Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalm van DavidH1732. TotH413 U roepH7121 ik, HEEREH3068! mijn RotssteenH6697, houd U niet als doofH2814 van mij af; opdat ik niet, zo Gij U vanH4480 mij stil houdtH2790, vergelekenH4911 worde metH5973 degenen, die in den kuilH953 nederdalenH3381.
Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
KJV
[[A Psalm of David.]]1
Unto thee will I cry,4
O LORD3
my rock;5
be not silent10
to me: lest, if thou be silent7
to me, I become12
like them that go down14
into the pit.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
HoorH8085 de stemH6963 mijner smekingenH8469, als ik tot U roepH7768, als ik mijn handenH3027 ophefH5375 naarH413 de aanspraakplaatsH1687 Uwer heiligheidH6944.
Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.
KJV
Hear1
the voice2
of my supplications,3
when I cry4
unto thee, when I lift up6
my hands7
toward thy holy10
oracle.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
TrekH4900 mij nietH408 weg met de goddelozenH7563, en metH5973 de werkersH6466 der ongerechtigheidH205, die van vredeH7965 sprekenH1696 metH5973 hun naastenH7453, maar kwaadH7451 is in hun hartH3824.
Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
KJV
Draw me not away2
with the wicked,4
and with the workers6
of iniquity,7
which speak8
peace9
to their neighbours,11
but mischief12
is in their hearts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
GeefH5414 hun naar hun doen, en naar de boosheidH7455 hunner handelingenH4611; geefH5414 hun naar hunner handenH3027 werkH4639; doe hun vergeldingH1576 tot hen wederkerenH7725.
Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
KJV
Give1
them according to their deeds,3
and according to the wickedness4
of their endeavours:5
give8
them after the work6
of their hands;7
render10
to them their desert.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
OmdatH3588 zij nietH3808 lettenH995 op de dadenH6468 des HEERENH3068, noch op het werkH4639 Zijner handenH3027, zo zal Hij hen afbrekenH2040 en zal hen nietH3808 bouwenH1129.
Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
KJV
Because they regard3
not the works5
of the LORD,6
nor the operation8
of his hands,9
he shall destroy10
them, and not build them up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
GeloofdH1288 zij de HEEREH3068, wantH3588 Hij heeft de stemH6963 mijner smekingenH8469 gehoordH8085.
Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
KJV
Blessed1
be the LORD,2
because he hath heard4
the voice5
of my supplications.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
De HEEREH3068 is mijn SterkteH5797 en mijn SchildH4043; op Hem heeft mijn hartH3820 vertrouwdH982, en ik ben geholpenH5826; dies springtH5937 mijn hartH3820 van vreugdeH5937, en ik zal Hem met mijn gezangH7892 lovenH3034.
De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
KJV
The LORD1
is my strength2
and my shield;3
my heart6
trusted5
in him, and I am helped:7
therefore my heart9
greatly rejoiceth;8
and with my song10
will I praise
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
De HEEREH3068 is hunlieder SterkteH5797, en HijH1931 is de SterkheidH4581 der verlossingenH3444 Zijns GezalfdenH4899.
De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.
KJV
The LORD1
is their strength,2
and he is the saving5
strength4
of his anointed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerlosH3467 Uw volkH5971, en zegenH1288 Uw erveH5159, en weidH7462 hen, en verhefH5375 hen totH5704 in eeuwigheidH5769.
Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
KJV
Save1
thy people,3
and bless4
thine inheritance:6
feed7
them also, and lift them up8
for ever.
houd
Of, zwijg niet, wees niet stil van mij; versta, U of uwe oren van mij afwendende, van mij aflatende, zonder te spreken of mij te antwoorden, en met de daad te bewijzen dat Gij mij verhoort. Verg. deze manier van spreken met 1 Kon. 22:3 ; 1 Sam. 7:8 ; Job 13:13 , menselijk van God gesproken, die gezegd wordt zich als doof te houden en te zwijgen en niet te antwoorden, als Hij met dadelijke hulp nog niet betoont dat Hij de gebeden der zijnen verhoord heeft. Anders, houd U niet als doof tegen mij en zo terstond, tegen mij stil houdt, enz. Verg. Job 13:13 , met de aantekening.
Hertaald:
houd
Of: zwijg niet, wees niet stil van mij; versta hieronder: U, of Uw oren, van mij afwendend, van mij aflatend, zonder te spreken of mij te antwoorden, en met daden te bewijzen dat U mij verhoort. Vergelijk deze manier van spreken met 1 Kon. 22:3; 1 Sam. 7:8; Job 13:13, op menselijke wijze over God gesproken, van Wie gezegd wordt dat Hij Zich als doof houdt en zwijgt en niet antwoordt, wanneer Hij met daadwerkelijke hulp nog niet toont dat Hij de gebeden van de Zijnen verhoord heeft. Anders: houd U niet doof tegenover mij en meteen, zwijg niet stil tegenover mij, enzovoort. Vergelijk Job 13:13, met de aantekening.
kuil
Dat is, in het graf, gelijk doden. Of, gelijk verbijsterde beesten en mensen ergens in een kuil of groef vallen en omkomen.
Hertaald:
kuil
Dat is: in het graf, zoals doden. Of: zoals verbijsterde dieren en mensen ergens in een kuil of groeve vallen en omkomen.
handen
Gelijk dikwijls in het bidden geschiedt tot een teken van opheffing des harten tot God en verwachting eens zegens van Hem, door den Messias. Verg. 1 Kon. 8:22 ; Ps. 88:10 , en Ps. 141:2 ; Klaagl. 2:19 , en Klaagl. 3:41 .
Hertaald:
handen
Zoals vaak bij het bidden gebeurt, als teken van het opheffen van het hart tot God en verwachting van een zegen van Hem, door de Messias. Vergelijk 1 Kon. 8:22; Ps. 88:10, en Ps. 141:2; Klaagl. 2:19, en Klaagl. 3:41.
naar
Dat is, naar uw heilige aanspraakplaats, waar de ark des verbonds is, een voorbeeld van den Messias. Zie 1 Kon. 6:5 .
Hertaald:
naar
Dat is: naar Uw heilige plaats van toespraak, waar de ark van het verbond is, een voorbeeld van de Messias. Zie 1 Kon. 6:5.
Trek
Dat is, breng mij niet om, trek mij niet naar het graf met, enz. Verg. Ps. 26:9 , en zie Job 21:33 , en Job 24:22 ; Ezech. 32:20 ; alwaar Het Hebr. woord in dezelfde betekenis gebruikt wordt.
Hertaald:
Trek
Dat is: breng mij niet om, trek mij niet naar het graf met, enzovoort. Vergelijk Ps. 26:9, en zie Job 21:33, en Job 24:22; Ezech. 32:20; waar het Hebreeuwse woord in dezelfde betekenis gebruikt wordt.
bouwen
Dat is, die niet verhogen tot een vasten of duurzamen staat; idem, niet voortplanten of hun geslacht uitbreiden. Verg. Gen. 16:2 ; Job 22:23 ; Jer. 24:6 , en Jer. 31:28 ; idem Spr. 14:1 .
Hertaald:
bouwen
Dat is: die niet opbouwen tot een vaste of duurzame staat; en ook niet voortplanten of hun geslacht uitbreiden. Vergelijk Gen. 16:2; Job 22:23; Jer. 24:6, en Jer. 31:28; eveneens Spr. 14:1.
Geloofd
Hebr. gezegend.
Hertaald:
Geloofd
Hebreeuws: gezegend.
hunlieder
Niet alleen mijne, maar ook zijner ganse kerk, van alle gelovigen.
Hertaald:
hunlieder
Niet alleen de mijne, maar ook die van Zijn hele kerk, van alle gelovigen.
verlossingen
Of, behoudenissen, overwinningen zijns gezalfden; dat is die mij, zijn gezalfde, door zijne sterkte, zo menigmaal heeft verlost, of de sterkte der verlossingen, of des volkomen heils; [dat is, de volkomen heilzame sterkte] in het gezalfde; te weten, den Messias, den Heere Christus, door David afgebeeld.
Hertaald:
verlossingen
Of: de behoudenissen, overwinningen van Zijn gezalfde; dat is: die mij, Zijn gezalfde, door Zijn kracht zo vaak verlost heeft, of de kracht van de verlossingen, of van het volkomen heil; [dat is: de volkomen heilzame kracht] in de gezalfde; namelijk de Messias, de Heere Christus, van wie David het beeld was.
Verlos
Of, behoud, geef heil.
Hertaald:
Verlos
Of: behoud, geef heil.
weid
Gelijk een herder zijne schapen. Zie Psa 32 .
Hertaald:
weid
Zoals een herder zijn schapen. Zie Ps. 32.
verhef
Of, draag hen.
Hertaald:
verhef
Of: draag hen. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Draag hen tot in eeuwigheid. Psalm 28:9 Gods volk heeft het nodig om gedragen te worden. Ze zijn van nature best zwaar. Vuursinters vliegen omhoog, maar de zondige… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Tot u roep ik, Heere! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Verhef hen tot in eeuwigheid. Psalm 28:9 Gods volk heeft het nodig verheven te worden. Ze zijn van nature erg zwaar.… 6 Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord. 7 De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en… 1 Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 28
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
Gods kinderen bemoedigd
Tot u roep ik, Heere! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af
Verhef hen tot in eeuwigheid
Psalm 28:6-9
Psalm 28:1-5


Psalmen 28
Psalmen 28:1.KruisverwijzingenPsalmen 83:1→Psalmen 18:2→Psalmen 143:7→Psalmen 88:4→Spreuken 1:12→Psalmen 35:22→Psalmen 22:2→Jesaja 26:4→
— Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
O, als God het gebed niet hoorde, wij zouden worden als dode mensen — ja, als verloren mensen. Onze val of onze wanhoop zou inderdaad verschrikkelijk zijn.
Psalmen 28:2.KruisverwijzingenPsalmen 141:2→Psalmen 138:2→Psalmen 5:7→1 Timotheüs 2:8→Psalmen 134:2→Psalmen 140:6→1 Koningen 8:38→Daniël 6:10→
— Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.
Is dat de wijze waarop u bidt, lieve vriend? Ik weet dat er sommigen zijn die volkomen tevreden zijn wanneer zij zekere goede woorden hebben uitgesproken en een gebedsvorm hebben afgewerkt. Of God hen hoort of niet, dat verontrust hen niet. Maar bent u een waarachtig kind van God, dan zal het uw voornaamste gedachte in het gebed zijn: zal Hij mij horen? Zal Hij mij horen? Zal Hij mij antwoorden? En u zult een gebed voor niets achten tenzij u de vertroostende, gelovige overtuiging hebt dat uw gebed het oor en het hart van God bereikt heeft. O, geloof ons, want sommigen van ons weten het bij ondervinding, dat het gebed een werkelijkheid is. Het is geen opzeggen van woorden. Het is werkelijk het hart dat in het oor van God spreekt; en God antwoordt genadiglijk wanneer er waarlijk gebeden wordt.
Psalmen 28:3.KruisverwijzingenPsalmen 12:2→Psalmen 55:21→Psalmen 26:9→Micha 3:5→Psalmen 62:4→Mattheüs 25:41→Psalmen 10:14→Psalmen 52:1→
— Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
Wij zijn vaak bevreesd dat wij onder hen geteld zouden worden. “Trek mij niet weg met de goddelozen” is het gebed van menig godvruchtig mens. Wanneer hij naar binnen ziet en de zonde bemerkt die daar is, en wat hij van de hand Gods verdient, buiten het bloed en de gerechtigheid van Christus, dan begint hij inderdaad te bidden: “O HEERE, laat mij niet afdwalen in dwaling der leer of in dwalingen des levens, of in losheid van wandel, of in afwijkingen; maar houd mij vast, want tenzij Gij mij vasthoudt, gevoel ik dat ik afnemen moet en ten laatste worden zal gelijk zij.”
Psalmen 28:4.KruisverwijzingenOpenbaring 18:6→2 Timotheüs 4:14→Psalmen 62:12→Psalmen 103:10→Psalmen 69:22→Psalmen 103:3→Psalmen 21:10→Psalmen 59:12→
— Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.
En een rechtvaardig gemoed gevoelt dat het zó behoort te zijn. God is een Rechter, en Hij zal de zonde straffen, en genadige mensen wensen niet dat het anders ware. Zelfs op die verschrikkelijke zijde van Gods karakter, die gezien wordt in Zijn wraak over de goddelozen, richt de christen het liefhebbend oog. Hij verzoent zich niet met een halve God, of met een God met de helft van de eigenschappen Gods, namelijk liefde en tederheid; maar hij heeft God lief zoals hij Hem vindt. Hij heeft dien God lief Die een verterend vuur is.
Ik zou beducht zijn als ik God niet kon liefhebben onder ieder gezichtspunt waaronder Hij mij voorgesteld wordt; want evenals ik zou gevoelen dat ik een mens niet waarlijk liefhad als ik zei: “in zulk een karakter kan ik hem niet verdragen”, zo zou ik gevoelen dat er enig verschil tussen Hem en mij bestond. Wij moeten God liefhebben in ieder karakter — op de troon der gerechtigheid zo goed als op de zetel der liefde.
Psalmen 28:5-6.KruisverwijzingenJesaja 5:12→Psalmen 8:3→2 Samuël 7:27→Psalmen 104:24→Psalmen 19:1→Jeremia 31:4→Jesaja 45:12→Psalmen 10:5→
— Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.
Kunt u dit zeggen? Vergeef mij dat ik die vraag telkens opnieuw stel aan allen die hier tegenwoordig zijn, want het is een heel wezenlijke vraag. Hebt u nooit geweten wat verhoord gebed betekent, dan helpe God u te beginnen te bidden: “Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.”
Psalmen 28:7.KruisverwijzingenJesaja 61:10→Psalmen 30:11→Psalmen 13:5→Psalmen 56:3→Psalmen 69:30→Psalmen 28:8→Psalmen 18:1→Jesaja 12:2→
— De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
Mij dunkt dat ik hier een slag zie woeden die met hevigheid gestreden wordt; en toch treedt hij dien het het meest aangaat, nadat hij zijn dapperheid getoond en kloek gestreden heeft, terzijde, en gaat op een stille plaats zitten, buiten het bereik van de kogels en bijna buiten het gehoor van het gebulder der kanonnen, en spreekt met zijn hart. Hij vergeet de woedende strijd. Hij ziet een blijde overwinning tegemoet. Hij kent zijn zwakheden, maar hij heeft een blik opgevangen van de goddelijke sterkte die hem verzekerd is. Hij beeft misschien nog van de inspanning van de strijd, en toch rust hij als iemand die ongemerkt tot bestendige kalmte en zachte gemoedsrust gebracht is; hij rust in God.
Het vers valt in drie delen uiteen. Het eerste spreekt van een verzekerd bezit: “De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild.” Het tweede spreekt van een bepaalde ondervinding: “op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen.” Er zijn geen indienen, geen maren, geen zweven van de ziel tussen hoop en vrees. Hij spreekt zonder een spoor van aarzeling, want hij verhaalt zijn eigen werkelijke ondervinding. En het derde deel besluit met een uitgesproken aandoening, een diepe aandoening: “dies springt mijn hart van vreugde.” En dan zien wij de inwendige aandoening op de meest gepaste wijze vertolkt door een hoorbare uiting: “en ik zal Hem met mijn gezang loven.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David, eveneens uit den tijd van Absaloms opstand, als de dag van den beslissenden slag in het bos van Efraïm nader kwam (2 Samuel 16: 23 ). In den nauwsten samenhang met de beide vorige Psalmen, staat de voor ons liggende. Was aan het slot van Psalm 27 David’s toestand vol van zo grote gevaren, dat hij zich reddeloos verloren moest achten, zo hij niet op den Heere gehoopt had, zo roept hij hier aanstonds bij het begin uit zulk een toestand ten hemel. Was in Psalm 26 de hoofdgedachte, dat God wat innerlijk gescheiden is, niet door gelijkheid van lot met elkaar kon verbinden, niet der bozen en der rechtvaardigen lot kon vermengen, zo is dezelfde gedachte hier degene, die David met vertrouwen doet bidden. Hierbij komt iets nieuws: David erkent zich zelven niet slechts voor enen verdrukten rechtvaardige maar voor den verdrukten koning van Israël; zijn ondergang zou die van Israël zijn even als zijne redding die van zijn volk. Dat maakt dus zijne bede tot voorbede, en geeft aan zijn gebed bijzonderen nadruk bij Hen, tot Wie hij het richt.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenPsalmen 12:2→Psalmen 55:21→Psalmen 26:9→Psalmen 83:1→Psalmen 18:2→Psalmen 141:2→Psalmen 138:2→Psalmen 5:7→
— Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen. Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid. Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren. Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.
David laat ene bede ene genadige verhoring voorafgaan, daar hij zonder deze aan een reddeloos verderf zou prijs gegeven zijn. Hij strekt daarop zijne biddende handen naar het Allerheilige op Zion, want daar is de Heere gezeten op de arke des verbonds tussen de Cherubs; van daar heeft hij beloofd, Zijn volk te zegenen en het antwoord te geven. Wat hij nu bidt en smeekt is dit, dat de Heere hem, den rechtvaardige, niet van dat lot zou willen blootstellen, dat den bozen bestemd is; veeleer mocht Hij de verdiende straf van ondergang over hen laten komen, die boosaardig handelen en des Heren werk trachten te vernietigen. Tot U roep ik in dezen bijna wanhopigen toestand, HEREN! mijn rotssteen 1), onbeweeglijke grond mijner hope en mijn Beschermer (Psalm 18: 3; 32: 47),houd U niet als doof van mij af, dat Gij mijne bede om redding met geen antwoord zoudt verwaardigen; a) opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met b) degenen, die in den kuil, den Scheool (Job 7: 9 ) nederdalen.
(Psalm 143: 7. b) Psalm 30: 4.
Het is duidelijk, dat David hier zijne bede, zijn smeken grondt op de onwankelbare trouw van God, terwijl hij het gevaar, waarin hij verkeert, Gode voorhoudt, om hem ter hulpe te snellen. De Trouw Gods, die onveranderlijk is als de rotssteen, ja, nog onveranderlijker, is de grond, waarin hij door genade het anker van zijn hoop en van zijn ootmoedig geloofsvertrouwen uitwerpt.
Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijne handen biddende ophef, naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid, in de richting van het Allerheilige, waar Gij Uzelven voor Uw volk toegankelijk gesteld hebt (Dan. 6: 10. Exodus 25: 22. 1 Koningen 6: 16). Dat de zanger de handen niet ten hemel opheft, maar naar het Allerheilige, waar de arke des Heren is, is niet anders te beschouwen, dan wanneer wij God in Christus aanroepen. God had in neerbuigen de liefde om de zwakheid van Zijn volk, dat zich slechts door middel van het zichtbare tot het onzichtbare kon verheffen, in het midden van hen als het ware ene gedaante aangenomen, ten voorbeeld van de menswording Zijns Zoons, door welke de behoefte, die diep in het wezen der menselijke natuur ligt, op oneindig meer reële wijze bevredigd werd.
Dit is de stem van mijn smeken, die Gij moogt verhoren van den troon Uwer genade: Trek mij niet weg met de goddelozen en met de werkers der ongerechtigheid, breng niet over mij het verderf, dat naar Uw heilig woord slechts de bozen treft; behandel mij niet als hen, a) die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart, gelijk mijne vijanden mensen van die soort zijn (2 (Samuel 15: 6,12).
Psalm 12: 3. Jer. 9: 8.
Geef hun integendeel, terwijl Gij mij afzondert van hun lot, gelijk Gij mij innerlijk van hen afgescheiden hebt (Psalm 26: 4 vv.), naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk, doe hun vergelding tot hen wederkeren (vgl. 1 Koningen 2: 9 ). Die waken om niet met de zondaars in hun zonden te delen hebben reden om te hopen, dat zij niet in hun plagen zullen delen. (Openbaring 18: 4).
David spreekt dit uit in de vaste en zekere overtuiging, dat zijn zaak een rechtvaardige zaak is, en die zijner vijanden een onrechtvaardige. Dat zij vroeger wel vriendschap voor hem hebben gehuicheld, maar nu in al hun valsheid openbaar worden. David vraagt nu, dat de Heere God, die valsaards moge bezoeken, door te tonen, dat Hij met hem is en hem doet zegevieren over alle zijne vijanden. Vandaar dat de bede om vergelding niet voortkomt uit persoonlijken haat, maar uit ijver en liefde voor Gods rechtvaardigheid.
Geef hun integendeel, terwijl Gij mij afzondert van hun lot, gelijk Gij mij innerlijk van hen afgescheiden hebt (Psalm 26: 4 vv.), naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk, doe hun vergelding tot hen wederkeren (vgl. 1 Koningen 2: 9 ). Die waken om niet met de zondaars in hun zonden te delen hebben reden om te hopen, dat zij niet in hun plagen zullen delen. (Openbaring 18: 4).
David spreekt dit uit in de vaste en zekere overtuiging, dat zijn zaak een rechtvaardige zaak is, en die zijner vijanden een onrechtvaardige. Dat zij vroeger wel vriendschap voor hem hebben gehuicheld, maar nu in al hun valsheid openbaar worden. David vraagt nu, dat de Heere God, die valsaards moge bezoeken, door te tonen, dat Hij met hem is en hem doet zegevieren over alle zijne vijanden. Vandaar dat de bede om vergelding niet voortkomt uit persoonlijken haat, maar uit ijver en liefde voor Gods rechtvaardigheid.
Niet zonder reden, daarvan ben ik mij bewust, richt ik zulk ene bede tot den Heere; omdat zij niet letten op de daden des HEREN, noch op het werk Zijner handen (Jes. 6: 12; 22: 11), zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen. Zonder twijfel denkt David voornamelijk daaraan, dat zij smadelijk miskennen, hoe heerlijk en genadig God op nieuw hem voor Zijnen uitverkorene verklaard heeft. Hij heeft 2 Samuel 7 de belofte ontvangen, dat God hem een huis zou bouwen, d.i. zijn koninkrijk eeuwig bevestigen zou. De Absalomieten zijn in opstand tegen het Goddelijk besluit, daarom zullen zij het tegenovergestelde van de aan David gegevene belofte ondervinden. Jehova zal hen afbreken en zal hen niet bouwen; de Heere zal deze Dynastie, die tegenover God is opgericht, in haar ontstaan vernietigen.
Op Zijn werk moet gij schouwen, zal uw werk ooit bestaan. 6.
II. Vs. 6-8.KruisverwijzingenPsalmen 20:6→Jesaja 61:10→Psalmen 30:11→Psalmen 13:5→Psalmen 56:3→Psalmen 69:30→Psalmen 28:8→Psalmen 18:1→
— Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord. De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven. De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.
Wat voor David aan het slot zijner bede in het vorige gedeelte duidelijk geworden is, dat God degenen, die in de plaats van het koninkrijk der belofte een koninkrijk van geweld in Israël willen oprichten, afbreken moet en hen nimmer zal bouwen, maakte hem zo zeker van de verhoring van zijn hulpgeschrei, dat hij nu reeds den Heere als zijnen Heiland en dien zijns volks in een lof- en danklied prijst, als ware het oproer reeds gedempt en de koningstroon weer in zijn bezit.
Geloofd 1) zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord, zodat ik heb, waarom ik Hem (vs. 2 vv.) gebeden heb.
Hierom spreekt David het weer uit, dat hij het bewustzijn van de verhoring des gebeds heeft ontvangen. Ja, midden in de benauwdheid kan hij zingen van Gods macht en kracht, en ziet hij al zijne vijanden hem weer onderworpen. Dit is Gods werk en daarom moet hij nu reeds het, “geloofd zij de Heere” doen horen.
De HEERE is, daarvan ben ik mij op nieuw bewust geworden, mijne sterkte en mijn schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven. Uit het leed komt het lied voort, en uit het lied de lof van Hem, die het leed afwendde.
Dit nu is de inhoud van mijn lied: De HEERE is hunlieder 1) Sterkte, de sterkte van mijn volk; want Hij heeft het bewaard van het verderf waarin zij zouden gestort zijn, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden, den koning Zijns volks (Psalm 18: 51).
Zie hier weer de ware koning en herder van zijn volk. Eigen geluk vergeet hij als het ware, om het geluk van zijn volk. Zijn persoon staat op den achtergrond, zijn koningschap op den voorgrond, en in dat koningschap het volk, waarover hij koning is. David ziet in zijn redding, de redding van zijn dierbaar volk. 9.
III. Vs. 9.KruisverwijzingenJesaja 40:11→Deuteronomium 9:29→Psalmen 78:71→1 Koningen 8:51→Ezra 1:4→Jeremia 31:7→Psalmen 80:14→Micha 5:2→
— Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.
Ten slotte volgt nog ene bede voor de toekomst na de redding. Gelijk de Heere in deze redding gedaan heeft, zo doet hij ook verder ten alle tijde en tot in eeuwigheid, namelijk dat hij Zich betone te zijn, de Helper en Zegenaar, de Herder en Regeerder van Zijn volk, dat Hij; Zich ten erve verkoren heeft,
Verlos, o Heere! Uw volk, dat Gij op nieuw wilde redden, en zegen Uwe erve, dit volk, dat Gij U verkoren hebt uit alle volken der aarde (1 Koningen 8: 51, 53), en weid henzelf, o opperste Herder! en geef Uwe schapen niet in handen van huurlingen, en verhef hen tot in eeuwigheid, draag ze gelijk Gij steeds deed (Deuteronomium 5: 31), op Vaderarmen door alle verderf heen tot de eeuwige hoogte, hun door U toegedacht (Psalm 3: 9 ). Dit vers is overgegaan in het Ambrosiaanse loflied, of in het: Te Deum laudamus. Israël’s heil en zegen stonden op het spel, maar Israël is Gods volk en erfdeel; -moge dan de Heere Zijn volk te allen tijde zegenen en gelukkig maken. Afvallig geworden van David, was het als een weerloze kudde, in de handen van huurlingen gevallen, -moge Hij voortaan Zich steeds als een Herder betonen, het in Zijn armen dragen en beschermen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel