Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een gebedH8605 van DavidH1732. HEEREH3068! hoorH8085 de gerechtigheidH6664, merkH7181 op mijn geschreiH7440, neem ter ore mijn gebedH8605, met onbedriegelijkeH3808 lippenH8193 gesproken.
Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
Ook in dit vers
neem oreH238
KJV
[[A Prayer1
of David.]]2
Hear3
the right,5
O LORD,4
attend6
unto my cry,7
give ear8
unto my prayer,9
that goeth not10
out of feigned12
lips.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Laat mijn rechtH4941 van voor Uw aangezichtH6440 uitgaanH3318, laat Uw ogenH5869 de billijkhedenH4339 aanschouwenH2372.
Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
KJV
Let my sentence2
come forth3
from thy presence;1
let thine eyes4
behold5
the things that are equal.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij hebt mijn hartH3820 geproefdH974, des nachtsH3915 bezochtH6485, Gij hebt mij getoetstH6884. Gij vindtH4672 niets; hetgeen ik gedachtH2161 heb, overtreedtH5674 mijn mondH6310 niet.
Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
KJV
Thou hast proved1
mine heart;2
thou hast visited3
me in the night;4
thou hast tried5
me, and shalt find7
nothing; I am purposed8
that my mouth11
shall not transgress.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Aangaande de handelingenH6468 des mensenH120, ik heb mij, naar het woordH1697 Uwer lippenH8193, gewachtH8104 voor de padenH734 des inbrekersH6530;
Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
KJV
Concerning the works1
of men,2
by the word3
of thy lips4
I have kept6
me from the paths7
of the destroyer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
HoudendeH8551 mijn gangenH838 in Uw sporenH4570, opdat mijn voetstappenH6471 niet zouden wankelenH4131.
Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
KJV
Hold up1
my goings2
in thy paths,3
that my footsteps6
slip
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
IkH589 roepH7121 U aan, omdatH3588 Gij mij verhoortH6030; o GodH410! neigH5186 Uw oorH241 tot mij; hoorH8085 mijn redeH565.
Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
KJV
I have called2
upon thee, for thou wilt hear4
me, O God:5
incline6
thine ear7
unto me, and hear9
my speech.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
MaakH6395 Uw weldadighedenH2617 wonderbaarH6395, Gij, Die verlostH3467 degenen, die op U betrouwenH2620, van degenen, die tegen Uw rechterhandH3225 opstaanH6965!
Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!
KJV
Shew thy marvellous1
lovingkindness,2
O thou that savest3
by thy right hand6
them which put their trust4
in thee from those that rise up
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
BewaarH8104 mij als het zwartH380 des oogappelsH1323, verbergH5641 mij onder de schaduwH6738 Uwer vleugelenH3671,
Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,
KJV
Keep1
me as the apple2
of the eye,3
hide7
me under the shadow5
of thy wings,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Voor het aangezichtH6440 der goddelozenH7563, die mij verwoestenH7703, mijner doodsvijandenH5315, die mij omringenH5362.
Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.
KJV
From1
the wicked2
that3
oppress4
me, from my deadly6
enemies,5
who compass me about.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Met hun vetH2459 besluitenH5462 zij zich, met hun mondH6310 sprekenH1696 zij hovaardelijkH1348.
Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
KJV
They are inclosed2
in their own fat:1
with their mouth3
they speak4
proudly.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
In onzen gangH838 hebben zij ons nuH6258 omsingeldH5437, zij zettenH7896 hun ogenH5869 op ons ter aardeH776 nederbukkendeH5186.
In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
KJV
They have now compassed3
us in our steps:1
they have set5
their eyes4
bowing down6
to the earth;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Hij is gelijk als een leeuwH738, die begeertH3700 te rovenH2963, en als een jonge leeuwH3715, zittendeH3427 in verborgen plaatsenH4565.
Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
KJV
Like1
as a lion2
that is greedy3
of his prey,4
and as it were a young lion5
lurking6
in secret places.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
StaH6965 op, HEEREH3068, komH6923 zijn aangezichtH6440 voor, vel hem neder; bevrijdH6403 mijn zielH5315 met Uw zwaardH2719 van den goddelozeH7563;
Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;
Ook in dit vers
vel nederH3766
KJV
Arise,1
O LORD,2
disappoint3
him,4
cast him down:5
deliver6
my soul7
from the wicked,8
which is thy sword:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
Met Uw handH3027 van de liedenH4962, o HEEREH3068! van de liedenH4962, die van de wereldH2465 zijn, welker deelH2506 in dit levenH2416 is, welker buikH990 Gij vervultH4390 met Uw verborgenH6840 schat; de kinderenH1121 worden verzadigdH7646, en zij latenH3240 hun overschotH3499 hun kinderkensH5768 achterH3240.
Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.
KJV
From men1
which are thy hand,2
O LORD,3
from men4
of the world,5
which have their portion6
in this life,7
and whose belly10
thou fillest9
with thy hid
treasure: they are full11
of children,12
and leave13
the rest14
of their substance to their babes.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Maar ik zal Uw aangezichtH6440 in gerechtigheidH6664 aanschouwenH2372, ik zal verzadigdH7646 worden met Uw beeldH8544, als ik zal opwakenH6974.
Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
KJV
As for me, I will behold3
thy face4
in righteousness:2
I shall be satisfied,5
when I awake,6
with thy likeness.
gerechtigheid,
Neem mijn rechtvaardige zaak aan, of hoor mij, die een rechtvaardige zaak heb.
Hertaald:
gerechtigheid,
Neem mijn rechtvaardige zaak aan, of hoor mij, die een rechtvaardige zaak heb.
met onbedriegelijke
Hebr. met geen lippen des bedrogs.
Hertaald:
met onbedriegelijke
Hebreeuws: met geen lippen van bedrog.
Laat mijn
Alsof hij zeide: Spreek toch eens vonnis over mijn zaak in het openbaar, en voer het uit, dewijl mijne onschuld U volkomenlijk bekend is, gelijk volgt. Verg. Ps. 37:6 .
Hertaald:
Laat mijn
Alsof hij zei: spreek toch eens vonnis over mijn zaak in het openbaar, en voer het uit, omdat U mijn onschuld volkomen bekend is, zoals volgt. Vergelijk Ps. 37:6.
billijkheden
Hebr. rechtheden of richtigheden; dat is, billijkheden, rechte of billijke zaken, gelijk elders. Verg. Spr. 1:3 .
Hertaald:
billijkheden
Hebreeuws: rechtheden of oprechtheden; dat is: billijkheden, rechte of billijke zaken, zoals elders. Vergelijk Spr. 1:3.
geproefd,
Eene gelijkenis van het werk der goudsmeden. Zie Ps. 7:10 , en Ps. 66:10 ; Zach. 13:9 .
Hertaald:
geproefd,
Een vergelijking met het werk van de goudsmeden. Zie Ps. 7:10, en Ps. 66:10; Zach. 13:9.
vindt
Geen schuim; dat is, geen onrecht of bedrog, dat ik mijne zaak of in mijn lijden zou voorhebben, gelijk volgt.
Hertaald:
vindt
Geen schuim; dat is: geen onrecht of bedrog, dat ik in mijn zaak of in mijn lijden zou koesteren, zoals volgt.
gedacht
Dat is, ik voer niets anders in den mond dan mijn hart denkt. Anders, ik heb voorgenomen [dat] mijn mond niet zal overtreden.
Hertaald:
gedacht
Dat is: ik zeg niets anders dan wat mijn hart denkt. Anders: ik heb voorgenomen [dat] mijn mond niet zal overtreden.
naar het
Dat is, naar het bevel van uw woord. Anderen voegen deze woorden bij het voorgaande aldus: Aangaande de handelingen des mensen, naar het woord uwer lippen, enz. Dat is, die de mens schuldig is te doen, naar uw woord.
Hertaald:
naar het
Dat is: naar het bevel van Uw woord. Anderen voegen deze woorden bij het voorgaande, zo: aangaande de handelingen van de mens, naar het woord van Uw lippen, enzovoort. Dat is: wat de mens verplicht is te doen, naar Uw woord.
gewacht
Of, ik heb gelet op, enz. te weten, om zulke paden te vermijden, hoewel mijne vijanden mij valselijk het tegendeel nageven.
Hertaald:
gewacht
Of: ik heb gelet op, enzovoort, namelijk om zulke paden te vermijden, hoewel mijn vijanden mij ten onrechte het tegendeel toeschrijven.
inbrekers
Dat is, geweldenaars, straatschenders, moordenaars, uit verg. van Jer. 7:11 , en Matt. 21:13 ; Hebr. eigenlijk, doorbrekers, inbrekers; te weten van huizen, steden, landen, wetten, enz. Zie Ezech. 7:22 , en Ezech. 18:10 ; Hos. 4:2 .
Hertaald:
inbrekers
Dat is: gewelddadigen, straatrovers, moordenaars, zo vergeleken met Jer. 7:11, en Matth. 21:13; Hebreeuws eigenlijk: doorbrekers, inbrekers; namelijk van huizen, steden, landen, wetten, enzovoort. Zie Ezech. 7:22, en Ezech. 18:10; Hos. 4:2.
Houdende
Anders, houdt [o Heere] enz.
Hertaald:
Houdende
Anders: houdt [o HEERE], enzovoort.
sporen,
Dat is, richtende mijn wandel naar uwe geboden.
Hertaald:
sporen,
Dat is: mijn wandel richtend naar Uw geboden.
wonderbaar
David wil zeggen dat hij in zulk een gevaar en nood was, dat hij niet kon behouden worden zonder een wonderlijke hulp des Heeren.
Hertaald:
wonderbaar
David wil zeggen dat hij in zo'n gevaar en nood was, dat hij niet behouden kon worden zonder een wonderlijke hulp van de HEERE.
rechterhand
Waarmede Gij uw volk beschermt en verlost. Anders, Gij die met uwe rechterhand verlost degenen, die [op U] betrouwen, van degenen, die [tegen hen] opstaan.
Hertaald:
rechterhand
Waarmee U Uw volk beschermt en verlost. Anders: U Die met Uw rechterhand verlost degenen die [op U] vertrouwen, van degenen die [tegen hen] opstaan.
oogappels,
Hebr. der dochter van het oog. Verg. Deut. 32:10 . Zie de aantekening bij Deut. 32:10 , aldaar.
Hertaald:
oogappels,
Hebreeuws: van de dochter van het oog. Vergelijk Deut. 32:10. Zie de aantekening bij Deut. 32:10, daar.
schaduw
Verg. Ruth 2:12 .
Hertaald:
schaduw
Vergelijk Ruth 2:12.
Voor
Of, vanwege de goddelozen.
Hertaald:
Voor
Of: vanwege de goddelozen.
doodsvijanden,
Hebr. vijanden in, of met de ziel; dat is, die mij dodelijk in het binnenste huns harten haten. Anders, tegen de ziel, dat is, die mij het leven zoeken te benemen.
Hertaald:
doodsvijanden,
Hebreeuws: vijanden in, of met de ziel; dat is: die mij dodelijk in het diepst van hun hart haten. Anders: tegen de ziel, dat is: die mij proberen het leven te ontnemen.
besluiten
Dat is, bedekken. Verg. Job 15:27 , en Ps. 73:7 .
Hertaald:
besluiten
Dat is: bedekken. Vergelijk Job 15:27, en Ps. 73:7.
hovaardiglijk
Hebr. in hovaardigheid.
Hertaald:
hovaardiglijk
Hebreeuws: in hoogmoed.
omsingeld,
Zie 1 Sam. 23:8 , en 1 Sam. 24:3 , en 1 Sam. 25:26 , en 1 Sam. 26:2-3 .
Hertaald:
omsingeld,
Zie 1 Sam. 23:8, en 1 Sam. 24:3, en 1 Sam. 25:26, en 1 Sam. 26:2-3.
ogen
Loerende op mij en de mijnen, gelijk de leeuw op den roof. Zie het volgende vs.12 en Ps. 10:10 .
Hertaald:
ogen
Loerend op mij en de mijnen, zoals de leeuw op zijn prooi. Zie het vervolg, vers 12 en Ps. 10:10.
Hij is
Hebr. zijne gelijkenis is als, enz. Versta van een ieder van hen, of hun overste.
Hertaald:
Hij is
Hebreeuws: zijn gelijkenis is als, enzovoort. Versta hieronder: elk van hen, of hun leider.
Sta op,
Zie Ps. 3:8 .
Hertaald:
Sta op,
Zie Ps. 3:8.
kom zijn
Dat is, vel Gij hem neder eer hij mij overvalle.
Hertaald:
kom zijn
Dat is: vel hem neer voordat hij mij overvalt.
met uw
Anders, van den goddeloze, [die] uw zwaard [is]; dat is, door wiens zwaard Gij mij oefent en beproeft. En alzo in het volgende vs.14 [die] in uwe hand [zijn].
Hertaald:
met uw
Anders: van de goddeloze, [die] Uw zwaard [is]; dat is: door wiens zwaard U mij oefent en beproeft. En zo ook in het vervolg, vers 14: [die] in Uw hand [zijn].
deel
Stel hiertegen Ps. 16:5 , enz., en het volgende vs.15 alhier.
Hertaald:
deel
Stel hiertegenover Ps. 16:5, enzovoort, en het vervolg, vers 15, hier.
verborgen
Dat is, allerlei overvloed en lekkernij van spijs en drank, die Gods verborgen schat of goed genoemd worden, omdat zij in Gods lucht en aardrijk als verborgen zijn, en door zijne regering, boven en onder, uit den grond der aarde worden voortgebracht.
Hertaald:
verborgen
Dat is: allerlei overvloed en lekkernij van eten en drinken, die Gods verborgen schat of goed genoemd worden, omdat zij als het ware verborgen zijn in Gods lucht en aardrijk, en door Zijn bestuur, boven en onder, uit de grond van de aarde voortgebracht worden.
de kinderen
Anders, zij overvloeien van kinderen.
Hertaald:
de kinderen
Anders: zij stromen over van kinderen.
overschot
Of. hun overvloed, hunne heerlijkheid.
Hertaald:
overschot
Of: hun overvloed, hun heerlijkheid.
kinderkens
Zie Ps. 8:3 .
Hertaald:
kinderkens
Zie Ps. 8:3.
Maar
Verg. boven, Ps. 4:7-8 , en zie de aantekening bij Ps. 16:11 ; idem 1 Kor. 13:12 ; 2 Kor. 5:7 ; 1 Joh. 3:2 .
Hertaald:
Maar
Vergelijk hierboven Ps. 4:7-8, en zie de aantekening bij Ps. 16:11; eveneens 1 Kor. 13:12; 2 Kor. 5:7; 1 Joh. 3:2.
uw beeld,
Of, uwe gelijkenis; anders, ik zal verzadigd worden, als ik zal opwaken [met] uw beeld, of uwe gelijkenis. Zie 1 Kor. 15:49 ; 1 Joh. 3:2 .
Hertaald:
uw beeld,
Of: Uw gelijkenis; anders: ik zal verzadigd worden, wanneer ik zal ontwaken [met] Uw beeld, of Uw gelijkenis. Zie 1 Kor. 15:49; 1 Joh. 3:2. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen" (Ps. 17:8). Twee beelden staan hier naast elkaar. Het eerste is het meest kwetsbare deel van het lichaam, dat een mens onwillekeurig beschermt; het tweede is de vogel die haar jongen onder de vleugels haalt. David vraagt dus om de zorg die vanzelf gaat en die volledig dekt. De vijanden worden getekend als een leeuw die begeert te roven (Ps. 17:12). Van hun deel wordt gezegd dat het in dit leven ligt (Ps. 17:14). En dan zet David daar zijn eigen verwachting tegenover: "Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken" (Ps. 17:15). Bijbelse betekenis: Het verschil in deze psalm zit in waar iemand zijn deel heeft. De tegenstanders krijgen het hunne in dit leven, en dat is dan ook alles; David verwacht het zijne bij het opwaken. Dat woord wijst in het Oude Testament vaker vooruit naar meer dan de morgen na de nacht. Merk op waarmee hij verzadigd wil worden. Niet met veiligheid en niet met eerherstel, maar met Gods beeld; het gaat om Hem zien. Let ten slotte op het beeld van de oogappel. Het wordt in de wet van Mozes ook van God zelf gebruikt over Israël, en David bidt hier dus of hem geschiedt wat God aan Zijn volk deed. Typologie: Mozes gebruikte hetzelfde beeld over Gods zorg in de woestijn: "Hij bewaarde hem als Zijn oogappel" (Deut. 32:10). En Johannes zegt waarop het uitloopt: "wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is" (1 Joh. 3:2). Ps. 17:8; Ps. 17:12-15; Deut. 32:10; 1 Joh. 3:2 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas In de voorzienigheid van God wordt de appel van het oog met bijzondere zorg en uitnemende kunst verdedigd. Wie de bouw van de pupil bestudeerd hebben, zullen u zeggen met hoevele vliezen het netvlies bewaard wordt. De eenvoudigste waarnemer weet hoe de wenkbrauwen, de wimpers en de oogleden gevormd zijn als buitenwerken, omheiningen en barricaden om de appel van het oog te beschermen, die zo veilig woont als een burger binnen de verschansingen van een vestingstad. Daar het oog een van de tederste organen van het lichaam is, behoort het wel bewaard te worden met het oog op zijn buitengewone gevoeligheid. En het is niet alleen in zijn eigen vesting beschut, maar er staan ook schildwachten op wacht opdat het niet aan gevaar blootgesteld zou worden. Wanneer het ook maar met de schijn van gevaar bedreigd wordt, gaat er geen tijd verloren met beraad bij onszelf; maar met een vlugheid die haast onwillekeurig schijnt, wordt de arm opgeheven en de hand geheven om het voor schade te behoeden of de aanval te weerstaan. En staan wij op het punt te struikelen, dan steken wij van nature onze handen uit om onze ogen te redden. Het instinct schijnt ons de waarde van het gezicht te leren, en heel onze kracht wordt ingespannen om het te bewaren. Ja, alle leden van het lichaam mogen beschouwd worden als een wacht tot de veilige bewaring van de ogen, en alle vermogens van de mens zijn in gestadige waakzaamheid om die kostelijke bol te hoeden en te beschermen. Zo heeft het de Heere behaagd ook Zijn volk te omringen. Maak Uw weldadigheden wonderbaar. Psalm 17:7 Toen God Zijn volk had uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, wilde Hij toen Zichzelf geven? Nee, niets is minder waar! Hij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Toon de wonderen van Uw goedertierenheid. Psalm 17:7 Als wij onze gaven met ons hart geven, geven wij op de juiste… Een preek bedoeld om voor te lezen op zondag 25 november 1900. Uitgesproken door C.H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington, op donderdagavond 20 oktober 1881. Maak Uw… Toespraak gehouden voor een klein gezelschap aan de Avondmaalstafel te Mentone. Gij hebt mij des nachts bezocht. Ps. 17:3 Wel mag het verwondering baren, dat de volheerlijke God een… 7 Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! 8 Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg… 1 Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. 2 Laat mijn recht van voor Uw… Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. Psalmen 17:15 Het gedeelte wat andere mensen krijgen vult… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 17
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Ter overdenking
Verdiepende artikelen
Wonderbaarlijk
Toon de wonderen van Uw goedertierenheid
Het kennen van Gods liefde
Geheimenisvolle bezoeken
Psalm 17:7-15
Psalm 17:1-6
Reflecties van de schoonheid van de Heere


Psalmen 17
Psalmen 17:1.KruisverwijzingenPsalmen 142:6→Psalmen 61:1→Psalmen 86:1→Psalmen 66:19→Psalmen 18:44→Psalmen 43:1→Psalmen 7:8→Psalmen 55:2→
— Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
Goede mensen worden vaak belasterd en verkeerd begrepen; en op zulke tijden zal het eerste vers van deze psalm hun lippen wel passen: HEERE! hoor de gerechtigheid. En te allen tijde is het een grote zegen wanneer een smekeling tot God kan zeggen: neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. Het moet een vreselijke zaak zijn te bidden met lippen die de waarheid niet spreken. Wanneer de gedachten van mensen ver van hun gebeden zijn en zij vrome woorden prevelen terwijl hun hart afwezig is — wat een spotternij moet dat zijn in het oog van God! Een dood gebed — wie zal het erkennen? Het is als het kind dat in de dagen van Salomo doodgedrukt was, dat geen van beide moeders erkennen wilde als het hare. Wacht u voor dode gebeden. U mag ze zo fraai opsieren als u wilt; maar is er geen leven in, wat baten zij dan?
Psalmen 17:2.KruisverwijzingenPsalmen 37:6→Ezechiël 33:20→Ezechiël 33:17→Judas 1:24→Ezechiël 18:25→Psalmen 37:33→2 Thessalonicenzen 1:6→Ezechiël 18:29→
— Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
Het is het beroep van een belasterd mens op het hoogste gerechtshof; hij brengt zijn zaak voor de rechtbank van de Koning en vraagt God Zelf het vonnis te vellen over wat hij gedaan heeft. Het is een goede zaak die zo onderzocht kan worden.
Psalmen 17:3.KruisverwijzingenJob 23:10→Psalmen 66:10→Psalmen 39:1→1 Petrus 1:7→Psalmen 26:2→Zacharia 13:9→Spreuken 13:3→Handelingen 11:23→
— Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
Gelukkig is de mens die niet bevreesd is dat God plotseling in de nacht tot hem komt, of hem als het ware op elk uur van de dag overvalt; want wanneer Hij ook komt, Hij zal Zijn knecht zo bezig vinden dat hij er niet om geeft wie zijn gedrag onderzoekt. Hij bewaart zijn lippen, voornemend dat zij Gods wet niet zullen overtreden, en hij regeert zijn hele lichaam op dezelfde wijze. Alleen de genade van God kan ons in staat stellen dit te doen.
Psalmen 17:4.Kruisverwijzingen1 Korinthe 3:3→Psalmen 14:1→Johannes 17:17→Psalmen 119:9→Job 31:33→Mattheüs 4:4→Genesis 6:11→Job 15:16→
— Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;
Let op dat vers, jongeman! Daar staat onderwijs dat u hoog nodig hebt. Er zijn vele “paden des inbrekers” in deze goddeloze stad en over heel de wereld; en het is alleen door acht te geven op onze wegen, naar Gods Woord, dat wij kunnen hopen eraan te ontkomen. Hoe aangenaam schijnen die “paden des inbrekers” vaak te zijn! Hoe glad en hoe verlokkend zijn zij! Allerlei vermeende lekkernijen en schoonheden zullen u verzoeken die weg te gaan, en het dwaze hart neigt licht tot deze toegevendheden; maar gelukkig is de mens wiens oordeel door Gods Woord verlicht is, zodat hij hem mijdt en de paden des inbrekers voorbijgaat.
Psalmen 17:5.KruisverwijzingenPsalmen 119:133→Psalmen 18:36→Psalmen 44:18→Jeremia 10:23→Psalmen 38:16→Psalmen 119:116→1 Samuël 2:9→Psalmen 121:3→
— Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
“Ik weet dat ik in Uw weg ben; maar, o Heere, houd mij staande! Ik ben als een paard dat een zorgvuldige menner nodig heeft, anders zal ik struikelen en vallen, op ruwe plaatsen of op gladde. Houd mijn gangen in Uw sporen, want ik kan zelfs daar vallen. Er zijn de zonden van mijn heilige dingen, houd dus mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet wankelen.”
Psalmen 17:6-12.KruisverwijzingenPsalmen 31:21→Psalmen 116:2→Psalmen 20:6→Deuteronomium 32:10→1 Samuël 2:3→Zacharia 2:8→Psalmen 57:1→Psalmen 91:1→
— Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen, Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen. Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende. Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
Velen die God vrezen hebben zulke wrede vijanden als David had; zij zullen er dan ook goed aan doen te bidden zoals hij deed.
Psalmen 17:8.KruisverwijzingenDeuteronomium 32:10→Zacharia 2:8→Psalmen 57:1→Psalmen 91:1→Psalmen 63:7→Psalmen 36:7→Psalmen 91:4→Ruth 2:12→
— Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,
Wie verstandig bidt, moet enige kennis hebben van de God tot Wie hij bidt. Hij heeft de nutteloosheid geleerd van alle andere bronnen van bescherming. De aanroeping is tot God gericht, want hij is er zich wel van bewust dat geen ander op zijn roepen antwoorden kan of tot zijn hulp tussenbeide kan komen.
Wie dit gebed verstandig gebruikt, bemerkt de alwetendheid van Jehova, Die beter dan honderd ogen al zijn vijanden zien kan, uit welke hoek zij ook mogen komen. Hij gelooft ook in Gods almacht: dat geen aanvaller zo sterk is als Hij Die Israëls toevlucht en burcht is; en er is ook geen gevaar zo dreigend of Hij kan het voorzien en afwenden. Hij verlaat zich bovendien op de liefde van God, Wiens gewillig hart zijn belangen zal ondersteunen; hij verlaat zich op de getrouwheid van God om de barmhartigheid te betonen die aan de vaderen beloofd is, en op de onveranderlijkheid van God, Die nooit terugkeren zal maar ten laatste de zaligheid van Zijn knecht zal volbrengen en hem tot het einde toe bewaren.
Psalmen 17:13-15.KruisverwijzingenLukas 16:25→Psalmen 16:11→Psalmen 11:7→Lukas 16:8→Psalmen 3:7→Job 27:14→Psalmen 49:17→Johannes 17:14→
— Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze; Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter. Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
“Wat bezit ik? Wat is mijn deel? Ben ik vol van goed, gelijk de mensen van de wereld, of heb ik weinig van deze werelds rijkdom?” Het is van weinig gewicht, want maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken. Dat is ons deel. God geve dat wij het meer en meer op prijs stellen! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een gebed (tephillah 1 Kronieken 25: 31 ) van David. Deze Psalm is wel uit dien tijd van David’s leven, toen Saul en zijne manschappen hem en de zijnen in de woestijn Maon op de hielen zaten, dat hij alleen door ene bijzondere tussenkomst des Heren ontkwam (1 Samuel 23: 20 vv.). Het opschrift in de Arabische vertaling is: Een gebed in den persoon vaneen volmaakt man en van Christus zelven, en van ieder, die door Hem verlost is.”. Gelijk de vorige Psalm met de hoop op het zalige, genotvolle aanschouwen Gods eindigt, zo op geheel dezelfde wijze de voor om liggende (vgl. vs. 15 met Psalm 16: 11); bovendien hebben beide Psalmen meerdere punten van overeenkomst, zodat men ze meermalen aangezien heeft voor bij elkaar behorende. Intussen is er verband tussen de rots der scheiding in de woestijn Maon (Sela Machlekoth) in 1 Samuel 23: 28 tot het uur van scheiding op het sterfbed (1 Koningen 2: 9 ) als het aanbreken tot het doorbreken, als de eerste opwekking der hoop op een toekomstig, eeuwig en zalig leven tot het duidelijk en helder worden; wij willen daarom uit elkaar houden wat naast elkaar en niet in elkaar bestaat.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenJob 23:10→Psalmen 142:6→Psalmen 61:1→Psalmen 66:10→Psalmen 39:1→1 Petrus 1:7→Psalmen 26:2→Zacharia 13:9→
— Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken. Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen. Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet. Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers; Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
De Psalmist weet zich voor God rechtvaardig in dien zin, dat bij hem het oprechte zedelijke streven aanwezig is, om Gods wil te volbrengen, en dat, waarvan men hem beschuldigt op enkel laster en miskenning berust. Hij begint daarom met de meer algemene bede om uitwendige, rechterlijke rechtvaardiging van de zijde des Heren (vs. 1 en 2 en beroept zich vervolgens ten opzichte der gerechtigheid, die hij beweerd heeft te bezitten, op Goddelijk onderzoek en de inspraak van Gods Geest in zijn binnenste, die hij ervaren heeft. De Heere heeft gene huichelarij bij hem waargenomen, maar ene volle overeenstemming tussen hetgeen zijn mond spreekt en zijn hart denkt en meent (vs. 3-6). HEERE! hoor de gerechtigheid 1), die in mijnen persoon vervolgd wordt en U om hulp smeekt; merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke, oprechte lippen gesproken, niet uit een valsen mond voortgekomen.
Het is gene eigen gerechtigheid wanneer David aldus spreekt, want aan de ene zijde weet hij zich in zijne persoonlijke betrekking tot Saul vrij van allen ondank, in welke hij de kroon zou zoeken te roven, aan de andere zijde is zijne persoonlijke betrekking tot God van zelfverbinding en huichelachtige gezindheid vrij.
Wie bidt zonder een gerechtvaardigde te zijn of rechtvaardiging te begeven, is een huichelaar van de ergste soort, die, niet tevreden met mensen te bedriegen, ook God, den Alwetend, bedriegen wil, in dwaze verblinding menende, dat deze slechts zijn aangezicht en niet zijn hart zou zien.
Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, mijn vonnis door Uwen mond gesproken worden, omdat mijne onschuld aan het licht kome; laat Uwe ogen de billijkheden aanschouwen 1).
Of, Uwe ogen zien in juistheid, d.i. zien in overeenstemming met recht en billijkheid, geheel overeenkomstig de waarheid, en zonder enige partijdigheid. David beroept zich hier op vierschaar, op het oordeel Gods. Hij weet met een God te doen te hebben, die handelt zonder aanzien des persoons, naar het strikte recht. Hij weet het, dat zijn hart hem niet veroordeelt, dat zijn rechtszaak een rechtvaardige zaak is, en daarom kan en durft hij zich zo volkomen aan den rechtvaardigen God toevertrouwen, ja, tot die trouwe bescherming de toevlucht nemen.
Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, om het te doorzoeken, als gene uitwendige omgeving of bezigheid de vrije gedachten der ziel belemmeren, en het sterkst zich openbaart, wat in den mens is; Gij hebt mij getoetst, mij beproeft, gelijk men goud en zilver in het vuur beproeft, om het van alle onreinheid te louteren; Gij vindt niets, wat bewijst, dat ik een huichelaar ben, uitwendig schoon, van binnen vol door en ongerechtigheid; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet, hart en mond stemmen met elkaar overeen, Gij vindt in mij de begeerte, om mij zelfs met geen woord te bezondigen, geen wrake te nemen, niet weer te schelden, als ik gescholden word en niet te dreigen als ik lijd (Psalm 39: 2). De bedoeling van David is niet twijfelachtig, dewijl hij bezwaard door verterenden valsen nijd, geen billijkheid bij de mensen kon verwerven, God tot rechter oproept. Maar opdat hij dit niet blindelings zou doen, legt hij zich zelven een ernstig onderzoek op, dewijl God niet door den uiterlijken schijn wordt bedrogen, Wie het toekomt de verborgen overleggingen des harten te onderzoeken. Den tijd van den nacht geeft hij aan voor het onderzoek Gods, dewijl, wanneer iemand verborgen is voor de ogen der mensen, Hij duidelijk ziet, welke ondeugden ergens nog schuilen, zoals aan de andere zijde onze ondeugden het gezicht der mensen met schaamte bedekken. Alsof hij heeft willen zeggen: o Heere, wanneer de duisternis van den nacht de consciëntie meer ontslaat van de trotse verhevene bedekselen, en de aandoeningen zich vrijer openbaren zonder getuigen en scheidsrechters, indien Gij mij op dit ogenblik onderzoekt, zoudt Gij in mijn hart niets ontdekken, dat naar trouweloosheid zweemt. Hieruit kunnen we opmaken, hoe groot de oprechtheid van David was, die zich zelven inwendig onderzoekende, zo onbevreesd zich aan het oordeel Gods durfde onderwerpen. Want niet alleen van uitwendige ongerechtigheid wist hij zich vrij, maar ook van alle verborgen ondeugden.
Voor het Nieuw Testamentische bewustzijn zou, bij zijn dieperen en als het ware macroscopisch gescherpten blik, in den afgrond der zonde zulk ene belijdenis moeilijker zijn dan voor het Oud Testamentische; want voor het eerste is door de Nieuw Testamentische daden en werkingen der genade om aan het Oude Testament in gelijken graad vreemde onderscheiding en afscheiding van geest en vlees teweeg gebracht, hoewel ook het Oude Testamentische bewustzijn zich in zulke belijdenissen niet van zonden, maar slechts van bewuste liefde tot zonde en goddeloze zelfzucht vrij spreekt.
Aangaande de handelingen des mensen, die hij verricht naar het zoeken van zijn boos hart (Gen 6: 5; 8: 21),ik heb mij, waar ik die boze daden aanschouwde, naar het woord 1) Uwer lippen, dat mijne wet en mijn richtsnoer is, gewacht voor de paden des inbrekers, der goddeloze, dergenen, die zich door geweld willen meester maken van hetgeen eens anderen is; nimmer was ik zijn metgezel;
Onder God, bestiering en volgens het geleide van Zijn Woord, had hij zich gewacht voor de paden der inbrekers, hetzij dan dat hij zelf geen verderver of moordenaar geweest was ten aanzien van Saul en niet had toegelaten, dat anderen hem ombrachten, of wel in het algemener te nemen, hetzij dat hij zich van alle kwaad zorgvuldiglijk, van alle boosheid had gereinigd en onthouden en zich alleen naar het voorschrift van zijn plicht had gedragen en anderen ook van het kwade had afgehouden en tot de betrachting der deugden aangezet.
Woord uwer lippen. Gods Woord was voor David het richtsnoer geweest bij zijne daden. Want dat Woord maande aan de ene zijde af van de zonde en dreigde tegen de overtreders zijner straffen, maar beloofde ook de heerlijke zegeningen en de vervulling van al zijne toezeggingen. David weet, dat God Zijne belofte zou vervullen en daarom zich aan dat Woord vasthoudende, had hij zijn pad in dezen zuiver gehouden.
Houdende mijne gangen in Uwe sporen, opdat mijne voetstappen niet zouden wankelen (vgl. 1 Petrus 2: 21). Onder droefheid is het niet gemakkelijk zich zelven in de hoogte te houden: een kaars vat niet licht vlam, wanneer vele benijdende monden er tegen blazen. In kwade tijden is het vooral nodig en die verstandig is neemt daartoe zijne toevlucht. Plato zei tot een van zijne leerlingen: “Wanneer de mensen kwaad van u spreken, leef dan zo, dat niemand hem gelooft.” De raad is goed genoeg, maar hij heeft ons niet gezegd, hoe wij daartoe zullen komen. Wij hebben hier een voorschrift in een voorbeeld belichaamd; indien wij willen behoed worden, moeten wij roepen tot den Bewaarder en Goddelijke hulp op onze zijde zoeken te verkrijgen. “Houd mijne gangen op,” gelijk een zorgvuldig voerman zijn paard ophoudt, wanneer het den heuvel afgaat. Wij hebben alle soorten van gangen, snel en langzaam, en de reis is nooit lang van ene soort, maar zo God onze gangen ophoudt, kan niets ons neerwerpen. Die in droefheid is en noodzakelijk dit gebed verdubbelen, en wij allen, sedert wij in onze benen zo zwak zijn geworden door Adams val, hebben behoefte het elk uur van dag doet te bidden. Indien een volkomen vader viel, hoe zal een onvolkomen zoon kunnen roemen?. 6.
II. Vs. 6-12.KruisverwijzingenPsalmen 31:21→Psalmen 116:2→Psalmen 20:6→Deuteronomium 32:10→1 Samuël 2:3→Zacharia 2:8→Psalmen 57:1→Psalmen 91:1→
— Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede. Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan! Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen, Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen. Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk. In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende. Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.
Nadat zo de bidder zijn inwendig denken en bedoelen, en zijne gehele uitwendige levensrichting voor de ogen des Heren heeft blootgelegd, en daarmee het rechte fondament gelegd heeft tot een gebed, dat verhoring kan vinden (Joh. 9: 31), verheft hij zich met des te meer vertrouwen tot de bijzondere bede, om buitengewone betoning der Goddelijke hulp, overeenkomstig aan de buitengewone gevaren, waarin hij zich bevindt (vs. 6-9) Die begeerte grondt hij door ene welsprekende schildering van het in boosheid verharde en door moordlust vervulde karakter van hen, die hem verstoren en vervolgen (vs. 10-12).
Ik, die mij door Uwe bewaring rechtvaardig mag rekenen, roep U aan, met vast vertrouwen, omdat Gij mij verhoort. O God! neig Uw oor tot mij (Jes. 37: 17 ), hoor mijne rede.
Maak Uwe weldadigheden wonderbaar; het gevaar, waarin in verkeer, is zo groot dat alleen een wonderwerk van Uwe almacht mij redden kan; maar zulk ene genade wilt Gij ook aan Uwe kinderen bewijzen; Gij, die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uwe rechterhand 1), tegen Uwe koninklijke verordeningen, tegen Uw wereldbestuur opstaan, die tegen die weldoende hand zich verzetten. die niet willen dat Gij hen zegent met Uwe genade.
Opstaan tegen Uwe rechterhand is opstaan tegen de macht Gods. David weet het, zijne vijanden zijn Gods vijanden. Die tegen hem zich verzetten, hem belagen, staan op tegen den Almachtigen God. En daarom, waar hij weet, dat hij zijn pad naar Gods Woord zuiver heeft mogen houden, God zijn God is, zal Hij hem ook redden van al zijne vijanden. David geeft zich met volkomen vertrouwen over aan de almachtige genade van zijn Verbonds-God. Anderen vertalen: Betoon Uwe wondervolle genade, o Helper van degenen, die aan uwe rechterhand toevlucht zoeken tegen hen, die zich vijandig verheffen.
Bewaar mij als het zwart des oogappels 1), die door U in ‘t menselijk lichaam met zoveel wijze zorg geplaatst is, om dien te bewaren; verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen, gelijk een adelaar 2) zijne vlerken over zijne jongen uitstrekt (Deuteronomium 32: 11).
In het Hebr. Schamarni keïschon bath-ajin. Zuiver en letterlijk is dit niet in onze taal weer te geven. Het eerste woord Ischon, verbonden met Ajin betekent letterlijk, het mannetje van het oog, en het tweede, Bath met Ajin verbonden, het dochtertje van het oog. Beide betekenen dan de van de Iris omringende oogappel. Deze heet Ischon, omdat in het oog het beeld van een ander zich in het klein afspiegelt, en bath, omdat het beeld een dochtertje van het oog is. (In het Latijn: pupilla, in het Grieks: korh) Als het zwart des oogappels is daarom minder juist. Als de oogappel is te zwak. Het best doet men dan over te zetten: Als de oogappel, als het licht der ogen. En nu weet men, dat niets den mens zo dierbaar is als juist de oogappel, als het licht der ogen. Als een pijl vliegt, of een stofwolk wordt opgejaagd, of een steen u wil treffen, dan houdt ge de hand of den arm voor de ogen, opdat dit kostbaar lichaamsdeel niet gekwetst worde. Zo ook smeekt David hier op bijzondere wijze, op geheel enige wijze door zijn God in bescherming te worden genomen.
Het beeld der hen (MATTHEUS. 23: 37), dat vele uitleggers ook hier vinden, is waarschijnlijk aan het Oude Testament nog vreemd: wij vinden ten minste eerst ten tijde van Salomo enige aanwijzingen (1 Koningen 4: 23; Job 38: 36) dat men in Palestina hoenderen had, die zeker even als het paard uit Egypte overgebracht waren (Leviticus 1: 14 ).
Verberg mij voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij van alle zijden insluiten en omringen. Christenen mogen het niet vergeten, dat zij een vijand hebben van dezelfden aard en van gelijk karakter, die ieder zoekt, en rondgaat wie hij zou mogen verslinden.
Met hun vet besluiten zij zich; op hun grootheid, rijkdom en macht bouwen zij, zodat zij gevoelloos zijn in hunnen hoogmoed voor elke indruk en zich verharden in het gebrek aan medegevoel; met hunnen mond spreken zij hovaardiglijk; de hoogmoed is reeds zo groot geworden, dat zij openlijk spreken alsof niets missen kon, wat zij zich eenmaal voornamen.
In onzen gang, waarheen ik mij nu ook met de mijnen wende (1 (Samuel 23: 26), hebben zij ons nu omsingeld, zij hebben elke uitweg versperd; zij zetten hun ogen, zij loeren op ons, ter aarde nederbukkende, gelijk de leeuw loert op zijne prooi, en zich bukt, om dadelijk den verpletterenden sprong te doen, of om mij ter aarde te vellen 1).
Beter: Of om mij ter aarde te vellen. Daar hadden zij hem omsingeld, daar loerden zij op hem. Hij deelt in deze verzen mede met welk soort vijanden hij te doen heeft, met ongevoelige, hoogmoedige mensen, die geen medelijden, geen erbarmen kenden. Is het dan te verwonderen, dat hij smeekt: Bewaar mij, o God, heb zo veel zorg voor mij, als iemand heeft voor zijn oogappel, voor het licht zijner ogen? Immers neen, want indien zijn God hem niet bewaart, heeft hij ook niet anders als den dood te verwachten.
Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, alzo is hij, die hoofd van deze mijne vijanden en vervolgers is, begerig om mij te verscheuren, en als een jonge leeuw, zittende In verborgene plaatsen, en loerende op zijnen buit, alzo loert de koning Saul op mij (Psalm 10:
. 13.
III. Vs. 13-15.KruisverwijzingenLukas 16:25→Psalmen 16:11→Psalmen 11:7→Lukas 16:8→Psalmen 3:7→Job 27:14→Psalmen 49:17→Johannes 17:14→
— Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze; Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter. Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.
Daar de bidder den vijand, aan enen vraatzuchtigen leeuw gelijk, woedende op zich ziet losspringen, bidt bij den Heere, om Zich tussen beiden te plaatsen, den vijand den Weg te versperren en bovendien de ziel van Zijnen Hem oprecht overgegeven dienaar te redden van degenen, die hun deel in hun leven hebben. Tegenover deze verheft hij, die zijn deel in den Heere heeft, zich tot de hoop van een zalig aanschouwen van God, zelfs voor het geval, dat hij in het tegenwoordige gevaar zou omkomen, -zo krachtig is in dit ogenblik van gebed het bewustzijn van gemeenschap met den Heere in zijn hart, dat daarin het uitzicht op weder opwekken uit den doodsslaap hem vervult.
Sta op, HEERE! van Uwen troon (Psalm 12: 6), tegenover dezen leeuw; kom zijn aangezicht voor, reeds is hij tot den sprong gereed, maar nog kunt Gij mij redden; vel hem neer, dat bij ter aarde valle, bevrijd mijne ziel met Uw zwaard van den goddeloze; geef Gij zelf hem den doodsteek.
Red mij met Uwe hand van de lieden, die mij vervolgen, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, die geen ander vaderland kennen dan deze wereld, die met al hare begeerlijkheden vergaat (1 (Joh. 2: 17 vv.), van hen, welker deel in dit leven is (Luk. 16: 25), daar zij geen ander genot, geen anderen schat kennen dan het aardse, welker buik Gij vervult met Uwen verborgen schat, dien Gij wereldse goederen en genietingen geeft, om hun begeerte te bevredigen, maar daarbij alle aanspraken op hogere goederen afsnijdt; de kinderen zelfs van die goddelozen worden verzadigd van die wereldse genietingen, en zij laten hun overschot, hunnen rijkdom en overvloed bij hun sterven weer hunnen kinderkens achter 1). Zij hebben alles wat de wereld kan geven, alleen U, den hoogsten, den enig waren schat, kennen zij niet.
In dit vers leert David niet, dat god de goddelozen overvloed geeft, om ze tot bekering te brengen, maar geeft hij het verschil aan tussen hem en hen. Hij heeft aan zijn God genoeg. Ook te midden van bekrompene omstandigheden kent hij nog een onbeschrijfelijken rijkdom en vreugde in zijn God, maar deze mensen, zij zoeken alleen hun heil in het stoffelijke, in de dingen der wereld. Om God en Zijn Woord bekommeren zij zich niet. Als ze het maar goed hebben in deze wereld, menen zij tevreden te kunnen zijn. Hoe geheel anders is zijn lot en lotsbestemming. Want hij zal den Heere zien (vs 15). Zien, niet in genieten van de gave der genade, van de uitredding uit de gevaren, maar zien met onsterfelijke ogen, zien in gerechtigheid, als hij eenmaal zal opwaken, opgewekt worden.
Maar ik, wiens gerechtigheid zo miskend en wiens lot zo zwaar is, heb ene andere spijze, een anderen schat, ene andere verwachting. Terwijl de werelddienaar onder Uwe gerichten omkomt, zal ik Uw aangezicht in gerechtigheid als een gerechtvaardige, wiens onschuld aan den dag treedt, aanschouwen; ik zal verzadigd worden, met Uw beeld, ik zal naar hartelust Uwe heerlijkheid aanschouwen, als ik zal opwaken 1) uit den slaap des doods.
Anders: “Als ik zal ontwaken naar uw beeld” of maar uwe gelijkenis.” De lichamen der rechtvaardigen slapen nog, maar om verzadigd te worden op den morgen der opstanding, wanneer zij ontwaken. Wanneer een Romeins overwinnaar in den oorlog geweest was en grote Overwinningen behaalde, keerde hij naar Rome terug met zijne krijgslieden. Hij ging alleen in zijn huis om zich daar te verblijden tot den volgenden dag, wanneer hij de stad verliet, om dien weer binnen te treden in het openbaar en in triomf. Zo gaan ook de heiligen als het ware zonder hun lichamen in den hemel, maar op den laatsten dag, wanneer hun lichamen ontwaken, zullen ze ingaan in hun triomfwagens. Mij dunkt, ik zie dien groten optocht, wanneer de Heere Jezus het eerst van allen met vele kronen op het hoofd, met zijn heerlijk, onsterfelijk lichaam den weg zal wijzen. Achter Hem komen de heiligen, ieder van hen met de handen klappende of ene zoete melodie aan hun gouden harpen onttokkelende, allen ingaande in triomf. En wanneer zij komen aan de poorten des hemels en de deuren wijd geopend zijn om den koning der ere binnen te laten, hoe zullen de engelen, opeengedrongen, bij de vensters en aan den gevel, gelijk de inwoners bij de Romeinse triomftochten, den schitterenden optocht afwachten en hemelse rozen en lelies op hen strooiende, roepen: “Halleluja! halleluja! halleluja! de Heere God, de Almachtige regeert!” “Ik zal verzadigd zijn” in dien heerlijken dag, wanneer alle Engelen van God zullen komen om de triomfen van Jezus te zien en wanneer Zijn volk met Hem zal triomferen.
De wereld moge zich verzadigen, waaraan zij wil, ik verzadig mij aan God. Wat is een wereldling? Die zijnen hemel op aarde heeft en zijn deel hier. Daar is geen waar genoegen, geen verzadigde lust van een gelovige ziel dan alleen in God en in de beschouwing van Zijn vriendelijk Aangezicht, en in de deelneming aan Zijn Beeld, als ook in Zijn goeden wil ten onswaarts, en aan het goede, hetwelk Hij door Zijn Geest in ons werkt. En zelfs zal al dat genoegen en de verlustiging daarin niet eerder volkomen en onbevlekt zijn, dan totdat wij in den hemel zelven met Zijn Beeld verzadigd mogen worden.
Zonder twijfel spreekt David de hoop uit op een aanschouwen van God, waarmee hij eens als rechtvaardig voor God verwaardigd zal worden. Ja, wanneer hij in het tegenwoordig doodsgevaar bezwijkt, nooit zou hij het genieten als een uit den doodsslaap ontwaakte, en derhalve (ofschoon dit niet geheel hetzelfde is) als een opgestane.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel