natuurlijke koudheid van het menselijk hart, zijne lauwheid in het loven van God, zijn vergeten en de ondankbaarheid, de geneigdheid van den tragen mond tot zwijgen, heeft leren kennen. Zulk enen zal ieder woord als enen scherpe pijl in het hart dringen.
Het nieuwe lied, dat Jehova hem in den mond gaf (vs. 4), heeft David ook werkelijk gezongen; zijne Psalmen tonen, dat zijne ervaringen van het koninkrijk der hemelen ten zegen van geheel Israël tot ene openlijke belijdenis geworden zijn; hij heeft het ontvangene talent niet in een zweetdoek gewikkeld, niet in de aarde begraven.
Hier spreekt de Messias als de Profeet en verkondigt de grote zaligheid, die Hij verwerven zal. Al de dingen Gods noemt Hij op, omdat deze zijn het begin en het einde der zaligheid. De gerechtigheid verbindt Hij met de waarheid, het heil met de weldadigheid. Onder gerechtigheid hebben we te verstaan, de voortdurende bescherming, onder weldadigheid de zorg, die de Heere God de Zijnen bewijst, terwijl onder waarheid we hebben te verstaan, dat God immer dezelfde is, en onder heil, het gevolg van Zijne gerechtigheid. 12.
II. Vs. 12-18.KruisverwijzingenPsalmen 35:27→Jesaja 41:17→Psalmen 70:5→Psalmen 73:26→Psalmen 69:4→Psalmen 38:4→Psalmen 35:4→Psalmen 35:26→
— Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden. Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten. Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp. Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad. Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha! Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt! Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet.
Overgaande tot het zware lijden en de ontelbare gevaren, in welke hij zich nog voor ‘t ogenblik en voor de naaste toekomst bevindt, wendt David zich met ernstige gebeden tot den Heere, dat deze hem helpe uit de ellende, die Hem ten gevolge zijner zonden getroffen heeft, dat Hij zijne vijanden beschame, en met hem zijne vrienden, de vromen, verheuge; hij spreekt het vertrouwen uit, dat zijne bede zal vervuld worden, en herhaalt die ten slotte nog eens met sterken aandrang.
Gij, o HEERE! wiens gerechtigheid ik niet zal ophouden te prediken (vs. 10), zult Uwe barmhartigheden van mij niet onthouden, daar ik eigenlijk nog meer een man in gevaren dan een geredde kan genoemd worden; laat Uwe weldadigheid en Uwe trouw, die ik voor zover zij zich aan mij verheerlijkt hebben, niet verheel voor de grote gemeente (vs. 11), mij geduriglijk behoeden, mij beschermen bij het onweder, dat zich boven mij ontlast.
Want kwaden (rampen), tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijne ongerechtigheden 1) hebben mij in het harde lijden tot beproeving en kastijding, dat ter vervulling van het woord (2 (Samuel 12: 11) over mij gekomen is, aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien, zodat de grote smart mij het oog verduistert (Job 16: 16); zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds (vgl. Psalm 69: 5), en mijn hart heeft mij verlaten, ik ben geheel ontroerd en verslagen (Psalm 38: 11).
Dat de zanger hier van zijne ongerechtigheden spreekt, en het lijden als ene rechtvaardige straf daarvan beschouwt, vormt een onweerlegbaar bewijs tegen de direct Messiaanse verklaring van den Psalm, die in den ouderen tijd door de meesten werd aangenomen. Men mag zich niet op Jes. 53 beroepen; want hier wordt met geen woord gezegd, dat de ongerechtigheden, die de lijder als de zijne beschouwt, slechts die van anderen zijn, welke hem toegerekend worden. Aan de zodanige kan hier des te minder gedacht worden, om de vele bijna woordelijk overeenstemmende parallel-plaatsen in de Psalmen, waar slechts aan eigene zonden kan gedacht worden.
In dit laatste gedeelte spreekt weer de dichter David zelf, niet de Messias. Dit spreekt van zelf, waar hij spreekt van zijne ongerechtigheden. En zo hevig hebben die ongerechtigheden hem aangegrepen, dat het licht zijner ogen verduisterd is, ja, zo ontroerd is hij, zo ontbreekt hem alle kracht en moed, zo is zijn hart omgekeerd, dat hij moet uitroepen: Mijn hart heeft mij verlaten, en daarop, dat het den Heere moge behagen, om hem te verlossen.
Het behage U, HEERE! mij te verlossen, daar het toch mijne vreugde is te doen, wat U welbehaaglijk is; HEERE! haast U tot mijne hulp 1) (Psalm 22: 20; 38: 23).
Van hier af vinden wij onzen Psalm in den 70sten als ene bijzondere bede van David weer.
a) Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijne ziel zoeken om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
Psalm 35: 4,26; 70: 3; 71: 13.
Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming (vgl. (Psalm 70: 4), die van mij zeggen: Ha, ha!1) (Psalm 35: 21,25).
Deze woorden zijn een uitroep van sarcastische vreugde, die in het ongeluk van anderen zich bevredigd gevoelt.
Laat daarentegen in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken, daar zij hunnen wens verkrijgen, namelijk dat mij recht wordt gedaan (Psalm 35: 27); laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen, daar zij mijne redding zien: De HEERE zij groot gemaakt! Alle woorden, even als alle daden Gods, geven de dubbele vrucht, dat de goddelozen, de weerspannige vijanden tot schande worden, degenen, die God beminnen, daarentegen opgericht en rijkelijk getroost worden; de eersten beginnen met honende vreugde en houden met schaamte op; deze beginnen met treurigheid, en eindigen met vreugde en lofzangen.
Het is duidelijk, dat David in vs. 14-17 de vijanden Gods tegenover de gelovigen stelt. Zijne vijanden zijn de vijanden Gods, en daarom smeekt hij, dat zij achterwaarts gedreven zullen worden, maar de vrienden Gods zijn ook zijne vrienden en voor dezen smeekt hij de vriendelijke bestraling van Gods aangezicht. Wij hebben hier das de algemene tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen. Dat David hier dit van God vraagt ten opzichte van zijne vijanden, is niet, dewijl hij hen persoonlijk haat, daar dewijl hij is de Gezalfde Gods, en dewijl zij, wanneer zij hem vervolgen, eigenlijk God vervolgen, die hem tot koning gezalfd heeft. Deze bede staat dus in het nauwste verband met de ere Gods.
Wel is waar schijnt het nu nog verre te zijn van de zo even uitgesproken wensen, maar God zal middelen en wegen vinden, om aan zulk ene ellende een einde te maken. Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijne Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet. Mag men dan den Heere zo den tijd tot ene haastige hulp voorschrijven? Het is bij het gebed zo als in Rom. 8: 27 geschreven gaat: : die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij.” Er is dikwijls bij het bidden om spoedige hulp toch in den grond des harten ene waarachtige opoffering aan God en Zijnen wil, en zo kan dikwijls omgekeerd de bede naar de woorden zeer onderworpen schijnen, terwijl toch eigenzinnigheid en verwerpelijke twijfelmoedigheid daarachter verborgen zijn.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel