Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210, een liedH7892 der inwijdingH2598 van DavidsH1732 huisH1004.
Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.
KJV
[[A Psalm1
and Song2
at the dedication3
of the house4
of David.]]5
I will extol
thee, O LORD;
for thou hast lifted me up,
and hast not made my foes
to rejoice
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik zal U verhogenH7311, HEEREH3068, wantH3588 Gij hebt mij opgetrokkenH1802, en mijn vijandenH341 over mij nietH3808 verblijdH8055.
Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
KJV
O LORD2
my God,
I cried
unto thee, and thou hast healed
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
HEEREH3068, mijn GodH430! ik heb totH413 U geroepenH7768, en Gij hebt mij genezenH7495.
HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
KJV
O LORD,1
thou hast brought up
my soul
from the grave:
thou hast kept me alive,
that I should not go down
to the pit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
HEEREH3068! Gij hebt mijn zielH5315 uitH4480 het grafH7585 opgevoerdH5927; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuilH953 niet ben nedergedaaldH3381.
HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
Ook in dit vers
leven behoudenH2421
KJV
Sing
unto the LORD,1
O ye saints
of his, and give thanks
at the remembrance
of his holiness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
PsalmzingtH2167 den HEEREH3068, gij Zijn gunstgenotenH2623! en zegt lofH3034 ter gedachtenisH2143 Zijner heiligheidH6944.
Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
KJV
For his anger
endureth but a moment;
in his favour
is life:
weeping
may endure
for a night,
but joy
cometh in the morning.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Want een ogenblikH7281 is er in Zijn toornH639, maar een levenH2416 in Zijn goedgunstigheidH7522; des avondsH6153 vernachtH3885 het geweenH1065, maar des morgensH1242 is er gejuichH7440.
Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
KJV
And in my prosperity
I said,
I shall never
be moved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Ik zeideH559 wel in mijn voorspoedH7959: Ik zal niet wankelenH4131 in eeuwigheidH5769.
Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
KJV
LORD,
by thy favour
thou hast made my mountain
to stand
strong:
thou didst hide
thy face,
and I was troubled.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Want, HEEREH3068! Gij hadt mijn bergH2042 door Uw goedgunstigheidH7522 vastgezet; maar toen Gij Uw aangezichtH6440 verborgtH5641, werdH1961 ik verschriktH926.
Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
Ook in dit vers
vastgezetH5975
KJV
I cried
to thee, O LORD;1
and unto the LORD
I made supplication.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
TotH413 U, HEEREH3068! riepH7121 ik, en ik smeekteH2603 totH413 den HEERE:
Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
KJV
What profit
is there in my blood,
when I go down
to the pit?
Shall the dust
praise
thee? shall it declare
thy truth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WatH4100 gewinH1215 is er in mijn bloedH1818, in mijn nederdalenH3381 totH413 de groeveH7845? Zal U het stofH6083 lovenH3034? Zal het Uw waarheidH571 verkondigenH5046?
Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
KJV
Hear,
O LORD,
and have mercy
upon me: LORD,
be thou my helper.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
HoorH8085, HEEREH3068! en wees mij genadigH2603; HEEREH3068! wees mij een HelperH5826.
Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
KJV
Thou hast turned
for me my mourning
into dancing:
thou hast put off
my sackcloth,
and girded
me with gladness;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Gij hebt mij mijn weeklageH4553 veranderdH2015 in een reiH4234; Gij hebt mijn zakH8242 ontbondenH6605, en mij met blijdschapH8057 omgordH247;
Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;
KJV
To the end that my glory
may sing
praise to thee, and not be silent.
O LORD
my God,
I will give thanks
unto thee for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
OpdatH4616 mijn eerH3519 U psalmzingeH2167, en nietH3808 zwijgeH1826. HEERE, mijn GodH430! in eeuwigheidH5769 zal ik U lovenH3034.
Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.
lied
Of, gezang; [zie Ps. 48:1 ] , om gespeeld en gezongen te worden bij de inwijding van Davids hof, alsof hij van de overwinning tegen Absalom te Jeruzalem was wedergekomen en, in zijn koninkrijk hersteld zijnde, zijn hof van Absaloms gruwelen zuiverde, 2 Sam. 20:3 , waarvan de meeste uitleggers dit verstaan, gelijk het ook op den inhoud ven dezen psalm bekwamelijk past. Sommigen nochtans menen dat David God hier dankt voor de verlossing van een dodelijke krankheid, uit vs.3, 10. Verg. met Ps. 6:5 , van de inwijding. Zie Deut. 20:5 .
Hertaald:
lied
Of: gezang; [zie Ps. 48:1], om gespeeld en gezongen te worden bij de inwijding van Davids hof, alsof hij van de overwinning tegen Absalom naar Jeruzalem was teruggekeerd en, hersteld in zijn koninkrijk, zijn hof van Absaloms gruwelen zuiverde, 2 Sam. 20:3, waarop de meeste uitleggers dit betrekken, zoals het ook goed bij de inhoud van deze psalm past. Sommigen menen echter dat David God hier dankt voor de verlossing van een dodelijke ziekte, uit vers 3, 10. Vergelijk met Ps. 6:5, over de inwijding. Zie Deut. 20:5.
verhogen,
Dat is, hogelijk roemen.
Hertaald:
verhogen,
Dat is: hogelijk roemen.
opgetrokken
Gelijk men iets ophaalt of optrekt uit een bornput, gelijk men doet wanneer men water put, waarvan het Hebr. woord gebruikt wordt, Ex. 2:19 . Dit ziet op de grote noden, waarin David te dien tijde gestoken was.
Hertaald:
opgetrokken
Zoals men iets ophaalt of optrekt uit een waterput, zoals men doet wanneer men water put, waarvoor het Hebreeuwse woord gebruikt wordt, Ex. 2:19. Dit doelt op de grote nood waarin David in die tijd verkeerde.
over mij
Of egen mij, gelijk Ps. 27:2 ; zie aldaar.
Hertaald:
over mij
Of: tegen mij, zoals Ps. 27:2; zie daar.
genezen
Dat is, mijn leven van doodsgevaar verlost, gelijk in het volgende verklaard wordt. Alzo worden allerlei plagen en ellenden bij krankten en wonden, en de geestelijke en lichamelijke verlossing of herstelling bij genezing of gezondmaking in de Heilige Schrift dikwijls vergeleken. Zie Deut. 32:39 ; Ps. 103:3 , en Ps. 147:3 ; Jes. 6:10 , en Jes. 19:22 ; Jer. 8:15 , en Jer. 33:6 ; Hos. 7:1 , en Hos. 11:3 .
Hertaald:
genezen
Dat is: mijn leven van doodsgevaar verlost, zoals in het vervolg uitgelegd wordt. Zo worden allerlei plagen en ellende vergeleken met ziekten en wonden, en de geestelijke en lichamelijke verlossing of herstelling met genezing of gezondmaking, vaak in de Heilige Schrift. Zie Deut. 32:39; Ps. 103:3, en Ps. 147:3; Jes. 6:10, en Jes. 19:22; Jer. 8:15, en Jer. 33:6; Hos. 7:1, en Hos. 11:3.
graf
Of, hel; dat is, grote angsten en benauwdheden. Van het Hebr. woord Scheol, zie Gen. 37:35 .
Hertaald:
graf
Of: hel; dat is: grote angsten en benauwdheden. Over het Hebreeuwse woord Scheol, zie Gen. 37:35.
dat ik
Of aldus: Opdat ik niet ware onder degenen, die in den kuil nederdalen. Verg. Ps. 28:1 .
Hertaald:
dat ik
Of zo: opdat ik niet was onder degenen die in de kuil neerdalen. Vergelijk Ps. 28:1.
gunstgenoten
Zie Ps. 4:4 .
Hertaald:
gunstgenoten
Zie Ps. 4:4.
heiligheid
Dat is, zijne werken en weldaden aan mij en mijn volk bewezen, waarin Hij zijne heiligheid laat lichten.
Hertaald:
heiligheid
Dat is: Zijn werken en weldaden aan mij en mijn volk bewezen, waarin Hij Zijn heiligheid laat schijnen.
ogenblik
Dat is, de straffen en kastijdingen zijner kinderen, gerekend zijnde tegen de weldadigheden, die Hij hun, inzonderheid naar de ziel, bewijst, bevindt het zich dat hun ganse leven overvloeit van weldaden, en dat de straffen door zijne genade alzo verzacht, gematigd en afgebroken worden, dat zij zeer kort mogen genoemd worden, als David in Absaloms vervolging had ondervonden en in het volgende verklaart, niettegenstaande anderzins zijn kruis en vervolging onder Sauls regering lang geduurd had, waarover hij dikwijls in de Psalmen klaagt. Verg. Ps. 37:10 ; Jes. 17:14 , en Jes. 54:8 ; 2 Kor. 4:17 .
Hertaald:
ogenblik
Dat is: de straffen en kastijdingen van Zijn kinderen, wanneer die afgewogen worden tegen de weldaden die Hij hun, vooral naar de ziel, bewijst, blijkt dat hun hele leven overvloeit van weldaden, en dat de straffen door Zijn genade zo verzacht, gematigd en afgebroken worden, dat zij zeer kort genoemd mogen worden, zoals David bij Absaloms vervolging had ondervonden en in het vervolg verklaart, ondanks dat zijn kruis en vervolging onder Sauls regering overigens lang geduurd had, waarover hij vaak in de Psalmen klaagt. Vergelijk Ps. 37:10; Jes. 17:14, en Jes. 54:8; 2 Kor. 4:17.
leven
Leven, wordt hier gesteld tegen een ogenblik, gelijk avond tegen den morgen.
Hertaald:
leven
Leven wordt hier tegenover een ogenblik gesteld, zoals avond tegenover de morgen.
voorspoed
Als ik in goede rust zat van al mijne vijanden, beeldde ik mij in dat mij geen ongeval zou overkomen. Verg. Job 29:18-20 , enz.
Hertaald:
voorspoed
Toen ik in goede rust zat, verlost van al mijn vijanden, beeldde ik mij in dat mij geen ongeluk zou overkomen. Vergelijk Job 29:18-20, enzovoort.
Gij hadt
Hebr. Gij hadt op mijnen berg strekte doen staan. de zin is, omdat God zijn rijk bevestigd had, meende hij niet dat hem zou bejegenen hetgeen hem nochtans door Absalom zo haastelijk overkwam. Door zijn berg kan men verstaan zijn koninkrijk [verg. Dan. 2:35 , Dan. 2:44 ] en koninklijke hoogheid, of den berg Zion, waar hij zijn koninklijk hof hield.
Hertaald:
Gij hadt
Hebreeuws: U had op mijn berg sterkte doen staan. De betekenis is dat, omdat God zijn koninkrijk bevestigd had, hij niet dacht dat hem zou overkomen wat hem toch door Absalom zo plotseling overkwam. Onder zijn berg kan men zijn koninkrijk verstaan [vergelijk Dan. 2:35, Dan. 2:44] en koninklijke hoogheid, of de berg Sion, waar hij zijn koninklijk hof hield.
verborgt,
Dat is, als gij uw vorige gunst om mijner zonden wil wat ophieldt [verg. Deut. 31:17 ] , en mij door mijn zoon van Jeruzalem verdreeft, toen was ik te zeer verslagen. Verg. Ps. 72:14 .
Hertaald:
verborgt,
Dat is: toen U Uw vorige gunst vanwege mijn zonden een tijd terughield [vergelijk Deut. 31:17], en mij door mijn zoon uit Jeruzalem verdreef, toen was ik te zeer verslagen. Vergelijk Ps. 72:14.
verschrikt
Of, ontsteld, beroerd.
Hertaald:
verschrikt
Of: ontsteld, beroerd.
bloed,
Dat is, in mijn dood, dat mij Absalom en de zijnen om het leven brengen. Verg. Ps. 72:14 .
Hertaald:
bloed,
Dat is: bij mijn dood, wanneer Absalom en de zijnen mij om het leven brengen. Vergelijk Ps. 72:14.
Zal U
Verg. Ps. 6:6 .
Hertaald:
Zal U
Vergelijk Ps. 6:6.
Gij hebt mij mijn
David verhaalt hier hoe God zijn smeken genadelijk verhoord en hem wonderlijk verlost heeft.
Hertaald:
Gij hebt mij mijn
David vertelt hier hoe God zijn smeken genadig verhoord en hem wonderlijk verlost heeft.
zak
Zie Gen. 37:34 , en verg. 2 Sam. 15:30 .
Hertaald:
zak
Zie Gen. 37:34, en vergelijk 2 Sam. 15:30.
eer U
Zie Gen. 49:6 .
Hertaald:
eer U
Zie Gen. 49:6. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken" (Ps. 30:2). Het beeld is dat van iemand die uit een put omhoog getrokken wordt. Hij noemt wat er gebeurd was: "HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd" (Ps. 30:4). Dan volgt het vers dat deze psalm bekend maakte: "Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich" (Ps. 30:6). Daarna kijkt hij eerlijk terug op zijn eigen zelfverzekerdheid: "Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid" (Ps. 30:7). Toen God Zijn aangezicht verborg, was hij verschrikt (Ps. 30:8). En het slot: "Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord" (Ps. 30:12). Bijbelse betekenis: In Ps. 30:6 worden twee dingen tegenover elkaar gezet die niet even lang duren: een ogenblik en een leven, een nacht en een morgen. Dat is geen ontkenning van de nacht; er staat dat het geween er vernacht, dus dat het er werkelijk is en blijft tot de morgen. Wat gezegd wordt, is dat het niet het laatste is. Merk op hoe eerlijk Ps. 30:7 is. In goede tijden dacht hij dat het altijd zo zou blijven, en dat was juist het gevaarlijke van die tijd. Let ten slotte op het beeld in Ps. 30:12. De rouwzak wordt losgemaakt en er komt blijdschap voor in de plaats; het is God die dat doet, en niet de tijd die de wond heelt. Typologie: De Heere Jezus zegt Zijn discipelen dezelfde omkering toe vóór Zijn lijden: "gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden" (Joh. 16:20). Ps. 30:2-12; Joh. 16:20 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas God bij Zijn volk niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking Deze psalm heet een lied van de inwijding van Davids huis, en zij is geschreven door iemand die pas ziek geweest is en er weer bovenop is gekomen. Zij begint met dank en zij komt halverwege bij een bekentenis uit. Een man die genezen is, kijkt terug en ontdekt dat zijn zekerheid van vóór de ziekte op zichzelf rustte. De opening is dankbaar en beeldend: “Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken.” Dat werkwoord wordt gebruikt van een emmer die uit een put omhoog wordt gehaald. En hij zegt er meteen bij hoe diep die put was: “HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.” Dan volgt de regel waar deze psalm om onthouden is: “Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.” Dat woord vernacht is precies gekozen. Het geween logeert er, als een gast die één nacht blijft en dan verder trekt. Er staat niet dat de nacht kort is; er staat dat hij een nacht is. En dan komt de bekentenis, en zij is eerlijker dan men van een danklied verwacht: “Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Hij geeft toe dat hij dacht dat het zo zou blijven. En hij zegt er in één adem bij waarop dat werkelijk rustte: “HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” Daar staat de hele les van dit lied. Zijn berg stond vast, maar niet door hemzelf. Wat er veranderde was niet zijn kracht maar Gods aangezicht. En pas toen dat verborgen werd, merkte hij waar hij al die tijd op gestaan had. Het slot is uitbundig: “Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord.” Een rouwkleed wordt losgemaakt en er komt een feestgordel voor in de plaats. En er staat bij waartoe dat dient: opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. Zo staat dit lied in de lijn van de tegenwoordigheid. Het gaat over een verborgen aangezicht en over een God Die weer opzoekt. En de nacht die maar één nacht duurt, keert in het Evangelie terug op een manier die niemand bedacht had. Er is een avond geweest waarop alles verloren leek, en er is een morgen op gevolgd. En van die morgen staat er dat de vrouwen zeer vroeg naar het graf gingen toen de zon opging. In het Nieuwe Testament: Markus 16:2; Johannes 16:20-22; 2 Korinthe 4:17; Jesaja 61:3; Openbaring 21:4 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Psalm 30 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op de psalm zelf: de bekentenis dat de eigen zekerheid op Gods goedgunstigheid rustte, en het beeld van geween dat maar één nacht logeert. De verbinding met de opstandingsmorgen is een overeenkomst van beelden en geen aanhaling; de psalm spreekt over de genezing van een zieke man.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Overnacht 's avonds het geween, 's morgens is er gejuich. Psalm 30:6 Als je door een nacht van beproeving gaat, denk dan aan de dag van morgen en… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich. Psalm 30:6 Bevind jij je op dit moment in een nacht… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik zei wel in mijn zorgeloze rust: Ik zal voor eeuwig niet wankelen. Psalm 30 vers 7 Geef een mens rijkdom,… Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Psalm 30:5 Christen,… 7 Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. 8 Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht… 1 Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. 2 Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd. 3 HEERE,… Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Psalm 30:5 Een… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 30
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Des avonds vernacht het geween — 30:2-13
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Na verdriet komt blijdschap
In de avond geween ’s morgens gejuich
Zorgeloze rust
De morgen zal aanbreken
Psalm 30:7-13
Psalm 30:1-6
Tranen in de nacht, vreugde in de morgen


Psalmen 30
Moge de Heilige Geest, Die de schrijver van deze psalm geïnspireerd heeft, ons nu in de innerlijke betekenis ervan leiden! Het opschrift luidt: een psalm, een lied der inwijding van Davids huis. Het was een lied des geloofs, want David heeft de inwijding van de tempel niet mogen beleven — die tempel waarvoor hij in zijn hart plannen gemaakt en waarvoor hij voorraad opgelegd had. Ofschoon hij wist dat God hem niet zou toelaten die te bouwen, schepte hij er behagen in een psalm te schrijven die bij de opening van de tempel gezongen zou kunnen worden.
Psalmen 30:2.KruisverwijzingenPsalmen 6:2→Exodus 15:26→Psalmen 88:13→Psalmen 103:3→Jakobus 5:14→Genesis 20:17→2 Koningen 20:5→Psalmen 107:17→
— Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
“Ik zal U verhogen, want Gij hebt míj verhoogd. Ik zal Uw lof opheffen, omdat Gij mijn geest hebt opgebeurd. Ik zal U zegenen, want Gij hebt míj gezegend.” Ons lofgezang behoort de weerklank te zijn van Gods stem der liefde.
“En mijn vijanden over mij niet verblijd.” U herinnert zich dat dit een van de drie dingen was die David als kastijding werden voorgelegd om zijn grote zonde in het tellen van het volk: “Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen?” Hier prijst hij den HEERE dat zo’n ramp niet over hem gekomen is. Afgewende droefheden behoren de aanleiding te zijn tot dankbare lofzangen.
Psalmen 30:3.KruisverwijzingenPsalmen 28:1→Psalmen 86:13→Psalmen 16:10→Psalmen 40:1→Psalmen 71:20→Psalmen 56:13→Jona 2:4→Job 33:19→
— HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
De koning en het volk waren om zijn zonde zwaar met duisternis geslagen; maar de HEERE gebood in barmhartigheid den verderfengel zijn zwaard in de schede te steken toen hij bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet, was — juist de plaats die later de plek werd waarop de tempel gebouwd werd. Het was dus wel gepast bij de opening daarvan den God te prijzen Die Zijn volk geneest. Wij behoren den HEERE meer te prijzen dan wij doen voor ons herstel uit ziekte. Roep de geneesheer erbij als u wilt, maar wanneer de genezing tot u komt, maak dan den HEERE daarvoor groot, en schrijf de eer ervan aan Zijn heiligen Naam toe.
Psalmen 30:4.KruisverwijzingenPsalmen 97:12→1 Kronieken 16:4→Psalmen 132:9→Openbaring 19:5→Exodus 15:11→Openbaring 4:8→Psalmen 135:19→Psalmen 50:5→
— HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
Hier is een dubbele barmhartigheid om van te zingen: niet dood, en niet verdoemd. Het gespaarde leven is reeds iets om den HEERE voor te prijzen; maar de ziel behouden te zien van het nederdalen in den kuil is een oorzaak van nog groter dankzegging. O, prijst den Naam des HEEREN, u die Hem liefhebt en op Hem vertrouwt, want Hij heeft u verlost van het nederdalen in den kuil!
Psalmen 30:5.KruisverwijzingenJesaja 54:7→2 Korinthe 4:17→Psalmen 103:9→Jesaja 26:20→Psalmen 6:6→Johannes 16:20→Psalmen 126:5→2 Korinthe 7:9→
— Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
David schijnt tot de heiligen te zeggen: laat mij niet alleen zingen, maar valt u allen in het koor in. Hij nodigt de verworpenen niet uit den HEERE te prijzen, maar hij zegt: “Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten!” Ik acht het zeer verkeerd dat Gods lof in het openbaar gezongen wordt door goddeloze mannen en vrouwen, gelijk soms geschiedt; het zingen behoort niet aan een goddeloos koor te worden overgelaten. O neen; psalmzingt den HEERE, u al Zijn gunstgenoten, want u alleen kunt Hem oprecht toezingen.
“En zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid” — bij de gedachtenis aan Hemzelf; bij de herinnering aan Hem in Zijn geheel, want dat is Zijn heiligheid: het gehele, volmaakte karakter van God. O heiligen hier beneden, zingt zoals zij in de hemel doen, want hun lied is: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige!
Psalmen 30:6.KruisverwijzingenPsalmen 15:5→2 Korinthe 12:7→Lukas 12:19→Jesaja 56:12→Psalmen 16:8→Psalmen 10:6→Daniël 4:30→Job 29:18→
— Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
“Want een ogenblik is er in Zijn toorn.” Dat is lang genoeg voor Hem om die te tonen, want het is Zijn vreemd werk; en lang genoeg voor ons om die te verdragen, want zij zou ons verpletteren als zij langer duurde. Het leven kwam in Davids dagen tot Jeruzalem zodra God erop nederzag met een glimlach; en het leven komt tot ons zodra wij van Zijn goedgunstigheid smaken, al waren wij gereed van wanhoop te sterven.
Zoals de dauw bij de nacht behoort, zo betaamt het geween ons wanneer Jezus Zijn aangezicht voor ons verbergt. De bruiloftskinderen mogen wel treuren wanneer de hemelse Bruidegom van hen weggenomen wordt, maar het is slechts voor één nacht. De morgen zal aan onze rouw een einde maken. Onze nachtdroefheid is voor de nacht, maar onze vreugden zijn voor een dag die geen avond kennen zal.
Psalmen 30:7.KruisverwijzingenPsalmen 104:29→Psalmen 143:7→Deuteronomium 31:17→Psalmen 5:12→Psalmen 89:17→Psalmen 10:1→Job 30:26→Psalmen 40:2→
— Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
Het is jammer te veel te zeggen; heel weinig mensen vervallen in de tegenovergestelde fout van te weinig te zeggen. Het is altijd jammer met zekerheid op de toekomst te rekenen, en, vanwege het hoopvolle van het heden, te veronderstellen dat deze stand van zaken eeuwig duren zal. David was niet wijs toen hij in zijn voorspoed zei: ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
Psalmen 30:8.KruisverwijzingenPsalmen 34:6→Psalmen 77:1→1 Korinthe 12:8→Filippenzen 4:6→Psalmen 130:1→
— Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
Wanneer God met Zijn volk in tegenovergestelde richting gaat, zijn zij meteen ontsteld. Er zijn geen slagen nodig, geen toornige woorden: “maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” Dat is genoeg voor een kind van God; laat hij het licht van Gods aangezicht slechts missen, en hij bezwijkt meteen.
Psalmen 30:9.KruisverwijzingenPsalmen 6:5→Jesaja 38:18→Psalmen 118:17→Psalmen 115:17→Psalmen 88:10→Prediker 9:10→
— Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:
Wat behoort het kind van God te doen wanneer hij in benauwdheid is, dan te roepen? En tot wien zou hij roepen dan tot zijn Vader?
Psalmen 30:10.KruisverwijzingenPsalmen 54:4→Psalmen 143:7→Psalmen 27:7→Psalmen 143:1→Psalmen 28:7→Psalmen 51:1→
— Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
Zijn gebed was dus een pleitrede, en dat is juist het gebeente en het merg van het gebed: met God te redeneren en te pleiten. Hij schijnt het aldus te stellen: “Heere, indien ik mijn ziel verlies, zult Gij ook verliezen, want Gij zult een zanger uit Uw koor verliezen; iemand die er blij genoeg om zou zijn U te prijzen, en wiens leven zelf het is U groot te maken. O, houw mij niet af! Wanneer ik dood ben, wanneer ik verloren ben, kan er van mij geen lof tot U komen; spaar mij dus, mijn genadige God.”
Psalmen 30:11.KruisverwijzingenJeremia 31:4→Psalmen 150:4→Prediker 3:4→Psalmen 149:3→Openbaring 21:4→2 Samuël 6:14→2 Kronieken 20:12→Jeremia 31:13→
— Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
Wat een handzaam gebed is dit — een gebed om overal met u mee te dragen waar u ook gaat: “HEERE! wees mij een Helper.” Dat is het gebed van een dienaar wanneer hij gaat prediken. Dat is het gebed van een zondagsschoolonderwijzer wanneer hij naar zijn klas gaat. Is het niet een gebed voor de lijder wanneer de pijn heel hevig op hem drukt? Werkt u voor Hem? Bent u neergebogen in uw ziel? Dit gebed zal u passen: HEERE, wees mij een Helper.
Psalmen 30:12.KruisverwijzingenPsalmen 16:9→Psalmen 57:8→Psalmen 145:2→Psalmen 71:14→Genesis 49:6→Psalmen 146:1→Handelingen 4:20→Psalmen 13:6→
— Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;
Welk een gedaanteverwisseling in antwoord op het gebed! Merk op dat David niet zegt: ik hoop dat U het gedaan hebt; maar hij stelt het zó: “Gij hebt — Gij hebt.” Hij is er volkomen zeker van; en omdat hij van deze grote barmhartigheid zeker is, geeft hij God er al de eer van. Welk een wonderbare verandering is het! Niet slechts van rouw in vrede, maar in verrukking — een verrukking die zich in een rei uitdrukt; niet slechts van de zak in gewone kleding, maar van de zak der droefheid in het satijn der blijdschap.
God doet niets ten halve; Hij verjaagt niet alleen de nacht en geeft ons de schemering, maar Hij gaat voort ons te verblijden met de volle heerlijkheid van de middag. God behoort lof van ons te ontvangen. Het is de schatting die wij als pachters aan den groten Heere van alles betalen; laat ons Hem Zijn inkomsten niet ontroven.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm, een lied der inwijding van David’s huis, gezongen tot inwijding van de plaats op Moria, waar de tempel zou gebouw worden, welke reeds voorlopig in zoverre tot David’s huis of offerplaats bestemd werd, dat hij voortaan daar zijnen godsdienst verrichtte (2 Samuel 24: 25 ). Even als in den vorigen Psalm de kinderen der machtigen werden opgewekt, om God te loven, zo in dezen ‘s Heren gunstgenoten; beide Psalmen behoren bovendien in zoverre bij elkaar, als in Psalm 29: 10 v. op het volk gewezen wordt, dat de Heere door gerichten heen, Zijne genade deelachtig maakt, en in Psalm 30: 6 uitdrukkelijk op den voorgrond gesteld wordt, hoe spoedig de liefde Gods jegens de Zijnen weer den toorn wegneemt, dien zij verdiend hadden. 2.
I. Vs. 2-4.KruisverwijzingenPsalmen 97:12→Psalmen 6:2→Psalmen 28:1→Psalmen 86:13→Psalmen 16:10→Exodus 15:26→Psalmen 88:13→Psalmen 103:3→
— Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd. HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen. HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
De zanger geeft vooreerst in enige korte bondige zinnen, de aanleiding tot Zijn lofen danklied te kennen, de Heere heeft hem genadig uit een groot gevaar gered. Het is het gevaar, om met zijn gehele volk en zijn rijk te gronde te gaan, dat hij zich en de zijnen berokkend heeft door de volkstelling, waartoe Satan hem aanporde, maar die hij afgewend had door het gebed, dat Gods Geest uit hem voortbracht. (2 Samuel 24: 1 vv. 1 Kronieken 21: 1 vv.).
Ik zal U verhogen, HEERE! in mijn lied, want Gij hebt mij opgetrokken uit de diepte, waarin ik verzonken was, Uwe hand heeft mij weer verhoogd, en Gij hebt alzo mijne vijanden over mij niet verblijd
(Psalm 35: 19, 24 vv. Deuteronomium 26: 11 ); zij hadden het gaarne gezien, dat ik onder Uwen toorn ware bezweken.
Wat sommigen beweren, dat David, toen hij het paleis wilde inwijden, door een zware ziekte werd getroffen, steunt niet op een deugdelijken grond. Zelfs is het eerder uit de Heilige historie af te leiden, dat zodra hij zijn huis bewoonde, hij stil en zeer aangenaam heeft voortgeleefd.
Het is duidelijk, dat toen de Engel des verderfs duizenden wegraapte, ook David bevreesd was voor zijn leven. Ja, wij weten dat hij zelfs den Heere heeft gebeden, om Hem te treffen, daar niet zijn volk, niet zijne schapen, maar hij, de koning en herder de oorzaak was, dewijl hij tot de telling had bevel gegeven. En nu, de Heere had zijn offer aangenomen en den Engel bevel gegeven, om zijn zwaard in de schede te steken. David zelf was gespaard gebleven. En daarom kan en zal hij er van getuigen, dat de Heere hem had opgetrokken, en niet toegelaten, dat zijne vijanden zich over hem hadden verblijd.
HEERE, mijn God! 1) ik heb in mijnen nood tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen 2) Gij hebt mij geholpen en verheugd (vs. 12).
Merk op, welken naam het geloof kiest. -“Mijn God!” driewerf gelukkig hij, die den Heere zijn deel kan noemen. Zie hoe David’s geloof zich verheft. Hij zong in vs. 2: “Heere!” in het derde is het: “Heere mijn God!” De hemelse muziek des harten is steeds klimmende, gelijk de rook pilaren, die van het reukaltaar oprijzen.
Dat zware lijden verschijnt onder het beeld van ene ziekte, de Heere, die het wegneemt onder het beeld van den geneesheer Jes. 6: 10. 2 Kronieken 36: 16.
HEERE! Gij hebt mijne ziel uit het graf, waarin ik zo goed als neergezonken was (2 Samuel 24: 1 vv.) opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald; met den enen voet stond ik reeds in het graf, maar Gij hebt mij tot het leven teruggeroepen. David meende de grootheid der genade met gene andere woorden te kunnen uitdrukken, dan wanneer hij de duisternis van dien tijd met het graf en met de groeve vergeleek.
5.
II. Vs. 5-11.KruisverwijzingenJesaja 54:7→2 Korinthe 4:17→Psalmen 103:9→Jesaja 26:20→Jeremia 31:4→Psalmen 6:6→Psalmen 104:29→Psalmen 6:5→
— Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid. Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt. Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.
Terwijl David hierop, tot alle vromen, voor welke hij zingt, de opwekking laat horen, om zulk enen, God als hij Hem bevonden heeft, enen God, die na kort toornen op verrassende wijze, weer genade bewijst, met hem te prijzen, verhaalt hij uitvoeriger, wat hij beleefd heeft; hij denkt vooreerst aan de oorzaak, waarom de zware kastijding over hem gekomen is, daarna het gebed, dat hij uit de diepte zijner ellende tot God opgezonden heeft.
Psalmzingt met mij den HEERE, gij, Zijne gunstgenoten, tot wie mijn hart zich getrokken gevoelt (Psalm 16: 3), en die nu deelt in alles, wat mij wedervaart, en a) zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid, die zich op nieuw aan mij verheerlijkt heeft.
Psalm 97: 12.
Want een ogenblik is er in Zijnen toorn; Zijne liefde is jegens de Zijnen zo groot, dat de openbaring Zijner gramschap slechts een ogenblik duurt (2 (Samuel 24: 16), maar er is een leven in Zijne goedgunstigheid 1), die duurt zo lang men leeft; des avonds vernacht het geween, dan komt het bij ons en blijft den nacht, maar des morgens is er gejuich, bij het ontwaken komt plotseling een andere gast, namelijk de vreugde (2 Samuel 24: 15 vgl. Jes. 17: 14; 54: 7 v.).
Dat het leven hier tegenover een ogenblik wordt gesteld is buiten geschil; en wordt daarom genomen voor een langen duur, of voor een voortduring van een langen tijd. David bekent echter, dat, indien God de Zijnen kastijdt, Hij niet slechts het harde der straffen matigt, maar ook terstond verzoend wordt en aan Zijn toorn een perk stelt. Zijne goedertierenheid en gunst nu verlengt Hij tot in lengte van dagen.
Ik, om hier, in tegenstelling van mijn door dit lijden op nieuw verkregen vertrouwen op God, op mijn vroeger zelfvertrouwen, de oorzaak der kastijding (2 (Samuel 24: 2), te komen, ik zei wel in mijnen voorspoed 1), die mij overmoedig gemaakt had (Deuteronomium 8: 11 vv.; 32: 15): Ik zal niet wankelen in eeuwigheid (2 Samuel .24: 1 ). Voorspoed is meer aangenaam dan voordelig. Hij schijnt een liefelijke zomer, maar is inderdaad een verwoestende winter, die al de vruchten verteert, welke wij in den herfst der geheiligde droefheid geoogst hebben. Wij zijn nooit in groter gevaar dan in den zonneschijn van voorspoed. Wanneer alles naar onze wensen gaat en nooit de smart ons treft, is dit eerder een teken, dat God ons vergeet, dan een teken van Zijne tedere liefde.
Deze oprechte zelfbekentenis en ootmoedige zelf aanklacht van David is de sleutel tot verklaring van dit merkwaardige en bij alle geestverwanten van David zo geliefde lied. Wij horen eruit, dat de man naar Gods harte, die door den Heere hoog is opgericht, zich heeft schuldig gemaakt aan zelfverheffing en ijdel vertrouwen op zijn grootheid en macht. De Heere heeft zijne eer verhoogd, zijne macht uitgebreid, zijne rijkdommen vermeerderd. Hij deelt in buitengewonen voorspoed; de Heere heeft Zijn berg door Zijne goedgunstigheid vastgezet. David zinspeelt met die uitdrukking mijn berg op den berg Zion, waarop Jeruzalem, de hoofdstad des rijks en ‘s konings residentie lag. Zijne heerschappij en macht is daar verzekerd, zij staat wast, zij zal niet wankelen.
Want, HEERE! Gij had mijnen berg 1) door Uwe goedgunstigheid, Uwe vrije genade vastgezet, Gij had mijn rijk bekrachtigd en mijne heerschappij bevestigd (2 Samuel 5: 12; 24:
; maar ik wilde het in mijne dwaasheid niet erkennen, dat alles door U alleen was, en toen gij Uw aangezicht verbergdet en in plaats van genade mij toorn liet ondervinden, zodat in korten tijd 70.000 man uit Israël vielen (2 Samuel 24: 15 ), toen werd Ik verschrikt, verplet.
De berg is de Zion, die door natuur en kunst sterk is, en deze is als slotberg emblema (zinnebeeld) van het Davidische rijk, zo als hij als tempelberg emblema van de kerk of de gemeente is.
Want, HEERE! Gij had mijnen berg 1) door Uwe goedgunstigheid, Uwe vrije genade vastgezet, Gij had mijn rijk bekrachtigd en mijne heerschappij bevestigd (2 Samuel 5: 12; 24:
; maar ik wilde het in mijne dwaasheid niet erkennen, dat alles door U alleen was, en toen gij Uw aangezicht verbergdet en in plaats van genade mij toorn liet ondervinden, zodat in korten tijd 70.000 man uit Israël vielen (2 Samuel 24: 15 ), toen werd Ik verschrikt, verplet.
De berg is de Zion, die door natuur en kunst sterk is, en deze is als slotberg emblema (zinnebeeld) van het Davidische rijk, zo als hij als tempelberg emblema van de kerk of de gemeente is.
Tot U, HEERE! riep ik, in mijn gebed, dat mij de gewetensangst en de zware kastijding ontpersten, en ik smeekte tot den HEERE. David, vroeger op beide oren slapende, begint, plotseling opgewekt, tot den Heere te roepen; even als het ijzer, wanneer het door lange rust roestig geworden is, niet eerder weer gebruikt kan worden, voordat het op nieuw in ‘t vuur gloeiend gemaakt en met den hamer geslagen is, zo zal, wanneer eenmaal ene vleselijke gerustheid zich van den mens heeft meester gemaakt, niemand zich spoedig tot het gebed begeven, wanneer hij niet te voren door het kruis geslagen en gekastijd wordt.
Wat ik smeekte, was dit: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Wat baat het U, wanneer Gij in Uwen toorn mij laat omkomen? Zal U het stof loven? Zal het Uwe waarheid verkondigen? (Psalm 6: 5 v. Jes. 38: 18 vv.). In dit vers leren wij den vorm en de wijze van David’s gebed. Het was een worstelen met God, een aandringen van redenen, een bepleiten van zijne zaak. Het was gene opeenhoping van leerstellingen, noch een verhaal van ervaringen, veel minder een slagen geven aan anderen, onder voorwendsel van tot God te bidden alhoewel al deze dingen voor heilige oefening worden gehouden bij sommige bijeenkomsten tot gebed. Hij worstelde met den Engel des Verbonds met sterk aanhouden, en daarom overwon hij. Hoofd en hart, oordeel en begeerte, geheugen en begrip waren alle in het werk om de zaak voor den God der liefde neer te leggen.
Zijne bede om levensverlenging was dus niet om aards bezit en genot, maar om Gods eer; hij vreesde den dood als het einde van den lof van God, want aan gindse zijde des grafs worden gene Psalmen meer gezongen. De Hades was in het Oude Testament nog onoverwonnen, de hemel nog niet geopend; in den hemel zijn de godenzonen (Psalm 29: 1), maar toch niet zalige mensenkinderen.
11. Vs. 11-13. Gelijk de angst van het geweten en de zwaarte der kastijding, David tot God gedrongen heeft, zo blijft bij nu ook aan het slot van den psalm bij God, deelt in ene aanspraak aan Hem de verhoring mede, welke zijn gebed gevonden heeft en maakt tevens zijn besluit bekend. om voor het ontvangen heil eeuwig dankbaar te zijn.
Hoor, HEERE! en wees mij genadig, HEERE! wees mij een Helper.
Gij, o Heere, mijn God, hebt genadig mijn gebed (vs. 13 v.) gehoord en mij mijne weeklage veranderd in ene rei, een vreugdedans (Exodus 32: 10. (Richteren 11: 34); Gij hebt mijnen zak, waarin ik in boete en treurigheid mij even als de oudsten gekleed had (1 Kronieken 21: 16) ontbonden, en mij met blijdschap omgord 1), mij de vreugde als een gordel om de lendenen gedaan.
Is het te verwonderen, dat David zijne ziele uitstort in dezen lofzang, nadat hij op Arauna’s dorsvloer weer heeft mogen aanschouwen, dat God verzoend was, toen de Engel des verderfs weer was weggetrokken en hij zijn huis den Heere mocht opdragen. Immers neen. De boeteling had mogen plaats maken voor den blijden zanger. De wolk, die hem verschrikt had, had Gods Almacht zelf door den adem Zijner liefde weggevaagd. –
Opdat mijne eer 1), mijne ziel (Psalm 7: 6)U psalmzinge, en niet zwijge, niet ophoude met loven en prijzen. Inderdaad zal zij ook nooit ophouden. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.
In het Hebr. Kavod. Dit betekent in proza wel eer, maar in poëzie ook hart, ziel, als het edelste van den mens (Psalm 16: 9; 57: 9; 108: 2. Genesis 49: 6). Betere vertaling is dan ook: Op dat mijne ziele U psalmzinge.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel