Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 HammaalothH4609. O HEEREH3068! gedenkH2142 aan DavidH1732, aan alH3605 zijn lijdenH6031;
Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
LORD,4
remember3
David,5
and all his afflictions:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
DatH834 hij den HEEREH3068 gezworenH7650 heeft, den MachtigeH46 JakobsH3290 gelofteH5087 gedaan heeft, zeggende:
Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:
KJV
How he sware2
unto the LORD,3
and vowed4
unto the mighty5
God of Jacob;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
ZoH518 ik in de tentH168 mijns huizesH1004 ingaH935, zoH518 ik opH5921 de koetsH6210 van mijn bedH3326 klimmeH5927!
Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
KJV
Surely I will not come2
into the tabernacle3
of my house,4
nor go up6
into my bed;8
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZoH518 ik mijn ogenH5869 slaapH8153 geveH5414, mijn oogledenH6079 sluimeringH8572;
Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;
KJV
I will not give2
sleep3
to mine eyes,4
or slumber6
to mine eyelids,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
TotdatH5704 ik voor den HEEREH3068 een plaatsH4725 gevondenH4672 zal hebben, woningenH4908 voor den MachtigeH46 JakobsH3290!
Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
KJV
Until I find out2
a place3
for the LORD,4
an habitation5
for the mighty6
God of Jacob.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZietH2009, wij hebben van haar gehoordH8085 in EfrathaH672; wij hebben haar gevondenH4672 in de veldenH7704 van JaarH3293.
Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
KJV
Lo, we heard2
of it at Ephratah:3
we found4
it in the fields5
of the wood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Wij zullen in Zijn woningenH4908 ingaanH935, wij zullen ons nederbuigenH7812 voor de voetbankH1916 Zijner voetenH7272.
Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
KJV
We will go1
into his tabernacles:2
we will worship3
at his footstool.4
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
StaH6965 op, HEEREH3068! tot Uw rustH4496, GijH859 en de arkH727 Uwer sterkteH5797!
Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
KJV
Arise,1
O LORD,2
into thy rest;3
thou, and the ark5
of thy strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Dat Uw priestersH3548 bekleedH3847 worden met gerechtigheidH6664, en dat Uw gunstgenotenH2623 juichenH7442.
Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
KJV
Let thy priests1
be clothed2
with righteousness;3
and let thy saints4
shout for joy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WeerH7725 het aangezichtH6440 Uws GezalfdenH4899 nietH408 af, om DavidsH1732, Uws knechtsH5650 wilH5668.
Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
KJV
For thy servant3
David's2
sake turn not away5
the face6
of thine anointed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
De HEEREH3068 heeft DavidH1732 de waarheidH571 gezworenH7650, waarvan Hij nietH3808 wijkenH7725 zal, zeggende: VanH4480 de vruchtH6529 uws buiksH990 zal Ik op uw troonH3678 zettenH7896.
De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
KJV
The LORD2
hath sworn1
in truth4
unto David;3
he will not turn6
from it; Of the fruit8
of thy body9
will I set10
upon thy throne.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Indien uw zonenH1121 Mijn verbondH1285 zullen houdenH8104, en Mijn getuigenissenH5713, die Ik hun lerenH3925 zal; zo zullen ookH1571 hun zonenH1121 tot in eeuwigheidH5703 op uw troonH3678 zittenH3427.
Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
KJV
If thy children3
will keep2
my covenant4
and my testimony5
that6
I shall teach7
them, their children9
shall also sit12
upon thy throne13
for evermore.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantH3588 de HEEREH3068 heeft SionH6726 verkorenH977, Hij heeft het begeerdH183 tot Zijn woonplaatsH4186, zeggende:
Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:
KJV
For the LORD3
hath chosen2
Zion;4
he hath desired5
it for his habitation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
DitH2063 is Mijn rustH4496 tot in eeuwigheidH5703, hier zal Ik wonenH3427, wantH3588 Ik heb ze begeerdH183.
Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
KJV
This is my rest2
for ever:3
here will I dwell;6
for I have desired
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
Ik zal haar kostH6718 rijkelijkH1288 zegenenH1288, haar nooddruftigenH34 zal Ik met broodH3899 verzadigenH7646.
Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
KJV
I will abundantly2
bless3
her provision:1
I will satisfy5
her poor4
with bread.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En haar priestersH3548 zal Ik met heilH3468 bekledenH3847, en haar gunstgenotenH2623 zullen zeer juichenH7442.
En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
KJV
I will also clothe2
her priests1
with salvation:3
and her saints4
shall shout aloud6
for joy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
DaarH8033 zal Ik DavidH1732 een hoornH7161 doen uitspruitenH6779; Ik heb voor Mijn GezalfdeH4899 een lampH5216 toegerichtH6186.
Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
KJV
There will I make2
the horn3
of David4
to bud:
I have ordained5
a lamp6
for mine anointed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ik zal zijn vijandenH341 met schaamteH1322 bekledenH3847; maar opH5921 hem zal zijn kroonH5145 bloeienH6692.
Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
KJV
His enemies1
will I clothe2
with shame:3
but upon himself shall his crown6
flourish.
lied Hammaälòth
Zie Ps. 120:1 . Zie van deze titel de aantekening Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hammaälòth
Zie over deze titel de aantekening bij Ps. 120:1.
O HEERE
Het schijnt dat deze psalm geschreven is als men de ark uit Obed-Edoms huis naar de stad van David gebracht heeft, 1Ch 15 Sommigen verstaan dat Salomo dezen psalm gemaakt heeft als hij de ark zou laten brengen in den tempel.
Hertaald:
O HEERE
Het lijkt erop dat deze psalm geschreven is toen men de ark uit het huis van Obed-Edom naar de stad van David bracht, 1 Kron. 15. Sommigen menen dat Salomo deze psalm gemaakt heeft toen hij de ark in de tempel liet brengen.
gedenk aan David,
Hij wil zeggen: Gedenk war Gij hem door Nathan beloofd hebt, 2Sa 7 . Of, laat blijken dat Gij David gedachtig zijt ten goede, hem gevende hetgeen hij ootmoedig met het gebed van U verzoekt.
Hertaald:
gedenk aan David,
Hij wil zeggen: gedenk wat U hem door Nathan beloofd hebt, 2 Sam. 7. Of: laat blijken dat U aan David ten goede denkt, door hem te geven waar hij U ootmoedig in zijn gebed om vraagt.
den Machtige
Zie de aantekening bij bij Gen. 49:24 .
Hertaald:
den Machtige
Zie de aantekening bij Gen. 49:24.
gelofte gedaan
Zie de aantekening bij Ps. 61:6 .
Hertaald:
gelofte gedaan
Zie de aantekening bij Ps. 61:6.
Zo ik in de tent
Dat is, zekerlijk, ik zal in de tent van mijn huis niet ingaan; zie Ps. 89:36 , en de aantekening bij Ps. 95:11 .
Hertaald:
Zo ik in de tent
Dat is: zeker, ik zal de tent van mijn huis niet binnengaan; zie Ps. 89:36, en de aantekening bij Ps. 95:11.
mijns huizes inga,
Hetwelk David nieuw had laten bouwen. Zie 2 Sam. 5:9 ; 1 Kron. 14:1 , en 1 Kron. 15:1 . David wil zeggen: Ik zal in dat huis niet gaan om het te bewonen en daarin te slapen, totdat ik, enz. Zie vs.5.
Hertaald:
mijns huizes inga,
Dat David nieuw had laten bouwen. Zie 2 Sam. 5:9; 1 Kron. 14:1, en 1 Kron. 15:1. David wil zeggen: ik zal dat huis niet binnengaan om het te bewonen en er te slapen, totdat ik, enzovoort. Zie vers 5.
van mijn bed klimme
Hebr. mijner bedden; dat is, van enige mijner bedden.
Hertaald:
van mijn bed klimme
Hebreeuws: van mijn bedden; dat is: van een van mijn bedden.
slaap geve,
Dat is, slapen late.
Hertaald:
slaap geve,
Dat is: laten slapen.
voor den HEERE
Die zijne tegenwoordigheid openbaarde boven de ark en vandaar antwoord gaf. Zie Ps. 43:3 .
Hertaald:
voor den HEERE
Die Zijn tegenwoordigheid openbaarde boven de ark en vandaar antwoord gaf. Zie Ps. 43:3.
een plaats
Zie van deze plaats 2 Sam. 6:17 ; 1 Kron. 16:1 .
Hertaald:
een plaats
Zie over deze plaats 2 Sam. 6:17; 1 Kron. 16:1.
gevonden zal hebben,
Dat is, bereid zal hebben, gelijk Hand. 7:46 .
Hertaald:
gevonden zal hebben,
Dat is: bereid zal hebben, zoals Hand. 7:46.
woningen
Aldus spreekt de profeet in het getal van velen, omdat aan den tempel veel kamers en verblijfplaatsen waren.
Hertaald:
woningen
De profeet spreekt hier in het meervoud, omdat er bij de tempel veel kamers en verblijfplaatsen waren.
voor den Machtige
Die op de ark des verbonds zit.
Hertaald:
voor den Machtige
Die op de ark van het verbond zit.
van haar gehoord
Te weten, van de ark.
Hertaald:
van haar gehoord
Namelijk: van de ark.
in Efratha;
Sommigen verstaan hier door Efrata de landstreek van Bethlehem, waar Kiriath-Jearim en Obed-Edoms huis niet ver vann gelegen was. Zie Gen. 35:16 , Gen. 35:19 . Anderen verstaan door Efrata Efraïm, en voorts de stad Silo in Efraïm gelegen, waar de ark lang gebleven was; Richt. 18:31 , en Richt. 21:19 ; 1 Sam. 1:3 .
Hertaald:
in Efratha;
Sommigen verstaan hier onder Efratha de landstreek van Bethlehem, waar Kirjath-Jearim en het huis van Obed-Edom niet ver vandaan lagen. Zie Gen. 35:16, Gen. 35:19. Anderen verstaan onder Efratha Efraïm, en verder de stad Silo in Efraïm, waar de ark lang gebleven was; Richt. 18:31, en Richt. 21:19; 1 Sam. 1:3.
wij hebben haar
Te weten, toen wij haar naar Jeruzalem brengen zouden.
Hertaald:
wij hebben haar
Namelijk: toen wij haar naar Jeruzalem zouden brengen.
Jaär
Deze plaats wordt in de heilige historie ook genoemd Kiriath-Jearim, dat is, de stad der wouden, waar de ark twintig jaar geweest is, nadat zij uit het land der Filistijnen wedergekomen was, 1 Sam. 6:21 , en 1 Sam. 7:1-2 . Zij wordt ook genoemd Baale, [dat is, de pleinen] van Juda, 2 Sam. 6:2 ; want zij lag in een vlak bosachtig land. Eenigen stellen hier: de velden des wouds.
Hertaald:
Jaär
Deze plaats wordt in de heilige geschiedenis ook Kirjath-Jearim genoemd, dat is: de stad van de wouden, waar de ark twintig jaar geweest is nadat zij uit het land van de Filistijnen teruggekomen was, 1 Sam. 6:21, en 1 Sam. 7:1-2. Zij wordt ook Baäle — dat is: de vlakten — van Juda genoemd, 2 Sam. 6:2, want zij lag in een vlak, bosrijk land. Sommigen vertalen hier: de velden van het woud.
Zijn woningen
Te weten, des Heeren. Anders, hare; te weten, der ark.
Hertaald:
Zijn woningen
Namelijk: van de Heere. Anders: haar woningen, namelijk van de ark.
voor
Of aan of naar, of tegen aan.
Hertaald:
voor
Of: aan, of naar, of tegen.
de voetbank
Zie de aantekening bij Ps. 99:5 .
Hertaald:
de voetbank
Zie de aantekening bij Ps. 99:5.
Sta op,
Zie 1 Kron. 28:2 , en 2 Kron. 6:41-42 ., waar dit vers en de twee naastvolgende door Salomo toegepast worden op den tijd toen hij de ark in het heilige der heiligen deed brengen.
Hertaald:
Sta op,
Zie 1 Kron. 28:2, en 2 Kron. 6:41-42, waar dit vers en de twee volgende door Salomo toegepast worden op de tijd waarin hij de ark in het heilige der heiligen liet brengen.
tot Uw rust,
Dat is, tot die plaats, die Gij U hebt verkoren en geheiligd, opdat de ark des verbonds daar bestendig blijve. Alzo ook onder vs.14; en de aantekening bij 2 Kron. 6:41 .
Hertaald:
tot Uw rust,
Dat is: naar die plaats die U Zich verkoren en geheiligd hebt, opdat de ark van het verbond daar blijvend zou zijn. Zo ook hieronder vers 14; en de aantekening bij 2 Kron. 6:41.
Gij en de
Hier worden nu God en de ark samengevoegd, gelijk tevoren het een en het ander op zichzelven is genoemd geweest. Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41 .
Hertaald:
Gij en de
Hier worden God en de ark samengevoegd, terwijl zij daarvoor elk afzonderlijk genoemd zijn. Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41.
bekleed worden
Dat is, laat hen oprecht en heilig hun priesterambt bedienen. Zie deze manier van spreken Job 29:14 .
Hertaald:
bekleed worden
Dat is: laat hen hun priesterambt oprecht en heilig bedienen. Zie deze manier van spreken in Job 29:14.
Uw gunstgenoten
Dat is, uw volk Israël. Zie 1 Kron. 15:28 . De profeet wenst dat de godzaligen oorzaak van blijdschap mogen hebben, wordende van de priesters uit Gods Woord in alle godzaligheid onderwezen.
Hertaald:
Uw gunstgenoten
Dat is: Uw volk Israël. Zie 1 Kron. 15:28. De profeet wenst dat de godvruchtigen reden tot blijdschap mogen hebben, doordat zij door de priesters uit Gods Woord in alle godzaligheid onderwezen worden.
Weer het
Dat is, sla hem zijne bede niet af; of weiger hem zijne bede niet. Zie de aantekening bij 1 Kon. 2:16-17 , 1 Kon. 2:20 . Of, weiger hem uw gunstige aanspraak en hulp niet.
Hertaald:
Weer het
Dat is: wijs zijn bede niet af, of: weiger hem zijn bede niet. Zie de aantekening bij 1 Kon. 2:16-17, 1 Kon. 2:20. Of: weiger hem Uw gunstige aanspraak en hulp niet.
Gezalfden
Door den gezefde verstaat de profeet hier zichzelven.
Hertaald:
Gezalfden
Onder de gezalfde verstaat de profeet hier zichzelf.
om Davids,
Hij wil zeggen: Ten aanzien der beloften, die Gij mij gedaan hebt. Of, versta hier Christus, door David, waar David een voorbeeld van geweest is. Alzo ook Ps. 18:51 ; Jer. 30:9 ; Ezech. 34:23 , en Ezech. 37:24 ; Hos. 3:5 . En dan is de zin, om Jezus Christus' wil, die een knecht Gods genoemd wordt, ten aanzien der knechtelijke gedaante, die Hij aannemen zou.
Hertaald:
om Davids,
Hij wil zeggen: met het oog op de beloften die U mij gedaan hebt. Of: versta hier onder David Christus, van Wie David een voorafbeelding geweest is. Zo ook Ps. 18:51; Jer. 30:9; Ezech. 34:23, en Ezech. 37:24; Hos. 3:5. Dan is de betekenis: om Jezus Christus' wil, Die een knecht van God genoemd wordt met het oog op de knechtsgestalte die Hij zou aannemen.
de waarheid
Dat is, een vaste eed, een vaste belofte, of een eed der waarheid gezworen.
Hertaald:
de waarheid
Dat is: een vaste eed, een vaste belofte, of een eed die naar waarheid gezworen is.
Van de vrucht
Dat is, enigen van uwe kinderen of nakomelingen. Zie 2 Sam. 7:12 , enz. Deze belofte ziet op Christus, Hand. 2:30 .
Hertaald:
Van de vrucht
Dat is: enigen van uw kinderen of nakomelingen. Zie 2 Sam. 7:12, enzovoort. Deze belofte ziet op Christus, Hand. 2:30.
Ik op uw troon
Dat is, zal Ik na u laten regeren.
Hertaald:
Ik op uw troon
Dat is: zal Ik na u laten regeren.
Mijn verbond
Dat is, mijne geboden.
Hertaald:
Mijn verbond
Dat is: Mijn geboden.
Mijn getuigenissen,
Dat is, mijne wetten, in welke Ik betuig hoe Ik wil geëerd en gediend wezen.
Hertaald:
Mijn getuigenissen,
Dat is: Mijn wetten, waarin Ik betuig hoe Ik geëerd en gediend wil worden.
tot in eeuwigheid
Dat is, langen tijd zullen uwe nakomelingen het aardse koninkrijk bezitten; maar het geestelijke zal in Christus bestendigd zijn in eeuwigheid; Luc. 1:32-33 .
Hertaald:
tot in eeuwigheid
Dat is: uw nakomelingen zullen het aardse koninkrijk lange tijd bezitten; maar het geestelijke koninkrijk zal in Christus in eeuwigheid bestendig zijn; Luk. 1:32-33.
Sion verkoren,
Dat is, de stad Jeruzalem, die op den berg Zion gebouwd is. Deze stad heeft de Heere verkoren, dat zijn heilige godsdienst in dezelve zou bevestigd worden.
Hertaald:
Sion verkoren,
Dat is: de stad Jeruzalem, die op de berg Sion gebouwd is. Deze stad heeft de Heere uitgekozen opdat Zijn heilige godsdienst daarin bevestigd zou worden.
heb ze begeerd
Te weten, deze zitplaatsen, of woning, te weten, Jeruzalem, of Zion.
Hertaald:
heb ze begeerd
Namelijk: deze zetel of woning, dat is: Jeruzalem of Sion.
haar kost
Te weten, van Jeruzalem, dat is, der burgers te Jeruzalem.
Hertaald:
haar kost
Namelijk: van Jeruzalem, dat is: van de burgers in Jeruzalem.
rijkelijk zegenen,
Hebr. zegenende zegenen; dat is, Ik zal hen rijkelijk verzorgen van alle nooddruft.
Hertaald:
rijkelijk zegenen,
Hebreeuws: zegenende zegenen; dat is: Ik zal hen rijkelijk van alles voorzien wat zij nodig hebben.
met heil bekleden,
Zie boven vs.9; 2 Kron. 6:41 , en verg. 1 Tim. 4:16 .
Hertaald:
met heil bekleden,
Zie hierboven vers 9; 2 Kron. 6:41, en vergelijk 1 Tim. 4:16.
haar gunstgenoten
Dat is, mijne beminde, die Ik te Jeruzalem of in Zion heb.
Hertaald:
haar gunstgenoten
Dat is: Mijn beminden die Ik in Jeruzalem of in Sion heb.
zeer juichen
Hebr. juichende juichen.
Hertaald:
zeer juichen
Hebreeuws: juichende juichen.
Daar zal Ik
Dat is, Ik zal te Jeruzalem Davids koninkrijk en macht vermeerderen, gevende hem zijne zonen tot navolgers in het koninkrijk en voornamelijk den geestelijken Koning Christus. Zie Luc. 1:69 ; en Ps. 75:5 , en Ps. 89:18 , Ps. 89:25 .
Hertaald:
Daar zal Ik
Dat is: Ik zal in Jeruzalem het koninkrijk en de macht van David vermeerderen, door hem zijn zonen te geven als opvolgers in het koninkrijk, en vooral de geestelijke Koning Christus. Zie Luk. 1:69; en Ps. 75:5, en Ps. 89:18, Ps. 89:25.
Mijn Gezalfde
Dat is, den koning David.
Hertaald:
Mijn Gezalfde
Dat is: koning David.
een lamp toegericht
Versta door de lamp even hetzelfde, dat tevoren door den hoorn is beduid, te weten de nakomelingen Davids in het koninkrijk, en voornamelijk Christus. Zie 1 Kon. 11:36 , en Luc. 2:32 .
Hertaald:
een lamp toegericht
Versta onder de lamp hetzelfde als wat eerder met de hoorn aangeduid is, namelijk de nakomelingen van David in het koninkrijk, en vooral Christus. Zie 1 Kon. 11:36, en Luk. 2:32.
Ik zal zijn vijanden
Dat is, Ik zal zijne vijanden in al hunne aanslagen te schande maken, gelijk Ps. 35:26 , en Ps. 109:29 .
Hertaald:
Ik zal zijn vijanden
Dat is: Ik zal zijn vijanden in al hun aanslagen te schande maken, zoals Ps. 35:26, en Ps. 109:29.
met schaamte
Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41 .
Hertaald:
met schaamte
Zie de aantekening bij 2 Kron. 6:41.
zal zijn kroon
Dat is, zijne majesteit en heerlijkheid, zijn rijk.
Hertaald:
zal zijn kroon
Dat is: zijn majesteit en heerlijkheid, zijn rijk.
bloeien
Dat is, bloeiende blijven, zonder te verwelken.
Hertaald:
bloeien
Dat is: bloeiend blijven, zonder te verwelken. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten" (Ps. 132:11). Aan de belofte hangt een voorwaarde voor de zonen (Ps. 132:12), maar de eed zelf staat vast. Dan gaat het over de plaats: "Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats" (Ps. 132:13), en God zegt daarvan: "Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd" (Ps. 132:14). Wat Hij belooft is heel concreet: brood voor de nooddruftigen, heil voor de priesters, gejuich voor de gunstgenoten (Ps. 132:15-16). En het slot: "Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht" (Ps. 132:17). Bijbelse betekenis: De hoorn is in de Schrift het beeld van kracht, zoals bij een dier dat zijn hoorn opheft; een hoorn die uitspruit is dus groeiende macht. De lamp staat voor het voortbestaan van een geslacht: zolang de lamp brandt, is het huis niet uitgestorven. Merk op wat er in Ps. 132:14 gezegd wordt. God noemt Sion Zijn rust, en dat is opmerkelijk: de Almachtige kiest een plaats om te wonen omdat Hij haar begeerd heeft. Let ten slotte op de volgorde van de beloften. Eerst brood voor de armen, dan heil voor de priesters; de zegen van Gods woonplaats begint bij wie het nodig hebben. Typologie: Zacharias zong bij de geboorte van zijn zoon over de vervulling van deze belofte: God "heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht" (Luk. 1:69). Ps. 132:11-18; Luk. 1:69 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het koninkrijk niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe uitwerking Een pelgrimslied dat begint bij een gelofte van David: hij zou zijn ogen geen slaap gunnen voordat hij een plaats gevonden had voor de HEERE. Het tweede deel van de psalm is het antwoord daarop, en dat antwoord is veel groter dan de gelofte. David zwoer God een woonplaats te zoeken; God zweert David een Nakomeling op zijn troon. De psalm valt in twee helften, en tussen die helften zit een omkering die men niet snel vergeet. Eerst zweert een mens: David belooft dat hij niet zal rusten voordat hij een woonplaats gevonden heeft voor de Machtige Jakobs. En dan, in het midden, zweert God terug: “De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.” De kanttekening noemt dat een vaste eed, naar waarheid gezworen, en zij zegt er meteen bij op Wie die belofte ziet: op Christus, met een verwijzing naar Handelingen 2. Dat is precies wat Petrus op de Pinksterdag doet. Hij zegt van David dat deze een profeet was, en dat hij wist wat God hem met ede gezworen had. Namelijk dat Hij uit de vrucht van zijn lenden de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten. En dan trekt hij de lijn door naar de opstanding, want een dode kan geen troon bezetten. Het volgende vers voegt er een voorwaarde aan toe die op het eerste gezicht alles weer onzeker maakt: indien uw zonen Mijn verbond zullen houden. En dat hebben zij niet gedaan; het boek Koningen is er het bewijs van. Maar de kanttekening scheidt hier twee dingen die uit elkaar gehouden moeten worden. Het aardse koninkrijk zullen Davids nakomelingen lange tijd bezitten — dat hangt aan hun gehoorzaamheid en het is dan ook geëindigd. Het geestelijke koninkrijk daarentegen zal in Christus in eeuwigheid bestendig zijn. Daarna gaat het over Sion. Hier zal Ik wonen, zegt God, want Ik heb ze begeerd. Wat volgt is huiselijk: de kost wordt rijkelijk gezegend, de nooddruftigen worden met brood verzadigd, de priesters worden met heil bekleed. Het is een stad waar armen te eten krijgen omdat God er woont. En dan het slot, met twee beelden die de kanttekening allebei op dezelfde Persoon laat uitkomen. “Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.” Bij de hoorn tekent zij aan dat God het koninkrijk van David zal vermeerderen door hem opvolgers te geven, en vooral de geestelijke Koning Christus. Bij de lamp zegt zij hetzelfde in andere woorden. Zacharias, de vader van Johannes de Doper, gebruikt precies dat eerste beeld wanneer hij weer spreken mag: God heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht. En Simeon neemt het tweede over als hij het Kind in de tempel in zijn armen krijgt en spreekt van een licht tot verlichting der heidenen. De hoorn en de lamp uit deze psalm hebben dus allebei hun antwoord gekregen, en van elkaar onafhankelijk. In het Nieuwe Testament: Handelingen 2:29-31; Lukas 1:69; Lukas 2:32; Lukas 1:32-33; Openbaring 22:16
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Want de HEERE heeft Sion verkoren. Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats. Psalm 132:13 Hij wil dat degenen die Hij verkoren heeft blij en gelukkig zullen zijn.… 11 De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. 12 Indien uw zonen… 1 Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden; 2 Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: 3 Zo ik… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 132
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Van de vrucht uws buiks — 132:11-18
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Sion verblijdt zich
Psalm 132:11-18
Psalm 132:1-10


Psalmen 132
Psalmen 132:1.KruisverwijzingenPsalmen 121:1→Psalmen 120:1→Klaagliederen 5:1→Genesis 8:1→Psalmen 127:1→Psalmen 25:6→1 Samuël 18:1→Exodus 2:24→
— Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;
God was met David een eeuwig verbond aangegaan, in alles wel geordineerd en bewaard; en in deze psalm pleit David zelf, of een van zijn volk of nakomelingen, op dat verbond in een tijd van verdrukking en beproeving: HEERE, gedenk aan David en al zijn lijden.
Psalmen 132:2-5.KruisverwijzingenGenesis 49:24→Spreuken 6:4→Prediker 9:10→Mattheüs 6:33→Hagai 1:4→Ruth 3:18→1 Kronieken 22:7→Efeze 2:22→
— Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme! Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering; Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
David bedacht dat hij zichzelf een paleis gebouwd had, maar hij wenste nog vuriger een paleis voor zijn God te bouwen: een huis voor de viering van Zijn eredienst, een woning voor de Machtige van Jakob.
Maar waar kan een waardig huis voor God gebouwd worden? Waar kan een geschikte woonplaats voor de Allerhoogste gemaakt worden? Hij vervult alle dingen, en toch kunnen alle dingen Hem niet bevatten. Er is maar één woonplaats van God, en wij behoren God te danken dat Hij Zichzelf een passende woonplaats bereid heeft in de persoon van Zijn dierbare Zoon, in wie ook alle gelovigen samen gebouwd worden tot een woonstede van God door de Heilige Geest.
Psalmen 132:6.Kruisverwijzingen1 Samuël 17:12→1 Samuël 7:1→Micha 5:2→Ruth 1:2→Genesis 35:19→1 Kronieken 13:5→
— Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
God is bereid in de bossen te wonen. Vaak doet Hij het. In menige hut, ver van de drukte van mensen, wordt God gevonden; en voor menige woudbewoner is God even nabij als voor wie Hem in tempel of kathedraal aanbidden.
Psalmen 132:7.KruisverwijzingenPsalmen 5:7→Psalmen 99:5→Psalmen 118:19→Klaagliederen 2:1→Psalmen 66:13→Psalmen 95:6→Psalmen 122:1→Jesaja 2:3→
— Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.
Deze psalm heet een lied Hammaäloth. Let op de trappen die hier beschreven worden: wij hebben ervan gehóórd, wij hebben het gevónden, wij zullen erin gáán, wij zullen erin aanbídden. Het is een goede zaak wanneer wij in onze gebeden en lofzangen trap voor trap opklimmen.
Psalmen 132:8.Kruisverwijzingen2 Kronieken 6:41→Psalmen 78:61→Numeri 10:35→Psalmen 68:1→
— Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!
Laten wij bidden dat de HEERE bestendig rust vinde in het midden van Zijn volk. Hij vindt rust in hen omdat zij één zijn met Zijn Welbeminde. Kom, HEERE, op dit ogenblik, en neem Uw rust in het midden van deze vergadering, en doe ons alle in U rusten.
Psalmen 132:9.KruisverwijzingenJob 29:14→Jesaja 61:10→Psalmen 132:16→Psalmen 68:3→Zacharia 9:9→Psalmen 47:1→Jesaja 65:14→Ezra 3:11→
— Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.
Dit is het beste gewaad voor al Gods heiligen, die priesters en koningen voor Hem zijn; dit is beter dan sneeuwwit linnen of klederen met karmozijn en goud getooid.
De eredienst van God behoort heel blijmoedig te zijn, en zelfs uitbundig. Wij mogen juichen. Soms eist het overvloeien van de vreugde meer dan gewone uiting, en daarom bidden wij: laat Uw gunstgenoten juichen van vreugde.
Psalmen 132:10.KruisverwijzingenHosea 3:5→2 Kronieken 6:42→1 Koningen 11:12→1 Koningen 15:4→Psalmen 84:9→Psalmen 89:38→1 Koningen 11:34→2 Koningen 19:34→
— Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
Hoeveel meer mogen wij dit vragen om onze Heere Jezus Christus’ wil. O God, gedenk aan Uw Zoon, onze Heere en onze Koning, en zie om Zijnentwil vandaag met liefde en deernis op ons neer!
Psalmen 132:11-12.Kruisverwijzingen2 Samuël 7:12→Psalmen 89:3→Psalmen 110:4→Handelingen 2:30→2 Kronieken 6:16→Lukas 1:69→1 Kronieken 17:11→Psalmen 89:35→
— De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten. Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.
Lang heeft het huis van David over Israël geregeerd; maar zij bleken ontrouw, en daarom ging de scepter uit hun handen. Toch is hij nog in de hand van een andere Zoon van David. In geestelijke zin heeft Jezus Christus een troon en een heerschappij die geen einde zullen kennen.
Psalmen 132:13-14.KruisverwijzingenPsalmen 68:16→Jesaja 66:1→Psalmen 132:8→Jesaja 14:32→Psalmen 87:2→Psalmen 48:1→Hebreeën 12:22→Psalmen 78:68→
— Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.
Het letterlijke Sion was voor een tijd de woonplaats van de HEERE, maar het geestelijke Sion zal Zijn woonstede zijn tot in eeuwigheid. God rust in Zijn volk; de hele schare van de verlosten zal Zijn blijvende woonplaats zijn.
Psalmen 132:15.KruisverwijzingenPsalmen 147:14→Psalmen 107:9→Hagai 1:6→Deuteronomium 14:29→Psalmen 37:3→Psalmen 36:8→Spreuken 3:9→Mattheüs 14:19→
— Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.
God zendt de nodige voorziening voor Zijn volk, en Hij zendt Zijn zegen erbij. Wij zijn zo arm dat wij zelfs geen geestelijk brood voor onze ziel hebben tenzij Hij het ons geeft; maar hier is Zijn genadige belofte: Ik zal haar nooddruftigen met brood verzadigen.
Psalmen 132:16.Kruisverwijzingen2 Kronieken 6:41→Psalmen 132:9→Johannes 16:24→Galaten 3:27→Psalmen 140:4→Hosea 11:12→Jesaja 61:10→Zacharia 9:9→
— En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.
In het negende vers hadden wij een zilveren gebed, maar hier in het zestiende vers hebben wij een gouden antwoord. Het gebed van de psalmist was: laat Uw gunstgenoten juichen van vreugde; het antwoord van de HEERE is: haar gunstgenoten zullen zeer juichen. God geeft altijd goede maat, toegedrukt en overlopend.
Psalmen 132:17.KruisverwijzingenEzechiël 29:21→Lukas 1:69→2 Kronieken 21:7→1 Koningen 11:36→1 Koningen 15:4→Psalmen 148:14→Psalmen 92:10→2 Koningen 8:19→
— Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.
O, dat vandaag de hoorn van David weer mocht uitspruiten! Moge elke gelovige in Jezus het leven van God in zich voelen herleven; en moge in menig geval waar er in het geheel geen geestelijk leven is, het goddelijke leven vandaag beginnen! Bid ervoor, geliefden; en zie er dan naar uit, en u zult het zeker zien.
Psalmen 132:18.KruisverwijzingenJob 8:22→Psalmen 109:29→Psalmen 35:26→Psalmen 21:8→Jesaja 9:6→Psalmen 72:8→Mattheüs 28:18→Jesaja 58:10→
— Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
Wij hebben geen Koning dan Jezus, en Zijn kroon bloeit altijd. Zij staat goed op een gezegend hoofd. Laten wij Hem vandaag opnieuw kronen met onze blijmoedige lof en dankzegging.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ), naar alle waarschijnlijkheid van Salomo (1 Koningen 8: 6 ). Bleek Davids ootmoed, van welken Psalm 131 getuigenis wil geven, op het ondubbelzinnigst uit hetgeen hij op Michals spot antwoordde, ten dage toen de arke des verbonds naar den berg Zion werd overgevoerd (2 Samuel 6: 21 vv.), en was de grote koning naar de hoge mate van zijne geestelijke kennis er zich van bewust, dat de ootmoed de beste bewaarster is der Goddelijke genade en de zekerste erfgenaam der toekomstige zaligheid, zo blijkt van zelf de inwendige verbinding van gedachten, die tussen den voor ons liggenden en den voorgaanden Psalm bestaat. -Wij hebben hier den Psalm voor ons, die bij het overbrengen der arke uit den Davidischen tabernakel, uit Zion naar het Salomonisch tempelgebouw, op Moria gezongen is. Hierin wordt de genade, aan Davids huis tot hiertoe bewezen, bezongen, en weer om volkomene openbaring van den aan dit huis bewezen zegen gebeden. Door zijne geschiedkundige aanleiding en de uitwendige indeling, wijst de Psalm op Psalm 24; door zijn inhoud sluit hij zich aan Psalm 72 aan.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenGenesis 49:24→Spreuken 6:4→Psalmen 121:1→Psalmen 120:1→Prediker 9:10→Mattheüs 6:33→Hagai 1:4→Ruth 3:18→
— Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden; Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende: Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme! Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering; Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!
Nadat de arke in plechtigen optocht naar den tempelberg gebracht en vóór het tempelgebouw was nedergezet, totdat Salomo met de gemeente de ontelbare menigte van offeranden had gebracht, heffen nu de priesters, die met het dragen belast waren, haar weer op, om haar in den tempel te brengen. (1 Koningen 8: 3-6). Dit is het ogenblik, waarop het eerste koor van Levietische tempelzangers, die aan de oostzijde van het brandofferaltaar geplaatst zijn, onder begeleiding van cymbalen en harpen (2 Samuel 6: 5 ) het gezang opent met ene herinnering aan Davids rusteloos streven en onafgebroken trachten naar het nu bereikte doel. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden; vergeld hem rijkelijk al de moeite en al de zorg, die hij voor Uw heiligdom had. Het lijden van David was een inwendig lijden. De Heere had toen gene woning, de heilige tent was zonder verbondskist, een lichaam zonder ziel, en de arke was te Kirjath-Jearim als in haar graf neergelegd zonder cultus, bijna vergeten (1 Kronieken 13: 3). David kwelde zich, hoe hij aan dien treurigen toestand een einde zou kunnen maken; hij werd daarbij door verschillende gedachten heen en weer geslingerd; hij vreesde dat de tijd van ‘s Heeren toorn nog niet voorbij, de tijd der genade nog niet zou aangebroken zijn, en deze vrees behield in ‘t bijzonder na het ongeval bij het eerste inhalen de overhand (2 Samuel 6: 9). Intussen werd het hartelijk verlangen van David, om de woning van zijnen God in de hoofdstad te hebben, die vrees weer meester, en hij gunde zich gene rust, voordat hij het begeerde doel bereikt had. Nauwelijks was dit doel bereikt, of er ontstond bij David ene nieuwe zorg voor het bouwen van een vast heiligdom, welk voornemen den Heere welgevallig was, hoewel Hij het ook niet dadelijk tot uitvoering liet komen.
Toen hij door Nathan antwoord had verkregen, dat niet hij, maar zijn zoon en opvolger Gode een huis zou bouwen, deed hij toch voor den wens zijns harten zoveel, als bij deze bekendmaking van Jehova’s wil mogelijk was. Hij heiligde de plaats van den toekomstigen tempel, schafte de nodige middelen en materialen voor het bouwen aan, maakte de inrichtingen, die voor den toekomstigen tempeldienst nodig waren, vervulde het volk met geestdrift voor den voorgenomen, reusachtigen bouw, en gaf zijnen zoon het model over, zoals ons dat alles uitvoerig in 1 Kronieken 22-29 verhaald wordt.
Gedenk, dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs (Genesis 49: 24. Jes. 1: 24; 49: 26; 60: 16) gelofte gedaan heeft, zeggende:
a) Zo ik in de tent mijns huizes in ga, in mijn cederen huis (1 (Kronieken 17: 1), om daar mijn gemak en rust te nemen. Zo ik op de koets van mijn bed, op mijne vorstelijke slaapplaats klimme, om daarop te rusten.
1 Kronieken 15: 1.
Zo ik mijnen ogen slaap geve, of mijnen oogleden sluimeringgunne (Spreuken 6: 4).
Totdat ik voor den HEERE ene plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs! (2 Samuel 7: 1. Hand. 7: 46). De zin van dezen sterk uitgedrukten eed is, dat hij zolang zich niet zou verheugen over zijn eigen woonhuis en zich niet den zorgelozen slaap zou overgeven, in ‘t kort, dat hij niet zou rusten, voordat hij zijn doel bereikt had; en overeenkomstig deze belofte heeft hij ook gehandeld, gelijk wij te voren gezien hebben. Waar de Heere ene plaats in het hart gevonden heeft, daar heeft men ook lief de plaats van Zijn huis (Psalm 26: 8; 27: 4); waar echter het eerste niet gevonden wordt, daar staat het ook met de liefde tot het laatste lauw en flauw. Dat bewees Israël na zijn terugkeren uit de ballingschap (Hagg. 1: 2 vv.) door zijne bede der luiheid: “de tijd is niet gekomen, de tijd, dat des Heeren huis gebouwd worde,” waarbij het dit bestraffende woord vol heilige ironie ontving (Hagg. 1: 4): “Is het voor ulieden wel de tijd, dat gij woont in uwe gewelfde huizen?”. De tempelbouw was gene zaak van weinige dagen, zodat de eed gene andere betekenis kan hebben dan: ik zal mij nacht noch dag rust gunnen, maar onafgebroken daarvoor bezig zijn. 6.
II. Vs. 6 Kruisverwijzingen1 Samuël 17:12→1 Samuël 7:1→Micha 5:2→Ruth 1:2→Genesis 35:19→1 Kronieken 13:5→
— Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.
en 7. Een tweede koor dat de gemeente vertegenwoordigt, ziet in de eerste plaats op den treurigen tijd terug, toen de arke des Heeren, dat heiligdom in Israëls heiligdom, nog zo weinig ene rustplaats had gevonden, dat zij ten laatste als op het open veld moest vertoeven. Het verheugt zich hierop in den nieuwen tijd van genade, nu men in ‘s Heeren woning kan binnentreden, waar Hij Zijnen troon heeft en aanbidden voor de voetbank Zijner voeten.
Ziet, wij hebben van haar, van de arke des verbonds, gehoord in Efratha 1), dat zij te voren in het land van Efraïm, te Silo, hare rustplaats vond (Jozua 18: 1); wij hebben, als wij in de dagen van den koning David weer naar haar begonnen om te zien, nadat zij lang vergeten was (1 (Kronieken 13: 3), haar niet daar gevonden, maar op ene geheel andere plaats, namelijk in de velden van Jaär, in de bosstad Kirjath-Jearim (1 Samuel 6: 21), en ook hier niet eens in de stad zelf, maar op de hoogte buiten de stad (1 Samuel 7: 1), dus enigermate op het vrije veld.
De gemeente neemt hier Davids lijden, waarvan in vs. 1 vv. sprake was, op en maakt het tot het hare, terwijl zij de beklagenswaardige omstandigheden in kerkelijk opzicht zich herinnert, die sedert de tijden van Eli, na het wegnemen der arke door de Filistijnen (1 Samuel 4: 11) tot op het wederhalen naar den Zion (2 Samuel 6: 1 vv.) bestonden. Toen de tabernakel met de heilige kist in het jaar 1445 vóór Christus te Silo gebracht werd (Jozua 18: 1) scheen het een tijd lang alsof de woning des Heeren nu hare rustplaats (dat betekent de naam Schiloh) gevonden had; maar reeds na dertig jaren (Ao. 1115 v.Chr.) had het Goddelijk gericht plaats, dat den tabernakel tot een lichaam zonder ziel, tot een lijk maakte, de heilige kist buiten het volk wegslingerde, zodat zij als op het vrije veld lag. Nu heeft David haar wel na 75 jaren weer van daar gehaald en voor haar ene verblijfplaats nevens zijn huis gereed gemaakt, maar tot hare werkelijke rust en tot hare vaste bezitting voor het gehele volk komt zij eerst nu, bij hare invoering in den Salomonischen tempel. Niet zonder reden, zijn de beide plaatsen, Silo en Kirjath-Jearim, zo eigenaardig geweest: Efratha (het vruchten-veld) en velden van Jaär (bosch-veld). De zin die daarin ligt is: de heilige arke was van hare oorspronkelijke, meer waardige verblijfplaats als in ene wildernis geraakt.
Ik voor mij houd het met hen, die hier denken aan de Efraïmietische stad Silo en vervolgens aan Kirjath-Jearim, in de velden, met wien ook onze Coccejus alzo doet. Anderen willen (zoals Delitzsch), dat het de naam is van het gebied, waar Kirjath-Jearim lag. Kaleb had bij zijn huisvrouw Efrath een zoon, met name Chur (1 Kronieken 2: 19). Deze Chur, de eerstgeborene van Efratha is de stamvader der bevolking van Bethlehem (1 Kronieken 4: 4) en Schobal, een zoon van dezen Chur, is de stamvader der bevolking van Kirjath-Jearim (1 Kronieken 2: 50). Kirjath-Jearim is den om zo te zeggen, de dochter van Bethlehem. Dit heet van oudsher Efrata en de naam van Bethlehem werd die van haar gehele gebied.”
Hoe geheel anders is het echter bij ons geworden, dan in die tijden toen ons grootste, heiligdom vergeten en verbannen was, dat onderpand van Gods genadige tegenwoordigheid bij Zijn volk (1 Samuel 6: 2. Psalm 99: 1 ). Nu kunnen wij elkaar toeroepen: Wij zullen in Zijne, des Heeren, woningen ingaan, in de tente op Sion; wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten, die in het Allerheilige geplaatste ark des verbonds (Psalm 99: 5. 99.5 Jes. 66: 1. Matth. 5: 34 vv.) Wij hebben hier de vrome en blijde stemming van de gehele gemeente, om de verleende genade Gods ernstiglijk te omhelzen, en God is aangezicht op passende wijze te zoeken in de plaats, welke Hij had verordend. (à MARCK). 8.
III. Vs. 8-10.Kruisverwijzingen2 Kronieken 6:41→Psalmen 78:61→Numeri 10:35→Psalmen 68:1→Job 29:14→Jesaja 61:10→Psalmen 132:16→Psalmen 68:3→
— Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte! Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen. Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.
Terwijl de arke nu nog in de tent op Zion is, komt het eerste koor weer aan de beurt en bidt den Heere, dat Hij bezit neme van de voor Hem bestemde rustplaats, maar ook, omdat overal, waar Hij met Zijn genade is, de zegen in het huis komt, en omdat een bloeiende kerkstaat en ene welingerichte staatsregering de grondslagen van welvaart voor een volk zijn, vooral den priesterstand en het koningshuis van Israël met Zijnen zegen begiftigte.
Sta op HEERE! tot Uwe rust, betrek nu de plaats, voor U bestemd, als ene rustplaats, Ga Gij die binnen, en de ark Uwer sterkte, met welke Gij toch bij ons tegenwoordig zijt (Numeri 10: 35 vv.).
Dat Uwe priesters, die Gij uit Aärons geslacht Uzelven verkoren hebt, om Uwen dienst te verrichten, bekleed worden met gerechtigheid 1), zo dat hun dienst U welgevallig zij, en dat Uwe gunstgenoten, deze Uwe priesters (Deuteronomium 33: 8), juichen, hunnen dienst met vreugde verrichten.
Er wordt nu in het algemeen gebeden voor den gelukkigen welstand der Kerk, wat met de vorige bede nauw samenhangt, dewijl God met geen ander doel in het midden van ons woont, dan opdat het ons wél en gelukkig ga. Sommigen menen, dat hier meer gewenst wordt, dat de zuivere dienst Gods bloeie, dat daarom de heiligheid bij de Priesters gezocht worde, zodat ook de Profeet zinspeelt op hun heilige klederen. Maar dewijl ik alles tegelijk onder één punt samenvat, en dichterbij zoek, zo neig ik tot een ander gevoelen, nl. dat de bede hier wordt uitgesproken, dat Gods rechtvaardigheid onder het volk schittere en op haar beurt het sieraad zij der Priesters; vervolgens, dat de blijdschap het gehele volk vervulle, zodat ik de gerechtigheid hier als vrucht der gerechtigheid neem, en deze wel niet van de mensen, maar van God verklaar. Dat de Priesters hier in de eerste plaats worden genoemd is niet te verwonderen, dewijl de orde der Kerk zo is, dat deze boven anderen uitmunten. Hun echter hun plaats aanwijzend laat hij toch niet af in het algemeen voor de Kerk te bidden, alsof hij wil zeggen: Maak, o God, dat de glans Uwer gerechtigheid afstrale van de Priesters over het gehele volk. Dat God ons met Zijne gerechtigheid bekleedt, daarmee wordt bedoeld, dat het blijkt, dat Hij onze bevrijder is, ons met Zijne kracht beschermt en zo bestuurt, dat het getuigd wordt, dat Hij zorg voor ons draagt.
Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af; verhoor zijne bede en neem den scepter niet uit de hand van hem, dien Gij over Uw volk hebt gesteld, maar bewaar zijne koningskroon, om Davids, Uws knechts, wil, die zich zozeer heeft ingespannen, opdat uw huis zou worden gebouwd, en die Gij daarvoor hebt beloofd een bestendig huis te zullen bouwen (2 Samuel 7: 1 vv.). Hoe schoon is deze bede in Salomo’s mond, die ook bij de tempelinwijding (1 Koningen 8:
voor zich deze bede tot God opzendt. Die het hoogst staat bidt het ootmoedigst, hij weet het best, dat hij de kroon van Gods genade draagt. Dat Hij dit om zijns vaders wil bidt, vereert den zoon even zozeer als den vader, en verenigt beider kronen in dien goddelijken zamenhang van ‘t koninkrijk der hemelen, die zijn einde heeft in Hem, die achter de arke, zowel als achter de kroon de kern van het geheim der genade is.
Ieder Christen of gelovige in Christus is een gezalfde, en heeft de zalving van den alleen Heilige, en die van waarachtige genade ontvangen. De bede is, dat God die niet van hem wegneme en make, dat hij beschaamd en teleurgesteld van zijnen troon afga, maar hore naar en antwoorde op zijne begeerten om Zijns Zoons wil.
Salomo weet in elk een hoge gunst David bij zijn God stond. Maar hierom gebruikt hij niet deze woorden, maar daarmee pleit ook hij op de verbondsbetrekking en op de belofte aan David gegeven. Salomo weet het, dat God met David en zijn zaad een verbond heeft gemaakt, en daarom neemt hij vrijmoedigheid, om deze bede voor zijn God neer te leggen. 11.
IV. Vs. 11 Kruisverwijzingen2 Samuël 7:12→Psalmen 89:3→Psalmen 110:4→Handelingen 2:30→2 Kronieken 6:16→Lukas 1:69→1 Kronieken 17:11→Psalmen 89:35→
— De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.
en 12. Daar het sterkste wapen, om met God te strijden, Zijn eigen Woord is, zo houdt, om de bede in het vorige vers uitgesproken, te versterken, het tweede koor den Heere dat plechtige woord voor, dat Hij eens door Nathan tot David gesproken, gelijk ook later Salomo in het gebed der inwijding zich op dat woord beriep. (1 Koningen 8: 25).
De HEERE heeft David in 2 Samuel 7: 12 vv. de waarheid gezworen (Psalm 89: 4 v. 36 vv.),waarvan Hij niet wijken zal, zo dat Hij ooit zulk ene bij ede gegevene toezegging zou vergeten a), zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uwen troon zetten, aan u zal Ik de heerschappij over Israël geven.
1 Koningen 8: 26. 2 Kronieken 6: 16. Luk. 1: 69.
Indien uwe zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijne getuigenissen, die Ik hun leren zal, zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid, zolang Israëls koninkrijk duren zal, op uwen troon zitten. “Dat hierdoor ene dadelijke vingerwijzing op Christus, den Zoon van David, den eeuwigen Koning gegeven werd, en alzo ook door David werd opgenomen, zegt Petrus, bepaaldelijk deze plaats noemende, ten duidelijkste in zijne rede: Hand. 2: 30. Dat het koningschap bij Davids huis zou blijven totdat de belofte geheel zou vervuld zijn, dat heeft tot voorwaarde de getrouwheid en de gehoorzaamheid aan Gods getuigenissen van de zijde van Davids kinderen. De afval begon, helaas! maar al te spoedig; reeds na Salomo’s dood vielen onder de regering van Rehabeam met de tien stammen even zovele prachtige diamanten uit de Davids-kroon; later volgde de opheffing van het gehele rijk, en na het terugkeren uit Babel werd het niet aan Davids opvolgers, maar aan de Chasmoneën, uit den stam van Levi, een tijd lang gegeven. Het niet vervullen der voorwaarde heft daarom de belofte nog niet op, het brengt slechts te weeg, dat de leden tussen beide uitvallen; de belofte zelf komt te zijner tijd (en dat was de tijd, toen Davids nakomelingen gene schaduw zelfs van de koninklijke waardigheid meer hadden) zo zeker in vervulling, als Hij geen leugenaar kan worden of getrouw aan Zijnen eed.”. Hoe gepast is bij deze gelegenheid het beroep der Gemeente op de belofte des Heeren aan David. De koning toch ontving die grote heilsbelofte als antwoord des Heeren op zijne begeerte, den Heere een huis te bouwen, en nu stond daar ‘s Heeren huis en had de Arke des Heeren een plaats der ruste gevonden. Dat huis was een onderpand, dat de Heere even zeker Zijne belofte aan Davids huis zou vervullen, dat zijne zonen, wandelende in de wegen des Heeren op zijn troon zou zitten.
13.
V. Vs. 13-18.KruisverwijzingenPsalmen 147:14→2 Kronieken 6:41→Ezechiël 29:21→Lukas 1:69→2 Kronieken 21:7→1 Koningen 11:36→Job 8:22→Psalmen 68:16→
— Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd. Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen. En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen. Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht. Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.
Vervolgens vallen beide koren met hun gezang in, en betuigen met de woorden, eens door Jehova zelven gesproken, dat hij Zion tot Zijne woonplaats had verkoren, niet alleen evenals Silo, voor een korten, bepaalden tijd, om het vervolgens weer te laten varen (Psalm 78: 60), maar voor altijd, en dat Hij van daar Zijn volk met lichamelijke zegeningen, maar bovenal met ene priesterschap, die met zegen begiftigd is en vrolijk haar ambt volbrengt, en met een koningschap rijk in belofte, overvloedig in zegepralen en onvergankelijk van duur zal zegenen.
Want (liever: Voorwaar!) de HEERE heeft Zion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijne woonplaats 1), zeggende als antwoord op onze bede (vs. 8):
In vs. 13 wijst de dichter op den grond der beloofde genade. Hij is gelegen in de genade der uitverkiezing van Jeruzalem. In de volgende strofe wordt ook de inhoud der verkiezing van Jeruzalem met de eigene woorden van Jehova ontwikkeld.
Hoe het rijk met het Priesterschap en den geestelijken dienst zich verenigden, bevestigt hij meer opzettelijk, n.l. dat beiden niet zijn verbonden door menselijke willekeur, maar gefundeerd op een hemels besluit. Deze samenvatting is wel op te merken, dewijl de vastheid van dit rijk niet anders dan in Christus te zoeken is, maar het rijk van Christus van het priesterschap onafscheidelijk is. Hier zien wij, waarom hij de uitverkiezing van Zion vermeldt, dewijl God niet voor het Rijk afzonderlijk een besluit had genomen, maar tegelijk heeft gewild, dat het heiligdom er bij kwam. En dat, opdat het een waar beeld zou zijn van den Middelaar, die na de ordening van Melchizedek niet alleen koning, maar ook Priester is. Waaruit volgt, dat de toestand van Rijk en tabernakel niet te scheiden was.
a) Dit is Mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd, en Zion tot Mijne plaats verkozen, zolang de bedeling der wet zal duren.
Psalm 68: 17. Hoe onuitsprekelijk groot is de liefde van God voor den mens, dat Hij zulke uitdrukkingen bezigt voor Zijne kerk. Het heeft hem behaagd te zeggen, dat het Zijn verlangen is met ons te wonen, en hoe weinig begeren wij te wonen met Hem! Op Zion vestigde Hij Zijne woning totdat de ongerechtigheden van Israël Hem dwongen dien over te geven tot een roof aan de plunderaars. Sedert dien tijd is Zijn tabernakel overgegeven in de bezitting van de heidenen. Verlaat ons niet, o God, en geef ons niet op dezelfde wijze over, hoe zondig wij zijn, in de hand van vijand en wreker.
Ik zal haren kost rijkelijk zegenen, de stad Zion en al de leden van Mijn uitverkoren volk rijkelijk van voedsel, van alle tijdelijke zegeningen voorzien; hare nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen, zodat er geen gebrek meer zal zijn.
En a) hare priesters van de in Zion geconcentreerde gemeente? zal Ik, gelijk zij gebeden heeft (vs.9),met heil, met gerechtigheid, bekleden zodat zij onder de hoede Gods veilig en ongedeerd zullen zijn en hare gunstgenoten zullen zeer juichen.
2 Kronieken 6: 41. In vs. 15 en 16 belooft de Heere God aan al Zijn volk, zowel aan diens hoofden als leden, al wat het naar ziel en lichaam nodig heeft. Het is het Goddelijk antwoord op de bede in vs. 8-10 neergelegd, waaruit blijkt, dat Hij nog veel meer wil en zal geven, dan Zijn volk vraagt. Hij is de Fontein van alle goeden en Hij geeft overvloedig.
1) Daar zal Ik, ter vervulling der verdere bede, (vs. 10) David enen hoorn doen uitspruiten tot bescherming tegen alle tijden van machteloosheid en zwakheid; Ik heb voor Mijnen Gezalfde ene lamp toegericht, die ook in de donkerste tijden niet zal worden uitgeblust.
Luk. 1: 69.
Ik zal Zijne vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijne kroon bloeien. Met het oog op Ezech. 29: 21, op de profetieën van het rijsje in Jes. 4: 2. Jer. 23: 5; 33: 15. Zach. 3: 8; 6: 12. Hebr. 7: 14 en op nr. 15 van het uit 18 zegenspreuken bestaande dagelijks gebed der Joden: “Laat de spreuk van David, Uwen knecht, spoedig uitspruiten en zijn hoorn verheffe zich hoog door Uw heil, is nauwelijks te betwijfelen; dat de dichter aan deze belofte een Messiaansen zin verbonden heeft. Met het oog op onzen Psalm verandert Zacharias, de vader van den Doper, die zegenbede van zijn volk in luk. 1: 68-70 in een woord van lof, de vervulling, die in Jezus nabij was, tegemoet juichende.
De letterlijke zin der beide laatste verzen heeft opheldering nodig. Daar, zo luidt het, te Zion namelijk, zal Ik David enen hoorn, dat is volgens het gewoon gebruik der hoornen, enen koning, die met luister en majesteit bekleed is, doen uitspruiten of voortkomen. Ik heb Mijnen gezalfde, dat is wederom David, dien Ik op den troon van Israël geplaatst heb, ene lamp toegericht, dat is, zodanig enen nakomeling beschikt, die zijnen naam zal doen blijven en tevens als een helder schijnend licht moet aangemerkt worden. Ik zal zijne vijanden met schaamte bekleden door het verijdelen van al hun ondernemingen, maar op hem zal zijne kroon bloeien, in weerwil der woelingen van zijne vijanden zal hij de koninklijke heerschappij blijven behouden en zijne regering zal zeer gezegend zijn voor zijne onderdanen. Maar wordt hier van Salomo of van den Messias gesproken? Wij zouden liefst het een en ander zamenvoegen, en de zaak zo begrijpen, dat er in den eersten zin op Salomo, maar in den volsten nadruk op den Messias gedoeld wordt, omdat de gezegden op beide kunnen worden toegepast, en omdat Gods belofte 2 Samuel 7. zowel ziet op den Messias als op Salomo. Ten aanzien van Salomo wordt derhalve beloofd, dat hij Davids opvolger wezen en als een zinnebeeldige hoorn de koninklijke heerschappij met luister voeren zou, en dat hij als ene lamp van David den naam en den roem van zijnen vader zou overbrengen, en den glans van wijsheid en andere koninklijke deugden als ene helder schijnende lamp allerwege vertonen. De gezegden vs. 18 voorspellen, dat Salomo wel vijanden hebben zou, die hem de kroon zouden willen betwisten, gelijk in Adonia en zijn aanhang, Jerobeam en Hadad, den Edomiet gebleken is, maar deze vijanden zouden beschaamd en in hun pogingen verijdelt worden. Zijne kroon zou bloeien en zijne heerschappij zou bestendig wezen. In veel verhevener nadruk evenwel is de Messias volgens Luk. 1: 69 de hoorn der zaligheid, welke God in het huis van David Zijnen knecht heeft opgericht, de lamp van David, die Davids naam in wezen houdt, zodat hij zelfs meermalen David geheten wordt, ja die helderschijnende lamp, dat licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Zijn volk Israël (Luk. 21: 32). Al de vijanden van den Messias zijn met schaamte bekleed, en al hun ondernemingen tegen Zijn koninkrijk verijdelt; op Hem bloeit Zijne kroon eeuwig, daar Hij gezeten is aan ‘s Vaders rechterhand. -vs. 14-18 vinden wij dan Gods eigene woorden, met welke de sprekers hun gezegden vs. 13 voorgesteld, bevestigen. Vraagt men nu, wanneer en bij welke gelegenheid heeft God deze woorden gesproken? Dan antwoorden wij, dat dit ons onbekend is. Het kan zeer wel zijn, dat Nathan in die onderhandeling met David, 2 Samuel 7, een gedeelte van hetgeen wij in vs. 17 en 18 vinden, gemeld heeft, en dat het andere gedeelte, dat hier voorafgaat, vs. 14-16 naderhand, toen David door den Engel verwittigd was, dat Moria de plaats van den tempel zou wezen, door God aan hem geopenbaard is. Terecht herinnerden zich dus de Israëlieten deze heerlijke belofte aan David gedaan bij de inwijding van Salomo’s tempel. Maar terecht werd deze Psalm dan ook gebruikt door de uit Babel wedergekeerde Israëlieten bij de bouwing en inwijding van den tweeden tempel.
Een trapsgewijze voortgaande gedachten-rythmus vindt men in de eerste afdeling in zoverre als hier in vs. 2 en in vs. 5 van den: “Machtige Jakobs” sprake is; vervolgens is afdeling III met IV verbonden door de met elkaar overeenstemmende woorden in vs. 9 en 16, terwijl in Afdeling V de beide verzen 13 en 14 door de gedachte: “Hij heeft het begeerd tot Zijne woonplaats” en “hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd” als schakels van een ketting in elkaar vatten; bovendien gaat door het geheel de naam van David (vs. 1, 10, 11, 17) als een hoofdwoord, dat het lied in 4 tientallen regels verdeelt (vs. 1-5, 6-10, 11-13, 14-18) en een schonen kunstigen vorm er aan geeft.
Is deze belofte aan Davids nazaat, voor zoveel zij in ‘s Heeren wegen gewandeld hebben; getrouw vervuld, algeheel en onvoorwaardelijk heeft deze belofte hare vervulling gekregen in den Messias, den Gezalfde, Davids Zoon en Davids Heer. Hij heerst eeuwiglijk op zijn glorietroon, totdat Hij al Zijne vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Zijner voeten. Tot Hem mag Zijne Gemeente opzien, onder al haren strijd, op Zijne almachtige hulp en bijstand mag zij hopen. Hij zal de nooddruftigen en ellendigen redden, en eenmaal bij Hem met eer en heerlijkheid kronen.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel