Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een liedH7892 op HammaalothH4609. Ik hefH5375 mijn ogenH5869 op totH413 U, Die in de hemelenH8064 zitH3427.
Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
KJV
[[A Song1
of degrees.]]2
Unto thee lift I up4
mine eyes,6
O thou that dwellest7
in the heavens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZieH2009, gelijk de ogenH5869 der knechtenH5650 zijn op de handH3027 hunner herenH113; gelijk de ogenH5869 der dienstmaagdH8198 zijn op de handH3027 harer vrouwH1404; alzoH3651 zijn onze ogenH5869 op den HEEREH3068, onze GodH430, totdatH5704 Hij ons genadigH2603 zij.
Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
KJV
Behold, as the eyes2
of servants3
look unto the hand5
of their masters,6
and as the eyes7
of a maiden8
unto the hand10
of her mistress;11
so our eyes13
wait upon the LORD15
our God,16
until that he have mercy
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Zijt ons genadigH2603, o HEEREH3068! zijt ons genadigH2603, wantH3588 wij zijn der verachtingH937 veelH7227 te zat.
Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
KJV
Have mercy1
upon us, O LORD,2
have mercy3
upon us: for we are exceedingly5
filled6
with contempt.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Onze zielH5315 is veelH7227 te zat des spotsH3933 der weelderigenH7600, der verachtingH937 der hovaardigenH3238.
Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
KJV
Our soul4
is exceedingly1
filled2
with the scorning5
of those that are at ease,6
and with the contempt7
of the proud.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
lied Hamaälòth
Zie Ps. 120:1 .
Hertaald:
lied Hamaälòth
Zie Ps. 120:1.
hef mijn ogen
Deze woorden worden hier en elders gesteld, meer om onze harten tot het bedenken der hemelse heerlijkheid Gods te verwekken, dan om aan te wijzen dat God alleen in den hemel is of woont; de hemelen der hemelen kunnen de majesteit Gods niet begrijpen.
Hertaald:
hef mijn ogen
Deze woorden staan hier en elders meer om onze harten op te wekken tot het overdenken van Gods hemelse heerlijkheid, dan om aan te wijzen dat God alleen in de hemel is of woont; de hemel van de hemelen kan Gods majesteit niet bevatten.
zijn op de hand
Te weten, als men hun ongelijk doet of zoekt hen te onderdrukken.
Hertaald:
zijn op de hand
Namelijk: wanneer men hun onrecht doet of hen probeert te onderdrukken.
totdat Hij ons
Een exempel, ons vermanende tot een gedurig gebed, totdat wij verhoord worden. Zie Luc. 18:1-7 ; en Ps. 55:18 .
Hertaald:
totdat Hij ons
Een voorbeeld dat ons aanspoort tot een aanhoudend gebed, totdat wij verhoord worden. Zie Luk. 18:1-7; en Ps. 55:18.
wij zijn der
De zin is, wij worden van de stoute wereldskinderen zo veracht, dat wij zeer verdrietig daarover worden en schier niet meer lijden kunnen. Zie de aantekening bij Job 7:4 , en Ps. 88:4 .
Hertaald:
wij zijn der
De betekenis is: wij worden door de vermetele wereldse mensen zo veracht, dat wij er zeer bedroefd van worden en het bijna niet meer kunnen verdragen. Zie de aantekening bij Job 7:4, en Ps. 88:4.
der weelderigen,
Hebr. der rustigen, of der gerusten; dat is, dergenen, die in rust en weelde in deze wereld zitten en van geen lijden of verdriet weten, en overzulks moedig en moedwillig zijn.
Hertaald:
der weelderigen,
Hebreeuws: van de rustigen, of van de gerusten; dat is: van hen die in rust en weelde in deze wereld zitten, geen lijden of verdriet kennen en daarom overmoedig en moedwillig zijn. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit" (Ps. 123:1). Dan volgt het beeld: "gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij" (Ps. 123:2). Een dienstknecht keek naar de hand van zijn heer, want daaruit kwam zowel het bevel als het brood. De psalm eindigt bij wat het volk verdraagt: "wij zijn der verachting veel te zat" (Ps. 123:3), en: "Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen" (Ps. 123:4). Bijbelse betekenis: Het beeld tekent een houding die zowel afhankelijk als opmerkzaam is. De knecht doet niets uit zichzelf en kijkt onafgebroken naar één hand; wat hij nodig heeft, komt daaruit. Merk op het woordje totdat (Ps. 123:2). Er wordt niet gezegd hoe lang het duurt, maar wel waarop het uitloopt: totdat Hij ons genadig zij. Dat is geen onbepaald wachten maar wachten met een uitkomst. Let ten slotte op wat de nood is: niet honger of oorlog maar spot en verachting. De Schrift neemt dat ernstig genoeg om er een heel lied aan te wijden. Typologie: De Heere Jezus wijst op dezelfde afhankelijkheid wanneer Hij zegt dat de Zoon niets van Zichzelf doen kan, maar ziet op wat de Vader doet (Joh. 5:19). Ps. 123:1-4; Joh. 5:19 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren, gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, alzo zijn onze ogen op… 1 Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit. 2 Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 123
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Onze ogen zijn op de Heere …
Psalm 123


Psalmen 123
Psalmen 123:1.KruisverwijzingenPsalmen 121:1→Psalmen 141:8→Psalmen 11:4→Psalmen 2:4→Psalmen 120:1→Psalmen 25:15→Psalmen 134:1→Psalmen 128:1→
— Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
Onze ogen zijn maar al te geneigd naar beneden te kijken, of naar binnen, of om zich heen; maar het is wijsheid van ons naar bóven te kijken. Er is altijd iets gezegends naar boven te zien, in het bijzonder wanneer wij opzien tot Hem die in de hoogste hemelen woont: onze Vader, onze Zaligmaker, onze Trooster. Er is hier beneden weinig dat het aanzien waard is.
Psalmen 123:2.KruisverwijzingenLukas 18:1→Psalmen 130:5→Psalmen 40:1→Jozua 10:6→Genesis 32:26→Psalmen 119:123→Klaagliederen 3:25→Psalmen 25:15→
— Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.
Dit is waar wij naar uitzien: de barmhartigheid van de HEERE onze God. Zij komt uit Zijn grote hart, door Zijn almachtige hand. Een wenk van Zijn hand is genoeg om al onze moeiten weg te drijven. Wanneer Hij Zijn hand opent, voorziet Hij in de behoeften van elk levend wezen, zo machtig en zo overvloedig is Hij.
Psalmen 123:3.KruisverwijzingenLukas 18:11→Jesaja 53:3→Psalmen 57:1→Lukas 23:35→Psalmen 89:50→Lukas 16:14→Psalmen 56:1→Nehemia 4:2→
— Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
De verlangende ziel wacht niet in volkomen zwijgen zonder haar begeerten uit te spreken. Ik heb gehoord van sommigen die zeiden dat hun wil zo volkomen aan Gods wil gelijkvormig was dat zij het bidden hadden nagelaten; maar dat was zeker een satanisch bedrog, want de wil van Christus was volkomen aan die van Zijn Vader gelijkvormig, en toch bad Híj.
De verachting is een scherp snijdend ding, hoogst beproevend voor de ziel die het moet verduren; en velen zijn zeer neergedrukt van geest geweest door de verachting die over hen uitgegoten is. Maar HEERE, Uw barmhartigheid is een genezing voor het gebrek aan barmhartigheid bij de mens; Uw gedachtenis aan ons neemt de scherpte weg van de verachting van mensen.
Psalmen 123:4.KruisverwijzingenPsalmen 119:51→Job 12:5→Job 16:4→Jeremia 48:27→Amos 6:1→Jeremia 48:11→Handelingen 17:32→Jeremia 48:29→
— Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.
Het lijkt geen begeerlijk ding om op zijn gemak te zijn, want het waren juist die mensen die de psalmist en zijn godvruchtige gezellen bespotten. Ook Job zei: wie gereed is met zijn voeten uit te glijden, is als een verachte lamp in de gedachte van wie op zijn gemak is. In de stilstaande lucht van een leven van gemak broeden allerlei kwaden.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een lied Hammaälôth (Psalm 120: 1 ). Met hetgeen in dan vorigen Psalm over de heerlijkheid van Jeruzalem gezegd is en met de wensen en beden voor haar heil, staat de tegenwoordige toestand van hem, die met Psalm 120 en 121 de rij dezer liederen Hammaälôth geopend heeft (Ezra 4: 24 ), in snijdende tegenspraak, in welke weemoedige klacht laat hij nu hier de gemeente bidden om opheffing van die tegenspraak. De in het oog lopende overeenstemming van het begin met Psalm 121: 1 121.1 doet zien, dat wij hier dezelfden dichter voor ons hebben als daar. De Syrische overzetting heeft daarom niet misgetast, wanneer zij zegt, dat de Psalm als uit de ziel van Zerubbabel, het hoofd der teruggekeerde ballingen gesproten is. Zij bedoelt nu wel de ballingen zelven, maar noemt bepaald hun hoofd Zerubbabel, om de betekenisvolle verbinding van onzen Psalm met den vorigen aan te wijzen; in den vorigen hebben wij den tijd van David voor ons, van den aanvang van het koningschap der belofte, in dezen dien van den vorst uit David’s geslacht na de ballingschap (Ezra 2: 2).
I. Vs. 1 KruisverwijzingenPsalmen 121:1→Psalmen 141:8→Psalmen 11:4→Psalmen 2:4→Psalmen 120:1→Psalmen 25:15→Psalmen 134:1→Psalmen 128:1→
— Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
en 2. In de eerste plaats spreekt de zingende gemeente door ene stem uit haar midden haar opzien tot God en haar verlangen naar Zijne genadige hulp met even zo verheven ernst als tedere innigheid uit. Ik hef met een blik vol innig verlangen mijne ogen op tot U, die in de hemelen zit, hoog verheven boven de aarde en al hare machten, en oneindig rijk in hulp voor de Uwen (Psalm 115: 3; 121: 1). Even als juist dan, wanneer nergens op aarde een licht van hoop wil opgaan, de psalmzangers met bijzondere vertroosting God noemen als degene, die “in de hemelen zit,” zo ook hier. Dat God niet te bereiken is door enigen aanval van mensen, dat de scepter Zijner macht onderbreken is, dat Zijn oog zo ver reikt als de hemel zich uitstrekt, dat alles komt daarbij den vrome voor den geest.
De Heilige Geest, door wiens aandrijven de dichter dezen Psalm in den mond des volks leide, roept ons daardoor met luider stemme tot God te gaan, niet alleen zo vaak deze of gene, maar zo dikwijls de ganse gemeente in nood verkeert. Met voordacht wordt God aangeroepen als “gezeten in den hemel,” niet slechts, opdat de gelovigen zich met een vertrouwen, gelijk het hun voegt, op Gods macht verlaten, maar ook opdat zij bedenken, dat, wanneer alle aardse hoop bezwijkt, Gods alvermogen in den hemel ongeschokt blijft.
De gelovige, die hier spreekt, erkent met deze woorden de oppermacht des Heren en spreekt er mede uit, dat hij in staat is, om zijn volk te beschermen tegen de listen en lagen der heidenen. Hij gaat gebogen onder de verachting en spot der vijanden, maar te midden van zijne ellende mag hij het oog wenden naar den hemel, waar zijn God troont, die in staat is, om de dagen van lijden in dagen van verblijden te herscheppen.
Zie, gelijk de ogen der knechten (slaven) zijn op de hand hunner heren, totdat zij van hen ontvangen wat zij nodig hebben; gelijk de ogen der dienstmaagd (slavin) zijn op de hand harer vrouw, harer meesteressen, alzo zijn onze ogen op den HEERE, onzen God, totdat Hij ons genadig zij, en aan de treurigheid van ons lot een einde make. De hand van den heer, de hand der vrouw regeert het gehele huis, en hun wenken en aanwijzingen merken de knechten en de dienstmaagden met nauwkeurigheid op; die van Israël zijn Jehova’s knechten, de gemeente van Israël is Jehova’s dienstmaagd-in Zijne hand ligt hare toekomst.
De ogen van een dienstknecht zijn op zijns meesters 1. besturende hand, verwachtende dat Hij hem zijn werk bevele; 2. op Zijne toedelende hand. Dienstknechten zien op hun meester of hun meesteres om hun deel van spijze op den behoorlijken tijd (Spreuken 31: 15). Tot God moeten wij dagelijks opzien om ons brood, om genoegzame genade; 3. op Zijn beschermende hand. Indien de dienaar tegenwerking bij zijnen arbeid ondervindt, indien hem onrecht wordt aangedaan, wie anders zal hem helpen dan zijn meester. Wanneer het volk van God wordt vervolgd: zo mag het tot zijn Meester roepen: “Wij zijn de Uwe, help ons.” 4. op Zijne verbeterende hand. Het volk van God verkeert onder Zijne berispingen, en waarheen zal het zich wenden dan tot Hem, die kastijdde (Jes. 9: 13). Zij onderwerpen zich aan en vernederen zich onder Gods machtige hand. 5. op Zijne belonende hand. Huichelaars zien op de handen der wereld, vandaar hebben zij hun loon (MATTHEUS. 6: 2), maar ware Christenen zien tot God op, als tot hunnen Meester en Beloner.
Wanneer door een meester of ene meesteres bevolen is, dat een slaaf voor een vergrijp gekastijd wordt, keren zij de smekende ogen tot die van den meerdere, totdat die beweging der hand verschijnt, die een einde maakt aan de smart die gevoeld wordt; zo zijn onze ogen op U, onzen God, dat Uwe hand het teken moge geven, dat een einde aan onze zorgen maakt; want onze vijanden, o Heere! wij weten het, volvoeren alleen Uwe bevelen en kastijden ons naar Uw welbehagen. 3.
II. Vs. 3 KruisverwijzingenLukas 18:11→Jesaja 53:3→Psalmen 57:1→Lukas 23:35→Psalmen 89:50→Lukas 16:14→Psalmen 56:1→Nehemia 4:2→
— Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
en 4. Hierop neemt de gemeente als één geheel het woord en terwijl zij tot den Heere om genade roept, dringt zij die smeking aan met ene voorstelling van haren beklagenswaardigen toestand.
Zijt ons genadig 1), o HEERE! en verander spoedig onzen toestand; zijt ons genadig, want wij zijn der verachting van hen, onder welke wij waren (Psalm 120: 5 vv. Nehemia 1: 3; 2:
, veel te zat, oververzadigd zijn wij, wij kunnen dien smaad niet langer dragen.
Hij had gezegd, dat de ogen der vromen, dewijl zij geheel gebroken en ingezonken waren, tot de hand Gods de toevlucht hadden genomen. Nu voegt hij er bij, dat zij oververzadigd zijn van smaad, waaruit wij opmaken, dat de goddelozen niet alleen hevig hadden gewoed, zover men maar durfde gaan, maar ook met smaad de kinderen Gods hadden overladen. En zeker de herhaling, welke een teken is van ernst en brandende begeerte toont tegelijk, dat er niets ontbrak aan de hevigste ellende. Waar nu bij de belediging nog spotten komt, is er niets wat de oprechte gemoederen meer wonden kon toebrengen. Daarom klaagt de Profeet hierover het meest, alsof het was een opeenhoping van alle rampen.
Onze ziel is veel te zat des spots der weeldigen, der overmoedigen, van hen, die ons honen, omdat wij beweren Uw volk te zijn, en wij toch zo ellendig en verlaten op aarde moeten verkeren; wij zijn zat der verachting de smaad der hovaardigen der tirannen, die daarentegen van hun zijde zich beroemen op aanzien en invloed bij de machtigen dezer wereld. Geloofd zij de Heere, wie wij het alleen te danken hebben, dat wij nog tot dit uur naar lichaam en ziel staan. Wanneer de wereld niet altijd tegen de gelovigen kan woeden, gelijk zij dit gaarne zou willen, zo geef daarvoor den Heere de eer, die ze in toom houdt. -Velen wanen, dat de wereld niet zo vijandig is en geven haar in plaats van Gode de eer; volg gij in alles de Heilige Schrift.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel