Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 HammaalothH4609. WelgelukzaligH835 is een iegelijkH3605, die den HEEREH3068 vreestH3373, die in Zijn wegenH1870 wandeltH1980.
Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
Blessed3
is every one that feareth5
the LORD;6
that walketh7
in his ways.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WantH3588 gij zult etenH398 den arbeidH3018 uwer handenH3709; welgelukzaligH835 zult gij zijn, en het zal u welgaanH2896.
Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.
KJV
For thou shalt eat4
the labour1
of thine hands:2
happy5
shalt thou be, and it shall be well
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Uw huisvrouwH802 zal wezen als een vruchtbareH6509 wijnstokH1612 aan de zijdenH3411 van uw huisH1004; uw kinderenH1121 als olijfplantenH2132 rondomH5439 uw tafelH7979.
Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
KJV
Thy wife1
shall be as a fruitful3
vine2
by the sides4
of thine house:5
thy children6
like olive8
plants7
round about9
thy table.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
ZietH2009, alzoH3651 zal zekerlijk die manH1397 gezegendH1288 worden, die den HEEREH3068 vreestH3373.
Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
KJV
Behold, that thus shall the man5
be blessed4
that feareth6
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
De HEEREH3068 zal u zegenenH1288 uit SionH6726, en gij zult het goedeH2898 van JeruzalemH3389 aanschouwenH7200 alH3605 de dagenH3117 uws levensH2416;
De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;
KJV
The LORD2
shall bless1
thee out of Zion:3
and thou shalt see4
the good5
of Jerusalem6
all the days8
of thy life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
En gij zult uw kindskinderenH1121 zienH7200. VredeH7965 overH5921 IsraelH3478!
En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
KJV
Yea, thou shalt see1
thy children's2
children,3
and peace4
upon Israel.
lied Hamaälòth
Zie Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hamaälòth
Zie Ps. 120:1.
in Zijn wegen wandelt
Dat is, in zijne wetten en geboden. Zie de aantekening bij 1 Kon. 11:33 .
Hertaald:
in Zijn wegen wandelt
Dat is: in Zijn wetten en geboden. Zie de aantekening bij 1 Kon. 11:33.
Want gij
Of, zekerlijk gij zult, of als gij zult eten.
Hertaald:
Want gij
Of: zeker zult u, of: wanneer u zult eten.
den arbeid
Dat is, de spijs, die gij uwer handen arbeid zult verworven hebben, achtervolgens hetgeen God tot onzer aller vader gesproken heeft; Gen. 3:19 .
Hertaald:
den arbeid
Dat is: het voedsel dat u door de arbeid van uw handen verworven zult hebben, overeenkomstig wat God tot de vader van ons allen gesproken heeft; Gen. 3:19.
zult gij zijn,
Anders: zijt gij, en het zal u welgaan.
Hertaald:
zult gij zijn,
Anders: bent u, en het zal u goed gaan.
als een vruchtbare
Deze gelijkenis wordt ook gebruikt Gen. 49:22 , en Ezech. 19:10 .
Hertaald:
als een vruchtbare
Deze vergelijking wordt ook gebruikt in Gen. 49:22, en Ezech. 19:10.
olijfplanten
Die altijd groen zijn.
Hertaald:
olijfplanten
Die altijd groen zijn.
De HEERE
Of, de Heere zegene u uit Zion, dat gij moogt aanschouwen enz.
Hertaald:
De HEERE
Of: de Heere zegene u uit Sion, zodat u moge aanschouwen, enzovoort.
uit Sion,
Te Zion was de ark des verbonds, van welke zich God de Heere openbaarde, en waar het volk Gods verscheen om zijn gebed te doen.
Hertaald:
uit Sion,
In Sion was de ark van het verbond, waarvandaan God de Heere Zich openbaarde en waar Gods volk verscheen om zijn gebed te doen.
het goede van
Dat is, gij zult zien den gelukkigen en vreedzamen staat van de kerk Gods, die te dezer tijd voornamelijk te Jeruzalem was, waar de godsdienst en de offeranden voornamelijk geoefend werden. Zie wijders de aantekening Job 7:7 . Hebr. ziet het goede, enz. Alzo in vs.6. Verg. Ps. 37:3 .
Hertaald:
het goede van
Dat is: u zult de gelukkige en vreedzame staat zien van Gods kerk, die in die tijd vooral in Jeruzalem was, waar de godsdienst en de offers voornamelijk uitgeoefend werden. Zie verder de aantekening bij Job 7:7. Hebreeuws: ziet het goede, enzovoort. Zo ook in vers 6. Vergelijk Ps. 37:3.
gij zult
Zie de vervulling van deze en andere dergelijke beloften Gods, Job 42:16 .
Hertaald:
gij zult
Zie de vervulling van deze en andere soortgelijke beloften van God in Job 42:16.
Vrede
Dat is, gelukzaligheid, welvaart.
Hertaald:
Vrede
Dat is: gelukzaligheid, welvaart.
over Israël
Dat is, over de kerk van God, die te dien tijde bestond uit de kinderen Israël.
Hertaald:
over Israël
Dat is: over de kerk van God, die in die tijd uit de kinderen van Israël bestond. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning" (Ps. 127:3). Het woord erfdeel wijst op iets wat men ontvangt en niet verdient. Dan volgt een beeld uit de strijd: "Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd" (Ps. 127:4), en wie zijn pijlkoker daarmee gevuld heeft, zal niet beschaamd worden in de poort (Ps. 127:5). De volgende psalm werkt dat huiselijk uit: "Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt" (Ps. 128:1), en dan het beeld van de tafel: "Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel" (Ps. 128:3). Bijbelse betekenis: Deze verzen zijn zegenspraken en geen rekensom. Wie ze als een belofte leest dat elk huwelijk kinderen krijgt, maakt er iets van wat de Schrift zelf weerspreekt; het boek Samuël begint met een vrouw die er geen had, en zij wordt niet minder geacht. Merk op waar de nadruk ligt in Ps. 127:3. Kinderen komen uit Gods hand, en dat is een woord van troost voor wie ze heeft én een grens voor wie ze mist: niemand kan ze zichzelf geven. Let ten slotte op het beeld van de pijlen. Pijlen zijn gemaakt om afgeschoten te worden; kinderen blijven niet in de koker maar gaan de wereld in, en juist daarom moeten zij eerst gericht worden. Typologie: Paulus zegt hoe die opvoeding gaat en waar haar grens ligt (reeds behandeld bij Ef. 6:4). Ps. 127:3-5; Ps. 128:1-6; Ef. 6:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas 1 Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt. 2 Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij… De HEERE zal u zegenen vanuit Sion; u zult het goede van Jeruzalem zien, al de dagen van uw leven. Psalm 128: 5 Dit is een belofte aan… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 128
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Psalm 128
Zegen ontvangen


Psalmen 128
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ). Psalm 127 volgt daarom op Psalm 126, omdat de verrassing van Israël over de verlossing uit Babel, zodat het meende te dromen (Psalm 126: 1), hare verklaring vindt in de algemene waarheid, dat God Zijnen beminden in den slaap geeft, wat anderen door vermoeienis bij dag en bij nacht niet kunnen verkrijgen (Psalm 127: 2). Om ene zelfde reden volgt Psalm 128 op 127, evenals Psalm 2 op 1. Beide deze keren zijn Psalmen bij elkaar geplaatst, van welke de een met “welgelukzalig” begint (Psalm 128: 1) en de andere er mede besluit (Psalm 127: 5). Zij staan tot elkaar in dezelfde betrekking als de gelijkenissen van den schat in den akker en van den kostbaren parel (Matth. 13: 44-46); in de eerste komt het Koninkrijk der hemelen voor als een geschenk van vrije genade, want de mens vindt, wat hij niet gezocht heeft; in de tweede als de hoogste en volkomene bevrediging van alle menselijk zoeken en verlangen, want de koopman zoekt paarlen en vindt ene zonder gelijke. Zo wordt wat den mens gelukkig maakt in Psalm 127 als ene gave, in Psalm 128 als een loon voorgesteld. Daar komt het voor als ene genadegift in tegenstelling tot het van God vervreemde menselijke eigen werk, hier als ene vrucht van het ora et labora (bid en werk). Naar alle waarschijnlijkheid behoort de Psalm denzelfden maker toe en tot denzelfden tijd als Psalm 120, 121, 123, 125 en 126. Terwijl hij wil aanwijzen, hoe de godsvrucht en gerechtigheid nooit hun loon missen, bestrijdt hij de treurige moedeloosheid, welke toen in Israël insloop, en heeft hij hetzelfde thema als de profeet Zacharia in Hoofdstuk 8.
I. Vs. 1-3.KruisverwijzingenPsalmen 119:1→Jesaja 3:10→Psalmen 112:1→Handelingen 9:31→Lukas 1:50→Psalmen 103:13→Prediker 8:12→Psalmen 103:17→
— Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt. Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan. Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.
In de eerste plaats houdt de gemeente zichzelve voor ogen, dat de voorwaarde voor alle heil Gods zegen is, waarop zich dan ene enkele stem verheft, die de lieflijkheid van dien zegen in ‘t huisgezin en in ‘t huwelijk beschrijft. Gehele koor. Welgelukzalig is een iegelijk, zo mag de gemeente des Heeren uitroepen, ondanks alle treurige omstandigheden, die nog op haar drukken, een iegelijk, die den HEERE vreest, en die vreze des Heeren ook betoont, zodat hij iemand is, die in Zijne wegen wandelt. Een jongeling of ene jonkvrouw kan allerlei edele en schone voorrechten hebben, die een groot gewicht in de schaal kunnen leggen bij het sluiten van een huwelijk, voorrechten van lichaam, verstand, gemoed. Het betaamt ook de uitwendige omstandigheden, die vóór of tegen een huwelijk spreken, ernstig ter harte te nemen-en gelukkig zij, die daarbij den raad van verstandige ouders genieten; maar dat alles komt eerst dan in aanmerking, wanneer over de hoofdzaak geen twijfel meer bestaat, dat de man der vrouw, en de vrouw den man het allernoodzakelijkse mede ten huwelijk brengt, een godvruchtig hart, een vromen, Christelijken zin. Wiens uitwendige levenswandel niet den toets van Gods geboden, de eisen van Christelijke rechtschapenheid kan doorstaan, wie in den ongehuwden staat ondeugden duldt, die nooit te verenigen zijn met den Christelijken ernst, of wie, bij uitwendige onbesprokenheid, inwendig van het Christelijk geloof niets weet of bezit, wie over hetgeen zijn eeuwig welzijn aangaat lichtvaardige grondstellingen heeft, of er niet aan denkt; aan wien men het zien kan, dat hij in Gods Woord niet terecht kan, dat het hem noch nooit het hart verbroken of genezen heeft, die kan in een huwelijk noch zegen aanbrengen, noch zegen ontvangen-aan zulke mensen is niets beloofd. Zij gaan in het algemeen niet op Gods wegen, daarom ook niet in den echt. Men rekent dikwijls uit, dat de man een overvloedig inkomen, en de bruid geld genoeg heeft, en is alzo in de verzoeking van den Mammon gekomen, in plaats van onder de leiding Gods. Of men heeft den stand, den rang, den naam, de invloedrijke verbintenissen in het oog, die een huwelijk voorspiegelt, en men jaagt een bedrieglijk beeld na in plaats van een nederig maar zeker geluk. In het beste geval eindelijk tuimelt men in de dronkenschap van vleselijke liefde in den echt. Zo als de weg is zo gaat het den mens daarop, goed of kwaad! Geen wonder wanneer de in zonde of lichtzinnigheid gesloten huwelijksband tot een ijzeren juk wordt, waaronder men geen enkel gelukkig uur heeft.
Ene stem. Want gij, die den Heere vreest en in Zijne wegen wandelt, zult eten den arbeid uwer handen 1), uw arbeid zal niet te vergeefs zijn, de wijnstok zal zijne vrucht en het land zijn gewas geven (Zach. 8: 10 vv.); welgelukzalig zult gij zijn, in al uwe omstandigheden, en het zal u welgaan, de vloek der goddelozen (Hagg. 1: 6) zal u niet treffen.
“Zelf de vrucht van zijnen arbeid genieten” wordt in het O. T. altijd aangemerkt als een bijzondere zegen, gelijk men het omgekeerd voor den grootsten vloek hield, wanneer men vreemden moest zien verteren wat men gebouwd had (zie Leviticus 26: 16. Deuteronomium 28: 33. Jes. 62: 8,9; 65: 21,22).
De Heere God belooft hier tweeërlei. Vooreerst, dat zij arbeid zouden hebben, en vervolgens, dat die arbeid zou gezegend zijn. De arbeid is geen vloek, maar een zegen, is een scheppingsordinantie. Luiheid en lediggang is een vloek. God heeft nergens beloofd het brood des luiaards te zegenen, maar wel, dat de hand des vlijtigen rijk maakt. De Godzaligheid is een groot gewin, hebbende de beloften des tegenwoordigen en des toekomstigen levens.
Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis, die het gehele huis met zijn groen loof en zijne edele vruchten versiert (volgens ene andere uitlegging behoren de laatste woorden bij het tweede gedeelte van den zin en betekenen zij: in het binnenste van uw huis,uwe kinderen zijn als vrolijk opwassende olijfplanten, stekken van den olijf boom (1 Koningen 6: 31 ), rondom uwe tafel. Men merke vooreerst op, dat de rede is overgegaan in ene aanspraak aan den godvruchtige, dat is om aan te wijzen, dat hem alles, wat nu volgt, als een zegen van boven wordt toegedeeld en in den schoot geworpen.
De eerste belofte is de zegen van voedsel, de tweede van het huwelijk, de derde van kinderen. Terwijl het vroeg opstaan en lang bezig zijn niet genoeg is tot het verdienen van het voedsel (Psalm 127: 2), zal onder ‘s Heeren zegen bij dien, die God vreest en recht handelt, ook ene matige inspanning tot bevrediging van zijne behoeften toereikend zijn. Dergelijke beloften der Schrift luiden alsof er van een bovennatuurlijken zegen, die door onzichtbare kanalen stroomt, sprake ware, en het is ook niet te loochenen, dat de wegen, langs welke Gods zegen in een Christelijk huisgezin komt, en hen doet voorspoedig zijn, meermalen voor ons oog geheel en al verborgen blijven; in het algemeen is het duidelijk, dat de godsvrucht, daar zij de mensen matig, tevreden, verstandig, arbeidzaam maakt, voor de werkzaamheid van elk beroep een voorspoed aanbrengende zegen moet zijn.
Zich door eigen arbeid te voeden is een plicht, aan welken een Paulus zich niet wilde onttrekken (Hand. 20: 34), en zo zich zelven te kunnen voeden is een geluk; want wie het kan maakt zich nuttig voor anderen en tevens ook van hen onafhankelijk; hij eet het brood van Gods zegen, dat zoeter is dan het genadebrood der mensen. In nauwen zamenhang daarmee staat het geluk van een tevreden huisgezin, van een lieflijk en stil en hoopvol familieleven. Het beeld van den wijnstok, die in het geestelijke het hoogst geplaatste van alle gewassen is, is een geschikt beeld voor de vrouw, die van den man afhankelijk is en zijne ondersteuning nodig heeft, even als de wijnstok een stok of een huismuur; met de druiven worden hier de kinderen, die zij draagt en voortbrengt, maar ook tevens (in betrekking tot de kinderloze) alle harten verheugende werkzaamheden der echte vrouw vergeleken, en nu leidt de huisvrouw, die daarbuiten weinig gezien wordt, een stil leven, dat geheel en al met het geluk van haren man en van hare familie verenigd is. De kinderen, die van zo edelen wijnstok afkomstig zijn, worden wanneer zij rondom de familie-tafel gezeten zijn, met afgelegde jonge olijfboompjes vergeleken, zo fris zijn zij als deze met hun altijd groene loof, zo veelbelovend.
Ene gehuwde vrouw liet op haren ring de woorden graveren: Bene parere, parere, parare det mihi Deus. (God geve mij goed voort te brengen, goed te gehoorzamen, goed huis te houden). “Mijne dochter,” raadde Luther aan ene jonge vrouw, gedraag u zo jegens uwen man, dat hem het hart van vreugde klopt, wanneer hij van verre den schoorsteen van zijn huis ziet.” “De olijftakken, met welke de kinderen worden vergeleken, brengen noch wel gene vruchten, maar zij zijn in zomer- en wintergroen en zijn gemakkelijk te buigen en te leiden.” Een gezegend huwelijk, een allergenoegelijkst huisgezin wordt hier voorgesteld onder verschillende zinnebeelden, welke de levendigheid van den Oostersen denktrant heeft zaamgevoegd. De onvruchtbaarheid strekte oudtijds onder Israël tot schande, en het werd als een oordeel aangemerkt, wanneer God de baarmoeder had toegesloten. Hier wordt daarom aan degene, die den Heere vreest, een vruchtbare echt toegezegd. De wijn en wijnstok wordt met recht geteld onder de edelste voortbrengselen der aarde. Bij zulk een edelen wijnstok wordt de huisvrouw van iemand, die den Heere vreest, hier vergeleken en wel bij een vruchtbaren wijnstok “aan de zijde van zijn huis.” Kan de verkleefdheid van ene deugdzame vrouw aan het huis van haren man worden aangeduid in tegenstelling van ene ontuchtige vrouw, wier voeten niet in haar huis blijven (Spreuken 7: 11,12)? Althans men meent, dat de edele wijnstokken oudtijds in het Oosten, niet alleen in wijngaarden, maar ook wel, gelijk bij ons, aan de zijden der huizen geplant werden. De huisvrouw van elk, die den Heere vreest, wil de dichter zeggen, zal niet alleen zijn als een weluitgespreide wijnstok, die slechts tot sieraad dient, maar als een vruchtbare wijnstok in het voortbrengen van kinderen. “Hare kinderen,” wordt er bijgevoegd, “zullen zijn als olijfplanten rondom uwe tafel.” -Men heeft opgemerkt, dat men oudtijds in het Oosten gewoon was de tafels niet alleen met olijftakken te versieren, maar dat men ook olijfbomen plantte in de gedaante van prieëlen, om de tafels door het lommer te overschaduwen. Althans de olijfplanten waren wegens het bestemde groen, den spoedigen groei en de heerlijke vruchten zeer bemind. Bij zulke planten worden de kinderen vergeleken rondom de tafel, zo wegens het frisse en gezonde van hun jeugd, als van wege het genoegen en de blijde hoop, welke zij den godvrezenden vader aanbrengen, die zich reeds verheugt in het vooruitzicht van de aangename diensten, welke zij der maatschappij in hun mannelijke jaren bewijzen zullen.
4.
II. Vs. 4-6.KruisverwijzingenPsalmen 20:2→Psalmen 134:3→Job 42:16→Psalmen 125:5→Genesis 50:23→Psalmen 122:6→Jesaja 33:20→Psalmen 118:26→
— Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest. De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens; En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
De gemeente in haar geheel leert en vermaant den zo even over het huis der godvruchtigen uitgesproken zegen nog eens juist in ogenschouw te nemen; vervolgens verheft zich weer ééne stem, die op de bron en vervolgens ook op den omvang en den duur van dezen zegen wijst. Daarna roept de gehele gemeente haar “vrede over Israël”, opdat wat straks van het huis eens godvruchtigen gezegd is de zegen voor geheel Israël uit Zion worde.
Gehele koor. Ziet, alzo als de zanger in vs. 2 en 3 gezegd heeft, zal zeker die man gezegend worden, die den HEERE vreest. Zijn woord is niet maar een ideaal, een ijdele droom, maar waarheid.
Eéne stem. De HEERE zal u zegenen uit Zion 1), waar Hij Zijnen zetel en Zijn heiligdom heeft (Psalm 20: 3; 134: 3),en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens, hoe klein ook nu nog de beginselen mogen zijn.
Elke zegen van ieder in het bijzonder komt uit Zion van den God des heils, die daar woning gemaakt heeft, en wordt daardoor volkomen, dat ieder in het bijzonder de welvaart der heilige stad en van de gehele gemeente, wier middenpunt zij is, mede beleeft; want Jeruzalem is in het koninkrijk Gods de alfa en de omega.
Sommigen willen dat het een gebed is, maar lossen zo den toekomenden tijd op in den wensende. Maar eer schijnt het samen te hangen met hetgeen te voren gezegd is, dewijl de Profeet nu duidelijker uitdrukt, dat van de goederen, welke men verkrijgt, God de Auteur is. Want ofschoon Zijne genadegaven ons dikwijls voor de ogen worden geplaatst, toch verdonkeren valse voorstellingen het ware gezicht er op. Waarom deze herhaling niet overbodig is; dat de gelovigen, zo dikwijls zij voorspoedig zijn, door God gezegend worden. Doch hij zegt uit Zion, opdat hij de vromen in het geheugen terugroepe het verbond, wat God met hen had opgericht. Want vriendschappelijk had Hij aan de onderhouders van Zijn Wet beloofd, hun genegen te zijn, maar deze erkende beginselen der vroomheid hadden zij van jongs af aan ingedronken. Waarom de Profeet leert, dat hij niets nieuws, of wat vroeger niet gehoord was, bijbrengt, dewijl zij van kindsbeen af uit de Wet hadden geleerd, dat ook door de tijdelijke weldaden bekend werd, dat het niet te vergeefs is God te dienen, maar verzekert nu tevens, dat dit door de zaak zelf gestaafd wordt. Maar omdat hij er bij voegt het goede van Jeruzalem, schrijft hij den vromen de Wet voor, dat zij niet in het bijzonder voor zich alleen zouden zorg dragen, of op eigen voordelen bedacht zijn, maar dat veeleer de voornaamste wens moest wezen, dat zij de Kerk Gods zagen bloeien. Want het zou zeer ongerijmd zijn, dat die enkele leden, met veronachtzaming van het gehele lichaam, zouden wensen wat hun voordelig was.
En dit: al de dagen uws levens, zal niet maar een korte tijd zijn, gij zult uwe kindskinderen zien, zodat uw oog Jeruzalems ontwikkeling zal aanschouwen. Gehele koor: Vrede over Israël, namelijk over het ware Israël, het Israël Gods (Psalm 125: 5). Naast het eigen huis kennen Christelijke echtelieden nog een huis aan zegen, het Godshuid, waarin de Heere de gemeente zegent. Benevens de eigene familie kennen zij nog ene andere familie, het Israël naar den geest, de Christelijke kerk op aarde; nevens het vaderland hier beneden nog ene grote vaderstad, het Jeruzalem, dat Boven is, de Christelijke kerk in den hemel. Immers, wanneer ene familie nog zo gelukkig ware, maar voor het geluk, dat van de Christelijke kerk uitgaat, geen oog en geen hart, geen begrip en geen geloof had, zo deze kerk met hare zegeningen haar onverschillig ware, zo blijft een treurige avond voor haar niet uit; maar de familie, die uit Zion gezegend wordt, die aan de belofte deel heeft, welke de Heere aan Zijn uitverkoren volk gegeven heeft, deze is in eeuwigheid gezegend.
Ieder waar Israëliet verheugt zich in den voorspoed van Zion. Hierna zullen wij grotere dingen zien. Jehova zal ons in het hemelse Zion zegenen met het zien van Zijne hemelse heerlijkheid. Wij zullen het goede van het hemelse Jeruzalem zien, den rijkdom, de schoonheid en de majesteit van die heilige stad. Wij zullen de nageslachten zien dergenen, die in haar licht wandelen, met den eeuwigen vrede en de eeuwige rust, die overblijft voor het Israël Gods.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel