Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 HammaalothH4609. Die op den HEEREH3068 vertrouwenH982, zijn als de bergH2022 SionH6726, die nietH3808 wankeltH4131, maar blijftH3427 in eeuwigheidH5769.
Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
They that trust3
in the LORD4
shall be as mount5
Zion,6
which cannot be removed,8
but abideth10
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
RondomH5439 JeruzalemH3389 zijn bergenH2022; alzo is de HEEREH3068 rondomH5439 Zijn volkH5971, van nuH6258 aan tot in der eeuwigheidH5769.
Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
KJV
As the mountains2
are round about3
Jerusalem,1
so the LORD5
is round about6
his people7
from henceforth even for9
ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantH3588 de scepterH7626 der goddeloosheidH7562 zal nietH3808 rustenH5117 opH5921 het lotH1486 der rechtvaardigenH6662; opdatH4616 de rechtvaardigenH6662 hun handenH3027 nietH3808 uitstrekkenH7971 tot onrechtH5766.
Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.
KJV
For the rod4
of the wicked5
shall not rest3
upon the lot7
of the righteous;8
lest9
the righteous12
put forth11
their hands14
unto iniquity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
HEEREH3068! doe den goedenH2896 wel, en dengenen, die oprechtH3477 zijn in hun hartenH3826.
HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
KJV
Do good,1
O LORD,2
unto those that be good,3
and to them that are upright4
in their hearts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Maar die zich neigenH5186 tot hun kromme wegenH6128, die zal de HEEREH3068 wegH3212 doen gaan metH854 de werkersH6466 der ongerechtigheidH205. VredeH7965 zal overH5921 IsraelH3478 zijn!
Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
KJV
As for such as turn aside1
unto their crooked ways,2
the LORD4
shall lead them forth3
with the workers6
of iniquity:7
but peace8
shall be upon Israel.
lied Hamaälòth
Gelijk Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hamaälòth
Zoals Ps. 120:1.
in eeuwigheid
Dat is, zolang de wereld staat; Matt. 7:24 , en Matt. 16:18 .
Hertaald:
in eeuwigheid
Dat is: zolang de wereld bestaat; Matth. 7:24, en Matth. 16:18.
de scepter der
Of, roede, staf; dat is, de vervolgingen en slagen, het geweld en de heerschappij der boze en goddeloze mensen, die zich tot boosheid ten enenmale overgeven en de vromen niet vermogen, zullen niet altoos blijven over de vromen en de godzaligen. God bezoekt wel de zijnen tot zijne eer en tot hun best, maar Hij verlaat hen niet altoos.
Hertaald:
de scepter der
Of: roede, staf; dat is: de vervolgingen en slagen, het geweld en de heerschappij van boze en goddeloze mensen, die zich volkomen aan de boosheid overgeven en de vromen niet aankunnen, zullen niet altijd over de vromen en godvruchtigen blijven. God bezoekt de Zijnen wel, tot Zijn eer en tot hun bestwil, maar Hij verlaat hen niet voorgoed.
op het lot der
Of, over het lot der [rechtvaardigen]. Dat is, over het land en de lieden dergenen, die God eren en vrezen, gelijk Joz. 18:11 ; en 1 Petr. 5:3 .
Hertaald:
op het lot der
Of: over het lot van de rechtvaardigen; dat is: over het land en de mensen van hen die God eren en vrezen, zoals Joz. 18:11; en 1 Petr. 5:3.
hun handen niet
Dat is, door langdurige verzoeking overwonnen zijnde, onbehoorlijke middelen van verlossing bij de hand nemen; zie 1 Kor. 10:13 , en Ps. 37:8 .
Hertaald:
hun handen niet
Dat is: dat zij, overwonnen door langdurige verzoeking, ongeoorloofde middelen tot verlossing zouden aangrijpen; zie 1 Kor. 10:13, en Ps. 37:8.
die zich neigen
Dat is, die niet rechtuit zijn, maar dubbel, geveinsd en verkeerd.
Hertaald:
die zich neigen
Dat is: die niet oprecht zijn, maar dubbelhartig, geveinsd en verkeerd.
weg doen gaan
Dat is, Hij zal hen doden, of straffen.
Hertaald:
weg doen gaan
Dat is: Hij zal hen doden, of straffen.
met de werkers
Dat is, Hij zal hen in enen graad stellen en evenzo straffen als degenen, die openbaar alle boosheid bedrijven.
Hertaald:
met de werkers
Dat is: Hij zal hen op één lijn stellen met, en evenzo straffen als, hen die openlijk allerlei boosheid bedrijven.
Vrede
Of, vrede zij over Israël; dat is, tijdelijke en eeuwige welvaart.
Hertaald:
Vrede
Of: vrede zij over Israël; dat is: tijdelijke en eeuwige welvaart.
over Israël zijn
Dat is, over het volk Gods.
Hertaald:
over Israël zijn
Dat is: over het volk van God. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid" (Ps. 125:1). Het eerste beeld gaat over wat zij zijn: onbeweeglijk. Het tweede over wat hen omringt: "Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid" (Ps. 125:2). Wie de stad naderde, zag haar in een krans van heuvels liggen. Daarna volgt een belofte met een reden erbij: de scepter van de goddeloosheid zal niet rusten op het lot van de rechtvaardigen, "opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht" (Ps. 125:3). En het slot bidt om goed voor de goeden en eindigt met: "Vrede zal over Israel zijn!" (Ps. 125:5). Bijbelse betekenis: De twee beelden vullen elkaar aan. Het eerste zou op zichzelf te sterk klinken — alsof de gelovige uit zichzelf onwankelbaar is — en daarom volgt het tweede: hij staat vast omdat God rondom hem is. Merk op de reden in Ps. 125:3. Onderdrukking wordt begrensd opdat de rechtvaardigen niet zelf naar onrecht grijpen; God kent de grens van wat mensen kunnen dragen. Let ten slotte op de tijdsbepaling die beide keren terugkeert: in eeuwigheid, en van nu aan tot in eeuwigheid. Wat hier beloofd wordt, houdt niet op bij de reis naar Jeruzalem. Typologie: Paulus zegt dat God niet zal toelaten dat wij verzocht worden boven vermogen, maar met de verzoeking ook de uitkomst geven zal (1 Kor. 10:13). Ps. 125:1-5; 1 Kor. 10:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 125
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen


Psalmen 125
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ). Op David’s krachtige opwekking in den vorigen Psalm volgt als antwoord een wens uit het hart der gemeente, dat die tijd spoedig kome, op welken de vorige Psalm met volle waarheid als een voor haar bestemde kon wijzen. Zonder twijfel is het dezelfde heilige zanger, van wiens hand Psalm 120, 121 en 123 afkomstig zijn, die ook het voor ons liggende lied aan de gemeente heeft gegeven; het is echter ene reeks van jaren later vervaardigd, toen ten gevolge van ene lange verdrukking onder de macht en boosheid der tegenstanders, zich van de goede kern der gemeente de boze schaal begon af te zonderen dergenen, die door den nood van den tijd aan God begonnen te twijfelen en van den rechten weg afweken (Ezra 4: 24 Aanm).
I. Vs. 1.KruisverwijzingenJeremia 17:7→Psalmen 120:1→1 Kronieken 5:20→Psalmen 25:2→Obadja 1:21→Jesaja 51:11→Zacharia 1:17→Jesaja 51:8→
— Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.
Het eerst heeft hier het gehele koor het woord. De gemeente maakt de boze schaal, die nog aan haar hangt, van zich los, en ziet op de goede kern in haar midden; het zijn degenen, die op den Heere wachten ook in treurige tijden, en wier toestand en bestaan een onwankelbare en onvergankelijke is. Die op den HEERE vertrouwen zijn als de berg Zion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid. De Psalmisten zijn er ijverig op bedacht, om voor het geloof steunsels te vinden in het zichtbare, dat hen zo krachtig bestrijdt. Zo wordt hier de berg Zion tot een zodanig steunsel geheiligd. Wie hem voortaan in zijne onwankelbare vastheid aanzag, dien werd daardoor de onveranderlijke vastheid der kerk voor de aandacht gesteld. Daar het punt van vergelijking de onbeweeglijke vastheid is, die Zion met de andere bergen gemeen is, zo zou ook elke andere berg kunnen genoemd zijn; tot het noemen van dezen berg had de zanger deze aanleiding, dat Zion de zichtbare zetel der kerk was. Hij vergelijkt de bestendigheid der kerk zelf met die van haren uitwendigen zetel, de onveranderlijkheid van het geestelijk Zion met die van het stoffelijke.
Er zijn reeds duizenden van jaren over Zion heengegaan, en gelijk hij een roemrijk verleden heeft, zo is hij ook voor ene glorierijke toekomst bewaard. Andere uitleggers menen om de Chaldeeuws en Romeinse catastrofe (2 Koningen 25: 8 Aanm). het hemelse Zion te moeten verstaan, maar de catastrofe betrof wel het op den berg gebouwde, niet dezen zelven, die voor zich en volgens zijne bestemming (Micha 3: 12 en 4: 1) onveranderd bleef staan.
Zion was zowel het middelpunt van den Israëlitische staat als van het koninkrijk Gods. Op Zion stond, van David’s tijden af, de tente en later de tempel, wel door een ravijn gescheiden als teken, dat de koninklijke en priesterlijke macht nog gescheiden was, maar toch, als Israël’s vromen naar Zion zagen, dan waren zij verheugd, want dan wisten zij, dat zij veilig waren, onder de hoede van Hem, die Israël’s koning en Israël’s Verlosser was. 2.
II. Vs. 2 KruisverwijzingenZacharia 2:5→Johannes 10:28→Psalmen 121:8→Jesaja 4:5→Klaagliederen 4:12→Psalmen 34:7→Deuteronomium 33:27→
— Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.
en 3. Uit het gehele koor verheft zich nu ene enkele stem. De gemeente is omgeven door den onneembaren wal van ‘s Heren bijstand en bescherming; daarom zal de op haar drukkende heerschappij der goddelozen zeker eenmaal een einde nemen, en niet langer duren dan de kracht tot tegenstand bij de rechtvaardigen duurt tegen de verleidende macht, welke verdrukking en gewoonte op de mensen uitoefenen.
Rondom Jeruzalem zijn bergen, zodat zij reeds uitwendig voorkomt als ene van de wereld afgeslotene en tegen haar beschermende stad (Jozua 15: 63 ), alzo is de HEERE, die nog ene oneindig hogere bescherming is dan de natuurlijke wallen van bergen (vgl. Jes. 33: 21. Zach. 2: 5), rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid. Het is veel gemakkelijker om te zeggen, dan om te geloven, dat wij, zo wij het woord van God bij ons hebben en geloven, door goddelijken bijstand omringd zijn. Wanneer wij stalen en vurige muren om ons heen hadden, zo zouden wij gerust zijn en den duivel trotseren; maar de eigenschap van het geloof is het, ons niet te verheffen op hetgeen de ogen zien, maar op hetgeen het Woord ons aanwijst. Dit ontbreekt ons dus, dat wij gene geestelijke ogen hebben, het ene nodige, maar alleen de vleselijke ogen navolgen.
Geen wonder, dat Zions gebergte, die aloude zetelplaats van den waren godsdienst van Melchizedek’s dagen af, in zijne ontwikkeling en vastheid, al de eeuwen zou verduren, en Jeruzalem in zijne onverwinbare sterkte, door bergen als door zo vele voormuren tot zijne beveiliging omgeven, voor hen de eigenaardige beelden en waarborgen werden van de zekerheid des geluks en der volkomen veiligheid voor hun volks- en godsdienstbelang, bij den aanval van elke vijand, dewijl Jehova, de Machtige Jacob’s, hen met Zijne alvermogende hoede nabij was en omringde. Met veel recht konden zij het verwachten, dat gene goddeloze koningen of volken hen immer onderdrukken zouden, gelijk zij onder Sauls regering en in de overheersing van andere volken ondervonden hadden, en waardoor zij van den Heere en Zijne gerechtigheid tot hun schade waren afgeleid. Ja, van den Heere mochten zij vrede en heil vragen en hopen, bij het inslaan van den weg der waarheid en der oprechtheid, daar het ontwijfelbaar vaststond, dat Hij de werkers der ongerechtigheid van voor Zijn aangezicht verdelgen wilde. En waren dit nu de welgegronde verwachtingen voor Israël, als Jehova’s volk beschouwd, in het algemeen, welke ene stoffe van blijdschap lag dan hierin voor alle ware dienaren des Heren in het bijzonder, die zich geheel en al op dien getrouwen Verbondsgod verlieten, en op ene werkzame en werkdadige wijze op het woord en de beloftenissen van den Onveranderlijke steunden. De vastigheid van hunnen staat ligt alleen in Jehova, zo als Hij is en Zich in den Engel Zijns aanschijns, onzen Heiland, heeft kenbaar gemaakt. Hij, die de Almachtige is, is en stelt ene veilige hoede rondom hen en gedoogt niet, dat de vijand hen genaken zal. De overwinning op elke tegenstander en op de gehele macht der hel is gewis, en Hij laat niet toe, dat zij boven vermogen verzocht worden. Hij hoort het gebed, oefent altijd recht en gerechtigheid, en geeft vrede over het Israël Gods, dat Hem kent en dient. Is er iets, dat den vromen Christen tot blijdschap, tot geruststelling en tot aanmoediging verstrekken kan, dan is het ongetwijfeld zulk een onderwijs en zulk ene bijbelse verzekering.
Al is het ook, dat de treurige toestand van den tegenwoordigen tijd, nu Gods volk in het heilige land zelf door de Gode vijandige macht der wereld verdrukt en onderworpen is, dat schijnt tegen te spreken, zo zal het toch ten laatste blijken, dat de Heere werkelijk rondom Zijn volk is. Want de scepter der goddeloosheid, die nu zo zwaar op ons drukt, zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, zal hun niet bij voortduring een angstig lot veroorzaken; opdat de verzoeking, die in deze overheersing ligt, niet langer dure, dan men kan verdragen (1 Kor. 10: 13), en alzo de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht, door te delen in de heersende goddeloosheid (MATTHEUS. 24: 22). Heeft alzo Zion niet te vrezen, zal het ware Israël in zijn vertrouwen op Jehova niet beschouwd worden, het zegt niet, dat het geen belagers en bestrijders heeft, die het menigmaal in bange angsten dringen, want waartoe anders de belofte, dat de Heere de vurige muur rondom Zijn volk zal wezen?. De rechtvaardigen zijn niet in zich zelven veilig voor afval, maar God bestuurt de verzoeking zo, dat wij die kunnen verdragen.
De scepter der goddelozen over het erfdeel der rechtvaardigen is de heerschappij der heidenen over Kanaän. Het “want” steunt en bekrachtigt wat in vs. 2 gezegd is, dewijl het ene opkomende twijfeling weerlegt. De heerschappij der heidenen duurt niet altijd, opdat niet ten laatste ook de rechtvaardigen aan het bestuur Gods zouden leren twijfelen en mede tot het heidendom zouden vervallen.
De betekenis van dit vers schijnt dezelfde te zijn, als die bij de voorzegging omtrent de rampen van later dagen, MATTHEUS. 24: 21,22: Indien die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden. Maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.
Maar die zich, van wege de onreinheid hunner harten, neigen tot hun kromme wegen 1), die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid, door wie zij zich hebben laten verleiden. Dit alles zal worden vervuld, zowel de bede als de profetie. Vrede; zal over Israël zijn, namelijk over het Israël Gods (Gal. 6: 16), dat niet alleen den naam heeft, maar ook werkelijk Israël is (Psalm 128: 6).
In vs. 3 spreekt zich de vrees uit door uitwendigen dwang van machtige mensen, bijv. van de toenmaals in Palestina machtige Samaritanen en de hen ondersteunende Perzische groten, om tot iets verleid te worden wat met den godsdienst niet te rijmen was. “Alleen niets halfs, verkeerds en met het gestrenge geweten onverenigbaars! Dit was het gevoelen van die eerste stichters van het nieuwe Jeruzalem, en daarmee komt ook goed het slot in vs. 4 en 5 overeen.
Vrede is het einde der dwingelandij, der vijandschap, der verdeeldheid, van de onrust, den angst; vrede is vrijheid en harmonie en eenheid en veiligheid en zaligheid.
Met den uitroep: “Vrede over Israël” de gehele zaligheid Gods in hare kostbare vrucht samenvattende, breidt de Psalmist zegenend zijne handen uit over het ware Israël, dat uit den Geest geboren is en een welgesteld hart spreekt er het Amen bij uit.
Niet alleen de gebeden hunner broederen, maar de tussenkomst van den Middelaar verzekert Israël van de beschermende macht en de bewarende genade van zijn God. Vrede zal zijn over iedere waren Israëliet, in wie geen bedrog is. Heere! reken ons tot dat volk voor tijd en voor eeuwigheid.
Onder hen, die van vurigen ijver blaakten voor de ere Gods, waren er ook, die gemene zaak met den vijand maakten. Ook toen was er onkruid onder de tarwe. En deze richtten meer schade aan dan de openbare vijanden. Zij behoorden niet tot het geestelijk zaad van Abraham, en daarom spreekt de dichter er van, dat de Heere hen zal doen weggaan met de werken der ongerechtigheid. De hypocriet en de openbare vijand zullen enerlei lot wedervaren. 4.
III. Vs. 4 KruisverwijzingenPsalmen 7:10→Psalmen 119:68→Psalmen 84:11→Psalmen 94:15→1 Johannes 3:17→Psalmen 119:80→Klaagliederen 3:25→Jesaja 58:10→
— HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
en 5. Thans komt weer het gehele koor aan het woord; hij maakt ene scheiding tussen de goede en vrome harten in de gemeente en de anderen, die afwijken op hun kromme wegen; hij verkondigt dezen den ondergang met de boosdoeners, met wie zij zich verenigd hebben; en wenst hun den vrede en alles goeds van den Heere.
HEERE! doe den goeden wel, en degenen, die oprecht zijn in hun harten, die zich door gene onderdrukkingen van U laten afbrengen.
Maar die zich, van wege de onreinheid hunner harten, neigen tot hun kromme wegen 1), die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid, door wie zij zich hebben laten verleiden. Dit alles zal worden vervuld, zowel de bede als de profetie. Vrede; zal over Israël zijn, namelijk over het Israël Gods (Gal. 6: 16), dat niet alleen den naam heeft, maar ook werkelijk Israël is (Psalm 128: 6).
In vs. 3 spreekt zich de vrees uit door uitwendigen dwang van machtige mensen, bijv. van de toenmaals in Palestina machtige Samaritanen en de hen ondersteunende Perzische groten, om tot iets verleid te worden wat met den godsdienst niet te rijmen was. “Alleen niets halfs, verkeerds en met het gestrenge geweten onverenigbaars! Dit was het gevoelen van die eerste stichters van het nieuwe Jeruzalem, en daarmee komt ook goed het slot in vs. 4 en 5 overeen.
Vrede is het einde der dwingelandij, der vijandschap, der verdeeldheid, van de onrust, den angst; vrede is vrijheid en harmonie en eenheid en veiligheid en zaligheid.
Met den uitroep: “Vrede over Israël” de gehele zaligheid Gods in hare kostbare vrucht samenvattende, breidt de Psalmist zegenend zijne handen uit over het ware Israël, dat uit den Geest geboren is en een welgesteld hart spreekt er het Amen bij uit.
Niet alleen de gebeden hunner broederen, maar de tussenkomst van den Middelaar verzekert Israël van de beschermende macht en de bewarende genade van zijn God. Vrede zal zijn over iedere waren Israëliet, in wie geen bedrog is. Heere! reken ons tot dat volk voor tijd en voor eeuwigheid.
Onder hen, die van vurigen ijver blaakten voor de ere Gods, waren er ook, die gemene zaak met den vijand maakten. Ook toen was er onkruid onder de tarwe. En deze richtten meer schade aan dan de openbare vijanden. Zij behoorden niet tot het geestelijk zaad van Abraham, en daarom spreekt de dichter er van, dat de Heere hen zal doen weggaan met de werken der ongerechtigheid. De hypocriet en de openbare vijand zullen enerlei lot wedervaren.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel